EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61995TJ0066

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 16 april 1997.
Hedwig Kuchlenz-Winter tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Ambtenaren - Dekking door gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering - Van echt gescheiden echtgenoot van gewezen ambtenaar - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Zorgplicht - Vrij verkeer van personen - Gelijke behandeling - Beslissing van nationale rechterlijke instantie houdende verdeling van pensioenrechten - Gevolgen.
Zaak T-66/95.

Jurisprudentie – Ambtenarenrecht 1997 II-00235
Jurisprudentie 1997 II-00637;FP-I-A-00079

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1997:56

61995A0066

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 16 april 1997. - Hedwig Kuchlenz-Winter tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Ambtenaren - Dekking door gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering - Van echt gescheiden echtgenoot van gewezen ambtenaar - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Zorgplicht - Vrij verkeer van personen - Gelijke behandeling - Beslissing van nationale rechterlijke instantie houdende verdeling van pensioenrechten - Gevolgen. - Zaak T-66/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde II-00637
bladzijde IA-00079
bladzijde II-00235


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Ambtenaren - Beroep - Verwerende partij - Beroep, ingesteld door van echt gescheiden echtgenoot van gepensioneerd ambtenaar van Parlement - Voorafgaande vraag van betrokkene aan Commissie betreffende toepassing van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Gemeenschappen - Gedrag van Commissie waardoor bij betrokkene onduidelijkheid wordt gecreëerd ten aanzien van vraag, welke instelling bevoegd is - Ontvankelijkheid van beroep

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2 Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Identiteit van voorwerp en grond - Middelen en argumenten niet vermeld in doch nauw aansluitend bij klacht - Ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

3 Ambtenaren - Zorgplicht van administratie - Grenzen - Uitlegging van statutaire bepaling in strijd met tekst ervan - Ontoelaatbaarheid

4 Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekostenverzekering - Van echt gescheiden echtgenoot van gepensioneerd ambtenaar van de Gemeenschappen, die niet hoedanigheid heeft van werknemer die beroepswerkzaamheid verricht - Overbrenging van woonplaats van betrokkene naar land van oorsprong - Dekking door nationale ziektekostenverzekering van land van oorsprong als gevolg van toepassing van bepalingen inzake vrij verkeer van personen - Uitsluiting - Toepassing van statutaire bepalingen en van nationale wettelijke regeling van land van oorsprong

(EG-Verdrag, art. 8 A; Ambtenarenstatuut, art. 72, lid 1; richtlijnen 90/364 en 90/365 van de Raad)

5 Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekostenverzekering - Voormalige leden van instellingen - Recht op uitkeringen - Voorwaarden - Regeling die verschilt van die welke van toepassing is op ambtenaren - Gelijke behandeling - Schending - Geen

(Verordeningen van de Raad nr. 422/67, nr. 5/67, art. 11, en nr. 2290/77, art. 12, beide zoals gewijzigd bij verordening nr. 2426/91)

6 Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekostenverzekering - Sociaal recht van publieke aard - Personele werkingssfeer - Vaststelling door gemeenschapswetgever - Gevolgen voor aansluiting bij gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van beslissing van nationale rechterlijke instantie waarbij echtscheiding van ambtenaar is uitgesproken en verdeling van pensioenrechten is gelast - Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 77, 78, 79, 80, 81 en 81 bis)

Samenvatting


7 Het beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door de van echt gescheiden echtgenoot van een gepensioneerd ambtenaar van het Parlement, die zich geconfronteerd zag met een handeling die de Commissie hem heeft doen toekomen naar aanleiding van een bij het tot aanstelling bevoegd gezag van deze instelling ingediend verzoek, en waarin de Commissie zich niet beroept op haar onbevoegdheid ter zake, waardoor bij de betrokkene onduidelijkheid is gecreëerd, is ontvankelijk. Wanneer immers een beroep tegen een handeling die is vastgesteld in het kader van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, waar de rol van de Commissie bij het beheer van het gemeenschappelijk stelsel bijzonder belangrijk is, niet-ontvankelijk werd verklaard, zou die handeling aan elke rechterlijke toetsing worden onttrokken en zou de betrokkene verplicht worden om, teneinde zijn recht op toegang tot de rechter te kunnen uitoefenen, een nieuw verzoek in te dienen bij het Parlement.

8 In beroepen van ambtenaren moeten de voor de gemeenschapsrechter geformuleerde conclusies hetzelfde voorwerp hebben als die welke in de voorafgaande administratieve klacht zijn geformuleerd, en kunnen zij slechts bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als de in de klacht aangevoerde bezwaren, ook al kunnen deze bezwaren in het stadium van het beroep worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijk in de klacht voorkomen, maar er wel nauw bij aansluiten.

9 In het kader van haar zorgplicht kan de administratie aan een gemeenschapsbepaling geen uitlegging geven die in strijd is met de nauwkeurige termen van deze bepaling.

10 Het probleem van de nationale ziektekostendekking die de van echt gescheiden echtgenoot van een gepensioneerd ambtenaar van de Gemeenschappen, die niet de hoedanigheid heeft van werknemer die een beroepswerkzaamheid verricht in de zin van, onder meer, de richtlijnen 90/364 en 90/365, nodig heeft om zich daadwerkelijk in zijn land van herkomst te kunnen vestigen, kan niet in verband worden gebracht met het beginsel van vrij verkeer, zoals dit is neergelegd in het Verdrag en tot uitvoering is gebracht door het afgeleide recht. Nu de sociale-zekerheidsstelsels in de Gemeenschap niet zijn geharmoniseerd, wordt deze kwestie uitsluitend beheerst door, enerzijds, de relevante bepalingen van het Statuut, inzonderheid artikel 72, lid 1, ervan, en, anderzijds, de toepasselijke wettelijke regeling van het land van oorsprong.

Het in artikel 8 A van het Verdrag bedoelde recht op vrij verkeer in de Gemeenschap is immers onderworpen aan de beperkingen en voorwaarden die zijn vastgesteld bij, onder meer, het afgeleide recht. Uit de bepalingen van het afgeleide recht die betrekking hebben op de uitoefening van het verblijfsrecht, inzonderheid uit de richtlijnen 90/364 en 90/365, blijkt duidelijk, dat voor personen die niet de hoedanigheid hebben van werknemer die een beroepswerkzaamheid verricht, die uitoefening het bestaan van een ziektekostenverzekering in het gastland onderstelt.

In het geval van dergelijke personen is het bestaan van een ziektekostenverzekering in het gastland bijgevolg een door het afgeleide gemeenschapsrecht gestelde voorwaarde voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer, en niet een consequentie van dit recht.

