EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994TJ0380

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer - uitgebreid) van 12 december 1996.
Association internationale des utilisateurs de fils de filaments artificiels et synthétiques et de soie naturelle (AIUFFASS) en Apparel, Knitting & Textiles Alliance (AKT) tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Beroep tot nietigverklaring - Staatssteun - Textiel - Vakvereniging - Ontvankelijkheid - Kennelijke beoordelingsfout - Overcapaciteit.
Zaak T-380/94.

European Court Reports 1996 II-02169

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1996:195

61994A0380

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer - uitgebreid) van 12 december 1996. - Association internationale des utilisateurs de fils de filaments artificiels et synthétiques et de soie naturelle (AIUFFASS) en Apparel, Knitting & Textiles Alliance (AKT) tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Beroep tot nietigverklaring - Staatssteun - Textiel - Vakvereniging - Ontvankelijkheid - Kennelijke beoordelingsfout - Overcapaciteit. - Zaak T-380/94.

Jurisprudentie 1996 bladzijde II-02169


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Beschikking van Commissie houdende goedkeuring van staatssteun - Beroep van verenigingen waarbij belangrijkste internationale en nationale producenten in betrokken sector zijn aangesloten en die hebben deelgenomen aan administratieve procedure tot vaststelling van beschikking en die bij Commissie actieve rol hebben gespeeld met betrekking tot steunmaatregelen in genoemde sector - Ontvankelijkheid

(EG-Verdrag, art. 93, lid 2, en 173, vierde alinea)

2 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Goedkeuring van regionale steun aan onderneming in textielsector - Afweging van doelstellingen van vrije mededinging en communautaire solidariteit - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Rechterlijke toetsing - Grenzen

(EG-Verdrag, art. 92, lid 3, sub a en c)

3 Beroep tot nietigverklaring - Beschikking inzake steunmaatregelen - Grieven die niet in administratieve procedure waren aangevoerd - Ontvankelijkheid

(EG-Verdrag, art. 93, lid 2, en 173)

Samenvatting


4 Een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door een ondernemingsvereniging die niet de adressaat van de bestreden handeling is, is in twee gevallen ontvankelijk. Het eerste geval doet zich voor, wanneer de vereniging een eigen procesbelang heeft, in het bijzonder omdat haar positie als onderhandelaar is beïnvloed door de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd. Van het tweede geval is sprake, wanneer de vereniging zich door het instellen van haar beroep in de plaats heeft gesteld van één of meer van de door haar vertegenwoordigde leden, mits haar leden zelf een ontvankelijk beroep hadden kunnen instellen.

Hoewel een besluit van de Commissie tot goedkeuring van nationale steun aan een onderneming tot de betrokken Lid-Staat is gericht, worden de verenigingen van de belangrijkste internationale en nationale producenten in de betrokken sector die hebben deelgenomen aan de administratieve procedure die tot de vaststelling van het besluit heeft geleid en die in het belang van hun leden of van leden van hun leden stappen hebben ondernomen betreffende zowel het algemene beleid inzake staatssteun als concrete steunvoornemens in deze sector, daardoor rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, wanneer het geen enkele twijfel lijdt, dat de nationale autoriteiten aan het goedgekeurde steunvoornemen gevolg willen geven.

5 Met betrekking tot regionale steunmaatregelen regelt artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag twee afwijkingen van de vrije mededinging, gebaseerd op het streven naar communautaire solidariteit, een fundamentele doelstelling van het Verdrag, zoals uit de preambule blijkt. In de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid dient de Commissie ernaar te streven de doelstellingen van vrije mededinging en communautaire solidariteit met elkaar in overeenstemming te brengen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het belang van de communautaire solidariteit verschilt naar gelang van het geval: in de in lid 3, sub a, beschreven crisissituaties is het overwicht van de solidariteit op de mededinging groter dan in de in lid 3, sub c, genoemde gevallen. In dat kader is de Commissie gehouden de sectoriële gevolgen van de voorgenomen regionale steun te beoordelen, zelfs ten aanzien van regio's die onder lid 3, sub a, zouden kunnen vallen, teneinde te vermijden dat via een steunmaatregel op gemeenschapsniveau een sectorieel probleem ontstaat dat ernstiger is dan het aanvankelijke regionale probleem.

Bij de afweging van deze doelstellingen beschikt de Commissie evenwel met betrekking tot voorgenomen steun die bestemd is voor de ontwikkeling van een onder lid 3, sub a, vallende regio, over een ruimere discretionaire bevoegdheid dan ten aanzien van een identiek steunvoornemen betreffende een onder lid 3, sub c, vallende regio, daar lid 3, sub a, anders geen nut zou hebben.

De rechterlijke toetsing van een in dit kader gegeven beschikking dient zich te beperken tot de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. De gemeenschapsrechter dient met name zijn beoordeling op economisch vlak niet in de plaats te stellen van de beoordeling van de opsteller van de beschikking.

Wanneer de voorgenomen steun bestemd is voor een onderneming in de textielsector, dient de gemeenschapsrechter echter ook na te gaan, of de Commissie zich heeft gehouden aan de richtsnoeren die zij zichzelf ten aanzien van deze sector heeft opgelegd.

Teneinde in het kader van deze rechterlijke toetsing te kunnen vaststellen of de Commissie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt, moeten de door de verzoekers aangevoerde bewijzen afdoende zijn om de in de beschikking weergegeven beoordeling van de feiten te ontzenuwen.

6 Ter zake van steunmaatregelen van staten belet - bij gebreke van een bepaling van die strekking - een persoon die rechtstreeks en individueel wordt geraakt door een tot een derde gerichte beschikking en die daartegen een beroep tot nietigverklaring instelt, niets om tegen een bij de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, bekendgemaakte beoordeling die in de beschikking is overgenomen, grieven aan te voeren die hij niet had genoemd in de tijdens de administratieve procedure gemaakte opmerkingen.

Partijen


In zaak T-380/94,

Association internationale des utilisateurs de fils de filaments artificiels et synthétiques et de soie naturelle (AIUFFASS), vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Gent (België),

Apparel, Knitting & Textiles Alliance (AKT), vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door M. Waelbroeck en J. Stuyck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,

verzoeksters,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.-P. Keppenne en B. Smulders, vervolgens door X. Lewis en B. Smulders, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

ondersteund door

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, en tijdens de mondelinge behandeling door R. Plender, QC, van de balie van Engeland en Wales, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,

interveniënt,

betreffende een verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 31 mei 1994, vervat in bekendmaking 94/C 271/06 van de Commissie, waarbij overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub a en c, EG-Verdrag de regering van het Verenigd Koninkrijk toestemming wordt verleend om aan Hualon Corporation steun ten bedrage van 61 miljoen UKL te verlenen voor de oprichting van een textielfabriek in Noord-Ierland (PB 1994, C 271, blz. 5),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Vijfde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, K. Lenaerts, V. Tiili, J. Azizi en R. J. Moura Ramos, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 10 juli 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


Toepasselijke bepalingen

1 Artikel 92, lid 3, EG-Verdrag machtigt de Commissie om, in afwijking van het verbod van steunmaatregelen van de staten die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren:

"a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst,

(...)

c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad."

2 Volgens mededeling 88/C 212/02 van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, sub a en c, op regionale steunmaatregelen (PB 1988, C 212, blz. 2, punt I.4 en bijlage I), behoort Noord-Ierland tot de in dat artikel sub a bedoelde landen.

3 Noord-Ierland komt bovendien in aanmerking voor onder doelstelling 1 vallende projecten [Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de cooerdinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB 1988, L 185, blz. 9), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB 1993, L 193, blz. 5)]

4 Verweerster heeft regels op het gebied van de verlening van staatssteun aan ondernemingen in de textielsector vastgesteld in haar mededeling aan de Lid-Staten SEC(71) 363 def. van 30 juli 1971 (Commissie van de Europese Gemeenschappen: Mededingingsrecht in de Europese Gemeenschappen, deel II, 1990, blz. 47-50; hierna: "mededeling van 1971") en in haar brief aan de Lid-Staten SG(77) D/1190 van 4 februari 1977 en bijlage [doc. SEC(77) 317 van 25 januari 1977 (Commissie van de Europese Gemeenschappen: Mededingingsrecht in de Europese Gemeenschappen, deel II, 1990, blz. 51-54); hierna: "brief van 1977"].

5 Een van de in de mededeling van 1971 gestelde voorwaarden is, dat de steunmaatregelen "niet leiden tot uitbreiding van de produktiecapaciteit". Steun aan investeringen mag "alleen bij wijze van uitzondering" worden toegekend, aangezien deze steunmaatregelen een duidelijk merkbare invloed op de concurrentiepositie hebben. Deze maatregelen "zouden gemotiveerd moeten zijn door bijzonder ernstige problemen van sociale aard" en "een toepassingsgebied (moeten) hebben dat strikt begrensd is tot uitsluitend deze activiteiten in de textielindustrie, welke tegelijk door bijzonder dringende, sociale problemen en door ernstige aanpassingsmoeilijkheden getroffen zijn". Zij moeten "ten doel hebben, de begunstigden op korte termijn voldoende concurrentievermogen te verschaffen om zich te doen gelden op de internationale textielmarkt, met name in verband met het principiële streven de textielmarkten op wereldniveau geleidelijk te openen". De mededeling schrijft tevens voor, dat "de eisen van een dynamische ontwikkeling van de structuren in de Gemeenschap" in aanmerking worden genomen.

6 In haar brief van 1977 geeft verweerster te kennen, dat "voorkomen moet worden dat een nieuwe overcapaciteit in de produktiesfeer wordt geschapen bij die activiteiten in de sector, waar de reeds bestaande overcapaciteit een structureel en blijvend karakter draagt". In de bijlage bij deze brief wordt toegelicht "dat het begrip overcapaciteit doet veronderstellen dat voldoende uiteenlopende subbranches in aanmerking worden genomen" en "bovendien moet worden beoordeeld naar de te verwachten ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden". Vervolgens wordt gesteld, dat "iedere specifieke steunmaatregel van een Lid-Staat, gericht op invoering van nieuwe capaciteiten in bepaalde branches van de textiel- en confectiesector waar reeds een toestand van structurele overcapaciteit of aanhoudende stagnatie heerst, moet worden vermeden".

De feiten

7 Op 21 december 1992 stelde de regering van het Verenigd Koninkrijk de Commissie in kennis van een voornemen tot steunverlening aan Hualon Corporation (hierna: "Hualon"), een pas opgerichte textielonderneming te Belfast, Noord-Ierland. De vennootschap behoort tot het Taiwanese concern Hualon, dat actief is in de sector synthetische weefsels, voornamelijk polyamide.

8 De voorgenomen steun, met een intensiteit van 38 %, zou 61 miljoen UKL bedragen, voor een investering van in totaal 157 miljoen UKL.

9 De investering zou in vier fasen moeten plaatsvinden, gespreid over zeven jaar, ten behoeve van de produktie van ongeveer 23 000 of 23 500 ton afgewerkte polyester- en polyamideweefsels en gemengde katoenweefsels, zijnde 140 tot 200 miljoen meter per jaar. De werkzaamheden van Hualon betreffen in de eerste plaats het verven en afwerken van polyester- en polyamideweefsels (eerste fase), het weven van katoenweefsels en gemengde weefsels van katoen en polyester (tweede fase), het weven van polyamide- en polyesterweefsels (derde fase) en het spinnen van katoen (vierde fase).

10 Bij de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 5 oktober 1993 gepubliceerde mededeling maande verweerster de Lid-Staten en andere belanghebbenden aan, haar hun opmerkingen over de voorgenomen maatregelen kenbaar te maken, overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het Verdrag (mededeling 93/C 269/06 van de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag aan de overige Lid-Staten en andere belanghebbenden betreffende de steun welke het Verenigd Koninkrijk voornemens is te verlenen aan de firma Hualon Corporation, PB 1993, C 269, blz. 8).

11 In alle opmerkingen van de andere belanghebbenden en de overige Lid-Staten werd hoofdzakelijk gewezen op de problemen van de overcapaciteit en de alom stagnerende vraag naar textielprodukten in de Gemeenschap.

