EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61998CO0017

Beschikking van het Hof van 4 februari 2000.
Emesa Sugar (Free Zone) NV tegen Aruba.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage - Nederland.
Procedure - Verzoek, opmerkingen te mogen indienen in antwoord op conclusie van advocaat-generaal - Grondrechten.
Zaak C-17/98.

European Court Reports 2000 I-00665

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2000:69

61998O0017

Beschikking van het Hof van 4 februari 2000. - Emesa Sugar (Free Zone) NV tegen Aruba. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage - Nederland. - Procedure - Verzoek, opmerkingen te mogen indienen in antwoord op conclusie van advocaat-generaal - Grondrechten. - Zaak C-17/98.

Jurisprudentie 2000 bladzijde I-00665


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Trefwoorden


Gemeenschapsrecht - Beginselen - Grondrechten - Eerbiediging verzekerd door Hof - Inaanmerkingneming van Europees Verdrag tot bescherming van rechten van mens - Recht van eenieder op eerlijk proces - Afwijzing door Hof van verzoek, opmerkingen te mogen indienen in antwoord op conclusie van advocaat-generaal - Schending - Geen

(Art. 222 EG; art. 6, lid 2, EU; Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 6, lid 1; 's Hofs Statuut-EG, art. 18; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 59 en 61)

Samenvatting


$$De grondrechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, waarnaar in artikel 6, lid 2, EU overigens wordt verwezen, heeft in dit opzicht bijzondere betekenis.

Artikel 6, lid 1, van dit verdrag, betreffende het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak in een procedure op tegenspraak, staat niet in de weg aan de afwijzing door het Hof van het verzoek van een partij om schriftelijke opmerkingen te mogen indienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal.

Binnen de rechterlijke organisatie zoals die in het Verdrag en in 's Hofs Statuut is geregeld en nader is uitgewerkt in het Reglement voor de procesvoering van het Hof, is de conclusie van de advocaat-generaal immers, anders dan een voor de rechters of de partijen bestemd advies van een autoriteit die niet tot het Hof behoort of die haar gezag ontleent aan dat van een openbaar ministerie, een met redenen omklede en in het openbaar uitgesproken individuele opvatting van een lid van de instelling zelf, die aldus op openbare en persoonlijke wijze deelneemt aan de totstandkoming van de beslissing van het Hof en derhalve aan de vervulling van diens rechterlijke taak.

Juist in verband met het doel van de procedure op tegenspraak, namelijk voorkomen dat het Hof kan worden beïnvloed door argumenten waarover partijen zich niet hebben kunnen uitlaten, kan het Hof ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge procedure bevelen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden.

( cf. punten 8-10, 14-15, 18, 20 )

Partijen


In zaak C-17/98,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, in het aldaar aanhangig geding tussen

Emesa Sugar (Free Zone) NV

en

Aruba,

om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van besluit 97/803/EG van de Raad van 24 november 1997 tot tussentijdse herziening van besluit 91/482/EEG betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap (PB L 329, blz. 50),

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, J. C. Moitinho de Almeida en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn, J. -P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer

griffier: R. Grass

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest


1 Bij brief van 11 juni 1999 aan de griffie van het Hof heeft Emesa Sugar (Free Zone) NV (hierna: Emesa") verzocht, schriftelijke opmerkingen te mogen indienen naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 1999. Bij op dezelfde dag gedateerde brief heeft de regering van Aruba zich bij dit verzoek aangesloten.

2 Vastgesteld moet worden, dat 's Hofs Statuut-EG en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor partijen, opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Emesa beroept zich evenwel op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens betreffende de draagwijdte van artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM"), inzonderheid het arrest van 20 februari 1996 in de zaak Vermeulen/België (Recueil des arrêts et décisions 1996-I, blz. 224).

4 Artikel 6, lid 1, EVRM bepaalt:

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld."