11 Er is sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer twee categorieën van personen waarvan de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld, of wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld.

Verordening nr. 2426/91 is niet in strijd met het beginsel van gelijke behandeling voor zover zij, in afwijking van de behandeling die de van echt gescheiden echtgenoot van een gepensioneerd ambtenaar van de Gemeenschappen ten deel valt, de personen waarop zij betrekking heeft, de mogelijk biedt om, wanneer zij hun ambt hebben neergelegd, onder bepaalde voorwaarden de dekking van het gemeenschappelijk stelsel te blijven genieten. Immers, als gevolg van de aan hun mandaat verbonden voorwaarden is de band die de in genoemde verordening bedoelde personen met de Gemeenschap hebben, anders dan bij de ambtenaren het geval is, in de tijd beperkt. Ingeval die personen na afloop van hun mandaatsperiode niet een andere beroepswerkzaamheid gaan verrichten op grond waarvan zij door een openbare ziektekostenverzekering kunnen worden gedekt, kunnen zij ingevolge de nieuwe redactie van artikel 11 van verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom, respectievelijk artikel 12 van verordening nr. 2290/77, zoals deze is komen te luiden als gevolg van artikel 1 van verordening nr. 2426/91, aanspraak blijven maken op de dekking van het gemeenschappelijk stelsel. Met dit voorrecht wordt beoogd, de nadelen te verzachten die de betrokkenen ondervinden van het feit dat zij wegens hun mandaat bij de gemeenschapsinstellingen hun eerdere beroepswerkzaamheid hebben afgebroken.

12 Daar het recht op de dekking van het gemeenschappelijk stelsel een sociaal recht van publieke aard is, behoort de vaststelling van de werkingssfeer van dit recht tot de bevoegdheid van de gemeenschapswetgever.

Een beslissing van een rechterlijke instantie van een Lid-Staat, die is gegeven krachtens een nationale wettelijke regeling op het gebied van echtscheiding en waarbij een verdeling van de pensioenrechten is gelast, heeft als zodanig geen gevolgen voor de aansluiting bij een stelsel van ziektekostenverzekering, aangezien zij enkel betrekking heeft op de pensioenrechten.

Partijen


In zaak T-66/95,

H. Kuchlenz-Winter, van echt gescheiden echtgenote van een gewezen ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Kehlen (Luxemburg), vertegenwoordigd door D. Rogalla, advocaat te Sprockhövel, domicilie gekozen hebbende te Bereldange (Luxemburg) ten kantore van A. Machmer, advocaat aldaar, Rue Roger Barthel 1,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar en J. Curall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg

verweerster,

betreffende, primair, een verzoek om vast te stellen, dat de Commissie verplicht is verzoekster de dekking van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering te blijven garanderen, en dat zij gebruik dient te maken van haar recht om bij de Raad een voorstel in te dienen, teneinde ervoor te zorgen dat personen in de situatie van verzoekster de mogelijkheid krijgen, bij dat stelsel aangesloten te blijven, en subsidiair, een verzoek om de Duitse regering attent te maken op de leemte in de nationale regeling op het gebied van de ziektekostenverzekering, en haar te vragen de nodige maatregelen te nemen om die leemte op te vullen,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Saggio, president, V. Tiili en R. M. Moura Ramos, rechters,

griffier: A. Mair, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 november 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten en de procedure

1 Verzoekster, van Duitse nationaliteit, trad in 1956 in dienst van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: "EGKS") te Luxemburg. In 1957 trad zij in het huwelijk met de heer Kuchlenz, eveneens van Duitse nationaliteit, en in 1958 werd zij overgeplaatst naar de Commissie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: "Euratom") te Brussel. Haar echtgenoot was in de tussentijd ambtenaar van het Europees Parlement geworden en werd in 1963 overgeplaatst naar Luxemburg. Verzoekster gaf toen haar ambt op en vergezelde haar echtgenoot naar Luxemburg. Zij heeft in totaal iets meer dan zeven jaar voor de Gemeenschappen gewerkt.

2 Vanaf het moment waarop verzoekster haar ambt opgaf, was zij niet langer in eigen naam aangesloten bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor de instellingen van de Europese Gemeenschappen (hierna: "gemeenschappelijk stelsel"), maar bleef zij verzekerd uit hoofde van haar als ambtenaar aangesloten echtgenoot.

3 Bij arrest van 10 december 1993, definitief geworden op 1 april daaraanvolgend, sprak de Cour d'appel de Luxembourg de echtscheiding tussen verzoekster en de heer Kuchlenz uit. Na die uitspraak kwamen de echtgenoten overeenkomstig de bepalingen van het Bürgerliche Gesetzbuch (hierna: "BGB") volgens welke in geval van echtscheiding verevening van pensioenrechten moet plaatsvinden (§§ 1587 e.v. BGB), overeen, het door Kuchlenz van de Gemeenschap ontvangen ouderdomspensioen te delen. Bij akte van 5 januari 1995 bekrachtigde het Tribunal de paix de Luxembourg deze overeenkomst.

4 Overeenkomstig artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), waarin is bepaald dat de van echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar onder bepaalde voorwaarden aanspraak op de ziektekostendekking kan blijven maken gedurende een periode van maximaal één jaar vanaf de datum waarop de echtscheiding definitief is geworden, bleef verzoekster de uitkeringen van het gemeenschappelijk stelsel genieten.

5 Blijkens het dossier heeft verzoekster als inwoonster van Luxemburg recht op aansluiting bij het Luxemburgse wettelijke stelsel van sociale zekerheid. Daarentegen heeft zij geen recht op aansluiting bij het Duitse wettelijke stelsel van sociale zekerheid, daar zij in Duitsland niet het daartoe vereiste aantal verzekeringstijdvakken heeft vervuld. Zij voldoet evenmin aan de voorwaarden voor vrijwillige aansluiting bij dat stelsel, en aangezien zij aan een ernstige ziekte lijdt, weigeren de particuliere ziektekostenverzekeraars haar te verzekeren. De sociale dekking die zij in Luxemburg geniet, is hoe dan ook afhankelijk van de voorwaarde, dat zij in dat land woonachtig is. Dit betekent volgens verzoekster, dat zij haar woonplaats niet naar Duitsland kan overbrengen, aangezien zij daar geen sociale dekking zou genieten en zij bij vertrek uit Luxemburg de enige ziektekostendekking waarop zij thans aanspraak heeft, zou verliezen.

