EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62000CJ0188

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 november 2002.
Bülent Kurz, geboren Yüce tegen Land Baden-Württemberg.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Karlsruhe - Duitsland.
Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van werknemers - Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Werkingssfeer - Behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat - Turks onderdaan die in het kader van beroepsopleiding betaalde arbeid verricht - Gevolgen van uitzettingsmaatregel.
Zaak C-188/00.

European Court Reports 2002 I-10691

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2002:694

62000J0188

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 november 2002. - Bülent Kurz, geboren Yüce tegen Land Baden-Württemberg. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Verwaltungsgericht Karlsruhe - Duitsland. - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van werknemers - Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Werkingssfeer - Behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat - Turks onderdaan die in het kader van beroepsopleiding betaalde arbeid verricht - Gevolgen van uitzettingsmaatregel. - Zaak C-188/00.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-10691


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1. Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van personen - Werknemers - Toegang van Turks onderdaan tot arbeid in loondienst te zijner keuze in lidstaat en daarbij behorend recht van verblijf - Voorwaarden - Werknemer die tot legale arbeidsmarkt behoort en legale arbeid verricht - Turks onderdaan die in kader van beroepsopleiding meer dan vier jaar betaalde arbeid heeft verricht en vervolgens werkloos is geworden - Voorwaarden vervuld

(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 6, lid 1)

2. Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van personen - Werknemers - Uitzetting van Turks onderdaan die rechten geniet op grond van bepaling van besluit nr. 1/80 - Nationale regeling die afgifte van verblijfstitel verbiedt wanneer gevolgen van uitzetting niet in tijd zijn beperkt - Ontoelaatbaarheid

(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije)

Samenvatting


$$1. Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije moet aldus worden uitgelegd dat een Turks onderdaan

- die toestemming heeft gekregen een lidstaat binnen te komen met een visum met de vermelding enkel geldig voor opleidingsdoeleinden",

- die vervolgens een voorlopige verblijfsvergunning heeft gekregen, welke enkel gold voor de in het kader van zijn beroepsopleiding bij een bepaalde werkgever uitgeoefende werkzaamheid, en

- die in dit verband in dienst van deze werknemer legaal een reële en daadwerkelijke economische activiteit heeft verricht, als tegenprestatie waarvoor hij een met de verrichte arbeid overeenkomende beloning heeft ontvangen,

een werknemer is die tot de legale arbeidsmarkt van deze lidstaat behoort en daar legale arbeid in de zin deze bepaling verricht.

Wanneer een dergelijke Turkse onderdaan aldus gedurende een onafgebroken periode van minstens vier jaar bij die werkgever heeft gewerkt, heeft hij krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van dit besluit in de lidstaat van ontvangst recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze alsmede op een daarmee samenhangend verblijfsrecht.

Wanneer een dergelijke werknemer na beëindiging van zijn opleidingsovereenkomst werkloos is, verliest hij de rechten die hij rechtstreeks aan dit artikel ontleent niet omdat hij gedurende een bepaalde periode geen arbeid heeft verricht. Een dergelijke Turkse werknemer heeft de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst immers niet definitief verlaten en kan in die lidstaat aanspraak maken op verlenging van zijn verblijfsvergunning teneinde zijn recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze krachtens deze bepaling te kunnen blijven uitoefenen.

( cf. punten 58-59, 61, dictum 1 )

2. Wanneer een Turks onderdaan die aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije voldoet en bijgevolg de rechten bezit die dit besluit hem toekent, is uitgezet, verzet het gemeenschapsrecht zich tegen de toepassing van een nationale regeling ter zake van vreemdelingenbeleid krachtens welke de afgifte van een verblijfsvergunning moet worden geweigerd zolang de gevolgen van deze uitzetting niet in de tijd zijn beperkt. De lidstaten kunnen immers geen regelgeving vaststellen noch een maatregel met betrekking tot het verblijf op hun grondgebied van een Turks onderdaan toepassen waardoor de uitoefening van rechten die het gemeenschapsrecht uitdrukkelijk aan een dergelijk onderdaan toekent, zou worden belemmerd.

( cf. punten 67, 70, dictum 2 )

Partijen


In zaak C-188/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Karlsruhe (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Bülent Kurz, geboren Yüce,

en

Land Baden-Württemberg,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 6, lid 1, en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. Gulmann, V. Skouris, F. Macken en N. Colneric, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Kurz, geboren Yüce, vertegenwoordigd door I. Krebs, Rechtsanwältin,

- het Land Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door I. Behler als gemachtigde,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en B. Muttelsee-Schön als gemachtigden,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Kurz, geboren Yüce, het Land Baden-Württemberg en de Commissie ter terechtzitting van 21 februari 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 22 maart 2000, ingekomen bij het Hof op 22 mei daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Karlsruhe krachtens artikel 234 EG vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 6, lid 1, en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: besluit nr. 1/80"). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Kurz, geboren Yüce, Turks onderdaan, en het Land Baden-Württemberg, ter zake van de besluiten van dit laatste, het verzoek van Kurz om afgifte van een vergunning om voor onbepaalde tijd in Duitsland te verblijven af te wijzen, verlenging van zijn voorlopige verblijfsvergunning te weigeren en zijn uitzetting uit deze lidstaat te gelasten.

