Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61998CC0412

Conclusie van advocaat-generaal Fennelly van 9 maart 2000.
Group Josi Reinsurance Company SA tegen Universal General Insurance Company (UGIC).
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour d'appel de Versailles - Frankrijk.
Executieverdrag - Personele werkingssfeer - Verzoeker met woonplaats in andere dan verdragsluitende staat - Materiële werkingssfeer - Bevoegdheidsregels in verzekeringszaken - Geschil betreffende herverzekeringsovereenkomst.
Zaak C-412/98.

European Court Reports 2000 I-05925

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2000:116

61998C0412

Conclusie van advocaat-generaal Fennelly van 9 maart 2000. - Group Josi Reinsurance Company SA tegen Universal General Insurance Company (UGIC). - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour d'appel de Versailles - Frankrijk. - Executieverdrag - Personele werkingssfeer - Verzoeker met woonplaats in andere dan verdragsluitende staat - Materiële werkingssfeer - Bevoegdheidsregels in verzekeringszaken - Geschil betreffende herverzekeringsovereenkomst. - Zaak C-412/98.

Jurisprudentie 2000 bladzijde I-05925


Conclusie van de advocaat generaal


1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing met betrekking tot het Executieverdrag betreft twee vragen: ten eerste, of het verdrag van toepassing is indien de verzoeker woonplaats in een derde land heeft; en ten tweede, of de bijzondere bevoegdheidsregels voor verzekeringszaken" van toepassing zijn op geschillen inzake herverzekering.

I - Juridisch en feitelijk kader

A - De relevante bepalingen uit het Executieverdrag

2. Artikel 2, dat in afdeling 1 van titel II is opgenomen, geeft als algemene bevoegdheidsregel, dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen [worden] voor de gerechten van die staat". Deze algemene, aan de woonplaats ontleende bevoegdheidsregel geldt voorzover de regels betreffende de bijzondere bevoegdheden" in afdeling 2 van titel II niet van toepassing zijn. Daartoe behoort artikel 5 dat onder andere bepaalt:

De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (...)"

3. Afdeling 2 op haar beurt geldt behoudens de regels van afdeling 3, Bevoegdheid bij geschillen inzake verzekeringen", te weten de artikelen 7 tot en met 12 bis. Artikel 8 bepaalt:

De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat kan worden opgeroepen:

1) voor de gerechten van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, of

2) in een andere verdragsluitende staat, voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringsnemer, of

3) indien het een medeverzekeraar betreft, voor het gerecht van een verdragsluitende staat waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld.

Wanneer de verzekeraar geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, maar in een verdragsluitende staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die staat."

B - Hoofdgeding en prejudiciële verwijzing

4. Universal General Insurance Company (hierna: UGIC"), thans in vereffening, heeft haar zetel in Brits Columbia, Canada. Zij had haar makelaar Euromepa, een in Frankrijk gevestigde vennootschap, opdracht gegeven om per 1 april 1990 voor de herverzekering van een portefeuille Canadese woningverzekeringspolissen te zorgen. Daarop benaderde Euromepa bij fax van 27 maart 1990 Group Josi Reinsurance Company (hierna: Group Josi"), een in België gevestigde vennootschap, en bood haar aan deel te nemen in deze herverzekeringsovereenkomst, waarbij zij preciseerde dat de belangrijkste herverzekeraars Union Ruck met 24 % en Agrippina Ruck met 20 %" waren. Bij fax van 6 april 1990 antwoordde Group Josi dat zij instemde met een deelneming van 7,5 %.

5. Ondertussen had Union Ruck op 28 maart 1990 aan Euromepa meegedeeld, dat zij haar deelneming na 31 mei 1990 niet zou verlengen, en bij brief van 30 maart 1990 had Agrippina Ruck haar meegedeeld, dat zij haar deelneming per 1 juni 1990 van 20 % tot 10 % zou verlagen. Tussen partijen staat vast dat Euromepa Group Josi niet op de hoogte heeft gebracht van deze berichten.

