EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62002CJ0238

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 4 maart 2004.
Hauptzollamt Hamburg-Stadt tegen Kazimieras Viluckas (C-238/02) en Ricardas Jonusas (C-246/02).
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesfinanzhof - Duitsland.
Communautair douanewetboek - Omvang van verplichting om aangekomen goederen bij douane aan te brengen - Nationale wetgeving volgens welke verstopte goederen uitdrukkelijk moeten worden aangegeven wanneer goederen bij douane worden aangebracht - Personen die goederen hebben binnengebracht en deze bij douane moeten aanbrengen - Begrip belastingschuldenaar.
Gevoegde zaken C-238/02 en C-246/02.

European Court Reports 2004 I-02141

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2004:126

Arrêt de la Cour

Gevoegde zaken C‑238/02 en C‑246/02

Hauptzollamt Hamburg-Stadt

tegen

Kazimieras Viluckas en Ricardas Jonusas

(verzoeken van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)

„Communautair douanewetboek – Omvang van verplichting om aangekomen goederen bij douane aan te brengen – Nationale wettelijke regeling volgens welke verstopte goederen uitdrukkelijk moeten worden aangegeven wanneer goederen bij douane worden aangebracht – Personen die goederen hebben binnengebracht en deze bij douane moeten aanbrengen – Begrip belastingschuldenaar”

Samenvatting van het arrest

Douane-unie – Ontstaan van douaneschuld door onregelmatig binnenbrengen van goederen – Omvang van verplichting om goederen bij douane aan te brengen – Goederen die zelfs zonder medeweten van bestuurder in voertuig zijn verborgen, daaronder begrepen – Belastingschuldenaar in zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van douanewetboek – Begrip

(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 4, punt 19, 40 en 202, lid 3, eerste streepje)

Het aanbrengen bij de douane van goederen die in de Gemeenschap zijn binnengebracht in de zin van artikel 4, punt 19, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, heeft betrekking op alle goederen, met inbegrip van die welke in een daarvoor ingerichte geheime bergplaats zijn verborgen. De in artikel 38 van het douanewetboek bedoelde verplichting om de goederen aan te brengen rust, zoals blijkt uit artikel 40 van het douanewetboek, op de bestuurder en de bijrijder van een vrachtwagen die deze goederen hebben binnengebracht, ook al werden deze goederen zonder hun medeweten in het voertuig verborgen.

De persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht zonder deze in de douaneaangifte te vermelden, is belastingschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het communautair douanewetboek, ook al kunnen andere personen op basis van de andere bepalingen van artikel 202, lid 3, voor dezelfde goederen als schuldenaar worden aangemerkt.

(cf. punten 24, 29‑30 en dictum)




ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
4 maart 2004(1)

„Communautair douanewetboek – Omvang van verplichting om aangekomen goederen bij douane aan te brengen – Nationale wetgeving volgens welke verstopte goederen uitdrukkelijk moeten worden aangegeven wanneer goederen bij douane worden aangebracht – Personen die goederen hebben binnengebracht en deze bij douane moeten aanbrengen – Begrip belastingschuldenaar”

In de gevoegde zaken C-238/02 en C-246/02,

betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Bundesfinanzhof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Hauptzollamt Hamburg-Stadt

en

Kazimieras Viluckas (C-238/02),Ricardas Jonusas (C-246/02),

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4, punt 19, 40 en 202, lid 3, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1),wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,



samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur) en F. Macken, rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende



Arrest



1
Bij beschikkingen van 7 mei 2002, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2002 en 8 juli 2002, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4, punt 19, 40 en 202, lid 3, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).

2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Hauptzollamt Hamburg-Stadt (hoofddouanekantoor; hierna: „HZA”), enerzijds, en K. Viluckas (C‑238/02) en R. Jonusas (C‑246/02), anderzijds, betreffende een douaneschuld die is ontstaan doordat op onregelmatige wijze goederen op het grondgebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht.


Bepalingen van gemeenschapsrecht

3
Artikel 4, punt 19, van het douanewetboek bepaalt:

„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

[…]

19.
aanbrengen bij de douane: mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats.”

