EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994CJ0277

Arrest van het Hof van 10 september 1996.
Z. Taflan-Met, S. Altun-Baser, E. Andal-Bugdayci tegen Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank en O. Akol tegen Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank Amsterdam - Nederland.
Associatie-overeenkomst EEG-Turkije - Besluit van associatieraad - Sociale zekerheid - Inwerkingtreding - Rechtstreekse werking.
Zaak C-277/94.

European Court Reports 1996 I-04085

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1996:315

61994J0277

Arrest van het Hof van 10 september 1996. - Z. Taflan-Met, S. Altun-Baser, E. Andal-Bugdayci tegen Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank en O. Akol tegen Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank Amsterdam - Nederland. - Associatie-overeenkomst EEG-Turkije - Besluit van associatieraad - Sociale zekerheid - Inwerkingtreding - Rechtstreekse werking. - Zaak C-277/94.

Jurisprudentie 1996 bladzijde I-04085


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Internationale overeenkomsten ° Associatie-overeenkomst EEG-Turkije ° Associatieraad, ingesteld bij associatie-overeenkomst EEG-Turkije ° Besluit betreffende sociale zekerheid van werknemers ° Inwerkingtreding, bij gebreke van uitdrukkelijke bepaling, op datum van vaststelling van besluit

(Associatie-overeenkomst EEG-Turkije, art. 6, 22, lid 1, en 23; besluit nr. 3/80 van associatieraad EEG-Turkije)

2. Internationale overeenkomsten ° Overeenkomsten van Gemeenschap ° Rechtstreekse werking ° Voorwaarden ° Besluit nr. 3/80 van bij associatie-overeenkomst EEG-Turkije ingestelde associatieraad, betreffende sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Geen rechtstreekse werking

(Besluit nr. 3/80 van associatieraad EEG-Turkije, art. 12 en 13)

Samenvatting


1. Besluit nr. 3/80 van de associatieraad EEG-Turkije betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten op Turkse werknemers en hun gezinsleden, is, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling dienaangaande, in werking getreden op de datum waarop het is vastgesteld en bindt de overeenkomstsluitende partijen sinds die datum. Blijkens de artikelen 6, 22, lid 1, en 23 van de associatie-overeenkomst EEG-Turkije zijn besluiten van de associatieraad door een in de overeenkomst voorzien orgaan verrichte handelingen, tot vaststelling waarvan dit orgaan door de overeenkomstsluitende partijen is gemachtigd. Daar zij de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen uitvoeren, zijn deze besluiten rechtstreeks gekoppeld aan de overeenkomst. Ingevolge artikel 22, lid 1, tweede volzin, van deze laatste binden zij de overeenkomstsluitende partijen.

2. Evenals bepalingen van door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomsten, moeten bepalingen vastgesteld door een associatieraad, die is ingesteld bij een associatie-overeenkomst om de tenuitvoerlegging van de bepalingen daarvan te verzekeren, worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn wanneer zij, gelet op de bewoordingen en op het doel en de aard ervan, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelzen, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is.

Besluit nr. 3/80 van de associatieraad EEG-Turkije betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten op Turkse werknemers en hun gezinsleden, voldoet niet aan deze voorwaarden.

Evenals voor verordening nr. 1408/71, waarnaar besluit nr. 3/80 verwijst en die eveneens tot doel heeft, binnen de Gemeenschap de verschillende wettelijke regelingen van de Lid-Staten te cooerdineren, uitvoeringsmaatregelen moesten worden vastgesteld, die zijn neergelegd in verordening nr. 574/72, is genoemd besluit naar zijn aard bestemd te worden aangevuld en in de Gemeenschap van toepassing te worden door een latere handeling van de Raad.

Hieruit volgt dat, zolang de Raad niet de noodzakelijke nadere maatregelen ter uitvoering van besluit nr. 3/80 heeft vastgesteld, de artikelen 12 en 13 van dit besluit geen rechtstreekse werking op het grondgebied van de Lid-Staten hebben en voor particulieren derhalve niet het recht doen ontstaan zich er voor de nationale rechter op te beroepen.

