EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61995CJ0392

Arrest van het Hof van 10 juni 1997.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Onderdanen van derde landen - Visum - Wetgevingsprocedure - Raadpleging van Europees Parlement.
Zaak C-392/95.

European Court Reports 1997 I-03213

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1997:289

61995J0392

Arrest van het Hof van 10 juni 1997. - Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie. - Onderdanen van derde landen - Visum - Wetgevingsprocedure - Raadpleging van Europees Parlement. - Zaak C-392/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-03213


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Handelingen van de instellingen - Totstandkomingsprocedure - Reguliere raadpleging van Parlement - Wezenlijk vormvoorschrift - Nieuwe raadpleging in geval van wezenlijke wijziging van oorspronkelijk voorstel - Bekendheid van standpunt van Parlement - Geen relevantie

2 Harmonisatie van wetgevingen - Uniforme wetgevingen - Visumplicht voor onderdanen van derde landen - Verordening nr. 2317/95 - Wezenlijke verschillen ten opzichte van oorspronkelijke voorstel van Commissie - Geen hernieuwde raadpleging van Parlement - Schending van wezenlijke vormvoorschriften - Onwettigheid

(EEG-Verdrag, art. 100 C; verordening nr. 2317/95 van de Raad)

3 Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Gevolgen - Beperking door Hof - Plicht van Raad om wezenlijke onregelmatigheid die oorzaak was van nietigverklaring, binnen redelijke termijn te herstellen

(EG-Verdrag, art. 173 en 174, tweede alinea)

Samenvatting


4 De reguliere raadpleging van het Parlement in de gevallen waarin het Verdrag dat verlangt, vormt een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-naleving tot nietigheid van de betrokken handeling leidt. De daadwerkelijke deelneming van het Parlement aan de communautaire regelgeving volgens de hiertoe in het Verdrag neergelegde procedures is immers een wezenlijk bestanddeel van het door het Verdrag gewilde institutionele evenwicht. Deze bevoegdheid is de afspiegeling van een democratisch grondbeginsel, volgens hetwelk de volkeren door tussenkomst van een representatieve vergadering aan de machtsuitoefening deelnemen.

Het vereiste dat het Parlement in de door het Verdrag voorziene gevallen in de loop van de wetgevingsprocedure wordt geraadpleegd, impliceert, dat steeds een nieuwe raadpleging moet volgen, wanneer de uiteindelijk vastgestelde regeling, in haar geheel beschouwd, wezenlijk afwijkt van die waarover het Parlement reeds werd geraadpleegd, uitgezonderd de gevallen waarin de wijzigingen in hoofdzaak beantwoorden aan door het Parlement zelf te kennen gegeven verlangens.

De instelling die de definitieve tekst vaststelt kan zich niet aan deze verplichting onttrekken, op grond dat zij voldoende zou zijn ingelicht omtrent het standpunt van het Parlement betreffende de betrokken essentiële punten, aangezien hierdoor de daadwerkelijke deelneming van het Parlement aan de communautaire regelgeving, die essentieel is voor het door het Verdrag gewilde institutionele evenwicht, in gevaar zou komen, en de invloed, die de reguliere raadpleging van het Parlement op de vaststelling van de betrokken handeling kan hebben, zou worden miskend.

5 Bij vergelijking van het voorstel van de Commissie dat ten grondslag ligt aan verordening nr. 2317/95, met de verordening zelf, blijkt ten aanzien van de aanwijzing van de derde landen waarvan de onderdanen in het bezit van een visum dienen te zijn bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten, en de ter zake op te stellen gemeenschappelijke lijst, dat het voorstel van de Commissie ervan uitging dat er na 30 juni 1996 nog slechts één dergelijke lijst bestond, met een limitatieve opsomming van de derde landen waarvan de onderdanen aan een visumplicht zijn onderworpen, terwijl ingevolge de verordening de Lid-Staten hun lijst van niet in de gemeenschappelijke lijst genoemde derde landen waarvan de onderdanen visumplichtig zijn, gedurende onbepaalde tijd kunnen handhaven.

