EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62000CJ0117

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 juni 2002.
Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland.
Niet-nakoming - Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG - Behoud van vogelstand - Speciale beschermingszones.
Zaak C-117/00.

European Court Reports 2002 I-05335

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2002:366

62000J0117

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 juni 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland. - Niet-nakoming - Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG - Behoud van vogelstand - Speciale beschermingszones. - Zaak C-117/00.

Jurisprudentie 2002 bladzijde I-05335


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Milieu - Behoud van vogelstand - Richtlijn 79/409 - Aanwijzing als speciale beschermingszone na datum van inwerkingtreding van richtlijn 92/43 - Gevolgen

(Richtlijnen van de Raad 79/409, art. 4, lid 4, en 92/43, art. 6, lid 2, en 7)

Samenvatting


$$Aangezien het Owenduff-Nephin Beg Complex sinds oktober 1996 als speciale beschermingszone is aangewezen, is artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en niet artikel 4, lid 4, eerste zin, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, van toepassing op deze zone. Met betrekking tot de als speciale beschermingszone aangewezen gebieden bepaalt artikel 7 van richtlijn 92/43 immers dat de uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van richtlijn 79/409 voortvloeiende verplichtingen met name zijn vervangen door de verplichtingen die uit artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 voortvloeien, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze laatste richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing overeenkomstig richtlijn 79/409, indien deze datum later valt.

( cf. punt 25 )

Partijen


In zaak C-117/00,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Ierland, vertegenwoordigd door D. J. O'Hagan als gemachtigde, bijgestaan door C. Mac Eochaidh, BL, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerder,

betreffende een verzoek om vast te stellen dat Ierland, door niet alle nodige maatregelen te nemen om ten aanzien van het moerassneeuwhoen te voldoen aan artikel 3 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1), en, wat de speciale beschermingszone Owenduff-Nephin Beg Complex betreft, aan artikel 4, lid 4, eerste volzin, van deze richtlijn en artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7), deze richtlijnen en de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en V. Skouris, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: L. Hewlett, administrateur,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 januari 2002,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 2002,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 maart 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat Ierland, door niet alle nodige maatregelen te nemen om ten aanzien van het moerassneeuwhoen te voldoen aan artikel 3 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1; hierna: vogelrichtlijn"), en, wat de speciale beschermingszone (hierna: SBZ") Owenduff-Nephin Beg Complex betreft, aan artikel 4, lid 4, eerste volzin, van deze richtlijn en artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: habitatrichtlijn"), deze richtlijnen en de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht

2 De vogelrichtlijn heeft volgens artikel 1, lid 1, ervan betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is.

3 Artikel 2 van de vogelrichtlijn bepaalt, dat [d]e lidstaten [...] alle nodige maatregelen [nemen] om de populatie van de in artikel 1 bedoelde soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen".

4 Artikel 3 van de vogelrichtlijn bepaalt:

1. Met inachtneming van de in artikel 2 genoemde eisen nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen.

2. Voor de bescherming, de instandhouding en het herstel van biotopen en leefgebieden worden in de eerste plaats de volgende maatregelen getroffen:

a) instelling van beschermingszones;

b) onderhoud en ruimtelijke ordening overeenkomstig de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones;

c) herstel of weer aanleggen van vernietigde biotopen;

d) aanleg van biotopen."

5 Artikel 4 van de vogelrichtlijn bepaalt:

1. Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten.

[...]

De lidstaten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, behoeven.

2. De lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Met het oog hierop besteden de lidstaten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.

[...]

4. De lidstaten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voorzover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ook buiten deze beschermingszones zetten de lidstaten zich in om vervuiling en verslechtering van de woongebieden te voorkomen."

6 Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn luidt als volgt:

De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben."

7 Volgens artikel 7 van de habitatrichtlijn komen de uit artikel 6, leden 2 tot en met en 4, ervan voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de vogelrichtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van deze laatste richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de habitatrichtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een lidstaat overeenkomstig de vogelrichtlijn, indien deze datum later valt.

8 Volgens artikel 23, lid 1, van de habitatrichtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Aangezien deze richtlijn in juni 1992 officieel ter kennis is gebracht, is die termijn in juni 1994 verstreken.

