EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61995CJ0106

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 februari 1997.
Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG) tegen Les Gravières Rhénanes SARL.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland.
EEG-Executieverdrag - Akkoord over plaats van uitvoering van verbintenis - Overeenkomst tot aanwijzing van bevoegde rechter.
Zaak C-106/95.

Jurisprudentie 1997 I-00911

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1997:70

61995J0106

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 20 februari 1997. - Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG) tegen Les Gravières Rhénanes SARL. - EEG-Executieverdrag - Akkoord over plaats van uitvoering van verbintenis - Overeenkomst tot aanwijzing van bevoegde rechter. - Demande de décision préjudicielle: Bundesgerichtshof - Allemagne. - Zaak C-106/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-00911


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Door partijen aangewezen bevoegde rechter - Overeenkomst tot aanwijzing van bevoegde rechter - Vormvoorwaarden - Overeenkomst gesloten in vorm die overeenstemt met gebruiken in internationale handel - Begrip - Mondeling gesloten overeenkomst - Clausule in bevestigingsbrief en in betaalde facturen - Ontbreken van bezwaar - Geldigheid van clausule - Voorwaarden

(EEG-Executieverdrag, art. 17, zoals gewijzigd bij Toetredingsverdrag van 1978)

2 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bijzondere bevoegdheid - Gerecht van plaats van uitvoering van verbintenis uit overeenkomst - Mondeling akkoord van partijen over andere plaats dan plaats van daadwerkelijke uitvoering met enkele doel bepaald forum aan te wijzen - Niet-toepasselijkheid van artikel 5, sub 1 - Toepasselijkheid van vormvoorwaarden gesteld voor overeenkomsten tot aanwijzing van bevoegde rechter

(EEG-Executieverdrag, art. 5, sub 1, en 17)

Samenvatting


3 Artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van een in de internationale handel mondeling gesloten contract een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter wordt geacht ten aanzien van die bepaling geldig te zijn gesloten door het feit dat de ene partij bij het contract niet reageert op een bevestigingsbrief die de andere partij hem heeft gezonden, of zonder bezwaar herhaaldelijk facturen betaalt waarop een voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, indien een dergelijke handelwijze overeenkomt met een gebruik in de tak van de internationale handel waar de betrokken partijen werkzaam zijn, en indien deze partijen dit gebruik kennen of geacht worden het te kennen.

Dienaangaande is er met name sprake van een gebruik in een tak van de internationale handel wanneer de in deze tak werkzame contracterende partijen bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans een bepaalde handelwijze aan de dag leggen. Dat de partijen bij het contract dit gebruik kennen, moet met name worden aangenomen wanneer zij tevoren reeds onderling of met andere in de betrokken handelstak werkzame partijen handelsbetrekkingen hadden aangeknoopt, of wanneer in die handelstak een bepaalde handelwijze bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans en regelmatig aan de dag wordt gelegd, zodat zij als een vaste praktijk kan worden aangemerkt.

4 Het verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering, dat niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie daadwerkelijk moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt aan te wijzen, niet onder artikel 5, sub 1, maar onder artikel 17 Executieverdrag valt en slechts geldig is wanneer de aldaar geformuleerde voorwaarden in acht zijn genomen. Al staat het de partijen vrij voor de uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomst een andere plaats overeen te komen dan die welke uit het op het contract toepasselijke recht voortvloeit, zonder dat zij daarvoor een speciale vorm in acht moeten nemen, het systeem van het Executieverdrag staat eraan in de weg, dat zij, met het enkele doel de bevoegde rechter aan te wijzen, een plaats van uitvoering overeenkomen die geen enkel reëel verband houdt met de inhoud van het contract en waar de uit het contract voortvloeiende verbintenissen volgens de bewoordingen van het contract niet kunnen worden uitgevoerd.