Deze wijziging is wezenlijk. Zij raakt het systeem van de hele ontwerpregeling en had derhalve, waar het een door artikel 100 C van het Verdrag beheerste wetgevingsprocedure betreft, aanleiding moeten zijn voor een nieuwe raadpleging van het Parlement. Het feit dat deze niet heeft plaatsgevonden, vormt een schending van wezenlijke vormvoorschriften, die tot nietigverklaring van verordening nr. 2317/95 moet leiden.

6 De noodzaak om een onderbreking in de harmonisatie van de nationale visumregelingen te voorkomen, waartoe de nietigverklaring - wegens het verzuim van de verplichting tot reguliere raadpleging van het Parlement - van verordening nr. 2317/95 ter bepaling van de derde Staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum, zou leiden, alsmede belangrijke redenen van rechtszekerheid, rechtvaardigen dat het Hof gebruik maakt van de in artikel 174, tweede alinea, van het Verdrag voor het geval van nietigverklaring van een verordening uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid om de gevolgen van de nietig verklaarde verordening voorlopig te handhaven totdat de Raad een nieuwe verordening heeft vastgesteld, waarbij deze de verplichting heeft om de begane onregelmatigheid binnen een redelijke termijn te herstellen.

Partijen


In zaak C-392/95,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Schoo, afdelingshoofd bij de juridische dienst, en J.-L. Rufas Quintana, hoofdadministrateur bij deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué, directeur bij de juridische dienst, en M. Bishop, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,

verweerder,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij dezelfde directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,

interveniënte,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2317/95 van de Raad van 25 september 1995 ter bepaling van de derde Staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum (PB 1995, L 234, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, G. F. Mancini en J. L. Murray, kamerpresidenten, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), C. Gulmann, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, G. Hirsch, P. Jann, M. Wathelet en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: N. Fennelly

griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 4 februari 1997,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 december 1995, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 173 EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2317/95 van de Raad van 25 september 1995 ter bepaling van de derde Staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum (hierna: "verordening").

2 De verordening is gebaseerd op artikel 100 C EG-Verdrag en vindt haar oorsprong in een voorstel voor een verordening ter bepaling van de derde staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum, dat de Commissie op 10 december 1993 bij de Raad heeft ingediend (PB 1994, C 11, blz. 15).

3 De tekst van dit voorstel luidt als volgt:

"De Raad van de Europese Unie,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 110 C,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende dat artikel 100 C van het Verdrag de Gemeenschap de verplichting oplegt de derde landen aan te wijzen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit van een visum moeten zijn; dat uit de plaats van dit artikel in het Verdrag blijkt dat het een integrerend onderdeel van de bepalingen betreffende de interne markt vormt;

Overwegende dat het optreden van de Gemeenschap, overeenkomstig de derde alinea van artikel 3 B van het Verdrag, niet verder gaat dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken; dat de wederzijdse erkenning door de Lid-Staten van visa die door de andere Lid-Staten zijn afgegeven - welke noodzakelijk is om aan artikel 100 C zijn volle uitwerking te geven - een zeer belangrijke begeleidende maatregel is met het oog op de verwezenlijking van het in artikel 7 A gestelde doel op het gebied van het vrije verkeer van personen;

Overwegende dat de derde landen dienen te worden ingedeeld volgens hun politieke en economische situatie en volgens hun betrekkingen met de Gemeenschap en de Lid-Staten, waarbij rekening dient te worden gehouden met de graad van harmonisatie die op het niveau van de Lid-Staten is bereikt;

Overwegende dat artikel 100 C ten doel heeft de regelgeving en de feitelijke gedragingen van de Lid-Staten in dit verband te harmoniseren; dat onderlinge verschillen tussen de regelgeving en de gedragingen van de Lid-Staten bij wijze van overgangsmaatregel voor een beperkte termijn dienen te worden toegestaan, mits zij geen aanleiding geven tot controles die strijdig zijn met artikel 7 A; dat dient te worden bepaald dat deze overgangsregeling op 30 juni 1996 verstrijkt en dat de Raad vóór die datum ten aanzien van elk derde land zal beslissen of voor de onderdanen ervan een visumplicht dient te gelden dan wel of zij daarvan dienen te worden vrijgesteld;

