Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61998CJ0101

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 december 1999.
Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH tegen Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland.
Bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen - Verordening (EEG) nr. 1898/87 - Richtlijn 89/398/EEG - Gebruik van de benaming "kaas" ter aanduiding van een dieetproduct waarin het natuurlijke vet is vervangen door plantaardig vet.
Zaak C-101/98.

European Court Reports 1999 I-08841

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1999:615

61998J0101

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 december 1999. - Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH tegen Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland. - Bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen - Verordening (EEG) nr. 1898/87 - Richtlijn 89/398/EEG - Gebruik van de benaming "kaas" ter aanduiding van een dieetproduct waarin het natuurlijke vet is vervangen door plantaardig vet. - Zaak C-101/98.

Jurisprudentie 1999 bladzijde I-08841


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Bescherming van benamingen - Gebruik van benaming "kaas" ter aanduiding van dieetproduct waarin natuurlijk vet is vervangen door plantaardig vet - Ontoelaatbaarheid - Toevoeging van beschrijvende vermeldingen - Geen invloed

(Verordening nr. 1898/87 van de Raad, art. 3, lid 1; richtlijn 89/398 van de Raad, art. 3, lid 2)

Samenvatting


$$Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1898/87 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, moet aldus worden uitgelegd, dat een zuivelproduct waarin het melkvet om diëtaire redenen door plantaardig vet is vervangen, niet als "kaas" mag worden aangeduid.

Voor uit melk verkregen producten waarin een natuurlijk bestanddeel van de melk is vervangen door een daaraan vreemde stof, is het gebruik van een benaming als "dieetkaas (of dieetsmeerkaas) met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten" ook dan niet toegestaan, wanneer die benaming wordt aangevuld met beschrijvende vermeldingen op de verpakking als: "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren", of: "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon". Niet alleen is in die beschrijvende vermeldingen immers niet gepreciseerd, dat het melkvet geheel is vervangen door plantaardig vet, doch zij maken het gevaar van verwarring bij de consument ook nog groter doordat zij, in strijd met artikel 3, lid 2, van de verordening, met het onwettige gebruik van de term "kaas" suggereren dat het om zuivelproducten gaat.

Partijen


In zaak C-101/98,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Bundesgerichtshof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH

en

Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (PB L 182, blz. 36), en van artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (PB L 186, blz. 27),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn en G. Hirsch, rechters,

advocaat-generaal: A. Saggio

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH, vertegenwoordigd door K. A. Schroeter, advocaat te Hamburg,

- Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV, vertegenwoordigd door H.-G. Borck, advocaat te Hamburg,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder en C.-D. Quassowski, Ministerialrat respectievelijk Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden,

- de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Chalkias, assistent juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en I. Galani-Maragkoudaki, assistent juridisch adviseur bij de bijzondere juridische dienst, afdeling gemeenschapsrecht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Vasak, adjunct-secretaris buitenlandse zaken bij deze directie, als gemachtigden,

- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Gesandte bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Schmidt, lid van haar juridische dienst, en K. Schreyer, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH, vertegenwoordigd door K. A. Schroeter; Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV, vertegenwoordigd door H.-G. Borck; de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Financiën, als gemachtigde; de Griekse regering, vertegenwoordigd door I. Chalkias, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. Schmidt, ter terechtzitting van 24 maart 1999,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juni 1999,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 5 maart 1998, ingekomen bij het Hof op 9 april daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen (PB L 182, blz. 36; hierna: "verordening"), en van artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (PB L 186, blz. 27; hierna: "richtlijn").

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH (hierna: "UDL"), een onderneming in de voedingsindustrie, en Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV (hierna: "Schutzverband"), een vereniging ter bescherming van de mededinging, over de benaming waaronder UDL twee van haar producten op de markt wil brengen.

De gemeenschapsrechtelijke regeling

3 In artikel 2, leden 2 en 3, van de verordening is bepaald:

"2. In deze verordening wordt verstaan onder zuivelproducten, producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk.

Uitsluitend voor zuivelproducten mogen worden gebezigd:

- de benamingen in de bijlage;

- de benamingen in de zin van artikel 5 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 85/7/EEG, die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt.

3. De benaming $melk' en de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen mogen eveneens worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product."

4 Artikel 3 van de verordening bepaalt:

"1. De in artikel 2 bedoelde benamingen mogen niet voor andere dan de in dat artikel bedoelde producten worden gebruikt.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is, en/of wanneer duidelijk is dat de benamingen bedoeld zijn om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven.

2. Voor andere dan de in artikel 2 bedoelde producten mogen geen etiketten, handelsdocumenten, reclamemateriaal of enige vorm van reclame als omschreven in artikel 2, punt 1, van richtlijn 84/450/EEG of aanbiedingsvormen worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is.

