Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61993CJ0482

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 26 oktober 1995.
S. E. Klaus tegen Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank Amsterdam - Nederland.
Sociale zekerheid - Ziekte - Gezondheidstoestand bij aanvang van verzekering - Samenstelling van tijdvakken van verzekering.
Zaak C-482/93.

European Court Reports 1995 I-03551

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1995:349

61993J0482

ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 26 OKTOBER 1995. - S. E. KLAUS TEGEN BESTUUR VAN DE NIEUWE ALGEMENE BEDRIJFSVERENIGING. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: ARRONDISSEMENTSRECHTBANK AMSTERDAM - NEDERLAND. - SOCIALE ZEKERHEID - ZIEKTE - GEZONDHEIDSTOESTAND BIJ AANVANG VAN VERZEKERING - SAMENTELLING VAN TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING. - ZAAK C-482/93.

Jurisprudentie 1995 bladzijde I-03551


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Ziekteverzekering ° Voorwaarden voor toekenning van uitkeringen ° Onmogelijkheid, krachtens gemeenschapsregeling, om door wettelijke regeling van Lid-Staat gestelde voorwaarde met betrekking tot land waar en tijdstip waarop aandoening is ontstaan, tegen te werpen ° Draagwijdte

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 35, lid 3)

2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Ziekteverzekering ° Voorwaarden voor toekenning van uitkeringen ° Wettelijke regeling van bevoegde Lid-Staat die recht op uitkeringen afhankelijk stelt van voorwaarde, dat op tijdstip van aansluiting geen sprake is van ongeschiktheid tot werken ° Verplichting rekening te houden met krachtens wettelijke regeling van andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van aansluiting ° Korte periode zonder aansluiting in verband met verlegging van woonplaats van ene naar andere Lid-Staat ° Geen invloed

(EG-Verdrag, art. 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 18, lid 1)

Samenvatting


1. Artikel 35, lid 3, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt dat indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van prestaties bij ziekte afhankelijk stelt van een voorwaarde met betrekking tot het land waar en het tijdstip waarop de aandoening is ontstaan, deze voorwaarde niet gesteld mag worden aan de werknemer op wie de verordening van toepassing is, ongeacht zijn woonplaats, heeft geen betrekking op het geval waarin de toepasselijke wettelijke regeling het recht op prestaties bij ziekte geheel of ten dele uitsluit, wanneer de werknemer reeds ongeschikt tot werken was op het tijdstip van aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel.

2. Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet, in het licht van de doelstelling van artikel 51 van het Verdrag, aldus worden uitgelegd, dat wanneer de toepasselijke wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van uitkeringen wegens ziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de ongeschiktheid tot werken van de verzekerde niet reeds bestond op het tijdstip van zijn aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel, het bevoegde orgaan eveneens rekening dient te houden met de door de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van aansluiting, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.

Dienaangaande heeft de omstandigheid dat de werknemer die zijn woonplaats van de ene naar de andere Lid-Staat heeft verlegd, gedurende korte tijd op het grondgebied van deze laatste staat geen arbeid heeft verricht of zich niet als werkzoekende heeft aangemeld, niet tot gevolg, dat de continuïteit van de door de betrokkene vervulde tijdvakken van aansluiting wordt onderbroken en de regel van samentelling van de tijdvakken van verzekering niet kan worden toegepast.

Het feit dat een migrerende werknemer niet werkt gedurende de korte periode waarin hij zijn woonplaats materialiter van de ene naar de andere Lid-Staat verlegt, is immers inherent aan de normale uitoefening van het recht op vrij verkeer.

Partijen


In zaak C-482/93,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen

S. E. Klaus

en

Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 25, lid 2, 35, lid 3, en 71, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, P. Jann en L. Sevón, rechters,

advocaat-generaal: A. M. La Pergola

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, hoofd van de afdeling beleid en juridische zaken van de vereniging "Gemeenschappelijk Administratiekantoor", als gemachtigde,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en B. J. Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door F. W. M. Keunen, juridisch medewerker van de vereniging "Gemeenschappelijk Administratiekantoor", en de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, ter terechtzitting van 4 mei 1995,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 juni 1995,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 15 oktober 1992, ingekomen bij het Hof op 28 december 1993, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam krachtens artikel 177 EG-Verdrag verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 25, lid 2, 35, lid 3, en 71, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71").

2 Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen S. E. Klaus en de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging over de toekenning van ziekengeld.