4
Artikel 38, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:

a)
hetzij naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats

[…]”

5
Artikel 40 van het douanewetboek luidt als volgt:

„Goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a, bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, dienen bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht.”

6
Artikel 202 bepaalt:

„1.
Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a)
indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht,

of

b)
indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht.

Onder ‚op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.

2.
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.

3.
Schuldenaren zijn:

de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht;

de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;

de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht.”


Bepalingen van nationaal recht

7
§ 21 van het Tabaksteuergesetz (wet betreffende de accijns op tabak) van 21 december 1992 (BGBl 1992 I, 2150), zoals gewijzigd bij § 1, nr. 13, van het Gesetz zur Änderung von Verbrauchsteuergesetzen und des EG-Amtshilfe-Gesetzes (wet houdende wijziging van de wetgeving inzake verbruiksbelastingen en van de wet inzake de communautaire administratieve bijstand) van 12 juli 1996 (BGBl 1996 I, 962), bepaalt:

„Indien tabakswaren rechtstreeks uit een derde land in het belastinggebied worden ingevoerd [...], zijn voor het ontstaan en het tenietgaan (anders dan door inning) van de belasting en voor het tijdstip dat bepalend is voor de vaststelling van de belastinggrondslag, voor de persoon van de belastingschuldenaar, voor de fiscale procedure en […] voor het betalingsuitstel […], de terugbetaling en de naheffing, de douaneregels van overeenkomstige toepassing.”

8
§ 8 van de Zollverordnung (douanereglement) van 23 december 1993 (BGBl I, 2449) bepaalt:

„De mededeling op grond van artikel 4, punt 19, van het douanewetboek is niet aan vormvoorschriften gebonden. Voor verstopte of door middel van bijzondere inrichtingen verborgen goederen is een uitdrukkelijke mededeling vereist.”


Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

9
Verweerders in het hoofdgeding, Viluckas en Jonusas, zijn Litouwse staatsburgers. Op 3 augustus 1998 kwamen zij via de veerboot Klaipeda/Travemünde Duitsland binnen aan boord van een vrachtwagen met Litouws kenteken.

10
Viluckas, de eigenaar van de vrachtwagen, was bijrijder en Jonusas was bestuurder. Aan de vrachtwagen hing een koeloplegger, die toebehoorde aan een derde. Hierin bevonden zich houten laadborden, die te Travemünde onder de regeling extern communautair douanevervoer waren geplaatst.

11
Bij een latere controle van de vrachtwagen op de parking langs de autoweg te Hamburg-Stillhorn West en het daaropvolgende onderzoek in het containercontrolecomplex werden in het dak van de koeloplegger in een speciaal daarvoor ingerichte geheime bergplaats 2 901 sloffen (580 200 stuks) sigaretten aangetroffen waarvoor geen accijns was betaald.

12
Bij aanslag van 12 augustus 1998, gewijzigd bij een naheffingsaanslag van 14 december 1998, vorderde het HZA op basis van het douanewetboek van verweerders in het hoofdgeding betaling van accijns op tabak ten bedrage van 85 347,42 DEM.

13
Bij beschikking van 22 januari 1999 stelde het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) de bestuurder en de eigenaar strafrechtelijk buiten vervolging omdat er onvoldoende aanwijzingen waren van belastingontduiking. Volgens de betrokkenen waren de sigaretten buiten hun medeweten door derden in het dak van de oplegger verborgen, voordat deze was geleverd om te worden geladen. De bergplaats was van dien aard dat zij volstrekt niet opviel.

14
Het bezwaarschrift van verweerders in het hoofdgeding tegen de belastingaanslag werd afgewezen bij twee besluiten van 25 maart en 21 mei 1999. Deze afwijzende besluiten werden evenwel nietig verklaard nadat de betrokkenen hiertegen bij het Finanzgericht beroep hadden ingesteld. De rechter was van oordeel dat het HZA de aanslag niet op artikel 202 of artikel 203 van het douanewetboek kon baseren.

