Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61996CJ0275

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 1998.
Anne Kuusijärvi tegen Riksförsäkringsverket.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Kammarrätten i Sundsvall - Zweden.
Sociale zekerheid - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Personele werkingssfeer - Ouderschapstoelage - Behoud van recht op uitkeringen na overbrenging van woonplaats naar andere lidstaat.
Zaak C-275/96.

European Court Reports 1998 I-03419

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1998:279

61996J0275

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 11 juni 1998. - Anne Kuusijärvi tegen Riksförsäkringsverket. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Kammarrätten i Sundsvall - Zweden. - Sociale zekerheid - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Personele werkingssfeer - Ouderschapstoelage - Behoud van recht op uitkeringen na overbrenging van woonplaats naar andere lidstaat. - Zaak C-275/96.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-03419


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gemeenschapsregeling - Personele werkingssfeer - Persoon die in lidstaat werkloos is en aldaar krachtens wetgeving van die lidstaat werkloosheidsuitkeringen ontvangt - Daaronder begrepen - Persoon die werkloos was toen verordening nr. 1408/71 in die lidstaat in werking trad - Geen invloed

(Verordening nr. 1408/71, art. 1, sub a, 2, lid 1, en 94, leden 2 en 3)

2 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Toepasselijke wetgeving - Persoon die iedere beroepswerkzaamheid op grondgebied van lidstaat heeft beëindigd en zijn woonplaats naar andere lidstaat heeft overgebracht - Wetgeving van eerste lidstaat die voor recht om aan die wetgeving onderworpen te blijven, woonplaatsvereiste stelt - Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 1408/71, art. 13, lid 2, sub f)

3 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Begrip - Ouderschapstoelagen ter compensatie van gezinslasten van gerechtigde - Daaronder begrepen

(Verordening nr. 1408/71, art. 1, sub u-i, en 4, lid 1, sub h)

4 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gezinsbijslagen - Persoon die iedere werkzaamheid op grondgebied van lidstaat heeft beëindigd en die zijn woonplaats naar andere lidstaat heeft overgebracht waar hij met zijn gezinsleden woont - Weigering van toekenning van uitkeringen krachtens nationale wettelijke regeling van eerste lidstaat - Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 1408/71, art. 13, lid 2, sub f, 73 en 74)

Samenvatting


5 Verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, is van toepassing op een persoon die, toen deze verordening in een lidstaat in werking trad, in die staat als werkloze verbleef na er voorheen een beroepswerkzaamheid te hebben uitgeoefend, en die uit dien hoofde een werkloosheidsuitkering ontving krachtens het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat.

6 Artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals ingevoegd bij verordening nr. 2195/91, verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, slechts aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen kan blijven indien hij aldaar zijn woonplaats behoudt.

Deze bepaling beoogt immers juist een dergelijke situatie te regelen, en bepaalt daartoe, dat op degene die niet meer op grond van de overige bepalingen van artikel 13, lid 2, of de bepalingen van de artikelen 14 tot en met 17 van verordening nr. 1408/71 aan een wettelijke regeling is onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing is van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont.

Deze bepaling omvat overigens alle gevallen waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet.

7 Met een gezinsbijslag in de zin van de artikelen 1, sub u-i, en 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 moet worden gelijkgesteld een toelage die bedoeld is om een van de ouders in staat te stellen de opvoeding van een jong kind op zich te nemen, en die meer bepaald ertoe dient, de opvoeding van het kind te belonen, de overige kosten van verzorging en opvoeding te compenseren en eventueel de financiële nadelen te verzachten die verbonden zijn aan het feit dat van het inkomen uit een beroepswerkzaamheid wordt afgezien.

8 Verordening nr. 1408/71 verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, het recht op behoud van de krachtens die wettelijke regeling uitgekeerde gezinsbijslagen verliest op grond dat hij zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere lidstaat, waar hij met zijn gezinsleden woont.

Een persoon die zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht en daar met zijn gezinsleden woont, voldoet immers niet aan de voorwaarden van artikel 73 noch aan die van artikel 74 van verordening nr. 1408/71, daar noch hij zelf, noch zijn gezinsleden ooit in een andere lidstaat hebben gewoond dan die waarvan de wettelijke regeling op hem van toepassing was. De reden hiervoor is in het bijzonder, dat een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt nadat hij zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen is.

