EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994TJ0382

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 6 juni 1996.
Confederazione Generale dell'Industria Italiana (Confindustria) en Aldo Romoli tegen Raad van de Europese Unie.
Benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité.
Zaak T-382/94.

European Court Reports 1996 II-00519

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1996:76

61994A0382

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 6 juni 1996. - Confederazione Generale dell'Industria Italiana (Confindustria) en Aldo Romoli tegen Raad van de Europese Unie. - Benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité. - Zaak T-382/94.

Jurisprudentie 1996 bladzijde II-00519


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Economisch en Sociaal Comité ° Benoemingsprocedure voor leden ° Verplichting van Raad, representativiteit van alle op nationale lijsten geplaatste kandidaten te onderzoeken ° Beoordelingsbevoegdheid van Raad ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen ° Verplichting om Commissie te raadplegen over voorgenomen benoemingen ° Draagwijdte

(EG-Verdrag, art. 195, leden 1 en 2)

2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Besluit van Raad, houdende benoeming van leden van Economisch en Sociaal Comité

(EG-Verdrag, art. 190, 194 en 195; besluit 94/660 van de Raad)

Samenvatting


1. In het kader van de benoemingsprocedure voor de leden van het Economisch en Sociaal Comité moet de Raad, om na te gaan of de samenstelling van dat Comité overeenkomstig artikel 195, lid 1, van het Verdrag op communautair niveau aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging verzekert, zelf de representativiteit van alle op de nationale lijsten geplaatste kandidaten onderzoeken en kan hij zich niet gebonden achten aan het door de Lid-Staten gemaakte onderscheid tussen hoofdkandidaten en reservekandidaten. Hij beschikt in dit verband over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zodat de toetsing door de gemeenschapsrechter beperkt moet blijven tot de vraag, of hij niet een kennelijk verkeerd gebruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt.

Bij de in artikel 195, lid 2, van het Verdrag voorgeschreven raadpleging van de Commissie moet de Raad de Commissie raadplegen over de keuze die hij voornemens is te maken uit de nationale voordrachten, en niet over die voordrachten als zodanig.

2. De door artikel 190 van het Verdrag verlangde motivering dient de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en de rechter zijn toezicht kan uitoefenen.

Besluit 94/660 van de Raad tot benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité bevat, naast de in de considerans ervan geformuleerde algemene overwegingen, per Lid-Staat een opsomming van de benoemde personen en vermeldt daarbij telkens, welke functie de betrokkene vervult of tot welke organisatie hij behoort, zodat kan worden bepaald welke economische of sociale belangen hij in het Comité kan vertegenwoordigen. Dat besluit rechtvaardigt bijgevolg genoegzaam de keuze van de leden wat de in de artikelen 194 en 195 van het Verdrag geformuleerde representativiteitsvereisten betreft, zodat het afdoende met redenen is omkleed.

Partijen


In zaak T-382/94,

Confederazione Generale dell' Industria Italiana (Confindustria), vereniging naar Italiaans recht, gevestigd te Rome,

en

A. Romoli, wonende te Milaan,

vertegenwoordigd door F. Capelli, advocaat te Milaan, en L. Schiltz, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Rue du Fort Rheinsheim 2,

verzoekers,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Maganza en A. Tanca, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Kirchberg,

verweerder,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit 94/660/EG, Euratom van de Raad van 26 september 1994 tot benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 1994 tot en met 20 september 1998 (PB 1994, L 257, blz. 20),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, P. Lindh en J. D. Cooke, rechters,

griffier: P. González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 februari 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De toepasselijke bepalingen

1 Volgens artikel 193 EG-Verdrag wordt een Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC") van raadgevende aard ingesteld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende sectoren van het economische en sociale leven, met name van de producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, van de vrije beroepen en van het algemeen belang.