6. Op 25 februari 1991 zond Euromepa Group Josi een rekeningoverzicht waaruit bleek dat Group Josi wegens haar deelneming in het risico 54 679,34 CAD verschuldigd was. Group Josi weigerde te betalen, omdat haar deelneming in de herverzekering was gebaseerd op gegevens die naderhand onjuist waren gebleken".

7. In die omstandigheden dagvaardde UGIC op 6 juli 1994 Group Josi voor het Tribunal de commerce de Nanterre. Group Josi stelde dat de Franse rechterlijke instanties niet bevoegd waren, omdat de Rechtbank van koophandel te Brussel, binnen wier rechtsgebied zij is gevestigd, bevoegd was. Zij baseerde zich daarvoor zowel op het Executieverdrag als op artikel 1247 van de Franse Code civil (burgerlijk wetboek).

8. Op 27 juli 1995 verklaarde het Tribunal de commerce de Nanterre zich naar Frans recht bevoegd, daarbij in aanmerking nemend dat het Executieverdrag niet van toepassing is op een Canadese vennootschap. Het veroordeelde Group Josi tot betaling van 54 679,34 CAD aan UGIC, vermeerderd met rente.

9. Group Josi stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij de Cour d'appel de Versailles (hierna: verwijzende rechter"). Zij betoogde dat het Executieverdrag moest worden toegepast omdat zij als verweerster woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat. UGIC stelde dat de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag slechts van toepassing kunnen zijn indien zowel de verzoeker als de verweerder woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat hebben. Aangezien zij een vennootschap naar Canadees recht is zonder nevenvestigingen in de Europese Gemeenschap, was het Executieverdrag niet toepasselijk en moest het bevoegdheidsgeschil overeenkomstig de nationale regels van internationaal privaatrecht worden beslecht, op grond waarvan de Franse gerechten bevoegd waren.

10. Na het Ministère Public (Openbaar Ministerie) om advies te hebben verzocht, heeft de verwijzende rechter besloten het Hof de volgende vragen te stellen krachtens het protocol van 3 juni 1971 inzake de uitlegging door het Hof van Justitie van het Executieverdrag:

1) Is het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, behalve op ,intracommunautaire geschillen ook van toepassing op ,geschillen die een band hebben met de Gemeenschap? Kan met name een in een verdragsluitende staat gevestigde verweerder de specifieke bevoegdheidsregels van het Executieverdrag inroepen tegen een verzoeker met woonplaats in Canada?

2) Zijn in verzekeringszaken de specifieke bevoegdheidsregels van de artikelen 7 en volgende van het Executieverdrag van toepassing op herverzekering?"

II - Discussie

11. UGIC, Group Josi, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Enkel de Franse Republiek en de Commissie hebben mondelinge opmerkingen gemaakt.

A - Toepasselijkheid van het Executieverdrag

12. Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof, met uitzondering van UGIC, stellen dat het Executieverdrag van toepassing is op omstandigheden als die van het hoofdgeding.

13. De Commissie, het Verenigd Koninkrijk en de Franse Republiek betogen dat zodra een geschil binnen de materiële werkingssfeer van het Executieverdrag valt en in het bijzonder wanneer de verweerder woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, de woonplaats van verzoeker niet relevant is.

14. Niets in het rapport Jenard over het Executieverdrag duidt op het bestaan van een algemene beperking van de toepassing van de basisregel in die zin dat de verzoeker woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat moet hebben. Bovendien is de woonplaats van de verzoeker in het Executieverdrag alleen bij uitzondering van belang. De uitdrukkelijke verwijzing naar de woonplaats in deze uitzonderingsgevallen toont aan dat zij in alle andere gevallen irrelevant is.

15. Group Josi stemt daarmee in, maar voegt daaraan toe dat geschillen die een band met de Gemeenschap hebben, binnen de werkingssfeer van het verdrag vallen. Een geschil is nauw met de Gemeenschap verbonden" (intégré") indien een van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag erop van toepassing is. Frankrijk stelt dat de eerste vraag niet aan de orde is omdat UGIC middels haar Franse tussenpersoon als in Frankrijk gevestigd kan worden beschouwd. Bovendien zou toepassing van artikel 2 ongeacht verzoekers woonplaats de rechtszekerheid vergroten voor partijen met woonplaats in andere dan de verdragsluitende staten, die dan niet worden geconfronteerd met de onzekerheid verbonden aan de imponderabilia van de toepassing van de nationale regels van internationaal privaatrecht.