Partijen


In zaak C-277/94,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, in het aldaar aanhangig geding tussen

Z. Taflan-Met,

S. Altun-Baser,

E. Andal-Bugdayci

en

Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

en tussen

O. Akol

en

Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12 en 13 van besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (PB 1983, C 110, blz. 60),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, D. A. O. Edward (rapporteur), J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann en J. L. Murray, rechters,

advocaat-generaal: A. La Pergola

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam,

° het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, hoofd beleid en juridische zaken van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, als gemachtigde,

° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adivseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en G. Thiele, Assessor bij genoemd ministerie, als gemachtigden,

° de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Radou, adjunct bijzonder juridisch adviseur bij de dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en L. Pneumatikou, gespecialiseerd juridisch medewerkster bij genoemde dienst, als gemachtigden,

° de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigden,

° de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij voornoemde directie, als gemachtigden,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuyper, juridisch adviseur, en M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Altun-Baser, vertegenwoordigd door T. A. M. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door F. W. M. Keunen, juridisch medewerker bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Radou en L. Pneumatikou, de Spaanse regering, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta, de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance en J.-F. Dobelle, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. Sharpston, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. J. Kuyper en M. Patakia, ter terechtzitting van 13 februari 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij uitspraak van 23 augustus 1994, ingekomen bij het Hof op 12 oktober daaraanvolgend, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam krachtens artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 12 en 13 van besluit nr. 3/80 van de associatieraad, van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (PB 1983, C 110, blz. 60; hierna: "besluit nr. 3/80"). De associatieraad is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Turkse Republiek enerzijds en door de Lid-Staten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, blz. 3685; hierna: de "overeenkomst").

2 Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen, in de eerste plaats, Z. Taflan-Met, S. Altun-Baser en E. Andal-Bugdayci en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam, en, in de tweede plaats, O. Akol en het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, ter zake van de weigering van de bevoegde Nederlandse organen om betrokkenen sociale-zekerheidsuitkeringen te betalen.

3 Besluit nr. 3/80 strekt tot cooerdinatie van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten, teneinde Turkse werknemers die in de Gemeenschap werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest, alsmede de gezinsleden van deze werknemers en hun nagelaten betrekkingen, in aanmerking te doen komen voor prestaties in de traditionele takken van sociale zekerheid.

4 Daartoe verwijzen de bepalingen van besluit nr. 3/80 in hoofdzaak naar bepaalde voorschriften van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2) en, minder vaak, naar die van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1972, L 74, blz. 1).

5 Titel III van besluit nr. 3/80 bevat aan verordening nr. 1408/71 ontleende cooerdinatiebepalingen betreffende prestaties bij ziekte en moederschap, invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen), arbeidsongevallen en beroepsziekten, uitkeringen bij overlijden alsmede gezins- en kinderbijslagen.

6 Inzonderheid bepaalt artikel 12, dat hoofdstuk 2, getiteld "Invaliditeit", van deze titel vormt, het volgende:

"Het recht op uitkeringen van een werknemer die achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 37, lid 1, eerste zin, en lid 2, de artikelen 38 tot en met 40, artikel 41, lid 1, sub a), b), c) en e), en lid 2, en de artikelen 42 en 43 van verordening (EEG) nr. 1408/71.

Daarbij geldt evenwel het volgende:

a) voor de toepassing van artikel 39, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt rekening gehouden met alle gezinsleden, met inbegrip van kinderen, die in de Gemeenschap of in Turkije wonen;

b) de verwijzing in artikel 40, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 naar de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van die verordening wordt vervangen door een verwijzing naar de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van dit besluit."

7 Artikel 13, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3, getiteld "Ouderdom en overlijden (pensioenen)", van titel III van besluit nr. 3/80 luidt als volgt:

"Het recht op uitkeringen van een werknemer of van diens nagelaten betrekkingen wordt, zo deze werknemer onderworpen is geweest aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten, vastgesteld overeenkomstig artikel 44, lid 2, eerste zin, artikel 45, artikel 46, lid 2, en de artikelen 47, 48, 49 en 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71.

Daarbij geldt evenwel het volgende:

a) artikel 46, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 is ook van toepassing wanneer de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden zijn vervuld zonder dat een beroep moet worden gedaan op artikel 45 van deze verordening;

b) voor de toepassing van artikel 47, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt rekening gehouden met alle gezinsleden, met inbegrip van kinderen, die in de Gemeenschap of in Turkije wonen;

c) voor de toepassing van artikel 49, lid 1, sub a), en lid 2, en artikel 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt de verwijzing naar artikel 46 vervangen door een verwijzing naar artikel 46, lid 2."