De precontentieuze procedure

9 Op 9 oktober 1997 heeft de Commissie de Ierse regering een aanmaningsbrief gezonden wegens niet-nakoming van de artikelen 3 en 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn en van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn. In deze brief beklemtoonde zij de negatieve gevolgen van de overbegrazing" voor de belangrijkste SBZ van Ierland, namelijk het Owenduff-Nephin Beg Complex, alsmede de negatieve invloed van deze overbegrazing op de leefgebieden van het moerassneeuwhoen, een standvogel die onder artikel 3 van de vogelrichtlijn valt. De Ierse autoriteiten hebben niet geantwoord op deze brief.

10 Op 8 april 1998 heeft de Commissie Ierland een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij betoogde dat deze lidstaat, door niet alle nodige maatregelen te nemen om ten aanzien van het moerassneeuwhoen te voldoen aan artikel 3 van de vogelrichtlijn, en, wat de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex betreft, aan artikel 4, lid 4, eerste volzin, van deze richtlijn en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn, deze richtlijnen en de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Zij verzocht Ierland om binnen een termijn van twee maanden na betekening van dit advies hieraan te voldoen.

11 Bij brief van 1 september 1998 hebben de Ierse autoriteiten geantwoord op het met redenen omkleed advies en hebben zij inlichtingen verstrekt over de nieuwe maatregelen om de overbegrazing, zowel algemeen als specifiek in de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex, te beperken.

12 Van mening dat uit deze inlichtingen niet bleek dat Ierland de verweten niet-nakoming had beëindigd, heeft de Commissie het onderhavige beroep bij het Hof ingesteld.

Ten gronde

Het middel inzake schending van artikel 3 van de vogelrichtlijn

13 De Commissie herinnert eraan dat het leefgebied van het moerassneeuwhoen bestaat uit heuvels en moerassen en dat zijn voeding hoofdzakelijk bestaat uit struikheide, waarvan het ook afhankelijk is om zijn nest te bouwen en om zich te beschermen tegen roofdieren. Aldus leeft het moerassneeuwhoen in Ierland enkel in moeras- en heidegebieden met overwegend struikheide. De struikheide is een plantensoort die bijzonder kwetsbaar is voor overbegrazing en die daardoor in Ierland ernstig wordt bedreigd. Dienaangaande haalt de Commissie studies aan waarin erop wordt gewezen dat er sedert korte tijd in deze lidstaat een zeer duidelijke achteruitgang is van de moerassneeuwhoenpopulatie, evenals een belangrijke vermindering van de gebieden waarin deze soort voorkomt en zich voortplant. Wat de achteruitgang van deze populatie betreft, verwijst de Commissie naar een verslag van de Irish Wildbird Conservancy van 1993. Wat de vermindering van deze gebieden betreft, verwijst de Commissie naar twee atlassen over broedvogels in Groot-Brittannië en Ierland. Voorts valt het broedgebied van deze soort nog altijd grotendeels samen met de door de Ierse autoriteiten als beschadigd aangewezen gebieden. Ierland is bijgevolg zijn verplichtingen om voor het moerassneeuwhoen een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang daarvan te beschermen, niet nagekomen.

14 Volgens de Ierse regering heeft de Commissie niet bewezen dat de haar verweten feiten, hetzij gezamenlijk, hetzij afzonderlijk, tot gevolg hadden dat het leefgebied van het moerassneeuwhoen in die mate wordt beperkt dat het niet meer volstond voor het behoud ervan. Deze regering wijst erop dat het moerassneeuwhoen, als ondersoort van het sneeuwhoen, tot een zeer verspreide, niet bedreigde soort behoort. Wat de twee door de Commissie aangehaalde atlassen betreft, die betrekking hadden op respectievelijk de perioden van 1968 tot en met 1972 en van 1988 tot en met 1991, heeft het verschil in methode bij het opstellen ervan tot gevolg dat de vergelijking van de cijfers ervan en de daaraan verbonden conclusies onbetrouwbaar zijn om een achteruitgang van de moerassneeuwhoenpopulatie en van haar verspreidingsgebied vast te stellen. De Ierse regering betwist eveneens dat de heidegebieden waarvan het moerassneeuwhoen afhankelijk is, ernstig worden bedreigd door overbegrazing, ook al geeft zij toe dat overbegrazing een negatieve invloed heeft gehad op het aantal moerassneeuwhoenders en op de oppervlakte van het leefgebied van deze soort.

