EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61992TJ0065

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 17 juni 1993.
Monique Arauxo-Dumay tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Ambtenaren - Maatregel betreffende de definitieve beëindiging van de dienst - Overlevingspensioen - Huwelijk dat niet voldoet aan in Statuut gestelde voorwaarden inzake tijdstip.
Zaak T-65/92.

European Court Reports 1993 II-00597

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1993:47

61992A0065

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 17 JUNI 1993. - MONIQUE ARAUXO-DUMAY TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - MAATREGEL BETREFFENDE DE DEFINITIEVE BEEINDIGING VAN DE DIENST - OVERLEVINGSPENSIOEN - HUWELIJK DAT NIET VOLDOET AAN IN STATUUT GESTELDE VOORWAARDEN INZAKE TIJDSTIP. - ZAAK T-65/92.

Jurisprudentie 1993 bladzijde II-00597


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Ambtenaren ° Pensioenen ° Overlevingspensioen ° Voorwaarde betreffende het tijdstip van het huwelijk ° Inaanmerkingneming van situaties van ongehuwd samenleven of concubinaat ° Uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 17 bis en 20; verordening nr. 3518/85 van de Raad, art. 4, lid 8)

2. Ambtenaren ° Zorgplicht van administratie ° Grenzen ° Uitlegging van statutaire bepaling in strijd met tekst ervan ° Ontoelaatbaarheid

Samenvatting


1. De voorwaarde betreffende het tijdstip van het huwelijk, die is gesteld bij de artikelen 17 bis en 20 van bijlage VIII van het Statuut en bij artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in verband met de toetreding van Spanje en Portugal, opdat de overlevende echtgenoot recht heeft op een overlevingspensioen, verwijst naar de situatie van personen die formeel een door de wet erkend burgerlijk huwelijk zijn aangegaan, met alle rechten en plichten van dien. Het staat niet aan het Gerecht de juridische uitlegging van de in de betrokken bepalingen gebruikte nauwkeurige termen in dier voege te verruimen, dat de situatie van ongehuwd samenleven of concubinaat onder het begrip "huwelijk" valt. Iedere verruiming van deze begrippen zou een wijziging van de rechtsgrondslagen van de betrokken bepalingen meebrengen, met de aanzienlijke juridische en financiële consequenties die daaruit zowel voor de Gemeenschappen als voor derden zouden voortvloeien. Een dermate omvangrijke wijziging zou alleen kunnen worden doorgevoerd door de gemeenschapswetgever, indien bij zulks noodzakelijk acht.

2. In het kader van haar zorgplicht kan de administratie aan een gemeenschapsbepaling geen uitlegging geven die in strijd is met de nauwkeurige termen van deze bepaling.

Partijen


In zaak T-65/92,

M. Arauxo-Dumay, weduwe van L. Dumay, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te St.-Flovier (Frankrijk), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het bij brief van 16 december 1991 aan verzoekster ter kennis gebrachte besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, waarbij haar een weduwenpensioen wordt geweigerd, met als bijkomend gevolg de intrekking van de dekking van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering per 1 april 1992,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en A. Saggio, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23 maart 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De aan de oorsprong van het geding liggende feiten

1 Verzoekster, M. Arauxo-Dumay, van Belgische nationaliteit, is de weduwe van L. Dumay, Belgisch onderdaan en overleden op 1 december 1991. Van 1 maart 1964 tot en met 30 september 1986 was Dumay ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en vervolgens van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Op 1 oktober 1986 werd ten aanzien van Dumay op zijn verzoek een maatregel genomen tot definitieve beëindiging van zijn dienst krachtens de bepalingen van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3518/85 van de Raad van 12 december 1985 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in verband met de toetreding van Spanje en Portugal (PB 1985, L 335, blz. 56; hierna: "verordening nr. 3518/85").

2 Tijdens de periode van 1 oktober 1986 tot de datum van zijn overlijden, ontving Dumay krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3518/85 een maandelijkse vergoeding gelijk aan 70 % van zijn basissalaris, waarop krachtens de gecombineerde bepalingen van artikel 4, lid 7, van verordening nr. 3518/85 en artikel 83, lid 2, van het Ambtenarenstatuut (hierna: het "Statuut") een bijdrage tot financiering van de statutaire pensioenregeling werd ingehouden, berekend op basis van het salaris dat behoorde bij zijn rang en salaristrap.