12 Apparel, Knitting & Textiles Alliance (AKT), een vennootschap naar Engels recht (private limited company), die via haar enig lid, de British Apparel & Textile Confederation (BATC), 80 % van de kleding- en textielindustrie in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt, diende op 3 september 1993 haar opmerkingen in. De Association internationale des utilisateurs de fils de filaments artificiels et synthétiques et de soie naturelle (AIUFFASS), die via de bij haar aangesloten verenigingen 90 % van de Europese weverijen van garens van kunstvezels en synthetische vezels vertegenwoordigt, maakte op 21 oktober 1993 haar opmerkingen kenbaar.

13 Bij beschikking van 31 mei 1994 keurde verweerster het project goed overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, EER-Overeenkomst (hierna: "beschikking"); de beschikking is weergegeven in bekendmaking 94/C 271/06 van de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 2, van het EG-Verdrag, aan de overige Lid-Staten en andere belanghebbenden, betreffende steun welke het Verenigd Koninkrijk heeft besloten te verlenen aan Hualon Corporation, Noord-Ierland (PB 1994, C 271, blz. 5; hierna: "bekendmaking").

14 In de bekendmaking wordt toegelicht, dat het steunvoornemen in aanmerking kan komen voor de in artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag bedoelde afwijking, aangezien de steun ten goede zou komen aan een zeer achtergestelde regio van de Gemeenschap, die met ernstige werkloosheidsproblemen te kampen heeft (regio van doelstelling 1). Het project zou de betrokken regio rechtstreeks 1 800 arbeidsplaatsen opleveren, hetgeen overeenkomt met 10,8 % van het aantal werklozen in Noord- en West-Belfast, waaruit het grootste deel van de arbeidskrachten zou komen, en met 1,7 % van het totale aantal werklozen in Noord-Ierland. Daarnaast zou het project de lokale economie indirect nog eens 500 arbeidsplaatsen opleveren. Tot slot zou van het welslagen van de onderneming een aanzuigende werking kunnen uitgaan in een regio die grote moeite heeft met het aantrekken van investeringen (28e tot en met 31e alinea van de bekendmaking).

15 Verweerster verklaart, bij de beoordeling van het project vanuit de optiek van artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag de positieve regionale gevolgen van de geplande investering te hebben afgewogen tegen de potentiële negatieve gevolgen voor de totale produktiecapaciteit en de mededinging (64e alinea). Zij meent dat de - in de voorgaande rechtsoverweging beschreven - positieve regionale gevolgen van het steunvoornemen zwaarder wegen dan de negatieve gevolgen voor de produktiecapaciteit en de mededinging, gelet op de verwachte ontwikkeling van de economische context waarin de nieuwe produktiecapaciteit van Hualon zich zal bevinden wanneer haar produkten op de markt zullen komen. Volgens de bekendmaking zal Hualon in seriefabricage weefsels produceren met een geringe toegevoegde waarde, "een $niche' die anders door ingevoerde produkten zou worden ingenomen, zonder dat de ontwikkeling van de geïnstalleerde capaciteit hierdoor belangrijk zal worden beïnvloed" (59e alinea van de bekendmaking).

16 Het project zou zelfs "een positief omkerend effect hebben op de delokalisatie van de Europese textielindustrie naar de tegen lage factorkosten producerende landen buiten de Europese Unie" (64e alinea). Hoewel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer binnen de Gemeenschap plaatsvindt, door de steun zouden kunnen worden veranderd, worden deze volgens verweerster niet zodanig veranderd, dat daardoor het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (64e alinea). Na de verwachte effecten van de investering op de mededinging in de Gemeenschap te hebben vergeleken met de uiterst belangrijke gevolgen ervan voor de economische ontwikkeling van de betrokken regio, concludeert verweerster, dat is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de afwijking waarin artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag en artikel 61, lid 3, EER-Overeenkomst voorzien (65e alinea).

Procesverloop

17 Verzoeksters hebben hun inleidend verzoekschrift neergelegd op 29 november 1994.

18 Bij op 1 maart 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verweerster een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, stellende dat verzoeksters niet individueel worden geraakt en dat het beroep van AKT te laat is ingesteld.

19 Verzoeksters hebben op 15 mei 1995 hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.

20 Op 14 september heeft het Gerecht besloten om zich bij de beslissing ten gronde over de niet-ontvankelijkheid uit te spreken.

21 Bij beschikking van diezelfde datum heeft het Gerecht de regering van het Verenigd Koninkrijk toestemming verleend om te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.

22 Op 16 februari 1996 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 64, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering verzoeksters schriftelijke vragen gesteld met betrekking tot de ontvankelijkheid. Op 13 juni 1996 heeft het partijen schriftelijke vragen gesteld betreffende de grond van de zaak.

Conclusies van partijen

23 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage: - het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de beschikking waarbij verweerster overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft toegestaan 61 miljoen UKL steun te verlenen aan Hualon, nietig te verklaren;

- verweerster in de kosten te verwijzen.

24 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verweerster dat het het Gerecht behage:

- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat verzoeksters niet individueel worden geraakt;

- subsidiair, het beroep ten aanzien van AKT niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van actieve deelneming aan de procedure;

- meer subsidiair, het beroep ten aanzien van AKT niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het te laat is ingesteld.

25 In haar verweerschrift concludeert verweerster dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoeksters in de kosten te verwijzen.

26 Interveniënt concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoeksters te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die van interveniënt.

De ontvankelijkheid van het beroep

Argumenten van partijen

27 Verweerster bestrijdt de ontvankelijkheid van het beroep. Volgens haar dient de ontvankelijkheid van een beroep inzake staatssteun verschillend te worden beoordeeld al naar gelang de soort beschikking. De in de arresten van het Hof van 19 mei 1993 (zaak C-198/91, Cook, Jurispr. 1993, blz. I-2487) en 15 juni 1993 (zaak C-225/91, Matra, Jurispr. 1993, blz. I-3203) geformuleerde beginselen zijn van toepassing wanneer de Commissie op de grondslag van artikel 93, lid 3, van het Verdrag een steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart, zonder de in artikel 93, lid 2, bedoelde procedure aan te vangen. Volgens die rechtspraak kunnen degenen voor wie de in dat artikel geregelde procedurele waarborgen bedoeld zijn, slechts de eerbiediging daarvan afdwingen indien zij het na afloop van de procedure genomen besluit kunnen aanvechten. Indien evenwel, zoals in casu, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag is ingeleid, is het door de concurrenten van de steunontvanger tegen een goedkeuringsbeschikking ingestelde beroep slechts ontvankelijk, indien zij actief hebben deelgenomen aan de administratieve procedure en de bestreden handeling hun positie op de markt wezenlijk heeft aangetast (arrest Hof van 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz e.a., Jurispr. 1986, blz. 391).

28 Voorts is een vereniging slechts ontvankelijk, wanneer zij een eigen belang, los van dat van de bij haar aangesloten ondernemingen, geldend kan maken (arresten Hof van 2 februari 1988, gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Van der Kooy e.a., Jurispr. 1988, blz. 219, en 24 maart 1993, zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125). De arresten van het Hof van 4 oktober 1983 (zaak 191/82, Fediol, Jurispr. 1983, blz. 2913) en 20 maart 1985 (zaak 264/82, Timex, Jurispr. 1985, blz. 849) en van het Gerecht van 24 januari 1995 (zaak T-114/92, BEMIM, Jurispr. 1995, blz. II-150), waarin de gemeenschapsrechter beroepen van vertegenwoordigende verenigingen ontvankelijk heeft verklaard, kunnen in casu niet worden ingeroepen, omdat zij het mededingingsrecht en het anti-dumpingrecht betreffen, die, anders dan het recht inzake steunmaatregelen van de staten, een procedure voor de behandeling van klachten kennen.

29 Verzoeksters zijn niet-ontvankelijk bij gebreke van een eigen belang. Zij treden uitsluitend op ter verdediging van bepaalde belangen van hun leden. Hun contacten met verweerster waren bovendien sporadisch en beperkten zich in het algemeen tot een onderzoek van enkele concrete gevallen van steunverlening. Zij hadden geen betrekking op de uitwerking of de uitlegging van voorschriften op het gebied van staatssteun in de textielsector, waaraan in de bestreden beschikking uitvoering is gegeven. Gelet op een en ander, kunnen verzoeksters niet worden aangemerkt als onderhandelaars in de zin van de arresten Van der Kooy en CIRFS, aangehaald in de voorgaande rechtsoverweging.

30 Verweerster erkent, dat AIUFFASS actief aan de administratieve procedure heeft deelgenomen. AKT zou daarentegen slechts een korte brief hebben gestuurd om blijk te geven van haar aanwezigheid in de administratieve procedure. Zij voldoet derhalve niet aan de door het Hof in zijn rechtspraak geformuleerde voorwaarde inzake actieve deelneming.

31 Aangezien verweerster op 15 juni 1994 een integrale kopie van de brief inzake afronding van de administratieve procedure heeft toegezonden aan BATC, het enige lid van AKT, is AKT voorts tegelijk met BATC van de beschikking in kennis gesteld. Bijgevolg heeft zij haar beroep ingesteld na het verstrijken van de in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag gestelde termijn.

32 Zich baserend op rechtsoverwegingen 21 en 22 van het arrest Van der Kooy, hierboven aangehaald in rechtsoverweging 28, en op rechtsoverweging 29 van het arrest CIRFS, hierboven aangehaald in rechtsoverweging 28, voeren verzoeksters aan, dat een vertegenwoordigende vereniging door een beschikking van de Commissie inzake staatssteun individueel wordt geraakt, wanneer zij actief aan de administratieve procedure heeft deelgenomen.

33 In tegenstelling tot hetgeen verweerster stelt, zou AKT actief aan de administratieve procedure hebben deelgenomen door verweerster op 3 november 1993 een brief te sturen waarin het principiële standpunt van de industrie in het Verenigd Koninkrijk inzake de voorgenomen steunverlening aan Hualon concreet wordt uiteengezet. Doordat verzoeksters bovendien in het belang van hun leden bij verweerster vele stappen hadden ondernomen met betrekking tot de onderhavige sector, zijn zij net zo goed gesprekspartners van de Commissie als het Comité international de la rayonne et des fibres synthétiques (CIRFS) in de zaak die heeft geleid tot het arrest CIRFS van 24 maart 1993, hierboven aangehaald in rechtsoverweging 28.

34 De hoedanigheid van gesprekspartner van AKT blijkt uit het volgende:

- de brief van 26 maart 1991 van Sir Leon Brittan, lid van de Commissie belast met mededingingsvraagstukken, waarin AKT wordt bedankt voor haar medewerking aan het beleid van de Commissie inzake staatssteun in de textielsector;

- de gesprekken met de leden van de Commissie Sir Leon Brittan en B. Millan, alsmede met ambtenaren van de Commissie over haar beleid inzake staatssteun;

- de brief van 22 mei 1991 van het lid van de Commissie B. Millan, waarin AKT bezwaar maakt tegen de toepassing van mededeling 92/C 142/04 van de Commissie aan de Lid-Staten tot vaststelling van de richtsnoeren voor de operationele programma's die de Lid-Staten worden uitgenodigd op te stellen in het kader van een communautair initiatief voor de sterk van de textiel- en kledingsector afhankelijke regio's (PB 1992, C 142, blz. 5; hierna: " programma Retex") voor de subsidiëring van kapitaalinvesteringen van bepaalde ondernemingen in de textielsector in Griekenland, Spanje en Portugal;

- de vijf tussen oktober 1991 en december 1993 aan de Commissie toegezonden brieven, waarin AKT haar standpunt inzake de besprekingen aangaande de textielsector in het kader van de Uruguay-Ronde bekendmaakt;

- de twee brieven van 26 maart 1993 en 16 juli 1993 betreffende steunmaatregelen of voorgenomen steunmaatregelen van staten.