Overwegende dat maatregelen die de Lid-Staten in het kader van deze overgangs- en uitzonderingsregeling nemen, met het oog op een doorzichtige toepassing van de regeling en een tijdige voorlichting van de betrokkenen, aan de overige Lid-Staten en de Commissie ter kennis dienen te worden gebracht; dat deze gegevens om dezelfde redenen ook in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen dienen te worden bekendgemaakt;

Overwegende dat de in artikel 1, lid 3, van deze verordening bedoelde gegevens dienen te worden bekendgemaakt voordat artikel 1, leden 1 en 2, en artikel 2 van toepassing worden; dat het daarom noodzakelijk is de toepassing van die bepalingen uit te stellen tot een maand na de inwerkingtreding van de verordening,

heeft de volgende verordening vastgesteld:

Artikel 1

1. Onderdanen van de derde landen die in de bijlage bij deze verordening zijn opgenomen, dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit van een visum te zijn.

2. Tot 30 juni 1996 beslissen de Lid-Staten zelf of zij al dan niet een visumplicht opleggen aan onderdanen van derde landen die niet in de bijlage zijn opgenomen. Vóór die datum besluit de Raad voor elk van die landen volgens de in artikel 100 C beschreven procedure of wel tot opneming in de bijlage, of wel tot vrijstelling van de onderdanen ervan van elke visumplicht.

3. Binnen tien werkdagen na de inwerkingtreding van deze verordening delen de Lid-Staten aan de overige Lid-Staten en de Commissie mede welke maatregelen zij uit hoofde van lid 2 hebben genomen. Alle nieuwe maatregelen uit hoofde van lid 2 dienen eveneens binnen vijf werkdagen te worden medegedeeld. De Commissie maakt de overeenkomstig dit lid medegedeelde gegevens bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 2

Een Lid-Staat heeft niet het recht een visumplicht op te leggen van een persoon die zijn buitengrenzen wil overschrijden en die houder is van een visum dat door een andere Lid-Staat is afgegeven, wanneer dat visum geldig is voor de gehele Gemeenschap.

Artikel 3 (...)

Artikel 4 (...)"

4 De Raad heeft het Europees Parlement over het voorstel van de Commissie geraadpleegd bij brief van 11 januari 1994. Het Europees Parlement heeft in zijn wetgevingsresolutie houdende advies van het Europees Parlement van 21 april 1994 (PB 1994, C 128, blz. 350), veertien amendementen voorgesteld en verzocht, opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens zou zijn ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie.

5 In amendement nr. 3 werd erop aangedrongen, dat de op de negatieve lijst te plaatsen derde landen zouden worden aangewezen volgens duidelijke, objectieve en openbaar gemaakte criteria en dat het de Lid-Staten niet vrij zou staan een visumplicht op te leggen aan de onderdanen van landen die om objectieve redenen niet op die lijst waren geplaatst. De amendementen nrs. 5 en 15 bevatten definities van de verschillende, in het verordeningsvoorstel genoemde soorten visa. In amendement nr. 7 werd de periode verkort waarbinnen de Lid-Staten konden beslissen om al dan niet een visumplicht voor onderdanen van niet op de in bijlage opgenomen lijst vermelde derde landen in te voeren, en werd erop aangedrongen, dat het Parlement over elke bijwerking van die lijst zou worden geraadpleegd. Amendement nr. 8 verscherpte het verbod voor de Lid-Staten om een visum te eisen van een persoon die een uniform visum of een door een andere Lid-Staat verstrekte machtiging bezat en die kort verblijf wilde houden op zijn grondgebied. In de amendementen nrs. 9 en 10 ten slotte werd voorgesteld, de voorwaarden voor de afgifte van de visa te specificeren en te voorzien in een beroepsmogelijkheid in geval van weigering van de afgifte van een visum.

