EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61995CJ0254

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juli 1996.
Europees Parlement tegen Angelo Innamorati.
Hogere voorziening - Ambtenaren - Vergelijkend onderzoek - Afwijzing van sollicitatie - Motivering van besluit van jury van algemeen vergelijkend onderzoek.
Zaak C-254/95 P.

European Court Reports 1996 I-03423

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1996:276

61995J0254

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juli 1996. - Europees Parlement tegen Angelo Innamorati. - Hogere voorziening - Ambtenaren - Vergelijkend onderzoek - Afwijzing van sollicitatie - Motivering van besluit van jury van algemeen vergelijkend onderzoek. - Zaak C-254/95 P.

Jurisprudentie 1996 bladzijde I-03423


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Ambtenaren ° Vergelijkend onderzoek ° Jury ° Afwijzing van sollicitatie ° Motiveringsplicht ° Draagwijdte ° Eerbiediging van geheim der werkzaamheden

(Ambtenarenstatuut, art. 25; bijlage III, art. 6)

Samenvatting


De verplichting om een krachtens het Statuut genomen individueel besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, enerzijds, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is, en anderzijds, rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Met betrekking tot de besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek moet die motiveringsplicht evenwel worden verzoend met de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury, dat zich ertegen verzet dat aan de opvattingen der individuele juryleden ruchtbaarheid wordt gegeven, en dat gegevens verband houdende met beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, aan de openbaarheid worden prijsgegeven.

In die omstandigheden moet het vereiste van motivering van de besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek worden gezien tegen de achtergrond van de aard van de werkzaamheden van de jury. Die bestaan in de regel uit ten minste twee verschillende fasen, namelijk in de eerste plaats het onderzoek van de sollicitaties om de kandidaten te selecteren die tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten, en in de tweede plaats het onderzoek naar de bekwaamheden van de kandidaten voor het te vervullen ambt, teneinde een lijst van geschikte kandidaten op te stellen. De eerste fase bestaat, met name bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, in een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangde hoedanigheden.

Daar deze toetsing geschiedt aan de hand van objectieve gegevens die overigens aan elke sollicitant ° voor zover hem betreft ° bekend zijn, staat de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury niet eraan in de weg, dat die objectieve gegevens, en met name de normen die zijn gehanteerd bij de selectie waartoe in de preliminaire fase van het onderzoek werd overgegaan, aan de betrokken sollicitanten worden meegedeeld. Het geheim van de werkzaamheden van de jury verzet zich daarentegen wel tegen mededeling van de criteria voor de correctie van het examen van het vergelijkend onderzoek, die noodzakelijk deel uitmaken van de door de jury verrichte vergelijking van de verdiensten van de verschillende kandidaten.

In die omstandigheden vormt de mededeling aan de belanghebbenden van de cijfers die zij voor de verschillende onderdelen van het examen hebben behaald, welke cijfers de door de jury over ieder van hen uitgebrachte waardeoordelen uitdrukken, een afdoende motivering van de besluiten van de jury.

Partijen


In zaak C-254/95 P,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Peter en J. L. Rufas Quintana, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,

requirant,

betreffende hogere voorziening tegen het op 30 mei 1995 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in zaak T-289/94 gewezen arrest tussen A. Innamorati en Europees Parlement (JurAmbt. 1995, blz. II-393), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,

andere partij bij de procedure:

A. Innamorati, gewezen hulpfunctionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, deelnemer aan algemeen vergelijkend onderzoek EP/59/A, wonende te Rome, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, T. Demaseure, V. Leclercq en A. Tornel, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson S.à r.l., Rue Glesener 1,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann, rechters,

advocaat-generaal: N. Fennelly

griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 mei 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 juli 1995, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van het 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het op 30 mei 1995 door van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-289/94 gewezen arrest tussen A. Innamorati en Europees Parlement (JurAmbt. 1995, blz. II-393; hierna: het "bestreden arrest") houdende nietigverklaring van het besluit waarbij de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EP/59/A Innamorati voor de derde schriftelijke proef van dat vergelijkend onderzoek een niet-compenseerbare onvoldoende had toegekend en hem niet tot de andere proeven had toegelaten (hierna: het "omstreden besluit").

2 In het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld:

"1 Verzoeker, hulpfunctionaris in de rang A, groep II, klasse 2, van de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft deelgenomen aan algemeen vergelijkend onderzoek EP/59/A met het oog op de samenstelling van een reservelijst van Italiaanstalige administrateurs bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement.