16. Ik ben het eens met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dat het criterium of geschillen voldoende nauw met de Gemeenschap zijn verbonden, te vaag is ter omlijning van de personele werkingssfeer van het Executieverdrag, dat bedoeld was om de rechtszekerheid te bevorderen. Rechtszekerheid", zo zegt het rapport Jenard, wordt beter gewaarborgd door het op de directe bevoegdheid gebaseerde verdrag" - dat wil zeggen wanneer de vastgestelde bevoegdheidsregels ook van toepassing zijn in de oorspronkelijke forumstaat en niet alleen voor de gerechten van de staat waar men erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing wil verkrijgen - omdat de beslissing afkomstig is van een rechter die zijn bevoegdheid aan het verdrag zelf ontleent". Dit is precies wat het Executieverdrag doet: het stelt gemeenschappelijke bevoegdheidsregels (...) [om] (...) op het gebied waarop het verdrag van toepassing moet zijn, het bestaan van een echte rechtsorde te verzekeren die de grootst mogelijke rechtszekerheid zal bieden". Het zou merkwaardig zijn dat in een verdrag waarin als centrale bevoegdheidsregel geldt dat een verweerder in beginsel moet worden opgeroepen voor de gerechten van de plaats waar hij woonplaats heeft, de woonplaats van de verzoeker een factor van belang zou zijn.

17. Men behoeft zich maar de systematiek van het Executieverdrag te herinneren om tot de slotsom te komen dat de woonplaats van de verzoeker irrelevant is. De werkingssfeer van het Executieverdrag is omschreven in artikel 1, dat bepaalt dat het wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen". Het Hof heeft bevestigd dat het Executieverdrag bevoegdheidsregels bevat die de gevallen waarin iemand buiten de staat van zijn woonplaats voor een gerecht kan worden opgeroepen, limitatief opsommen. Artikel 26, betreffende de erkenning van beslissingen, en artikel 31, betreffende de tenuitvoerlegging, de twee kernbepalingen van titel III van het Executieverdrag, Erkenning en tenuitvoerlegging", zijn eveneens ruim geformuleerd. Kort gezegd, de woordkeus van alle belangrijke bepalingen geeft aan dat de materiële werkingssfeer van het Executieverdrag wordt bepaald door de geschillen die bij de gerechten van de verdragsluitende staten aanhangig worden gemaakt, ongeacht de partijen.

18. Het Executieverdrag neemt consequent de woonplaats van de verweerder als hoofduitgangspunt voor de bevoegdheid. Deze basisregel van artikel 2 en de bijzondere regels van onder andere de artikelen 5 en 6 verwijzen telkens naar de plaats waar een persoon of een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied in een verdragsluitende staat" kan worden opgeroepen. Noch in deze bepalingen noch in een van de bijzondere bepalingen zoals artikel 13 (door consumenten gesloten overeenkomsten) of artikel 16 (exclusieve bevoegdheid) wordt de woonplaats van de verzoeker genoemd. Deze aanwijzingen die uit de tekst naar voren komen, pleiten ervoor dat het Executieverdrag verondersteld wordt toepassing te vinden op geschillen waarbij personen betrokken zijn die hun woonplaats hebben op het grondgebied van andere dan de verdragsluitende staten. Artikel 13, tweede alinea, bepaalt dat wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat", hij geacht [wordt] woonplaats te hebben" op het grondgebied van een verdragsluitende staat wanneer hij daar een filiaal of een agentschap heeft en het geschil de exploitatie daarvan betreft. Laatstgenoemde bepaling is enkel bedoeld om te bepalen welke verdragsluitende staat bevoegd is in een door een consument aangespannen procedure. Artikel 17 verleent exclusieve bevoegdheid aan de gerechten van een verdragsluitende staat, die voor dat doel zijn aangewezen in een overeenkomst tussen partijen waarvan ten minste één zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat".