Partijen


In zaak C-275/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van Kammarrätten i Sundsvall (Zweden), in het aldaar aanhangig geding tussen

A. Kuusijärvi

en

Riksförsäkringsverket,

"om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991 (PB L 206, blz. 2),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, R. Schintgen (rapporteur), G. F. Mancini, J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Riksförsäkringsverket, vertegenwoordigd door H. Almström, socialförsäkringsombud bij Riksförsäkringsverket,

- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. Lammers, juridisch adviseur, als gemachtigde,

- de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Rotkirch, ambassadeur, hoofd van de dienst juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Noorse regering, vertegenwoordigd door A. Rygnestad, afdelingshoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, juridisch adviseur, en K. Simonsson, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Riksförsäkringsverket, vertegenwoordigd door A. M. Stenberg en I. Andersson, advocaten te Stockholm; de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door K. Simonsson, ter terechtzitting van 6 november 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 december 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 6 augustus 1996, ingekomen bij het Hof op 14 augustus daaraanvolgend, heeft Kammarrätten i Sundsvall krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6) gewijzigde en bijgewerkte versie, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991 (PB L 206, blz. 2).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen A. Kuusijärvi, Fins onderdaan, en Riksförsäkringsverket (de Zweedse Rijksdienst voor sociale zekerheid), betreffende het recht van eerstgenoemde op behoud van socialezekerheidsuitkeringen uit hoofde van de Zweedse wettelijke regeling, nadat zij haar woonplaats naar Finland had overgebracht zonder aldaar een beroepsactiviteit uit te oefenen.

3 Kuusijärvi werkte elf maanden in Zweden, tot 10 februari 1993. Vervolgens ontving zij een werkloosheidsuitkering tot de geboorte van haar kind op 1 februari 1994. Daarna ontving zij de in de Zweedse wetgeving voorziene kinderbijslag, alsook de "föräldrapenning" (hierna: "ouderschapstoelage"), die naar aanleiding van de geboorte van een kind wordt uitgekeerd en is geregeld in hoofdstuk 4 van lag (1962:381) om allmän försäkring (Zweedse wet inzake het algemene socialezekerheidsstelsel; hierna: "wet").

4 Volgens de bepalingen van hoofdstuk 4 van die wet heeft een ouder gedurende ten hoogste 450 dagen recht op de ouderschapstoelage, zulks tot de dag waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt, of uiterlijk tot aan het einde van het eerste schooljaar, op voorwaarde dat de ouder gedurende ten minste 180 opeenvolgende dagen vóór de eerste betaling van de uitkering bij een algemene sociale verzekeringskas ingeschreven is geweest.

5 Zoals uit haar opmerkingen blijkt, had de Zweedse regering, toen op 1 januari 1994 de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 1) in werking trad, waarbij verordening nr. 1408/71 in Zweden van toepassing werd, de betrokken uitkeringen overeenkomstig artikel 5 van deze verordening als prestaties bij moederschap had aangegeven.

6 Op 24 mei 1994 deelde Kuusijärvi haar verzekeringskas mee, dat zij voornemens was naar Finland te verhuizen, en vroeg zij of zij na die verlegging van haar woonplaats de ouderschapstoelage zou blijven ontvangen. Op 1 juli 1994 vertrok zij naar Finland, waar zij niet ging werken.

7 Kuusijärvi's verzoek om behoud van de ouderschapstoelage na haar verhuizing naar Finland werd door Norrbottens läns allmänna försäkringskassa (de algemene verzekeringskas van de administratieve regio Norrbotten) afgewezen op grond dat de belanghebbende Zweden had verlaten om zich per 1 juli 1994 in Finland te vestigen, en op 2 juli 1994 uit het register van de Zweedse kas was uitgeschreven.

8 Ingevolge hoofdstuk 1, § 3, van de wet zijn verzekerd Zweedse onderdanen en personen die geen Zweeds onderdaan zijn, maar in het land woonachtig zijn. Een verzekerde die Zweden verlaat, wordt geacht zijn woonplaats in het land te behouden bij verblijf in het buitenland dat voor hoogstens één jaar is bedoeld.

9 Volgens hoofdstuk 1, § 4, van de wet moet een verzekerde vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 16 jaar bereikt, bij een algemene verzekeringskas zijn ingeschreven, indien hij op het grondgebied van het Koninkrijk Zweden woont. § 5 bepaalt, dat de algemene verzekeringskas een verzekerde uit haar register van ingeschreven verzekerden dient uit te schrijven zodra zij verneemt, dat de betrokken persoon niet langer bij de kas behoort te zijn ingeschreven.