6 De verordening is op 25 september 1995 door de Raad vastgesteld. Zij luidt als volgt:

"de Raad van de Europese Unie

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 C,

Gezien het voorstel van de Commissie (...)

Gezien het advies van het Europees Parlement (...)

Overwegende dat artikel 100 C van het Verdrag de Raad de verplichting oplegt de derde Staten aan te wijzen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum;

Overwegende dat de opstelling van de in de bijlage bij deze verordening vervatte gemeenschappelijk lijst een belangrijke stap is naar de harmonisatie van het visumbeleid; dat artikel 7 A, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap met name bepaalt dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag; dat de verdere elementen van de harmonisatie van het visumbeleid, waaronder de voorwaarden voor afgifte van visa, in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden vastgesteld;

Overwegende dat bij de opstelling van de in de bijlage vervatte gemeenschappelijke lijst vooral rekening gehouden moet worden met risico's op het gebied van veiligheid en illegale immigratie; dat daarnaast ook de internationale betrekkingen van de Lid-Staten met derde landen een rol spelen;

Overwegende dat in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie de principes dienen te worden vastgesteld volgens welke een Lid-Staat van een persoon die de wens te kennen geeft zijn buitengrenzen te overschrijden geen visum mag eisen indien de betrokkene beschikt over een door een andere Lid-Staat afgegeven visum dat in overeenstemming is met de geharmoniseerde vereisten voor de afgifte van visa en dat in de gehele Gemeenschap geldig is, of wanneer de betrokkene beschikt over een door een andere Lid-Staat afgegeven passend document;

(...)

Overwegende dat bij de toevoeging van nieuwe eenheden op deze lijst rekening moet worden gehouden met de diplomatieke gevolgen daarvan en met de door de Europese Unie ter zake aangenomen richtsnoeren; dat de opneming van een derde land op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage bij deze verordening de volkenrechtelijke status van dat land hoe dan ook onverlet laat;

Overwegende dat het bepalen van de derde landen waarvan de onderdanen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit van een visum dienen te zijn, geleidelijk moet geschieden; dat de Lid-Staten voortdurend streven naar harmonisatie van hun visumbeleid jegens derde Staten die niet voorkomen op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage; dat de totstandbrenging van het vrije verkeer van personen overeenkomstig artikel 7 A van het Verdrag hierdoor onverlet blijft; dat de Commissie na vijf jaar een verslag opstelt over de bereikte mate van harmonisatie;

Overwegende dat de Lid-Staten, met het oog op een doorzichtige toepassing van de regeling en op de voorlichting van de betrokkenen, de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis moeten stellen van de door hen in het kader van deze verordening vastgestelde maatregelen; dat om dezelfde redenen de desbetreffende gegevens ook moeten worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen;

Overwegende dat de in artikel 2, lid 4, en artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde gegevens dienen te worden bekendgemaakt voordat de andere voorschriften van toepassing worden; dat artikel 2, lid 4, en artikel 4, lid 2, derhalve vóór de overige bepalingen van de verordening van toepassing dienen te zijn,

heeft de volgende verordening vastgesteld:

Artikel 1

1. Onderdanen van de derde Staten die op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage bij deze verordening zijn opgenomen, dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit van een visum te zijn.

2. Onderdanen van Staten welke ontstaan zijn uit Staten die voorkomen op de gemeenschappelijke lijst in de bijlage bij deze verordening, zijn aan de bepalingen van lid 1 onderworpen totdat de Raad volgens de procedure van artikel 100 C van het Verdrag anders besluit.

Artikel 2

1. De Lid-Staten beslissen over de visumplicht voor onderdanen van derde Staten die niet in de gemeenschappelijke lijst zijn opgenomen.

2. De Lid-Staten beslissen over de visumplicht voor statenlozen en personen met een vluchtelingenstatus.

3. De Lid-Staten beslissen over de visumplicht voor personen die een paspoort of een reisdocument tonen dat is afgegeven door een territoriale eenheid of autoriteit die niet door alle Lid-Staten als Staat wordt erkend, indien deze territoriale eenheid of autoriteit niet voorkomt op de gemeenschappelijke lijst.