2 In deel III.B.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, bekendgemaakt op 23 oktober 1992 (PB 1992, C 275 A, blz. 8), was bepaald, dat de deelnemers zes schriftelijke selectieproeven moesten afleggen. Met betrekking tot proef 1 c) was gepreciseerd:

' c) Samenvatting van een stuk van twee tot drie bladzijden tot één tiende van de lengte, met een marge van ten hoogste 10 %, teneinde het analyserend en samenvattend vermogen, de objectiviteit en de nauwgezetheid van de kandidaat te kunnen beoordelen.

Duur van de proef: ten hoogste 45 minuten

Aantal punten: van 0 tot 20

Bij een puntentotaal lager dan 10 wordt de kandidaat niet tot de volgende fase toegelaten.'

3 Op 20 april 1994 deelde de voorzitter van de jury verzoeker mee, dat hij voor de samenvatting een cijfer beneden het vereiste minimum had gekregen en dat de jury bijgevolg de overige door hem afgelegde schriftelijke proeven niet kon beoordelen.

4 Bij brief van 25 mei 1994 verzocht verzoeker, zijn examen opnieuw te bekijken en hem mee te delen, om welke redenen de jury hem dat cijfer voor proef 1 c) had toegekend.

5 Bij brief van 13 juni 1994 aan de voorzitter van de jury stelde verzoekers raadsman, dat de correctors van proef 1 c) de deelnemers die het gestelde maximumaantal woorden hadden overschreden, niet van verdere deelneming hadden uitgesloten. Voorts verzocht hij de voorzitter van de jury in de eerste plaats om mededeling van de criteria, door de jury vastgesteld voor de beoordeling of de deelnemers aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden voldeden, en voor de beoordeling van hun proeven, daaronder begrepen de instructies die aan de correctors waren gegeven ter zake van de inachtneming van de specifieke vereisten van proef 1 c), en in de tweede plaats om mededeling van de ter waarborging van de anonimiteit van de deelnemers getroffen maatregelen.

6 Bij brief van 14 juni 1994 bevestigde de voorzitter van de jury verzoeker het jurybesluit in de navolgende bewoordingen:

' Het spijt mij u te moeten bevestigen, dat volgens de gehanteerde maatstaven en volgens de strenge criteria die de jury vóór de verbetering had vastgesteld ° rekening houdend met een geheel van elementen die overigens in de aankondiging van vergelijkend onderzoek waren genoemd °, uw cijfer voor proef 1 c) lager is dan voor overgang naar de volgende fase wordt verlangd. U heeft namelijk 8,33 punten gekregen (vereist is minimaal 10 punten).'

7 Bij brief van 4 juli 1994 aan de voorzitter van de jury herinnerde verzoekers raadsman aan zijn verzoek van 13 juni 1994 en stelde hij vast, dat de brief van de voorzitter van de jury van 14 juni 1994 geen motivering van het jurybesluit bevatte. Hij deelde voorts mee, voornemens te zijn, beroep in te stellen bij het Gerecht indien hem de gevraagde inlichtingen niet werden verstrekt.

8 Bij brief van dezelfde datum antwoordde het hoofd van de eenheid 'Vergelijkende onderzoeken' van het Parlement op de brief van verzoekers raadsman van 13 juni 1994, dat zodra het juryrapport zou zijn ondertekend, het Parlement 'in staat zou zijn hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken binnen de grenzen die door het Hof van Justitie zijn gesteld aan de verplichting tot motivering van jurybesluiten, gelet op het geheim van de beraadslaging' .

9 Bij brief van 19 juli 1994 deelde het hoofd van de eenheid 'Vergelijkende onderzoeken' van het Parlement verzoekers raadsman het volgende mee:

' ° Alle correcties van de schriftelijke proeven van het betrokken vergelijkend onderzoek hebben anoniem plaatsgevonden. De deelnemers moesten weliswaar hun naam op de antwoordformulieren schrijven, maar de anonimiteit van de beoordelingen is gewaarborgd doordat daarna een geheim codenummer is aangebracht en de persoonlijke gegevens van de deelnemers onleesbaar zijn gemaakt.

° De correctie van de proeven 1 c) 1 (objectieve toets) en 1 c) 2 (culturele toets) is gebeurd door middel van een scanner onder toezicht van de jury. Alle andere proeven zijn ter kennis gebracht van de zeven leden van de jury en door ten minste drie van hen gecorrigeerd.

