EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994TJ0304

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 14 mei 1998.
Europa Carton AG tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Mededinging - Artikel 85, lid 1, EG-Verdrag - Bewijs van betrokkenheid bij heimelijke verstandhoudingen - Geldboete - Omzet - Bepaling van bedrag - Verzachtende omstandigheden.
Zaak T-304/94.

European Court Reports 1998 II-00869

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1998:89

61994A0304

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 14 mei 1998. - Europa Carton AG tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Mededinging - Artikel 85, lid 1, EG-Verdrag - Bewijs van betrokkenheid bij heimelijke verstandhoudingen - Geldboete - Omzet - Bepaling van bedrag - Verzachtende omstandigheden. - Zaak T-304/94.

Jurisprudentie 1998 bladzijde II-00869


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk opleveren - Ondernemingen aan wie inbreuk, bestaande in deelneming aan geheel kartel, ten laste kan worden gelegd - Criteria

(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

2 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

3 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - In aanmerking genomen omzet - Waarde van interne leveranties van betrokken product aan fabrieken voor afgeleid product die aan onderneming toebehoren - Daaronder begrepen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

4 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Schade, door onderneming geleden als gevolg van mededingingsregeling - Geen verzachtende omstandigheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

5 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzwarende omstandigheden - Verhulling van mededingingsregeling - Bewijs voortvloeiend uit ontbreken van aantekeningen betreffende vergaderingen van bij mededingingsregeling betrokken ondernemingen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

Samenvatting


6 Om elk van de in een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel dat verschillende mededingingsverstorende gedragingen omvat, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld, wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.

7 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.

Verder kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.

8 Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete mag de Commissie uitgaan van een omzet die aldus is berekend dat zij niet enkel de omzet uit de verkoop van het product waarop de inbreuk betrekking heeft, aan derden omvat, doch ook de waarde van de interne leveranties van dit product aan de fabrieken voor een afgeleid product, die aan de onderneming toebehoren en bijgevolg geen van haar te onderscheiden rechtspersoon zijn.

Er is namelijk geen enkele bepaling op grond waarvan het verboden is om voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de waarde van de interne leveranties van een vennootschap.

Verder dient de bovengrens van een geldboete, welke op 10 % van de omzet van de onderneming is bepaald, te voorkomen dat de geldboeten onevenredig zijn aan de omvang van de onderneming, en aangezien enkel de totale omzet die omvang bij benadering kan aanduiden, moet dit percentage worden opgevat als een percentage van de totale omzet. Wanneer de Commissie het bedrag van de geldboeten enkel op basis van de omzet uit de verkopen van het product waarop de inbreuk betrekking heeft, vaststelt, neemt zij als grondslag voor haar berekening het gedeelte van de totale omzet van de onderneming, dat het uit de mededingingsregeling behaalde voordeel het best weerspiegelt. In dit verband dient te worden aangenomen, dat de aan één en dezelfde rechtspersoon toebehorende fabrieken van het onrechtmatige gedrag profiteren door het product uit eigen productie als grondstof te gebruiken.

Zou geen rekening worden gehouden met de waarde van de interne leveranties, dan zouden onvermijdelijk de verticaal geïntegreerde ondernemingen op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld. Het uit de mededingingsregeling behaalde voordeel zou in een dergelijk geval eventueel niet in aanmerking worden genomen en de betrokken onderneming zou zich onttrekken aan een sanctie die evenredig is aan haar omvang op de markt van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft.

9 Het feit dat een onderneming die met haar concurrenten een prijsafspraak heeft gemaakt, in strijd met haar eigen economische belangen heeft gehandeld en als consequentie daarvan de gevolgen van deze afspraak heeft moeten dragen, behoeft bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboete niet noodzakelijkerwijze als een verzachtende omstandigheid in aanmerking te worden genomen. Een onderneming die ondanks de schade die zij lijdt, haar prijzen met haar concurrenten blijft afstemmen, kan niet worden geacht een minder zware inbreuk te hebben gepleegd dan de andere ondernemingen die eveneens bij de afspraak betrokken waren. Eventueel zou dit evenwel anders kunnen zijn, indien een dergelijke onderneming aantoont, dat zij onder dwang onrechtmatig heeft gehandeld.

10 Het feit dat de ondernemingen die bij een prijsafspraak betrokken waren, de aankondiging van de onderling afgestemde prijsverhogingen hebben gearrangeerd en dat zij werden ontmoedigd aantekeningen betreffende vergaderingen over dit onderwerp te maken, bewijst dat zij zich van de onrechtmatigheid van hun gedrag bewust waren en dat zij maatregelen hebben genomen om de afspraak te verhullen. Dergelijke maatregelen kan de Commissie bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk als verzwarende omstandigheden in aanmerking nemen.

Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende deze vergaderingen kunnen, gelet op het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen, genoegzaam bewijs opleveren voor het feit dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.

Partijen


In zaak T-304/94,

Europa Carton AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Wiedemann en W. Kirchhoff, advocaten te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Val Sainte-Croix 7,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, vervolgens door R. Lyal, bijgestaan door D. Schroeder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton, PB L 243, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Derde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten

1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.

2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.

3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.

4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.

5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.

6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.

7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.

8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.

9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.

10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.

11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.

12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:

"Artikel 1

Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,

- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;

- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;

- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;

- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,

aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:

- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;

- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;

- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;

- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;

- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;

- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.

(...)

Artikel 3

De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:

(...)

iv) Europa Carton AG, een geldboete van 2 000 000 ECU;

(...)"

13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.

14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.

15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.

16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.

17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.

18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.

19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.

20 Verzoekster Europa Carton AG (hierna: "Europa Carton") is niet enkel kartonproducent, doch eveneens de grootste verwerker (producent van vouwkarton) in Duitsland. Volgens de beschikking heeft zij inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door haar deelname vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging. Zij heeft een aantal vergaderingen van de PC en het JMC bijgewoond.

Het procesverloop

21 Bij op 5 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.

22 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94).

23 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht. Sarrió wordt voor de betrokkenheid van Prat Carton bij het kartel aansprakelijk geacht voor de gehele periode van haar deelneming daaraan (punt 154 van de considerans van de beschikking).

24 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).

25 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.

26 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.

27 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.

28 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.

29 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.

30 De partijen in de in punt 26 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.

Conclusies van partijen

31 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:

- artikel 1, achtste en negende streepje, van de beschikking nietig te verklaren wat verzoekster betreft;

- het bedrag van de bij artikel 3 van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete te verlagen;

- de Commissie te verwijzen in de kosten. 32 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster te verwijzen in de kosten.

De vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking

Argumenten van partijen

33 Verzoekster voert een middel aan: ten onrechte wordt haar een heimelijke verstandhouding betreffende marktaandelen en capaciteiten ten laste gelegd.

34 Zij merkt op, dat zij een van de kleinste producenten van vouwkarton in de Gemeenschap is, over slechts een enkele machine beschikt en de grootste verwerker (producent van vouwkarton) van Duitsland is. Zij had daarom een gering aandeel op de - vooral Duitse - markt en was de grootste afnemer van haar eigen fabriek. Op grond van deze laatste omstandigheid had zij slechts een zuiver passieve rol in de organen en comités van de PG Paperboard gespeeld; hieraan wordt niet afgedaan door het feit dat zij zeven (van in totaal 32) vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond.

35 Zij heeft niet deel genomen aan overeenkomsten of onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen tot handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus, noch aan onderling afgestemde maatregelen tot beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap.

36 Met betrekking tot de ten laste gelegde heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen verklaart zij, dat zij nooit lid van de PWG was en nooit tot de grote producentengroepen had behoord. Volgens de beschikking (punten 36, 37, 52, 56 en 130 van de considerans) waren de afspraken betreffende de marktaandelen gemaakt tussen de deelnemers aan de PWG, dat wil zeggen tussen de grote producentengroepen. De Commissie zelf geeft toe, dat de overeenkomsten tot verdeling van de markten, in het bijzonder de bevriezing van de marktaandelen, naar hun aard vooral de grote producenten betroffen. Verder erkent zij uitdrukkelijk, dat de kleine producenten daaraan niet hebben meegewerkt (punt 57 van de considerans) en dat zij zich bewust waren van de noodzaak om hun eigen gedrag aan het "prijs vóór tonnage"-beleid van de grote producenten aan te passen (punt 58 van de considerans).

37 Met betrekking tot de ten laste gelegde heimelijke verstandhouding betreffende de capaciteiten stelt verzoekster onder verwijzing naar de beschikking (punten 69, 70, 71, 130 en 131 van de considerans), dat enkel de ondernemingen die lid van de PWG waren, aan de onderlinge afstemming in de vorm van een coördinatie van stillegging van de productie hebben deelgenomen.