35 AIUFFASS voert de volgende initiatieven aan:

- de verzending van twee brieven, gedateerd 16 februari 1993 en 25 maart 1993, betreffende een voornemen om steun te verlenen aan het Texmaco-concern, waarop verweerster op 24 september 1993 heeft geantwoord;

- de verzending van een in overleg met het CIRFS en de vereniging Eurocoton geschreven brief, gedateerd 27 oktober 1993, waarin verweerster wordt verzocht, de "discipline synthetische weefsels" uit te breiden tot de door de leden van deze verenigingen vervaardigde produkten;

- de vergaderingen op 9 maart 1993, 14 december 1993 en 29 april 1994 over ditzelfde onderwerp met medewerkers van de Commissie;

- de ontmoeting op 21 januari 1994 van verweerster met verenigingen die zijn aangesloten bij de Comitextil, een vereniging die de Europese textielindustrie vertegenwoordigt, om te spreken over de transparantie van haar beleid inzake staatssteun in de textielsector;

- de verzending van twee brieven, gedateerd 12 mei en 18 juni 1993, waarin AIUFFASS Van Miert, lid van de Commissie belast met mededingingsvraagstukken, respectievelijk Ehlermann, directeur-generaal van het directoraat-generaal Mededinging (IV) van de Commissie, heeft uitgenodigd om tijdens haar jaarcongres een voordracht te houden over steunmaatregelen in de textielsector.

36 In antwoord op de vragen van het Gerecht verklaart AIUFFASS, dat zij drie afdelingen heeft, respectievelijk voor de weverij van garens van kunstvezels en synthetische vezels, de weverij en twijnderij van zijde en tot slot voor de texturering van chemische vezels. Zij vertegenwoordigt 90 % van de Europese weverijen van garens van kunstvezels en synthetische vezels. De marktpositie van alle leden in de desbetreffende afdeling wordt aangetast, aangezien hun activiteiten grotendeels gelijk zijn aan die van Hualon.

37 In antwoord op de vragen van het Gerecht verklaart AKT, dat de leden van BATC, haar enig lid, de belangrijkste vakverenigingen in de kleding- en textielbranche in het Verenigd Koninkrijk zijn, alsmede grote bedrijven die actief zijn in meer dan een sector van deze branche, zoals de spinnerij, de weverij en de confectie. Zij beschouwt zich als representatief voor de kleding- en textielindustrie in het Verenigd Koninkrijk, aangezien bovengenoemde leden 80 % van die industrietak uitmaken en zij de enige vereniging is die de gehele branche vertegenwoordigt. AKT stelt, dat Hualon rechtstreeks concurrentie zal aangaan met de bij BATC aangesloten leden die zich bezighouden met het spinnen, het weven van garens en vezels, alsmede met het verven en het afwerken van weefsels, en dat de litigieuze investering derhalve hun positie op de markt zal aantasten.

38 AKT bestrijdt, dat haar beroep te laat is ingesteld, en onderstreept, dat zij een andere juridische entiteit is dan BATC, met een andere functie en andere taken. Het staat niet vast, dat BATC AKT een kopie heeft toegezonden of noodzakelijkerwijs had moeten toezenden van de beschikking die zij bij brief van 15 juni 1994 heeft ontvangen.

39 Zij verklaart voorts, dat op de dag waarop de beschikking aan BATC werd medegedeeld, de president en de algemeen directeur van BATC tevens president respectievelijk directeur van AKT waren. In tegenstelling tot het bestuur van BATC, omvat het bestuur van AKT echter ook vertegenwoordigers van vakbondsorganisaties van werknemers.

Beoordeling door het Gerecht

1. De beroepstermijn van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag

40 Artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag bepaalt, dat het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

41 Hoewel de president en de directeur van AKT op de dag waarop de beschikking aan BATC werd medegedeeld, president respectievelijk directeur van BATC waren, staat niet vast, dat AKT, een van BATC te onderscheiden rechtspersoon, na deze mededeling daadwerkelijk kennis heeft gekregen van het bestaan en de inhoud van de beschikking.

42 Nu niet vaststaat, dat AKT vóór de bekendmaking van de beschikking kennis heeft gekregen van het bestaan en de inhoud ervan, kan de termijn van artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag niet worden geacht reeds vóór dat tijdstip te zijn ingegaan.

43 Aangezien het onderhavige beroep precies twee maanden na de bekendmaking van de beschikking is ingesteld, dient het aan de te late instelling van het beroep van AKT ontleende middel van niet-ontvankelijkheid derhalve te worden verworpen.

2. De in artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag gestelde voorwaarden voor ontvankelijkheid

44 Ingevolge artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag kan iedere natuurlijke en rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een tot een andere persoon gerichte beschikking, hem rechtstreeks en individueel raken.

45 In casu was de bestreden beschikking gericht tot het Verenigd Koninkrijk, een derde ten opzichte van verzoeksters. Derhalve dient te worden nagegaan, of verzoeksters door de beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt.

46 Wanneer het geen twijfel lijdt, dat de nationale autoriteiten op een bepaalde manier willen handelen, is volgens de rechtspraak de mogelijkheid dat zij geen gebruik maken van de door de beschikking van de Commissie geboden bevoegdheid louter theoretisch, zodat de verzoeker rechtstreeks kan worden geraakt (arrest Hof van 17 januari 1985, zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr. 1985, blz. 207, r.o. 9; arresten Gerecht van 27 april 1995, zaken T-435/93, ASPEC e.a., Jurispr. 1995, blz. II-1281, r.o. 60 en 61, en T-442/93, AAC e.a., Jurispr. 1995, blz. II-1329, r.o. 45 en 46).

47 Aangezien in casu de regering van het Verenigd Koninkrijk voldoende blijk heeft gegeven van haar vaste voornemen om de litigieuze steun te verlenen, moeten verzoeksters worden geacht rechtstreeks door de bestreden beschikking te worden geraakt.

48 Wat de vraag betreft, of verzoeksters individueel worden geraakt, merkt het Gerecht in de eerste plaats op dat, aangezien de steun is bestemd voor een fabrikant van synthetische weefsels en katoen, AIUFFASS, als beroepsorganisatie tot wier afdeling "weverij van garens van kunstvezels en synthetische vezels" de belangrijkste internationale producenten van dergelijke weefsels behoren, belanghebbende in de zin van artikel 93, lid 2, van het Verdrag is (arrest Hof van 14 november 1984, zaak 323/82, Intermills, Jurispr. 1984, blz. 3809, r.o. 16; arresten Cook, aangehaald in r.o. 27, r.o. 24, en Matra, aangehaald in r.o. 27, r.o. 18 en 19). Hetzelfde geldt voor AKT, wier enige lid de belangen vertegenwoordigt van 80 % van de textiel- en kledingindustrie in het Verenigd Koninkrijk, met name van ondernemingen die actief zijn in dezelfde sector als Hualon.

49 In de tweede plaats stelt het Gerecht vast, dat zowel AIUFFASS als AKT hebben deelgenomen aan de administratieve procedure die tot de betreden beschikking heeft geleid.

50 Bovendien, zoals het Gerecht in zijn arrest van 13 december 1995 (gevoegde zaken T-481/93 en T-484/93, Exporteurs in Levende Varkens e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2941, r.o. 64) heeft herhaald, is een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door een ondernemingsvereniging die niet de adressaat van de bestreden handeling is, in twee gevallen ontvankelijk. Het eerste geval doet zich voor, wanneer de vereniging een eigen procesbelang heeft, in het bijzonder omdat haar positie als onderhandelaar is beïnvloed door de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd (arresten Van der Kooy, aangehaald in r.o. 28, r.o. 17-25, en CIRFS, aangehaald in r.o. 28, r.o. 29 en 30). Van het tweede geval is sprake, wanneer de vereniging zich door het instellen van haar beroep in de plaats heeft gesteld van één of meer van de door haar vertegenwoordigde leden, mits haar leden zelf een ontvankelijk beroep hadden kunnen instellen (arrest Gerecht van 6 juli 1995, gevoegde zaken T-447/93, T-448/93 en T-449/93, AITEC e.a., Jurispr. 1995, blz. II-1971, r.o. 60).

51 In casu hebben verzoeksters in het belang van hun leden of van leden van hun leden, die actief zijn in dezelfde sector als de ontvangende onderneming, stappen ondernomen betreffende zowel het algemene beleid inzake steunmaatregelen van staten als concrete steunvoornemens in de textielsector. Derhalve is de positie als gesprekspartner van de Commissie van zowel AIUFFASS als AKT door de bestreden beschikking beïnvloed (arresten Van der Kooy, aangehaald in r.o. 28, r.o. 21 en 22, en CIRFS, aangehaald in r.o. 28, r.o. 29 en 30).

52 Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd, dat verzoekster rechtstreeks en individueel worden geraakt. Mitsdien moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

Ten gronde

Algemeen

53 In haar beschikking heeft verweerster de wettigheid van de litigieuze steunmaatregel getoetst aan artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag. In de 28e tot en met 31e alinea van de bekendmaking heeft verweerster onderzocht, of de steunmaatregel kon worden toegestaan uit hoofde van lid 3, sub a. In de 32e tot en met 63e alinea heeft zij de steunmaatregel beoordeeld op basis van lid 3, sub c. In de 64e en 65e alinea heeft verweerster de doelstellingen van artikel 92, lid 3, sub a, en lid 3, sub c, tegen elkaar afgewogen en in de 66e alinea heeft zij de litigieuze steunmaatregel goedgekeurd op grond van artikel 92, lid 3, sub a en c.

54 Met betrekking tot regionale steunmaatregelen regelt artikel 92, lid 3, sub a en c, van het Verdrag twee afwijkingen van de vrije mededinging, gebaseerd op het streven naar communautaire solidariteit, een fundamentele doelstelling van het Verdrag, zoals uit de preambule blijkt. In de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid dient de Commissie ernaar te streven, de doelstellingen van vrije mededinging en communautaire solidariteit met elkaar in overeenstemming te brengen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het belang van de communautaire solidariteit verschilt naar gelang van het geval: in de in lid 3, sub a, beschreven crisissituaties is het overwicht van de solidariteit op de mededinging groter dan in de in lid 3, sub c, genoemde gevallen (zie conclusie van advocaat-generaal M. Darmon bij arrest Hof van 14 oktober 1987, zaak 248/84, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 4013, 4025, 4031). In dat kader is de Commissie gehouden de sectoriële gevolgen van de voorgenomen regionale steun te beoordelen, zelfs ten aanzien van regio's die onder lid 3, sub a, zouden kunnen vallen, teneinde te vermijden dat via een steunmaatregel op gemeenschapsniveau een sectorieel probleem ontstaat dat ernstiger is dan het aanvankelijke regionale probleem.

55 Bij de afweging van deze doelstellingen beschikt de Commissie evenwel met betrekking tot voorgenomen steun die bestemd is voor de ontwikkeling van een onder lid 3, sub a, vallende regio, over een ruimere discretionaire bevoegdheid dan ten aanzien van een identiek steunvoornemen betreffende een onder lid 3, sub c, vallende regio, daar lid 3, sub a, anders geen nut zou hebben.

56 De rechterlijke toetsing van een in dit kader gegeven beschikking dient zich te beperken tot de vraag of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest Hof van 29 februari 1996, zaak C-56/93, België/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-723, r.o. 11, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht dient met name zijn beoordeling op economisch vlak niet in de plaats te stellen van de beoordeling van de opsteller van de beschikking (arrest Matra, hierboven aangehaald in rechtsoverweging 27, r.o. 23).

57 Aangezien de voorgenomen steun bestemd is voor een onderneming in de textielsector, dient het Gerecht echter ook na te gaan, of verweerster zich heeft gehouden aan de richtsnoeren die zij zichzelf heeft opgelegd in de mededeling van 1971 en in de brief van 1977, voor zover deze niet in strijd zijn met het Verdrag (arrest Hof van 24 februari 1987, zaak 310/85, Deufil, Jurispr. 1987, blz. 901, r.o. 22).

58 In casu stellen verzoeksters dat de beschikking nietig is, op grond dat verweerster het aantal arbeidsplaatsen dat door de litigieuze investering zou kunnen worden geschapen alsmede de gevolgen van deze investering voor de overcapaciteit in de sector, kennelijk onjuist heeft beoordeeld.