3 Klaus, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werkte van december 1985 tot juli 1987 als verpleegster in Nederland en was uit dien hoofde verzekerd op grond van de Ziektewet (hierna: "ZW"). In juli 1987 staakte zij deze werkzaamheden wegens rugklachten, zodat haar verzekering uit hoofde van de ZW eindigde.

4 Nadat zij gedurende acht maanden een cursus toerisme-management had gevolgd, ging zij in juni 1988 naar Spanje, waar zij als gastvrouw en medewerkster public relations ging werken.

5 In december 1988 keerde zij terug naar Nederland en werkte zij aldaar korte tijd in verschillende betrekkingen.

6 Van mei tot oktober 1989 werkte Klaus opnieuw als gastvrouw en medewerkster public relations in Spanje. Zij keerde vervolgens terug naar Nederland en was vanaf 20 oktober 1989 werkzaam als uitzendkracht voor Randstad Industrie BV. Blijkens de stukken van de nationale procedure die aan het Hof ter beschikking zijn gesteld, heeft Klaus tussen de beëindiging van haar werkzaamheden in Spanje en de aanvang van haar werk als uitzendkracht, dat wil zeggen gedurende enkele dagen, niet gewerkt, zonder dat zij evenwel bij het bevoegde Spaanse orgaan of het bevoegde Nederlandse orgaan een werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd.

7 Bovenbedoeld uitzendbureau stelde Klaus tewerk als cateringmedewerkster in een bedrijfskantine in Nederland. Op 7 november 1989 evenwel moest zij dit werk wegens rugklachten staken.

8 Uit een deskundigenrapport van 16 september 1991, dat is overgelegd in het kader van de instructie van het hoofdgeding, blijkt dat Klaus reeds op 20 oktober 1989 wegens afwijkingen aan haar wervelkolom ongeschikt was om haar werk te verrichten. Op die datum begon haar verzekering uit hoofde van de ZW opnieuw te lopen. Eveneens wordt gepreciseerd, dat de rugklachten van Klaus zich voor het eerst in december 1986 hebben geopenbaard en tijdens haar werkzaamheden in Spanje in 1989 zijn verergerd.

9 Bij brief van 24 april 1990 stelde de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, die is belast met de uitvoering van het stelsel van ziekteverzekering, Klaus in kennis van haar beslissing om haar per 7 november 1989 ziekengeld ingevolge de ZW te weigeren, op grond dat zij bij de aanvang van de ziekteverzekering op 20 oktober 1989 reeds arbeidsongeschikt was.

10 De ZW vormt de grondslag van het algemene Nederlandse stelsel van ziekteverzekering. Voor het recht op ziekengeld ingevolge deze wettelijke regeling moet de betrokkene ongeschikt zijn tot het verrichten van zijn arbeid (in de regel de laatst verrichte arbeid) wegens ziekte (artikel 19). Onder bepaalde voorwaarden kan de dekking door de ziekteverzekering na het einde van de verzekering worden gehandhaafd, alsof de betrokkene verzekerd was gebleven, indien hij binnen korte tijd (één maand of acht dagen, naar gelang het geval) na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken wordt (artikel 46).

11 De bedrijfsvereniging kan de uitkering van ziekengeld geheel of ten dele weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken reeds bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam (artikel 44, lid 1, aanhef en sub a-1 ). Deze bepaling heeft tot doel, misbruik tegen te gaan, aangezien de Nederlandse wettelijke regelingen ter zake van arbeidsongeschiktheid geen keuring kennen waarbij bepaalde risico' s van de verzekering kunnen worden uitgesloten op het tijdstip waarop zij aanvangt.

12 De Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging baseerde haar beslissing van 24 april 1990, om Klaus geen ziekengeld ingevolge de ZW toe te kennen, op laatstgenoemde bepalingen.

13 Klaus stelde tegen deze beslissing beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, die van oordeel was, dat het geschil vragen betreffende de uitlegging van de artikelen 25, lid 2, 35, lid 3 en 71, lid 1, van verordening nr. 1408/71 opwierp.

14 Krachtens artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1408/71 heeft "een volledig werkloze werknemer op wie artikel 71, lid 1, sub a, ii, of sub b, ii, eerste volzin, van toepassing is, (...) recht op verstrekkingen en uitkeringen [wegens ziekte] volgens de wettelijke regeling [en ten laste] van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof hij gedurende zijn laatste dienstbetrekking aan deze wettelijke regeling onderworpen was (...)". Het gaat hier om volledig werkloze werknemers die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonden.