Partijen


In zaak C-106/95,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Bundesgerichtshof in het aldaar aanhangig geding tussen

Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG)

en

Les Gravières Rhénanes SARL,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 5, sub 1, en 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. Murray, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, C. N. Kakouris (rapporteur), P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: L. Hewlett, administrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG), vertegenwoordigd door T. von Waldstein, advocaat te Mannheim,

- Les Gravières Rhénanes SARL, vertegenwoordigd door F. von Waldstein, advocaat te Mannheim,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Pirrung, Ministeralrat bij het Bundesministerium der Justiz, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG), vertegenwoordigd door T. von Waldstein, advocaat, Les Gravières Rhénanes SARL, vertegenwoordigd door F. von Waldstein, advocaat, de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische raad van de staat, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J. Rabe, advocaat, ter terechtzitting van 4 juli 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 6 maart 1995, bij het Hof ingekomen op 31 maart daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77; hierna: het "Executieverdrag"), twee vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 5, sub 1, en 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, Executieverdrag.

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Mainschiffahrts-Genossenschaft eG (MSG) (hierna: "MSG") met zetel te Wuerzburg (Duitsland) en Les Gravières Rhénanes SARL (hierna: "Gravières Rhénanes") met zetel in Frankrijk over de vergoeding van de schade berokkend aan een binnenschip waarvan MSG eigenares is en dat deze aan Les Gravières Rhénanes had verhuurd bij een tussen partijen mondeling gesloten tijdbevrachtingscontract.

3 Uit de stukken van het hoofdgeding blijkt, dat tussen 1 juni 1989 en 10 februari 1991 met dat schip voornamelijk grind over de Rijn werd vervoerd. Op enkele uitzonderingen na lagen alle ladingsplaatsen in Frankrijk, terwijl de losplaatsen allemaal in Frankrijk waren gelegen. Volgens MSG is haar schip beschadigd door de toestellen die Gravières Rhénanes voor het lossen van de goederen gebruikte. Het hoofdgeding betreft een bedrag van 197 284 DM, te weten het verschil tussen het door de verzekeraar van Gravières Rhénanes uitgekeerde bedrag en het door MSG gevorderde bedrag.

4 MSG stelde een beroep in bij het Schiffahrtsgericht Wuerzburg. Zij was van mening, dat zij zich volgens artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, Executieverdrag tot deze rechter kon wenden omdat de plaats waar haar zetel was gelegen, te weten Wuerzburg, door partijen geldig als plaats van uitvoering en als forum was aangewezen.

5 Artikel 17, eerste alinea, eerste en tweede zin, Executieverdrag luidt als volgt:

"Indien de partijen, waarvan ten minste één zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, hetzij, in de internationale handel, in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die partijen kennen of geacht worden te kennen, te worden gesloten."

6 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat MSG na afloop van de onderhandelingen over het contract aan Gravières Rhénanes een bevestigingsbrief had gezonden waarin de navolgende voorgedrukte vermelding voorkwam:

"De plaats van uitvoering is Wuerzburg en de gerechten van deze plaats zijn bevoegd."

Dit forum werd overigens ook rechtstreeks en door verwijzing naar de cognossementsvoorwaarden genoemd in de door MSG opgestelde facturen. Gravières Rhénanes maakte geen bezwaar tegen de bevestigingsbrief en betaalde alle facturen zonder enig voorbehoud. Het Schiffahrtsgericht Wuerzburg heeft het beroep ontvankelijk verklaard.

7 Op het hoger beroep van Gravières Rhénanes verklaarde het Oberlandesgericht Nuernberg het beroep niet-ontvankelijk op grond van de overweging, dat er geen sprake was van internationale bevoegdheid. Daarop stelde MSG "Revision" in bij het Bundesgerichtshof.

8 Het Bundesgerichtshof stelde vast, dat de bevoegdheid van de Franse gerechten op het eerste gezicht steun vindt in de algemene regel van artikel 2, eerste alinea, Executieverdrag (plaats waar de verweerder zijn woonplaats heeft), in artikel 5, sub 3 (plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan), en in artikel 5, sub 1 (plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd). De uit het vervoerscontract voortvloeiende verbintenissen moesten immers in Frankrijk worden uitgevoerd en MSG diende het schip ter zetel van Gravières Rhénanes in Frankrijk ter beschikking te stellen. Volgens het Bundesgerichtshof bestaan er in casu twee mogelijkheden om de bevoegdheid van de Franse gerechten uit te sluiten ten gunste van de internationale bevoegdheid van de Duitse gerechten.