59 Teneinde te kunnen vaststellen, dat de Commissie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt, moeten de door verzoekster aangevoerde bewijzen afdoende zijn om de in de beschikking weergegeven beoordeling van de feiten te ontzenuwen.

Het aan kennelijke beoordelingsfouten ontleende middel

A - De beoordeling van het aantal arbeidsplaatsen

60 Volgens verzoeksters moet de beschikking nietig worden verklaard, omdat zij berust op een redenering die mank gaat ten gevolge van een kennelijke fout bij de beoordeling van het aantal arbeidsplaatsen dat de litigieuze investering rechtstreeks oplevert.

61 Alvorens op de grond van de zaak in te gaan, betwist verweerster de ontvankelijkheid van deze grief.

62 Het Gerecht is van oordeel, dat eerst de ontvankelijkheid van deze grief dient te worden onderzocht.

1. De ontvankelijkheid van de aan een onjuiste beoordeling van het aantal arbeidsplaatsen ontleende grief

63 Verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op met de stelling, dat verzoeksters het aantal arbeidsplaatsen gedurende de administratieve procedure nooit hebben betwist, hoewel dit element bij de inleiding van die procedure duidelijk ter sprake was gebracht.

64 Het Gerecht merkt op, dat ter zake van steunmaatregelen van staten het recht van een rechtstreeks en individueel geraakte persoon om een tot een derde gerichte handeling aan te vechten, door geen enkele bepaling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde, dat hij alle in het verzoekschrift geformuleerde grieven reeds gedurende de administratieve procedure heeft aangevoerd. Nu een dergelijke bepaling ontbreekt, kan het recht van die persoon om beroep in te stellen niet worden beperkt om de eenvoudige reden, dat hij gedurende de administratieve procedure opmerkingen had kunnen maken over een bij de inleiding van de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde procedure bekendgemaakte en in de bestreden beschikking overgenomen beoordeling, doch dit niet heeft gedaan.

65 Hieruit volgt, dat de grief ontvankelijk is.

2. De gegrondheid van de aan een onjuiste beoordeling van het aantal arbeidsplaatsen ontleende grief

Argumenten van partijen

66 Volgens verzoeksters blijkt uit vergelijkingen met de personeelssterkte die in moderne renderende Westeuropese textielfabrieken benodigd is voor het aangekondigde produktiepeil, dat het project niet 1 800, maar slechts 950 tot 1 050 rechtstreekse arbeidsplaatsen zou opleveren.

67 Aangezien verweerster de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft gemachtigd de litigieuze steun te verlenen, na de positieve regionale effecten van de voorgenomen investering van Hualon te hebben afgewogen tegen de potentiële negatieve effecten op de totale produktiecapaciteit en de mededinging, menen verzoeksters dat verweerster tot een onjuiste conclusie is gekomen.

68 De cijfers betreffende de indirecte arbeidsplaatsen die het litigieuze project zou moeten opleveren, zijn moeilijk te verifiëren, en een aantal daarvan is voorts van beperkte duur.

69 Mochten de door verweerster geciteerde cijfers ten slotte wel juist blijken te zijn, dan nog zou de door de litigieuze investering geschapen werkgelegenheid ten koste gaan van bestaande arbeidsplaatsen in andere regio's van de Gemeenschap.

70 Volgens verweerster is geenszins aangetoond, dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout.

71 Bovendien zouden de verantwoordelijke nationale autoriteiten aan de steunverlening uitdrukkelijk de voorwaarde hebben verbonden, dat er daadwerkelijk 1 800 arbeidsplaatsen worden geschapen.

72 Ten slotte wijst verweerster, hierin ondersteund door interveniënt, het argument dat de werkgelegenheid die het litigieuze project oplevert, ten koste gaat van bestaande arbeidsplaatsen in andere regio's van de Gemeenschap, volledig van de hand, aangezien iedere regionale steunmaatregel impliceert dat de verbetering van de positie van de betrokken regio naar evenredigheid ten koste gaat van die van andere regio's. Dit argument gaat overigens uit van de onjuiste veronderstelling, dat de produktie van Hualon de plaats gaat innemen van die van andere producenten in de Gemeenschap, en niet van importen.

73 Interveniënt betwist, dat het aantal arbeidsplaatsen kan worden beoordeeld aan de hand van soortgelijke investeringen van renderende ondernemingen in de Gemeenschap, omdat er binnen de Gemeenschap geen volledig geïntegreerde fabriek van die omvang is en het bovendien andere produkten en procédés betreft.

74 Hij betoogt, dat indien het aantal arbeidsplaatsen dat het litigieuze project zou kunnen opleveren, lager mocht uitvallen dan het in de bestreden beschikking vermelde aantal, de daarin vervatte conclusies niettemin mutatis mutandis blijven gelden, aangezien, in de eerste plaats, het aantal indirecte arbeidsplaatsen en de omvang van de bouwwerkzaamheden niet noodzakelijkerwijs naar evenredigheid behoeven af te nemen, in de tweede plaats, het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen voor Noord-Ierland altijd nog aanzienlijk is en, in de derde plaats, de betaling van de subsidie in elke ontwikkelingsfase van de fabriek afhangt van het scheppen van extra arbeidsplaatsen.

Beoordeling door het Gerecht

75 Bij de beoordeling, of het litigieuze project voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 3, sub a, van het Verdrag geregelde afwijking, heeft verweerster vastgesteld, dat de betrokken regio te kampen had met ernstige problemen van werkloosheid (24 % in Noord-Belfast, waarvan 56 % langer dan een jaar werkloos is, hetgeen neerkomt op een werkloosheidscijfer van circa 30 % voor mannen, en 28,5 % in West-Belfast, waarvan 64 % langer dan een jaar werkloos is, hetgeen neerkomt op een werkloosheidscijfer van circa 35 % voor mannen). Zij stelt vervolgens, dat de 1 800 rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde arbeidsplaatsen 10,8 % van de werklozen in Noord- en West-Belfast werk zouden opleveren (29e alinea van de bekendmaking). Daarnaast geeft zij te kennen, dat het project indirect nog eens 500 arbeidsplaatsen zou opleveren ten gunste van de lokale economie (30e alinea), met de opmerking dat hiervan een aanzuigende werking uitgaat in deze regio, die anders veel moeite heeft met het aantrekken van investeringen (31e alinea).

76 Verzoeksters betwisten niet, dat de litigieuze steun bedoeld is om de economische ontwikkeling van de betrokken regio te stimuleren en dat daar een ernstig tekort aan werkgelegenheid heerst. Zij stellen alleen, dat het litigieuze project slechts 950 tot 1 050 arbeidsplaatsen oplevert, in plaats van 1 800. De enige gegevens die zij dienaangaande aanvoeren, betreffen enerzijds de gemiddelde arbeidskosten per uur in het Verenigd Koninkrijk en in enkele Aziatische landen en anderzijds de jaarproduktie per arbeider bij Hualon en drie Europese ondernemingen. Deze factoren hebben evenwel betrekking op een onderdeel van de produktiekosten van Hualon en op haar produktiviteit; een rechtstreeks verband met het aantal arbeidsplaatsen dat het project oplevert, ontbreekt. Verzoeksters hebben derhalve niet aangetoond, dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout bij de raming van het aantal arbeidsplaatsen dat het project zou kunnen opleveren, noch dat door die fout verweersters conclusies worden ondermijnd.

77 De - in casu overigens niet aangetoonde - omstandigheid, dat een project dat regionale steun ontvangt, bijdraagt tot het scheppen van werkgelegenheid, maar de werkgelegenheid in andere regio's van de Gemeenschap bedreigt, kan als zodanig nietigverklaring van de beschikking tot goedkeuring van de steunverlening niet rechtvaardigen.

78 Mitsdien is de grief betreffende de onjuiste raming van het aantal arbeidsplaatsen dat het litigieuze project zou kunnen opleveren, ongegrond.

B - De beoordeling van de gevolgen van het litigieuze project voor de overcapaciteit

79 Verzoeksters verwijten verweerster, dat zij de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld:

- door te stellen, dat de weefsels van Hualon niet concurreren met de door andere producenten in de Gemeenschap gefabriceerde weefsels en niet leiden tot toeneming van de overcapaciteit;

- door voorts de markt van de betrokken produkten niet volledig te hebben onderzocht;

- door uit te gaan van onjuiste prognoses van de vraag in de toekomst.

1. De concurrentie tussen Hualon en de overige producenten in de Gemeenschap

80 Verzoeksters betwisten, dat de toekomstige produktie van Hualon importen zal vervangen zonder vergroting van de produktiecapaciteit, betwijfelen of Hualon uitsluitend weefsels van mindere kwaliteit zal produceren, verwijten verweerster dat zij de begrippen "mindere kwaliteit" en "zeer goede kwaliteit" niet zorgvuldig heeft gedefinieerd, en klagen erover dat zij geen rekening heeft gehouden met de belangrijke positie die de communautaire producenten bij de vervaardiging van produkten van mindere kwaliteit innemen en in de nabije toekomst zullen blijven innemen, noch met het feit, dat airjet- en waterjet-weefmachines voor de produktie van weefsels van zowel zeer goede als mindere kwaliteit worden gebruikt.

81 Het Gerecht zal deze verschillende punten afzonderlijk behandelen, om te beginnen met een onderzoek naar de door verweerster gegeven definitie van het begrip "weefsels van mindere kwaliteit".

Het onderscheid tussen mindere en zeer goede kwaliteit

- Argumenten van partijen

82 Verzoeksters verwijten verweerster, geen criteria te hebben geformuleerd op grond waarvan produkten van mindere kwaliteit worden onderscheiden van produkten van zeer goede kwaliteit, hoewel dit begrip in de bestreden beschikking van doorslaggevend belang is.

83 Met betrekking tot het in de 18e alinea van de bekendmaking genoemde gewichtscriterium van 200 gram per vierkante meter, merken zij op, dat een groot aantal textielprodukten die van oudsher als produkten met een hoge toegevoegde waarde worden beschouwd, een lager gewicht hebben. 80 % van de voor de dames- of kinderconfectiemarkt bestemde produkten heeft een lager gewicht, ofschoon zij niet als "massaprodukt" kunnen worden aangemerkt, en de voor voeringen en anoraks gebruikte weefsels, die verweerster in de 43e alinea van de bekendmaking noemt als produkten die behoren tot de markt waarop Hualon zal opereren, kunnen ondanks hun gewicht van minder dan 200 gram per vierkante meter, in de categorie produkten met een hoge toegevoegde worden ingedeeld. Ten slotte heeft 96 % van de kledingweefsels een gewicht van minder dan 200 gram per vierkante meter.

84 Voorts menen verzoeksters, op basis van het in de 43e alinea van de bekendmaking genoemde criterium, dat de litigieuze investering zeer ernstige gevolgen zal hebben voor de communautaire produktie. Deze alinea luidt als volgt: "Hualon zal basisweefsels produceren die worden geverfd, afgewerkt en bedrukt om te worden gebruikt in produkten als voering voor pakken, jurken, blousen en anoraks. De producenten in de Gemeenschap zijn zich gaan toeleggen op hoogwaardiger, dichter geweven stoffen die een betere greep, soepelheid en textuur bieden en worden gebruikt in produkten als skikleding en waterdichte microvezeljassen." Voeringen voor pakken en weefsels voor jurken, blousen en anoraks maken evenwel 80 tot 90 % van de produktie van communautaire ondernemingen uit en worden door hen zowel op airjet- en waterjetweefmachines als op weefmachines met projectiel of rapier gefabriceerd. Verder kunnen deze produkten in bepaalde gevallen als produkten met een geringe toegevoegde waarde gelden, en in andere gevallen juist als produkten met een hoge toegevoegde waarde.

85 Volgens verzoeksters opereren de communautaire producenten in dezelfde sector als de door Hualon beoogde, zowel in het stadium van weefselproduktie als in dat van veredeling, die beide behoren tot de eerste fase van het litigieuze project.