15 De verwijzende rechter sluit in dit verband niet uit, dat Klaus kort voor de aanvang van haar laatste dienstbetrekking in Nederland op 20 oktober 1989 gedurende een aantal dagen verkeerde in de situatie van een werkloze (die geen grensarbeider is) in Spanje, die zijn woonplaats in Nederland heeft behouden, en op wie derhalve artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste volzin, van verordening nr. 1408/71 van toepassing is.

16 Voorts bepaalt artikel 35, lid 3, van verordening nr. 1408/71, dat "indien de wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van prestaties [bij ziekte] afhankelijk stelt van een voorwaarde met betrekking tot het land waar en het tijdstip waarop de aandoening is ontstaan, (...) deze voorwaarde niet gesteld [mag] worden aan de werknemers of zelfstandigen of hun gezinsleden" op wie de verordening van toepassing is, "ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat zij wonen".

17 De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft derhalve besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

"1) Dient artikel 35, derde lid, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus te worden uitgelegd, dat deze bepaling er, mede in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 48 van het EEG-Verdrag, aan in de weg staat om met toepassing van een nationale risico-selectiebepaling als vervat in artikel 44, lid 1, onder a, ten eerste, van de ZW, uitkering wegens ziekte te onthouden aan een werknemer, die (vrijwel) aansluitend aan een periode waarin hij onderworpen was aan de wettelijke regeling ter zake van uitkering wegens ziekte, verzekerd wordt in de Lid-Staat van de EG waarvan de nationale wettelijke regeling een risico-selectiebepaling als juist bedoeld bevat?

2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, geldt die uitleg dan ook wanneer de arbeidsbeperkingen, die tot de toepassing van een nationale risico-selectiebepaling hebben geleid, zijn ontstaan tijdens een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ziekte ingevolge de wetgeving van de Lid-Staat waarvan ook die risico-selectiebepaling deel uitmaakt?

3) Maakt het, in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 25, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 1408/71, voor de beantwoording van de eerste vraag verschil of een werknemer, voordat hij in de bevoegde Lid-Staat van de EG in dienstbetrekking werkzaam is, verkeerde in de situatie als bedoeld in artikel 71, lid 1, sub a-ii, of sub b-ii, van verordening (EEG) nr. 1408/71?

4) Als vraag 3 bevestigend wordt beantwoord, moet dan artikel 25, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat onder een werknemer waar die bepaling het oog op heeft (ook) moet worden verstaan een werknemer, die aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 71, lid 1, sub a-ii, of sub b-ii, van verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft voldaan, ook al is hem nimmer overeenkomstig juist bedoelde bepalingen door het orgaan van zijn woonland werkloosheidsuitkering verstrekt, omdat een aanvrage van zodanige uitkering nimmer heeft plaatsgevonden?"

18 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 35, lid 3, van verordening nr. 1408/71 van toepassing is op de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die het recht op prestaties bij ziekte geheel of ten dele uitsluit, wanneer de werknemer reeds ongeschikt tot werken was op het tijdstip van aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel.

19 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 35, lid 3, van de verordening betrekking heeft op het geval waarin door de wettelijke regeling van de bevoegde staat aan de werknemer of een lid van zijn gezin een voorwaarde wordt gesteld met betrekking tot het land waar en het tijdstip waarop de aandoening is ontstaan, doch niet op het geval waarin, zoals in casu, de toepasselijke wettelijke regeling het recht op prestaties bij ziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de ongeschiktheid tot werken als zodanig niet reeds bestond op het tijdstip van aansluiting.

20 Mitsdien moet de eerste vraag ontkennend worden beantwoord. In deze omstandigheden behoeft op de tweede vraag niet te worden geantwoord. Omdat evenwel een uitlegging van het gemeenschapsrecht moet worden gegeven, die nuttig is voor de verwijzende rechter, zijn eveneens de volgende overwegingen van belang.

21 Volgens artikel 51 van het Verdrag dient de Raad de maatregelen vast te stellen die op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers. De bepalingen van verordening nr. 1408/71 moeten dus in het licht van deze doelstelling worden uitgelegd (zie, onder meer, arrest van 9 augustus 1994, zaak C-406/93, Reichling, Jurispr. 1994, blz. I-4061, r.o. 21).