10 Met betrekking tot het vereiste van woonplaats op het grondgebied van het Koninkrijk Zweden bepalen de Riksförsäkringsverkets föreskrifter (RFFS 1985:16) om inskrivning och avregistrering hos allmän försäkringskassa (voorschriften van de Zweedse Rijksdienst voor sociale zekerheid betreffende de inschrijving en de uitschrijving bij een algemene verzekeringskas), dat een persoon wordt geacht zijn woonplaats in Zweden te hebben, wanneer hij daadwerkelijk in Zweden is gedomicilieerd, wanneer hij naar Zweden komt met de bedoeling er duurzaam te verblijven, of wanneer hij voornemens is in Zweden bepaalde tijd, gedurende ten minste één jaar, te verblijven om er te werken of te studeren. Voorts wordt een persoon die krachtens verordening nr. 1408/71 recht heeft op uitkeringen uit hoofde van de Zweedse wetgeving, geacht in Zweden te wonen zolang hij recht heeft op die uitkeringen, zelfs wanneer hij niet aan bovenbedoeld woonplaatsvereiste voldoet.

11 Voorts wordt in de voorschriften van de Zweedse Rijksdienst voor sociale zekerheid gepreciseerd, dat wanneer de verzekerde zijn woonplaats naar een ander Scandinavisch land verlegt met de bedoeling daar langer dan één jaar te wonen, hij uit het register van de algemene verzekeringskas wordt uitgeschreven vanaf de datum waarop hij in Zweden uit het bevolkingsregister wordt uitgeschreven. Wanneer een persoon die onder verordening nr. 1408/71 valt, zich evenwel naar een andere lidstaat begeeft, wordt hij uit het register van de verzekeringskas uitgeschreven zodra hij, krachtens die verordening, onder de wetgeving van de ontvangende lidstaat valt, ook wanneer hij in die andere lidstaat een korter verblijf dan één jaar beoogt.

12 Nadat Länsrätten i Norrbottens län Kuusijärvi's beroep tegen de beschikking waarbij haar het behoud van het recht op de betrokken uitkeringen na overbrenging van haar woonplaats naar Finland werd ontzegd, en tegen haar uitschrijving uit het register van de Zweedse verzekeringskas, had verworpen, stelde Kuusijärvi hoger beroep in bij Kammarrätten i Sundsvall.

13 Voor deze rechterlijke instantie beriep zij zich op artikel 22, lid 1, sub b-ii, van verordening nr. 1408/71, dat luidt als volgt:

"1. De werknemer of zelfstandige die aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, en

(...)

b) die, nadat hij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties is gesteld, van dit orgaan toestemming heeft ontvangen om terug te keren naar het grondgebied van de lidstaat, waarop hij woont, dan wel om zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere lidstaat over te brengen,

(...)

heeft recht op:

(...)

ii) uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling (...)"

14 Kuusijärvi betoogde, dat zij krachtens die bepaling in geval van moederschap ook na haar verhuizing naar Finland recht had op uitkeringen in de vorm van de ouderschapstoelage, en zulks gedurende de periode tijdens welke in Zweden wonende personen recht hebben op die uitkering.

15 De Zweedse Rijksdienst voor sociale zekerheid, die in zijn hoedanigheid van publiekrechtelijke instelling voor de verwijzende rechter als verweerder verscheen, stelde, dat het recht op prestaties bij moederschap, dat Kuusijärvi krachtens de Zweeds wetgeving genoot, teloor was gegaan omdat zij na de overbrenging van haar woonplaats naar Finland in Zweden niet meer aan het woonplaatsvereiste voldeed, zodat de Zweedse wetgeving niet langer op haar van toepassing was.

16 De Zweedse Rijksdienst voor sociale zekerheid verwees daartoe in de eerste plaats naar artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals ingevoegd bij verordening nr. 2195/91, krachtens welke bepaling "op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen". In de tweede plaats wees zij op het ook bij verordening nr. 2195/91 in verordening nr. 574/72 ingevoegde artikel 10 ter, bepalende: "De datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f), van de verordening ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, worden overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld."