86 Volgens verweerster is haar redenering ook zonder cijfermatige onderscheidingscriteria steekhoudend en kan worden volstaan met criteria die de grote lijnen weergeven. Stoffen van mindere kwaliteit kunnen niet van produkten van hoge kwaliteit worden onderscheiden op basis van één onderscheidingscriterium. De beschikking is gebaseerd op een reeks criteria aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of een produktie veeleer als van mindere dan van zeer goede kwaliteit geldt, met name de fabricage in grote of kleine hoeveelheden, de hoogte van de toegevoegde waarde en, vooral, de mate van flexibiliteit van het gebruik van de verschillende typen weefmachines.

87 Onder verwijzing naar het document "Textiles, habillement, chaussures et cuir" in Panorama de l'industrie communautaire 1994 van het Observatoire européen du textile et de l'habillement en Fitzpatrick Associates, onderstreept verweerster, dat de flexibiliteit van het produktieproces het belangrijkste criterium is: produkten van zeer goede kwaliteit worden gefabriceerd in kleine hoeveelheden en gedurende kortere perioden dan die van mindere kwaliteit. Daarom wordt in de bestreden beschikking onderscheid gemaakt tussen jet-weefmachines en weefmachines met rapier of projectiel, ter bepaling van de vermoedelijke ontwikkeling van de produktiecapaciteit voor het soort weefsels dat Hualon zal gaan fabriceren, aangezien jet-weefmachines minder flexibel en dus minder rendabel zijn voor produktie in kleine hoeveelheden.

88 Verweerster concludeert, dat zij geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door ervan uit te gaan, dat het litigieuze project de in de Gemeenschap geïnstalleerde capaciteit niet in belangrijke mate zal beïnvloeden.

89 Volgens verzoeksters is verweersters stelling, dat er geen eenvormig criterium is aan de hand waarvan een bepaald produkttype in de categorie mindere kwaliteit dan wel zeer goede kwaliteit kan worden ingedeeld, in tegenspraak met de betwiste beschikking, waarin uitdrukkelijk wordt gezegd, dat de "produktmarkten verschillend zijn".

90 Volgens interveniënt zijn er vier - elkaar bevestigende - kenmerken op basis waarvan de markt van produkten van mindere kwaliteit kan worden onderscheiden van die van produkten van zeer goede kwaliteit: het type produkt, de aard van vraag en aanbod, de identiteit van de leveranciers en de consumenten en de factoren die het concurrentievermogen bepalen.

91 In kleine hoeveelheden vervaardigde produkten met een hoge toegevoegde waarde gelden als produkten van zeer goede kwaliteit, terwijl in grote hoeveelheden vervaardigde produkten met een geringe toegevoegde waarde als van mindere kwaliteit worden beschouwd. Het in de beschikking genoemde gewicht van het weefsel dient niet om deze beide categorieën produkten te onderscheiden, doch om de door interveniënt beschreven toekomstige produktie van Hualon weer te geven.

92 De vraag naar weefsels van mindere kwaliteit is uiterst prijselastisch, maar gelijkblijvend; de vraag naar hoogwaardige weefsels is daarentegen minder elastisch, maar meer aan veranderingen onderhevig, afhankelijk van de mode.

93 Uit de beschikking blijkt impliciet, dat weefsels van zeer goede kwaliteit vrijwel rechtstreeks door kledingfabrikanten in de detailhandel worden afgenomen, terwijl de mindere kwaliteiten worden geleverd aan textielproducenten in de Gemeenschap, die zich steeds meer toeleggen op de eindfasen van de afwerking. Zich baserend op een artikel in de vakliteratuur (Scheffer, M.: "Internationalisation of Production by EC Textile and Clothing Manufacturers", Textile Outlook International, Textile Intelligence Limited, januari 1994) verklaart interveniënt, dat de meeste importen van basisweefsels voortvloeien uit aankopen van fabrikanten in de Gemeenschap die deze weefsels willen verwerken in het kader van de regeling inzake passieve veredeling.

94 Verzoeksters werpen tegen, dat de betwiste beschikking geenszins een dergelijke marktanalyse bevat, maar op dit punt onduidelijk blijft. Daartegen is hun grief juist gericht.

- Beoordeling door het Gerecht

95 De beschikking vermeldt, dat "de produktie [van Hualon] vooral zal zijn gericht op het lagere segment van de textielmarkt (in grote hoeveelheden geproduceerde weefsels met een geringe toegevoegde waarde en een densiteit tot 200 gr/m2" (21e alinea van de bekendmaking). In de weergave van de opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk zegt de beschikking, dat het gaat om "tegen lage kosten en in grote hoeveelheden vervaardigde" textielprodukten (11e en 16e alinea van de bekendmaking) in een "door scherpe prijsconcurrentie gekenmerkt" marktsegment (16e alinea van de bekendmaking).

96 Om deze produktie te onderscheiden van die van fabrikanten in de Gemeenschap, wordt in de beschikking gesteld, dat de communautaire producenten genoopt zijn over te stappen op "produkten van hoge kwaliteit die minder prijsgevoelig zijn" (42e alinea van de bekendmaking), met name "hoogwaardiger, dichter geweven stoffen die een betere greep, soepelheid en textuur bieden" (43e alinea van de bekendmaking), dat wil zeggen "gespecialiseerde produkten met een hoge toegevoegde waarde" (45e alinea van de bekendmaking).

97 Voor de toepassing van artikel 92, lid 3, van het Verdrag zijn de door verweerster opgesomde criteria voldoende relevant om haar beoordeling te kunnen onderbouwen. Het onderscheid tussen weefsels van mindere en weefsels van zeer goede kwaliteit lijkt in de sector overigens ook te worden erkend als voldoende relevant ter analysering van de markt [zie "Textiles, habillement, chaussures et cuir" in Panorama de l'industrie communautaire 1994, hierboven aangehaald in r.o. 87, waarin wordt gesproken van "in serie vervaardigde produkten" die sterk worden beconcurreerd door producenten in ontwikkelingslanden (blz. 14-1), ook wel "standaardartikelen" genoemd (blz. 14-7), respectievelijk van "hoogwaardige produkten" of "kwaliteitsprodukten bestemd voor bepaalde niches" (blz. 14-1), "artikelen van hoge kwaliteit" (blz. 14-6) "die minder prijselastisch zijn en zich niet lenen voor dezelfde mate van serieproduktie als standaardartikelen" (blz. 14-7); Scheffer spreekt in zijn hierboven in r.o. 93 aangehaalde artikel "Internationalisation of Production by EC Textile and Clothing Manufacturers" van "basic qualities" en "basic products"].

98 Bijgevolg kan verweerster niet worden verweten, geen criteria te hebben geformuleerd om produkten van mindere kwaliteit te onderscheiden van produkten van zeer goede kwaliteit.

99 Mitsdien moet de grief worden verworpen.

De importsubstitutie door de produktie van Hualon

- Argumenten van partijen

100 Verzoeksters betwisten, dat de toekomstige produktie van Hualon de plaats van importen zal innemen zonder capaciteitsuitbreiding, omdat het uitsluitend zou gaan om een marktsegment - in serie vervaardigde weefsels met een geringe toegevoegde waarde - dat, zonder Hualon, zou worden ingenomen door importen uit derde landen.

101 Anders dan verweerster stelt, tekent zich niet de tendens af, dat de communautaire produktie zich geleidelijk afwendt van het lagere marktsegment en zich van de Gemeenschap naar derde landen verplaatst. Onder verwijzing naar twee in de Observatoire européen du textile et de l'habillement gepubliceerde artikelen (Prudhommeaux, M.-J.: "L'industrie de l'habillement: entre délocalisation et Sentier", 1994, deel III, nr. 2, Observatoire européen du textile et de l'habillement; Scheffer, M.: "The Changing Map of European Textiles", Production and Sourcing Strategies of Textiles and Clothing Firms, 1994, blz. 81 en 82, Observatoire européen du textile et de l'habillement), stellen verzoeksters dat deze delokalisatie niet de textielsector in eigenlijke zin, doch die van de confectie betreft.

102 Bovendien zou Hualon niet de plaats van importen kunnen innemen, aangezien zij niet kan concurreren met producenten in de lage-lonenlanden en derhalve niet levensvatbaar is. De loonkosten per meter polyamide- of polyesterweefsel bedragen bijvoorbeeld 0,31 USD, tegen 0,013 USD in Indonesië en 0,011 USD in Vietnam.

103 De betwiste steunmaatregel had verboden moeten worden, aangezien de litigieuze investering tot een aanzienlijke uitbreiding van de overcapaciteit leidt, hetgeen verboden is ingevolge de door verweerster vastgestelde kaderregeling inzake staatssteun aan de textielindustrie (mededeling van 1971 en brief van 1977). Bovendien doet de gesubsidieerde investering, in strijd met de doelstelling die ten grondslag ligt aan het in rechtsoverweging 34 genoemde programma Retex, de afhankelijkheid van de betrokken regio van de textielsector toenemen, terwijl de werkgelegenheid in de textiel- en kledingsector daar reeds 25 % van de totale werkgelegenheid in de produktiesector uitmaakt. De kaderregeling voor de textielindustrie verplicht de Commissie, terdege aan te tonen dat het litigieuze project het probleem van de overcapaciteit niet kan verergeren.

104 In elk geval is verweerster niet bevoegd, een steunmaatregel enkel op grond van een markttendens goed te keuren of een steunmaatregel goed te keuren die juist tot gevolg heeft, dat de veronderstellingen die de goedkeuring rechtvaardigen, worden bewaarheid. Mocht de betrokken communautaire produktie inderdaad afnemen ten gunste van de produktie in derde landen, dan is een verbod van de litigieuze steunmaatregel des te meer geboden. De communautaire fabrikanten van produkten van mindere kwaliteit ondervinden dan namelijk niet alleen concurrentie van importen uit die landen, maar ook van Hualon, waardoor de verhouding tussen het reeds bestaande overaanbod en de vraag op de Europese markt nog verder uit balans zal raken.

105 Volgens verweerster past de bestreden beschikking uitstekend in de gedragslijn die zij heeft uitgestippeld in haar mededeling van 1971 en haar brief van 1977. Het programma Retex is in casu niet relevant, aangezien in Noord-Ierland de arbeidsplaatsen in de textiel- en kledingsector slechts 4,5 % van de werkgelegenheid uitmaken. De beoordeling van de verenigbaarheid van investeringssteun vereist geen onderzoek naar de levensvatbaarheid. De door verzoeksters overgelegde statistieken inzake de loonkosten per meter weefsel in het Verenigd Koninkrijk zijn overigens gebaseerd op gemiddelden en bevatten cijfers betreffende verouderde produktie-inrichtingen, die geen rekening houden met de specifieke situatie van de fabriek van Hualon in Noord-Ierland. Verzoeksters hebben ten slotte niet aangetoond, dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout die van doorslaggevende betekenis was voor de bestreden beschikking.

106 Interveniënt betoogt, dat ook indien de voorgenomen steun niet wordt verleend en de fabriek van Hualon in Noord-Ierland niet wordt geopend, er in de Gemeenschap fabrieken zullen moeten sluiten ten gevolge van de druk van Aziatische producenten. Uit het stijgende aantal arbeidsplaatsen dat in de textielindustrie in de Gemeenschap verloren gaat, blijkt dat er een dergelijk proces gaande is. Veel textielprodukten worden ingevoerd [in 1991 40 % van de MVR 2-produkten (katoenweefsels) en 25 % van de MVR 35-produkten (verspinbare synthetische weefsels), hetgeen neerkomt op een stijging van 68 % sinds 1985]. Deze tendens zet zich voort (een stijging van 4,3 % tussen 1990 en 1992), dit terwijl de exporterende derde landen hun handelsquota nog niet volledig hebben verbruikt en deze quota op grond van de akkoorden in het kader van de Uruguay-Ronde binnenkort zullen worden afgeschaft.

107 Zich baserend op het hierboven in rechtsoverweging 87 aangehaalde document "Textiles, habillement, chaussures et cuir" in Panorama de l'industrie du textile et de l'habillement 1994 stelt interveniënt, dat de communautaire producenten op de concurrentie van tegen lagere kosten producerende fabrikanten hebben gereageerd door zich op produkten van hogere kwaliteit te richten.