9 In de eerste plaats zou Wuerzburg als plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag in aanmerking kunnen komen omdat het in de mondelinge overeenkomst van partijen als zodanig was aangewezen. Volgens het Bundesgerichtshof ging het hier evenwel om een "abstracte" overeenkomst. Een overeenkomst over de plaats van uitvoering moet als abstract worden aangemerkt wanneer zij niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt aan te wijzen zonder dat aan de vormvoorwaarden van artikel 17 Executieverdrag wordt voldaan. Een dergelijke overeenkomst vormt derhalve slechts een verkapte overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter. In het onderhavige geval moesten de verbintenissen uit het contract immers hoe dan ook worden uitgevoerd in Frankrijk, waar zich in alle gevallen de losplaats bevond.

10 Het Bundesgerichtshof wijst er weliswaar op, dat de omstreden overeenkomst over de plaats van uitvoering naar Duits recht geldig was gesloten, doch twijfelt eraan, of dergelijke "abstracte" overeenkomsten wel geldig zijn ten aanzien van het Executieverdrag, daar zij een gevaar voor misbruik, namelijk ontsnappen aan de vormvoorschriften van artikel 17 Executieverdrag, inhouden.

11 In de tweede plaats, wijst het Bundesgerichtshof erop, dat ingeval een "abstract" akkoord over de plaats van uitvoering ongeldig zou worden geacht, de bevoegdheid van de Duitse gerechten in het onderhavige geval zou kunnen voortvloeien uit artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, Executieverdrag.

12 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:

"1) Moet een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering (artikel 5 Executieverdrag) ook dan worden erkend, wanneer het niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie moet verrichten, maar enkel beoogt, zonder inachtneming van vormvoorschriften een bevoegde rechter aan te wijzen (zogenaamde $abstracte' overeenkomst over de plaats van uitvoering)?

2) Voor het geval dat het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt:

a) Kan een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter in de internationale handel als bedoeld in artikel 17, eerste alinea, tweede volzin, derde geval, Executieverdrag in de versie van 1978 ook worden gesloten doordat de ene partij geen bezwaar maakt tegen de bevestigingsbrief met voorgedrukte verwijzing naar het bij uitsluiting bevoegde gerecht van de plaats waar de afzender is gevestigd, of is hoe dan ook een voorafgaande wilsovereenstemming over de inhoud van de bevestigingsbrief vereist?

b) Volstaat het voor een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter als bedoeld in bovengenoemd artikel, dat de door de ene partij toegezonden facturen telkens verwijzen naar het bij uitsluiting bevoegde gerecht van de plaats waar de vervoerder is gevestigd, en naar de door deze toegepaste cognossementsvoorwaarden waarin dit gerecht eveneens als bevoegd gerecht wordt aangewezen, en de andere partij de facturen telkens zonder bezwaar betaalt, of is ook in dit opzicht een voorafgaande wilsovereenstemming vereist?"

De tweede vraag

13 Met zijn tweede vraag, die eerst moet worden onderzocht omdat zij betrekking heeft op een uitsluitende bevoegdheid, wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of in het kader van een mondeling gesloten contract een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter in de internationale handel kan worden geacht in de door artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, Executieverdrag geëiste vorm te zijn gesloten door het enkele feit dat de ene partij bij het contract niet reageert op een bevestingsbrief die de andere partij hem heeft gezonden of zonder bezwaar herhaaldelijk facturen betaalt waarop een voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, dan wel of hoe dan ook een voorafgaande wilsovereenstemming van de belanghebbenden nodig is en alleen de schriftelijke bevestiging van het akkoord overbodig is.

14 Volgens de rechtspraak van het Hof moeten de in artikel 17 Executieverdrag gestelde voorwaarden strikt worden uitgelegd, daar dat artikel zowel de uit het algemene beginsel van artikel 2 voortvloeiende bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder als de bijzondere bevoegdheden van de artikelen 5 en 6 Executieverdrag uitsluit (zie, in die zin, arresten van 14 december 1976, zaak 24/76, Estasis Salotti, Jurispr. 1976, blz. 1831, r.o. 7, en zaak 25/76, Segoura, Jurispr. 1976, blz. 1851, r.o. 6).