Besluit nr. 1/80

3 De artikelen 6 en 7 van besluit nr. 1/80 staan vermeld in deel 1, betreffende Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers", van hoofdstuk II, getiteld Sociale bepalingen".

4 Artikel 6, lid 1, luidt als volgt:

Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze."

5 Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 bepaalt:

Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt."

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

6 Uit het dossier in het hoofdgeding blijkt dat Kurz, die in 1977 in Duitsland is geboren, het buitenechtelijk kind is van een Turkse migrerende werknemer, Yüce, die in deze lidstaat van 1969 tot en met 1983 legaal arbeid in loondienst heeft verricht.

7 Van 1978 tot en met 1984 heeft hij in Duitsland als pleegkind bij het Duitse echtpaar Kurz gewoond.

8 In 1984 is hij in het kader van een programma voor hulp bij terugkeer met zijn ouders naar Turkije teruggekeerd.

9 In september 1992 heeft Kurz toestemming gekregen naar Duitsland terug te keren om daar een beroepsopleiding te gaan volgen. Op zijn inreisvisum en de hem tot 15 juli 1997 achtereenvolgens verleende voorlopige verblijfsvergunningen (Aufenthaltsbewilligungen") stond vermeld, dat deze enkel voor opleidingsdoeleinden golden.

10 Kurz heeft in de lidstaat van ontvangst een opleiding tot loodgieter gevolgd; de voorwaarden daarvoor waren vastgelegd in een op 16 november 1992 tussen betrokkene en een te Altlußheim (Duitsland) gevestigd installatiebedrijf op het gebied van sanitair en verwarming, Herbert Schulz GmbH (hierna: onderneming Schulz"), gesloten overeenkomst.

11 Tijdens deze opleiding, die duurde van 1 oktober 1992 tot en met 5 mei 1997, heeft Kurz een à twee keer per week theorielessen gevolgd bij een instelling voor beroepsonderwijs en in de resterende tijd bij wijze van praktijkopleiding in de onderneming Schulz arbeid in loondienst verricht, waarvoor deze onderneming hem in het eerste jaar 780 DEM en in de volgende jaren respectievelijk 840, 940 en 1 030 DEM per maand betaalde.

12 Op 22 februari 1997 is Kurz geslaagd voor het praktijkgedeelte van het afsluitend examen en op 6 mei daaraanvolgend heeft hij, zoals overeengekomen, zijn opleiding beëindigd zonder echter voor het theoriegedeelte van dit examen te zijn geslaagd.

13 Vanaf 1992 heeft Kurz opnieuw bij het echtpaar Kurz gewoond, dat hem in mei 1998 heeft geadopteerd. Overeenkomstig het geldende nationale recht heeft hij op grond van deze adoptie de familienaam van zijn adoptiefouders verkregen. Volgens het Verwaltungsgericht Karlsruhe heeft de adoptie van Kurz tot gevolg gehad dat de familierechtelijke betrekking met zijn biologische familie is verbroken, maar heeft hij daardoor noch recht op de Duitse nationaliteit, noch recht op een permanente verblijfsvergunning voor Duitsland gekregen.

14 Op 7 juli 1997 heeft Kurz verzocht om afgifte van een vergunning voor langdurig verblijf in Duitsland (Aufenthaltserlaubnis"), en subsidiair om verlenging van zijn voorlopige verblijfsvergunning dan wel afgifte van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden (Aufenthaltsbefugnis").

15 Bij beschikking van 18 augustus 1998 heeft het Landratsamt Rhein-Neckar-Kreis (overheidsorgaan van het district Rhein-Neckar) de aanvraag van Kurz van 7 juli 1997 afgewezen en hem op straffe van uitzetting gelast, Duitsland binnen een maand na ontvangst van deze afwijzing te verlaten.

16 Kurz heeft tegen die beschikking bezwaar aangetekend en bovendien verzocht aan zijn bezwaar schorsende werking toe te kennen.

17 Dit laatste verzoek werd op 19 november 1998 afgewezen, en op 20 januari 1999 is Kurz naar Turkije uitgezet.

18 Op 16 juni 1999 heeft het Regierungspräsidium Karlsruhe het bezwaar afgewezen met de overweging, dat Kurz niet aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voldeed. In de eerste plaats had hij tijdens zijn beroepsopleiding, waarvoor hij slechts een tijdelijke verblijfsvergunning had verkregen, niet tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoord in de zin van artikel 6, lid 1. In de tweede plaats had hij als gevolg van zijn adoptie door Duitse onderdanen zijn status als kind van een Turkse werknemer verloren, had hij zijn beroepsopleiding in de lidstaat van ontvangst niet voltooid, omdat hij niet voor alle onderdelen van zijn afsluitend examen was geslaagd, en had zijn biologische vader Duitsland definitief verlaten toen Kurz daar met zijn opleiding was begonnen.