38 Zij betwist, dat zij zich bewust was van een met haar instemming aanvaard algemeen plan, waarvan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en de hoeveelheidsbeheersing onlosmakelijk verbonden aspecten waren (zie punt 116 van de considerans).

39 Onjuist is volgens haar ook de verklaring van de Commissie (punt 116 van de considerans van de beschikking), dat niets erop duidt, dat de ondernemingen bepaalde aspecten van het kartel waarbij zij zich wilden aansluiten, konden kiezen en dat zij andere niet behoefden toe te passen.

40 De Commissie antwoordt, dat de inbreuk niet in meerdere, van elkaar onafhankelijke inbreuken kan worden opgesplitst. Verzoekster was betrokken bij één enkele inbreuk, die in wezen bestond in een meerdere jaren durende samenwerking van producenten in het kader van een onrechtmatig plan dat een gemeenschappelijk doel nastreefde (punten 116 e.v. van de considerans van de beschikking). Elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, heeft derhalve de inbreuk in haar geheel gepleegd, ook al heeft zij niet deelgenomen of is niet bewezen dat zij heeft deelgenomen aan alle handelingen van het kartel.

41 Volgens de Commissie zijn de prijsafspraken en de beheersing van de hoeveelheden onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten van hetzelfde algemene plan. Dit betekent evenwel niet, dat een heimelijke verstandhouding betreffende prijzen slechts in samenhang met overeenkomsten betreffende marktaandelen en capaciteiten tot stand kon komen. Prijsafspraken zijn vanuit economisch gezichtspunt in de regel niet erg effectief, wanneer daarnaast het aanbod wordt verhoogd. De prijsafspraken en de afspraken betreffende de hoeveelheden, die in casu ontegenzeggelijk bestonden, kunnen derhalve niet van elkaar worden gescheiden. Het feit dat de afspraken betreffende de marktaandelen en de hoeveelheidsbeheersing voornamelijk golden voor de grote producenten, doet niets af aan het door haar gegeven oordeel, omdat door hun optreden alle deelnemers aan het kartel de waarborg hadden, dat het aanbod niet sterk zou worden verhoogd. Met andere woorden, alle ondernemingen waren zich ervan bewust, dat als gevolg van de interdependentie tussen prijzen en hoeveelheden het succes van het kartel ook afhankelijk was van een beheersing van de hoeveelheden.

42 Bijgevolg is verzoeksters argument dat zij in het kartel geen actieve rol heeft gespeeld, niet relevant. Door regelmatig en vaak (zeven deelnemingen zijn bewezen) aan de vergaderingen van het JMC deel te nemen, waarvan de onbetwiste taken in de beschikking worden beschreven (punt 44 van de considerans), heeft verzoekster meegewerkt aan de ontwikkeling van strategieën tot een gemeenschappelijke en uniforme prijsverhoging binnen de gehele bedrijfstak. De besprekingen binnen het JMC hadden dan ook noodzakelijkerwijze ook betrekking op problemen van hoeveelhedenbeheersing en verdeling van de markten. De regelmatige deelneming van verzoekster aan deze vergaderingen rechtvaardigt op zichzelf dus reeds het haar ten laste gelegde feit en betekent dat zij, aangezien aanwijzingen voor het tegendeel niet zijn verstrekt, met de aldaar gemaakte afspraken heeft ingestemd (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie (T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punten 56 en 66 e.v.).

43 Door haar deelname aan de vergaderingen van het JMC en aan de verschillende prijsinitiatieven heeft verzoekster duidelijk tot uitdrukking gebracht, dat zij de doelstellingen van het kartel onderschreef. Zelfs indien zij zich slechts passief heeft getoond, heeft zij in elk geval de inbreuk vergemakkelijkt (arresten Hof van 1 februari 1978, Miller/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, punt 18, en 12 juli 1979, BMW Belgium e.a./Commissie, 32/78 en 36/78-82/78, Jurispr. blz. 2435, punten 49 e.v.).

44 Het feit dat verzoekster misschien niet aan alle maatregelen tot beheersing van de hoeveelheden heeft deelgenomen, verandert niets aan het feit, dat deze maatregelen, die voornamelijk betrekking hadden op de grote producenten, aan alle deelnemers aan het kartel ten goede kwamen, aangezien zij niet van de aspecten van de inbreuk betreffende de prijsvaststelling konden worden losgemaakt en de deelneming van alle producenten aan de prijsinitiatieven het succes daarvan verzekerde (arresten Gerecht van 24 oktober 1991, Petrofina/Commissie, T-2/89, Jurispr. blz. II-1087, punt 267, en 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 272).

Beoordeling door het Gerecht

45 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, in het geval van verzoekster vanaf medio 1986 tot ten minste april 1990, aan een overeenstemming die dateert van medio 1986 en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap onder meer "voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen", en "gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden", "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".

46 Bijgevolg heeft volgens de beschikking elk van de in artikel 1 genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door haar deelname aan één enkele inbreuk, bestaande in heimelijke verstandhoudingen betreffende drie verschillende onderwerpen, die evenwel een gemeenschappelijk doel nastreefden. Deze heimelijke verstandhoudingen moeten als de bestanddelen van het algemene kartel worden beschouwd.

47 Verzoekster betwist niet haar deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, noch de duur van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk. Bovendien geeft zij toe, in de periode van 13 januari 1988 tot april 1991 zeven vergaderingen van het JMC te hebben bijgewoond. Eveneens erkent zij, dat zij een aantal vergaderingen van de PC heeft bijgewoond.

48 Gelet op deze gegevens moet worden nagegaan, of de Commissie heeft aangetoond, dat verzoekster heeft deelgenomen aan de twee overige bestanddelen van het algemene kartel, te weten een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.

Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand

49 Volgens de beschikking hebben de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, vanaf eind 1987 deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en is vanaf 1990 inderdaad "downtime" genomen.

50 Uit punt 37, derde alinea, van de considerans van de beschikking blijkt namelijk, dat het werkelijke doel van de PWG, zoals beschreven door Stora, "omvatte: $bespreking van een onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhogingen en capaciteit'". Onder verwijzing naar "de in 1987 door de PWG bereikte overeenkomst" (punt 52, eerste alinea, van de considerans) verklaart de Commissie verder, dat deze onder meer beoogde om "het aanbod op een constant niveau" te handhaven (punt 58, eerste alinea, van de considerans).

51 Met betrekking tot de rol die de PWG heeft gespeeld bij de heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van het aanbod, welke kenmerkend was voor het onderzoek van de machinestilstand, wordt in de beschikking vermeld, dat de PWG een beslissende rol heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de machinestilstand, toen vanaf begin 1990 de productiecapaciteit toenam en de vraag afnam: "(...) begin 1990 [achtten] de leidende producenten in de bedrijfstak (...) het noodzakelijk in het kader van de PWG tot onderlinge afspraken over de noodzaak van machinestilstand te komen. De grote producenten zagen in, dat zij de vraag niet konden vergroten door de prijzen te verlagen en dat de handhaving van de productie op volle capaciteit alleen maar de prijzen zou doen dalen. Met behulp van de capaciteitsverslagen kon in theorie berekend worden hoe lang de machines moesten stilstaan om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. (...)" (punt 70 van de considerans van de beschikking).

52 Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart, dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem bestond'" (punt 71 van de considerans van de beschikking).

53 In haar tweede verklaring (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 24) verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een equivalent systeem van prijzen vanaf 1988, hebben de leden van de PWG erkend, dat wegens een geringere toeneming van de vraag machinestilstand ($downtime') nodig was om deze prijzen te handhaven. Zonder machinestilstand door de producenten zou het wegens de steeds grotere overcapaciteit onmogelijk zijn geweest de overeengekomen prijsniveaus te handhaven."

54 In het volgende punt van haar verklaring voegt zij daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stilleggingen in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de bestellingen afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven. De hoeveelheid $downtime' die de producenten moesten nemen (om het evenwicht tussen productie en consumptie te handhaven), kon worden berekend op basis van de capaciteitsverslagen. De PWG had niet formeel $downtime' toegewezen, ofschoon er een soepel aanmoedigingssysteem bestond (...)."

55 De Commissie baseert haar conclusies eveneens op bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).

56 Volgens dit in de punten 53 tot en met 55 van de considerans van de beschikking geciteerde document, had deze nauwere samenwerking binnen de "Präsidentenkreis", waartoe in 1987 was besloten, "winnaars" en "verliezers" opgeleverd. De uitdrukking "Präsidentenkreis" is door Mayr-Melnhof aldus geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a), een uitlegging die in de onderhavige context niet behoeft te worden onderzocht.