8 Anders dan de twee andere door de associatieraad op dezelfde datum vastgestelde besluiten, te weten besluit nr. 1/80, betreffende de ontwikkeling van de associatie, en besluit nr. 2/80, tot vaststelling van de voorwaarden voor de invoering van de speciale hulp aan Turkije (niet gepubliceerd), geeft besluit nr. 3/80 niet aan op welke datum het in werking treedt.

9 Blijkens de verwijzingsuitspraak zijn verzoeksters in de eerste drie hoofdgedingen, in Turkije woonachtige Turkse onderdanen, weduwen van Turkse werknemers die in verschillende Lid-Staten, waaronder Nederland, werkzaamheden in loondienst hebben verricht. Na het overlijden van hun echtgenoten dienden zij aanvragen in ter verkrijging van een weduwenpensioen in de Lid-Staten waar de echtgenoot had gewerkt. De bevoegde Duitse en Belgische organen willigden deze verzoeken in. De Nederlandse organen wezen de verzoeken evenwel af, op grond dat de echtgenoten van de drie verzoeksters in de hoofdgedingen zijn overleden in Turkije, terwijl overeenkomstig de Nederlandse wettelijke regeling de verzekerden of hun nabestaanden slechts recht hebben op een uitkering, indien zij ten tijde van het intreden van het verzekerde risico gedekt zijn door die wettelijke regeling.

10 Verzoeker in het vierde hoofdgeding is een Turks onderdaan, woonachtig in Duitsland, die eerst in Nederland heeft gewerkt en vervolgens in Duitsland, waar hij arbeidsongeschikt is geworden. Hij vroeg zowel in Duitsland als in Nederland een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan. Anders dan het Duitse orgaan, weigerde het bevoegde Nederlandse orgaan die aanvraag in te willigen, omdat de arbeidsongeschiktheid van Akol was ingetreden op een moment waarop deze niet meer in Nederland werkte en bijgevolg niet door de Nederlandse wettelijke regeling gedekt was.

11 Van oordeel dat verzoekers in de hoofdgedingen in Nederland slechts uit hoofde van besluit nr. 3/80, inzonderheid de artikelen 12 en 13 daarvan, aanspraak zouden kunnen maken op de gevraagde uitkering, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

"1) Is het besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, van toepassing in de Gemeenschap zonder dat een omzettingshandeling, als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, heeft plaatsgevonden?

2) a) Indien besluit nr. 3/80 (nog) niet van toepassing is in de Gemeenschap, kunnen aan dat besluit dan niettemin onder omstandigheden rechtsgevolgen worden toegekend, voor zover de bepalingen in het besluit zich lenen voor rechtstreekse toepassing?

b) Bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag: Is het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van besluit nr. 3/80 voldoende concreet en bepaalbaar om zich te lenen voor rechtstreekse toepassing zonder dat nadere uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 32 van besluit nr. 3/80 noodzakelijk zijn?

3) a) Wanneer artikel 13 van besluit nr. 3/80 in gevallen als het onderhavige toegepast kan worden, moet daarbij dan toepassing worden gegeven aan de in dat artikel genoemde artikelen van EEG-verordening nr. 1408/71 zoals die luidden toen de Associatieraad het besluit nam, op 19 september 1980, of moet tevens rekening worden gehouden met de wijzigingen van de betreffende artikelen van verordening nr. 1408/71 zoals die nadien hebben plaatsgevonden?

b) Is daarbij nog van belang of de wijzigingen na 19 september 1980 ertoe hebben geleid dat onderdelen van de betreffende bepalingen later in andere artikelen of in bijlagen bij verordening nr. 1408/71 nader zijn geregeld?"

De eerste vraag

12 De eerste vraag, betreffende de toepasselijkheid in de Gemeenschap van besluit nr. 3/80, moet aldus worden begrepen, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of, en zo ja, op welke datum, dit besluit in werking is getreden.

13 Aangezien besluit nr. 3/80 niets bepaalt omtrent zijn inwerkingtreding, moet worden nagegaan, of de datum van inwerkingtreding kan worden afgeleid uit de overeenkomst waarop dit besluit is gebaseerd.

14 Om te beginnen bepaalt de overeenkomst in artikel 6, dat deel uitmaakt van titel I, "De beginselen", het volgende: "Ten einde de toepassing en de geleidelijke ontwikkeling van de associatieregeling te verzekeren, verenigen de Overeenkomstsluitende Partijen zich in een Associatieraad, die handelt binnen de grenzen van de hem door de Overeenkomst verleende bevoegdheden."