19 Ter ondersteuning van zijn beroep tegen deze beslissing bij het Verwaltungsgericht Karlsruhe heeft Kurz opgemerkt dat hij op grond van de artikelen 6, lid 1, en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 recht op een verblijfsvergunning in Duitsland heeft. Hij heeft tevens aangevoerd dat hem op 20 november 1998 door een onderneming in Mannheim (Duitsland) een betrekking is aangeboden, maar dat hij deze niet heeft kunnen aannemen omdat hij niet over de vereiste verblijfs- en werkvergunning beschikte.

20 Op 20 november 1999 heeft Kurz het vakdiploma van de Handwerkskammer Mannheim gekregen, nadat de examencommissie naar Istanbul was gereisd teneinde hem in de gelegenheid te stellen, daar het theoriegedeelte van zijn afsluitend examen af te leggen.

21 Volgens het Verwaltungsgericht Karlsruhe is de beslissing van het Regierungspräsidium Karlsruhe van 16 juni 1999 in overeenstemming met de bepalingen van het Ausländergesetz (Duitse vreemdelingenwet); niettemin dient te worden nagegaan of Kurz niet op grond van de artikelen 6, lid 1, en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 aanspraak op een verblijfsrecht kon maken.

22 De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of Kurz aan alle, hoofdzakelijk in artikel 6, lid 1, en, subsidiair, in artikel 7, tweede alinea, van dit besluit genoemde voorwaarden voldoet.

23 Ingeval Kurz aan besluit nr. 1/80 rechten kan ontlenen, is hij van mening dat er zich nog een probleem kan voordoen met betrekking tot artikel § 8, lid 2, van het Ausländergesetz, dat bepaalt:

Een vreemdeling die is uitgewezen of uitgezet, mag Duitsland niet opnieuw binnenkomen en aldaar verblijven. Aan hem wordt geen verblijfstitel verleend, ook al is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfstitel overeenkomstig deze wet. De in de twee voorgaande zinnen aangegeven gevolgen worden in de regel in de tijd beperkt indien daarom wordt verzocht. De termijn begint te lopen op het moment waarop het land wordt verlaten."

24 De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat vastgesteld moet worden of het in overeenstemming is met de artikelen 6 en 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, dat de blokkerende werking van de in het vorige punt aangehaalde bepaling zich tegen afgifte van een verblijfsvergunning verzet zolang de uitzetting niet in de tijd is beperkt.

25 Omdat het Verwaltungsgericht Karlsruhe van mening is dat in deze omstandigheden voor de oplossing van het geding een uitlegging van het gemeenschapsrecht nodig is, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1) Wordt aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, tweede of derde streepje, van besluit nr. 1/80 [...] voldaan door een Turks onderdaan die op een door het consulaat-generaal afgegeven visum met de aantekening ,enkel geldig voor opleidingsdoeleinden met toestemming van de bevoegde vreemdelingendienst het land is binnengekomen en daarna in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning die enkel gold voor de in het kader van de opleiding bij een bepaalde werkgever uitgeoefende werkzaamheid, indien deze onderdaan in de periode van 1 oktober 1992 tot en met 5 mei 1997 in het kader van een leerbetrekking bij die werkgever werkzaam is geweest en hiervoor een maandelijkse beloning heeft ontvangen?

2) Wordt aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 [...] voldaan door een Turks onderdaan die het biologische kind is van Turkse ouders die voorheen in het gastland werknemer zijn geweest, indien hij als meerderjarige door Duitse onderdanen is geadopteerd met de gevolgen van een adoptie van een minderjarige en door die adoptie de familierechtelijke betrekking tussen hemzelf en zijn biologische ouders heeft opgehouden te bestaan? Volstaat het in dit verband, dat hij tijdens de legale arbeid van zijn ouders en aan het begin van zijn opleiding het kind van Turkse werknemers was?

3) Voldoet een Turks onderdaan aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 [...] indien hij acht jaar na zijn vertrek uit het gastland met zijn ouders, die dat land destijds definitief hebben verlaten, het gastland opnieuw (zonder zijn ouders) is binnengekomen teneinde er een opleiding te gaan volgen?

4) Voldoet een Turks onderdaan aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 [...] indien hij het laatste afsluitende examen niet in het gastland heeft afgelegd, maar in zijn land van herkomst, voor een daarheen gereisde examencommissie van het gastland?

