Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62000CJ0167

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 1 oktober 2002.
Verein für Konsumenteninformation tegen Karl Heinz Henkel.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberster Gerichtshof - Oostenrijk.
Executieverdrag - Artikel 5, punt 3 - Bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad - Preventieve collectieve verbodsvordering - Vereniging voor consumentenbescherming die verbod eist op het gebruik door een handelaar van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten.
Zaak C-167/00.

European Court Reports 2002 I-08111

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2002:555

62000J0167

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 1 oktober 2002. - Verein für Konsumenteninformation tegen Karl Heinz Henkel. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberster Gerichtshof - Oostenrijk. - Executieverdrag - Artikel 5, punt 3 - Bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad - Preventieve collectieve verbodsvordering - Vereniging voor consumentenbescherming die verbod eist op het gebruik door een handelaar van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten. - Zaak C-167/00.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08111


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bijzondere bevoegdheden - Bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad" - Begrip - Preventieve collectieve vordering ingesteld door vereniging voor consumentenbescherming om gebruik door handelaar van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten te doen verbieden - Daaronder begrepen

(Verdrag van Brussel van 27 september 1968, art. 5, punt 3)

Samenvatting


$$De bevoegdheidsregels van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moeten aldus worden uitgelegd dat een preventieve vordering in rechte, die door een vereniging voor consumentenbescherming wordt ingesteld om het gebruik door een handelaar van als oneerlijk beschouwde bedingen in overeenkomsten met particulieren te doen verbieden, een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft als bedoeld in artikel 5, punt 3, van dit verdrag.

( cf. punt 50 en dictum )

Partijen


In zaak C-167/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

Verein für Konsumenteninformation

en

Karl Heinz Henkel,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van voornoemd Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann, J.-P. Puissochet, R. Schintgen (rapporteur) en J. N. Cunha Rodrigues, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs,

griffier: M.-F. Contet, administrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Verein für Konsumenteninformation, vertegenwoordigd door H. Kosesnik-Wehrle, Rechtsanwalt,

- Henkel, vertegenwoordigd door L. J. Kempf en J. Maier, Rechtsanwälte,

- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Wagner als gemachtigde,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Abraham en R. Loosli-Surrans als gemachtigden,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, bijgestaan door A. Robertson, barrister,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en C. Ladenburger als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Verein für Konsumenteninformation, vertegenwoordigd door S. Langer, Rechtsanwalt; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door A. Robertson, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Ladenburger, ter terechtzitting van 11 december 2001,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 13 april 2000, ingekomen bij het Hof op 8 mei daaraanvolgend, heeft het Oberste Gerichtshof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van dit verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1) (hierna: Executieverdrag").

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Verein für Konsumenteninformation (hierna: VKI"), een vereniging naar Oostenrijks recht die is gevestigd in Oostenrijk, en K. H. Henkel, een Duits onderdaan met woonplaats in Duitsland, betreffende bedingen die hij opneemt in overeenkomsten met Oostenrijkse consumenten en die volgens VKI oneerlijk zijn.

Toepasselijke bepalingen

Het Executieverdrag

3 Artikel 1 Executieverdrag, dat titel I (Toepassingsgebied") daarvan vormt, bepaalt in zijn eerste alinea:

Dit verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft inzonderheid geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken."

4 De bevoegdheidsregels van het Executieverdrag zijn neergelegd in titel II, die de artikelen 2 tot en met 24 omvat.

5 Artikel 2, eerste alinea, dat valt onder afdeling 1 (Algemene bepalingen") van titel II, formuleert het basisbeginsel als volgt:

Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat."

6 Artikel 3, eerste alinea, dat tot dezelfde afdeling behoort, luidt:

Degenen die op het grondgebied van een verdragsluitende Staat woonplaats hebben, kunnen niet voor de rechter van een andere verdragsluitende Staat worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van deze titel gegeven regels."

7 De artikelen 5 tot en met 18, die de afdelingen 2 tot en met 6 van titel II vormen, bevatten regels inzake bijzondere, dwingende of exclusieve bevoegdheid.

8 Zo bepaalt artikel 5, in afdeling 2 (Bijzondere bevoegdheid") van titel II:

De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, kan in een andere verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd [...]

[...]

3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan;

[...]"

Richtlijn 93/13/EEG

9 Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), bepaalt:

1. De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

2. De in lid 1 bedoelde middelen dienen wettelijke bepalingen te omvatten waarbij personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, overeenkomstig het nationale recht een beroep kunnen doen op de rechtbanken of de bevoegde administratieve instanties om te oordelen of contractuele bedingen die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn, en de passende en doeltreffende middelen aan te wenden om een eind te maken aan het gebruik van deze bedingen."