22 Een van deze bepalingen is artikel 18, lid 1, van de verordening, dat bepaalt dat "het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen (...), voor zover nodig, rekening [houdt] met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld".

23 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, staat deze bepaling eraan in de weg, dat in casu het bevoegde orgaan het begin van de aansluiting krachtens de wettelijke regeling die het toepast, beschouwt als het tijdstip waarop de tijdvakken van verzekering die voor het ontstaan van het recht op prestaties bij ziekte in aanmerking moeten worden genomen, ingaan.

24 Wanneer derhalve de wettelijke regeling van de bevoegde Lid-Staat de toekenning van uitkeringen wegens ziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de ongeschiktheid tot werken niet reeds bestond op het tijdstip van aansluiting, dient het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de verordening eveneens rekening te houden met de door de verzekerde krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van aansluiting, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.

25 Volgens de verwijzingsbeschikking zijn de derde en de vierde vraag gesteld voor het geval dat moet worden aangenomen, dat zich enkele dagen vóór 20 oktober 1989 ten aanzien van verzoekster de situatie voordeed als bedoeld in artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste volzin, van verordening nr. 1408/71.

26 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 betreffende de werkloze werknemer of zelfstandige, en in het bijzonder het bepaalde in artikel 71, in casu geen toepassing vinden, aangezien Klaus zich nergens als werkzoekende heeft ingeschreven.

27 De derde en de vierde vraag kunnen evenwel aldus worden opgevat, dat daarin wordt gevraagd, of de omstandigheid dat enkele dagen zijn verstreken tussen de terugkeer van Klaus in haar land van herkomst en de hervatting van werkzaamheden in loondienst in deze staat tot gevolg heeft, dat de continuïteit van de tijdvakken van aansluiting die krachtens de communautaire samentellingsregels in aanmerking kunnen worden genomen, wordt onderbroken.

28 Zoals de advocaat-generaal in punt 13 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het feit dat een migrerende werknemer niet werkt gedurende de korte periode waarin hij zijn woonplaats materialiter van de ene naar de andere Lid-Staat verlegt, inherent aan de normale uitoefening van het recht op vrij verkeer.

29 Bovendien heeft in het onderhavige geval de vertegenwoordiger van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging het Hof ter terechtzitting meegedeeld, dat ingeval Klaus haar volledige verzekeringsloopbaan in Nederland had gehad, deze onderbreking niet in aanmerking zou zijn genomen om de weigering van de gevraagde prestatie te rechtvaardigen.

30 Gelet op al het vorenstaande moet op de vragen van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 18, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de toepasselijke wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van uitkeringen wegens ziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de ongeschiktheid tot werken van de verzekerde niet reeds bestond op het tijdstip van zijn aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel, het bevoegde orgaan eveneens rekening dient te houden met de door de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van aansluiting, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld. De omstandigheid dat de werknemer die zijn woonplaats van de ene naar de andere Lid-Staat heeft verlegd, gedurende korte tijd op het grondgebied van deze laatste staat geen arbeid heeft verricht of zich niet als werkzoekende heeft aangemeld, heeft niet tot gevolg, dat de continuïteit van de door de betrokkene vervulde tijdvakken van aansluiting wordt onderbroken en de samentellingsregel van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet kan worden toegepast.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

31 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij beschikking van 15 oktober 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 35, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van 2 juni 1983, is niet van toepassing op de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die het recht op prestaties bij ziekte geheel of ten dele uitsluit, wanneer de werknemer reeds ongeschikt tot werken was op het tijdstip van aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel.

2) Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de toepasselijke wettelijke regeling van een Lid-Staat de toekenning van uitkeringen wegens ziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de ongeschiktheid tot werken van de verzekerde niet reeds bestond op het tijdstip van zijn aansluiting bij het door die regeling ingevoerde stelsel, het bevoegde orgaan eveneens rekening dient te houden met de door de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van aansluiting, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.

3) De omstandigheid dat de werknemer die zijn woonplaats van de ene naar de andere Lid-Staat heeft verlegd, gedurende korte tijd op het grondgebied van deze laatste staat geen arbeid heeft verricht of zich niet als werkzoekende heeft aangemeld, heeft niet tot gevolg, dat de continuïteit van de door de betrokkene vervulde tijdvakken van aansluiting wordt onderbroken en de samentellingsregel van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet kan worden toegepast.

Top