108 Deze tendens wordt bevestigd door het geringe percentage nieuwe airjet- of waterjet-weefmachines in de Gemeenschap.

109 Het Hualon-project gaat juist tegen deze tendensen in. Hualon streeft ernaar de concurrentie aan te gaan met tegen lage produktiekosten vervaardigde importen uit Aziatische landen en daarbij ook nog winst te maken.

110 Uit het voorgaande volgt, dat de produkten van Hualon hoofdzakelijk slechts zullen concurreren met ingevoerde goederen. Hualons gebruik van nieuwe weefmachines mag dan wel leiden tot uitbreiding van de overcapaciteit, het heeft echter geen enkel gevolg voor de structurele overcapaciteit zoals bedoeld in de brief van 1977. Die heeft betrekking op het probleem van de weefmachines die ter dekking van een deel van de vaste kosten met verlies draaien, omdat de eigenaars ervan niet in staat zijn het benodigde kapitaal bijeen te brengen om ze te vervangen door nieuwe rendabele machines. Dat geldt voor veel in de Gemeenschap geëxploiteerde airjet- of waterjet-weefmachines en voor de meeste weefmachines met rapier of projectiel, die worden gebruikt voor de fabricage van weefsels van mindere kwaliteit.

111 Hoewel de voorgenomen steun een negatief effect zal hebben op weefmachines waarvan de exploitatie momenteel niet rendabel is, moeten deze weefmachines, die bijdragen tot de structurele overcapaciteit, volgens interveniënt hoe dan ook buiten gebruik worden gesteld, ongeacht het effect van de voorgenomen steun. De enige lange-termijnoplossing voor de huidige overcapaciteit in de Gemeenschap is vervanging van de structurele overcapaciteit door een concurrerende capaciteit, die wat produkten van zeer goede kwaliteit betreft niet wordt bedreigd.

112 Het aan het programma Retex ontleende argument ten slotte is niet relevant, aangezien het betrekking heeft op communautaire steunprogramma's en niet op staatssteun.

- Beoordeling door het Gerecht

113 In haar beschikking heeft verweerster uitdrukkelijk verwezen naar de mededeling van 1971 en de brief van 1977. In die documenten worden steunmaatregelen die leiden tot verdere vergroting van de produktiecapaciteit in sectoren die met overcapaciteit kampen verboden, en worden criteria gegeven ter toepassing van dit beginsel.

114 In de eerste plaats wordt in de bijlage bij de brief van 1977 gepreciseerd, dat het begrip overcapaciteit veronderstelt dat voldoende uiteenlopende subbranches in aanmerking worden genomen. In casu heeft verweerster haar analyse toegespitst op de subbranche weefsels van mindere kwaliteit.

115 In de tweede plaats schrijft de brief van 1977 voor, dat bij de beoordeling van de gevolgen van een steunvoornemen voor de overcapaciteit, rekening wordt gehouden met de te verwachten ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden. Derhalve dient te worden onderzocht, of de bestreden beschikking rekening houdt met de te verwachten ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden.

116 Bij de beoordeling van de marktpositie van de communautaire producenten is verweerster ervan uitgegaan, dat weefsels van mindere kwaliteit voornamelijk worden vervaardigd met airjet- en waterjet-weefmachines. Uit de beschikking blijkt dat, gezien een hevige prijsconcurrentie in het lagere marktsegment, de voorkeur van de communautaire producenten voor een bepaalde produktietechniek noodzakelijkerwijs een strategie voor positionering op de markt weergeeft (42e alinea van de bekendmaking). Zich met name baserend op door een consultant verstrekte cijfers, die laten zien dat er een groot verschil is tussen het percentage jet-weefmachines in Azië en dat in de Gemeenschap, wordt in de beschikking gesteld, dat "de textielindustrie in de Gemeenschap de voorkeur (geeft) aan weefmachines met rapier/projectiel (...) eerder dan aan weefmachines met waterstraal of luchtstroom"; deze voorkeur wordt "bevestigd door de tendensen tot vervanging van weefmachines om het hoofd te bieden aan de scherpe prijsconcurrentie met weefsels uit derde landen" (42e en 44e alinea van de bekendmaking). Volgens de beschikking neigen de communautaire producenten ertoe, het lagere marktsegment op te geven en zich steeds meer te richten op het hogere marktsegment (43e alinea van de bekendmaking), aangezien de produktie van weefsels van mindere kwaliteit zich geleidelijk verplaatst naar derde landen waar de loonkosten lager zijn (36e, 45e en 47e alinea van de bekendmaking). De in de GATT-akkoorden vastgelegde afschaffing van de kwantitatieve beperkingen werkt een verdere stijging van de importen in de hand (47e alinea van de bekendmaking). Tot slot vermeldt de beschikking de tendens, de produktiecapaciteit in de Gemeenschap te verkleinen (48e en 49e alinea), en de ontwikkeling van het verbruik (50e tot en met 52e alinea van de bekendmaking). Op basis van deze analyse heeft verweerster geconcludeerd, dat de produktie van Hualon niet zozeer uitbreiding van de produktiecapaciteit, als wel importsubstitutie tot gevolg zal hebben.

117 Deze analyse wordt niet weerlegd door de door verzoeksters aangevoerde vakliteratuur. In de hierboven in rechtsoverweging 101 aangehaalde passage uit een artikel van Prudhommeaux wordt weliswaar gesproken van een verschuiving van de confectie-industrie naar lage-lonenlanden, maar niets duidt erop, dat dit niet voor weefsels van mindere kwaliteit zou gelden. Het hierboven in rechtsoverweging 101 aangehaalde artikel van Scheffer, "The Changing Map of European Textiles" bevestigt hun standpunt evenmin, integendeel. Dit artikel bespreekt de delokalisatie van de textielindustrie. De auteur legt een verband tussen confectie en weefselproduktie en stelt dat het succes van een kledingproduktie-eenheid afhangt van de vraag, of er ter plaatse diensten, inkoopmogelijkheden en - gelet op de technische ontwikkeling - geschoolde arbeidskrachten voorhanden zijn. Hij wijst er tevens op, dat sommige fabrikanten hun weefsels uit derde landen (d.w.z. van buiten de Gemeenschap) betrekken en hun communautaire produktie aanvullen met de import van produkten van mindere kwaliteit die, gezien de kosten waarmee de communautaire producenten worden geconfronteerd, niet op concurrerende wijze kunnen worden vervaardigd. Voorts vermeldt hij, dat het verven en afwerken in de toekomst wellicht wordt verplaatst naar landen met een minder strenge milieuwetgeving. Hij gaat na, wat de voordelen zijn voor een kledingproducent in de Gemeenschap die produktiedelokalisatie, toeleveringscontracten of een inkoopstrategie overweegt, wanneer hij een plaatselijke (d.w.z. een niet-communautaire fabrikant) inschakelt. Concluderend stelt hij vast, dat bepaalde voordelen pleiten voor de inkoop van weefsels bij een plaatselijke fabrikant of voor de vestiging van fabrieken in de belangrijkste kledingproducerende landen.

118 De overige aan het dossier toegevoegde artikelen uit de vakliteratuur ("Textiles, habillement, chaussures et cuir", Panorama de l'industrie communautaire 1994, hierboven aangehaald in rechtsoverweging 87; Scheffer, M.: "Internationalisation of Production by EC Textile and Clothing Manufacturers", hierboven aangehaald in rechtsoverweging 93; Sri Ram Khanna: "Trends in US and EU Textile and Clothing Imports", Textile Outlook International, Textile Intelligence Limited, november 1994) zijn voorzichtig en genuanceerd, doch lijken verweersters analyse eerder te bevestigen dan te weerleggen.

119 Verweerster heeft derhalve een plausibele analyse verricht van de te verwachten ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden. Verzoeksters hebben niet met voldoende zekerheid aangetoond, dat er sprake is van beoordelingsfouten die deze analyse en de daarop gebaseerde conclusies op losse schroeven zetten.

120 Aangaande de levensvatbaarheid van het project was er volgens verweerster geen reden tot betwisting van de bewering van het Verenigd Koninkrijk, dat deze gegarandeerd was, aangezien de particuliere onderneming die de steun ontvangt ruim 60 % van de investeringskosten en de met het project verbonden risico's draagt (63e alinea van de bekendmaking). Verweerster heeft terecht geen nader onderzoek ingesteld, omdat het aannemelijk was, dat het project levensvatbaar was en dat de onderneming concurrerend zou zijn, aangezien het concern waartoe de onderneming behoort, actief is in landen met geringe loonkosten in Zuidoost-Azië. Verweerster had dan ook goede gronden om uit de aanzienlijke investeringen van de Noordierse onderneming op te maken, dat het project financiële voordelen bood ten opzichte van produktie in Azië, of althans levensvatbaar was.

121 Tot slot heeft verweerster niet haar discretionaire bevoegdheid overschreden door haar goedkeuring te hechten aan een steunmaatregel waarvan de gevolgen in strijd lijken te zijn met de doelstelling van het programma Retex. Dit programma strekt er immers niet toe, dat een in hoge mate van de textielsector afhankelijke regio, die evenwel gebukt gaat onder ernstige economische en sociale handicaps, de mogelijkheid wordt ontnomen om met behulp van een steunmaatregel haar positie te verbeteren - ook al heeft dit een grotere sectorafhankelijkheid tot gevolg - met name wanneer de gesubsidieerde investering andere investeringen moet aantrekken. Indien, zoals verzoeksters betogen, het programma Retex steunverlening aan de textielsector zou verbieden ongeacht de overige economische kenmerken van de betrokken regio, zou dit programma het ongewenste gevolg hebben, dat Noord-Ierland economisch wordt verzwakt, terwijl daarentegen juist wordt beoogd de economische positie van de desbetreffende regio's te versterken. Op grond van het programma Retex als zodanig kan de litigieuze steunmaatregel derhalve niet als onwettig worden aangemerkt.

122 Uit het voorgaande volgt, dat de grief moet worden verworpen.

De produktie van Hualon

- Argumenten van partijen

123 Verzoeksters betwisten, dat Hualon zich zal beperken tot de produktie van weefsels van mindere kwaliteit, zoals in de 21e en 43e alinea van de bekendmaking wordt gesteld. De president van Hualon zou in een interview met de BBC op 13 november 1994 namelijk hebben verklaard, dat Hualon weefsels met een hoge toegevoegde waarde zou gaan produceren.

124 Volgens verweerster, ondersteund door interveniënt, heeft Hualon dit officieel ontkend.

125 Interveniënt stelt, dat Hualon slechts in grote hoeveelheden te vervaardigen produkten met een geringe toegevoegde waarde zal produceren.

- Beoordeling door het Gerecht

126 In de bestreden beschikking wordt goedkeuring gehecht aan steunverlening ten behoeve van de oprichting van een fabriek voor de vervaardiging van aldaar nader omschreven weefsels van mindere kwaliteit (zie r.o. 95 en 96).

127 De grief berust op de veronderstelling, dat Hualon niet uitsluitend weefsels van mindere kwaliteit zal produceren. Deze veronderstelling is voornamelijk gebaseerd op uitlatingen die de president van Hualon na de vaststelling van de beschikking heeft gedaan.

128 De loutere bewering, dat aan een van de voorwaarden die ten grondslag liggen aan een beschikking tot goedkeuring van een steunmaatregel, niet zal worden voldaan, kan de rechtmatigheid van die beschikking niet aantasten. Mocht de ontvangende onderneming zich niet voegen naar de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden, dan staat het aan de Lid-Staat om op de goede uitvoering van de beschikking toe te zien en aan de Commissie om te beoordelen, of de steun dient te worden teruggevorderd (arrest Hof van 4 februari 1992, zaak C-294/90, British Aerospace en Rover, Jurispr. 1992, blz. I-493, r.o. 11).

De positie van de communautaire producenten in de sector weefsels van mindere kwaliteit

- Argumenten van partijen

129 Verzoeksters verwijten verweerster, geen rekening te hebben gehouden met de sterke aanwezigheid van de communautaire producenten in de sector produkten van mindere kwaliteit. Meer dan 80 % van de in de Gemeenschap vervaardigde weefsels van categorie MVR 35 weegt minder dan 200 gr/m2 en enkel bij de soorten weefsels die Hualon zal gaan produceren, ligt dit percentage ver boven de 90 %.