5) Is het met artikel 6 of artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 [...] verenigbaar dat indien uitzetting heeft plaatsgevonden, op grond van de blokkerende werking van § 8, lid 2, van het Ausländergesetz de afgifte van een verblijfsvergunning moet worden geweigerd zolang niet positief is beslist op een verzoek om de gevolgen van de uitzetting in de tijd te beperken?"

De eerste vraag

26 Met het oog op de beantwoording van deze vraag zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het Hof sinds het arrest van 20 september 1990, Sevince (C-192/89, Jurispr. blz. I-3461, punt 26), steeds heeft geoordeeld, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 in de lidstaten rechtstreekse werking heeft, zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden van dat artikel voldoen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten die de drie onderdelen van deze bepaling hun geleidelijk verlenen, afhankelijk van de duur die zij in de lidstaat van ontvangst in loondienst werkzaam zijn (zie onder meer arrest van 26 november 1998, Birden, C-1/97, Jurispr. blz. I-7747, punt 19).

27 In de tweede plaats is het eveneens de vaste rechtspraak, dat de rechten die deze bepaling op het vlak van de werkgelegenheid aan Turkse werknemers verleent, noodzakelijkerwijs inhouden dat de belanghebbende een recht van verblijf heeft, omdat anders het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het verrichten van arbeid elke inhoud zouden verliezen (zie onder meer arrest Birden, reeds aangehaald, punt 20).

28 In de derde plaats volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, dat deze bepaling vooronderstelt dat de belanghebbende een Turkse werknemer is die op het grondgebied van een lidstaat verblijft, tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst behoort en gedurende een bepaalde periode aldaar legaal werkzaam is geweest (arrest Birden, reeds aangehaald, punt 21).

29 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moeten deze drie begrippen achtereenvolgens worden onderzocht.

Het begrip werknemer

30 Wat het eerste van deze begrippen betreft, moet er om te beginnen aan worden herinnerd, dat in vaste rechtspraak uit de bewoordingen van artikel 12 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije van 12 september 1963 en van artikel 36 van het op 23 november 1970 ondertekende Aanvullende Protocol, dat bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1) is gesloten en aan deze overeenkomst is gehecht, alsmede uit de doelstelling van besluit nr. 1/80 is afgeleid, dat de in het kader van de artikelen 48 en 49 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 en 40 EG) en artikel 50 EG-Verdrag (thans artikel 41 EG) erkende beginselen zo veel mogelijk moeten worden toegepast op Turkse onderdanen die de bij dit besluit toegekende rechten genieten (zie in die zin onder meer arresten van 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93, Jurispr. blz. I-1475, punten 14, 19 en 20; 23 januari 1997, Tetik, C-171/95, Jurispr. blz. I-329, punten 20 en 28; het reeds aangehaalde arrest Birden, punt 23, en het arrest van 10 februari 2000, Nazli, C-340/97, Jurispr. blz. I-957, punten 50-55).

31 Mitsdien moet voor de bepaling van de draagwijdte van het in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 gebruikte begrip werknemer te rade worden gegaan bij de uitlegging van het gemeenschapsrechtelijke begrip werknemer.

32 Het is vaste rechtspraak, dat het begrip werknemer een communautaire inhoud heeft en niet restrictief mag worden uitgelegd. Bij de omschrijving van dit begrip moet worden uitgegaan van objectieve criteria die, wat de rechten en plichten van de betrokkenen betreft, kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. Om als werknemer te worden aangemerkt, moet een persoon reële en daadwerkelijke arbeid verrichten, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Daarentegen kan het feit dat de arbeidsverhouding naar nationaal recht een rechtskarakter sui generis heeft, evenmin als de meer of minder grote productiviteit van de betrokkene of de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald dan wel de geringe hoogte van dit loon, gevolgen hebben voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht (zie met betrekking tot artikel 48 van het Verdrag onder meer arresten van 3 juli 1986, Lawrie-Blum, 66/85, Jurispr. blz. 2121, punten 16 en 17; 21 juni 1988, Brown, 197/86, Jurispr. blz. 3205, punt 21; 31 mei 1989, Bettray, 344/87, Jurispr. blz. 1621, punten 15 en 16; 26 februari 1992, Raulin, C-357/89, Jurispr. blz. I-1027, punt 10, en Bernini, C-3/90, Jurispr. blz. I-1071, punten 14-17, alsook, met betrekking tot artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, arresten van 30 september 1997, Günaydin, C-36/96, Jurispr. blz. I-5143, punt 31, en Ertanir, C-98/96, Jurispr. blz. I-5179, punt 43, evenals Birden, reeds aangehaald, punten 25 en 28).