2 Artikel 194, eerste alinea, EG-Verdrag verdeelt de zetels van het ESC onder de Lid-Staten. Luidens artikel 194, tweede alinea, worden de leden van het ESC door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Volgens artikel 194, derde alinea, mogen de leden van het ESC niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat en oefenen zij hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

3 Artikel 195 EG-Verdrag luidt als volgt:

"1. Met het oog op de benoeming van de leden van het Comité, zendt elke Lid-Staat aan de Raad een lijst waarop tweemaal zoveel kandidaten voorkomen als er zetels toegekend zijn voor zijn onderdanen.

Bij de samenstelling van het Comité moet rekening worden gehouden met de noodzaak, aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging te verzekeren.

2. De Raad raadpleegt de Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Gemeenschap."

De feiten

4 Met het oog op de vernieuwing van het ESC voor de periode van 21 september 1994 tot en met 20 september 1988, deed het secretariaat-generaal van de Raad de groep Algemene zaken op 8 april 1994 een inleidende nota toekomen. In die nota werd in het bijzonder beklemtoond, dat het van belang was dat de benoeming van de leden uiterlijk begin september 1994 zou plaatsvinden, zodat de werkzaamheden van de secties van het ESC zonder onderbreking zouden kunnen worden voortgezet. Voorts werd gesuggereerd, dat zou kunnen worden overeengekomen dat de Raad het benoemingsbesluit in de maand juli 1994 zou vaststellen, met dien verstande dat het mandaat van de nieuwe leden pas op 21 september 1994 zou ingaan.

5 In de betrokken nota wordt de binnen de Raad te volgen procedure als volgt samengevat:

"a) elke Lid-Staat zendt aan de Raad een lijst waarop tweemaal zoveel kandidaten voorkomen als er zetels zijn toegekend voor zijn onderdanen;

b) de groep algemene zaken bestudeert deze lijst, teneinde een evenwichtige samenstelling van het Comité te verzekeren;

c) het Coreper maakt een selectie uit de kandidaten;

d) de Commissie wordt over deze selectie geraadpleegd;

e) de Raad stelt een besluit vast waarbij de leden van het Comité voor een periode van vier jaar worden benoemd;

(...)"

6 Bij zijn volgens de zogeheten "A-punten"-procedure vastgestelde besluit 94/660/EG, Euratom van 26 september 1994 tot benoeming van de leden van het Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 1994 tot en met 20 september 1998 (PB 1994, L 257, blz. 20; hierna: "besluit 94/660"), heeft de Raad de leden van het ESC voor de betrokken periode benoemd. De Italiaanse leden zijn die welke door de Italiaanse autoriteiten als hoofdkandidaten waren voorgedragen. Drie van die 24 Italiaanse leden zijn aangesloten bij de eerste verzoekster.

7 De eerste verzoekster, Confindustria, is een vereniging naar Italiaans recht, die onder meer ten doel heeft, op nationaal, communautair en internationaal vlak op te komen voor de belangen van de Italiaanse producerende en dienstverlenende bedrijven in hun betrekkingen met instellingen en administraties alsmede met vak-, economische, politieke en sociale organisaties.

8 De tweede verzoeker, A. Romoli, is aangesloten bij Confindustria. Hij is gedurende vier achtereenvolgende perioden lid geweest van het ESC, te weten van 19 september 1978 tot en met 20 september 1994. In 1994 werd hij door de Italiaanse regering als reservekandidaat voorgedragen en hij is door de Raad niet meer benoemd voor de periode van 21 september 1994 tot en met 20 september 1998.

9 In deze omstandigheden hebben verzoekers bij op 2 december 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.

10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Raad evenwel verzocht bepaalde documenten over te leggen.

11 Ter terechtzitting van 15 februari 1996 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord. Tijdens die terechtzitting heeft de Raad op verzoek van het Gerecht een bijdrage aan het summiere verslag van de vergadering van het Coreper van 21 september 1994 overgelegd. Het Gerecht heeft akte genomen van een verklaring van de gemachtigde van de Raad, volgens welke dit stuk, ook al geeft het de discussie weer die tijdens genoemde vergadering van 21 september 1994 heeft plaatsgevonden, niet als een officieel document van de Raad kan worden beschouwd.