130 Gesteld dat, zoals verweerster meent, het type weefmachine een goede graadmeter is voor het soort weefsel dat wordt vervaardigd, dan hadden het in de Gemeenschap gebruikte aantal airjet- en waterjet-weefmachines en de gemiddelde levensduur daarvan in aanmerking moeten worden genomen, en niet zozeer het percentage nieuwe weefmachines. Voorts heeft verweerster ten onrechte de voor de fabricage van wolprodukten bestemde weefmachines meegeteld. In Europa bestaat een belangrijke wolindustrie, die vanwege het soort vezels uitsluitend weefmachines met projectiel gebruikt. Verweerster had haar raming moeten beperken tot weefsels die tot de door de litigieuze steunmaatregel geraakte markt behoren, te weten polyester- en polyamideweefsels alsmede katoenweefsels en -mengsels. Wanneer van het totale aantal in de Gemeenschap in gebruik genomen nieuwe projectiel-weefmachines de voor wolprodukten gebruikte weefmachines worden afgetrokken, komt men tot de conclusie, dat in 1991 29,9 % van de in gebruik genomen nieuwe weefmachines airjet- en waterjet-machines waren en in 1992 32,5 %. Deze percentages bedragen 38,4 % in 1989 en 40,7 % in 1991, indien rekening wordt gehouden met het feit dat vóór de door verweerster genoemde jaren (1991 en 1992), inzonderheid in 1989 en 1990, in de Gemeenschap grote investeringen zijn gedaan in airjet- en waterjet-weefmachines. Uit deze ontwikkelingen blijkt de sterke aanwezigheid van de communautaire producenten in de sector produkten van mindere kwaliteit. Verweerster had daar rekening mee moeten houden, aangezien deze omstandigheid van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de gevolgen van de litigieuze investering voor de concurrentie. Verzoeksters leggen voorts een tabel over, opgesteld na een onderzoek bij de bij AIUFFASS aangesloten ondernemingen in de acht belangrijkste producerende landen in de Europese Gemeenschap, waaruit blijkt dat bijna 50 % van de weefmachines voor de fabricage van weefsels in de categorieën MVR 35 en MVR 36, van het airjet- of waterjet-type was.

131 Ook wanneer van de methode en de cijfers van de Commissie wordt uitgegaan, luidt de conclusie volgens verzoeksters, dat de investering van Hualon aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de communautaire industrie.

132 Tot slot beroepen verzoeksters zich op de 44e alinea van de bekendmaking. Deze luidt als volgt: "ITMF meldt dat in de EG 24 % van de geïnstalleerde spoelloze weefmachines van het luchtstroom- of waterstraaltype waren in 1991 en 29 % in 1992, terwijl dit voor Azië 74 % in 1991 en 69 % in 1992 was." Deze cijfers bewijzen het tegendeel van het standpunt van verweerster, dat de communautaire produktie de tendens vertoont dat het lagere marktsegment geleidelijk wordt afgestoten ten gunste van weefsels van zeer goede kwaliteit.

VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0380.1

133 Verweerster bestrijdt niet, dat de communautaire textielindustrie nog altijd sterk vertegenwoordigd is in de sector produkten van mindere kwaliteit, maar wijst erop, dat zij ervan is uitgegaan, dat de gesubsidieerde investering geen aanmerkelijke invloed zal hebben op de ontwikkeling van de in Europa geïnstalleerde capaciteit. Zij heeft zich gebaseerd op ontwikkelingen op de markt, die worden gekenmerkt door het feit dat de andere communautaire producenten zich geleidelijk afwenden van het lagere marktsegment, dat zal worden overgenomen door producenten in derde landen, en zich steeds meer richten op de produktie van weefsels van zeer goede kwaliteit, zodat de gesubsidieerde investering geen merkbare invloed zal hebben op de ontwikkeling van de in Europa geïnstalleerde capaciteit.

134 Ter bepaling van de te verwachten ontwikkeling van de sector is het percentage nieuwe weefmachines een geschikter criterium dan het door verzoeksters bepleite criterium, te weten het in de Gemeenschap gebruikte aantal airjet- en waterjet-weefmachines en de gemiddelde levensduur daarvan.

135 Ten slotte tonen de in de 44e alinea van de bekendmaking genoemde cijfers geenszins aan, dat de communautaire produktie in het lagere marktsegment toeneemt, maar wel dat het percentage weefmachines die geschikt zijn voor de produktie van weefsels van mindere kwaliteit in Europa, beduidend lager ligt dan in Azië.

136 Volgens interveniënt heeft verweerster volkomen terecht de voor wolprodukten bestemde weefmachines wel meegerekend, aangezien Japan, de Verenigde Staten en China eveneens grote producenten van wolweefsels of grotendeels uit wol bestaande weefsels zijn.

137 In hun opmerkingen naar aanleiding van de memorie in interventie betwisten verzoeksters, dat de communautaire producenten verouderde weefmachines met verlies exploiteren. Uit het door interveniënt overgelegde rapport van Kurt Salmon Associates blijkt namelijk, dat alle door deze producenten geëxploiteerde weefmachines zijn vervangen. Bovendien is het rendabel om produkten van mindere kwaliteit te fabriceren met weefmachines met rapier of projectiel en produkten van zeer goede kwaliteit met machines van het jet-type.

- Beoordeling door het Gerecht

138 De beschikking is gegrond op een beoordeling van de gevolgen van het gesteunde project, gelet op de te verwachten ontwikkeling van de markt.

139 Zoals uit de rechtsoverwegingen 117 tot en met 119 hierboven blijkt, hebben verzoeksters niet aangetoond, dat verweersters analyse van de toekomstige ontwikkeling van de markt onjuist is, noch dat de communautaire producenten een belangrijke plaats zullen blijven innemen in de "niche" in de markt waarop Hualon zich richt.

140 In tegenstelling tot hetgeen verzoeksters stellen, blijkt uit de beschikking dat verweerster rekening heeft gehouden met de toekomstige positie van de communautaire producenten op de markt voor produkten van mindere kwaliteit, doch heeft geconcludeerd, dat het een zwakke positie zal zijn (53e en 55e tot en met 57e alinea van de bekendmaking).

141 Ten slotte hebben verzoeksters evenmin aangetoond, dat de door verweerster gehanteerde methode ter beoordeling van de toekomstige positie van de communautaire producenten in het lagere marktsegment kennelijk ongeschikt was. Zij hebben in feite slechts gesteld, dat veeleer het aantal en de levensduur van de thans gebruikte weefmachines had moeten worden vastgesteld; daarmee kan evenwel niet worden voorspeld, welke keuze een producent aan het einde van de gebruiksduur van zijn huidige weefmachines zal maken, zodat niet kan worden geschat, wat de toekomstige positie van de communautaire producenten in het desbetreffende marktsegment is.

142 Mitsdien moet de grief worden verworpen.

Het gebruik van de verschillende typen weefmachines

- Argumenten van partijen

143 Verzoeksters verwijten verweerster, dat deze niet heeft onderzocht of weefmachines van het jet-type geschikt zijn voor de fabricage van produkten van zeer goede kwaliteit, waarop de de communautaire producenten zich volgens de betwiste beschikking hebben toegelegd.

144 Het is heel gebruikelijk en rendabel om produkten van zeer goede kwaliteit met airjet- of waterjet-weefmachines te fabriceren; de keuze van de apparatuur hangt voornamelijk af van de strategie van de onderneming. Er bestaat geen duidelijk verband tussen het type weefmachine en het soort weefsel dat ermee wordt vervaardigd. Door deskundigen uit de branche wordt algemeen erkend, dat waterjet-weefmachines zich beter dan andere machines lenen voor de fabricage van polyesterweefsels die bestemd zijn voor het maken van artikelen voor dames, zoals crêpe, en technische artikelen met een hoge toegevoegde waarde, zoals airbags. Verzoeksters noemen als voorbeeld twee bedrijven die artikelen met een hoge toegevoegde waarde produceren op jet-weefmachines. Zij stellen tot slot, dat in de Republiek Korea, waar de textielondernemingen vanwege de steeds heviger concurrentie van produkten uit landen als Indonesië en Thailand hun produktie geleidelijk hebben verlegd naar artikelen met een hoge toegevoegde waarde, ongeveer 75 % van de in 1994 nieuw geïnstalleerde spoelloze weefmachines van het jet-type waren, en geen machines met rapier of projectiel.

145 Verweerster wijst erop, dat zij zich bij haar oordeel, dat produkten van mindere kwaliteit vooral met weefmachines van het jet-type, en hoogwaardige produkten vooral met weefmachines met rapier of projectiel worden vervaardigd, niet zozeer door een louter technisch criterium, als wel door economische overwegingen heeft laten leiden.

146 Gelet op de hogere produktiviteit van jet-weefmachines bij serieprodukties van mindere kwaliteit, en gezien de technische kenmerken van de voorgenomen investering, meent zij, dat naar redelijkheid kon worden aangenomen, dat de gesteunde investering zich vooral zou richten op serieproduktie die veeleer tot het lagere marktsegment moet worden gerekend, zoals de Britse autoriteiten in hun kennisgeving hadden verklaard.

147 Interveniënt legt het rapport van Kurt Salmon Associates over, waarin de kenmerken en de voor- en nadelen van de verschillende weefmachines worden uiteengezet, en valt verweerster bij.

- Beoordeling door het Gerecht

148 Het betoog van verzoeksters, waarmee zij hoofdzakelijk beogen aan te tonen, dat het gebruikelijk en rendabel is om produkten van zeer goede kwaliteit te fabriceren met weefmachines van het jet-type, weerlegt niet verweersters standpunt, dat het rendabeler is om weefsels van mindere kwaliteit niet met weefmachines met rapier of projectiel, maar met jet-weefmachines te produceren. Zij slagen er evenmin in te ontkrachten, dat de communautaire producenten het lagere marktsegment beginnen op te geven.

149 Vervolgens beperken verzoeksters zich zonder enige onderbouwing tot de stelling, dat er geen duidelijk verband bestaat tussen het type weefmachine en het soort weefsel dat ermee wordt vervaardigd. Zij betwisten of weerleggen met name niet de technisch-economische gegevens over de verschillende weefmachines in het door interveniënt overgelegde rapport van Kurt Salmon Associates.

150 Verzoeksters zijn er derhalve niet in geslaagd aan te tonen, dat verweerster de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld door vast te stellen, dat op weefmachines met rapier gefabriceerde produkten van mindere kwaliteit niet kunnen concurreren met uit derde landen ingevoerde produkten die met airjet- of waterjet-machines zijn gefabriceerd, zulks vanwege de kenmerken van dat type weefmachines, en door haar analyse van de te verwachten ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden daarop te baseren.

151 Mitsdien kan de grief niet worden aanvaard.

2. De overige tekortkomingen van de marktanalyse

Het weefstadium als enige uitgangspunt

- Argumenten van partijen

152 Verzoeksters betogen, dat verweerster een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, door het produktiestadium van het weven als enige uitgangspunt te nemen voor het standpunt, dat Hualon concurrerend zal zijn ten opzichte van importen uit derde landen en dat haar produktie die derhalve zal kunnen substitueren, ofschoon de litigieuze investering een geïntegreerd project betreft, dat het verven, afwerken (veredelen), weven en spinnen omvat. Het stadium van het weven maakt gemiddeld, over alle produktievormen gemeten, evenwel slechts 30 % van de kosten van het eindprodukt uit, terwijl de kosten van het spinnen en veredelen gemiddeld, over alle produktievormen gemeten, 30 respectievelijk 40 % bedragen.

153 Verweerster, ondersteund door interveniënt, bestrijdt dat zij uitsluitend van het stadium van het weven is uitgegaan om het concurrentievermogen van Hualon ten opzichte van importen uit derde landen aan te tonen.

- Beoordeling door het Gerecht

154 Waar verzoeksters verweerster verwijten, dat deze bij de beoordeling van het concurrentievermogen van Hualon ten opzichte van de concurrenten uit derde landen geen rekening heeft gehouden met andere produktiefasen dan het weven, trekken zij in feite het concurrentievermogen van Hualon in twijfel.