15 Het Hof heeft overigens met betrekking tot de aanvankelijke formulering van artikel 17 geoordeeld, dat dit artikel, door de geldigheid van een clausule tot aanwijzing van de bevoegde rechter afhankelijk te stellen van het bestaan van een "overeenkomst" tussen partijen, de aangezochte rechter verplicht, in de eerste plaats te onderzoeken, of de clausule welke hem bevoegd verklaart, inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt, en het Hof heeft gepreciseerd, dat de vormvereisten van artikel 17 tot doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat (arresten Estasis Salotti en Segoura, reeds aangehaald, respectievelijk r.o. 7 en 6).

16 Om rekening te houden met de bijzondere gebruiken en de eisen van de internationale handel is bij genoemd Toetredingsverdrag van 9 oktober 1978 in artikel 17, eerste alinea, tweede zin, Executieverdrag evenwel een derde geval ingevoegd, volgens hetwelk in de internationale handel de bevoegde rechter kan worden aangewezen in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen.

17 Deze bij het Toetredingsverdrag van 1978 ingevoerde versoepeling van artikel 17 betekent evenwel niet, dat een wilsovereenstemming tussen de partijen over de clausule tot aanwijzing van de bevoegde rechter niet langer is vereist; de daadwerkelijke instemming van de belanghebbenden is immers nog steeds een van de doelstellingen van die bepaling. De zwakste partij bij het contract moet namelijk worden beschermd door te voorkomen dat een partij ongemerkt een clausule tot aanwijzing van de bevoegde rechter in het contract opneemt.

18 Aannemen dat de aldus aangebrachte versoepeling uitsluitend betrekking heeft op de vormvoorwaarden van artikel 17 door het enkele wegvallen van het vereiste dat de wilsovereenstemming op schrift moet worden gesteld, zou evenwel ingaan tegen de eisen van vormvrijheid, eenvoudigheid en snelheid in de internationale handel en zou deze bepaling een groot deel van haar nuttig effect ontnemen.

19 Tegen de achtergrond van de bij het Toetredingsverdrag van 1978 aangebrachte wijziging van artikel 17 moet de wilsovereenstemming van de contracterende partijen over een clausule tot aanwijzing van de bevoegde rechter dus worden geacht te bestaan wanneer er dienaangaande in de betrokken tak van de internationale handel handelsgebruiken bestaan die deze partijen kennen of geacht worden te kennen.

20 Derhalve moet worden aangenomen, dat het ontbreken van reactie en het stilzwijgen van een van de partijen bij het contract ten aanzien van een door de andere partij toegestuurde bevestigingsbrief met voorgedrukte vermelding van de bevoegde rechter, alsmede de omstandigheid dat een van de partijen zonder enig bezwaar herhaaldelijk door de andere partij opgestelde facturen heeft betaald waarop een soortgelijke vermelding voorkwam, als instemming met de omstreden clausule tot aanwijzing van de bevoegde rechter kunnen gelden wanneer een dergelijke handelwijze overeenkomt met een gebruik in de tak van de internationale handel waarin de betrokken partijen werkzaam zijn en deze partijen dat gebruik kennen of geacht worden te kennen.

21 Al staat het aan de nationale rechter, te beoordelen of het betrokken contract in het kader van de internationale handel is gesloten, en te verifiëren of er in de tak van de internationale handel waarin de betrokken partijen werkzaam zijn, ter zake een gebruik bestaat en of partijen dit gebruik daadwerkelijk kennen of geacht worden dit te kennen, het staat aan het Hof hem de objectieve en noodzakelijke gegevens voor een dergelijke beoordeling aan te reiken.

22 Allereerst moet worden aangenomen, dat een contract dat op een gebied als dat van de Rijnvaart is gesloten tussen twee vennootschappen die in verschillende Verdragsluitende Staten zijn gevestigd, onder de internationale handel valt.