15
Hiertegen stelde het HZA beroep tot „Revision” in. Het betoogde dat het Bundesrecht (federaal recht) was geschonden wegens onjuiste toepassing van § 8, tweede zin, van de Zollverordnung.

16
Het Bundesfinanzhof was van oordeel dat zijn beslissing afhing van het antwoord op de vraag of de Litouwse staatsburgers de personen in de zin van artikel 202 van het douanewetboek waren die de goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap hadden binnengebracht en die aldus de rechten verschuldigd waren.

17
Aangezien er twijfels bestaan over de uitlegging van artikel 202, leden 1, sub a, en 3, eerste streepje, gelezen in samenhang met de artikelen 4, punt 19, en 40 van het douanewetboek, heeft het Bundesfinanzhof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)
Moet artikel 4, punt 19, van het douanewetboek aldus worden uitgelegd dat in de mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen op een bepaalde plaats, uitdrukkelijk melding moet worden gemaakt van verstopte of door middel van bijzondere inrichtingen verborgen goederen? [zaken C‑238/02 en C‑246/02]

2)
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 40 van het douanewetboek aldus worden uitgelegd dat deze mededeling ook moet worden verricht door de bestuurder van een vrachtwagen met oplegger, ook al heeft hij geen weet of moet hij geen weet hebben van de in de vrachtwagen verstopte of verborgen goederen? [zaak C‑246/02]

of

Moet artikel 40 van het douanewetboek aldus worden uitgelegd dat deze mededeling ook moet worden verricht door de bestuurder of de tot besturen gerechtigde bijrijder van een vrachtwagen met oplegger die geen weet heeft of moet hebben van de in de vrachtwagen verstopte of verborgen goederen? [zaak C‑238/02]

3)
Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord:

Is het van belang wie de (onvolledige) mededeling heeft verricht, om uit te maken wie ingevolge artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek de rechten verschuldigd is? [zaak C‑238/02]”


De prejudiciële vragen

18
Met de eerste twee vragen, die tezamen dienen te worden beantwoord, wenst het Bundesfinanzhof in wezen te vernemen of het aanbrengen bij de douane van goederen die in de Gemeenschap zijn binnengebracht in de zin van artikel 4, punt 19, van het douanewetboek, betrekking heeft op goederen die in een daarvoor ingerichte geheime bergplaats zijn verborgen, en of de in artikel 38 van het douanewetboek bedoelde verplichting om de goederen aan te brengen, zoals blijkt uit artikel 40 van het douanewetboek, rust op de bestuurders van een vrachtwagen die deze goederen hebben binnengebracht, ook al werden deze goederen buiten hun medeweten in het voertuig verborgen.

19
De Commissie stelt vast dat volgens artikel 38 van het douanewetboek goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, moeten worden gebracht naar het douanekantoor of naar enige andere door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaats, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen goederen die verstopt of verborgen zijn, en goederen die dat niet zijn.

20
Bovendien hebben volgens de Commissie de artikelen 4, punt 19, 40 en 202 van het douanewetboek onder meer tot doel een bijzondere verantwoordelijkheid te leggen op de personen die in het douanegebied van de Gemeenschap een vervoermiddel binnenbrengen waarin zich goederen kunnen bevinden. Volgens haar moet artikel 4, punt 19, dan ook aldus worden uitgelegd dat in de mededeling aan de douaneautoriteiten alle in dit gebied binnengebrachte goederen, en dus ook verstopte of verborgen goederen dienen te worden vermeld. De verstopte sigaretten hadden dus bij de douaneautoriteiten moeten worden aangegeven.

21
Ten slotte stelt de Commissie dat als personen die de goederen met een voertuig hebben binnengebracht, niet alleen dienen te worden aangemerkt degene die het voertuig bestuurde bij het overschrijden van de buitengrens van de Gemeenschap, maar ook alle inzittenden die eveneens als taak hebben het voertuig te besturen.