° De heer Innamorati heeft om een nieuw onderzoek van zijn examen gevraagd. De jury heeft dit tweede onderzoek verricht en heeft erop gelet, of er geen fout was geslopen in de beoordeling. Zij heeft haar aanvankelijk besluit bevestigd. De door de juryleden gehanteerde criteria waren vóór de correctie vastgesteld en zijn in acht genomen volgens de bepalingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.' "

3 Bij op 15 september 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift stelde Innamorati een beroep tot nietigverklaring van het omstreden besluit in.

4 Tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring voerde hij twee middelen aan. Het eerste middel was ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, schending van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en ontbreken van motivering van het omstreden besluit. Het tweede middel was ontleend aan verkeerde beoordeling, gebrek aan onpartijdigheid van de jury en schending van de beginselen die de werkzaamheden van de jury moeten beheersen (r.o. 17 van het bestreden arrest).

5 Tijdens de mondelinge behandeling voor het Gerecht trok hij zijn tweede middel evenwel in. Daarop oordeelde het Gerecht, dat het zich niet over dit middel behoefde uit te spreken (r.o. 18).

6 Het Gerecht was van mening, dat het eerste middel uit twee onderdelen bestond: het ene betreffende schending van het gelijkheidsbeginsel en van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, het andere betreffende het ontbreken van motivering van het omstreden besluit (r.o. 19).

7 Met betrekking tot het eerste onderdeel oordeelde het Gerecht, dat verzoeker niets had aangevoerd tot staving van zijn stelling, dat de jury andere deelnemers, die zich niet aan de voor de derde proef opgelegde maximumlengte hadden gehouden, niet had uitgesloten. Aangezien het dossier geen enkele aanwijzing daarvoor bevatte, wees het Gerecht dit onderdeel van het middel af (r.o. 22 en 23).

8 Aangaande het tweede onderdeel van het eerste middel herinnerde het Gerecht er allereerst aan, dat de motiveringsplicht tot doel heeft, enerzijds, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en anderzijds, rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Het herinnerde er ook aan, dat bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel deelnemers de jury zich in een eerste fase ertoe mag beperken de deelnemers alleen de criteria en het resultaat van de selectie mee te delen en pas later individuele toelichtingen te verstrekken aan de degenen die daar uitdrukkelijk om vragen (r.o. 26 en 27).

9 Vervolgens merkte het Gerecht op, dat ofschoon Innamorati herhaaldelijk uitdrukkelijk had verzocht om mededeling van de motivering van het omstreden besluit alsmede van de criteria die de jury voor de beoordeling van de derde proef had vastgesteld, de antwoorden van het Parlement geen motivering van het hem toegekende cijfer en geen precisering van de inhoud van de door de jury van het vergelijkend onderzoek vastgestelde criteria bevatten. Het was derhalve van oordeel, dat het Parlement geen enkele motivering had verstrekt die Innamorati in staat stelde de gegrondheid het omstreden besluit te beoordelen, en het Gerecht, zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (r.o. 28-30).

10 Ten slotte was het Gerecht van oordeel, dat dit algehele ontbreken van motivering niet kon worden gedekt door de toelichtingen die het Parlement in de loop van het geding had verstrekt, omdat in dat stadium die toelichtingen hun functie niet meer konden vervullen. Het merkte bovendien op, dat de toelichtingen die het Parlement tijdens de mondelinge en de schriftelijke behandeling voor het Gerecht had verstrekt, wegens hun gebrek aan nauwkeurigheid geen afdoende motivering van het omstreden besluit vormden (r.o. 31 en 32).

11 Het Gerecht concludeerde daaruit, dat het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond was en verklaarde het omstreden besluit derhalve nietig (r.o. 33).

12 De hogere voorziening van het Parlement strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afwijzing van de conclusies die Innamorati voor het Gerecht had geformuleerd.

13 Innamorati concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening, primair, wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid, en subsidiair, wegens ongegrondheid.

14 Bij op 24 juli 1995 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft het Parlement overeenkomstig artikel 53 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA alsmede overeenkomstig de artikelen 83 en 118 van het Reglement voor de procesvoering in kort geding verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Hof van 15 september 1995 (zaak C-254/94 P-R, Innamorati, Jurispr. 1995, blz. I-2707).