15 Artikel 22, lid 1, dat staat in titel III, "Algemene en slotbepalingen", van de overeenkomst, luidt als volgt:

"Voor de verwezenlijking van de in de Overeenkomst vermelde doelstellingen en in de in de Overeenkomst bedoelde gevallen is de Associatieraad bevoegd tot het nemen van besluiten. Ieder der beide Partijen is verplicht de maatregelen te nemen, nodig voor de tenuitvoerlegging van de genomen besluiten. (...)"

16 Artikel 23 ten slotte, dat eveneens tot titel III van de overeenkomst behoort, bepaalt:

"De Associatieraad bestaat enerzijds uit leden van de Regeringen der Lid-Staten, van de Raad en van de Commissie der Gemeenschap en anderzijds uit leden van de Turkse regering.

(...)

De Associatieraad spreekt zich uit met eenparigheid van stemmen."

17 Uit bovenstaande bepalingen blijkt, dat besluiten van de associatieraad EEG-Turkije door een in de overeenkomst voorzien orgaan verrichte handelingen zijn, tot vaststelling waarvan dit orgaan door de overeenkomstsluitende partijen is gemachtigd.

18 Daar zij de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen uitvoeren, zijn deze besluiten rechtstreeks gekoppeld aan de overeenkomst. Ingevolge artikel 22, lid 1, tweede volzin, van deze laatste binden zij de overeenkomstsluitende partijen.

19 Door de overeenkomst hebben de overeenkomstsluitende partijen ermee ingestemd, aan deze besluiten gebonden te zijn. Door zich aan deze verbintenis te onttrekken, zouden zij derhalve de overeenkomst schenden.

20 Anders dan is betoogd door verweerders in de hoofdgedingen en de regeringen van de Lid-Staten die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, kan de bindende kracht van besluiten van de associatieraad derhalve niet afhangen van de daadwerkelijke vaststelling van uitvoeringsmaatregelen door de overeenkomstsluitende partijen.

21 Nu besluit nr. 3/80 niet bepaalt op welke datum het in werking treedt, vloeit uit de bindende kracht die de overeenkomst aan besluiten van de associatieraad EEG-Turkije toekent bijgevolg voort, dat eerstgenoemd besluit in werking is getreden op de datum waarop het is vastgesteld, dat wil zeggen op 19 september 1980, en dat de overeenkomstsluitende partijen er sinds die datum aan gebonden zijn.

22 Op de eerste prejudiciële vraag moet dus worden geantwoord, dat besluit nr. 3/80 in werking is getreden op de datum waarop het is vastgesteld, dat wil zeggen op 19 september 1980, en de overeenkomstsluitende partijen sinds die datum bindt.

De tweede vraag

23 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of de bepalingen van besluit nr. 3/80, meer in het bijzonder de artikelen 12 en 13, op het grondgebied van de Lid-Staten rechtstreekse werking hebben en derhalve voor particulieren het recht doen ontstaan, er zich voor de nationale rechter op te beroepen.

24 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer arrest van 30 september 1987, zaak 12/86, Demirel, Jurispr. 1987, blz. 3719, r.o. 14) een bepaling van een door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomst, moet worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst, voor welker uitvoering en werking geen verdere handeling vereist is.

25 In het arrest van 20 september 1990 (zaak C-192/89, Sevince, Jurispr. 1990, blz. I-3461, r.o. 14 en 15) verklaarde het Hof, dat dezelfde criteria gelden voor de vraag, of de bepalingen van een besluit van de associatieraad EEG-Turkije rechtstreekse werking kunnen hebben.

26 Zoals hiervoor is uiteengezet, heeft besluit nr. 3/80 tot doel, de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten te cooerdineren, teneinde Turkse werknemers die in de Gemeenschap werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest, alsmede hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen, in aanmerking te doen komen voor prestaties in de traditionele takken van sociale zekerheid.

27 Verordening nr. 1408/71, waarnaar besluit nr. 3/80 verwijst, heeft eveneens tot doel, binnen de Gemeenschap de verschillende wettelijke regelingen van de Lid-Staten te cooerdineren.

28 De concrete toepassing van verordening nr. 1408/71 was echter niet mogelijk zonder de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen, die zijn neergelegd in de omvangrijke verordening nr. 574/72.

29 Zoals reeds werd beklemtoond, verwijzen de bewoordingen van besluit nr. 3/80 naar bepaalde voorschriften van verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 574/72, zij het dat voor de tenuitvoerlegging van die bepalingen rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van Turkse werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is en van hun gezinsleden die op het grondgebied van een van de Lid-Staten wonen.