19. De bevoegdheidsbepalingen van het Executieverdrag omvatten twee afzonderlijke reeksen bepalingen die het kader bepalen voor de toepassing van titel III. In de eerste plaats verleent artikel 2 bevoegdheid op grond van verweerders woonplaats, onverminderd een aantal bijzondere bepalingen zoals de artikelen 5, 6, 7 tot en met 12 bis, 13 tot en met 15, 16 en 17. Artikel 4 bepaalt dat in de gevallen waarin de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat", de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld wordt door de wetgeving van die staat", te weten door het internationale privaatrecht van de verschillende verdragsluitende staten. Aldus schept het Executieverdrag een volledig stelsel dat op alle verweerders van toepassing is, ongeacht of zij al dan niet woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat hebben.

20. Indien de verzoekers met woonplaats in niet-verdragsluitende staten van de werkingssfeer van artikel 2 zouden worden uitgesloten, zoals UGIC betoogt, zou dat een grote en onlogische lacune in het stelsel van het Executieverdrag creëren. In de eerste plaats heeft het geen enkele zin om gevallen waarin de verzoeker woonplaats in een niet-verdragsluitende staat heeft, van de werkingssfeer van het Executieverdrag uit te sluiten wanneer geschillen waarbij verweerders van dergelijke staten zijn betrokken, wel daarbinnen vallen. Zo kunnen bij vorderingen die onder artikel 4 vallen, in voorkomend geval de artikelen 21 en 22 betreffende aanhangigheid en samenhang toepassing vinden, wat niet noodzakelijkerwijs hoeft te gelden voor vorderingen van verzoekers zonder woonplaats in de verdragsluitende staten, zelfs niet als de verweerder woonplaats in een verdragsluitende staat heeft. Hoewel laatstgenoemde bepalingen geen bevoegdheid scheppen, veronderstelt hun formulering, net als die van de artikelen 26 en 31, dat het Executieverdrag uitputtend voor alle geschillen geldt die voor de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten aanhangig worden gemaakt.

21. Bovendien kan uit het feit dat het Executieverdrag niet van toepassing is op procedures betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van in andere dan de verdragsluitende staten gegeven beslissingen, geen steun voor niet-toepasselijkheid van dat verdrag worden afgeleid. De procedure die aan een dergelijk verzoek ten grondslag ligt, is in tegenstelling tot een vordering die tegen een verweerder met woonplaats in een verdragsluitende staat is ingesteld voor de gerechten van een andere verdragsluitende staat, kennelijk niet nauw verbonden met de Gemeenschap. Verder kan, zoals de Commissie opmerkt, in de rechtspraak betreffende vorderingen van verzoekers zonder woonplaats in de verdragsluitende staten, maar waarin die woonplaats niet als relevant werd beschouwd, enige steun worden gevonden om de woonplaats van de verzoeker als irrelevant te beschouwen. Zo ging het Hof in het arrest Rich niet in op het feit dat het hoofdgeding een Zwitserse verzoeker betrof die voor de Engelse gerechten een vordering tot benoeming van een arbiter had ingesteld tegen een verweerder met woonplaats in Italië. En ook in het arrest Tatry, hoewel één van de verschillende soorten vorderingen in die zaak een procedure betrof die door Poolse scheepseigenaren in Nederland was ingesteld ter verkrijging van een verklaring dat zij niet aansprakelijk waren voor de gestelde verontreiniging van de lading die aan boord van één van hun schepen van Brazilië naar Rotterdam was vervoerd, is geen aanwijzing te vinden dat de Engelse rechter wat de later bij hem ingestelde vorderingen betreft de aanhangigheidsbepalingen van artikel 21 van het Executieverdrag buiten beschouwing zou kunnen laten op grond van het feit dat het verdrag niet van toepassing was op de eerder aangebrachte Nederlandse procedure.

22. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging te bevestigen, dat het feit dat de verzoeker geen woonplaats in een verdragsluitende staat heeft, niet van belang is voor de toepassing van het Executieverdrag. Naar mijn mening mag die woonplaats alleen van invloed zijn in die situaties waarvoor het Executieverdrag, rechtstreeks dan wel indirect, uitdrukkelijk bepaalt dat zij een relevante factor is.

B - Executieverdrag en herverzekering

23. Enkel UGIC betoogt dat herverzekering onder de werkingssfeer van afdeling 3 van titel II van het Executieverdrag valt. Zij wijst in het bijzonder op de mogelijk zeer zwakke positie van de verzekeraar in bepaalde zogenoemde fronting" situaties en stelt dat herverzekering onder de specifieke verzekeringsregels moet vallen.

24. Group Josi, ondersteund door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, betoogt dat de specifieke regels betreffende verzekering (in het bijzonder artikel 8, punt 2, van het Executieverdrag, dat de verzekeringnemer toestaat een vordering in te stellen voor de gerechten van de staat van zijn woonplaats) niet van toepassing zijn. Zij zijn bedoeld om de verzekerden als de verondersteld zwakkere contractspartner te beschermen. Dit is echter niet het geval bij herverzekering. Group Josi, alsmede Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, zoeken steun in het rapport Schlosser over het Toetredingsverdrag van 1978, dat stelt: Een herverzekeringsovereenkomst mag niet gelijk worden gesteld met een verzekeringsovereenkomst. Daarom zijn de artikelen 7 tot en met 12 niet van toepassing op herverzekeringsovereenkomsten." Frankrijk merkt op dat herverzekering aan de orde is geweest in het kader van enkele zaken betreffende artikel 21, maar dat het Hof niet heeft beslist dat de specifieke regels betreffende verzekering van toepassing waren. Frankrijk is verder van mening dat zelfs al viel herverzekering daaronder, artikel 8, punt 2, enkel van toepassing zou zijn indien de verzekerde de zwakkere partij is en hij woonplaats in een verdragsluitende staat heeft; UGIC voldoet aan geen van beide voorwaarden.

25. De Commissie merkt op dat de relatie tussen de herverzekerde en de herverzekeraar de relatie tussen de verzekeraar en de oorspronkelijke verzekeringnemer onverlet laat en dat de relevante bepalingen van het Executieverdrag niet eenduidig zijn. Zij heeft echter besloten de opvatting die zij in haar opmerkingen in de zaak Overseas Union Insurance e.a. tot uitdrukking had gebracht, te heroverwegen. Dienovereenkomstig betoogt zij thans dat de verzekeringsregels bedoeld zijn om de zwakkere" partij te beschermen, hetgeen voor uitsluiting van herverzekeringsovereenkomsten zou pleiten. De regels betreffende verzekeringen moeten worden gezien als berustend op dezelfde grondgedachte als de regels betreffende door consumenten gesloten overeenkomsten in afdeling 4 van titel II (artikelen 13-15) van het Executieverdrag.

26. Er zijn twee redenen waarom herverzekering onder de werkingssfeer van de specifieke verzekeringsregels zou kunnen vallen. De eerste is dat er tussen verzekering en herverzekering geen fundamenteel verschil bestaat dat uitsluiting van laatstgenoemde van de werkingssfeer van afdeling 3 van titel II van het Executieverdrag zou rechtvaardigen. De tweede is een tekstargument: hoewel grote risico's uitdrukkelijk zijn uitgesloten van artikel 12 bis, dat bij het Toetredingsverdrag van 1978 is ingevoegd, wordt herverzekering daarbij niet genoemd. Indirecte steun voor deze opvatting zou volgens UGIC kunnen worden gevonden in het feit dat de Franse wetgever een uitdrukkelijke bepaling in het Franse wetboek van verzekeringen heeft opgenomen om herverzekering van de werkingssfeer daarvan uit te sluiten (artikel L.111-1).