57 De redenen welke door de opsteller van dit document worden gegeven om te verklaren waarom hij Mayr-Melnhof als "verliezer" beschouwde toen hij de notitie opstelde, vormen belangrijke bewijzen dat er met betrekking tot de machinestilstand een heimelijke verstandhouding bestond tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG.

58 De opsteller ervan stelt namelijk vast:

"4) Op dit punt beginnen de opvattingen van de betrokkenen over de doelstelling uiteen te lopen.

(...)

c) Alle verkopers en Europese vertegenwoordigers werden van hun geraamde hoeveelheden ontheven en er werd een bijna waterdichte, harde prijspolitiek verdedigd (de medewerkers verstonden vaak niet, waarom onze houding ten opzichte van de markt was gewijzigd - vroeger werd enkel een tonnage verlangd en thans enkel prijsdiscipline met het risico van machinestilstand)."

59 Volgens Mayr-Melnhof (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar) slaat de hierboven weergegeven passage op een interne bedrijfssituatie. Gelezen in het licht van de meer algemene context van de notitie komt in dit uittreksel evenwel tot uiting, dat op het niveau van de verkoopteams een in het kader van de "Präsidentenkreis" vastgesteld, strikt prijsbeleid werd toegepast. Het document moet dus aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt, dat de deelnemers aan de overeenkomst van 1987, dat wil zeggen op zijn minst degenen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, ontegenzeglijk de consequenties hebben ingeschat, die het vastgestelde beleid zou hebben, ingeval dit strikt zou worden toegepast.

60 Gelet op het voorgaande, heeft de Commissie aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand bestond.

61 Volgens de beschikking hebben de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond, waaronder verzoekster, eveneens aan deze heimelijke verstandhouding deelgenomen.

62 Dienaangaande verklaart de Commissie onder meer:

"Afgezien van de Fides-procedure met geaggregeerde gegevens was het gebruikelijk dat de producenten op de JMC-vergaderingen hun orderportefeuille aan de concurrenten bekendmaakten.

De gegevens betreffende de in dagen uitgedrukte orderportefeuille waren voor twee doeleinden van belang:

- besluitvorming over de vraag of de juiste voorwaarden aanwezig waren voor de invoering van een onderling afgestemde prijsverhoging;

- bepaling van de noodzakelijke machinestilstand om het evenwicht tussen aanbod en vraag te handhaven (...)" (punt 69, derde en vierde alinea, van de considerans van de beschikking).

63 Zij merkt eveneens op:

"De onofficiële notities van twee JMC-vergaderingen, een in januari 1990 (zie punt 84) en de andere in september 1990 (zie punt 87) bevestigen evenals andere documenten (zie punten 94 en 95) echter dat de grote producenten hun kleinere concurrenten in de PG Paperboard nauw en voortdurend op de hoogte hielden van hun plannen om aanvullende stilleggingen in te voeren als een andere oplossing dan verlaging van de prijzen" (punt 71, derde alinea, van de considerans van de beschikking).

64 De bewijsstukken betreffende de vergaderingen van het JMC (bijlagen 109, 117 en 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar) bevestigen, dat in het kader van de voorbereiding van de onderling afgestemde prijsverhogingen besprekingen zijn gevoerd over machinestilstand. In het bijzonder wordt in bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een notitie van Rena betreffende een vergadering van het JMC van 6 september 1990, melding gemaakt van de bedragen van de prijsverhogingen in verschillende landen, de data van deze aankondigingen alsmede voor verschillende producenten de stand van hun in arbeidsdagen uitgedrukte orderportefeuille. De opsteller van het document merkt op, dat bepaalde producenten machinestilstand voorzagen, hetgeen hij bijvoorbeeld uitdrukt als volgt:

"Kopparfors 5-15 days 5/9 will stop for five days."

65 Bovendien blijkt uit de bijlagen 117 en 109 bij de mededeling van de punten van bezwaar, die weliswaar geen gegevens bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op de voorziene machinestilstand, dat tijdens de vergaderingen van het JMC van 6 september en 16 oktober 1989 is gesproken over de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders.

66 Wanneer zij naast de verklaringen van Stora worden gelegd, leveren deze documenten een genoegzaam bewijs op van de deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand door de producenten die tijdens de vergaderingen van het JMC vertegenwoordigd waren. De aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen deelnemende ondernemingen moeten zich noodzakelijkerwijs ervan bewust zijn geweest, dat het onderzoek van de stand van de orderportefeuilles en van de binnenkomende orders, alsmede de besprekingen over de eventuele machinestilstand niet enkel ten doel hadden, te bepalen of de situatie op de markt gunstig was voor een onderling afgestemde prijsverhoging, maar ook om te bepalen of machinestilstand noodzakelijk was om te voorkomen dat het overeengekomen prijsniveau door een overaanbod zou worden aangetast. In het bijzonder blijkt uit bijlage 118 bij de mededeling van de punten van bezwaar, dat degenen die de vergadering van het JMC van 6 september 1990 bijwoonden, overeenstemming hebben bereikt over de aankondiging van een aanstaande prijsverhoging, hoewel verschillende producenten hebben verklaard, dat zij zich opmaakten om hun productie te staken. Vervolgens was de situatie op de markt van dien aard, dat de feitelijke toepassing van een toekomstige prijsverhoging naar alle waarschijnlijkheid (extra) machinestilstand noodzakelijk zou maken, hetgeen dus een consequentie is die door de producenten althans impliciet werd aanvaard.

67 Op grond hiervan moet, zonder dat de andere door de Commissie in de beschikking aangevoerde bewijzen behoeven te worden onderzocht (bijlagen 102, 113, 130 en 131 bij de mededeling van de punten van bezwaar), worden aanvaard, dat de Commissie heeft bewezen dat de ondernemingen die de vergaderingen van het JMC hebben bijgewoond en hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, betrokken waren bij een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.

68 Verzoekster moet dus worden geacht, gedurende de periode van maart 1988 tot eind 1990 te hebben deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand.

Verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen

69 Verzoekster ontkent, dat zij heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, doch zij betwist niet de verklaring in de beschikking, dat de producenten die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, een overeenkomst hebben gesloten tot "$bevriezing' van de West-Europese marktaandelen van de belangrijkste producenten op het destijds bestaande niveau, waarbij geen pogingen mochten worden gedaan, door een agressief prijsbeleid nieuwe afnemers te winnen of de bestaande omzet te vergroten" (punt 52, eerste alinea, van de considerans).

70 Met betrekking tot de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, verklaart de Commissie evenwel:

"Hoewel de kleinere kartonproducenten die de JMC-vergaderingen bijwoonden, niet in de details van de PWG-besprekingen over marktaandelen ingewijd waren, waren zij, in het kader van het $prijs [vóór] tonnage'-beleid dat zij allen onderschreven, op de hoogte van de afspraak tussen de belangrijkste producenten om $het aanbod op een constant niveau' te handhaven en ongetwijfeld van de noodzaak om hun eigen gedrag daaraan aan te passen" (punt 58, eerste alinea, van de considerans van de beschikking).

71 Hoewel zulks niet uitdrukkelijk uit de beschikking blijkt, bevestigt de Commissie op dit punt de verklaringen van Stora die luiden als volgt:

"Andere producenten die de PWG niet bijwoonden, werden in het algemeen niet op de hoogte gesteld van de details van de besprekingen over de marktaandelen. Niettemin zouden zij zich in het kader van het $prijs vóór tonnage'-beleid waaraan zij deelnamen, bewust moeten zijn geweest van de afspraak van de grootste producenten om de prijzen niet te ondermijnen door het aanbod op een constant niveau te handhaven.

Wat het aanbod van GC-kwaliteit betreft, waren de aandelen van de producenten die de PWG niet bijwoonden, zo gering, dat het feit dat zij al dan niet aan de afspraken betreffende de marktaandelen deelnamen, praktisch geen invloed in een of andere richting had" (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 1.2).

72 Evenals Stora baseert de Commissie zich dus hoofdzakelijk op de veronderstelling, dat zelfs indien rechtstreekse bewijzen ontbreken, de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, doch waarvan is bewezen dat zij hebben ingestemd met de andere in artikel 1 van de beschikking beschreven bestanddelen van de inbreuk, zich bewust moeten zijn geweest van het bestaan van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.