Voor producten die melk- of zuivelproducten bevatten, mogen de benaming $melk' of de in artikel 2, lid 2, tweede alinea, bedoelde benamingen echter uitsluitend worden gebruikt om een beschrijving van de grondstoffen en een opsomming van de ingrediënten te geven overeenkomstig richtlijn 79/112/EEG."

5 In de bijlage van de verordening is "kaas" genoemd als één van de benamingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede alinea, eerste streepje.

6 Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:

"1. Deze richtlijn heeft betrekking op voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen.

2. a) Voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen zijn levensmiddelen die zich door hun bijzondere samenstelling of bereidingswijze duidelijk van gewone levensmiddelen onderscheiden, die voor het aangegeven voedingsdoel geschikt zijn en zodanig in de handel worden gebracht dat de geschiktheid voor dat doel wordt aangeduid.

b) Een bijzondere voeding behoort te voldoen aan de bijzondere voedingsbehoeften:

i) van bepaalde categorieën personen wier assimilatieproces of stofwisseling is verstoord,

of

ii) van bepaalde categorieën personen die zich in bijzondere fysiologische omstandigheden bevinden en die daarom bijzonder gebaat kunnen zijn bij een gecontroleerde ingestie van bepaalde stoffen in levensmiddelen,

of

iii) van zuigelingen, peuters of kleuters, in goede gezondheid."

7 Artikel 3 van de richtlijn bepaalt:

"1. De aard of de samenstelling van de in artikel 1 bedoelde producten moet zodanig zijn dat deze producten geschikt zijn voor het bijzondere voedingsdoel waarvoor zij zijn bestemd.

2. De in artikel 1 bedoelde producten moeten eveneens voldoen aan de dwingende bepalingen die voor gewone levensmiddelen gelden, behalve voor wat betreft de wijzigingen die in die producten zijn aangebracht om ze in overeenstemming te brengen met de definities van artikel 1."

8 In artikel 7, leden 1 en 2, van de richtlijn is bepaald:

"1. Op de in artikel 1 bedoelde producten is richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 89/395/EEG, onder de volgende voorwaarden van toepassing.

2. De verkoopbenaming van een product dient vergezeld te gaan van een aanwijzing omtrent de bijzondere voedingskenmerken ervan. Bij de in artikel 1, lid 2, onder b-iii, bedoelde producten wordt deze vermelding evenwel vervangen door die van de bestemming."

9 Artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1), bepaalt:

"De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd:

a) mogen de koper niet kunnen misleiden, onder meer:

i) ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en met name van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging,

ii) door aan het levensmiddel effecten of eigenschappen toe te schrijven die het niet bezit,

iii) door hem te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont, hoewel alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten."

10 Artikel 5, lid 1, van richtlijn 79/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 89/395/EEG van de Raad van 14 juni 1989 (PB L 186, blz. 17), bepaalt:

"De verkoopbenaming van een levensmiddel is de benaming vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die daarop van toepassing zijn; bij het ontbreken van dergelijke bepalingen, is de verkoopbenaming de benaming die in de lidstaat waarin het levensmiddel aan de eindverbruiker wordt verkocht, gebruikelijk is, dan wel een omschrijving van het levensmiddel en zo nodig van de wijze waarop dit kan worden gebruikt, die zo duidelijk is gesteld dat de koper de ware aard van het product kan begrijpen en het kan onderscheiden van soortgelijke producten waarmede het zou kunnen worden verward."

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

11 UDL is een onderneming in de voedingsindustrie die onder meer kaas en daaruit afgeleide producten vervaardigt, waaronder producten die zijn bestemd voor bijzondere voeding of dieetvoeding. Zij brengt, onder meer onder het merk Becel, levensmiddelen in de handel waarin dierlijke vetten, die verzadigde vetzuren bevatten, zijn vervangen door plantaardige vetten die rijk zijn aan meervoudig onverzadigde vetzuren en tot eigenschap hebben dat zij het cholesterolgehalte verlagen.

12 Sinds het begin van de jaren negentig verkoopt UDL twee van haar Becel-producten onder de benaming "dieetbroodbeleg"; in het vervolg zou zij deze producten willen verkopen onder de aanduiding "Hollandse lekkernij - dieetkaas met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten" en "dieetsmeerkaas met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten". Voorts wil UDL op de verpakking van het eerstgenoemde product vermelden: "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren", en op die van het andere product: "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon".