30 Bij vergelijking van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 enerzijds en besluit nr. 3/80 anderzijds blijkt evenwel, dat tal van nauwkeurige en gedetailleerde bepalingen die niettemin als onmisbaar werden beschouwd voor de toepassing binnen de Gemeenschap van verordening nr. 1408/71, in dat besluit ontbreken.

31 Zo geeft verordening nr. 1408/71, door de Raad vastgesteld op de grondslag van artikel 51 van het Verdrag, uitvoering aan het in deze bepaling neergelegde fundamentele beginsel, dat voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden moet worden gewaarborgd dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende wetgevingen van de Lid-Staten in aanmerking worden genomen. De in verordening nr. 1408/71 vervatte samentellingsregels konden evenwel eerst concrete toepassing vinden nadat artikel 15 van verordening nr. 574/72 was vastgesteld.

32 Evenzo verwijst besluit nr. 3/80 weliswaar naar de bepalingen van verordening nr. 1408/71, die het beginsel van samentelling tot uitdrukking brengen voor de takken ziekte en moederschap, invaliditeit, ouderdom, uitkeringen bij overlijden en gezinsbijslagen, maar de toepassing van dit beginsel vereist de voorafgaande vaststelling van aanvullende uitvoeringsmaatregelen, zoals die van artikel 15 van verordening nr. 574/72.

33 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat besluit nr. 3/80 naar zijn aard bestemd is te worden aangevuld en in de Gemeenschap van toepassing te worden door een latere handeling van de Raad.

34 Op 8 februari 1983 heeft de Commissie dan ook een voorstel ingediend voor een verordening (EEG) van de Raad tot toepassing in de Gemeenschap van besluit nr. 3/80 (PB 1983, C 110, blz. 1).

35 Dit voorstel voor een verordening dient zich aan als een handeling die bestemd is om in de Gemeenschap toepassing te geven aan besluit nr. 3/80. Zo bepaalt artikel 1 het volgende: "Het aan deze verordening gehechte Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije (...) is van toepassing in de Gemeenschap." Het voorstel bevat daartoe bijna 80 artikelen en 7 bijlagen houdende "nadere toepassingsregelen van Besluit nr. 3/80", die gedetailleerde voorschriften bevatten voor de toepassing van de bepalingen van het besluit voor iedere onder het toepassingsgebied ervan vallende categorie prestaties. Zij bevatten bovendien nadere voorschriften betreffende onder meer de non-cumulatie van prestaties, de vaststelling van de toe te passen wetgeving, de samentelling van tijdvakken alsmede financiële en overgangsbepalingen. Deze bepalingen betreffende de toepassing van besluit nr. 3/80 zijn in ruime mate ontleend aan die vervat in verordening nr. 574/72. Wat bij voorbeeld het beginsel van samentelling betreft, sluit de inhoud van artikel 13 van het voorstel nauw aan bij artikel 15 van verordening nr. 574/72.

36 Dit voorstel is evenwel nog niet door de Raad aangenomen.

37 Uit het voorgaande volgt, dat besluit nr. 3/80, ook al zijn sommige bepalingen ervan duidelijk en nauwkeurig, niet kan worden toegepast zolang de Raad geen nadere uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen.

38 Op de tweede prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord dat, zolang de Raad niet de noodzakelijke nadere maatregelen ter uitvoering van besluit nr. 3/80 heeft vastgesteld, de artikelen 12 en 13 van dit besluit geen rechtstreekse werking op het grondgebied van de Lid-Staten hebben en voor particulieren derhalve niet het recht doen ontstaan zich er voor de nationale rechter op te beroepen.

De derde vraag

39 Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag, hoeft de derde vraag niet te worden onderzocht.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

40 De kosten door de Nederlandse, de Duitse, de Griekse, de Spaanse, de Franse en de Britse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij uitspraak van 23 augustus 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, is in werking getreden op de datum waarop het is vastgesteld, dat wil zeggen op 19 september 1980, en bindt de overeenkomstsluitende partijen sinds die datum.

2. Zolang de Raad niet de noodzakelijke nadere maatregelen ter uitvoering van besluit nr. 3/80 heeft vastgesteld, hebben de artikelen 12 en 13 van dit besluit geen rechtstreekse werking op het grondgebied van de Lid-Staten en doen zij voor particulieren derhalve niet het recht ontstaan zich er voor de nationale rechter op te beroepen.

Top