73 Een dergelijke redenering kan niet worden aanvaard. In de eerste plaats voert de Commissie geen enkel bewijs aan, dat kan aantonen dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben ingestemd met een algemene overeenkomst waarin onder meer de bevriezing van de marktaandelen van de voornaamste producenten werd vastgelegd. Dienaangaande levert bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar een bewijs op, dat de verklaringen van Stora bevestigt omtrent het bestaan van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen tussen de tot de "Präsidentenkreis" toegelaten ondernemingen en omtrent een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand tussen deze zelfde ondernemingen (zie punt 49 e.v. supra). Geen enkel ander bewijs toont evenwel aan, dat de PC vooral ten doel had, heimelijk afspraken te maken over de marktaandelen en de beheersing van de productiehoeveelheden. Bijgevolg kan de term "Präsidentenkreis" in bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar, ondanks het commentaar van Mayr-Melnhof, niet aldus worden uitgelegd, dat daarin wordt gedoeld op andere organen dan de PWG. Bijgevolg kan niet ervan worden uitgegaan, dat verzoekster door haar deelneming aan vergaderingen van de PC heeft ingestemd met de algemene overeenkomst.

74 In de tweede plaats toont het feit dat deze ondernemingen hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en aan de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, op zichzelf niet aan, dat zij eveneens hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen. De heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen was namelijk, anders dan de Commissie schijnt te verklaren, niet intrinsiek verbonden met de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand. Het volstaat vast te stellen, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen van de voornaamste producenten die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, volgens de beschikking (zie punten 78-80 supra) ten doel had, de marktaandelen op constante niveaus te handhaven met af en toe wijzigingen, zelfs tijdens periodes gedurende welke de situatie op de markt, in het bijzonder het evenwicht tussen vraag en aanbod, van dien aard was dat geen enkele productiebeheersing noodzakelijk was om een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeengekomen prijsverhogingen te waarborgen. Daaruit volgt, dat de eventuele deelneming aan de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en/of die betreffende machinestilstand niet aantoont, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG niet hebben bijgewoond, hebben deelgenomen aan de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, noch dat zij daarvan op de hoogte waren of hadden moeten zijn.

75 In de derde plaats moet worden vastgesteld, dat de Commissie zich in punt 58, tweede en derde alinea, van de considerans van de beschikking als aanvullend bewijs voor de betrokken verklaring beroept op bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar, een bij Rena aangetroffen notitie betreffende, in de bewoordingen van de beschikking, een bijzondere vergadering van het Nordic Paperboard Institute (hierna: "NPI") op 3 oktober 1988. Dienaangaande volstaat de vaststelling, dat verzoekster niet lid was van het NPI, alsook dat het feit dat in dit document wordt gesproken van de eventuele noodzaak van machinestilstand, om de reeds aangevoerde redenen niet het bewijs van een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen kan opleveren.

76 Om elk van de in een beschikking als de onderhavige genoemde ondernemingen gedurende een bepaalde periode aansprakelijk te kunnen stellen voor een geheel kartel, moet de Commissie aantonen, dat elk van hen heeft ingestemd met de aanvaarding van een algemeen plan dat de bestanddelen van het kartel dekt, dan wel gedurende deze periode rechtstreeks aan al deze bestanddelen heeft deelgenomen. Een onderneming kan zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van dit kartel heeft deelgenomen, voor een geheel kartel aansprakelijk worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte. Is zulks het geval, dan kan het feit dat de betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, haar niet disculperen van de aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Wel kan een dergelijke omstandigheid in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de ten aanzien van haar vastgestelde inbreuk.

77 In casu moet worden vastgesteld, dat de Commissie niet heeft bewezen, dat verzoekster wist of noodzakelijkerwijze moest weten, dat haar eigen onrechtmatig gedrag deel uitmaakte van een algemeen plan dat naast de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen en de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand, waarbij zij inderdaad betrokken was, een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen van de voornaamste producenten omvatte.

78 Bijgevolg moet, wat verzoekster betreft, artikel 1, achtste streepje, van de beschikking, volgens hetwelk de overeenkomst en de onderling afgestemde feitelijke gedraging waaraan zij heeft deelgenomen, ten doel hadden, "de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus [te handhaven], die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd", nietig worden verklaard.

Vordering tot verlaging van het bedrag van de geldboete

Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot het algemene niveau van de geldboeten

Argumenten van partijen

79 Volgens verzoekster is het bedrag van de geldboete onredelijk. Door een veel hoger basisniveau aan te houden dan in andere gevallen, heeft de Commissie het beginsel van gelijke behandeling, dat ook geldt op het gebied van het geldboetenbeleid, geschonden.

80 Verzoekster betoogt, dat het Hof weliswaar heeft erkend dat een verscherping van het beleid inzake de geldboeten in beginsel geoorloofd is (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 108), doch elke verhoging van het niveau van de geldboeten moet door een dienovereenkomstige algemene wijziging van het beleid van de Commissie worden gerechtvaardigd. Tot staving van haar argument verwijst zij naar het voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete aangehouden basispercentage van de omzet van de betrokken ondernemingen in de kartonsector. Dit percentage bedroeg 7,5 % en was meer dan 50 % hoger dan het percentage dat is aangehouden in vroegere zaken (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T-43/92, Jurispr. blz. II-441, punt 147). In beschikking 94/815/EG van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 - Cement) (PB L 343, blz. 1) is de Commissie uitgegaan van een percentage van 4 % van de cementomzet van de betrokken ondernemingen in de Gemeenschap, ofschoon zij erkende dat het om een bijzonder zware inbreuk op de mededingingsregels ging waarvoor hoge geldboeten gerechtvaardigd waren, en terwijl de duur van de inbreuk ongeveer tien jaar bedroeg. Het geldboetenbeleid van de Commissie is dus grillig en onverenigbaar met het communautaire beginsel van gelijke behandeling.

81 Voor een ongelijke behandeling van ondernemingen in verschillende bedrijfstakken moeten in elk geval objectieve motieven worden aangevoerd in de beschikking.

82 De Commissie brengt hiertegen in, dat zij niet verplicht is, een algemene wijziging van haar geldboetenbeleid aan te kondigen, wanneer zij het niveau van de geldboeten verhoogt (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 109).

83 In casu was een niveau van ongeveer 7,5 % van de relevante omzet van de betrokken ondernemingen, gelet op de zwaarte van de inbreuk, volgens haar dus volstrekt redelijk (zie arrest Gerecht van 10 maart 1992, ICI/Commissie, T-13/89, Jurispr. blz. II-1021, punt 386). Wanneer zij een sanctie oplegt voor inbreuken op de bepalingen van artikel 85, van het Verdrag, behoeft zij niet van dezelfde parameters uit te gaan.

84 Bovendien was verzoekster, toen zij de mededeling van de punten van bezwaar ontving, op de hoogte van het in het XXIe Verslag over het mededingingsbeleid (punt 139) aangekondigde voornemen van de Commissie om de preventieve werking van de geldboeten te versterken. Ook hadden verzoekster en de andere betrokken ondernemingen zich ten volle bewust moeten zijn van het feit dat hun hoge geldboeten zouden worden opgelegd, omdat beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna: "beschikking polypropyleen") reeds was bekendgemaakt voor het begin van de periode die in de litigieuze beschikking voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten is aangehouden. In dit verband brengt de Commissie in herinnering, dat het Gerecht het algemene niveau van de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen tot wie de beschikking polypropyleen was gericht, in verband met de omstandigheden van de zaak ten volle gerechtvaardigd achtte (arrest Rhône-Poulenc/Commissie, reeds aangehaald, punt 164).

85 Ten slotte is volgens de Commissie het totale bedrag van de opgelegde geldboeten niet van belang, aangezien dit varieert naar gelang van het aantal betrokken ondernemingen en hun respectieve omzet.

Beoordeling door het Gerecht

86 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kan de Commissie bij beschikking aan ondernemingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste 1 miljoen ECU of tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet rekening worden gehouden met zowel de zwaarte, als de duur van de inbreuk. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking Hof van 25 maart 1996, SPO e.a./Commissie, C-137/95 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 54).

87 In casu heeft de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met de duur van de inbreuk (punt 167 van de considerans van de beschikking), alsmede met de navolgende overwegingen (punt 168 van de considerans):

"- heimelijke verstandhouding betreffende prijzen en marktverdeling vormt uit de aard der zaak een ernstige beperking van de concurrentie;

- het kartel bestreek nagenoeg het gehele grondgebied van de Gemeenschap;

- de kartonmarkt van de Gemeenschap is een belangrijke industriële sector met een waarde van ongeveer 2 500 miljoen ECU per jaar;

- de aan de inbreuk deelnemende ondernemingen nemen deze markt vrijwel geheel voor hun rekening;

- het kartel functioneerde in de vorm van een systeem van regelmatige geïnstitutionaliseerde vergaderingen, met het oogmerk de markt voor karton in de Gemeenschap tot in de kleinste details te reguleren;

- er werden uitgebreide pogingen in het werk gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort);

- het kartel had ruimschoots succes bij het bereiken van zijn doelstellingen."