17 Van oordeel dat voor de beslechting van het voor hem aanhangig geschil de uitlegging van een aantal bepalingen van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 vereist is, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

"1) Is verordening (EEG) nr. 1408/71 in beginsel van toepassing op een persoon die, voordat deze verordening in Zweden van toepassing werd, zijn woonplaats van Finland naar Zweden heeft verlegd en in dit laatste land in loondienst heeft gewerkt, maar, toen de verordening in Zweden in werking trad, op het Zweedse grondgebied geen arbeidsovereenkomst had en zich evenmin als werkloze naar Zweden had begeven nadat de verordening in dat land van toepassing was geworden, doch die op dat ogenblik in dat land enkel als werkloze verbleef na er voorheen als werknemer te hebben gewerkt en die uit dien hoofde een werkloosheidsuitkering ontving? Met andere woorden, kan een persoon met zulke antecedenten er aanspraak op maken dat hij of zij na 1 januari 1994 ingevolge verordening (EEG) nr. 1408/71 aan de Zweedse wettelijke regeling is onderworpen voor wat betreft het recht op Zweedse socialezekerheidsuitkeringen in de vorm van een ouderschapstoelage ($föräldrapenning')?

In geval van een bevestigend antwoord op deze vraag wordt het Hof verzocht de volgende twee vragen te beantwoorden:

2) Moet artikel 13, lid 2, sub f, van verordening (EEG) nr. 1408/71 juncto artikel 10 ter van verordening (EEG) nr. 574/72 aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat een woonplaatsvereiste mag stellen, opdat een persoon die zijn bezoldigde werkzaamheid aldaar heeft beëindigd, aan de wetgeving van dat land onderworpen blijft voor wat betreft prestaties bij moederschap?

3) Moet artikel 22 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat wanneer een persoon in een staat (de bevoegde staat) uitkeringen bij moederschap ontvangt, hij deze uitkeringen in geval van verlegging van zijn woonplaats naar een andere lidstaat slechts kan blijven ontvangen indien hij voldoet aan alle voorwaarden die de door de bevoegde staat toegepaste wettelijke regeling oplegt, dus ook aan het door de betrokken wettelijke regeling gestelde woonplaatsvereiste, of moet artikel 22 aldus worden uitgelegd, dat dit recht blijft bestaan zolang de belanghebbende voldoet aan alle andere voorwaarden van de nationale wettelijke regeling van het land van vertrek, maar niet aan het woonplaatsvereiste?"

De eerste vraag

18 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of verordening nr. 1408/71 van toepassing is op een persoon die, toen deze verordening in een lidstaat in werking trad, in die staat als werkloze verbleef na er voorheen werknemer te zijn geweest, en uit dien hoofde een werkloosheidsuitkering ontving krachtens het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat.

19 De personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 wordt afgebakend in artikel 2. Volgens artikel 2, lid 1, is de verordening van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is.

20 De in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 gebruikte begrippen "werknemer" en "zelfstandige" worden omschreven in artikel 1, sub a. Zij omvatten ieder die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 1, sub a, is verzekerd tegen de gebeurtenissen en onder de voorwaarden die aldaar worden genoemd (arresten van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 9, en 30 januari 1997, Stöber en Piosa Pereira, C-4/95 en C-5/95, Jurispr. blz. I-511, punt 27).

21 Hieruit volgt, zoals het Hof onder meer in herinnering heeft gebracht in het arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C-85/96, Jurispr. blz. I-2691, punt 36), dat een persoon werknemer is in de zin van verordening nr. 1408/71 indien hij, al is het maar tegen één risico, verplicht of vrijwillig verzekerd is bij een algemeen of bijzonder stelsel van sociale zekerheid genoemd in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71, ongeacht of er een arbeidsverhouding bestaat.

22 Dat is ongetwijfeld het geval indien iemand in een lidstaat werkloos is en aldaar krachtens de wetgeving van die lidstaat een werkloosheidsuitkering ontvangt.

23 De omstandigheid dat die persoon reeds werkloos was toen verordening nr. 1408/71 in de betrokken lidstaat in werking trad, en dat hij er een werkloosheidsuitkering ontving uit hoofde van arbeid die hij aldaar vóór die datum had verricht, onttrekt hem niet aan de personele werkingssfeer van de verordening.

24 Immers, artikel 94, lid 3, van verordening nr. 1408/71 bepaalt uitdrukkelijk, dat krachtens deze verordening zelfs dan een recht ontstaat, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis die vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat heeft plaatsgevonden.

25 Evenzo bepaalt artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten rekening wordt gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór de datum van haar toepassing op het grondgebied van deze lidstaat is vervuld.

26 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is op een persoon die, toen deze verordening in een lidstaat in werking trad, in die staat als werkloze verbleef na er voorheen een werkzaamheid te hebben uitgeoefend, en die uit dien hoofde een werkloosheidsuitkering ontving krachtens het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat.