33 Met betrekking tot meer in het bijzonder activiteiten die, zoals in het hoofdgeding, in het kader van een beroepsopleiding zijn verricht, heeft het Hof geoordeeld dat een persoon die een leertijd voor een beroep doorloopt, welke als een praktische voorbereiding op de eigenlijke uitoefening van het betrokken beroep kan worden aangemerkt, als werknemer moet worden beschouwd wanneer deze periode wordt doorlopen onder de voorwaarden die voor reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst gelden. Het Hof heeft aangegeven dat aan die conclusie niet afdoet, dat de productiviteit van de betrokkene gering is, dat hij geen volledige taak verricht en bijgevolg maar een klein aantal uren per week werkt en dat hij daardoor slechts een geringe beloning ontvangt (zie in deze zin onder meer reeds aangehaalde arresten Lawrie-Blum, punten 19-21, en Bernini, punten 15 en 16).

34 Hieruit volgt dat een ieder die voor een werknemer en onder diens gezag reële en daadwerkelijke economische activiteiten verricht en uit dien hoofde een beloning ontvangt die als tegenprestatie voor deze arbeid kan worden opgevat, zelfs in het kader van een beroepsopleiding en ongeacht de juridische context van die opleiding, als werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht moet worden beschouwd.

35 Uit het dossier blijkt dat Kurz van 1 oktober 1992 tot en met 5 mei 1997 voor en onder het gezag van de onderneming Schulz reële en daadwerkelijke economische activiteiten heeft verricht, waarvoor hij als tegenprestatie een maandelijkse beloning heeft ontvangen die van 780 DEM in het eerste jaar is opgelopen tot 1 030 DEM in het vierde jaar. Deze geleidelijke verhoging van de beloning vormt overigens een aanwijzing dat de arbeid die Kurz voor zijn werkgever heeft verricht een toenemende economische waarde had.

36 Aangezien een persoon als Kurz derhalve aan de voornaamste criteria van een arbeidsverhouding voldoet, moet hij als werknemer in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 worden beschouwd.

Het begrip behoren tot de legale arbeidsmarkt

37 Teneinde vervolgens vast te stellen, of een dergelijke werknemer tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat in de zin van voormelde bepaling van besluit nr. 1/80 behoort, moet in de eerste plaats overeenkomstig vaste rechtspraak (reeds aangehaalde arresten Bozkurt, punten 22 en 23; Günaydin, punt 29; Ertanir, punt 39, en Birden, punt 33) worden nagegaan, of de arbeidsverhouding van de betrokkene rechtens kan worden gelokaliseerd op het grondgebied van een lidstaat of een voldoende nauwe aanknoping met dit grondgebied vertoont, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de plaats van aanwerving van de Turkse onderdaan, het grondgebied waarop of van waaruit de arbeid in loondienst wordt verricht en de toepasselijke nationale wetgeving op het gebied van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.

38 In een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding is deze voorwaarde zonder enige twijfel vervuld, aangezien de betrokkene in dienst is genomen en in het kader van zijn beroepsopleiding arbeid in loondienst heeft verricht op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst en deze arbeid onderworpen was aan de wettelijke regeling van deze staat, met name op het gebied van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.

39 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip legale arbeidsmarkt" als bedoeld in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat het doelt op alle werknemers die de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de betrokken lidstaat ter zake van binnenkomst op zijn grondgebied en inzake arbeid in acht nemen en dus het recht hebben, in die staat een beroepsactiviteit uit te oefenen (reeds aangehaalde arresten Birden, punt 51, en Nazli, punt 31).

40 Ter rechtvaardiging van de uitlegging volgens welke de in andere taalversies van voormeld artikel 6, lid 1, gebruikte term regelmatig" een synoniem is van legaal", heeft het Hof zich niet alleen gebaseerd op een analyse van de verschillende taalversies waarin besluit nr. 1/80 is gesteld (zie arrest Birden, reeds aangehaald, punten 47-50), maar ook op de doelstelling van dit besluit, waarvan de bepalingen op sociaal gebied een stap verder vormen op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, ingegeven door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag (zie arrest Birden, reeds aangehaald, punt 52). Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 en 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevordert het legaal verrichten van arbeid immers de integratie van Turkse onderdanen in de lidstaat van ontvangst.

41 Voor het genot van de in de drie streepjes van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 vervatte rechten geldt dus slechts als voorwaarde, dat de Turkse werknemer de wettelijke regeling van de lidstaat van ontvangst op het gebied van de binnenkomst op het grondgebied en de uitoefening van arbeid in loondienst heeft geëerbiedigd (arrest Nazli, reeds aangehaald, punt 32).

42 In casu lijdt het geen twijfel, dat een Turkse werknemer als Kurz aan deze eis voldoet, daar vaststaat dat hij het grondgebied van de betrokken lidstaat legaal is binnengekomen, dat hem daar toestemming is verleend een beroepsopleiding te volgen en dat hij in het kader daarvan aldaar gedurende meer dan vier opeenvolgende jaren legaal arbeid heeft verricht.