15 Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Parlement de drie navolgende middelen aan:

° het bestreden arrest miskent de draagwijdte en de grenzen van de op de jury' s van vergelijkende onderzoeken rustende verplichting om hun besluiten te motiveren;

° de ontoereikendheid van de motivering van het omstreden besluit kon in ieder geval worden weggewerkt tijdens de procedure voor het Gerecht;

° het geheel of ten dele ontbreken van motivering van het omstreden besluit vormde op zichzelf geen voldoende rechtvaardigingsgrond voor de nietigverklaring van dit besluit.

16 Innamorati betoogt primair, dat de hogere voorziening niet op middelen betreffende het recht is gebaseerd. Hij stelt, dat het Parlement opkomt tegen het feitelijk oordeel van het Gerecht over de motivering van het omstreden besluit en over de gevolgen die in het onderhavige geval aan de ontoereikendheid van die motivering moeten worden verbonden. Subsidiair voert hij aan, dat volgens de rechtspraak van het Hof en Gerecht de jury verplicht is tot mededeling van de objectieve criteria waarop zij zich heeft gebaseerd alsmede van de wijze waarop zij deze heeft toegepast, met name om de deelnemers en, in voorkomend geval, de gemeenschapsrechter in staat te stellen, na te gaan of het examen van het vergelijkend onderzoek wel regelmatig is verlopen.

De ontvankelijkheid van de hogere voorziening

17 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, kan hogere voorziening ingevolge artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51 van 's Hof Statuut-EG slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van de rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling (zie, met name, arrest van 6 april 1995, gevoegde zaken C-241/91 P en C-242/91 P, RTE en ITP, Jurispr. 1995, blz. I-743, r.o. 67).

18 Met de drie tot staving van zijn hogere voorziening aangevoerde middelen komt het Parlement op tegen de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven van de rechtspraak van Hof en van zijn eigen rechtspraak met betrekking tot, ten eerste, de motivering van de jurybesluiten, ten tweede, de mogelijkheid om het geheel of ten dele ontbreken van motivering in de loop van het geding te verhelpen, en ten derde, de gevolgen van het geheel of ten dele ontbreken van motivering voor de regelmatigheid van het betrokken besluit. Anders dan Innamorati stelt, komt het Parlement niet op tegen de beoordelingen die het Gerecht in casu heeft verricht op basis van de rechtspraak zoals het die heeft uitgelegd.

19 De middelen van het Parlement betreffen derhalve schending van de rechtsregels die de instellingen van de Gemeenschap in acht moeten nemen, met uitsluiting van elke beoordeling van de feiten. Zij zijn derhalve ontvankelijk.

20 Mitsdien moet de door Innamorati opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

Het middel inzake de draagwijdte en de grenzen van de motiveringsplicht

21 Het Parlement betoogt, dat de rechtspraak van het Hof weliswaar eist, dat de door de jury vóór de selectie van de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten sollicitanten vastgestelde beoordelingscriteria alsmede de desbetreffende individuele beoordelingen worden meegedeeld, doch niet eist en ook niet kan eisen, dat de door de jury voor de correctie van de proeven gekozen criteria worden meegedeeld. Deze laatste criteria behoren immers tot de beoordelingsvrijheid van de jury en vallen onder het geheim van de beraadslaging. De mededeling van het voor de proef toegekende cijfer wanneer de kandidaat daar de facto om vraagt, vormt een afdoende motivering van de besluiten van de jury.

22 Innamorati betoogt daarentegen, dat voor het bereiken van het gestelde doel, te weten de kandidaat in staat te stellen de gegrondheid van het besluit van de jury te beoordelen en de gemeenschapsrechter in staat te stellen, na te gaan of de werkzaamheden van de jury wel regelmatig zijn verlopen, de administratie de kandidaat in kennis moet stellen van de algemene criteria die jury bij haar beoordelingen heeft gehanteerd, en van de wijze waarop zij die heeft toegepast.

23 Gelijk het Gerecht in rechtsoverweging 26 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, heeft de verplichting om een bezwarend besluit met redenen te omkleden tot doel, enerzijds, de belanghebbende de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is, en anderzijds, rechterlijke toetsing mogelijk te maken (zie, met name, arrest van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861, r.o. 22).