Toepasselijke bepalingen van nationaal recht

10 Het Oostenrijkse Konsumentenschutzgesetz (wet inzake consumentenbescherming) van 8 maart 1979 (BGBl. 1979/140; hierna: KSchG") is op 1 oktober 1979 in werking getreden.

11 Het KSchG is meermaals gewijzigd, onder meer door een wet tot omzetting van richtlijn 93/13 (BGBl. 1997/6).

12 § 28 van het aldus gewijzigde KSchG bepaalt met ingang van 1 januari 1997:

(1) Tegen degene die in het economisch verkeer algemene voorwaarden hanteert bij het aangaan van overeenkomsten of die bij het aangaan van overeenkomsten contractsformulieren gebruikt met bedingen die tegen een wettelijk verbod of de goede zeden indruisen, of degene die het gebruik van dergelijke bedingen in het economisch verkeer voorstelt, kan een verbodsvordering worden ingesteld. Dit verbod omvat ook het verbod om zich op een dergelijk beding te beroepen voorzover dit op onrechtmatige wijze is overeengekomen.

(2) Het risico dat dergelijke bedingen worden toegepast of voorgesteld, bestaat niet meer wanneer de ondernemer, daartoe aangemaand door een ingevolge § 29 procesbevoegde instantie, binnen een passende termijn een met een passende contractuele boete (§ 1336 ABGB) verbonden verklaring afgeeft dat hij afstand doet van deze bedingen."

13 VKI is een van de in § 29 KSchG bedoelde instanties die procesbevoegdheid heeft.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

14 Blijkens het dossier van het hoofdgeding is VKI een vereniging zonder winstoogmerk ter bescherming en behartiging van de consumentenbelangen.

15 Henkel is een handelaar met woonplaats te München (Duitsland), die promotie-excursies organiseert, met name in Oostenrijk.

16 In zijn contractuele betrekkingen met consumenten met woonplaats te Wenen (Oostenrijk) hanteerde hij algemene voorwaarden die volgens VKI niet stroken met een aantal bepalingen van de Oostenrijkse wetgeving.

17 Bij collectieve verbodsvordering voor het Handelsgericht Wien verzocht VKI overeenkomstig § 28 KSchG om een rechterlijk bevel waarbij Henkel wordt verboden de bestreden bedingen te gebruiken in zijn overeenkomsten met Oostenrijkse klanten.

18 Henkel beweert dat de Oostenrijkse rechterlijke instanties onbevoegd zijn. Volgens hem is de vordering van VKI geen vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 5, punt 3, Executieverdrag, aangezien er binnen het rechtsgebied van de geadieerde rechter noch een schadebrengende gedraging heeft plaatsgevonden, noch schade is ingetreden.

19 Het Handelsgericht Wien oordeelde dat VKI geen schade uit onrechtmatige daad aanvoerde, en verklaarde zich onbevoegd.

20 Deze uitspraak werd echter in hoger beroep gewijzigd door het Oberlandesgericht Wien, dat oordeelde dat ook preventieve verbodsvorderingen die worden ingesteld door verenigingen als VKI, die zelf geen schade hebben geleden, onder artikel 5, punt 3, Executieverdrag vallen.

21 In het kader van het Revisionsberoep vraagt het Oberste Gerichtshof zich af of de vordering in het hoofdgeding onder artikel 5, punt 3, Executieverdrag valt, dan wel een verbintenis uit overeenkomst betreft zoals bedoeld in artikel 5, punt 1, van dit verdrag.

22 Volgens dit gerecht staat het immers niet vast dat genoemde vordering een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft. VKI stelt namelijk niet dat hij zelf vermogensschade heeft geleden. Ofschoon zijn vorderingsrecht niet voortvloeit uit een overeenkomst maar uit de wet, en ter voorkoming van toekomstige schade voor consumenten is bedoeld, is een dergelijke schade toch terug te voeren op contractuele aansprakelijkheid. De toepassing van artikel 5, punt 1, Executieverdrag kan dus niet worden uitgesloten. Toch zou ook kunnen worden gesteld dat de onrechtmatige daad hierin bestaat, dat het gebruik van oneerlijke bedingen door een handelaar de rechtsorde verstoort.

23 Bovendien rijst de vraag of een preventieve vordering, die per definitie wordt ingesteld voordat schade is ingetreden, wel kan vallen onder artikel 5, punt 3, Executieverdrag, dat verwijst naar de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, wat inhoudt dat de schade reeds is ingetreden.