155 Om de hiervoor in rechtsoverweging 120 uiteengezette redenen is het Gerecht van oordeel, dat deze grief niet kan worden aanvaard.

De periode waarin Hualon de volle capaciteit zal hebben bereikt als enige uitgangspunt

- Argumenten van partijen

156 Verzoeksters verwijten verweerster voorts, dat deze slechts is uitgegaan van de situatie die zich zal voordoen wanneer Hualon op volle capaciteit zal produceren, tussen 2000 en 2003 wanneer men naar de 40e alinea van de bekendmaking kijkt en in 1998-1999 wanneer men naar de 36e alinea kijkt; aldus gaat zij voorbij aan de activiteiten die Hualon in de komende 7, 8 of 9 jaar zal verrichten.

157 Verweersters keuze, de gevolgen van het gesteunde project in een dynamisch perspectief te beoordelen, rechtvaardigt volgens verzoeksters niet dat het tijdstip waarop Hualon haar volle capaciteit zal hebben bereikt als uitgangspunt voor de beoordeling van die gevolgen wordt genomen, omdat dat tijdstip ver in de toekomst ligt en in de litigieuze beschikking uitsluitend wordt uitgegaan van weefactiviteiten, welke activiteiten Hualon zeer binnenkort zal uitvoeren.

158 Het lijdt geen twijfel dat de toegekende steun, gezien de omvang daarvan en de grote hoeveelheden weefsels die in de komende 7, 8 of 9 jaar dankzij de investering kunnen worden verwerkt, aanzienljke schade zal toebrengen aan de communautaire ondernemingen die dezelfde activiteiten verrichten als waarop Hualon zich in deze periode zal toeleggen.

159 Verweerster, gesteund door interveniënt, betoogt dat zij terdege rekening heeft gehouden met de geleidelijke ontwikkeling van de investering en van de markt, ook al heeft zij bij de beoordeling van de gevolgen van de steunmaatregel op lange termijn, het stadium waarin Hualon haar volle produktiecapaciteit zal hebben bereikt grondiger onderzocht. Tot staving hiervan verwijst zij naar de eerste volzin van de 56e alinea van de bekendmaking, waarin zij de geleidelijke ontwikkeling van de investering en die van de communautaire textielindustrie tegen elkaar afzet (zij verwacht, dat Hualon "de capaciteitsverminderingen die verband houden met de veroudering van de installaties en de delokalisaties, gedeeltelijk of volledig zal compenseren").

160 Interveniënt voegt hieraan toe, dat indien men de textielmarkt, die immers aan grote schommelingen onderhevig is, op dynamische wijze wil beoordelen, zoals de brief van 1977 voorschrijft, alle tendensen op lange termijn en de totale produktie op de markt moeten worden onderzocht. Daarom dient te worden uitgegaan van de situatie op het tijdstip waarop Hualon haar volle capaciteit heeft bereikt, en niet van een stadium waarin zij aanvankelijk nog met aanloopkosten wordt geconfronteerd.

- Beoordeling door het Gerecht

161 Uit de door verweerster aangehaalde 56e alinea en uit de 62e alinea van de bekendmaking, waarin wordt gewezen op de veranderingen die gaande zijn en op de mogelijkheid dat de communautaire producenten ten gevolge van de litigieuze steun genoopt worden zich uit de markt terug te trekken, blijkt dat verweerster is uitgegaan van de situatie die zich kan voordoen tussen de aanvang van de uitvoering van het litigieuze project en het tijdstip waarop Hualon op volle capaciteit zal produceren.

162 De grief is derhalve ongegrond en moet mitsdien worden verworpen.

De categorieën MVR 2 en MVR 35 als enige uitgangspunt

- Argumenten van partijen

163 Verzoeksters verwijten verweerster, geen rekening te hebben gehouden met de produkten van categorie MVR 3 (produkten van synthetische stapelvezels), doch enkel met die van de categorieën MVR 2 en MVR 35. Hualon gaat evenwel katoenweefsels en -mengsels (katoen/polyester) produceren, die naargelang de verhouding katoen/polyester tot categorie MVR 2 dan wel tot categorie MVR 3 behoren.

164 Wordt categorie MVR 3 in de marktanalyse betrokken, dan treedt een tendens van een teruglopende vraag naar de door Hualon gefabriceerde produkten aan het licht, aangezien de vraag naar MVR 3-weefsels tussen 1990 en 1994 met 23 % is gedaald. Nu weefsels van categorie MVR 3 buiten beschouwing zijn gelaten, is verweersters analyse van de markt voor de door de steunmaatregel geraakte produkten volstrekt ontoereikend.

165 Volgens verweerster duidt niets op een andere marktontwikkeling, indien categorie MVR 3 wel in de analyse wordt betrokken.

166 Zich beroepend op de resultaten van een onderzoek van 34 door Hualon verstrekte stalen, die geen van alle tot categorie MVR 3 bleken te behoren, verklaart interveniënt dat Hualon geen weefsels van die categorie zal produceren. Op basis van het rapport van Kurt Salmon Associates stelt hij voorts, dat de markt van MVR 3-produkten hoe dan ook exact dezelfde kenmerken vertoont als die van MVR 2- en MVR 35-produkten. Die markt omvat zowel produkten van zeer goede als produkten van mindere kwaliteit en wordt gekenmerkt door een structurele overcapaciteit, een daling van de produktie in de Gemeenschap en een stijging van de import. In een op 8 juli 1996 vóór de terechtzitting ingediend document, dat bij aanvang van de zitting aan partijen is uitgereikt, verklaart interveniënt verder, dat de import van MVR 3-weefsels tussen 1988 en 1993 is gestegen van 31 tot 54 % (van 35 tot 44 % voor MVR 2-weefsels en van 16 tot 28 % voor MVR 35-weefsels) en dat de communautaire produktie is gedaald met 24,6 % (8,5 % voor MVR 2-weefsels en 18,7 % voor MVR 35-weefsels). In 1995 bedroeg het importpercentage in de Gemeenschap 56 % (46 % voor MVR 2-weefsels en 38 % voor MVR 35-weefsels). Het onderscheid tussen MVR 2- en MVR 35-produkten enerzijds en MVR 3-produkten anderzijds is derhalve ter beoordeling van de te verwachten marktontwikkeling niet relevant.

167 Verzoeksters werpen tegen, dat de door Hualon verstrekte stalen geen enkele garantie bieden met betrekking tot de toekomstige produktie van Hualon.

- Beoordeling door het Gerecht

168 Ter terechtzitting hebben verzoeksters de ontvankelijkheid noch de inhoud van het even tevoren door interveniënt overgelegde rapport betwist. Dat document geeft aan, dat de markttendensen voor MVR 3-weefsels gelijk zijn aan die voor MVR 2- en MVR 35-weefsels, te weten een dalende produktie in de Gemeenschap en toenemende importen. Neemt men aan, dat de produktie van Hualon de plaats van importen zal innemen en niet zozeer zal concurreren met andere communautaire producenten, dan zal een teruglopende vraag de bestreden conclusies eerder bevestigen dan ontkrachten. Daling van de vraag kan de verslechtering van de marktpositie van de communautaire producenten alleen maar versnellen en daarmee import in de hand werken waarvoor Hualons produktie juist in de plaats zou moeten treden. De grief kan derhalve slechts slagen, indien de onjuistheid wordt aangetoond van de stelling, dat de produktie van Hualon bijdraagt tot importsubstitutie. In dat bewijs zijn verzoeksters evenwel niet geslaagd (zie r.o. 117-119).

169 Mitsdien kan de grief niet worden aanvaard.

3. De verwachtingen betreffende de vraag naar produkten van de categorieën MVR 2 en MVR 35

Argumenten van partijen

170 Verzoeksters achten de in de 52e alinea van de bekendmaking weergegeven verwachting, dat de vraag naar MVR 2- en MVR 35-produkten zal toenemen, alsmede de in de 57e alinea van de bekendmaking gedane uitspraak, dat in het stijgend verbruik vrijwel uitsluitend zal kunnen worden voorzien door meer importen, weinig aannemelijk.

171 Het is waarschijnlijker, dat de vraag naar produkten in de categorieën MVR 2 en MVR 35 (en MVR 3) zal afnemen vanwege de delokalisatie van de confectie-industrie, waarvoor deze produkten bestemd zijn; dit wordt bevestigd door bepaalde cijfers in de 50e alinea van de bekendmaking. Deze verwachtingen kunnen hoe dan ook niet dienen ter rechtvaardiging van de omvangrijke concurrentiebeperkingen die uit de litigieuze investering zullen voortvloeien.

172 Volgens verweerster was het zonder meer juist om bij de beoordeling van de gevolgen van de litigieuze steunmaatregel voor de mededinging, subsidiair de ontwikkeling van de vraag in aanmerking te nemen. Zij ontkent hieruit te hebben afgeleid, dat de uit de investering voortvloeiende concurrentiebeperking alleen al op deze grond gerechtvaardigd is.

173 Bovendien laten de door verzoeksters in bijlage bij hun conclusie van repliek verstrekte cijfers een stijging van de vraag naar MVR 2- en MVR 35-produkten zien.

174 Ten slotte betoogt zij, dat verzoeksters enkel in algemene zin de aannemelijkheid van haar verwachtingen hebben betwist, zonder feiten of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan deze in twijfel kunnen worden getrokken.

175 Interveniënt licht toe, dat de in de betwiste beschikking genoemde groeicijfers van 0,75 en 2 % betrekking hebben op het totale verbruik van eindprodukten in de Gemeenschap en niet op de vraag naar MVR 2- en MVR 35-weefsels, die met 4 respectievelijk 7 % zal dalen, aangezien steeds meer kleding wordt gemaakt van weefsels van buiten de Gemeenschap. Zij onderstreept, dat Hualons intrede op een inzakkende markt moet worden bezien in de bredere context van een tendens - importstijging - die Hualon zal trachten te keren.

176 Verzoeksters werpen tegen, dat de in de beschikking genoemde cijfers uitdrukkelijk betrekking hebben op MVR 2- en MVR 35-weefsels en niet op eindprodukten. Uit het betoog van interveniënt leiden zij af, dat de produktie van Hualon het probleem van de aanwezige capaciteit zal verergeren.

Beoordeling door het Gerecht

177 Zoals in rechtsoverweging 168 reeds is uiteengezet, moet bij de beoordeling van het effect van een eventuele daling van de vraag rekening worden gehouden met het - door verzoeksters niet weerlegde - uitgangspunt van stijgende importen, waarvoor de produktie van Hualon in de plaats zou moeten komen. In die context bezien, bevestigt een afnemende vraag de conclusies die zijn neergelegd in de bestreden beschikking, die - terecht - het probleem van de vraag juist tegen stijgende importen afweegt (zie hierboven, r.o. 169).

178 Aangezien verzoeksters niet hebben aangetoond, dat verweersters analyse dat Hualons produktie in de plaats zou moeten komen van importen, onjuist is, kan de grief niet slagen, zelfs niet indien de in de beschikking genoemde cijfers betreffende de vraag onjuist mochten zijn. Mitsdien moet de grief worden verworpen.

179 Blijkens het voorgaande hebben verzoeksters niet aangetoond, dat er een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt bij de evaluatie van de gevolgen van het steunvoornemen voor de concurrentievoorwaarden en de overcapaciteit, bij de marktanalyse of bij de beoordeling van de vraag.

Conclusie

180 Verzoeksters hebben niet aangetoond, dat verweerster de litigieuze steunmaatregel ten onrechte heeft goedgekeurd overeenkomstig artikel 92, lid 3, sub a en c, EG-Verdrag. Derhalve is het beroep ongegrond en moet het worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

181 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij, overeenkomstig de vordering van de Commissie, naast hun eigen kosten ook de kosten van de Commissie te dragen. Volgens artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de Lid-Staten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten; het Verenigd Koninkrijk zal dus zijn eigen kosten hebben te dragen.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer - uitgebreid),

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat verzoeksters hun eigen kosten zullen dragen, alsmede, hoofdelijk, de kosten van de Commissie.

3) Verstaat dat het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten zal dragen.

Top