5 In het voormelde arrest Vermeulen/België stelde het Europees Hof voor de rechten van de mens vast, dat het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie (België) ter terechtzitting en in raadkamer als voornaamste taak heeft, het Hof van Cassatie bij te staan en toe te zien op de handhaving van de eenheid van de rechtspraak" (§ 29), zulks met inachtneming van de meest strikte objectiviteit" (§ 30). Het was van oordeel, dat groot belang moet worden gehecht aan de door het lid van het openbaar ministerie in de procedure werkelijk vervulde functie, meer in het bijzonder aan de inhoud en de gevolgen van zijn conclusie. Die conclusie houdt een advies in, dat zijn gezag ontleent aan dat van het openbaar ministerie zelf [in de Franse versie van het arrest: ,ministère public; in de Engelse versie: ,procureur general's department]. Dit advies, dat objectief en met redenen omkleed is, is niettemin bedoeld om het Hof van Cassatie met raadgeving te dienen en derhalve om het te beïnvloeden" (§ 31).

6 Het Europees Hof besliste, dat als gevolg van het feit dat de belanghebbende daarop niet vóór het einde van de terechtzitting heeft kunnen reageren, zijn recht op een procedure op tegenspraak is geschonden. Dit omvat voor de partijen bij een strafrechtelijk of burgerrechtelijk proces in het beginsel het recht om kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen, ook indien zij afkomstig zijn van een onafhankelijke magistraat [in de Franse versie van het arrest: ,magistrat indépendant; in de Engelse versie: ,independent member of the national legal service], die bij de rechter zijn ingediend teneinde diens beslissing te beïnvloeden, en om zich daarover uit te laten." Het oordeelde derhalve, dat deze omstandigheid op zich een schending van artikel 6, lid 1, EVRM vormt (§ 33) (zie ook, in dezelfde zin, arresten Lobo Machado/Portugal van 20 februari 1996, Recueil des arrêts et décisions 1996-I, blz. 195, §§ 28-31; Van Orshoven/België van 25 juni 1997, Recueil des arrêts et décisions 1997-III, blz. 1040, §§ 38-41; J. J./Nederland van 27 maart 1998, Recueil des arrêts et décisions 1998-II, blz. 604, §§ 42 en 43, en K.D.B./Nederland van 27 maart 1998, Recueil des arrêts et décisions 1998-II, blz. 621, §§ 43 en 44).

7 Emesa is van mening, dat deze rechtspraak van toepassing is op de conclusie die de advocaat-generaal voor het Hof neemt, en zij verzoekt bijgevolg daarop te mogen reageren.

8 Om te beginnen zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak de grondrechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert (zie met name advies 2/94 van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I-1759, punt 33). Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Het EVRM heeft in dit opzicht bijzondere betekenis (zie met name arrest Hof van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 41).

9 Deze beginselen zijn overgenomen in artikel 6, lid 2, EU, dat luidt: De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekend Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht." Volgens artikel 46, sub d, EU ziet het Hof toe op de toepassing van deze bepaling met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voor zover [het] bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van (...) [het] Verdrag [betreffende de Europese Unie]".

10 Voorts dient te worden herinnerd aan de positie en de taak van de advocaat-generaal binnen de rechterlijke organisatie zoals die in het EG-Verdrag en 's Hofs Statuut-EG is geregeld en nader is uitgewerkt in het Reglement voor de procesvoering.

11 Volgens de artikelen 221 EG en 222 EG bestaat het Hof uit rechters en wordt het bijgestaan door advocaten-generaal. De voorwaarden en de procedure voor de benoeming van rechters en advocaten-generaal zijn in artikel 223 EG voor beiden gelijk geregeld. Ook hebben de advocaten-generaal blijkens titel I van 's Hofs Statuut-EG, dat juridisch van gelijke waarde is als het Verdrag, dezelfde status als de rechters, met name wat betreft de immuniteit en de gronden voor wraking, zodat hun volkomen onpartijdigheid en volledige onafhankelijkheid is gewaarborgd.

12 Voorts vormen de advocaten-generaal, tussen wie geen hiërarchische verhouding bestaat, geen parket of openbaar ministerie en staan zij niet onder het gezag van enigerlei autoriteit, in tegenstelling tot hetgeen het geval is in de rechterlijke organisatie van bepaalde lidstaten. Zij zijn in de uitoefening van hun taak niet belast met de verdediging van welk belang dan ook.