6 Op 7 februari 1994 verzocht verzoekster het Parlement - de instelling waarvan haar ex-echtgenoot ambtenaar was geweest - en de Commissie overeenkomstig artikel 90 van het Statuut, haar de mogelijkheid te bieden om ook na het verstrijken van de in artikel 72 van het Statuut gestelde termijn van één jaar aangesloten te blijven bij het gemeenschappelijk stelsel. Toen het tot de Commissie gerichte verzoek stilzwijgend was afgewezen, diende verzoekster op 26 juli 1994 overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut een klacht tegen dat besluit in.

7 Bij schrijven van 26 april 1994 deelde het afwikkelingsbureau in Luxemburg verzoekster mee, dat zij met ingang van 1 april 1995, één jaar na de datum van haar echtscheiding, niet langer bij het gemeenschappelijk stelsel zou zijn aangesloten.

8 Bij schrijven van 11 januari 1995 wees de Commissie de klacht van 26 juli 1994 af. Op 24 februari 1995 heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

9 Op dezelfde datum heeft verzoekster ook een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat bij beschikking van de president van het Gerecht van 10 april 1995 is afgewezen (zaak T-66/95 R, Kuchlenz-Winter, JurAmbt. 1995, blz. II-287).

Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

- vast te stellen dat de Commissie verplicht is, verzoekster de ziektekostendekking van het gemeenschappelijk stelsel te blijven garanderen;

- de Commissie te gelasten gebruik te maken van haar recht om bij de Raad een voorstel in te dienen, teneinde ervoor te zorgen dat personen in de situatie van verzoekster de mogelijkheid krijgen, bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven;

- subsidiair, de Duitse regering attent te maken op de leemte in de nationale regeling op het gebied van de ziektekostenverzekering, en haar te vragen de nodige maatregelen te nemen om die leemte op te vullen;

- de Commissie in de kosten te verwijzen.

De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren;

- verzoekster in alle kosten te verwijzen.

De ontvankelijkheid

Middelen en argumenten van partijen

10 In haar verweerschrift voert de Commissie drie middelen van niet-ontvankelijkheid aan: 1) het beroep had moeten worden ingesteld tegen het Parlement en niet tegen de Commissie; 2) toewijzing van het door verzoekster gevorderde zou betekenen, dat het Gerecht bevelen geeft aan de Commissie, dat het zich in abstracto uitspreekt over de wettigheid van een algemeen voorschrift en dat het zich tot een Lid-Staat richt, en 3) de brief van 26 april 1994 is niet een voor beroep vatbaar besluit.

11 Tot staving van het eerste middel voert de Commissie drie argumenten aan. Zij merkt in de eerste plaats op, dat met het beroep wordt beoogd, dat verzoekster de dekking van het gemeenschappelijk stelsel kan blijven genieten. Die dekking kan haar echter enkel worden verleend uit hoofde van haar ex-echtgenoot, die als ambtenaar een ouderdomspensioen van het Parlement ontvangt en nooit ambtenaar van de Commissie is geweest. Alleen het Parlement kan zich dus over een dergelijk verzoek uitspreken.

12 De Commissie beklemtoont in de tweede plaats, dat verzoekster haar beroep ook baseert op het feit, dat zij ingevolge de echtscheidingsbeslissing een eigen recht op de helft van het pensioen van haar ex-echtgenoot heeft verworven, zodat zij de facto de hoedanigheid van gepensioneerd ambtenaar van het Parlement heeft. Uit dien hoofde wenst zij aanspraak te blijven maken op de ziektekostendekking van het gemeenschappelijk stelsel, en niet op grond van haar hoedanigheid van gewezen ambtenaar van de Commissie van Euratom.

13 De Commissie stelt in de laatste plaats, dat de omstandigheid dat volgens de regeling die op het gemeenschappelijk stelsel van toepassing is, dit stelsel wordt beheerd door de Commissie, als gevolg waarvan de brief van het afwikkelingsbureau van 26 april 1994 het stempel van een administratieve eenheid van de Commissie draagt, niet betekent, dat een beroep dat gericht is tegen de handelingen van het bureau, kan worden ingesteld tegen deze instelling. Het beroep moet integendeel worden ingesteld tegen de instelling waarvan de verzoeker ambtenaar is, aan welke hoedanigheid hij zijn aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel te danken heeft. In casu betekent dit, dat verzoekster, die verzekerd is geweest uit hoofde van de hoedanigheid van ambtenaar van het Parlement van haar ex-echtgenoot, en die deze verzekering voortgezet wenst te zien, haar beroep moet instellen tegen deze instelling. Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat verzoekster overeenkomstig artikel 90, leden 1 en 2, van het Statuut een verzoek respectievelijk een klacht heeft ingediend bij het Parlement, dat het verzoek en de klacht wegens ongegrondheid heeft afgewezen en zich dus ter zake bevoegd heeft geacht.

14 In antwoord op dit middel stelt verzoekster, dat in geval van besluiten van organen die voor alle ambtenaren van de Gemeenschap zijn ingesteld, het niet uitmaakt, tegen welke instelling het beroep wordt ingesteld. In elk geval heeft de Commissie, als gevolg van de stemverhoudingen en op grond van haar politieke positie, een doorslaggevende invloed in die organen. Zoals in de desbetreffende bepalingen is vastgelegd, treedt de Commissie bovendien op als instantie die voor de gemeenschappelijke organen verantwoordelijk is. Zij wekt derhalve de schijn, dat zij verantwoordelijk is - wat ook wordt bevestigd door het gebruik van haar stempel - en moet derhalve accepteren, dat zij verantwoordelijk wordt gehouden. Overigens kan aan het feit dat het Parlement verzoeksters klacht heeft beantwoord, niet de door de Commissie gewenste consequentie worden verbonden, aangezien de Commissie zelf ook de tot haar gerichte klacht heeft beantwoord.

15 Verzoekster stelt voorts, dat de Commissie zich tot staving van haar stelling, dat het beroep niet-ontvankelijk is, niet kan beroepen op de hoedanigheid uit hoofde waarvan verzoekster het beroep heeft ingesteld. De betrokken bepalingen van het Statuut zijn gericht tot alle ambtenaren en hun gezinsleden. Bovendien is verzoeksters ex-echtgenoot, anders dan de Commissie beweert, wel degelijk ambtenaar van deze instelling geweest, aangezien hij gedurende tien jaar werkzaam is geweest voor Euratom en voor de Hoge Autoriteit van de EGKS, welke instellingen later zijn opgegaan in de Commissie.