3 Dumay had een eerste huwelijk gesloten in 1952, doch leefde samen met verzoekster sinds het begin van de jaren 1980. Al in 1981 diende hij een verzoek in om scheiding van zijn eerste echtgenote; het op 3 april 1989 uitgesproken echtscheidingsvonnis werd evenwel pas op 10 juli 1989 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 Op 27 juli 1989 huwde Dumay met verzoekster, met wie hij intussen was blijven samenleven. Toen Dumay overleed, had dit huwelijk dus slechts iets meer dan twee jaar en vier maanden geduurd.

5 Naar aanleiding van het overlijden van Dumay werd verzoekster bij brief van 16 december 1991 van het hoofd van de eenheid "pensioenen en betrekkingen met voormalige ambtenaren" van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, in kennis gesteld van de gevolgen daarvan voor haar rechten. De brief preciseerde met name:

"Aangezien de duur van uw huwelijk minder bedraagt dan vijf jaar, deel ik u tot mijn spijt mee, dat u geen recht heeft op een weduwenpensioen. Dat impliceert tevens, dat u vanaf 1 april 1992 niet meer gedekt bent door de ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen."

6 Op 9 maart 1992 diende verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het in die brief vervatte besluit. Zij ontving geen antwoord op haar klacht.

De procedure

7 Daarop heeft verzoekster krachtens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek om kosteloze rechtsbijstand, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 15 september 1992, ingediend en het onderhavige beroep ingesteld, dat op 5 oktober 1992 ter griffie is ingeschreven.

8 Bij beschikking van 24 november 1992 heeft het Gerecht (Vierde kamer) het verzoek om kosteloze rechtsbijstand ingewilligd.

9 De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan, doch partijen ter terechtzitting te verzoeken, hun standpunt over de in casu toepasselijke statutaire bepalingen uiteen te zetten.

10 De terechtzitting heeft op 23 maart 1993 plaatsgevonden. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

Conclusies van partijen

11 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

° het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

° bijgevolg nietig te verklaren het bij brief van 16 december 1991 aan verzoekster ter kennis gebrachte besluit van de Commissie, waarbij haar een weduwenpensioen wordt geweigerd, met als bijkomend gevolg de intrekking van de dekking van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering per 1 april 1992;

° verweerster in alle kosten te verwijzen.

Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:

° het beroep ongegrond te verklaren;

° kosten rechtens.

Ten gronde

12 Tot staving van haar conclusies draagt verzoekster twee middelen voor, het ene ontleend aan schending van statutaire bepalingen en het andere aan schending van de zorgplicht.

Het eerste middel, ontleend aan schending van statutaire bepalingen

Argumenten van partijen

13 Verzoekster beklemtoont allereerst, dat haar man heeft moeten bijdragen aan de pensioenregeling en dat krachtens artikel 4, lid 7, van verordening nr. 3518/85 nieuwe pensioenrechten kunnen worden verworven, waardoor ambtenaren ertoe worden aangespoord te verzoeken om een maatregel tot beëindiging van de dienst (zie arresten Gerecht van 22 november 1990, zaak T-4/90, Lestelle, Jurispr. 1990, blz. II-689, r.o. 38-40 en 43, en 27 november 1991, zaak T-21/90, Generlich, Jurispr. 1991, blz. II-1323, r.o. 37 en 40). De gemeenschapswetgever heeft dus de ambtenaren ten aanzien van wie een maatregel tot beëindiging van de dienst is genomen, de aan de pensioenregeling verbonden voordelen niet willen ontzeggen.

14 Wat de toepasselijke bepalingen betreft, heeft verzoekster in haar verzoekschrift betoogd, dat de artikelen 17 bis en 20 van bijlage VIII van het Statuut op haar geval van toepassing zijn. Dit artikel 17 bis bepaalt:

"De weduwe van een gewezen ambtenaar die van zijn ambt is ontheven of zijn dienst heeft beëindigd op grond van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68, (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2530/72 of (EGKS, EEG, Euratom) nr. 1543/73 en die overleden is terwijl hij een maandelijkse vergoeding ontving uit hoofde (...) van een van voornoemde verordeningen, heeft, indien zij ten minste één jaar met hem gehuwd was op het tijdstip waarop hij de dienst bij een instelling heeft beëindigd (...), recht op een weduwenpensioen ten bedrage van 60 % van het ouderdomspensioen dat haar echtgenoot zou hebben ontvangen (...)"