88 Bovendien staat vast, dat geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die door elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, zijn opgelegd al naargelang de ondernemingen als de "kopstukken" dan wel als "gewone leden" van het kartel werden beschouwd.

89 In de eerste plaats dient te worden beklemtoond, dat de Commissie bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten rekening mag houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken worden gemaakt op de communautaire mededingingsregels, en dat zij derhalve het niveau van de geldboeten mag verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (zie in het bijzonder de reeds aangehaalde arresten Musique Diffusion française e.a./Commissie, punten 105-108, en ICI/Commissie, punt 385).

90 In de tweede plaats heeft de Commissie terecht gesteld, dat wegens de bijzondere omstandigheden van het concrete geval geen rechtstreekse vergelijking kan worden gemaakt tussen het algemene niveau van de geldboeten in de onderhavige beschikking en het niveau dat is gehanteerd in de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie, in het bijzonder in de beschikking polypropyleen, die door de Commissie zelf als de beschikking wordt beschouwd die het best te vergelijken is met de onderhavige. Anders dan in de zaak waarin de beschikking polypropyleen is gegeven, is in casu bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten geen enkele algemene verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen. Bovendien blijkt uit de pogingen om het bestaan van de heimelijke verstandhouding te verhelen, dat de betrokken ondernemingen zich ten volle bewust waren van de onrechtmatigheid van hun gedrag. Bijgevolg heeft de Commissie deze pogingen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking kunnen nemen, omdat zij een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk vormden, die deze karakteriseert ten opzichte van de vroeger vastgestelde inbreuken (zie punten 150-154 infra).

91 In de derde plaats dient met nadruk te worden gewezen op de lange duur en het evidente karakter van de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie en in het bijzonder van de beschikking polypropyleen.

92 Op basis van deze factoren moeten de in punt 168 van de considerans van de beschikking genoemde criteria worden geacht, het door de Commissie vastgestelde algemene niveau van de geldboeten te rechtvaardigen.

93 Ten slotte is de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het onderhavige geval niet zodanig afgeweken van haar vroegere beschikkingspraktijk, dat zij haar beoordeling van de zwaarte van de inbreuk explicieter had moeten motiveren (zie onder meer arrest Hof van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, Jurispr. blz. 1491, punt 31).

94 Het onderhavige middel dient dus te worden afgewezen.

Het middel: althans gedeeltelijk ontbreken van een grondslag voor de geldboete

Het middel: althans gedeeltelijk ontbreken van een grondslag voor de geldboete

95 Volgens verzoekster moet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening worden gehouden met het feit dat zij niet heeft deelgenomen aan de heimelijke verstandhoudingen betreffende machinestilstand en marktaandelen (zie punten 33-39 supra).

96 Verder moet rekening worden gehouden met het feit dat de verklaring van de Commissie dat het kartel ruimschoots succes had op de markt, onjuist is. Deze laatste verklaring wordt overigens door de Commissie zelf weerlegt, wanneer zij vaststelt, dat een aantal leden van de PWG is terechtgewezen (punt 59 van de considerans van de beschikking) en dat grote producenten ondanks de beweerde quota-afspraak hun marktaandelen hadden vergroot (punt 60 van de considerans). Het feit dat de Commissie de verwijten aan een aantal leden van de PWG als een sanctie aanmerkt, sluit evenwel niet uit, dat de betrokken producenten grotendeels in hun eigen belang hebben gehandeld en dat het kartel om die reden niet heeft gefunctioneerd.

97 De Commissie verwijst naar haar betoog betreffende de omvangrijke en volledige deelneming van verzoekster aan één enkele inbreuk (zie punten 40-44 supra).

98 Met betrekking tot het succes van het kartel verklaart zij, dat de prijzen en de marktaandelen zonder de kartelafspraken een geheel andere ontwikkeling te zien zouden hebben gegeven. Verzoeksters bewering, dat het kartel slechts gebrekkig heeft gefunctioneerd, dient te worden afgewezen; het bestaan van sancties en de grotere marktaandelen van enige grote producenten staan daaraan niet in de weg.

Beoordeling door het Gerecht

99 Zoals reeds is vastgesteld (zie punt 77 supra), heeft de Commissie verzoeksters deelneming aan een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen niet aangetoond.

100 In de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht evenwel van oordeel, dat de ten aanzien van verzoekster vastgestelde inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag zodanig zwaar blijft, dat er geen termen aanwezig zijn om het bedrag van de geldboete te verlagen.

101 Dienaangaande zij opgemerkt, dat verzoekster niet de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond en haar dus niet een sanctie is opgelegd als "kopstuk" van het kartel. Aangezien zij niet, in de woorden van de Commissie zelf, een "stuwende kracht" van het kartel was (punt 170, eerste alinea, van de considerans van de beschikking), bedraagt het niveau van de geldboete waarvan ten aanzien van verzoekster is uitgegaan, 7,5 % van haar communautaire omzet in de kartonsector in 1990. Dit algemene niveau van de geldboeten is gerechtvaardigd (zie punten 86 e.v. supra).

102 Zelfs indien de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan, dat de producenten die niet in de PWG vertegenwoordigd waren, "op de hoogte waren" van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen (punt 58, eerste alinea, van de considerans), blijkt niettemin uit de beschikking zelf, dat de ondernemingen in de PWG een afspraak hebben gemaakt over de "bevriezing" van de marktaandelen (in het bijzonder punt 52 van de considerans), doch dat niet is gesproken over de marktaandelen van de producenten die niet daarin vertegenwoordigd waren. Zoals de Commissie in punt 116, tweede alinea, van de considerans van de beschikking heeft verklaard, hadden overigens "de overeenkomsten ter verdeling van de markt (in het bijzonder het in de punten 56 en 57 beschreven bevriezen van marktaandelen) juist vanwege de aard ervan voornamelijk betrekking op de grote producenten". De heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen waarvoor verzoekster ten onrechte aansprakelijk is gesteld, was volgens de Commissie zelf dus slechts accessoir ten opzichte van in het bijzonder de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.

103 Verzoeksters klacht, volgens welke het kartel geen groot succes had op de markt, richt zich tegen de beoordeling van de Commissie, dat het kartel "ruimschoots succes had bij het bereiken van zijn doelstellingen" (punt 168, zevende streepje, van de considerans van de beschikking). Vaststaat, dat deze overweging doelt op de gevolgen van de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde inbreuk op de markt.

104 Verzoeksters betoog dient evenwel aldus te worden opgevat, dat dit niet is gericht tegen de beoordeling van de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen door de Commissie. Verzoekster stelt namelijk, dat zij als koper van karton geleden heeft onder de gevolgen van de onderling afgestemde prijsverhogingen (zie punten 132 e.v. infra). Bovendien hebben de tot staving van dit middel aangevoerde argumenten en bewijzen enkel betrekking op de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen.

105 Derhalve moet verzoeksters betoog aldus worden opgevat, dat daarin wordt betwist dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen ruimschoots succes had bij het bereiken van haar doelstellingen.

106 Uit de beschikking blijkt evenwel, dat de vaststelling betreffende het grote succes bij het bereiken van de doelstellingen voornamelijk is gebaseerd op de gevolgen van de heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen. Weliswaar worden deze gevolgen geanalyseerd in de punten 100 tot en met 102, 115, en 135 tot en met 137 van de considerans van de beschikking, doch de vraag of de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en de heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand gevolgen hebben gehad op de markt, wordt daarentegen niet specifiek onderzocht.

107 Bovendien stelt de Commissie met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen niet, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, een absolute bevriezing van hun marktaandelen voor ogen stond. Volgens punt 60, tweede alinea, van de considerans van de beschikking was de afspraak over marktaandelen niet statisch, "maar het onderwerp van periodieke aanpassing en heronderhandeling".

108 Bijgevolg is verzoeksters klacht ongegrond.

109 Gelet op het voorgaande, moet het middel worden afgewezen.

Het middel: inaanmerkingneming van een onjuiste omzet

Argumenten van partijen

110 Verzoekster merkt op, dat de Commissie bij de vaststelling van de aan iedere onderneming op te leggen geldboete rekening heeft gehouden met hun respectieve betekenis in de bedrijfstak (omvang, product, marktaandeel, groepsomzet en omzet in de kartonsector) (punt 169, eerste alinea, derde streepje, van de considerans van de beschikking).

111 Zoals uit de afzonderlijke inlichtingen in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar blijkt, zijn verzoeksters omzet en haar marktaandeel (berekend op basis van haar omzet) vastgesteld met inbegrip van de "interne verkopen", dat wil zeggen haar eigen behoeften. In haar antwoord op een verzoek om inlichtingen van 8 oktober 1993 heeft zij slechts haar omzet met derden in de kartonsector meegedeeld (63,86 miljoen DM en 1991), aangezien slechts dit de omzet in de zin van het handelsrecht is. Ondanks dit antwoord heeft de Commissie van haar verlangd, dat zij de waarde van de interne leveranties aan haar fabrieken voor vouwkarton meedeelde (die in 1991 14,1 miljoen DM bedroeg).