43 In punt 51 van het reeds aangehaalde arrest Birden heeft het Hof geoordeeld dat het begrip legale arbeidsmarkt van een lidstaat" niet aldus kan worden uitgelegd, dat het doelt op de arbeidsmarkt in het algemeen, in tegenstelling tot een beperkte markt met een specifieke doelstelling.

44 In deze omstandigheden kan niet worden ingestemd met de uitlegging van het Land Baden-Württemberg, de Duitse regering en de Commissie, volgens welke een leerling niet tot de legale arbeidsmarkt behoort op grond dat hij in het kader van zijn beroepsopleiding slechts een activiteit van voorlopige en bijzondere aard uitoefent, die zich van een normale arbeidsverhouding onderscheidt en alleen tot doel heeft ervoor te zorgen dat de betrokkene in de toekomst op de arbeidsmarkt in het algemeen wordt opgenomen.

45 Een dergelijke uitlegging is in strijd met het doel en de systematiek van besluit nr. 1/80, welke erop gericht zijn de integratie van Turkse werknemers in de lidstaat van ontvangst te bevorderen (zie punt 40 van dit arrest). Een leerling die, zoals in het hoofdgeding, gedurende meer dan vier jaar voor een werkgever een reële en daadwerkelijke economische activiteit heeft verricht, waarvoor hij als tegenprestatie een beloning heeft ontvangen die met de verrichte arbeid in overeenstemming is, is immers evenzeer in de lidstaat van ontvangst geïntegreerd als een arbeider die gedurende eenzelfde periode vergelijkbare arbeid heeft verricht.

46 Bovendien moet worden beklemtoond dat de uitlegging die het Hof heeft gegeven in de punten 40 tot en met 45 van het reeds aangehaalde arrest Birden, volgens welke een Turks onderdaan die met een arbeidsvergunning in een lidstaat gedurende een ononderbroken periode van meer dan één jaar bij dezelfde werkgever legaal een reële en daadwerkelijke economische activiteit heeft verricht, als tegenprestatie waarvoor hij een gebruikelijke vergoeding ontving, ook dan tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behoort wanneer de betrokken activiteit volgens de regeling van die lidstaat, uit openbare middelen werd gefinancierd en aan een beperkte groep personen was voorbehouden teneinde de opneming van de begunstigden in het beroepsleven te vergemakkelijken, evenzeer - zo niet vooral - opgaat in geval van betaalde arbeid in het kader van een beroepsopleiding.

47 Bijgevolg dient een Turkse werknemer als Kurz als behorend tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 te worden beschouwd.

Het begrip legale arbeid

48 Wat de vraag betreft of een dergelijke werknemer in de lidstaat van ontvangst legale arbeid in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 heeft verricht, moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak (arrest Sevince, reeds aangehaald, punt 30, en arrest van 16 december 1992, Kus, C-237/91, Jurispr. blz. I-6781, punten 12 en 22, alsmede reeds aangehaalde arresten Bozkurt, punt 26, en Birden, punt 55) volgens welke het legale karakter van de arbeid een stabiele en niet precaire situatie op de arbeidsmarkt vooronderstelt en, daarmee, het bestaan van een niet omstreden verblijfsrecht.

49 Anders dan in de feitelijke en juridische situaties die aan de reeds aangehaalde arresten Sevince, punt 31, en Kus, punten 13 en 16, alsmede het arrest van 5 juni 1997, Kol (C-285/95, Jurispr. blz. I-3069, punt 27), ten grondslag lagen, waarin de betrokken Turkse onderdanen geen legaal verkregen verblijfsrecht in de lidstaat van ontvangst hadden, wordt in een geval als het hoofdgeding het verblijfsrecht van de Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst op geen enkele wijze betwist, terwijl de betrokkene zich niet in een precaire situatie bevond die op elk moment ter discussie kon worden gesteld.

50 Uit het dossier volgt immers dat Kurz toestemming heeft verkregen Duitsland binnen te komen en daar, op grond van verblijfsvergunningen die tot 15 juli 1997 zijn verlengd, te verblijven voor het volgen van een beroepsopleiding. In het kader van deze opleiding is hij, na de noodzakelijke vergunningen te hebben verkregen om in Duitsland te mogen werken, van 1 oktober 1992 tot en met 5 mei 1997, derhalve gedurende meer dan vier opeenvolgende jaren, ononderbroken legaal in dienst geweest, in een arbeidsverhouding die de uitoefening inhield van een reële en daadwerkelijke economische activiteit voor een en dezelfde werkgever, tegen een beloning die als de tegenprestatie voor de verrichte werkzaamheden kan worden beschouwd. Hieruit volgt dat zijn situatie gedurende deze hele periode legaal was.

51 Een dergelijke werknemer moet derhalve worden geacht in de betrokken lidstaat legale arbeid in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 te hebben verricht.