23 Vervolgens dient erop te worden gewezen, dat het bestaan van een gebruik niet door verwijzing naar de wetgeving van een der Verdragsluitende Staten mag worden bepaald. Het dient overigens niet ten aanzien van de internationale handel in het algemeen te worden vastgesteld, maar in de handelstak waar de contracterende partijen werkzaam zijn. Er is met name sprake van een gebruik in de betrokken handelstak wanneer de marktdeelnemers in deze tak bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans en regelmatig een bepaalde handelwijze aan de dag leggen.

24 Ten slotte moet met name worden aangenomen, dat de partijen bij het contract een dergelijk gebruik kennen of geacht worden te kennen wanneer zij tevoren reeds onderling of met andere in de betrokken sector werkzame partijen handelsbetrekkingen hadden aangeknoopt, of wanneer een bepaalde handelwijze, doordat zij bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans en regelmatig aan de dag wordt gelegd, in deze sector voldoende bekend is om als een vaste praktijk te kunnen worden aangemerkt.

25 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 9 oktober 1978, aldus moet worden uitgelegd, dat in het kader van een in de internationale handel mondeling gesloten contract een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter wordt geacht ten aanzien van die bepaling geldig te zijn gesloten door het feit dat de ene partij bij het contract niet reageert op een bevestigingsbrief die de andere partij hem heeft gezonden, of zonder bezwaar herhaaldelijk facturen betaalt waarop een voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, indien een dergelijke handelwijze overeenkomt met een gebruik in de tak van de internationale handel waar de betrokken partijen werkzaam zijn, en indien deze partijen dit gebruik kennen of geacht worden het te kennen. Het staat aan de nationale rechter, te beoordelen of een dergelijk gebruik bestaat en of de partijen bij het contract dit gebruik kenden. Er is met name sprake van een gebruik in een tak van de internationale handel wanneer de in deze tak werkzame contracterende partijen bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans een bepaalde handelwijze aan de dag leggen. Dat de partijen bij het contract dit gebruik kennen, moet met name worden aangenomen wanneer zij tevoren reeds onderling of met andere in de betrokken handelstak werkzame partijen handelsbetrekkingen hadden aangeknoopt, of wanneer in die handelstak een bepaalde handelwijze bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans en regelmatig aan de dag wordt gelegd, zodat zij als een vaste praktijk kan worden aangemerkt.

De eerste vraag

26 De eerste vraag moet worden beantwoord voor het geval de nationale rechter tot de slotsom komt, dat er in het onderhavige geval in de betrokken handelstak ter zake geen gebruik bestaat dat de partijen kenden of geacht werden te kennen, zodat er geen geldige overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter tot stand is gekomen.

27 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering dat niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt aan te wijzen, geldig is ten aanzien van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

28 Artikel 5, sub 1, Executieverdrag bepaalt:

"De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd."

29 Volgens de rechtspraak van het Hof is de mogelijkheid om van de algemene regel van de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder af te wijken, bij deze bepaling ingevoerd ter wille van een nuttige procesinrichting in welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauw verband bestaat tussen een vordering en de rechter die kan worden geroepen daarvan kennis te nemen (arrest van 6 oktober 1976, zaak 12/76, Tessili, Jurispr. 1976, blz. 1473, r.o. 13).

30 Het Hof heeft overigens ook geoordeeld, dat de plaats van uitvoering van een verbintenis uit overeenkomst ook bij wege van overeenkomst tussen partijen kan worden vastgesteld, en dat indien partijen volgens het op de overeenkomst toepasselijke recht en op de hierdoor gestelde voorwaarden de plaats van uitvoering van een verbintenis kunnen aanwijzen zonder dat zij daarbij een speciale vorm in acht hebben te nemen, de overeenkomst over de plaats van uitvoering van de verbintenis volstaat om het gerecht van deze plaats bevoegd te maken in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag (arrest van 17 januari 1980, zaak 56/79, Zelger, Jurispr. 1980, blz. 89, r.o. 5).