22
Uit de bewoordingen en de opzet van de artikelen 4, punt 19, 38, lid 1, en 40 van het douanewetboek blijkt inderdaad duidelijk dat alle in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen bij de douane moeten worden aangebracht. Dat bepaalde goederen zijn verborgen in geheime bergplaatsen in het voertuig waarmee zij zijn vervoerd, betekent niet dat zij niet onder deze verplichting vallen.

23
Bovendien blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 40 van het douanewetboek dat goederen die met een voertuig worden binnengebracht, dienen te worden aangegeven door de personen die de zeggenschap over dit voertuig hebben op het ogenblik dat de goederen worden binnengebracht, en met name door de bestuurders, dat wil zeggen degene die aan het stuur zit en – indien hij in het voertuig aanwezig is – zijn bijrijder of vervanger. De op de bestuurders rustende aangifteverplichting zou op een andere in het voertuig aanwezige persoon rusten indien kwam vast te staan dat deze verantwoordelijk was voor het binnenbrengen van de goederen.

24
Bijgevolg dient op de eerste twee vragen te worden geantwoord dat het aanbrengen bij de douane van goederen die in de Gemeenschap zijn binnengebracht in de zin van artikel 4, punt 19, van het douanewetboek, betrekking heeft op alle goederen, met inbegrip van die welke in een daarvoor ingerichte geheime bergplaats waren verborgen, en dat de in artikel 38 van het douanewetboek bedoelde verplichting om de goederen aan te brengen, zoals blijkt uit artikel 40 van het douanewetboek, rust op de bestuurder en de bijrijder van een vrachtwagen die deze goederen hebben binnengebracht, ook al werden deze goederen buiten hun medeweten in het voertuig verborgen.

25
Met zijn derde vraag wenst het Bundesfinanzhof in wezen te vernemen of de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht zonder deze in de douaneaangifte te vermelden, kan worden aangemerkt als de belastingschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek.

26
Volgens de Commissie dient normalerwijs als belastingschuldenaar in de zin van deze bepaling te worden beschouwd de persoon die de goederen heeft binnengebracht en een onvolledige douaneaangifte heeft verricht, tenzij deze persoon, zoals in het hoofdgeding, onder het gezag staat van een andere inzittende van hetzelfde vervoermiddel.

27
Volgens artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek is de belastingschuldenaar de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht.

28
Zoals uit het antwoord op de eerste twee vragen blijkt, worden de goederen geacht onregelmatig te zijn binnengebracht wanneer zij, ook al zijn zij buiten het medeweten van de bestuurder in een voertuig verborgen, door deze laatste niet in de douaneaangifte zijn vermeld.

29
Ook al kunnen andere personen op basis van de andere bepalingen van artikel 202, lid 3, van het douanewetboek voor dezelfde goederen als schuldenaren worden aangemerkt, toch blijft de persoon die de goederen materieel heeft binnengebracht zonder deze aan te geven, dus schuldenaar op grond van artikel 202, lid 3, eerste streepje.

30
Bijgevolg dient op de derde vraag te worden geantwoord dat de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht zonder deze in de douaneaangifte te vermelden, belastingschuldenaar is in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek.


Kosten

31
De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikkingen van 7 mei 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1)
Het aanbrengen bij de douane van goederen die in de Gemeenschap zijn binnengebracht in de zin van artikel 4, punt 19, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, heeft betrekking op alle goederen, met inbegrip van die welke in een daarvoor ingerichte geheime bergplaats waren verborgen. De in artikel 38 van het douanewetboek bedoelde verplichting om de goederen aan te brengen rust, zoals blijkt uit artikel 40 van het douanewetboek, op de bestuurder en de bijrijder van een vrachtwagen die deze goederen hebben binnengebracht, ook al werden deze goederen buiten hun medeweten in het voertuig verborgen.

2)
De persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht zonder deze in de douaneaangifte te vermelden, is belastingschuldenaar in de zin van artikel 202, lid 3, eerste streepje, van het douanewetboek.

Cunha Rodrigues

Puissochet

Macken

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 maart 2004.

De griffier

De president van de Vierde kamer

R. Grass

J. N. Cunha Rodrigues


1
Procestaal: Duits.

Top