27. Deze argumenten lijken mij echter niet overtuigend. In de eerste plaats zijn verzekering en herverzekering, hoewel zij met elkaar verband houden, conceptueel verschillend". Hoewel er geen algemeen aanvaarde ruime definitie van herverzekering bestaat, is er niettemin een fundamenteel verschil met normale verzekeringsovereenkomsten, omdat zij noch een cessie of overdracht van de oorspronkelijke verzekering van de ene op de andere verzekeraar omvat, noch een maatschaps- of vertegenwoordigingsverhouding tussen verzekeraars is", maar veeleer een zelfstandige verzekeringsovereenkomst waarbij de herverzekeraar zich jegens de herverzekerde verbindt tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de schade waarvoor laatstgenoemde jegens de verzekerde op grond van de oorspronkelijke verzekeringsovereenkomst het risico draagt".

28. Het doorslaggevende argument moet echter worden gezocht in de filosofie achter de bijzondere bevoegdheidsregels met betrekking tot verzekeringen. Uit het rapport Jenard blijkt duidelijk dat redenen van sociale aard, geboren uit de wens bepaalde categorieën van personen te beschermen, zoals de verzekerden (...)" bepaalde uitzonderingen op de algemene bevoegdheidsregel van de woonplaats noodzakelijk maakten, met name met het doel misbruiken te voorkomen die aan toetredingscontracten verbonden kunnen zijn". De gedachte om de verzekerde bevoegdheidsrechtelijk te beschermen tegen de (normalerwijze) economisch sterker staande verzekeraar lijkt zelfs de oorspronkelijke tekst van afdeling 3 van titel II van het Executieverdrag te hebben geïnspireerd. In het arrest Bertrand immers heeft het Hof - enkele maanden vóór de ondertekening van het Toetredingsverdrag van 1978 - overwogen dat de regels van afdeling 4 van titel II, in de oorspronkelijke versie, hoewel deze bepalingen geen melding maken van consumenten", waren ingegeven door bescherming van de zwakkere particuliere partij (eindverbruiker). In 1983 heeft het Hof deze opvatting in het arrest Gerling uitdrukkelijk bevestigd wat afdeling 3 van titel II van de oorspronkelijke versie van het Executieverdrag betreft. Het Hof stelt daarin dat immers blijkens een onderzoek van de bepalingen van die afdeling, de voorbereidende werkzaamheden ook in aanmerking genomen, (...) de verzekerde uit een uitgebreidere reeks bevoegde instanties [kan] kiezen dan de verzekeraar, en (...) ieder forumkeuzebeding ten gunste van de verzekeraar uitgesloten [is]; genoemde bepalingen zijn derhalve bedoeld ter bescherming van de verzekerde, die zich in de meeste gevallen geplaatst ziet voor een tevoren reeds vastgestelde overeenkomst waarover niet meer kan worden onderhandeld, en die economisch gezien in de zwakste positie verkeert".

29. De ondubbelzinnige opvatting ten aanzien van herverzekering in paragraaf 151 van het rapport Schlosser moet in deze context worden begrepen. Aangezien daarin de gelijkstelling van herverzekeringsovereenkomsten met verzekeringsovereenkomsten categorisch wordt verworpen en aangezien bij artikel 9 van het Toetredingsverdrag van 1978 een nieuw artikel 12 bis in het Executieverdrag is ingevoegd dat bepaalde (maar niet alle) verzekeringsovereenkomsten die een handelsrisico dekken, uitdrukkelijk uitsluit, moet men aannemen dat de auteurs van het Toetredingsverdrag van 1978 de opvatting van het rapport Schlosser hebben aanvaard, dat uitsluiting van welke soort herverzekeringsovereenkomst dan ook niet nodig was omdat het verdrag nog nooit op herverzekering van toepassing was geweest.

