EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61996CJ0274

Arrest van het Hof van 24 november 1998.
Strafzaak tegen Horst Otto Bickel en Ulrich Franz.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Pretura circondariale di Bolzano, sezione distaccata di Silandro - Italië.
Vrij verkeer van personen - Gelijke behandeling - Regeling van taalgebruik in strafzaken.
Zaak C-274/96.

European Court Reports 1998 I-07637

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1998:563

61996J0274

Arrest van het Hof van 24 november 1998. - Strafzaak tegen Horst Otto Bickel en Ulrich Franz. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Pretura circondariale di Bolzano, sezione distaccata di Silandro - Italië. - Vrij verkeer van personen - Gelijke behandeling - Regeling van taalgebruik in strafzaken. - Zaak C-274/96.

Jurisprudentie 1998 bladzijde I-07637


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Verbod - Werkingssfeer - Onderdanen van lidstaten die zich naar andere lidstaat begeven om aldaar diensten te ontvangen of te kunnen ontvangen en die recht van vrij verkeer bedoeld in artikel 8 A van Verdrag genieten - Daaronder begrepen

(EG-Verdrag, art. 6, 8 A en 59)

2 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Verbod - Werkingssfeer - Nationale wettelijke regeling inzake taalgebruik in strafzaken - Daaronder begrepen - Voorwaarden

(EG-Verdrag, art. 6)

3 Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Nationale wettelijke regeling inzake taalgebruik in strafzaken - Discriminatie van onderdanen van andere lidstaten die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer - Verbod

(EG-Verdrag, art. 6)

Samenvatting


1 Tot de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties waarvoor het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde verbod van "elke discriminatie op grond van nationaliteit" geldt, behoren met name die welke vallen onder het door artikel 59 van het Verdrag verleende recht van vrijheid van dienstverrichting. Derhalve vallen de onderdanen van de lidstaten die zich, zonder gebruik te maken van een andere door het Verdrag gewaarborgde vrijheid, naar een andere lidstaat begeven om aldaar diensten te ontvangen of te kunnen ontvangen, onder die bepaling en kunnen zij zich vrijelijk begeven naar en zich verplaatsen in de lidstaat waar de diensten worden ontvangen. Overigens bepaalt artikel 8 A van het Verdrag: "Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld."

2 Het door een nationale wettelijke regeling toegekende recht te verzoeken om behandeling van een strafzaak in een andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken staat, valt binnen de werkingssfeer van het Verdrag en moet in overeenstemming zijn met artikel 6 daarvan.

Het strafrecht en het strafprocesrecht behoren in het algemeen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, doch het gemeenschapsrecht stelt grenzen aan die bevoegdheid. Dergelijke bepalingen mogen namelijk niet leiden tot discriminatie van personen aan wie het gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent, noch de door dit recht gewaarborgde fundamentele vrijheden beperken.

3 Artikel 6 van het Verdrag staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling die burgers die een bepaalde andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken lidstaat spreken en op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap wonen, het recht toekent te verzoeken om behandeling van de strafzaak in hun taal, wanneer dit recht wordt onthouden aan onderdanen van andere lidstaten die dezelfde taal spreken en op dat grondgebied reizen en verblijven.

Partijen


In zaak C-274/96,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Bolzano, sezione distaccata di Silandro (Italië), in de aldaar dienende strafzaken tegen

H. O. Bickel,

U. Franz,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 6, 8 A en 59 EG-Verdrag,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet, G. Hirsch en P. Jann, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, J. L. Murray, H. Ragnemalm (rapporteur), L. Sevón, M. Wathelet en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, en E. Altieri, bij die dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van H. O. Bickel en U. Franz, vertegenwoordigd door K. Zeller, advocaat te Merano; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P. G. Ferri, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. van Nuffel en L. Gussetti, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 27 januari 1998,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 maart 1998,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikkingen van 2 augustus 1996, ingekomen bij het Hof op 12 augustus daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Bolzano, sezione distaccata di Silandro, krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 6, 8 A en 59 EG-Verdrag.

2 Die vraag is gerezen in het kader van strafzaken tegen H. O. Bickel respectievelijk U. Franz.

3 Bickel is Oostenrijks onderdaan, woont te Nüziders in Oostenrijk en is vrachtwagenchauffeur van beroep. Op 15 februari 1994 werd hij te Castelbello in de regio Trentino - Alto Adige in Italië, terwijl hij zijn vrachtwagen bestuurde, aangehouden door carabinieri, die hem bekeurden ter zake van rijden onder invloed.

4 Franz is Duits onderdaan en woont te Peissenberg in Duitsland. Hij begaf zich als toerist naar de regio Trentino - Alto Adige. Op 5 mei 1995 werd bij een douanecontrole vastgesteld, dat hij in het bezit was van een verboden type mes.