De tweede vraag

27 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals ingevoegd bij verordening nr. 2195/91, zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepsactiviteit op zijn grondgebied heeft stopgezet, slechts aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen kan blijven indien hij aldaar zijn woonplaats behoudt.

28 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71, waartoe artikel 13 behoort, een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen. Deze bepalingen hebben niet alleen tot doel, de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (zie met name arrest Kits van Heijningen, reeds aangehaald, punt 12).

29 Voorts heeft het bepaalde in artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 enkel tot doel, te bepalen welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die zich in een van de sub a tot en met f van deze bepaling bedoelde situaties bevinden. Het bepaalt niet zelf, onder welke voorwaarden het recht op of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft overwogen, staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen (zie in die zin, arrest Kits van Heijningen, reeds aangehaald, punt 19, en arrest van 21 februari 1991, Daalmeijer, C-245/88, Jurispr. blz. I-555, punt 15).

30 De lidstaten zijn evenwel gehouden, bij de vaststelling van de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid de vigerende gemeenschapsbepalingen in acht te nemen, en mogen met name personen op wie de betrokken wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is, niet van de werkingssfeer van deze wettelijke regeling uitsluiten (arrest Kits van Heijningen, reeds aangehaald, punt 20).

31 In het arrest Kits van Heijningen (reeds aangehaald, punt 21) oordeelde het Hof dan ook, dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, bepalende dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont, elk nuttig effect zou verliezen, indien de wetgeving van een lidstaat op het grondgebied waarvan de werkzaamheden in loondienst worden verricht, de aansluiting bij de aldaar geldende verzekeringsregeling afhankelijk stelt van het woonplaatsvereiste.

32 Evenwel moet worden vastgesteld, dat wanneer de wettelijke regeling van een lidstaat ten aanzien van een persoon die op zijn grondgebied iedere werkzaamheid in loondienst heeft stopgezet en die dus niet meer aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 voldoet, het recht om bij het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat aangesloten te zijn of te blijven, afhankelijk stelt van het woonplaatsvereiste, dit artikel 13, lid 2, sub f, van deze verordening niet zijn nuttige werking ontneemt noch de belanghebbende onttrekt aan de toepassing van iedere socialezekerheidswetgeving, in het bijzonder die welke ingevolge verordening nr. 1408/71 van toepassing is.

33 Artikel 13, lid 2, sub f, beoogt integendeel juist een dergelijke situatie te regelen, en bepaalt daartoe, dat op degene die niet meer op grond van de overige bepalingen van artikel 13, lid 2, waaronder sub a, of de bepalingen van de artikelen 14 tot en met 17 van verordening nr. 1408/71 aan een wettelijke regeling is onderworpen, de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, van toepassing is.

34 Bijgevolg is een persoon die op het grondgebied van een lidstaat iedere werkzaamheid in loondienst heeft stopgezet en die dus niet meer aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, sub a, voldoet, noch aan de voorwaarden die in andere bepalingen van verordening nr. 1408/71 worden gesteld om onder de wetgeving van een lidstaat te vallen, ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, en krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, ofwel onderworpen aan de wettelijke regeling van de staat waar hij voorheen werkzaamheden in loondienst heeft verricht, wanneer hij daar nog woont, ofwel aan de wettelijke regeling van de staat waarnaar hij in voorkomend geval zijn woonplaats heeft overgebracht.

35 De Zweedse en de Noorse regering stellen evenwel, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 slechts van toepassing is indien de belanghebbende die zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, definitief iedere beroepswerkzaamheid heeft stopgezet. Huns inziens blijft degene die slechts tijdelijk ophoudt met werken, ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, onderworpen aan de wettelijke regeling van de lidstaat waar hij het laatst heeft gewerkt, ook al heeft hij zijn woonplaats in een andere lidstaat gevestigd.

36 Beide regeringen verwijzen in dit verband naar het arrest van 12 juni 1986, Ten Holder (302/84, Jurispr. blz. 1821), waarin het Hof voor recht verklaarde, dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een werknemer die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat beëindigt en niet gaat werken op het grondgebied van een andere lidstaat, onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam was, ongeacht de tijd die sedert de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband is verstreken. Zij voegen daaraan toe, dat onder meer uit het arrest van 21 februari 1991, Noij (C-140/88, Jurispr. blz. I-387, punten 9 en 10), volgt, dat alleen werknemers die definitief elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet, buiten de werkingssfeer van artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 vallen (zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Twomey, C-215/90, Jurispr. blz. I-1823, punt 10).