24 Met betrekking tot de besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek moet die motiveringsplicht evenwel worden verzoend met de inachtneming van het in artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut geformuleerde beginsel, volgens hetwelk de werkzaamheden van de jury geheim zijn. Gelijk het Hof reeds heeft aangegeven, zijn die werkzaamheden geheim verklaard teneinde de onafhankelijkheid en onbevangenheid der jury' s te waarborgen in dier voege dat zij tegen inmenging en druk van buitenaf, van de zijde van de communautaire overheid zelve, van de betrokken kandidaten dan wel van derden, worden beschermd. De eerbiediging van dit geheim brengt derhalve mede, dat de opvattingen der individuele juryleden niet ruchtbaar mogen worden en dat gegevens, verband houdende met beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, niet aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven (arrest van 28 februari 1980, zaak 89/79, Bonu, Jurispr. 1980, blz. 553, r.o. 5).

25 In die omstandigheden moet het vereiste van motivering van de besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek rekening houden met de aard van de betrokken werkzaamheden.

26 Gelijk het Hof reeds heeft opgemerkt, omvatten de werkzaamheden van een jury van een vergelijkend onderzoek in de regel ten minste twee verschillende fasen, namelijk in de eerste plaats het onderzoek van de sollicitaties om de kandidaten te selecteren die tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten, en in de tweede plaats het onderzoek naar de bekwaamheden van de kandidaten voor het te vervullen ambt, teneinde een lijst van geschikte kandidaten op te stellen (zie, met name, arresten van 14 juni 1972, zaak 44/71, Marcato, Jurispr. 1972, blz. 427, r.o. 19; 15 maart 1973, zaak 37/72, Marcato, Jurispr. 1973, blz. 361, r.o. 18, en 4 december 1975, zaak 31/75, Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563, r.o. 10).

27 De eerste fase bestaat, met name bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, in een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangde hoedanigheden (reeds aangehaalde arresten van 14 juni 1972, Marcato, r.o. 20; 15 maart 1973, Marcato, r.o. 19, en 4 december 1975, Costacurta, r.o. 11). Daar deze toetsing geschiedt aan de hand van objectieve gegevens die overigens aan elke sollicitant ° voor zover hem betreft ° bekend zijn, staat de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury niet in de weg aan de mededeling van die objectieve gegevens, en wel met name van de normen, gehanteerd bij de selectie waartoe in de preliminaire fase van het onderzoek werd overgegaan teneinde degenen wier sollicitaties nog vóór de aflegging van enig examen terzijde werden gelegd, in staat te stellen na te gaan om welke redenen zij mogelijkerwijze werden afgewezen (arrest Bonu, reeds aangehaald, r.o. 5).

28 De tweede fase is daarentegen vooral vergelijkend van aard en wordt uit dien hoofde gedekt door het geheim der werkzaamheden (reeds aangehaalde arresten van 14 juni 1972, Marcato, r.o. 20; 15 maart 1973, Marcato, r.o. 19, en 4 december 1975, Costacurta, r.o. 11).

29 De door de jury vóór het examen vastgestelde correctiecriteria maken noodzakelijk deel uit van de door de jury verrichte vergelijking van de verdiensten van de verschillende kandidaten. Zij hebben immers tot doel, in het belang van deze laatsten een zekere homogeniteit in de beoordelingen van de jury te waarborgen, met name wanneer er zeer veel kandidaten zijn. Deze criteria vallen derhalve, net als de beoordelingen van de jury, onder het geheim van de beraadslagingen.

30 De vergelijkende beoordelingen van de jury komen tot uitdrukking in de cijfers die deze aan de kandidaten toekent. Deze cijfers drukken de over elk van de kandidaten uitgebrachte waardeoordelen uit.

31 Gelet op de regel dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn, vormt de mededeling van de voor de verschillende proeven behaalde cijfers een afdoende motivering van de besluiten van de jury.

32 Een dergelijke motivering schaadt de rechten van de kandidaten niet. Zij stelt hen in kennis van het waardeoordeel dat over hun prestaties is uitgebracht en stelt hen staat, in voorkomend geval na te gaan, of zij het door de aankondiging van vergelijkend onderzoek geëiste aantal punten om tot bepaalde of tot alle proeven te worden toegelaten, daadwerkelijk niet hebben behaald.

33 Gepreciseerd zij evenwel, dat rekening houdend met de praktische moeilijkheden waarmee de jury bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten wordt geconfronteerd, kan worden aanvaard, dat de jury de kandidaten in een eerste fase alleen het algemene resultaat van het examen meedeelt, en pas later aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om vragen, hun individuele cijfers meedeelt.