16 Met haar tweede middel stelt de Commissie, dat verzoeksters conclusies, zoals zij in het verzoekschrift zijn geformuleerd, niet-ontvankelijk zijn. Het door verzoekster in repliek gedane verzoek, dat ertoe strekt de formulering van haar conclusies tot de mondelinge behandeling uit te stellen, is onrechtmatig, aangezien het volgens artikel 44, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering aan de partij en niet aan het Gerecht is om de conclusies te formuleren. Met het eerste onderdeel van haar petitum vraagt verzoekster niet, dat een bepaald besluit van de Commissie ongedaan wordt gemaakt, maar verlangt zij van het Gerecht, dat het de Commissie beveelt verzoekster in de gelegenheid te stellen, ook na het verstrijken van de in het Statuut bepaalde termijn bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven. Het is echter vaste rechtspraak, dat de gemeenschapsrechter niet zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratief gezag een gemeenschapsinstelling bevelen kan geven (arresten Gerecht van 20 mei 1994, zaak T-510/93, Obst, JurAmbt. 1994, blz. II-461, r.o. 27, en 10 april 1992, zaak 15/91, Bollendorf, Jurispr. 1992, blz. II-1679, r.o. 57). Het Gerecht kan evenmin de Commissie ertoe verplichten, te handelen in strijd met de dwingende bepalingen van het Statuut (arrest Hof van 21 november 1989, gevoegde zaken C-41/88 en C-178/88, Becker en Starquit, Jurispr. 1989, blz. 3807).

17 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het petitum, betreffende de uitoefening van haar recht om voorstellen in te dienen bij de Raad, merkt de Commissie op, dat alleen zij bevoegd is zich uit te spreken over de noodzaak een dergelijk recht uit te oefenen (arrest Gerecht van 17 oktober 1990, zaak T-134/89, Hettrich e.a., Jurispr. 1990, blz. II-565, r.o. 22). Dit onderdeel van het petitum is dus niet-ontvankelijk. Het is eveneens niet-ontvankelijk voor zover het onderstelt, dat het Gerecht zich in abstracto uitspreekt over de wettigheid van een voorschrift van algemene strekking (arresten Gerecht van 12 juli 1991, zaak T-110/89, Pincherle, Jurispr. 1991, blz. II-635, r.o. 30, en 25 februari 1992, zaak T-41/90, Barassi, Jurispr. 1992, blz. II-159, r.o. 38, en zaak T-42/90, Bertelli, Jurispr. 1992, blz. II-181, r.o. 38).

18 De Commissie stelt in de laatste plaats, dat het derde onderdeel van het petitum eveneens niet-ontvankelijk is, daar het Gerecht niet bevoegd is een Lid-Staat attent te maken op een bijzondere rechtssituatie.

19 In antwoord op dit tweede middel vraagt verzoekster het Gerecht om, gelet op het feit dat zij inmiddels een beroep wegens nalaten tegen de Commissie heeft ingesteld, de maatregelen te nemen die nodig zijn om de formulering van de conclusies uit te stellen tot de mondelinge behandeling.

20 Met haar derde middel van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie, dat de brief van 26 april 1994 niet een voor beroep vatbaar besluit is en dat bovendien uit verzoeksters conclusies niet blijkt, dat zij de nietigverklaring verlangt van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van haar verzoek van 7 februari 1994, of van het besluit van 26 april 1994. Volgens vaste rechtspraak kan echter enkel een handeling waardoor de rechtspositie van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk wordt geraakt, als een hem bezwarende handeling worden beschouwd (beschikking Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich, Jurispr. 1991, blz. II-235, r.o. 35, en arrest Gerecht van 3 april 1990, zaak T-135/89, Pfloeschner, Jurispr. 1990, blz. II-153, r.o. 11). In de betrokken brief heeft het afwikkelingsbureau verzoekster enkel meegedeeld, met ingang van welke datum zij niet langer bij het gemeenschappelijk stelsel zou zijn aangesloten. Dit was een rechtstreeks gevolg van artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut, waarin is bepaald dat de dekking van de van echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar één jaar na de echtscheiding automatisch eindigt. Hiertoe was dus geen besluit van het afwikkelingsbureau vereist en er is dan ook geen sprake van een verzoekster bezwarende handeling. Gesteld overigens dat de brief van 26 april 1994 wél een voor beroep vatbaar besluit was, dan lijkt verzoekster zich volgens de Commissie niet te hebben gehouden aan de termijn van drie maanden voor de indiening van de klacht, die namelijk op 9 augustus 1994 is ingeschreven.

21 In antwoord op dit middel stelt verzoekster, dat haar klacht gericht was tegen de stilzwijgende afwijzing van het verzoek dat zij op 7 februari 1994 overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut had ingediend. Aangezien het vier maanden duurde voordat haar verzoek stilzwijgend werd afgewezen, heeft zij haar klacht binnen de gestelde termijn ingediend. Voor het geval voor de berekening van de termijn waarbinnen de klacht moest zijn ingediend, de brief van 26 april 1994 in aanmerking zou moeten worden genomen, moet volgens verzoekster in elk geval worden uitgegaan van de datum van het op de klacht aangebrachte poststempel, te weten 21 juli 1994, en niet van die van het stempel dat erop werd aangebracht bij ontvangst door de Commissie, te weten 26 juli 1994.

Beoordeling door het Gerecht

22 Om uit te maken, of het beroep ontvankelijk is, moet allereerst het voorwerp ervan worden vastgesteld en, bijgevolg, het tweede door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid worden onderzocht. Dienaangaande zij erop gewezen, dat met het eerste onderdeel van het in het verzoekschrift geformuleerde petitum wordt beoogd, dat verzoekster ook na het verstrijken van de in artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut gestelde termijn de dekking van het gemeenschappelijk stelsel kan blijven genieten.

23 Toen verzoekster haar beroep instelde, was zij in het bezit van de brief van de Commissie van 26 april 1994, waarin haar werd meegedeeld dat haar dekking door dat stelsel weldra zou ophouden, en was het door haar op 7 februari 1994 overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut ingediende verzoek om die dekking te laten voortduren, stilzwijgend afgewezen. Bovendien had verzoekster op 26 juli 1994 een klacht tegen die twee handelingen ingediend, die door de Commissie was afgewezen.

24 Gelet op het voorgaande is het Gerecht van mening, dat het eerste onderdeel van het petitum, strekkende tot vaststelling dat verzoekster recht heeft op de dekking van het gemeenschappelijk stelsel, aldus moet worden verstaan, dat het strekt tot nietigverklaring van bovengenoemde handelingen alsmede van het besluit tot afwijzing van de klacht van 26 juli 1994, aangezien dit besluit niet een loutere bevestiging van de eerdere handelingen is.