15 Er zij aan herinnerd dat artikel 3 van de vogelrichtlijn de lidstaten verplicht alle nodige maatregelen te nemen om voor alle in die richtlijn bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen. Volgens de rechtspraak van het Hof gelden de voor de lidstaten uit deze bepaling voortvloeiende verplichtingen reeds voordat een vermindering van het aantal vogels is vastgesteld of het gevaar van verdwijning van een beschermde soort is ingetreden (zie arrest van 2 augustus 1993, Commissie/Spanje, C-355/90, Jurispr. blz. I-4221, punt 15).

16 In het verslag dat in 1993 is opgesteld door de Irish Wildbird Conservancy, een niet-gouvernementele organisatie gespecialiseerd in de bescherming van vogels in Ierland, werd het moerassneeuwhoen genoemd als één van de twaalf meest bedreigde broedvogelsoorten van het land. In dit verslag werd er aldus op gewezen, dat de moerassneeuwhoenpopulatie tijdens de laatste twintig jaar met meer dan 50 % was gedaald.

17 Verder blijkt uit een vergelijking van twee wetenschappelijke werken, namelijk de Atlas of Breeding Birds in Britain and Ireland: 1968-1972 en de New Atlas of Breeding Birds in Britain and Ireland: 1988-1991 van D. W. Gibbons, J. B. Reid en R. A. Chapman, een aanzienlijke vermindering van de leefgebieden van het moerassneeuwhoen, evenals van zijn voortplantingsgebieden. Dienaangaande zij beklemtoond, dat hoewel de auteurs er in de tweede atlas op wijzen en erkennen dat bij de vergelijking van de gegevens voorzichtigheid geboden is, zij stellen dat [o]ndanks deze moeilijkheden, de kaarten met de wijzigingen echter de werkelijke onderliggende wijzigingen in de geografische verspreiding [van de soorten] weerspiegelen".

18 Onbetwist is bovendien dat het broedgebied van het moerassneeuwhoen, dat in bijlage II/1 bij de vogelrichtlijn als volwaardige diersoort is vermeld, grotendeels samenvalt met de gebieden die de Irish Heritage Council (Raad voor het Ierse erfgoed) heeft aangewezen als gebieden die wegens overbegrazing verslechterd zijn.

19 Er zij eveneens aan herinnerd dat Ierland in zijn brief van 1 september 1998 heeft erkend dat er in het algemeen redelijkerwijs kan van worden uitgegaan, dat de moerassneeuwhoenpopulaties werden aangetast door de overbegrazing van hun leefgebieden. In dezelfde brief wijst deze lidstaat erop dat het moerassneeuwhoen afhankelijk is van de struikheide, de dominante plantensoort op veel Ierse heide, hoogveen en hoogland, en dat hij voornemens is een zeer grote oppervlakte van deze typen van leefgebieden, waarschijnlijk meer dan 250 000 hectare, als speciale beschermingszone in de zin van de habitatrichtlijn aan te wijzen teneinde te beschikken over mechanismen om overbegrazing tegen te gaan.

20 Overigens was volgens het in 1995 door de Irish Wildbird Conservancy opgestelde actieplan voor de twaalf meest bedreigde broedsoorten van Ierland de beheersing van de begrazing één van de essentiële maatregelen die moeten worden genomen in het kader van een prioritaire actie om eerst de achteruitgang van de moerassneeuwhoenpopulatie en het kleiner worden van haar verspreidingsgebied tegen te gaan, en om vervolgens de verspreidingsgebieden te herbevolken die zijn verlaten sinds de periode waarop de eerste in punt 17 van het onderhavige arrest vermelde atlas betrekking heeft.

21 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat Ierland niet alle nodige maatregelen heeft genomen om voor het moerassneeuwhoen een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen in de zin van artikel 3 van de vogelrichtlijn. Bijgevolg moet het beroep van de Commissie op dit punt worden toegewezen.