37 De Nederlandse regering en, ter terechtzitting, de Finse regering hebben daartegen ingebracht, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 een uitdrukkelijke conflictregel vormt voor situaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarin een persoon om welke reden dan ook in een bepaalde lidstaat elke beroepswerkzaamheid heeft stopgezet en in een andere lidstaat woont zonder daar te werken, en dat daardoor de rechtspraak van het arrest Ten Holder (reeds aangehaald) is achterhaald.

38 De Commissie van haar kant is van mening, dat die rechtspraak geldig blijft en dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 slechts van toepassing is vanaf de datum waarop het recht op uitkering in de staat van de laatste tewerkstelling ophoudt, behalve wanneer de belanghebbende definitief elke beroepswerkzaamheid heeft stopgezet.

39 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat niets in de bewoordingen van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 erop wijst, dat deze bepaling alleen van toepassing is op werknemers die definitief elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet, en niet op personen die enkel hun beroepswerkzaamheid in een bepaalde lidstaat hebben gestaakt.

40 Deze bepaling is juist in algemene bewoordingen geredigeerd, zodat zij alle gevallen omvat waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet.

41 Indien de toepassing van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 werd beperkt tot het geval van definitieve stopzetting van elke beroepswerkzaamheid, zou deze bepaling gedeeltelijk van haar betekenis worden beroofd.

42 Vervolgens zij opgemerkt, dat blijkens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2195/91, artikel 13, lid 2, sub f, in verordening nr. 1408/71 is ingevoegd naar aanleiding van het arrest Ten Holder (reeds aangehaald).

43 Dat arrest betrof de situatie van een persoon die zijn beroepswerkzaamheid op het grondgebied van een lidstaat had stopgezet, aldaar een uitkering wegens ziekte ontving krachtens de wetgeving van die lidstaat, en was gaan wonen op het grondgebied van een andere lidstaat zonder daar opnieuw te gaan werken tijdens de periode waarin hij bedoelde uitkering wegens ziekte ontving, maar waarvan niet bleek dat hij definitief elke beroepsactiviteit had stopgezet en niet voornemens was in zijn nieuwe woonstaat opnieuw te gaan werken.

44 Ofschoon geen enkele bepaling van titel II van verordening nr. 1408/71 deze situatie specifiek regelde, oordeelde het Hof in het arrest Ten Holder (reeds aangehaald), dat een dergelijke persoon ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam was.

45 Bijgevolg moet worden aangenomen, dat de gemeenschapswetgever met de invoeging van artikel 13, lid 2, sub f, in verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk het geval wilde regelen van een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt.

46 Gelijk de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft beklemtoond, blijkt dat overigens uit de toelichting bij het wijzigingsvoorstel van de Commissie dat tot de vaststelling van artikel 13, lid 2, sub f, heeft geleid. Volgens die toelichting moest worden gezorgd voor aanvulling van de door het arrest Ten Holder aan het licht gebrachte "lacune" in titel II van verordening nr. 1408/71, die voortvloeide uit het feit, dat er geen uitdrukkelijke bepaling was die aangaf, welke wetgeving van toepassing is op personen die onder de wetgeving van een lidstaat elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet en op het grondgebied van een andere lidstaat wonen.

47 Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door een andere wijziging die de gemeenschapswetgever in de betrokken regeling heeft aangebracht en die, zoals uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2195/91 blijkt, nauw verband houdt met de vaststelling van artikel 13, lid 2, sub f.

48 Volgens die overweging brengt de invoeging van artikel 13, lid 2, sub f, in verordening nr. 1408/71 een wijziging mee van artikel 17, krachtens welke bepaling twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze staten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen in onderlinge overeenstemming uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16 kunnen vaststellen.

49 Ingevolge deze aanpassing kunnen dergelijke uitzonderingen voortaan niet slechts worden vastgesteld in het belang van personen die werkzaamheden al dan niet in loondienst uitoefenen, maar in het belang van alle personen zonder onderscheid, ongeacht of zij al dan niet een dergelijke activiteit uitoefenen.

50 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 enerzijds van toepassing is op een persoon die zijn beroepswerkzaamheid op het grondgebied van een lidstaat heeft stopgezet en zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere lidstaat heeft overgebracht, en anderzijds er niet aan in de weg staat, dat de wetgeving van een lidstaat de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid afhankelijk stelt van het woonplaatsvereiste.