4. Binnen tien werkdagen na de inwerkingtreding van dit lid delen de Lid-Staten aan de overige Lid-Staten en de Commissie mee welke maatregelen zij uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 hebben genomen. Alle nieuwe maatregelen uit hoofde van lid 1 dienen eveneens binnen vijf werkdagen te worden meegedeeld.

De Commissie zal de overeenkomstig dit lid meegedeelde en bijgewerkte maatregelen ter informatie bekendmaken in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening stelt de Commissie een verslag op over de stand van de harmonisatie van het visumbeleid van de Lid-Staten jegens derde Staten die niet voorkomen op de gemeenschappelijke lijst en dient zij bij de Raad zo nodig voorstellen in voor de maatregelen die daarnaast nog noodzakelijk zijn om de in artikel 100 C beoogde harmonisatie te verwezenlijken.

Artikel 4 (...) Artikel 5 (...)

Artikel 6

Deze verordening staat een verdere harmonisatie, die meer inhoudt dan de gemeenschappelijke lijst, tussen de afzonderlijke Lid-Staten bij de bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij het overschrijden van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, niet in de weg.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking zes maanden na haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van artikel 2, lid 4, en artikel 4, lid 2, die de dag volgende op de bekendmaking in werking treden."

De nietigverklaring van de verordening

7 Tot staving van zijn beroep stelt het Europees Parlement schending van zijn recht op deelneming aan het communautaire wetgevingsproces als gevolg van het verzuim van de Raad om het Parlement vóór de vaststelling van de betrokken verordening een tweede maal te raadplegen. Deze hernieuwde raadpleging in het kader van de procedure van artikel 100 C van het Verdrag zou noodzakelijk zijn, wanneer de door de Raad vastgestelde tekst, zoals in casu het geval is, ingrijpende wijzigingen bevat ten opzichte van het voorstel van de Commissie.

8 In dit verband stelt het Parlement primair, dat terwijl volgens artikel 1, lid 2, van het voorstel van de Commissie vóór 30 juni 1996 een definitieve lijst zou worden opgesteld van landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Gemeenschap in het bezit van een visum moeten zijn, artikel 2 van de verordening de Lid-Staten toestaat te beslissen, of zij de onderdanen van niet in de gemeenschappelijke lijst opgenomen derde landen al dan niet een visumplicht opleggen. Het nieuwe systeem dat is aanvaard, leidt er voorts toe, dat er naast een expliciete lijst, te weten die van de bijlage bij de verordening, impliciete lijsten zijn, aangezien elke Lid-Staat een eigen lijst kan opstellen. Daarmee zou de verordening afwijken van de doelstelling van harmonisatie op het gebied van visa, zoals neergelegd in artikel 100 C van het Verdrag.

9 In de tweede plaats merkt het Parlement op, dat de lijst van landen zoals die in de bijlage bij het voorstel luidde, in de verordening aanzienlijk is beperkt, aangezien de Raad het aantal daarop voorkomende derde landen heeft teruggebracht van 126 tot 98.

10 In de derde plaats ten slotte stelt het Parlement, dat artikel 2 van het voorstel van de Commissie, betreffende de onderlinge erkenning van door de Lid-Staten afgegeven visa, is geschrapt. Bovendien wordt in de tweede en de vierde overweging van de considerans van de verordening gezegd, dat deze elementen van de harmonisatie van het visumbeleid onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen.

11 De Raad, ondersteund door de Franse regering, betoogt in de eerste plaats, dat artikel 2, lid 1, van de verordening enkel de strekking van het voorstel van de Commissie verduidelijkt. Volgens dat voorstel stond het iedere Lid-Staat vrij om, in afwachting van een beslissing van de Raad over de niet in de bijlage opgenomen derde landen, al dan niet een visumplicht op te leggen aan onderdanen van die landen. De Raad voegt eraan toe, dat het enige verschil tussen het voorstel en de verordening in dit opzicht de langere overgangsperiode van de verordening is, waarin de Lid-Staten bevoegd blijven ten aanzien van visumverplichtingen voor onderdanen van niet op de gemeenschappelijke lijst voorkomende derde landen.