24 Van oordeel dat, in deze omstandigheden, voor de beslechting van het voor hem aanhangige geding een uitlegging van het Executieverdrag nodig is, heeft het Oberste Gerichtshof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vraag:

Is de in § 28 [KSchG] geregelde vordering tot verbod van algemene voorwaarden die indruisen tegen de wet of de goede zeden, die overeenkomstig § 29 KSchG door een organisatie tot bescherming van de consument als bedoeld in artikel 7, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG [...] wordt ingesteld, een vordering uit onrechtmatige daad die voor de overeenkomstig artikel 5, punt 3, [Executieverdrag] bevoegde rechterlijke instantie kan worden ingesteld?"

De prejudiciële vraag

25 Om te beginnen stelt de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat een vordering als die welke door VKI is ingesteld, niet binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag valt. Dit verdrag geldt ingevolge artikel 1, eerste alinea, ervan enkel in burgerlijke en handelszaken", terwijl een vereniging voor consumentenbescherming als VKI een overheidsinstantie is die, wanneer zij, zoals in het hoofdgeding, een rechterlijk verbod vordert op het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten, krachtens overheidsbevoegdheid handelt. Een dergelijke organisatie vervult immers een opdracht van algemeen belang, die hierin bestaat dat zij zich inzet voor de bescherming van alle consumenten. Haar recht om de beëindiging te vorderen van onrechtmatige gedragingen van handelaars vloeit voort uit de wet, en heeft niets van doen met een privaatrechtelijke contractuele betrekking tussen een verkoper en een particulier.

26 Volgens vaste rechtspraak echter vallen geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier enkel buiten de werkingssfeer van het Executieverdrag wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt (zie, in die zin, arresten van 14 oktober 1976, LTU, 29/76, Jurispr. blz. 1541, punt 4; 16 december 1980, Rüffer, 814/79, Jurispr. blz. 3807, punt 8, en 21 april 1993, Sonntag, C-172/91, Jurispr. blz. I-1963, punt 20).

27 Dit is het geval wanneer het geschil betrekking heeft op de invordering van bijdragen die een particulier verschuldigd is aan een publiekrechtelijk nationaal dan wel internationaal orgaan uit hoofde van het gebruik van diens installaties en diensten, inzonderheid indien dat gebruik verplicht en exclusief is (arrest LTU, reeds aangehaald, punt 4).

28 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat het begrip burgerlijke en handelszaken" zoals bedoeld in artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag, niet van toepassing is op een geschil dat door de staat als beheerder van openbare vaarwateren is ingeleid tegen de wettelijk aansprakelijke persoon teneinde terugbetaling te verkrijgen van kosten wegens opruiming van een wrak, indien de beheerder dat wrak krachtens overheidsbevoegdheid heeft opgeruimd of doen opruimen (arrest Rüffer, reeds aangehaald, punten 9 en 16).

29 Ofschoon dus volgens de rechtspraak van het Hof bepaalde categorieën van geschillen moeten worden geacht buiten de werkingssfeer van het Executieverdrag te vallen wegens elementen die kenmerkend zijn voor de aard van de rechtsbetrekkingen tussen partijen of van het voorwerp van het geschil (zie arrest LTU, reeds aangehaald, punt 4), kan de reeds aangehaalde rechtspraak LTU en Rüffer niet op een vordering als in het hoofdgeding worden toegepast.

30 Een vereniging voor consumentenbescherming als VKI is immers een privaatrechtelijk orgaan, en bovendien houdt het hoofdgeding, zoals de Duitse regering terecht stelt, geen verband met de uitoefening van overheidsbevoegdheid, aangezien het enkel de uitoefening betreft van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht. De bij de verwijzende rechter aanhangige vordering betreft integendeel het verbod voor handelaars om in overeenkomsten met consumenten oneerlijke bedingen te gebruiken, en heeft dus tot doel privaatrechtelijke betrekkingen door de rechter te laten toetsen. Een dergelijke vordering betreft dus een burgerlijke zaak zoals bedoeld in artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag.

31 Mitsdien moet het bezwaar van de regering van het Verenigd Koninkrijk worden afgewezen.

32 Wat de prejudiciële vraag betreft, zij er aanstonds op gewezen dat de artikelen 13 tot en met 15, die afdeling 4 (Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten") vormen van titel II van het Executieverdrag, niet toepasselijk zijn op de zaak in het hoofdgeding.