112 Volgens verzoekster is het in strijd met artikel 85 van het Verdrag en artikel 15 van verordening nr. 17 om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de interne leveranties.

113 Interne leveranties horen namelijk niet tot de externe omzet en moeten dus buiten beschouwing worden gelaten. Er is slechts sprake van een omzet uit interne leveranties, wanneer de door haar fabrieken geproduceerde vouwkarton aan derden wordt geleverd, op welk moment zij een onderdeel vormt van haar totale omzet.

114 In reactie op de verklaring dat zij van de prijsverhogingen voor karton heeft geprofiteerd, voegt verzoekster daaraan toe, dat de Commissie niet heeft onderzocht, of de zogenoemde interne omzetten van een concern relevant zijn voor het kartelrecht. Het eigen gebruik van producten door een onderneming of het gebruik van diensten door juridisch zelfstandige onderdelen van ondernemingen (bedrijven, fabrieken, afdelingen, verkoopbureaus, enz.), die geen juridische of economische beslissingsautonomie hebben, vallen onafhankelijk van de wijze waarop zij boekhoudkundig worden geregistreerd, niet onder artikel 85 van het Verdrag. Verzoekster leidt daaruit af, dat de kartonleveranties voor eigen gebruik aan haar fabrieken voor vouwkarton niet relevant waren en dat deze bijgevolg niet in aanmerking dienden te worden genomen.

115 Het onderscheid tussen externe en interne leveranties is vaste beschikkingspraktijk van de Commissie bij concentraties [beschikking Mannesmann/Boge (IV/M.134) van 23 september 1991, punt 19, en beschikking 93/9/EEG van de Commissie van 30 september 1992 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (Zaak nr. IV/M214 - Du Pont/ICI) (PB L 007, blz. 13, punt 31 van de considerans)] en de Commissie kan niet van deze praktijk afwijken in het kader van artikel 85 van het Verdrag of artikel 15 van verordening nr. 17. Verder blijkt uit artikel 5, leden 1, tweede zin, en 5, sub a, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1; hierna: "verordening nr. 4064/89"), dat bij de berekening van de omzet geen rekening wordt gehouden met de interne omzetten.

116 Volgens verzoekster heeft het Gerecht een dergelijk onderscheid indirect bevestigd in zijn arrest van 14 juli 1994, Parker Pen/Commissie (T-77/92, Jurispr. blz. II-549), toen het oordeelde dat voor de inaanmerkingneming van de omzet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zowel rekening moet worden gehouden met de totale omzet van de onderneming, als met de omzet uit de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft. In dat arrest heeft het alleen gerefereerd aan de externe omzet.

117 De Commissie betoogt, dat verzoekster vouwkarton heeft verkocht die is geproduceerd op basis van producten waarop de beschikking betrekking heeft. Aldus heeft zij een onrechtmatig concurrentievoordeel genoten, aangezien zij wel niet in ernst zou willen beweren dat zij de interne transacties tegen de buitensporige prijzen van het kartel heeft gefactureerd. Bijgevolg heeft zij in een of andere vorm geprofiteerd van de verkoop van producten ten aanzien waarvan kartelafspraken zijn gemaakt. Er is dan ook geen reden om geen rekening te houden met de zogenoemde "interne" omzetten. Zou verzoeksters standpunt worden aanvaard, dan zouden geïntegreerde producenten een ongerechtvaardigd gunstiger behandeling genieten.

118 Ook is het onjuist om te stellen, dat met de betrokken kartonproducten geen omzet is behaald, omdat zij voor de productie van vouwkarton zijn gebruikt, die op de markt is afgezet.

119 De Commissie is het niet eens met verzoeksters argument dat de voor verwerking bestemde kartonleveranties aan haar fabrieken moeten worden aangemerkt als eigen gebruik dat niet onder de werkingssfeer van artikel 85 van het Verdrag valt. De verwijzing naar de praktijk van de Commissie op het gebied van de concentraties is niet relevant, omdat in dat geval bij de berekening van de omzet op grond van de artikelen 1 en 5 van verordening nr. 4064/89 moet worden bepaald, of de betrokken ondernemingen over een economische macht beschikken die sterk genoeg is om een communautaire controle op de concentratie nodig te maken.

Beoordeling door het Gerecht

120 Vast staat, dat geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die door elk van de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, in 1990 is behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap, zijn opgelegd al naargelang de ondernemingen als de "kopstukken" dan wel als "gewone leden" van het kartel werden beschouwd. Volgens de Commissie viel verzoekster onder de tweede categorie van ondernemingen.

121 Uit het dossier blijkt, dat het bedrag op basis waarvan de aan verzoekster opgelegde geldboete is bepaald, wordt gevormd door de som van de omzet uit de verkoop van karton aan derden en de waarde van de interne kartonleveranties aan de fabrieken voor vouwkarton die aan verzoekster toebehoren en bijgevolg geen van haar te onderscheiden rechtspersoon zijn.

122 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete is de Commissie terecht van een aldus berekende omzet uitgegaan.

123 Er is geen enkele bepaling op grond waarvan het verboden is om voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de waarde van de interne leveranties van een vennootschap.

124 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kan de Commissie bij beschikking aan ondernemingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste 1 miljoen ECU of tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag.

125 De bovengrens van een geldboete die hoger is dan 1 miljoen ECU, wordt door uitdrukkelijke verwijzing naar de omzet van de onderneming bepaald. Gelijk het Hof heeft geoordeeld, dient dit maximum te voorkomen dat de geldboeten onevenredig zijn aan de omvang van de onderneming, en aangezien enkel de totale omzet die omvang bij benadering kan aanduiden, moet dit percentage worden opgevat als een percentage van de totale omzet (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 118 en 119).

126 Door bij de in artikel 3 van de beschikking genoemde ondernemingen het bedrag van de geldboete enkel op basis van de omzet uit de verkopen van het product waarop de beschikking betrekking had, vast te stellen, heeft de Commissie als grondslag voor haar berekening het gedeelte van de totale omzet van de ondernemingen genomen, dat het uit het kartel behaalde voordeel het best weerspiegelt.

127 Wat dit aangaat, kan verzoeksters argument dat zij bij de kartonleveranties aan haar fabrieken geen enkel voordeel uit het kartel heeft behaald, niet worden aanvaard. Verzoekster heeft geen enkel bewijs betreffende de waarde van deze interne leveranties overgelegd, ofschoon de Commissie in haar verweerschrift heeft verklaard, dat de onrechtmatig overeengekomen prijsverhogingen voor karton geen invloed op deze leveranties hadden. Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat verzoeksters fabrieken voor vouwkarton, en dus verzoekster zelf, van het kartel hebben geprofiteerd door karton uit eigen productie als grondstof te gebruiken. Anders dan de concurrerende verwerkers behoefde verzoekster namelijk niet de kostenstijgingen te dragen die waren veroorzaakt door de onderling afgestemde prijsverhogingen.

128 Zou geen rekening worden gehouden met de waarde van de interne kartonleveranties van verzoekster, dan zouden onvermijdelijk de verticaal geïntegreerde ondernemingen op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld. Het uit het kartel behaalde voordeel zou in een dergelijk geval eventueel niet in aanmerking worden genomen en de betrokken onderneming zou zich onttrekken aan een sanctie die evenredig is aan haar omvang op de markt van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft.

129 Ten slotte is de door verzoekster gemaakte vergelijking met de behandeling van interne overeenkomsten binnen een concern (zie punt 114 supra) niet relevant, daar in casu de werkingssfeer ratione materiae van artikel 85 van het Verdrag niet twijfelachtig is.

130 Ook het argument, ontleend aan de regeling voor concentraties tussen ondernemingen, is niet relevant. In dit verband volstaat de vaststelling, dat de uitsluiting van eventuele "interne verkopen" bij de berekening van de totale omzet van de ondernemingen in geval van concentraties, waarin is voorzien in een aantal bepalingen van artikel 5 van verordening nr. 4064/89, is te verklaren door het feit dat wanneer met dergelijke transacties rekening zou worden gehouden, dezelfde omzet tweemaal in aanmerking zou worden genomen. In casu is de omzet uit de verkopen van vouwkarton niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete.