25 Dit onderdeel van het petitum kan bijgevolg niet niet-ontvankelijk worden verklaard op de gronden die de Commissie in het kader van haar tweede middel aanvoert.

26 Wat de overige onderdelen van het petitum betreft, moet de Commissie in het gelijk worden gesteld. Met betrekking tot het tweede onderdeel, waarin het Gerecht wordt verzocht, de Commissie te gelasten gebruik te maken van haar initiatiefrecht, kan worden volstaan met de vaststelling, dat volgens vaste rechtspraak de gemeenschapsrechter geen bevelen kan geven aan een gemeenschapsinstelling (arrest Gerecht van 30 november 1995, zaak T-507/93, Branco, JurAmbt. 1995, blz. II-797, r.o. 49). Ten aanzien van het derde onderdeel zij eraan herinnerd, dat het Gerecht niet bevoegd is zich uit te spreken over het gedrag van een Lid-Staat (zie arrest Hof van 15 maart 1984, zaak 28/83, Forcheri, Jurispr. 1984, blz. 1425).

27 Het tweede middel dat de Commissie tegen de ontvankelijkheid van het beroep aanvoert, moet bijgevolg gedeeltelijk worden aanvaard en het tweede en het derde onderdeel van het petitum moeten niet-ontvankelijk worden verklaard.

28 Met betrekking tot het eerste middel, volgens hetwelk het beroep had moeten worden ingesteld tegen het Parlement, zij in de eerste plaats opgemerkt, dat verzoekster met het opgeven van haar ambt bij de Commissie van Euratom in 1963 haar hoedanigheid van gemeenschapsambtenaar was kwijtgeraakt en dat zij de dekking van het gemeenschappelijk stelsel genoot uit hoofde van haar ex-echtgenoot, gepensioneerd ambtenaar van het Parlement. Op 7 februari 1994 diende zij overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut bij deze instelling een verzoek in om bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te mogen blijven, welk verzoek werd afgewezen.

29 Op dezelfde datum richtte zij een identiek verzoek tot de Commissie, dat door de diensten van deze instelling werd ingeschreven op 14 februari 1994. Dit verzoek leidde tot een stilzwijgende afwijzing. In de tussentijd ontving verzoekster bovengenoemde brief van 26 april 1994, waarop een stempel was aangebracht met de tekst "Commission européenne/RCAM". Vervolgens, op 26 juli 1994, diende zij een klacht in bij de Commissie, waarin zij zich onder meer beriep op de zorgplicht van de instelling. Die klacht werd afgewezen bij besluit van 21 december 1994, aan verzoekster ter kennis gebracht op 11 januari 1995.

30 Het Gerecht stelt in de tweede plaats vast, dat zowel het verzoek van 7 februari 1994 als de klacht van 26 juli 1994 gericht was tot het tot aanstelling bevoegd gezag van de Commissie en dat de Commissie in haar afwijzing van de klacht nergens stelde, dat zij niet de bevoegde instelling was en dat verzoekster zich tot het Parlement had moeten richten. Zij ging integendeel in op verzoeksters argumenten, daaronder begrepen dat betreffende de zorgplicht, en wees deze gemotiveerd van de hand.

31 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster zich geconfronteerd zag met een handeling die de Commissie haar had doen toekomen naar aanleiding van een bij het tot aanstelling bevoegd gezag van deze instelling ingediend verzoek, en waarin de Commissie zich nergens beriep op haar onbevoegdheid ter zake. Deze situatie, die te wijten is aan het gedrag van de Commissie, heeft bij verzoekster zo veel onduidelijkheid gecreëerd, dat het haar niet kwalijk kan worden genomen, dat zij beroep heeft ingesteld tegen de handeling van de Commissie (zie arrest Hof van 30 september 1975, zaak 50/74, Asmussen e.a., Jurispr. 1975, blz. 1003, r.o. 16).

32 Bovendien blijkt uit de artikelen 16 tot en met 20 van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat de Commissie een bijzonder belangrijke rol speelt bij het beheer van het gemeenschappelijk stelsel.

33 In deze omstandigheden is het onaanvaardbaar, dat verzoekster in haar beroep tegen een dergelijke handeling niet kan worden ontvangen op grond dat deze afkomstig is van de Commissie, omdat anders de handeling aan elke toetsing zou worden onttrokken en verzoekster verplicht zou worden om, teneinde haar recht op toegang tot de rechter te kunnen uitoefenen, een nieuw verzoek in te dienen bij het Parlement.

34 Wat ten slotte het derde middel van niet-ontvankelijkheid betreft, is het Gerecht de mening toegedaan, dat in de bestreden handeling de op verzoeksters situatie toepasselijke bepalingen worden uitgelegd. Juist zoals uit deze handeling voortvloeit, dat aan verzoeksters ziektekostendekking door het gemeenschappelijk stelsel een einde zal komen met het verstrijken van de in artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut bepaalde termijn van één jaar, zou de eventuele nietigverklaring ervan verzoekster in staat stellen, bij dat stelsel aangesloten te blijven. Bijgevolg is de bestreden handeling, anders dan de Commissie stelt, een handeling waardoor verzoekster wordt bezwaard en waartegen dus krachtens artikel 91 van het Statuut beroep kan worden ingesteld.

35 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste onderdeel van het petitum, zoals uitgelegd in rechtsoverweging 24 van dit arrest, ontvankelijk is.

Ten gronde

36 Verzoekster voert tot staving van haar beroep vier middelen aan. De eerste drie hebben betrekking op schending van de zorgplicht, van het beginsel van vrij verkeer van personen en van het gelijkheidsbeginsel; het vierde is ontleend aan het feit, dat zij ingevolge de beslissing waarbij haar echtscheiding is uitgesproken, een eigen recht op pensioen heeft.

Het eerste middel: schending van de zorgplicht

Argumenten van partijen

37 Met haar eerste middel stelt verzoekster dat, gelet op de hopeloze situatie waarin zij verkeert, de Commissie ingevolge de op haar rustende zorgplicht gehouden is, haar de mogelijkheid te bieden bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven. Aan de zorgplicht moet aldus gestalte worden gegeven, dat de gevolgen worden ondervangen van de omstandigheid dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel, en gelet op de ernstige ziekte waaraan verzoekster lijdt, heeft zij er recht op dat die zorgplicht wordt nagekomen. Verzoekster bestrijdt de bewering van de Commissie, dat de zorgplicht haar grenzen vindt in de geldende regels, hetgeen zou beletten dat de door haar gevraagde maatregel wordt toegestaan. Volgens verzoekster wordt het kader van de zorgplicht gevormd door "de wet en het recht", zodat de vaststelling van een handeling in de door haar gewenste zin mogelijk is.