5 Beide verdachten verklaarden voor de Pretore di Bolzano, dat zij de Italiaanse taal niet machtig waren, en verzochten met een beroep op de regels ter bescherming van de Duitstalige gemeenschap in de provincie Bolzano, het proces tegen hen in de Duitse taal te voeren.

6 Artikel 99 van presidentieel decreet nr. 670 van 30 augustus 1972 betreffende de speciale status voor de regio Trentino - Alto Adige (GURI nr. 301 van 20 november 1972) bepaalt, dat de Duitse taal in die regio op gelijke voet staat met de Italiaanse taal.

7 Ingevolge artikel 100 van dit decreet hebben de Duitstalige burgers van de provincie Bolzano - waar de Duitstalige minderheid in hoofdzaak woont - het recht, zich in hun betrekkingen met de in die provincie gevestigde of regionaal bevoegde gerechtelijke instanties en overheidsdiensten van hun eigen taal te bedienen.

8 Op grond van artikel 13 van presidentieel decreet nr. 574 van 15 juli 1988 betreffende de tenuitvoerlegging van de speciale status voor de regio Trentino - Alto Adige inzake het gebruik van het Duits en het Reto-Romaans in de betrekkingen van de burgers met de overheid en in gerechtelijke procedures (GURI nr. 105 van 8 mei 1989), moeten de diensten en de gerechtelijke instanties zich in hun betrekkingen met de burgers van de provincie Bolzano en in de handelingen die deze raken, bedienen van de taal van de verzoeker.

9 Voorts bepaalt artikel 14 van decreet nr. 574, dat de gerechtelijke instantie of de ambtenaar van politie in geval van ontdekking op heterdaad of aanhouding eerst tot verhoor of enige andere proceshandeling mag overgaan nadat de verdachte is gevraagd wat zijn moedertaal is. Is die taal het Duits, dan vinden het verhoor en alle andere proceshandelingen in die taal plaats.

10 Ten slotte bepaalt artikel 15 van decreet nr. 574, dat de gerechtelijke instantie die een aan de verdachte of beschuldigde mede te delen of te betekenen processtuk moet opstellen, diens vermoedelijke taal moet gebruiken; daartoe wordt nagegaan, tot welke taalgroep hij kennelijk behoort en welke andere elementen in de loop van de procedure reeds zijn vastgesteld. Binnen tien dagen na de mededeling of betekening van het eerste processtuk kan de verdachte of beschuldigde het gebruik van die taal aanvechten door middel van een verklaring die hij persoonlijk afgeeft of aan de vervolgende instantie doet toekomen. In dat geval ziet de gerechtelijke instantie erop toe, dat de tot dat tijdstip opgestelde stukken worden vertaald en dat de latere stukken worden opgesteld in de opgegeven taal.

11 Daar de nationale rechter twijfelde, of de voor de burgers van de provincie Bolzano geldende procedurevoorschriften op grond van het gemeenschapsrecht moesten worden toegepast op onderdanen van andere lidstaten die de provincie bezoeken, heeft hij besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de volgende vraag:

"Vereisen de beginselen van non-discriminatie in de zin van artikel 6, eerste alinea, van het Verdrag, van het recht van de burgers van de Unie om te reizen en te verblijven in de zin van artikel 8 A van het Verdrag, en van vrijheid van dienstverrichting in de zin van artikel 59 van het Verdrag, dat een burger van de Unie die de nationaliteit van een lidstaat bezit en in een andere lidstaat verblijft, het recht heeft te verlangen dat een strafzaak tegen hem in een andere taal wordt gevoerd, wanneer dat recht toekomt aan onderdanen van laatstbedoelde lidstaat die zich in dezelfde situatie bevinden?"

12 Met die vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het door een nationale wettelijke regeling toegekende recht te verzoeken om behandeling van een strafzaak in een andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken staat, binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt en derhalve in overeenstemming moet zijn met artikel 6 daarvan. Zo ja, dan wenst de nationale rechter voorts te vernemen, of artikel 6 van het Verdrag in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling als die waarom het hier gaat, die burgers die een bepaalde andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken lidstaat spreken en op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap wonen, het recht toekent te verzoeken om behandeling van de strafzaak in hun taal, wanneer dit recht wordt onthouden aan onderdanen van andere lidstaten die dezelfde taal spreken en op dat grondgebied reizen en verblijven.

Het eerste onderdeel van de vraag

13 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat waar de Gemeenschap is gebaseerd op het beginsel van vrij personenverkeer en vrijheid van vestiging, de bescherming van de rechten en de voorrechten van het individu op taalgebied van bijzonder belang is (arrest van 11 juli 1985, Mutsch, 137/84, Jurispr. blz. 2681, punt 11).