131 Gelet op het voorgaande, dient het middel te worden afgewezen.

Het middel: het bestaan van verzachtende omstandigheden in verband met het feit dat verzoekster als koper van karton door de onderling afgestemde maatregelen is getroffen

Argumenten van partijen

132 Volgens verzoekster heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit dat zij de grootste Duitse verwerker van vouwkarton is; het economisch gewicht van haar verwerkingsbedrijf is driemaal groter dan dat van haar kartonfabriek. De verhogingen van de kartonprijzen hadden derhalve negatieve economische gevolgen, omdat de kostprijzen van haar vouwkartonfabrieken daardoor waren gestegen.

133 Met dit argument van verzoekster had rekening moeten worden gehouden, te meer daar de vouwkartonsector de kostenstijgingen niet op de kopers had kunnen afwentelen. De prijsverhogingen waren een last voor de verwerkers, waaronder verzoekster, zoals door de klacht van BPIF wordt aangetoond.

134 De bewering van de Commissie, dat verzoekster geen negatieve gevolgen had te dragen, omdat zij de karton tegen gunstige prijzen aan haar verwerkingsfabrieken had geleverd, is onjuist. Dit is een economisch gekunstelde redenering, omdat in een geïntegreerde onderneming een boekhoudkundig voordeel dat het ene onderdeel van een onderneming aan het andere onderdeel verleent, uiteindelijk op de markt moet worden "terugverdiend", indien de onderneming winst wil maken. Verder heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit dat verzoeksters kartonfabrieken slechts ongeveer 20 % van de behoeften aan karton van haar verwerkingsfabrieken dekten. Met andere woorden, zij heeft geen rekening gehouden met de leveranties door derden waarvoor nochtans de prijs van het kartel in rekening is gebracht.

VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0304.1

135 Tot staving van haar standpunt voert verzoekster beschikkingen van de Commissie aan, waarin wordt erkend, dat bij de beoordeling van de rol van een onderneming in het kader van een inbreuk ook rekening kan worden gehouden met de omvang van de economische gevolgen en in het bijzonder met het feit dat de onderneming onder druk tegen haar eigen wil en in strijd met haar economisch belang heeft gehandeld. Zij baseert zich eveneens op het arrest Parker Pen/Commissie (reeds aangehaald), waaruit blijkt dat de Commissie aan de betrokken handelaar een geldboete van 40 000 ECU en aan de leverancier een geldboete van 700 000 ECU heeft opgelegd.

136 Volgens de Commissie dient dit middel te worden afgewezen.

137 Volgens haar is er geen enkele reden om aan te nemen, dat verzoekster het karton voor vouwkarton tegen de kunstmatig door het kartel vastgestelde prijzen in rekening heeft gebracht, en dat zij derhalve evenals de andere producenten van vouwkarton de economische gevolgen van de prijsverhogingen heeft moeten dragen. Overigens heeft verzoekster niet aangetoond, dat zij voor het door andere producenten aan haar verwerkingsfabrieken geleverde karton de door het kartel vastgestelde prijzen heeft betaald.

138 Gelet op de stukken in het dossier kan verzoekster ten slotte niet stellen, dat zij onder druk van haar partners, tegen haar wil of in strijd met haar economische belangen heeft gehandeld.

Beoordeling door het Gerecht

139 Zoals reeds is opgemerkt, moet de zwaarte van de inbreuken worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (beschikking SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 54).

140 Verzoekster betwist niet, dat zij aan de in artikel 1 van de beschikking vastgestelde heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen heeft deelgenomen.

141 Het feit dat een onderneming die met haar concurrenten een prijsafspraak heeft gemaakt, in strijd met haar eigen economische belangen heeft gehandeld en als consequentie daarvan de gevolgen van deze afspraak heeft moeten dragen, behoeft bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboete niet noodzakelijkerwijze als een verzachtende omstandigheid in aanmerking te worden genomen. Een onderneming die ondanks de schade die zij stelt te lijden, haar prijzen met haar concurrenten blijft afstemmen, kan niet worden geacht een minder zware inbreuk te hebben gepleegd dan de andere ondernemingen die eveneens bij de afspraak betrokken waren.

142 Eventueel zou dit slechts anders kunnen zijn, indien een dergelijke onderneming aantoont, dat zij onder dwang onrechtmatig heeft gehandeld. In casu heeft verzoekster evenwel zelfs niet gesteld, dat zij gedwongen was, de prijzen met haar concurrenten af te stemmen.

143 Verder heeft zij niet aangetoond, dat zij bij de leveranties van karton door haar eigen kartonfabrieken aan haar vouwkartonfabrieken geen voordeel heeft behaald uit de onderling afgestemde prijsverhogingen.

144 Met betrekking tot de leveranties door concurrerende kartonproducenten aan haar vouwkartonfabrieken stelt zij slechts, zonder enig bewijs te leveren, dat zij economisch nadeel heeft geleden in verband met het feit dat de gekochte karton haar tegen de onrechtmatig overeengekomen prijzen in rekening was gebracht.

145 Zo gezien, heeft de Commissie het recht niet onjuist toegepast. Bijgevolg dient dit middel te worden afgewezen.

Het middel: de beweerde verhulling van het kartel zou geen verzwarende omstandigheid zijn

Argumenten van partijen

146 Verzoekster stelt vast, dat volgens de Commissie een heimelijke verstandhouding betreffende prijzen en marktverdeling uit de aard der zaak een ernstige beperking van de concurrentie vormt (punt 168, eerste streepje, van de considerans van de beschikking), en dat uitgebreide pogingen in het werk werden gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (punt 168, zesde streepje, van de considerans). Deze beweerde verhullingspogingen waren een bijzonder ernstig aspect van inbreuk (punt 167 van de considerans). Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten had de Commissie de verhulling dan ook als een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk beschouwd, dat bovenop de zwaarte ervan kwam. Aldus was een en dezelfde omstandigheid tweemaal in aanmerking genomen.

147 Verzoekster kan overigens niet worden verweten, dat zij de inbreuk niet openlijk heeft gepleegd. Daar dergelijke handelingen als ernstige beperkingen van de mededinging moeten worden aangemerkt en met geldboeten kunnen worden bestraft, hadden zij uiteraard moeten worden verhuld.

148 De Commissie geeft toe, dat de mededingingsbeperkingen in het kader van een kartel in de regel niet openlijk ten uitvoer worden gelegd. Zij is evenwel van mening, dat er niet noodzakelijkerwijze een verband bestaat tussen het opzettelijk plegen van dergelijke inbreuken en een geheimhouding zoals in casu is vastgesteld. Voor deze verklaring baseert zij zich op het proces-verbaal van de hoorzitting (blz. 46, waaruit blijkt, dat de leden instructie hadden gekregen om tijdens de vergaderingen geen aantekeningen te maken) en op punt 73 van de considerans van de beschikking.

149 Ten slotte is het haars inziens niet juist, dat zij de verhullingspogingen afzonderlijk heeft beoordeeld, aangezien deze slechts een van de factoren waren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking waren genomen.

Beoordeling door het Gerecht

150 Volgens punt 167, derde alinea, van de considerans van de beschikking is "een bijzonder ernstig aspect van de inbreuk, dat de ondernemingen in een poging het bestaan van het kartel te verhullen zo ver gingen, dat datum en volgorde van de aankondiging door iedere grote producent van de nieuwe prijsverhogingen vooraf werd gearrangeerd". Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "de producenten hadden als gevolg van deze uitgewerkte bedrieglijke regeling de reeks uniforme, regelmatige en bedrijfstaksgewijze prijsverhogingen in de kartonsector aan het verschijnsel van $oligopolie-gedrag' toegeschreven" (punt 73, derde alinea, van de considerans). Ten slotte heeft de Commissie volgens punt 168, zesde streepje, van de considerans bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten rekening gehouden met het feit dat "er uitgebreide pogingen in het werk werden gesteld om de werkelijke aard en omvang van de heimelijke verstandhouding te verhelen (afwezigheid van officiële notulen of documentatie voor de PWG en het JMC; ontmoediging van het maken van aantekeningen; het ensceneren van de tijdstippen en de volgorde waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, teneinde te kunnen beweren dat men $volgde' enzovoort)".

151 Verzoekster betwist niet de verklaring van de Commissie, dat de ondernemingen de data en de volgorde van de verzending van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, hebben gearrangeerd. Wat de conclusie van de Commissie betreft, dat door dit arrangeren van de data en de volgorde van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, is geprobeerd, het bestaan van de onderlinge afstemming van de prijzen te verhullen, heeft verzoekster bovendien niets aangevoerd dat ervoor pleit dat de onderlinge afstemming betreffende de data en de volgorde van de brieven waarin de prijsverhogingen werden aangekondigd, een ander doel had dan door de Commissie is vastgesteld.