13 De Schutzverband achtte deze nieuwe benamingen en beschrijvingen waarvan UDL de twee Becel-producten wil voorzien, ongeoorloofd, omdat kaas een zuivelproduct is, terwijl in de samenstelling van genoemde producten het melkvet geheel door plantaardig vet is vervangen; hij daagde UDL voor het Landgericht Hamburg teneinde die onderneming te doen verbieden voor bedoelde producten de benaming "kaas" te gebruiken en de voormelde beschrijvingen op de verpakking daarvan aan te brengen. De vordering werd door het Landgericht verworpen, maar door de appèlrechter toegewezen. UDL heeft daarop "Revision" ingesteld voor het Bundesgerichtshof dat, van mening dat het geschil vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht deed rijzen, besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de twee volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

"1) Moet artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, mede gelet op de regeling van artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, aldus worden uitgelegd, dat een zuivelproduct, waarbij uit diëtetische overwegingen het melkvet is vervangen door plantaardig vet, niet als kaas mag worden aangeduid?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is het van belang, dat de aanduiding $dieetkaas (respectievelijk dieetsmeerkaas) met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten' op de verpakking wordt aangevuld met een toelichting als $deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren (...)', respectievelijk $deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon (...)'?"

De eerste vraag

14 Alvorens deze vraag te beantwoorden, moet worden onderzocht of artikel 3, lid 1, van de verordening van toepassing is op voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen.

15 In dit verband moet worden vastgesteld dat de verordening en de richtlijn niet hetzelfde doel dienen, en dat de richtlijn de toepassing van de verordening op voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen niet uitsluit. Terwijl de verordening immers tot doel heeft de benaming van melk en zuivelproducten in hun natuurlijke samenstelling in het belang van de producenten en consumenten te beschermen, moet de richtlijn voorzien in precieze voorschriften voor de etikettering en de presentatie van de onder de werkingssfeer ervan vallende producten, om te verzekeren dat de aard en samenstelling van die levensmiddelen geschikt zijn voor het bijzondere voedingsdoel waarvoor zij zijn bestemd.

16 Bovendien volgt geenszins uit artikel 3, lid 2, van de richtlijn, gelezen in samenhang met de verordening, dat, zoals UDL beweert, het gemeenschapsrecht voor de dieetversie van een courant levensmiddel het gebruik van dezelfde verkoopbenaming als die van het dienovereenkomstige gewone product niet alleen zou toelaten, maar zelfs zou voorschrijven.

17 Zoals de Duitse regering opmerkt, volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van de richtlijn immers dat die bepaling slechts het oog heeft op "wijzigingen" die in producten worden aangebracht en dus slechts betrekking heeft op de samenstelling van die producten en niet op hun benaming.

18 Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van de vierde overweging van de considerans van de richtlijn, inhoudende dat afwijkingen van de algemene of bijzondere bepalingen voor levensmiddelen slechts noodzakelijk zijn voor zover die bepalingen beletten dat de samenstelling of vervaardiging van een levensmiddel wordt gewijzigd met het oog op het specifieke voedingsdoel van de onder de richtlijn vallende producten.

19 Een en ander betekent, dat de benaming van voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen door de verordening wordt geregeld, zodat zulke levensmiddelen slechts met de generieke benaming van de dienovereenkomstige gewone levensmiddelen mogen worden aangeduid, wanneer hun samenstelling, ook al is die gewijzigd met het oog op het bijzondere voedingsdoel, niet in strijd is met de bepalingen waarbij die benaming is beschermd.

20 Voor de vraag of de benaming "kaas" mag worden gebruikt ter aanduiding van een product waarin het melkvet door plantaardig vet is vervangen, is van belang dat de benaming "kaas" volgens artikel 2, lid 2, van de verordening en de bijlage uitsluitend mag worden gebruikt voor "zuivelproducten", dat wil zeggen "producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk."

21 Voorts bepaalt lid 3 van ditzelfde artikel, dat "de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen eveneens mogen worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product".

22 Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt duidelijk, dat een zuivelproduct waarvan een bestanddeel van de melk, zij het slechts gedeeltelijk, is vervangen, niet mag worden aangeduid met een van de in artikel 2, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van de verordening genoemde benamingen.

23 Uit melk verkregen producten als in casu in geding, waarvan een bestanddeel van de melk, in casu het dierlijk vet, geheel is vervangen door een andere stof, te weten plantaardig vet, behoren dus niet tot de categorie van "zuivelproducten", zoals omschreven in artikel 2, lid 2, van de verordening, en mogen dus ingevolge artikel 3, lid 1, van diezelfde verordening niet met de benaming "kaas" worden aangeduid.

24 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van de richtlijn, aldus moet worden uitgelegd, dat een zuivelproduct waarin het melkvet om diëtetische redenen door plantaardig vet is vervangen, niet als "kaas" mag worden aangeduid.