Conclusies van partijen

12 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:

° het beroep ontvankelijk te verklaren;

° besluit 94/660 nietig te verklaren;

° de Raad te verwijzen in de kosten van het geding.

13 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:

° het door de eerste verzoekster ingestelde beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;

° het door de tweede verzoeker ingestelde beroep ongegrond te verklaren;

° verzoekers te verwijzen in de kosten van het geding.

De ontvankelijkheid

14 De Raad is van mening, dat de eerste verzoekster niet individueel door besluit 94/660 wordt geraakt, in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, en dat het beroep bijgevolg niet-ontvankelijk is, voor zover het door deze verzoekster is ingesteld.

15 Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof (arrest Hof van 30 juni 1988, zaak 297/86, CIDA e.a., Jurispr. 1988, blz. 3531, r.o. 13) wordt de tweede verzoeker individueel door besluit 94/660 geraakt, hetgeen de Raad overigens niet betwist. Nu het beroep ontvankelijk is wat de tweede verzoeker betreft, behoeft dus niet te worden onderzocht, of de eerste verzoekster procesbevoegd is, daar het om één en hetzelfde beroep gaat (arrest Hof van 24 maart 1993, zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125, r.o. 31).

Ten gronde

16 Verzoekers voeren tot staving van hun beroep twee middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van artikel 195 en van artikel 190 EG-Verdrag.

Het eerste middel: schending van artikel 195 EG-Verdrag

Argumenten van partijen

17 Volgens verzoekers is artikel 195 van het Verdrag in drie opzichten geschonden: in de eerste plaats heeft de Raad de door de Italiaanse regering ingediende lijst niet onderzocht en zijn er onregelmatigheden begaan bij de raadpleging van de Commissie; in de tweede plaats is de representativiteit van bepaalde kandidaten onjuist beoordeeld, en in de derde plaats is daardoor de sector industriële ondernemingen onvoldoende vertegenwoordigd in het ESC. Verzoekers beklemtonen dat, wat het bewijs van de onregelmatigheid van het bestreden besluit betreft, deze argumenten te zamen en niet afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen.

18 Wat meer in het bijzonder het eerste argument betreft, voeren verzoekers aan, dat de Raad zelfs geen poging heeft gedaan om de representativiteit van de op de ingediende lijsten geplaatste kandidaten zelf te beoordelen. In plaats van een keuze te maken uit de 48 door Italië voorgedragen kandidaten, heeft hij eenvoudig zonder discussie de lijst van hoofdkandidaten overgenomen en daarmee alle reservekandidaten buitenspel gezet.

19 Ter beoordeling van de regelmatigheid van de gevolgde procedure, vragen verzoekers in repliek tevens om overlegging van het advies van de Commissie.

20 Met betrekking tot het tweede argument voeren verzoekers aan, dat het bewijs van de schending van artikel 195 ook voortvloeit uit, onder meer, de onjuiste beoordeling van de representativiteit van A. Romoli, die van 1978 tot en met 1994 lid is geweest van het ESC, waarbij hij vanaf 1982 de functie van voorzitter van de sectie "Energie, nucleaire zaken en onderzoek" heeft vervuld. Zij zijn van mening, dat de herbenoeming van Romoli enkel is uitgebleven omdat zijn naam niet voorkwam op de lijst van hoofdkandidaten, en vergelijken zijn situatie met die van een ander oud-lid, dat, geplaatst op de lijst van hoofdkandidaten, wél is herbenoemd voor de periode 1994-1998.

21 Naar het oordeel van verzoekers heeft de Raad ook een op de representativiteit betrekking hebbende beoordelingsfout gemaakt, door tot lid van het ESC te benoemen een persoon die is aangesloten bij de Associazione Liberi Imprenditori Autonomisti (ALIA) (E. Amato), een organisatie die in werkelijkheid in heel Italië slechts een honderdtal leden telt en die, in plaats van een economische sector te vertegenwoordigen, in feite slechts een vereniging van door een politieke ideologie met elkaar verbonden hoofden van ondernemingen is.