34 Uit een en ander volgt, dat het Gerecht een rechtsdwaling heeft begaan door in rechtsoverweging 28 van het bestreden arrest te oordelen, dat het Parlement Innamorati de motivering van het omstreden besluit en de door de jury voor de beoordeling van de derde schriftelijke proef gehanteerde criteria had moeten meedelen.

35 Mitsdien moet het bestreden arrest worden vernietigd.

De door Innamorati voor het Gerecht geformuleerde conclusies

36 Artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG bepaalt: "In geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht."

37 Tot staving van zijn beroep wierp Innamorati twee middelen op, het eerste betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten, schending van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en ontbreken van motivering van het bestreden besluit, het tweede betreffende een verkeerde beoordeling, gebrek aan onpartijdigheid en schending van de beginselen die de werkzaamheden van de jury moeten beheersen.

38 Ter ondersteuning van zijn eerste middel voerde Innamorati allereerst aan, dat hij zich strikt heeft gehouden aan de maximumlengte die de aankondiging van vergelijkend onderzoek voor de derde proef had gesteld, maar dat de jury van het vergelijkend onderzoek de lengte van de samenvattingen niet stelselmatig heeft onderzocht en daardoor heeft nagelaten de kandidaten uit te sluiten die deze lengte niet in acht hadden genomen. De jury zou daardoor het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten en de bewoordingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek hebben geschonden.

39 Het Parlement geeft toe, dat de lengte van de door Innamorati gemaakte samenvatting aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde eisen voldeed, maar ontkent, dat het de lengte van de samenvattingen niet voor alle kandidaten heeft onderzocht. Het voegt eraan toe, dat het aan Innamorati staat, het bewijs daarvan te leveren.

40 Gelijk het Parlement stelt, heeft Innamorati niet voldaan aan de in beginsel op hem rustende verplichting om feitelijke elementen aan te dragen die een bewijs kunnen vormen voor zijn stelling, dat de jury andere kandidaten voor het omstreden vergelijkend onderzoek, die zich niet aan de voor de derde proef vastgestelde lengte van de samenvatting hadden gehouden, niet heeft uitgesloten. Verder wettigt geen enkel element van het dossier de conclusie, dat de jury het beginsel van gelijke behandeling of de bepalingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft geschonden. Dit onderdeel van verzoekers betoog moet derhalve worden verworpen.

41 Verder betoogt Innamorati, dat het omstreden besluit niet afdoende was gemotiveerd. Hij voert met name aan, dat de criteria die de jury voor de correctie van de derde schriftelijke proef heeft gehanteerd, hem niet zijn meegedeeld.

42 Vaststaat, dat Innamorati in een eerste fase weliswaar slechts in kennis is gesteld van de algemene resultaten van het vergelijkend onderzoek, doch op zijn verzoek mededeling heeft gekregen van het voor zijn derde schriftelijke proef toegekende cijfer.

43 Uit rechtsoverweging 31 van het onderhavige arrest volgt, dat deze mededeling een afdoende motivering van het omstreden besluit vormde, en dat het Parlement hem terecht de mededeling heeft geweigerd van de door de jury gehanteerde correctiecriteria en meer algemeen van de beoordeling die de jury over hem heeft uitgebracht. Dit onderdeel van Innamorati' s betoog moet dus eveneens worden verworpen.

44 Het eerste middel van Innamorati is derhalve ongegrond.

45 Aangezien Innamorati het tweede middel van zijn beroep heeft ingetrokken, behoeft dit niet te worden onderzocht.

46 Mitsdien moet het beroep van Innamorati worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

47 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Uit artikel 122 juncto artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering volgt evenwel, dat de door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste blijven wanneer de instellingen de hogere voorziening hebben ingesteld. Bijgevolg dient elke partij te worden verwezen in zijn eigen kosten betreffende deze instantie en betreffende het beroep bij het Gerecht.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

rechtdoende:

1) Vernietigt het door het Gerecht van eerste aanleg op 30 mei 1995 in zaak T-289/94 tussen A. Innamorati en Europees Parlement gewezen arrest.

2) Verwerpt het door Innamorati ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EP/59/A hem voor de derde schriftelijke proef van dat vergelijkend onderzoek een niet-compenseerbare onvoldoende heeft toegekend en hem niet tot de andere proeven heeft toegelaten.

3) Verstaat dat elk der partijen zijn eigen kosten betreffende deze instantie en het beroep bij het Gerecht zal dragen.

Top