38 In antwoord op dit eerste middel stelt de Commissie om te beginnen, dat het niet-ontvankelijk is, voor zover het in deze vorm voor het eerst in het verzoekschrift is aangevoerd. In de klacht werd de zorgplicht door verzoekster enkel genoemd in verband met het recht van een bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten persoon om, zodra de dekking van dat stelsel ophoudt, te worden opgenomen in het in zijn land van herkomst geldende wettelijk stelsel van ziektekostenverzekering.

39 De Commissie betoogt in de tweede plaats, dat verzoekster genereus is behandeld, voor zover zij gedurende één jaar vanaf de datum waarop haar echtscheiding definitief was geworden, bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten kon blijven. Daar zij in aanmerking kwam voor vergoedingen krachtens het Luxemburgse stelsel van ziektekostenverzekering, had zij er gezien het bepaalde in artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut niet eens recht op, na haar echtscheiding bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven. De Commissie is dan ook van mening, dat zij de zorgplicht niet heeft geschonden. Overigens is de betrokken bepaling zelf een uiting van de op de instellingen rustende zorgplicht.

40 De Commissie stelt in de derde plaats, dat de zorgplicht haar grenzen vindt in de geldende regels (arresten Gerecht van 17 juni 1993, zaak T-65/92, Arauxo-Dumay, Jurispr. 1993, blz. II-597, r.o. 36 en 37, en 27 maart 1990, zaak T-123/89, Chomel, Jurispr. 1990, blz. II-131, r.o. 32). Bijgevolg is het voor haar onmogelijk, verzoekster bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te laten blijven, omdat zij anders zou afwijken van de dwingende bepaling van artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut. Deze bepaling moet bovendien volgens de rechtspraak restrictief worden uitgelegd (arrest Gerecht van 8 maart 1990, zaak T-41/89, Schwedler, Jurispr. 1990, blz. II-78, r.o. 23).

41 De Commissie besluit haar betoog met de opmerking, dat waar verzoekster haar verzoek om bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te mogen blijven, baseert op haar hoedanigheid van ex-echtgenote van een voormalig ambtenaar van het Parlement, de vraag, of de zorgplicht is geschonden, enkel met betrekking tot deze instelling kan worden gesteld.

Beoordeling door het Gerecht

42 Het Gerecht is om te beginnen van oordeel, dat dit middel in aanmerking dient te worden genomen. Immers, volgens vaste rechtspraak kunnen de voor de gemeenschapsrechter geformuleerde conclusies weliswaar slechts bezwaren bevatten die op dezelfde grond berusten als die welke in de klacht zijn geformuleerd, doch deze bezwaren kunnen voor de gemeenschapsrechter worden gepreciseerd door middelen en argumenten die niet noodzakelijk in de klacht voorkomen, maar er wel nauw bij aansluiten (arresten Gerecht van 8 juni 1995, zaak T-496/93, Allo, JurAmbt. 1995, blz. II-405, r.o. 26; 6 juli 1995, zaak T-36/93, Ojha, JurAmbt. 1995, blz. II-497, r.o. 56, en 12 maart 1996, zaak T-36/94, Weir, JurAmbt. 1996, blz. II-381, r.o. 28). Dit was in casu het geval, aangezien reeds in de klacht een beroep was gedaan op de zorgplicht en enkel de door verzoekster aan deze plicht verbonden consequenties in het verzoekschrift zijn gewijzigd.

43 Wat vervolgens de gegrondheid van het middel betreft, zij eraan herinnerd, dat de zorgplicht haar grenzen vindt in de geldende regels en, in het bijzonder, dat een verzoeker niet met een beroep op de zorgplicht van een instelling aanspraak kan maken op een ander resultaat dan uit duidelijke bepalingen voortvloeit (arrest Arauxo-Dumay, reeds aangehaald, r.o. 37). Waar verzoeksters verzoek ertoe strekt, dat haar de mogelijkheid wordt geboden om ook na het verstrijken van de in artikel 72, lid 1 ter, van het Statuut gestelde termijn bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven, kan de zorgplicht er niet toe leiden, dat deze regel, waarvan verzoekster de duidelijkheid niet betwist, buiten toepassing wordt gelaten. Dit middel moet dus van de hand worden gewezen.

Het tweede middel: schending van het beginsel van vrij verkeer van personen

Argumenten van partijen

44 Met haar tweede middel stelt verzoekster, dat haar recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap ernstig wordt beperkt doordat zij zich niet in Duitsland kan vestigen, aangezien zij bij vertrek uit Luxemburg de enige ziektekostendekking waarop zij thans aanspraak heeft, zou verliezen. Ook al geldt, zoals de Commissie in haar verweerschrift in herinnering brengt, voor bepaalde categorieën van personen een bijzondere regeling, die hun verdergaande rechten toekent, het bestaan van dergelijke regelingen kan geen beletsel vormen voor een beroep op het beginsel van vrij verkeer. Het is met dit beginsel in strijd, dat iemand als verzoekster wordt belet zijn woonplaats over te brengen naar zijn land van herkomst, omdat hij alsdan door bijzondere omstandigheden niet over een passende ziektekostendekking zou kunnen beschikken.

45 De Commissie brengt tegen dit middel in, dat het vrij verkeer van personen die, zoals verzoekster, geen beroepswerkzaamheid uitoefenen, wordt geregeld door de richtlijnen 90/364/EEG, 90/365/EEG en 90/366/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende, respectievelijk, het verblijfsrecht, het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd, en het verblijfsrecht van studenten (PB 1990, L 180, blz. 26, 28 en 30). Al deze regelingen stellen de toekenning van het verblijfsrecht afhankelijk van de voorwaarde, dat de betrokkene in het gastland over een ziektekostenverzekering beschikt. Bovendien ligt de oorzaak van verzoeksters probleem in de Duitse wetgeving; noch verweerster noch het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering kan verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen van die wetgeving.

Beoordeling door het Gerecht

46 Vooraf moet worden vastgesteld, dat verzoekster niet stelt het slachtoffer te zijn van een Duitse wettelijke bepaling waardoor haar recht om in Duitsland te verblijven, wordt beperkt. Dit recht hangt overigens, gelijk het Hof heeft erkend, rechtstreeks samen met haar Duitse nationaliteit (arrest van 7 juli 1992, zaak C-370/90, Singh, Jurispr. 1992, blz. I-4265, r.o. 22). Dit betekent, dat zij in Duitsland geen enkele beperking ondervindt van het feit dat zij in het verleden in een ander land heeft gewoond en aldaar een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend.