22 Met hun derde argument ten slotte betogen verzoekers, dat de sector industriële ondernemingen thans is ondervertegenwoordigd in het ESC. Dit zou blijken uit een vergelijking tussen de verhouding vertegenwoordigers/vertegenwoordigden in de huidige periode en die in de vorige periode.

23 De Raad antwoordt, dat de door verzoekers aangevoerde elementen geenszins aantonen, dat de samenstelling van het ESC, zoals deze voortvloeit uit het bestreden besluit, geen rekening houdt met de in artikel 195, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag vermelde criteria.

24 Hij stelt, dat de leden van het ESC in volledige onafhankelijkheid worden benoemd als vertegenwoordigers van de verschillende sectoren van het economische en sociale leven, en niet als vertegenwoordigers van verenigingen. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof, dat die vertegenwoordiging op communautair en niet op nationaal niveau moet worden beoordeeld (arrest CIDA e.a., reeds aangehaald). De Raad is dan ook van mening, dat geen van de drie door verzoekers aangevoerde argumenten aantoont, dat het bestreden besluit niet voldoet aan het criterium, dat een passende vertegenwoordiging van de verschillende sociaal-economische sectoren in de Gemeenschap moet worden verzekerd.

Beoordeling door het Gerecht

25 Verzoekers betogen om te beginnen, dat de Raad de door Italië ingediende lijst van hoofdkandidaten eenvoudig heeft overgenomen, zonder een eigen oordeel te vellen over de representativiteit van de Italiaanse kandidaten.

26 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de Raad, om na te gaan of de samenstelling van het ESC op communautair niveau aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging verzekert, zelf de representativiteit van alle op de nationale lijsten geplaatste kandidaten moet onderzoeken, en zich niet gebonden kan achten aan het door de Lid-Staten gemaakte onderscheid tussen hoofdkandidaten en reservekandidaten (zie arrest CIDA e.a., reeds aangehaald, r.o. 24).

27 In casu kan uit het enkele feit dat de Raad alle door Italië voorgedragen hoofdkandidaten heeft benoemd, niet worden afgeleid, dat hij niet zelf hun representativiteit heeft onderzocht.

28 Bovendien blijkt uit de documenten die de Raad op verzoek van het Gerecht heeft overgelegd, dat de door Italië voorgestelde lijst van hoofdkandidaten niet zonder discussie binnen de Raad is overgenomen. Die documenten laten namelijk zien, dat telkens wanneer bij de groep Algemene zaken een nationale lijst binnenkwam, die groep een eerste selectie van kandidaten maakte en aan het Coreper zowel een lijst van alle door de betrokken Lid-Staat voorgedragen kandidaten deed toekomen, als een lijst van kandidaten waarvan het Coreper, behoudens het advies van de Commissie, de benoeming zou kunnen overwegen. De Italiaanse en de Franse lijst werden op 19 september 1994 aan het Coreper toegestuurd.

29 Evenzo blijkt uit het door de Raad ter terechtzitting overgelegde document (zie hiervoor, r.o. 11), dat de kwestie van de benoeming van de leden van het ESC vervolgens op de Coreper-vergadering van 21 september 1994 werd besproken en dat het Coreper tijdens die vergadering het ontwerpbesluit kon vaststellen dat aan de Raad zou worden overgelegd om als "A-punt" te worden afgehandeld, onder het voorbehoud dat de Commissie in de tussentijd haar advies had uitgebracht over de laatste lijsten.

30 Tijdens die vergadering konden de leden van het Coreper hun eventuele twijfels ten aanzien van de vraag, of de door de groep Algemene zaken voorgestelde samenstelling van het ESC van dien aard was, dat aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging werd verzekerd, naar voren brengen. Geen enkel element rechtvaardigt de conclusie, dat zij de representativiteit van de voorgedragen kandidaten niet hebben onderzocht.