De tweede vraag

25 Voor het antwoord op deze vraag zij herinnerd aan de bepaling in artikel 3, lid 2, van de verordening, die van toepassing is op andere dan de in artikel 2 daarvan bedoelde producten, zoals die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, en waarin het heet dat "geen etiketten, handelsdocumenten, reclamemateriaal of enige vorm van reclame (...) of aanbiedingsvormen mogen worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is".

26 Zoals de Griekse regering terecht opmerkt, kan de benaming "dieetkaas" als aanduiding voor de hier in geding zijnde producten, bij de consument ten onrechte de indruk wekken dat aan deze producten de benaming "zuivelproduct" toekomt in de zin van de verordening, en kunnen de toelichtingen die UDL op de verpakking wil toevoegen, deze indruk of het daaruit voortvloeiende gevaar voor verwarring niet wegnemen.

27 Niet alleen is in die toelichtingen niet gepreciseerd, dat het melkvet geheel is vervangen door plantaardig vet, doch zij maken het gevaar van verwarring bij de consument ook nog groter doordat zij, in strijd met artikel 3, lid 2, van de verordening, met het onwettige gebruik van de term "kaas" suggereren dat het om zuivelproducten gaat.

28 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de aanwending van toelichtingen zoals aangehaald onder punt 12 van dit arrest, niet van invloed is voor het verbod op het gebruik van de benaming "dieetkaas" ter aanduiding van producten waarin een bestanddeel van de melk vervangen is door een andere stof.

29 Hieraan doet niet af dat, aldus UDL, het verbod op het gebruik van de term "kaas" ter aanduiding van uit melk verkregen producten waarin een natuurlijk bestanddeel is vervangen door een daaraan vreemde stof, ook wanneer een beschrijving van het product op de verpakking is aangebracht, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

30 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, handelingen van gemeenschapsinstellingen niet buiten de grenzen mogen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie met name arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 13, en 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C-180/96, Jurispr. blz. I-2265, punt 96).

31 Eveneens is het vaste rechtspraak, dat voor de rechterlijke toetsing van voormelde voorwaarden de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 34 EG), 41 en 42 EG-Verdrag (thans de artikelen 35 EG en 36 EG) en 43 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 37 EG) toegekende politieke verantwoordelijkheid. Derhalve kan een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onregelmatig zijn wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie reeds aangehaalde arresten Fedesa e.a., punt 14, en Verenigd Koninkrijk/Commissie, punt 97).

32 Op dit punt moet enerzijds worden vastgesteld, dat de wetgever zich blijkens de derde en de zesde overweging van de considerans van de verordening tot doel heeft gesteld, de natuurlijke samenstelling van melk en zuivelproducten in het belang van producenten en consumenten van de Gemeenschap te beschermen, en bij de consument elke verwarring tussen zuivelproducten en andere levensmiddelen, met inbegrip van die welke onder meer van zuivelproducten afkomstige bestanddelen bevatten, te vermijden.

33 Anderzijds is niet aangetoond, dat de benaming "kaas", voorzien van de toelichtingen zoals hier in geding, ter aanduiding van producten waarin het melkvet volledig door plantaardig vet is vervangen, met zekerheid bij de consument elke verwarring omtrent de samenstelling van het product dat hij wil kopen, zou uitsluiten. Daarentegen zou het gebruik van die aanduiding de bescherming van de natuurlijke samenstelling van melk en zuivelproducten klaarblijkelijk wel in gevaar kunnen brengen.

34 Een verbod op het gebruik van de benaming "kaas" ter aanduiding van uit melk verkregen producten waarin een natuurlijk bestanddeel van de melk is vervangen door een daaraan vreemde stof, is dus, ook wanneer op dit punt op de verpakking een nadere toelichting is aangebracht, als maatregel niet klaarblijkelijk ongeschikt voor het bereiken van het nagestreefde doel, zodat dit verbod niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

35 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat voor uit melk verkregen producten waarin een natuurlijk bestanddeel van de melk is vervangen door een daaraan vreemde stof, het gebruik van een benaming als "dieetkaas (of dieetsmeerkaas) met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten" ook dan niet is toegestaan, wanneer die benaming wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking als: "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren", of: "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon".

Beslissing inzake de kosten


Kosten

36 De kosten door de Duitse, de Griekse, de Franse en de Oostenrijkse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 5 maart 1998 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, moet aldus worden uitgelegd, dat een zuivelproduct waarin het melkvet om diëtetische redenen door plantaardig vet is vervangen, niet als "kaas" mag worden aangeduid.

2) Voor uit melk verkregen producten waarin een natuurlijk bestanddeel van de melk is vervangen door een daaraan vreemde stof, is het gebruik van een benaming als "dieetkaas (of dieetsmeerkaas) met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten" ook dan niet toegestaan, wanneer die benaming wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking als: "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren", of: "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon".

Top