152 Het ontbreken van officiële notulen en het nagenoeg volledig ontbreken van interne notities betreffende de vergaderingen van de PWG en het JMC vormen wegens het aantal, de duur in de tijd en de aard van de betrokken besprekingen genoegzaam bewijs voor de bewering van de Commissie, dat degenen die de vergaderingen bijwoonden, werden ontmoedigd aantekeningen te maken.

153 Uit het voorgaande blijkt, dat de ondernemingen die de vergaderingen van deze organen bijwoonden, zich niet alleen bewust waren van de onrechtmatigheid van hun gedrag, doch ook maatregelen hebben genomen om de heimelijke verstandhouding te verhullen. Bijgevolg heeft de Commissie deze maatregelen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk terecht als verzwarende omstandigheden in aanmerking genomen.

154 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.

Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de vaststelling van de aan de verschillende kartonproducenten opgelegde geldboeten

Argumenten van partijen

155 Verzoekster betoogt, dat bij de vaststelling van de bedragen van de geldboeten die bij artikel 3 van de beschikking aan de verschillende betrokken producenten zijn opgelegd, het beginsel van gelijke behandeling is geschonden (arrest Dunlop Slazenger/Commissie, reeds aangehaald, punten 173 e.v.). Tussen de aan haar opgelegde geldboete en de geldboete van een onderneming die lid was van de PWG en waarvan de capaciteit tweemaal zo groot was, bedraagt het verschil slechts 1 miljoen ECU. Ook de verhouding tussen de aan haar opgelegde geldboete en die welke is opgelegd aan Stora, is ondanks de door deze laatste aan de Commissie verleende medewerking niet in overeenstemming met de in aanmerking genomen factoren, namelijk de rol en economische macht van Stora.

156 In elk geval is het door de Commissie gemaakte verschil tussen de kopstukken van het kartel en de andere ondernemingen te algemeen, zodat de rol van de ondernemingen die slechts "meelopers" waren, niet juist is beoordeeld.

157 De Commissie merkt op, dat zij een tweevoudig onderscheid heeft gemaakt, namelijk enerzijds tussen de "kopstukken" van het kartel en de andere ondernemingen, en anderzijds tussen de ondernemingen die met de Commissie hebben medegewerkt, en de andere ondernemingen (punten 170-172 van de considerans van de beschikking). Elk verschil in bedrag van de geldboeten is derhalve te verklaren door deze factoren, gerelateerd aan de relevante omzet van elk van de ondernemingen, hetgeen geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Met betrekking tot Stora stelt de Commissie vast, dat de aan haar opgelegde geldboete ondanks haar medewerking bijna zesmaal zo hoog is als verzoeksters geldboete.

158 Ten slotte heeft zij haars inziens de rol en de betrokkenheid van alle ondernemingen die lid waren van het kartel, correct beoordeeld; het door verzoekster gebruikte begrip "meeloper" is niet relevant.

Beoordeling door het Gerecht

159 Zoals reeds is opgemerkt, zijn geldboeten van een basisniveau van 9 of 7,5 % van de omzet die elke onderneming tot wie de beschikking is gericht, in 1990 heeft behaald op de kartonmarkt van de Gemeenschap opgelegd aan de ondernemingen die als de "kopstukken" van het kartel werden beschouwd, respectievelijk aan de andere ondernemingen. Bovendien staat vast dat het bedrag van de aan Rena en Stora opgelegde geldboeten met twee derde is verlaagd, omdat zij van meet af aan actief met de Commissie hebben medegewerkt, terwijl de geldboete van een aantal andere ondernemingen, waaronder verzoekster, met een derde is verlaagd omdat zij in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar niet de kern van de tegen hen ingebrachte feiten hebben ontkend, waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd (zie punten 171 en 172 van de considerans van de beschikking).

160 De aan verzoekster opgelegde geldboete bedraagt dus overeenkomstig de bovengenoemde criteria 7,5 % van de door de Commissie in aanmerking genomen omzet, welk percentage met een derde is verlaagd op grond van het feit dat zij in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar niet de kern van de tegen haar ingebrachte feiten had ontkend, waarop de Commissie haar punten van bezwaar had gebaseerd.

161 Ten slotte blijkt uit een door de Commissie verstrekte tabel met gegevens betreffende de vaststelling van het bedrag van elk van de individuele geldboeten, dat daarbij naast de bovengenoemde criteria ook de duur van de deelneming van elke onderneming aan de inbreuk in aanmerking is genomen. Uit dit overzicht blijkt, dat de in het algemeen toegepaste basispercentages van 7,5 of 9 % in het concrete geval prorata temporis zijn aangepast aan de periode gedurende welke de betrokken onderneming de inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag had gepleegd.

162 Aangezien het bedrag van elk van de opgelegde geldboeten aldus de resultante is van een combinatie van factoren die specifiek de situatie van de betrokken onderneming betreffen, is verzoeksters argument, dat is gebaseerd op een vergelijking tussen het absolute bedrag van de haar opgelegde geldboete met het absolute bedrag van de geldboeten van andere ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, ongefundeerd.

163 Specifiek met betrekking tot verzoeksters vergelijking tussen haar geldboete en de aan Stora opgelegde geldboete zij beklemtoond, dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete noodzakelijkerwijze de omvang en de economische macht van deze laatste onderneming in de bedrijfstak karton in aanmerking zijn genomen, omdat de Commissie daarbij is uitgegaan van de omzet uit de verkopen van karton. Uit artikel 3 van de beschikking blijkt, dat de aan Stora opgelegde geldboete ondanks een verlaging met twee derde 11 250 000 ECU bedraagt, terwijl verzoeksters geldboete, die met een derde is verlaagd, 2 000 000 ECU bedraagt. Dit verschil is onder meer te verklaren door de omvang en economische macht van elk van deze beide ondernemingen en de mate van medewerking met de Commissie waarmee rekening is gehouden. Verzoeksters argument is derhalve niet relevant.

164 Met betrekking tot de vraag of de basispercentages die zijn toegepast ten aanzien van de ondernemingen die als "kopstuk" of als "gewoon lid" van het kartel zijn beschouwd, voldoende rekening houden met de feitelijke rol die elk van de ondernemingen in het kartel heeft gespeeld, zij om te beginnen vastgesteld, dat de Commissie terecht ervan is uitgegaan, dat de ondernemingen die de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond, een bijzondere verantwoordelijkheid voor de inbreuk droegen (punt 170 van de considerans van de beschikking).

165 Bovendien heeft zij door de keuze van de basispercentages van 9 en 7,5 % van de relevante omzet bij de vaststelling van het bedrag van de aan de "kopstukken" respectievelijk de "gewone leden" van het kartel opgelegde geldboeten de zwaarte van de door elk van deze beide groepen gepleegde inbreuk juist beoordeeld.

166 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.

Het middel betreffende een onderwerp dat in gemeenschappelijke pleidooien is behandeld

167 Tijdens de informele bijeenkomst van 29 april 1997 is de ondernemingen die beroep hebben ingesteld tegen de beschikking, verzocht om voor het geval van een eventuele voeging van de zaken voor de mondelinge behandeling de mogelijkheid te onderzoeken om voor meerdere partijen gemeenschappelijke pleidooien te houden. Beklemtoond werd daarbij, dat dergelijke gemeenschappelijke pleidooien slechts zouden kunnen worden gehouden door verzoekende partijen die in hun inleidend verzoekschrift inderdaad middelen hadden aangevoerd betreffende de thema's waarover gemeenschappelijk diende te worden gepleit.

168 Bij namens alle betrokken ondernemingen neergelegd faxbericht van 14 mei 1997 hebben zij meegedeeld, te hebben besloten om in het kader van gemeenschappelijke pleidooien zes onderwerpen te behandelen, in het bijzonder de motivering betreffende de geldboeten.

169 In haar inleidend verzoekschrift heeft verzoekster geen enkel middel of argument betreffende dit onderwerp aangevoerd. Ter terechtzitting heeft zij niettemin verklaard, dat zij zich aansloot bij het desbetreffende gemeenschappelijke pleidooi.

170 Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op juridische of feitelijke omstandigheden waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. In casu heeft verzoekster geen enkele juridische of feitelijke omstandigheid aangevoerd waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, op grond waarvan het desbetreffende nieuwe middel zou mogen worden voorgedragen.

171 Bijgevolg is het betrokken middel, dat verzoekster voor het eerst ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet-ontvankelijk.

172 Uit al het voorgaande volgt, dat artikel 1, achtste streepje, van de beschikking nietig moet worden verklaard wat verzoekster betreft.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

173 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),

rechtdoende:

1) Verklaart artikel 1, achtste streepje, van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) nietig wat verzoekster betreft.

2) Verwerpt het beroep voor het overige. 3) Verwijst verzoekster in de kosten.

Top