31 De door de Raad op verzoek van het Gerecht overgelegde documenten bevestigen bovendien, dat ook de Commissie de mening was toegedaan, dat besluit 94/660 aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging zou verzekeren.

32 Dienaangaande blijkt uit het arrest CIDA e.a., reeds aangehaald, dat de in artikel 195, lid 2, van het Verdrag voorgeschreven raadpleging van de Commissie beoogt de Commissie in staat te stellen "de Raad bij te staan in diens taak om de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging in het ESC te verzekeren", en dat de "Raad (...) de Commissie dus [moet] raadplegen over de keuze die hij voornemens is te maken uit de nationale voordrachten, en niet over die voordrachten als zodanig" (r.o. 28).

33 In casu nu blijkt uit de documenten die de Raad op verzoek van het Gerecht heeft overgelegd, dat het secretariaat-generaal van de Raad tussen 22 juli en 20 september 1994 in het kader van de raadplegingsprocedure aan de Commissie voor elke Lid-Staat hetzij een lijst deed toekomen van kandidaten waarvan het Coreper de benoeming aanbeval, hetzij een voorlopige lijst van kandidaten waarvan het Coreper de benoeming zou kunnen overwegen.

34 Blijkens het ter terechtzitting overgelegde document (zie hiervoor, r.o. 11) heeft de Commissie deelgenomen aan de vergadering van het Coreper van 21 september 1994, waarop de benoeming van de leden van het ESC ter sprake kwam, en heeft zij bij die gelegenheid kennis kunnen nemen van de definitieve lijst van kandidaten waarvan het Coreper de benoeming aanbeval.

35 Bij tussen 27 juli en 23 september 1994 aan het secretariaat-generaal van de Raad gezonden brieven bracht de Commissie een gunstig advies uit over de verschillende nationale lijsten. Bij de verzending van de laatste brief, op 23 september 1994, waarin zij positief adviseerde ten aanzien van de Franse en de Italiaanse lijst, was de Commissie dus op de hoogte van de samenstelling van het ESC in zijn geheel, zoals die door het Coreper werd beoogd, en kon zij derhalve alle door haar gewenste opmerkingen maken. Vastgesteld moet worden, dat zij enkel een gunstig advies uitbracht.

36 Verzoekers stellen voorts, dat het bewijs van de schending van artikel 195 van het Verdrag ook voortvloeit uit de onjuiste beoordeling van de representativiteit van de heren Amato en Romoli.

37 Voor zover verzoekers betogen, dat de onjuiste beoordeling van de representativiteit van Amato blijkt uit het feit, dat deze er ten tijde van de samenstelling van de werkgroepen binnen het ESC voor heeft gekozen, de vrije beroepen en niet de producenten te vertegenwoordigen, is het Gerecht van oordeel, dat verzoekers niet hebben aangetoond, dat deze kandidaat is voorgedragen en benoemd om de belangen van de producenten te vertegenwoordigen. Uit de tijdens de procedure overgelegde documenten blijkt namelijk, dat de Raad zich terdege bewust was van de identiteit van de vereniging waarvan Amato afkomstig was, zodat hij in staat was de representativiteit van die kandidaat ten opzichte van de verschillende sectoren van het economische en sociale leven te beoordelen.

38 Bovendien hebben verzoekers niet uiteengezet, om welke redenen Amato, die het vrije beroep van advocaat heeft uitgeoefend, niet in staat zou zijn op adequate wijze de belangen te vertegenwoordigen van het economische en sociale leven waarvan de ALIA een afspiegeling is.

39 Wat de tweede verzoeker betreft, kan worden volstaan met de opmerking, dat uit de omstandigheid dat de Raad heeft besloten hem niet tot lid van het ESC te benoemen, niet kan worden afgeleid, dat de Raad zijn representativiteit onjuist heeft beoordeeld.

40 Ten slotte moet worden onderzocht, of, zoals verzoekers beweren, besluit 94/660 niet een passende vertegenwoordiging verzekert aan de producenten.