33 Zoals het Hof immers heeft geoordeeld in zijn arrest van 19 januari 1993, Shearson Lehman Hutton (C-89/91, Jurispr. blz. I-139), is een rechtspersoon die optreedt als cessionaris van de rechten van een particuliere eindverbruiker maar zelf geen partij is bij een overeenkomst tussen een verkoper en een particulier, geen consument zoals bedoeld in het Executieverdrag, zodat hij zich niet op de artikelen 13 tot en met 15 van dit verdrag kan beroepen. Deze uitlegging dient eveneens te gelden voor een vereniging voor consumentenbescherming als VKI, die een collectieve verbodsvordering ten behoeve van de consumenten heeft ingesteld.

34 Bijgevolg moet ter beantwoording van de prejudiciële vraag enkel worden nagegaan of een preventieve vordering in rechte, die door een consumentenvereniging wordt ingesteld om het gebruik door een handelaar van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met particulieren te doen verbieden, een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, punt 1, Executieverdrag betreft, dan wel een verbintenis uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 5, punt 3, van dit verdrag.

35 Dienaangaande heeft het Hof meermaals geoordeeld dat aan de begrippen verbintenissen uit overeenkomst" en verbintenissen uit onrechtmatige daad" in de zin van, respectievelijk, artikel 5, punt 1, en artikel 5, punt 3, Executieverdrag, een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij met het oog op de volle werking van genoemd verdrag en de eenvormige toepassing ervan in alle verdragsluitende staten, in de eerste plaats aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van het verdrag (zie met name arresten van 22 maart 1983, Peters, 34/82, Jurispr. blz. 987, punten 9 en 10; 27 september 1988, Kalfelis, 189/87, Jurispr. blz. 5565, punten 15 en 16, en 26 maart 1992, Reichert en Kockler, C-261/90, Jurispr. blz. I-2149, punt 15).

36 Het is eveneens vaste rechtspraak dat het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 5, punt 3, Executieverdrag, elke vordering omvat die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met verbintenissen uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5, punt 1, van hetzelfde verdrag (zie met name arresten Kalfelis, reeds aangehaald, punt 17, en Reichert en Kockler, reeds aangehaald, punt 16; arresten van 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a., C-51/97, Jurispr. blz. I-6511, punt 22, en 11 juli 2002, Gabriel, C-96/00, Jurispr. blz. I-6367, punt 33).

37 Bijgevolg moet eerst worden onderzocht of een vordering als deze in hoofdgeding verbintenissen uit overeenkomst betreft.

38 In een situatie als in het hoofdgeding, bestaat er evenwel geen enkele contractuele band tussen de vereniging tot bescherming van de consument en de handelaar.

39 Het is mogelijk dat de handelaar reeds overeenkomsten heeft gesloten met consumenten. In ieder geval is de vereniging voor consumentenbescherming die de vordering heeft ingesteld, zelf geen partij bij een overeenkomst. Dat de vordering is ingesteld naar aanleiding van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, dan wel louter preventief is ingesteld en uitsluitend strekt ter voorkoming van toekomstige schade, doet niet ter zake. De vordering van de vereniging voor consumentenbescherming berust op haar bij wet toegekend recht om het gebruik, in de betrekkingen tussen een verkoper en een particuliere eindverbruiker, van door de wetgever als onrechtmatig beschouwde bedingen te doen verbieden.

40 Bijgevolg betreft een vordering als in het hoofdgeding geen verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5, punt 1, Executieverdrag.

41 Een dergelijke vordering voldoet daarentegen wel aan alle criteria die door het Hof zijn vastgesteld in de in punt 36 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Zij houdt immers enerzijds geen verband met verbintenissen uit overeenkomst als bedoeld in artikel 5, punt 1, Executieverdrag, en strekt er anderzijds toe de verweerder aansprakelijk te stellen voor een onrechtmatige daad, in casu op grond van de niet-contractuele verplichting voor de handelaar om zich in zijn betrekkingen met de consumenten te onthouden van bepaalde gedragingen die de wetgever afkeurt.

42 Het begrip schadebrengend feit" als bedoeld in artikel 5, punt 3, Executieverdrag heeft immers een ruime strekking (arrest van 30 november 1976, Bier, Mines de potasse d'Alsace", 21/76, Jurispr. blz. 1735, punt 18), zodat het, wat de consumentenbescherming betreft, niet enkel geldt voor de situaties waarin particulieren persoonlijk schade hebben geleden, maar eveneens in het bijzonder voor verstoringen van de rechtsorde door het gebruik van oneerlijke bedingen die verenigingen als VKI tot doel hebben te verhinderen.