47 Voor zover verzoekster evenwel betoogt, dat de omstandigheid dat zij zich in Duitsland niet tegen ziektekosten kan verzekeren een beperking van haar recht op vrij verkeer oplevert, zij eraan herinnerd dat, zoals artikel 8 A EG-Verdrag bepaalt, dit recht is onderworpen aan de beperkingen en voorwaarden die zijn vastgesteld bij, onder meer, het afgeleide recht. Uit de bepalingen van het afgeleide recht die betrekking hebben op de uitoefening van het verblijfsrecht, inzonderheid uit de richtlijnen 90/364 en 90/365, blijkt duidelijk, dat voor personen die, zoals verzoekster, niet de hoedanigheid hebben van werknemer die een beroepswerkzaamheid verricht, die uitoefening het bestaan van een ziektekostenverzekering in het gastland onderstelt.

48 In het geval van dergelijke personen is het bestaan van een ziektekostenverzekering bijgevolg een door het afgeleide gemeenschapsrecht gestelde voorwaarde voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer, en niet, zoals verzoekster beweert, een consequentie van dit recht. Verzoekster kan dus niet uit hoofde van de betrokken richtlijnen aanspraak maken op sociale dekking, in casu in het kader van het gemeenschappelijk stelsel, teneinde elke praktische belemmering voor haar terugkeer naar het land waarvan zij de nationaliteit heeft, uit de weg te ruimen.

49 Met betrekking tot de consequenties die verzoekster wil verbinden aan het feit dat zij niet door het Duitse stelsel van sociale zekerheid wordt gedekt, moet bovendien worden opgemerkt, dat verzoekster, aangezien zij tijdens haar werkzame leven nooit aangesloten is geweest bij een stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat, buiten de personele werkingssfeer valt van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2). Zij kan derhalve aan deze verordening geen rechten ontlenen.

50 Een en ander betekent, dat het probleem inzake de ziektekostendekking die verzoekster nodig heeft om zich daadwerkelijk in haar land van herkomst te kunnen vestigen, niet in verband kan worden gebracht met het beginsel van vrij verkeer, zoals dit is neergelegd in het Verdrag en tot uitvoering is gebracht door het afgeleide recht. Nu de sociale-zekerheidsstelsels in de Gemeenschap niet zijn geharmoniseerd, wordt deze kwestie uitsluitend beheerst door, enerzijds, de hiervóór onderzochte (zie inzonderheid r.o. 43) relevante bepalingen van het Statuut en, anderzijds, het ter zake toepasselijke nationale recht, in casu het Duitse.

51 In deze omstandigheden moet dit middel worden afgewezen.

Het derde middel: schending van het gelijke behandeling

Argumenten van partijen

52 In het kader van het derde middel stelt verzoekster, dat de weigering om haar de mogelijkheid te bieden bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten te blijven, in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de voormalige leden van de Commissie, het Hof van Justitie, het Gerecht van eerste aanleg en de Rekenkamer aanspraak kunnen blijven maken op de ziektekostendekking van dat stelsel, wanneer zij niet door een andere openbare ziektekostenverzekering worden gedekt. Deze regeling moet bij analogie worden toegepast op verzoekster, die niet wordt gedekt door een ziektekostenverzekering in haar land van herkomst en zich dus in dezelfde situatie bevindt als de voormalige leden van de genoemde instellingen.

53 In antwoord op dit middel stelt de Commissie allereerst, dat er geen sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien verzoekster niet beweert anders te zijn behandeld dan een andere van echt gescheiden echtgenoot van een bij het gemeenschappelijk stelsel aangesloten ambtenaar. Vervolgens merkt zij op, dat de omstandigheid dat de gewezen leden van de instellingen, op wier positie verzoekster zich beroept, aangesloten zijn, verband houdt met de door hen vervulde ambten en met het feit dat hun mandaat in de tijd beperkt is. De situatie van verzoekster, die verzekerd was uit hoofde van de hoedanigheid van ambtenaar van haar ex-echtgenoot, is dus niet vergelijkbaar met die van de betrokken leden. De Commissie stelt tot slot, dat juist de eis van verzoekster, die verlangt dat artikel 72 van het Statuut buiten toepassing wordt gelaten, ertoe strekt, dat verzoekster anders wordt behandeld dan andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

Beoordeling door het Gerecht

54 De door verzoekster gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling is gebaseerd op het feit dat verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2426/91 van de Raad van 29 juli 1991 tot wijziging van verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de voorzitter en de leden van de Commissie, de president, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie en de president, de leden en de griffier van het Gerecht van eerste aanleg, en van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (PB 1991, L 222, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2426/91"), de personen waarop zij betrekking heeft, de mogelijk biedt om, wanneer zij hun ambt hebben neergelegd, onder bepaalde voorwaarden de dekking van het gemeenschappelijk stelsel te blijven genieten.

55 Volgens vaste rechtspraak is er sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling, wanneer twee categorieën van personen waarvan de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld, of wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld (arrest Gerecht van 15 maart 1994, zaak T-100/92, La Pietra, JurAmbt. 1994, blz. II-275, r.o. 50).

56 Dienaangaande zij erop gewezen, dat als gevolg van de aan hun mandaat verbonden voorwaarden, de band die de in verordening nr. 2426/91 bedoelde personen met de Gemeenschap hebben, anders dan bij de ambtenaren het geval is, in de tijd beperkt is. Ingeval die personen na afloop van hun mandaatsperiode niet een andere beroepswerkzaamheid gaan verrichten op grond waarvan zij door een openbare ziektekostenverzekering kunnen worden gedekt, kunnen zij ingevolge de nieuwe redactie van artikel 11 respectievelijk artikel 12 van de gewijzigde verordeningen, zoals deze is komen te luiden als gevolg van artikel 1 van verordening nr. 2426/91, aanspraak blijven maken op de dekking van het gemeenschappelijk stelsel. Met dit voorrecht wordt derhalve beoogd, de nadelen te verzachten die de betrokkenen ondervinden van het feit dat zij wegens hun mandaat bij de gemeenschapsinstellingen hun eerdere beroepswerkzaamheid hebben afgebroken.

57 Aangezien de ambtenaren een andersoortige band met de instellingen hebben, wat tot uitdrukking komt in het feit dat deze band niet in de tijd beperkt is, is de situatie van de ambtenaren niet dezelfde als die van de personen waarop verordening nr. 2426/91 betrekking heeft. Het door die verordening ingevoerde verschil in regeling is bijgevolg niet in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.