Artikel 20 van bijlage VIII van het Statuut bepaalt:

"De in de artikelen 17 bis, 18, 18 bis en 19 genoemde voorwaarde betreffende het tijdstip van het huwelijk geldt niet indien dit huwelijk ten minste vijf jaar heeft geduurd, zelfs niet wanneer het is aangegaan na beëindiging van de dienst."

15 Verzoekster geeft toe, dat niet is voldaan aan de in artikel 17 bis van bijlage VIII van het Statuut gestelde voorwaarde, dat het huwelijk ten minste één jaar moet hebben bestaan op het tijdstip waarop de ambtenaar zijn dienst heeft beëindigd, noch aan de in artikel 20 van deze bijlage gestelde voorwaarde, dat dat huwelijk tenminste vijf jaar heeft geduurd op het tijdstip van overlijden, indien wordt vastgehouden aan de juridische betekenis van het woord "gehuwd", doch betoogt, dat door haar duurzaam samenleven met Dumay sinds ten minste 1982 een feitelijke situatie is ontstaan waardoor aan de ene of aan de andere voorwaarde is voldaan. Zij betoogt, dat zij veel eerder met Dumay zou zijn getrouwd, indien diens eerste echtgenote zich niet hevig tegen de echtscheiding had verzet.

16 Tot staving van haar argument inzake de inaanmerkingneming van deze feitelijke situatie citeert verzoekster verschillende bepalingen van Belgisch recht, die bepaalde rechtsgevolgen verbinden aan het ongehuwd samenleven. Deze bepalingen betreffen met name de afstamming van kinderen, de sociale zekerheid, de definitie van het begrip gezinshoofd, het recht op aan een overleden rechthebbende niet betaald pensioen, de berekening van alimentatie voor een kind en het ontstaan van een natuurlijke onderhoudsplicht tussen concubanten.

17 Volgens verzoekster geldt in het Belgische recht de regel, dat het huwelijk ten minste een jaar vóór het overlijden moet hebben geduurd, opdat de overlevende echtgenoot van een werknemer aanspraak kan maken op een overlevingspensioen. De in het statuut gestelde eis dat het huwelijk vijf jaar moet hebben geduurd, is dus discriminerend, in zoverre deze verzoekster het genot ontzegt van een pensioen waarop zij krachtens de Belgische regeling wel recht zou hebben gehad.

18 In haar verweerschrift heeft verweerster eraan herinnerd, dat de communautaire bepalingen die recht geven op financiële uitkeringen, volgens het arrest van het Gerecht van 8 maart 1990 (zaak T-41/89, Schwedler, Jurispr. 1990, blz. II-79, r.o. 23) strikt moeten worden uitgelegd.

19 Zij heeft er vervolgens op gewezen, dat verzoeksters positie uitdrukkelijk wordt geregeld in artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85, volgens hetwelk

"de overlevende echtgenoot van een gewezen ambtenaar die is overleden terwijl hij in het genot was van de in lid 1 bedoelde maandelijkse vergoeding, indien het huwelijk ten minste één jaar heeft geduurd op het tijdstip dat de betrokkene de dienst bij een instelling heeft beëindigd, recht [heeft] op een overlevingspensioen (...)",

en dat dit lid geen enkele afwijkende bepaling bevat die gelijkwaardig is aan die van artikel 20 van bijlage VIII bij het Statuut.

20 Verweerster neemt er akte van, dat verzoekster niet betwist, dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling, noch aan die van de artikelen 17 bis en 20 van bijlage VIII bij het Statuut, ook al worden deze laatste artikelen geacht in casu via een ruime uitlegging toepassing te kunnen vinden, hoewel zij geen betrekking hebben op verordening nr. 3518/85.

21 Zij ontkent voorts de relevantie van verzoeksters overwegingen omtrent haar feitelijke situatie. De relevante bepalingen verwijzen naar het begrip echtgenoot en zijn dus volstrekt duidelijk en het concubinaat kan onmogelijk via uitlegging worden gelijkgesteld met het huwelijk. Verweerster verwijst met name naar het arrest van het Hof van 17 april 1986 (zaak 59/85, Reed, Jurispr. 1986, blz. 1283, r.o. 15), alsmede naar het arrest van het Gerecht van 18 december 1992 (zaak T-43/90, Díaz García, Jurispr. 1992, blz. II-2619, r.o. 43).