30. Bovendien moeten volgens vaste rechtspraak van het Hof alle uitzonderingen op de algemene regel dat een verweerder moet worden opgeroepen voor de gerechten op het grondgebied van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, strikt worden uitgelegd. Aangezien het op zijn minst twijfelachtig is dat de auteurs van het Executieverdrag herverzekering aanvankelijk onder afdeling 3 van titel II wilden laten vallen, of, indien herverzekering daar aanvankelijk onder viel, dat zij die situatie na de vaststelling van het Toetredingsverdrag van 1978 wensten te handhaven, zou het Hof nu moeten bevestigen dat de algemene bevoegdheidsregels van het Executieverdrag van toepassing zijn. Heel afdeling 3 van titel II is immers doortrokken van het streven, een reeks alternatieve bevoegdheidsregels te geven ten gunste van degenen die een verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat" oproepen (zie artikel 8). Enkel artikel 11 betreft het recht van de verzekeraar om een vordering in te stellen. Niettemin wordt daarin bepaald dat, met uitzondering van het instellen van tegeneisen, die altijd kunnen worden ingesteld voor het gerecht waar de oorspronkelijke eis dient, vorderingen van de verzekeraar voor de gerechten van de verdragsluitende staat op welks grondgebied de verweerder woonplaats heeft" moeten worden gebracht. Zoals Frankrijk opmerkt, bevestigt afdeling 3 van titel II, wat het recht van de verzekeraar om een vordering in te stellen betreft, dus louter de algemene regel van artikel 2. Als deze bepalingen ook van toepassing zouden zijn op herverzekering, zou men - niet onterecht - kunnen stellen dat de herverzekerde de herverzekeraar" alleen kan oproepen voor de gerechten van de staat van diens woonplaats, omdat hij per slot van rekening verzekeraar" blijft, en de herverzekeraar, die immers is gelijk te stellen met een verzekeraar", de herverzekerde verzekeraar" eveneens enkel voor de gerechten van de staat waar de herverzekerde zijn woonplaats heeft. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat de auteurs van het Executieverdrag de bedoeling hadden, verzekeraars dan wel herverzekeraars het recht te ontnemen om in hun onderlinge geschillen een vordering in het bijzonder krachtens artikel 5 in te stellen.

31. Deze conclusie lijkt mij verder te worden gestaafd door de reacties van doctrine en rechtspraak op de bepalingen van afdeling 3 van titel II van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 1978. In 1990 stelde een commentator vooruitlopend op een prejudicieel verzoek dat in de toekomst aan het Hof zou kunnen worden voorgelegd (...) dat herverzekering ongetwijfeld van de werkingssfeer van afdeling 3 zou moeten worden uitgesloten". Opmerking verdient dat de Engelse gerechten - die bijzonder vertrouwd zijn met herverzekering aangezien de internationale herverzekeringshandel zich grotendeels op de Londense markt afspeelt - zich consequent hebben uitgesproken tegen het opnemen van herverzekering in de specifieke regels.

32. Bijgevolg ben ik ervan overtuigd dat herverzekeringsovereenkomsten, dit wil zeggen die welke een verhouding in het leven roepen tussen een herverzekerde en zijn herverzekeraar, niet moeten worden aangemerkt als verzekeringszaken" in de zin van het Executieverdrag. Het argument van de Commissie dat herverzekering wel als zodanig aangemerkt moet worden wanneer krachtens de nationale wet of anderszins een rechtstreekse relatie tussen de verzekeringnemer(s) en de herverzekeraar tot stand wordt gebracht, doet aan deze conclusie niet af. In die omstandigheden zou de herverzekeraar inderdaad als verzekeraar optreden en zouden bijgevolg de bijzondere bevoegdheidsregels van afdeling 3 van titel II op hem van toepassing zijn. Met andere woorden, ten opzichte van een dergelijke verzekeringnemer zou hij voor de toepassing van afdeling 3 beschouwd moeten worden als gesubrogeerd in de rechten van de verzekeraar.

III - Conclusie

33. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de Cour d'appel de Versailles gestelde vragen als volgt te beantwoorden:

1) Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd, is van toepassing op alle vorderingen in burgerlijke en handelszaken die op het grondgebied van een verdragsluitende staat worden aangebracht tegen een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van die staat of van een andere verdragsluitende staat, ongeacht de woonplaats van de verzoeker.

2) De in afdeling 3 van titel II, zoals gewijzigd, neergelegde bijzondere bevoegdheidsregels voor verzekeringszaken gelden niet voor geschillen inzake herverzekering."

Top