13 Tegen deze achtergrond moet de rol van de advocaat-generaal worden bezien, die overeenkomstig artikel 222 EG erin bestaat, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken welke aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd, teneinde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak, namelijk de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag te verzekeren.

14 Volgens artikel 18 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering sluit de conclusie van de advocaat-generaal de mondelinge behandeling af. Daar de conclusie buiten het kader van de discussie tussen partijen valt, leidt zij de beraadslagingsfase van het Hof in. Het gaat dus niet om een voor de rechters of de partijen bestemd advies van een autoriteit die niet tot het Hof behoort of die zijn gezag ontleent aan dat [van een] openbaar ministerie [in de Franse versie van het arrest: ,ministère public; in de Engelse versie: ,procureur general's department]" (arrest Vermeulen/België, reeds aangehaald, § 31), maar om de individuele opvatting van een lid van de instelling zelf, die met redenen is omkleed en in het openbaar wordt uitgesproken.

15 De advocaat-generaal neemt aldus op openbare en persoonlijke wijze deel aan de totstandkoming van de beslissing van het Hof en derhalve aan de vervulling van zijn rechterlijke taak. De conclusie wordt overigens samen met het arrest van het Hof gepubliceerd.

16 Gelet op de zowel organieke als functionele band tussen de advocaat-generaal en het Hof, waarop hiervoor in de punten 10 tot en met 15 van deze beschikking is gewezen, lijkt de voormelde rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens niet op de conclusies van de advocaten-generaal van het Hof te kunnen worden toegepast.

17 Bovendien zou het, gezien de specifieke vereisten van de procedure voor de gemeenschapsrechter, met name op het punt van het taalgebruik, tot grote problemen aanleiding geven en zou de behandelingsduur aanmerkelijk worden verlengd, wanneer de partijen het recht werd toegekend om opmerkingen te maken in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal, wat logischerwijs voor de andere partijen (en in de prejudiciële zaken, die het grootste deel van de bij het Hof aanhangig gemaakte zaken vertegenwoordigen, alle lidstaten, de Commissie en de andere betrokken instellingen) het recht zou meebrengen om op deze opmerkingen te reageren.

18 De specifieke vereisten van de communautaire rechterlijke organisatie kunnen stellig geen rechtvaardiging opleveren voor een schending van het fundamentele recht op een procedure op tegenspraak. Dat is echter niet het geval. Juist in verband met het doel van de procedure op tegenspraak, namelijk te voorkomen dat het Hof kan worden beïnvloed door argumenten waarover partijen zich niet hebben kunnen uitlaten, kan het Hof ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge procedure bevelen indien het van oordeel is, dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie onder meer met betrekking tot de heropening van de mondelinge behandeling, beschikking van 22 januari 1992, Legros e.a., C-163/90, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en arrest van 16 juli 1992, Legros e.a., C-163/90, Jurispr. blz. I-4625; beschikking van 9 december 1992, Meng, C-2/91, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en arrest van 17 november 1993, Meng, C-2/91, Jurispr. blz. I-5751; beschikking van 13 december 1994, Peterbroeck, C-312/93, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en arrest van 14 december 1995, Peterbroeck, C-312/93, Jurispr. blz. I-4599; beschikking van 23 september 1998, Sürül, C-262/96, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, en arrest van 4 mei 1999, Sürül, C-262/96, Jurispr. blz. I-2685, alsook beschikking van 17 september 1998, Verkooijen, C-35/98, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).

19 Het verzoek van Emesa heeft evenwel geen betrekking op de heropening van de mondelinge behandeling en bevat ook geen enkel nauwkeurig gegeven waaruit blijkt dat een dergelijke heropening zinvol of noodzakelijk is.

20 Mitsdien moet het verzoek van Emesa om schriftelijke opmerkingen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal te mogen indienen, worden afgewezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE

beschikt:

1) Het verzoek van Emesa Sugar (Free Zone) NV om schriftelijke opmerkingen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal te mogen indienen, wordt afgewezen.

2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Top