Het vierde middel, ontleend aan het feit dat verzoekster een eigen recht op pensioen heeft

Argumenten van partijen

58 Met haar laatste middel stelt verzoekster, dat zij een eigen recht op de helft van het ouderdomspensioen van haar ex-echtgenoot heeft. Dit recht vloeit voort uit de Duitse wet, die in geval van echtscheiding verdeling van de door de echtgenoten verworven pensioenrechten voorschrijft, en is haar toegekend bij het arrest van de Luxemburgse rechterlijke instantie die de echtscheiding heeft uitgesproken. Verzoekster stelt dus, dat zij recht heeft op een communautair pensioen, en leidt hieruit af, dat de Commissie gehouden is haar onder de dekking van het gemeenschappelijk stelsel te laten vallen, zoals dat is bepaald voor de overige personen die een ouderdomspensioen ontvangen.

59 De Commissie bestrijdt dit middel met de stelling, dat verzoekster niet een eigen recht op pensioen in de zin van het Statuut heeft, doch krachtens een door de bevoegde Luxemburgse rechterlijke instantie gewezen arrest jegens haar ex-echtgenoot een aanspraak op verdeling van de pensioenrechten heeft. Het feit dat deze een pensioen ontvangt van het Parlement, betekent niet, dat zijn ex-echtgenote een eigen recht op een communautair pensioen heeft. Bovendien voldoet verzoekster, die haar ambt bij Euratom meer dan dertig jaar geleden heeft neergelegd, noch aan de op het gebied van pensioenrechten geformuleerde voorwaarden, noch aan die waaraan moet zijn voldaan om in eigen naam onder de dekking van het gemeenschappelijk stelsel te vallen.

Beoordeling door het Gerecht

60 Naar het oordeel van het Gerecht strekt dit middel ertoe, dat aan verzoekster de hoedanigheid van rechthebbende op een communautair pensioen wordt toegekend, op grond dat in de beslissing waarbij haar echtscheiding is uitgesproken, de verdeling is gelast van de pensioenrechten die haar ex-echtgenoot in eigen naam heeft verworven. Deze uitlegging komt er in feite op neer, dat een beslissing van een nationale rechterlijke instantie, gegeven krachtens een nationale wettelijke regeling op het gebied van echtscheiding, tot gevolg zou kunnen hebben, dat een hoedanigheid wordt toegekend die wordt verkregen overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

61 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat een dergelijke hoedanigheid in casu wordt uitgesloten door de bepalingen van het Statuut. Om te beginnen omvat het begrip ambtenaar die recht heeft op een ouderdomspensioen, zoals dit voortvloeit uit, inzonderheid, de artikelen 77 en 88 van het Statuut, niet degenen die, zoals verzoekster - die slechts van 1956 tot 1963 ambtenaar is geweest - niet tien dienstjaren hebben vervuld.

62 Wat vervolgens het begrip rechthebbende op een overlevingspensioen betreft, volgt uit de artikelen 79 tot en met 81 bis van het Statuut duidelijk, dat dit het overlijden van de echtgenoot of de ex-echtgenoot van de rechthebbende onderstelt, aan welke voorwaarde in casu evenmin is voldaan.

63 Uit genoemde bepalingen van het Statuut volgt, dat voor het ontstaan van een recht op pensioen is vereist, dat de ambtenaar gedurende een minimumperiode bijdragen heeft betaald. In het geval van een ouderdomspensioen is die bijdrage rechtstreeks betaald door degene die het pensioen ontvangt; in het geval van een overlevingspensioen heeft de rechthebbende, de overgebleven echtgenoot of de ex-echtgenoot van de ambtenaar die bijdragen heeft betaald, aanspraak op de door deze verworven rechten. De feiten van de onderhavige zaak laten duidelijk zien, dat dit niet de situatie is van verzoekster, die derhalve, gelet op de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht, geen recht op pensioen heeft.

64 Het zou derhalve in strijd zijn met de bepalingen van het Statuut, wanneer aan de beslissing waarbij verzoeksters echtscheiding is uitgesproken, het door haar gewenste effect werd toegekend, omdat dan een feitelijke situatie waarop die bepalingen niet van toepassing zijn, tot de werkingssfeer ervan zou worden gerekend. Daar het recht op de dekking van het gemeenschappelijk stelsel een sociaal recht van publieke aard is, behoort de vaststelling van de werkingssfeer van dit stelsel tot de bevoegdheid van de gemeenschapswetgever (arrest Hof van 12 december 1989, zaak C-163/88, Kontogeorgis, Jurispr. 1989, blz. 4189, r.o. 11). Een nationale beslissing kan dus niet een dergelijk recht doen ontstaan.

65 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat voor zover verzoekster verlangt, dat aan een rechterlijke beslissing waarbij toepassing is gegeven aan een bepaling van Duits recht, bepaalde gevolgen worden toegekend op het terrein van het gemeenschapsrecht, het Gerecht dient te onderzoeken, wat met die bepaling wordt beoogd. Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat het effect dat verzoekster aan de betrokken beslissing toegekend wenst te zien, niet in overeenstemming is met hetgeen wordt beoogd met de Duitse bepaling volgens welke in geval van echtscheiding de door de echtgenoten verworven pensioenrechten moeten worden verdeeld. Het enige doel van deze bepaling is, dat de echtgenoot die niet zelf bijdragen aan een pensioenstelsel heeft betaald, een deel van de door de andere echtgenoot verworven pensioenrechten verkrijgt. Dit wordt in casu verzekerd door de gemeenschapsinstellingen, aangezien het Parlement ingevolge de echtscheidingsbeslissing een deel van het pensioen van verzoeksters ex-echtgenoot rechtstreeks aan verzoekster uitkeert.

66 De betrokken Duitse bepaling heeft daarentegen als zodanig geen gevolgen voor de aansluiting bij een stelsel van ziektekostenverzekering, aangezien zij enkel betrekking heeft op de pensioenrechten. Het effect dat verzoekster aan die bepaling toegekend wenst te zien, is dus niet noodzakelijk ter verwezenlijking van hetgeen met de bepaling, en met de nationale rechterlijke beslissing waarbij de bepaling is toegepast, wordt beoogd, en staat hoe dan ook los van de bepaling.

67 In deze omstandigheden dient dit middel eveneens van de hand te worden gewezen, zodat het beroep moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

68 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het beroep evenwel strekt tot nietigverklaring van een handeling waarbij een einde wordt gemaakt aan rechten die verzoekster aan het Statuut ontleende wegens het feit dat zij gehuwd was met een ambtenaar, moet ten aanzien van de kosten artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast, bepalende dat in gedingen tussen de instellingen en hun personeelsleden, de door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste blijven.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.

Top