52 Aangezien hij aldus aan alle voorwaarden van artikel 6, lid 1, derde streepje, van dit besluit voldoet omdat hij gedurende minstens vier jaar in een lidstaat ononderbroken legaal arbeid in loondienst heeft verricht, kan deze werknemer zich rechtstreeks op de door deze bepaling verleende rechten beroepen, in het bijzonder op het onvoorwaardelijke recht om elke willekeurige arbeid in loondienst naar zijn keuze te zoeken en te aanvaarden, zonder dat een lidstaat hem voorrang van eigen werknemers kan tegenwerpen, alsmede op een daarmee samenhangend, eveneens op het gemeenschapsrecht gebaseerd verblijfsrecht.

53 De omstandigheid dat de werk- en verblijfsvergunningen van Kurz beperkt waren tot het tijdelijk verrichten van arbeid in loondienst bij een bepaalde werkgever, doet aan bovenstaande uitlegging geen afbreuk.

54 Allereerst is het immers vaste rechtspraak, dat de rechten die artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aan Turkse werknemers verleent, door deze bepaling aan de rechthebbenden worden toegekend ongeacht de afgifte, door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, van een specifiek administratief document, zoals een arbeids- of een verblijfsvergunning (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Bozkurt, punten 29 en 30; Günaydin, punt 49; Ertanir, punt 55, en Birden, punt 65).

55 Voorts heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat indien de tijdelijke aard van een arbeidsverhouding volstond om de regelmatigheid van de door de betrokkene legaal verrichte arbeid aan de orde te stellen, de lidstaten de mogelijkheid zouden hebben, Turkse migrerende werknemers aan wie zij toestemming hebben verleend hun grondgebied binnen te komen en die aldaar een economische activiteit hebben verricht welke aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 voldeed, de steeds omvangrijkere rechten te onthouden waarop die werknemers krachtens deze bepaling rechtstreeks aanspraak kunnen maken. Iedere andere uitlegging zou besluit nr. 1/80 uithollen en van ieder nuttig effect beroven (zie reeds aangehaalde arresten Günaydin, punten 36-40, en Birden, punten 37-39 en 64).

56 Tot slot is het eveneens vaste rechtspraak, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 de erkenning van de rechten die het Turkse werknemers verleent, niet afhankelijk stelt van enige voorwaarde verband houdend met de reden waarom hun aanvankelijk een inreis-, arbeids- en verblijfsrecht is verleend (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Kus, punten 21-23; Günaydin, punt 52, en Birden, punt 67).

57 Het Land Baden-Württemberg merkt echter op dat Kurz de tijdens zijn opleiding eventueel verworven rechten heeft verloren omdat hij na beëindiging van zijn opleidingsovereenkomst geen arbeid in loondienst meer heeft verricht.

58 In dit verband volstaat het op te merken dat een Turks onderdaan als Kurz, die gedurende een onafgebroken periode van meer dan vier jaar in een lidstaat legale arbeid heeft verricht, maar vervolgens werkloos is geworden, de rechten die hij rechtstreeks aan artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 ontleent, niet verliest omdat hij gedurende een bepaalde periode geen arbeid heeft verricht.

59 Een dergelijke Turkse werknemer heeft de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst immers niet definitief verlaten en kan in die lidstaat aanspraak maken op verlenging van zijn verblijfsvergunning teneinde zijn recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze krachtens deze bepaling te kunnen blijven uitoefenen, niet alleen door arbeid te aanvaarden die hem daadwerkelijk wordt aangeboden, maar ook door gedurende een redelijke termijn nieuwe arbeid te zoeken (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Bozkurt, punten 38 en 39; Tetik, punt 46, en Nazli, punten 40 en 41).

60 Uit het dossier blijkt overigens dat Kurz beschikte over een arbeidsaanbod van de onderneming Messebau Thome te Mannheim, waaraan echter de voorwaarde verbonden was dat betrokkene over een werkvergunning beschikte. Kurz merkt in zijn schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting op, zonder op dit punt te zijn weersproken, dat hij de hem aangeboden betrekking niet kon aanvaarden omdat hij geen verlenging van zijn vergunning om in Duitsland te verblijven en bijgevolg geen werkvergunning had kunnen verkrijgen.

61 Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een Turks onderdaan

- die toestemming heeft gekregen een lidstaat binnen te komen met een visum met de vermelding enkel geldig voor opleidingsdoeleinden",

- die vervolgens een voorlopige verblijfsvergunning heeft gekregen, welke enkel gold voor de in het kader van zijn beroepsopleiding bij een bepaalde werkgever uitgeoefende werkzaamheid,

- die in dit verband in dienst van deze werknemer legaal een reële en daadwerkelijke economische activiteit heeft verricht, als tegenprestatie waarvoor hij een met de verrichte arbeid overeenkomende beloning heeft ontvangen,

een werknemer is die tot de legale arbeidsmarkt van deze lidstaat behoort en daar legale arbeid in de zin deze bepaling verricht.