12 In de tweede plaats stelt de Raad, dat de gemeenschappelijke lijst van derde landen slechts op enkele punten is gewijzigd; er zijn drie landen toegevoegd en de landen die zijn geschrapt, zijn voormalige koloniën van bepaalde Lid-Staten, vanwaar de migratiestromen gering zijn.

13 In de derde plaats ten slotte merkt de Raad op, dat het voorstel van de Commissie niet voorzag in de onderlinge erkenning van visa. Artikel 2 van het voorstel bepaalde slechts, dat een Lid-Staat een door een andere Lid-Staat afgegeven visum moest erkennen wanneer het voor de gehele Gemeenschap geldig was, doch regelde niet de voorwaarden waaronder een visum geldig was voor de gehele Gemeenschap. Aangezien deze bepaling slechts declaratoire waarde had, diende zij uit een oogpunt van rechtsduidelijkheid te worden geschrapt.

14 Er zij aan herinnerd, dat de reguliere raadpleging van het Parlement in de gevallen waarin het Verdrag dat verlangt, een wezenlijk vormvoorschrift vormt, waarvan de niet-naleving tot nietigheid van de betrokken handeling leidt. De daadwerkelijke deelneming van het Parlement aan de communautaire regelgeving volgens de hiertoe in het Verdrag neergelegde procedures is immers een wezenlijk bestanddeel van het door het Verdrag gewilde institutionele evenwicht. Deze bevoegdheid is de afspiegeling van een democratisch grondbeginsel, volgens hetwelk de volkeren door tussenkomst van een representatieve vergadering aan de machtsuitoefening deelnemen (zie, bijvoorbeeld, arrest van 5 juli 1995, zaak C-21/94, Parlement/Raad, Jurispr. 1995, blz. I-1827, r.o. 17).

15 Volgens vaste rechtspraak impliceert het vereiste dat het Parlement in de door het Verdrag voorziene gevallen in de loop van de wetgevingsprocedure wordt geraadpleegd, dat steeds een nieuwe raadpleging moet volgen wanneer de uiteindelijk vastgestelde regeling, in haar geheel beschouwd, wezenlijk afwijkt van die waarover het Parlement reeds werd geraadpleegd, uitgezonderd de gevallen waarin de wijzigingen in hoofdzaak beantwoorden aan door het Parlement zelf te kennen gegeven verlangens (zie arresten van 1 juni 1994, zaak C-388/92, Parlement/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-2067, r.o. 10, en 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 38).

16 Derhalve dient te worden onderzocht, of de door het Parlement genoemde wijzigingen al dan niet het wezen van de regeling in haar geheel beschouwd betreffen.

17 Het voorstel van de Commissie waarover het Parlement zijn advies heeft uitgebracht, bepaalde in artikel 1, lid 1, dat onderdanen van de derde landen die op een in bijlage opgenomen lijst waren vermeld, bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit van een visum dienden te zijn. Volgens artikel 1, lid 2, konden de Lid-Staten tot 30 juni 1996 besluiten, een visumplicht in te voeren voor onderdanen van derde landen die niet waren genoemd in de lijst bedoeld in het eerste lid. De Raad diende vóór die datum te besluiten, ofwel tot opneming van elk van die landen in deze lijst, ofwel tot vrijstelling van de onderdanen ervan van elke visumplicht.

18 De verordening daarentegen bepaalt in artikel 2, lid 1, dat de Lid-Staten beslissen over de visumplicht voor onderdanen van derde staten die niet in de gemeenschappelijke lijst zijn opgenomen.

19 Bij vergelijking van het voorstel van de Commissie met de verordening blijkt, dat de aanwijzing door de Lid-Staten van de niet in de gemeenschappelijke lijst genoemde derde landen waarvan de onderdanen in het bezit van een visum dienen te zijn, niet langer is gebonden aan de tijdslimiet vermeld in artikel 1, lid 2, van het voorstel.