31 Opgemerkt zij evenwel, dat al staat het de partijen vrij voor de uitvoering van de verbintenissen uit overeenkomst een andere plaats overeen te komen dan die welke uit het op het contract toepasselijke recht voortvloeit, zonder dat zij daarvoor een speciale vorm in acht moeten nemen, het systeem van het Executieverdrag eraan in de weg staat, dat zij, met het enkele doel de bevoegde rechter aan te wijzen, een plaats van uitvoering overeenkomen die geen enkel reëel verband houdt met de inhoud van het contract en waar de uit het contract voortvloeiende verbintenissen volgens de bewoordingen van het contract niet kunnen worden uitgevoerd.

32 Deze aanpak berust in de eerste plaats op de bewoordingen van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, volgens hetwelk bevoegd is, het gerecht van de plaats, waar de verbintenis uit overeenkomst, die aan de eis ten grondslag ligt, "is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd". Volgens deze bepaling is het criterium voor de bevoegdheid dus de plaats van daadwerkelijke uitvoering van de verbintenis, wegens het rechtstreekse verband van die plaats met het gerecht waaraan de bevoegdheid wordt toegewezen.

33 In de tweede plaats moet worden aangenomen, dat de vaststelling van een plaats van uitvoering die geen enkel daadwerkelijk verband houdt met de reële inhoud van het contract, fictief is en enkel tot doel heeft, de bevoegde rechter aan te wijzen. Een dergelijke overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter valt evenwel onder de regeling van artikel 17 Executieverdrag, zodat daarvoor bepaalde vormvoorwaarden gelden.

34 In het geval van een dergelijke overeenkomst is er derhalve niet alleen geen enkel rechtstreeks verband tussen het geschil en het gerecht dat daarvan kennis dient te nemen, maar is er ook sprake van omzeiling van artikel 17, dat weliswaar een uitsluitende bevoegdheid invoert die losstaat van elke objectieve samenhang tussen de in geding zijnde rechtsbetrekking en het aangewezen gerecht (arrest Zelger, reeds aangehaald, r.o. 4), maar juist daarom de inachtneming van de aldaar geformuleerde strikte vormvoorwaarden eist.

35 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering, dat niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt aan te wijzen, niet onder artikel 5, sub 1, maar onder artikel 17 Executieverdrag valt en slechts geldig is wanneer de aldaar geformuleerde voorwaarden in acht zijn genomen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

36 De kosten door de Duitse en de Griekse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 6 maart 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 17, eerste alinea, tweede zin, derde geval, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van een in de internationale handel mondeling gesloten contract een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter wordt geacht ten aanzien van die bepaling geldig te zijn gesloten door het feit dat de ene partij bij het contract niet reageert op een bevestigingsbrief die de andere partij hem heeft gezonden, of zonder bezwaar herhaaldelijk facturen betaalt waarop een voorgedrukte aanwijzing van de bevoegde rechter voorkomt, indien een dergelijke handelwijze overeenkomt met een gebruik in de tak van de internationale handel waar de betrokken partijen werkzaam zijn, en indien deze partijen dit gebruik kennen of geacht worden het te kennen. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of een dergelijk gebruik bestaat en of de partijen bij het contract dit gebruik kenden. Er is met name sprake van een gebruik in een tak van de internationale handel wanneer de in deze tak werkzame contracterende partij bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans een bepaalde handelwijze aan de dag leggen. Dat de partijen bij het contract dit gebruik kennen, moet met name worden aangenomen wanneer zij tevoren reeds onderling of met andere in de betrokken handelstak werkzame partijen handelsbetrekkingen hadden aangeknoopt, of wanneer in die handelstak een bepaalde handelwijze bij het sluiten van een bepaald soort contracten doorgaans en regelmatig aan de dag wordt gelegd, zodat zij als een vaste praktijk kan worden aangemerkt.

2) Het Verdrag van 27 september 1968 moet aldus worden uitgelegd, dat een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering, dat niet strekt tot bepaling van de plaats waar de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie moet verrichten, maar enkel de bevoegde rechter beoogt aan te wijzen, niet onder artikel 5, sub 1, maar onder artikel 17 Executieverdrag valt en slechts geldig is wanneer de aldaar geformuleerde voorwaarden in acht zijn genomen.

Top