41 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de door artikel 195, lid 1, EG-Verdrag verlangde passende vertegenwoordiging moet worden verzekerd op communautair niveau en dat het wegens het beperkte aantal zetels is uitgesloten, dat elk onderdeel van elke sector van het economische en sociale leven door onderdanen van elk van de Lid-Staten wordt vertegenwoordigd (arrest CIDA e.a., reeds aangehaald, r.o. 17 en 19).

42 Bovendien beschikt de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid om op communautair niveau aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging te verzekeren, zodat de toetsing door de gemeenschapsrechter beperkt moet blijven tot de vraag, of de Raad niet een kennelijk verkeerd gebruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt (arrest CIDA e.a., reeds aangehaald, r.o. 18).

43 In casu hebben verzoekers niet aangetoond, dat besluit 94/660 op communautair niveau aan de producenten niet een passende vertegenwoordiging in het ESC verzekert. Zij hebben zich immers bepaald tot de Italiaanse context en geen elementen naar voren gebracht aan de hand waarvan het Gerecht zou kunnen beoordelen, of het ESC in zijn geheel de belangen van de producenten op passende wijze kan vertegenwoordigen. Aangenomen dat, zoals verzoekers stellen, het aantal Italiaanse vertegenwoordigers van de producenten inderdaad is verminderd, dan nog kan hieruit dus niet worden afgeleid, dat het ESC op communautair niveau niet een passende vertegenwoordiging verzekert aan de producenten.

44 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 195 van het Verdrag, moet worden afgewezen.

Het tweede middel: schending van artikel 190 van het Verdrag

Argumenten van partijen

45 Volgens verzoekers is het bestreden besluit in het geheel niet met redenen omkleed, waardoor rechterlijke toetsing van de handeling door het Gerecht onmogelijk is.

46 Verzoekers stellen, dat de enkele herhaling van de tekst van artikel 195 van het Verdrag in de considerans van het bestreden besluit, niet als een toereikende motivering kan worden beschouwd (arresten Hof van 4 juli 1963, zaak 24/62, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1963, blz. 137; 26 juni 1986, zaak 203/85, Nicolet Instrument, Jurispr. 1986, blz. 2049, en 21 november 1991, zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469).

47 De Raad antwoordt, dat het bestreden besluit aan het motiveringsvereiste voldoet, daar het de belangrijkste feitelijke en juridische elementen waarop het gebaseerd is, vermeldt.

48 Waar het gaat om een besluit tot benoeming van 189 leden van het ESC, ziet de Raad niet in, hoe hij op gedetailleerde wijze had kunnen uiteenzetten, waarom hij de uitverkoren kandidaten heeft benoemd en de andere heeft afgewezen.

Beoordeling door het Gerecht

49 Volgens vaste rechtspraak (zie bij voorbeeld arrest Hof van 7 mei 1991, zaak C-69/89, Nakajima, Jurispr. 1991, blz. I-2069, r.o. 14) dient de door artikel 190 van het Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigden, en de rechter zijn toezicht kan uitoefenen.

50 Het Gerecht stelt vast, dat besluit 94/660, naast de in de considerans ervan geformuleerde overwegingen, per Lid-Staat een opsomming bevat van de tot lid van het ESC benoemde personen en daarbij telkens vermeldt, welke functie de betrokkene vervult of tot welke organisatie hij behoort, zodat kan worden bepaald welke economische en sociale belangen hij in het ESC kan vertegenwoordigen. Aldus opgesteld, rechtvaardigt besluit 94/660 genoegzaam de keuze van de leden van het ESC wat de in de artikelen 194 en 195 van het Verdrag geformuleerde representativiteitsvereisten betreft, en is het bijgevolg afdoende met redenen omkleed.

51 Hieruit volgt, dat dit middel moet worden afgewezen.

52 Daar geen van de door verzoekers aangevoerde middelen is aanvaard, moet het beroep worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

53 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij hoofdelijk in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst verzoekers hoofdelijk in de kosten.

Top