14 Vervolgens zij opgemerkt, dat artikel 6 van het Verdrag, door "elke discriminatie op grond van nationaliteit" te verbieden, verlangt dat personen die zich in een door het gemeenschapsrecht geregelde situatie bevinden, en eigen onderdanen van een lidstaat volkomen gelijk worden behandeld (arrest van 2 februari 1989, Cowan, 186/87, Jurispr. blz. 195, punt 10).

15 Tot de door het gemeenschapsrecht geregelde situaties behoren met name die welke vallen onder het door artikel 59 van het Verdrag verleende recht van vrijheid van dienstverrichting. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof impliceert dit recht, dat degenen te wier behoeve diensten worden verricht, zich met het oog daarop vrijelijk naar een andere lidstaat kunnen begeven (arrest Cowan, reeds aangehaald, punt 15). Derhalve vallen onder artikel 59 alle onderdanen van de lidstaten die zich, zonder gebruik te maken van een andere door het Verdrag gewaarborgde vrijheid, naar een andere lidstaat begeven om aldaar diensten te ontvangen of te kunnen ontvangen. Die onderdanen, waartoe Bickel en Franz behoren, kunnen zich vrijelijk begeven naar en zich verplaatsen in de staat waar de diensten worden ontvangen. Overigens bepaalt artikel 8 A van het Verdrag: "Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld."

16 De mogelijkheid voor de burgers van de Unie om op dezelfde voet als de eigen onderdanen van een staat in een bepaalde taal met de administratieve en gerechtelijke instanties van die staat te communiceren, kan de uitoefening van de vrijheid om in een andere lidstaat te reizen en te verblijven, vergemakkelijken. Hieruit volgt, dat wanneer personen als Bickel en Franz gebruik maken van hun recht in een andere lidstaat te reizen en te verblijven, zij krachtens artikel 6 van het Verdrag er in beginsel recht op hebben, wat het gebruik van de aldaar gebezigde talen betreft, niet anders te worden behandeld dan de onderdanen van die staat.

17 Het strafrecht en het strafprocesrecht - waarvan de in geding zijnde bepalingen betreffende de procestaal deel uitmaken - behoren in het algemeen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, doch het is vaste rechtspraak, dat het gemeenschapsrecht grenzen stelt aan die bevoegdheid. Dergelijke bepalingen mogen namelijk niet leiden tot discriminatie van personen aan wie het gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent, noch de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele vrijheden beperken (zie, in die zin, arrest Cowan, reeds aangehaald, punt 19).

18 Voor zover een nationale wettelijke regeling inzake de voor de strafrechtelijke instanties van een lidstaat te gebruiken procestaal van invloed kan zijn op het recht op gelijke behandeling van de onderdanen van de lidstaten die gebruik maken van hun recht in die staat te reizen en te verblijven, moet zij derhalve in overeenstemming zijn met artikel 6 van het Verdrag.

19 Mitsdien moet op het eerste onderdeel van de gestelde vraag worden geantwoord, dat het door een nationale wettelijke regeling toegekende recht te verzoeken om behandeling van een strafzaak in een andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken staat, binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt en in overeenstemming moet zijn met artikel 6 daarvan.

Het tweede onderdeel van de vraag

20 Om elke met artikel 6 van het Verdrag strijdige discriminatie te vermijden, zouden volgens Bickel en Franz alle burgers van de Unie het recht moeten hebben te verzoeken dat het proces in het Duits wordt gevoerd, wanneer dit recht toekomt aan de burgers van een tot de Unie behorende staat.

21 De Italiaanse regering merkt op, dat het hier bedoelde recht bij uitsluiting is toegekend aan burgers die tot de Duitstalige groep in de provincie Bolzano behoren en in die provincie woonachtig zijn. De in geding zijnde voorschriften hebben tot doel, de etnisch-culturele identiteit van de tot de beschermde minderheid behorende personen te erkennen. Hieruit volgt, dat het recht te verzoeken om het gebruik van de taal van de betrokken etnisch-culturele minderheid, niet moet worden uitgebreid tot onderdanen van een andere lidstaat die zich bij gelegenheid tijdelijk in de betrokken regio ophouden, wanneer zij, ondanks het feit dat zij de officiële taal van de betrokken staat niet machtig zijn, kunnen beschikken over de middelen om zich op passende wijze te verdedigen.