51 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals ingevoegd bij verordening nr. 2195/91, zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, slechts aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen kan blijven indien hij aldaar zijn woonplaats behoudt.

De derde vraag

52 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 22 van verordening nr. 1408/71 zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die elke beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, het recht op behoud van een ouderschapstoelage als in het hoofdgeding aan de orde verliest, op grond dat hij zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht.

53 Dienaangaande zij allereerst erop gewezen, dat artikel 22 behoort tot titel III, hoofdstuk 1, "Ziekte en moederschap", van verordening nr. 1408/71; voor toepassing ervan is dus vereist, dat de ouderschapstoelage die in het hoofdgeding aan de orde is, een prestatie bij ziekte of moederschap in de zin van die bepaling is.

54 Vervolgens zij eraan herinnerd dat, gelijk in punt 5 van dit arrest is opgemerkt, de Zweedse regering, toen verordening nr. 1408/71 op het Zweedse grondgebied in werking trad, de ouderschapstoelage overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1408/71 als een prestatie bij moederschap heeft aangegeven.

55 In haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft de Zweedse regering evenwel verklaard dat, gelet op het arrest van het Hof van 10 oktober 1996, Hoever en Zachow (C-245/94 en C-312/94, Jurispr. blz. I-4895), de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitkering thans als een gezinsbijslag is aan te merken.

56 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moet de betrokken ouderschapstoelage dus worden gekwalificeerd aan de hand van verordening nr. 1408/71.

57 Volgens vaste rechtspraak kan een uitkering als een socialezekerheidsuitkering worden beschouwd wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met een van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (arrest van 5 maart 1998, Molenaar, C-160/96, Jurispr. blz. I-843, punt 20).

58 Wat de eerste van deze twee voorwaarden betreft, staat vast, dat de bepalingen betreffende de toekenning van de ouderschapstoelage de rechthebbenden een wettelijk omschreven recht verlenen en dat deze toelage wordt toegekend aan personen die aan bepaalde objectieve criteria beantwoorden, zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van hun persoonlijke behoeften.

59 Met betrekking tot de tweede voorwaarde zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71 "onder $gezinsbijslagen' [worden] verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte".

60 Uit het arrest Hoever en Zachow (reeds aangehaald) volgt, dat met een gezinsbijslag in de zin van de artikelen 1, sub u-i, en 4, lid 1, sub h, van verordening nr. 1408/71 moet worden gelijkgesteld een toelage die bedoeld is om een van de ouders in staat te stellen de opvoeding van een jong kind op zich te nemen, en die meer bepaald ertoe dient, de opvoeding van het kind te belonen, de overige kosten van verzorging en opvoeding te compenseren en eventueel de financiële nadelen te verzachten die verbonden zijn aan het feit dat van het inkomen uit een beroepswerkzaamheid wordt afgezien.

61 Uit de stukken blijkt, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde ouderschapstoelage aan deze criteria beantwoordt.

62 Deze naar aanleiding van de geboorte van een kind toegekende uitkering wordt hoofdelijk aan de ouders betaald gedurende een periode van maximaal 450 dagen, tijdens welke een van de ouders mag stoppen met werken, en dit tot de dag waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt, of uiterlijk tot het einde van het eerste schooljaar. Wanneer beide ouders samen voor het kind zorgen, heeft elk van hen recht op de toelage gedurende de helft van die periode. Een ouder die alleen voor het kind zorgt, kan de ouderschapstoelage gedurende de gehele periode ontvangen.

63 De moeder heeft weliswaar vanaf de zestigste dag vóór de voorziene geboortedatum recht op de ouderschapstoelage, doch dat neemt niet weg, dat gedurende het grootste gedeelte van de periode tijdens welke de toelage wordt toegekend, de ouder die hoofdzakelijk voor het kind zorgt, er recht op heeft, en dat kan dus ook de vader zijn.

64 Voorts staat het bedrag van de toelage, onder bepaalde voorwaarden en met enige beperkingen, rechtstreeks in verhouding tot het beroepsinkomen van de betrokken ouder. Immers, op voorwaarde dat deze ouder gedurende ten minste 240 opeenvolgende dagen vóór de geboorte of de voorziene geboortedatum bij een ziekenkas aangesloten is geweest, heeft hij gedurende 360 van de 450 dagen waarvoor de ouderschapstoelage verschuldigd is, recht op een uitkering die hoger is dan het gegarandeerde minimum van 60 SKR per dag en in de regel overeenstemt met 75 % van het beroepsinkomen dat hij voorheen ontving.