43 Dit is overigens de enige uitlegging die overeenstemt met het doel van artikel 7 van richtlijn 93/13. Met name zouden de vorderingen waarin deze bepaling voorziet om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen, veel minder doeltreffend zijn indien zij enkel in de staat waar de handelaar zijn woonplaats heeft, konden worden ingesteld.

44 Henkel en de Franse regering stellen echter dat artikel 5, punt 3, Executieverdrag verwijst naar de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, en dus uitdrukkelijk het bestaan van schade vooronderstelt. Dit volgt volgens hen eveneens uit de uitlegging van die bepaling door het Hof, volgens welke de uitdrukking plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats wordt bedoeld waar de schade is ingetreden, als die van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, zodat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden opgeroepen voor de rechter van één van deze beide plaatsen (zie met name arrest Mines de potasse d'Alsace, reeds aangehaald, punten 24 en 25; arresten van 11 januari 1990, Dumez France en Tracoba, C-220/88, Jurispr. blz. I-49, punt 10; 7 maart 1995, Shevill e.a., C-68/93, Jurispr. blz. I-415, punt 20, en 19 september 1995, Marinari, C-364/93, Jurispr. blz. I-2719, punt 11). Bijgevolg kan artikel 5, punt 3, Executieverdrag volgens hen niet worden toegepast op louter preventieve vorderingen, die voordat er enige concrete schade is, worden ingesteld om te voorkomen dat zich in de toekomst een schadebrengend feit zal voordoen.

45 Dit bezwaar is echter ongegrond.

46 De in artikel 5, punt 3, Executieverdrag neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van deze rechter wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting (zie met name, in die zin, de reeds aangehaalde arresten Mines de potasse d'Alsace, punten 11 en 17; Dumez France en Tracoba, punt 17; Shevill e.a., punt 19, en Marinari, punt 10). Het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, is immers normaliter het best in staat is om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is. Deze overwegingen zijn even relevant ongeacht of het geschil de vergoeding betreft van reeds ingetreden schade, dan wel een vordering ter voorkoming van schade.

47 Deze uitlegging vindt overigens steun in het verslag van de heer Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Executieverdrag (PB 1979, C 59, blz. 71, blz. 111), volgens hetwelk artikel 5, punt 3, Executieverdrag ook betrekking heeft op vorderingen ter voorkoming van een op handen zijnde onrechtmatige daad.

48 Artikel 5, punt 3, Executieverdrag kan dus niet aldus worden uitgelegd, dat de toepassing ervan afhankelijk is van een daadwerkelijk ingetreden schade. Het ware onlogisch een vordering ter voorkoming van een onrechtmatige daad, zoals die in hoofdgeding, waarvan het voornaamste doel er precies in bestaat schade te vermijden, enkel toe te laten nadat deze schade is ingetreden.

49 Ten slotte zij erop gewezen, dat verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), ofschoon zij niet gold ten tijde van de feiten in hoofdgeding, de uitlegging bevestigt dat artikel 5, punt 3, Executieverdrag niet het bestaan van schade vooronderstelt. Deze verordening heeft de formulering van artikel 5, punt 3, Executieverdrag immers gepreciseerd. In de nieuwe versie van deze bepaling die voortvloeit uit bedoelde verordening, is sprake van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen". Aangezien er geen enkele reden is om de twee betrokken bepalingen op verschillende wijze uit te leggen, moet omwille van een coherente uitlegging aan artikel 5, punt 3, Executieverdrag dezelfde strekking worden toegekend als aan de overeenkomstige bepaling van verordening nr. 44/2001, te meer nu deze verordening tot doel heeft het Executieverdrag te vervangen in de betrekkingen tussen alle lidstaten behalve het Koninkrijk Denemarken, wiens betrekkingen met de door deze verordening gebonden lidstaten nog steeds door het Executieverdrag worden beheerst.

50 Gelet op alle voorgaande overwegingen, moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat een preventieve vordering in rechte, die door een vereniging voor consumentenbescherming wordt ingesteld om het gebruik door een handelaar van als oneerlijk beschouwde bedingen in overeenkomsten met particulieren te doen verbieden, een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft als bedoeld in artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

51 De kosten door de Oostenrijkse, de Duitse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Commissie, wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 13 april 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De bevoegdheidsregels van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en het Verdrag van 29 november 1996 betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moeten aldus worden uitgelegd, dat een preventieve vordering in rechte, die door een vereniging voor consumentenbescherming wordt ingesteld om het gebruik door een handelaar van als oneerlijk beschouwde bedingen in overeenkomsten met particulieren te doen verbieden, een verbintenis uit onrechtmatige daad betreft als bedoeld in artikel 5, punt 3, van dit verdrag.

Top