Wanneer een dergelijke Turkse onderdaan aldus gedurende een onafgebroken periode van minstens vier jaar bij bedoelde werkgever heeft gewerkt, heeft hij krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van dit besluit recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze alsmede op een daarmee samenhangend verblijfsrecht.

De tweede, de derde en de vierde vraag

62 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat de tweede, de derde en de vierde vraag slechts zijn gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord.

63 Gelet op het bevestigend antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede, de derde en de vierde vraag geen beantwoording.

De vijfde vraag

64 Ter terechtzitting heeft het Land Baden-Württemberg gesteld dat het niet meer nodig was op de vijfde vraag te antwoorden, aangezien de bevoegde nationale autoriteiten bij beschikking van 13 november 2000 de blokkerende werking van § 8, lid 2, van het Ausländergesetz hebben beperkt tot 21 januari 2002, zodat niets meer aan de terugkeer van Kurz naar Duitsland na laatstgenoemde datum in de weg staat.

65 In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin blijkt dat de uitzetting heeft plaatsgevonden in strijd met de rechten die betrokkene krachtens artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 ter zake van arbeid en verblijf geniet, blijft de betrokken Turkse onderdaan er echter duidelijk belang bij houden, deze onwettigheid door de bevoegde nationale rechterlijke instanties te doen vaststellen en bestraffen en daartoe een uitlegging door het Hof van het relevante gemeenschapsrecht te verkrijgen.

66 Om een antwoord te geven op deze vraag inzake de verhouding tussen de bepalingen van besluit nr. 1/80 en het nationale vreemdelingenrecht, zij eraan herinnerd dat zowel uit de voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht van de lidstaten als uit de rechtstreekse werking van een bepaling als artikel 6 van genoemd besluit volgt, dat een lidstaat niet bevoegd is om de draagwijdte van het stelsel van geleidelijke integratie van Turkse onderdanen in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst eenzijdig te wijzigen (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Birden, punt 37, en Nazli, punt 30).

67 Hieruit volgt dat de lidstaten geen regelgeving op het gebied van vreemdelingentoezicht kunnen vaststellen noch een maatregel met betrekking tot het verblijf op hun grondgebied van een Turks onderdaan kunnen toepassen waardoor de uitoefening van rechten die besluit nr. 1/80 uitdrukkelijk aan een dergelijk onderaan toekent, zou worden belemmerd.

68 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, een Turks onderdaan aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 voldoet en daardoor reeds legaal in een lidstaat van ontvangst is geïntegreerd, kan deze laatste de uitoefening van deze rechten niet langer beperken zonder aan dit besluit zijn nuttig effect te ontnemen (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Birden, punt 37, en Nazli, punt 30, alsmede arrest van 22 juni 2000, Eyüp, C-65/98, Jurispr. blz. I-4747, punt 41).

69 Bovendien is elke rechterlijke instantie van een lidstaat verplicht het gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht rechtstreeks aan particulieren toegekende rechten te beschermen, en daarbij elke eventueel strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten (zie arrest Eyüp, reeds aangehaald, punt 42, en, naar analogie, arrest van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 21).

70 Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat wanneer een Turks onderdaan die aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 voldoet en bijgevolg de rechten bezit die dit hem toekent, is uitgezet, het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling krachtens welke de afgifte van een verblijfsvergunning moet worden geweigerd zolang de gevolgen van deze uitzetting niet in de tijd zijn beperkt.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

71 De kosten door de Duitse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Karlsruhe bij beschikking van 22 maart 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd dat een Turks onderdaan

- die toestemming heeft gekregen een lidstaat binnen te komen met een visum met de vermelding enkel geldig voor opleidingsdoeleinden",

- die vervolgens een voorlopige verblijfsvergunning heeft gekregen, welke enkel gold voor de in het kader van zijn beroepsopleiding bij een bepaalde werkgever uitgeoefende werkzaamheid,

- die in dit verband in dienst van deze werknemer legaal een reële en daadwerkelijke economische activiteit heeft verricht, als tegenprestatie waarvoor hij een met de verrichte arbeid overeenkomende beloning heeft ontvangen,

een werknemer is die tot de legale arbeidsmarkt van deze lidstaat behoort en daar legale arbeid in de zin deze bepaling verricht.

Wanneer een dergelijke Turkse onderdaan aldus gedurende een onafgebroken periode van minstens vier jaar bij bedoelde werkgever heeft gewerkt, heeft hij krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van dit besluit recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze alsmede op een daarmee samenhangend verblijfsrecht.

2) Wanneer een Turks onderdaan die aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 voldoet en bijgevolg de rechten bezit die dit hem toekent, is uitgezet, verzet het gemeenschapsrecht zich tegen de toepassing van een nationale regeling krachtens welke de afgifte van een verblijfsvergunning moet worden geweigerd zolang de gevolgen van deze uitzetting niet in de tijd zijn beperkt.

Top