Het middel inzake schending van artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn

22 De Commissie stelt dat Ierland niet de nodige maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het bedekkingsveen van de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex door overbegrazing verslechtert. Inzonderheid het door de Ierse autoriteiten vastgestelde Rural Environmental Protection Scheme (programma voor de bescherming van het landelijk milieu; hierna: REPS") was en is nog steeds onvoldoende om overbegrazing tegen te gaan, zowel in het algemeen als wat het Owenduff-Nephin Beg Complex betreft. De Commissie erkent evenwel dat het REPS, zoals herzien in 1998, overbegrazing van de gemene gronden doeltreffend zou kunnen bestrijden, voorzover voor het beheer van deze gronden kaderplannen worden vastgesteld, uitgevoerd en gecontroleerd. De algemene vermindering van het quotum voor bergschapen met 30 %, waartoe in de winter van 1998/1999 is besloten, is volgens de Commissie onvoldoende wanneer in aanmerking wordt genomen dat alle gebieden lijden onder overbegrazing.

23 Volgens de Ierse regering, die erkent dat er geleidelijk een probleem van overbegrazing is ontstaan in het Owenduff-Nephin Beg Complex, heeft de Commissie onvoldoende bewijs verstrekt voor de vaststelling dat Ierland de uit artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn en artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen. Deze regering herinnert er allereerst aan dat sinds 1996 de aan het REPS deelnemende landbouwers voor de gemene gronden begrazingsplannen moesten naleven. Zij verwijst vervolgens naar de voorwaarden voor het behoud van bedekkingsveen, heide en hooggelegen grasgebieden of de gebieden die zijn aangewezen als Natural Heritage Areas" op grond van het REPS, zoals dat sinds 1 januari 1999 van kracht is. Bovendien heeft Ierland 10 000 van de 25 255 hectare grond van de betrokken SBZ aangekocht en heeft het daar enkel 6 stuks vee en 150 schapen toegelaten. In de loop van 2000 heeft Ierland een kaderplan vastgesteld voor de andere gemene gronden van deze SBZ. De overige 5 000 hectare van het Owenduff-Nephin Beg Complex maakt geen deel uit van de gemene gronden en lijdt niet onder overbegrazing. De Ierse regering wijst er bovendien op dat de Commissie bij besluit van 6 augustus 1998, dat is vastgesteld op grond van verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer (PB L 215, blz. 85), de sinds juni 1997 aan haar meegedeelde wijzigingen van het REPS heeft goedgekeurd. Deze regering merkt tot slot op dat de uitvoering van het beheersplan inzake de instandhouding van het Owenduff-Nephin Beg Complex werd vertraagd als gevolg van de noodzaak om een grondige openbare consultatie van de betrokken personen te organiseren.

24 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn (zie met name arresten van 18 maart 1999, Commissie/Frankrijk, C-166/97, Jurispr. blz. I-1719, punt 18, en 7 december 2000, Commissie/Frankrijk, C-374/98, Jurispr. blz. I-10799, punt 14). In het kader van de onderhavige zaak kan bijgevolg geen rekening worden gehouden met de maatregelen die Ierland na 8 juni 1998 heeft vastgesteld.

25 In de tweede plaats staat vast dat het Owenduff-Nephin Beg Complex sinds oktober 1996 als SBZ is aangewezen. Wat de als SBZ aangewezen gebieden betreft, bepaalt artikel 7 van de habitatrichtlijn dat de uit artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn voortvloeiende verplichtingen met name zijn vervangen door de verplichtingen die uit artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn voortvloeien, zulks vanaf de datum van toepassing van deze laatste richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing overeenkomstig de vogelrichtlijn, indien deze datum later valt. Bijgevolg is sinds oktober 1996 artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn en niet artikel 4, lid 4, laatste volzin, van de vogelrichtlijn van toepassing op de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex. In die omstandigheden moet het middel van de Commissie worden afgewezen voorzover het is gebaseerd op schending van artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn, en moet enkel worden nagegaan of artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn is geschonden.

26 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn, evenals artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn, de lidstaten verplicht passende maatregelen te nemen om met name verslechtering van de leefgebieden in de overeenkomstig lid 1 van dit laatste artikel aangewezen SBZ te voorkomen (zie arrest van 25 november 1999, Commissie/Frankrijk, C-96/98, Jurispr. blz. I-8531, punt 35).

27 Hoewel de Commissie Ierland geen enkele inbreuk verwijt met betrekking tot de 10 000 hectare waarvan deze lidstaat eigenaar is en die voortaan zeer beperkt zullen worden begraasd, blijkt uit het dossier dat andere delen van de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex ernstig werden beschadigd.