22 De Commissie wijst erop, dat het recht te verzoeken om behandeling van de zaak in het Duits, niet toekomt aan alle personen van Italiaanse nationaliteit, doch enkel aan hen die in de provincie Bolzano woonachtig zijn en behoren tot de groep Duitstaligen in die provincie. Het staat dus aan de nationale rechter om eerst in concreto vast te stellen, of de in geding zijnde regeling een discriminatie op grond van nationaliteit in het leven roept, de groep van personen af te bakenen die daarvan het slachtoffer zijn, en vervolgens na te gaan of die discriminatie door objectieve omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

23 Blijkens de stukken van de zaak houdt de Italiaanse wettelijke regeling het recht te verzoeken dat het proces in het Duits wordt gevoerd, voor aan de Duitstalige burgers van de provincie Bolzano. Duitstalige onderdanen van andere lidstaten, met name van Duitsland en Oostenrijk, zoals Bickel en Franz, die in die provincie reizen of verblijven, kunnen dus niet verlangen dat een strafprocedure in het Duits wordt gevoerd, ofschoon die taal volgens de nationale regels op gelijke voet staat met de Italiaanse taal.

24 In die omstandigheden blijken Duitstalige onderdanen van andere lidstaten die in de provincie Bolzano reizen en verblijven, te worden achtergesteld bij Duitstalige Italiaanse onderdanen die in die provincie wonen. Een in de provincie Bolzano woonachtige Duitstalige Italiaan kan immers, indien hij in die provincie wordt gedagvaard, verlangen dat het proces in het Duits wordt gevoerd, terwijl dit recht wordt onthouden aan een Duitstalige onderdaan van een andere lidstaat die in dezelfde provincie onderweg is.

25 Maar ook indien, zoals de Italiaanse regering betoogt, in de provincie Bolzano woonachtige Duitstalige onderdanen van andere lidstaten daadwerkelijk een beroep op de in geding zijnde wettelijke regeling kunnen doen en er in het Duits kunnen procederen, zodat er geen sprake zou zijn van discriminatie op grond van nationaliteit tussen de inwoners van de regio, dan nog worden Italiaanse onderdanen bevoordeeld boven de onderdanen van andere lidstaten. Immers, de meeste Duitstalige Italiaanse onderdanen kunnen verlangen, dat tijdens de gehele duur van het proces in de provincie Bolzano het Duits wordt gebezigd, omdat zij voldoen aan het woonplaatscriterium van de in geding zijnde wettelijke regeling, terwijl de meeste Duitstalige onderdanen van andere lidstaten niet aan dit criterium voldoen en zich dus niet op het door die regeling verleende recht kunnen beroepen.

26 Hieruit volgt, dat een wettelijke regeling als thans in geding, volgens welke op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap kan worden verlangd dat een strafproces wordt gevoerd in de taal van de belanghebbende, mits deze op dat grondgebied woonachtig is, de eigen onderdanen van de betrokken staat bevoordeelt boven de onderdanen van de andere lidstaten die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer, en derhalve in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 6 van het Verdrag.

27 Een dergelijk woonplaatsvereiste zou enkel gerechtvaardigd kunnen zijn indien het gebaseerd was op objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de legitieme doelstellingen van het nationale recht (zie, in die zin, arrest van 15 januari 1998, Schöning-Kougebetopoulou, C-15/96, Jurispr. blz. I-47, punt 21).

28 Blijkens de verwijzingsbeschikkingen is dit evenwel niet het geval bij de in geding zijnde wettelijke regeling.

29 Het argument van de Italiaanse regering, dat die wettelijke regeling tot doel heeft de in de betrokken provincie woonachtige etnisch-culturele minderheid te beschermen, vormt in de onderhavige context geen geldige reden. De bescherming van een minderheid als die in casu kan stellig een legitiem doel zijn, doch uit de stukken van de zaak blijkt niet, dat uitbreiding van de onderhavige regeling tot Duitstalige onderdanen van andere lidstaten die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer, aan dat doel afbreuk zou doen.

30 Bovendien hebben Bickel en Franz ter terechtzitting onweersproken opgemerkt, dat de betrokken rechterlijke instanties in staat zijn de processen in het Duits te voeren zonder dat dat complicaties of extra kosten zou veroorzaken.

31 Mitsdien moet op het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 6 van het Verdrag in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die burgers die een bepaalde andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken lidstaat spreken en op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap wonen, het recht toekent te verzoeken om behandeling van de strafzaak in hun taal, wanneer dit recht wordt onthouden aan onderdanen van andere lidstaten die dezelfde taal spreken en op dat grondgebied reizen en verblijven.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

32 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Bolzano, sezione distaccata di Silandro, bij beschikkingen van 2 augustus 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:

1) Het door een nationale wettelijke regeling toegekende recht te verzoeken om behandeling van een strafzaak in een andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken staat, valt binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag en moet in overeenstemming zijn met artikel 6 daarvan.

2) Artikel 6 van het Verdrag staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling die burgers die een bepaalde andere taal dan de hoofdtaal van de betrokken lidstaat spreken en op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap wonen, het recht toekent te verzoeken om behandeling van de strafzaak in hun taal, wanneer dit recht wordt onthouden aan onderdanen van andere lidstaten die dezelfde taal spreken en op dat grondgebied reizen en verblijven.

Top