20 Terwijl het voorstel van de Commissie ervan uitging, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 28 van zijn conclusie, dat er na 30 juni 1996 nog slechts een gemeenschappelijke lijst bestond, met een limitatieve opsomming van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit van een visum dienden te zijn, kunnen ingevolge de verordening de Lid-Staten hun lijst van niet in de gemeenschappelijke lijst genoemde derde landen waarvan de onderdanen aan een visumplicht zijn onderworpen, gedurende onbepaalde tijd handhaven. Deze wijzigingen raken de kern van de ontwerpregeling en moeten daarom als wezenlijk worden aangemerkt.

21 De Raad is niettemin van mening, dat zelfs ingeval de uiteindelijk vastgestelde tekst, in zijn geheel beschouwd, wezenlijk afwijkt van die waarover het Parlement was geraadpleegd, hij deze instelling niet opnieuw behoeft te raadplegen, wanneer hij, zoals in casu, voldoende is ingelicht omtrent het standpunt van het Parlement over de aan de orde zijnde essentiële punten.

22 De reguliere raadpleging van het Parlement in de door het Verdrag voorziene gevallen vormt echter een van de middelen waardoor het Parlement in staat is daadwerkelijk aan het communautaire wetgevingsproces deel te nemen (zie, onder meer, arrest van 5 juli 1995, Parlement/Raad, reeds aangehaald, r.o. 26). Indien het standpunt van de Raad werd aanvaard, zou deze wezenlijke deelneming aan de handhaving van het door het Verdrag beoogde institutionele evenwicht ernstig in gevaar komen en de invloed die de reguliere raadpleging van het Parlement op de vaststelling van de betrokken handeling kan hebben, worden miskend.

23 Aangezien genoemde wijziging, die het systeem van het voorstel in zijn geheel raakt, volstaat om een nieuwe raadpleging van het Parlement te verlangen, behoeven de andere argumenten van het Parlement niet te worden onderzocht.

24 Mitsdien vormt het feit dat het Parlement niet een tweede keer is geraadpleegd in het kader van de wetgevingsprocedure van artikel 100 C van het Verdrag, een schending van wezenlijke vormvoorschriften, die tot nietigverklaring van de verordening moet leiden.

De handhaving van de gevolgen van de verordening

25 In zijn verweerschrift heeft de Raad het Hof verzocht om in geval van nietigverklaring de gevolgen van de verordening te handhaven totdat hij een nieuwe regeling heeft vastgesteld. Het Parlement heeft ter zake niets gesteld.

26 Aan dit verzoek dient te worden voldaan. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft betoogd, rechtvaardigen de noodzaak om een onderbreking in de harmonisatie van de nationale visumregelingen te voorkomen, alsook belangrijke redenen van rechtszekerheid, dat het Hof gebruik maakt van de in artikel 174, tweede alinea, EG-Verdrag voor het geval van nietigverklaring van een verordening uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid om de gevolgen van de nietig verklaarde verordening te handhaven totdat de Raad een nieuwe verordening heeft vastgesteld.

27 Hierbij dient echter te worden aangetekend, dat de Raad verplicht is de begane onregelmatigheid binnen een redelijke termijn te herstellen (arrest van 5 juli 1995, Parlement/Raad, reeds aangehaald, r.o. 33).

Beslissing inzake de kosten


Kosten

28 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Ingevolge artikel 69, lid 4, eerste alinea, zal de Franse Republiek, die in het geding is tussengekomen, haar eigen kosten dragen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1) Verklaart nietig verordening (EG) nr. 2317/95 van de Raad van 25 september 1995 ter bepaling van de derde Staten waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten in het bezit moeten zijn van een visum.

2) Verstaat dat de gevolgen van de nietig verklaarde verordening gehandhaafd blijven totdat de Raad van de Europese Unie een nieuwe regeling ter zake heeft vastgesteld.

3) Verwijst de Raad in de kosten.

4) Verstaat dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.

Top