28 Het plan voor de instandhouding van deze SBZ, dat op 22 augustus 2000 is opgesteld door Dúchas, de dienst voor het erfgoed van het Department of Arts, Heritage, Gaeltacht and the Islands, vermeldt aldus: Sommige bedekkingsvenen en sommige heidegebieden van de SBZ zijn als gevolg van een te groot aantal schapen sterk geërodeerd. Op sommige plaatsen is er losliggend veen en beschadigd veen en zijn er geulen die zijn geërodeerd tot de onderliggende rotsbodem. Op de hoger gelegen gronden is de heide zwaar beschadigd als gevolg van de afgrazing van de soort ,ericaceous (heide). Vrij recent zijn uitgestrekte gebieden van de aan de SBZ liggende veengebieden beplant met coniferen, wat heeft geleid tot de vernieling van grote gebieden bedekkingsveen van zowel het laagland als het hoogland."

29 In de briefwisseling met de Commissie voorafgaand aan het met redenen omkleed advies, hadden de Ierse autoriteiten reeds erkend dat er in het Owenduff-Nephin Beg Complex veel schapen zijn die door de onbewoonde valleien en over de berghellingen lopen. Zij gaven eveneens toe dat de hellingen ten westen van Lough Feeagh bijzonder veel schade hadden geleden door overbegrazing, wat heeft bijgedragen tot de recente vermindering van het aantal Groenlandse kolganzen die daar voedsel zoeken.

30 Volgens het in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde instandhoudingsplan zal de begrazing moeten worden beperkt tot een houdbaar niveau met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen zoals enerzijds de instandhouding en, zo mogelijk, de verhoging van de ecologische waarde van het prioritaire leefgebied van het Owenduff-Nephin Beg Complex, namelijk het bedekkingsveen, ofwel van andere kenmerkende leefgebieden van dit gebied, en anderzijds de instandhouding en, zo mogelijk, de toename van de vogelpopulaties die tot de in bijlage I bij de vogelrichtlijn vermelde soorten behoren en dit gebied vaak bezoeken, meer bepaald de Groenlandse kolgans en de goudplevier, soorten waarvoor dit gebied als SBZ is aangewezen. De overbegrazing door schapen veroorzaakt op sommige plaatsen immers grote schade en vormt de belangrijkste bedreiging voor dit gebied.

31 De Ierse regering erkent in haar dupliek overigens zelf dat de Ierse autoriteiten niet enkel maatregelen moeten nemen om het probleem van de overbegrazing te stabiliseren, maar er tevens voor moeten zorgen dat de beschadigde leefgebieden kunnen herstellen. Zij wijst erop dat met de uitvoering van het beheersplan voor de instandhouding van de betrokken SBZ, van het kaderplan voor de in de SBZ gelegen gemene gronden en van de individuele landbouwbeheersplannen deze doelstelling zal worden bereikt.

32 Blijkens het voorgaande heeft Ierland niet de passende maatregelen genomen om in de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex de verslechtering te voorkomen van de leefgebieden van de soorten waarvoor deze SBZ was aangewezen.

33 Ierland is dus de krachtens artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. Bijgevolg moet het beroep van de Commissie ook op dit punt worden toegewezen, binnen de in punt 25 van het onderhavige arrest aangegeven grenzen.

34 Derhalve moet worden vastgesteld dat Ierland, door niet alle nodige maatregelen te nemen om voor het moerassneeuwhoen een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang daarvan te beschermen en door niet de passende maatregelen te nemen om in de SBZ Owenduff-Nephin Beg Complex de verslechtering te voorkomen van de leefgebieden van de soorten waarvoor deze SBZ is aangewezen, de krachtens artikel 3 van de vogelrichtlijn en artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

35 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien Ierland op de belangrijkste punten in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de conclusie van de Commissie in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door niet alle nodige maatregelen te nemen om voor het moerassneeuwhoen een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang daarvan te beschermen en door niet de passende maatregelen te nemen om in de speciale beschermingszone Owenduff-Nephin Beg Complex de verslechtering te voorkomen van de leefgebieden van de soorten waarvoor deze speciale beschermingszone is aangewezen, is Ierland de krachtens artikel 3 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, en artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Ierland wordt verwezen in de kosten.

Top