65 Uit een en ander blijkt, dat de ouderschapstoelage enerzijds bedoeld is om de ouders in staat te stellen beurtelings voor het jonge kind te zorgen tot het naar school gaat, en dat zij anderzijds tot op zekere hoogte dient ter compensatie van het inkomensverlies dat de ouder die voor het kind zorgt lijdt, doordat hij tijdelijk zijn beroepswerkzaamheid stopzet.

66 Gelet op het voorgaande moet te rade worden gegaan met de bijzondere bepalingen inzake gezinsbijslagen van titel III, hoofdstuk 7, van verordening nr. 1408/71, om uit te maken of een persoon die zich in een situatie als die van Kuusijärvi bevindt, krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat uitgekeerde gezinsbijslagen ook kan blijven ontvangen nadat hij elke beroepswerkzaamheid op het grondgebied van die lidstaat heeft stopgezet en zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht.

67 Artikel 73 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB L 331, blz. 1), bepaalt: "Onder voorbehoud van het bepaalde in bijlage VI heeft de werknemer of de zelfstandige op wie de wettelijke regeling van een lidstaat van toepassing is, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, recht op de gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden."

68 Gelijk het Hof vaststelde in het arrest van 17 mei 1984, Brusse (101/83, Jurispr. blz. 2223, punt 30), schept dit artikel ten gunste van de werknemer op wie de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing is dan die op het grondgebied waarvan zijn gezinsleden wonen, een daadwerkelijk recht op toekenning van de door de toepasselijke wetgeving voorziene gezinsbijslagen, welk recht niet kan worden tenietgedaan door de toepassing van een clausule in die wetgeving, die personen die niet op het grondgebied van bedoelde lidstaat wonen, van het genot van gezinsbijslagen uitsluit.

69 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arresten van 19 februari 1981, Beeck, 104/80, Jurispr. blz. 503, punten 7 en 8; 16 juli 1992, Hughes, C-78/91, Jurispr. blz. I-4839, punt 28, en arrest Hoever en Zachow, reeds aangehaald, punt 38) is die bepaling ook van toepassing op een persoon die met zijn gezin in een andere lidstaat woont dan die waarvan de wetgeving op hem van toepassing is.

70 Hetzelfde geldt voor artikel 74 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3427/89, dat de regel van artikel 73 toepasselijk maakt op werkloze werknemers of zelfstandigen die krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat een werkloosheidsuitkering genieten.

71 Vastgesteld moet worden, dat een persoon die zich in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding bevindt, niet aan de voorwaarden van artikel 73 noch aan die van artikel 74 van verordening nr. 1408/71 voldoet, daar noch hij zelf, noch zijn gezinsleden ooit in een andere lidstaat hebben gewoond dan die waarvan de wettelijke regeling op hem van toepassing was. De reden hiervoor is in het bijzonder, dat een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt nadat hij zijn woonplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen is, zoals blijkt uit het antwoord op de tweede vraag.

72 Voorts is het van belang op te merken, dat artikel 10 van verordening nr. 1408/71, bepalende dat sommige uitkeringen die op grond van de wettelijke regeling van een of meer lidstaten zijn verkregen, met name niet kunnen worden ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, alleen van toepassing is op de in die bepaling uitdrukkelijk vermelde uitkeringen, waartoe de gezinsbijslagen niet behoren.

73 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord, dat verordening nr. 1408/71 zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, het recht op behoud van de krachtens die wettelijke regeling uitgekeerde gezinsbijslagen verliest op grond dat hij zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere lidstaat, waar hij met zijn gezinsleden woont.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

74 De kosten door de Zweedse, de Nederlandse, de Finse en de Noorse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door Kammarrätten i Sundsvall bij beschikking 6 augustus 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:

75 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, is van toepassing op een persoon die, toen deze verordening in een lidstaat in werking trad, in die staat als werkloze verbleef na er voorheen een beroepswerkzaamheid te hebben uitgeoefend, en die uit dien hoofde een werkloosheidsuitkering ontving krachtens het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat.

76 Artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991, verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, slechts aan de wettelijke regeling van die lidstaat onderworpen kan blijven indien hij aldaar zijn woonplaats behoudt.

77 Verordening nr. 1408/71 verzet zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke een persoon die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, het recht op behoud van de krachtens die wettelijke regeling uitgekeerde gezinsbijslagen verliest op grond dat hij zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere lidstaat, waar hij met zijn gezinsleden woont.

Top