22 Verweerster ontkent ook de relevantie van verzoeksters betoog, dat het Belgische recht rechtsgevolgen toekent aan het ongehuwd samenleven, met name omdat de regels van het Statuut haars inziens uniform moeten worden toegepast op al degenen die zich erop beroepen, ongeacht hun nationaliteit of de band die zij voor het overige met een nationale pensioenregeling hebben. Bovendien betwist verweerster de relevantie van de door verzoekster aangehaalde voorbeelden in het Belgische recht; zij wijst erop, dat laatstgenoemde geen enkele rechterlijke uitspraak heeft aangehaald waardoor de door haar voorgestane uitlegging kan worden gestaafd.

23 Ten slotte merkt zij op, dat de arresten Lestelle en Generlich (reeds aangehaald) betrekking hebben op totaal andere problemen. Dat de wetgever gewezen ambtenaren ten aanzien van wie een maatregel tot beëindiging van hun dienst is genomen, niet hun statutaire voordelen heeft willen ontzeggen, betekent niet dat de overlevende echtgenoot van een dergelijke ambtenaar voor een pensioen in aanmerking komt onder preferentiële voorwaarden, alsof de overledene in dienst was gebleven tot zijn overlijden, waardoor de weduwe recht zou hebben op een weduwenpensioen overeenkomstig artikel 17 van bijlage VIII bij het Statuut, volgens hetwelk een huwelijk minimaal een jaar moet hebben geduurd op het tijdstip van het overlijden.

24 Ter terechtzitting heeft verzoekster gepreciseerd, dat haar beroep is gebaseerd op verordening nr. 3518/85, behoudens in zoverre deze de betrokkenen het genot ontzegt van een bepaling waarop zij zich hadden kunnen beroepen in het kader van andere verordeningen die identieke situaties beheersen, in casu artikel 20 van bijlage VIII bij het Statuut. Tegen de bezwaren die resulteren uit de duidelijke bewoordingen van het Statuut en van verordening nr. 3815/85, heeft zij zich beroepen op het beginsel van gelijke behandeling. Verzoekster heeft beklemtoond, dat het volgens artikel 17 van bijlage VIII bij het Statuut in het geval van de overlevende echtgenoot van een ambtenaar die overlijdt terwijl hij in dienst is, voldoende is, dat het huwelijk een jaar heeft geduurd op het tijdstip van het overlijden om recht te hebben op het pensioen, en betoogt, dat de verschillende regel die van toepassing is op de overlevende echtgenoot van een overleden ambtenaar ten aanzien van wie een maatregel was genomen tot beëindiging van de dienst, een ongelijke behandeling meebrengt.

25 Na te hebben verklaard, dat de in artikel 20 van bijlage VIII bij het Statuut voorziene afwijking haars inziens alleen de situaties betreft die worden beheerst door de in artikel 17 bis van deze bijlage vermelde verordeningen, heeft de Commissie ter terechtzitting voorts opgemerkt, dat de administratie in een streven naar billijkheid de praktijk volgt om de bepalingen van artikel 20 van bijlage VIII bij het Statuut naar analogie toe te passen op gevallen als dat van verzoekster.

Beoordeling door het Gerecht

26 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de vraag rijst of het onderhavige geval uitsluitend wordt beheerst door artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85, of dat de artikelen 17 bis en 20 van bijlage VIII bij het Statuut kunnen worden geacht naar analogie eveneens van toepassing te zijn. Niettemin acht het Gerecht het ter beslechting van het onderhavige geschil niet noodzakelijk deze vraag definitief te beantwoorden, aangezien, zoals hierna zal blijken, het resultaat, ongeacht het gegeven antwoord, in casu hetzelfde is.

27 Ingevolge artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85 heeft een "overlevende echtgenoot" recht op een overlevingspensioen, indien het "huwelijk" ten minste één jaar heeft geduurd op het tijdstip dat de betrokkene de dienst bij een instelling heeft beëindigd. Deze zelfde voorwaarde wordt in artikel 17 bis van bijlage VIII bij het Statuut gesteld met de termen "weduwe" en "gehuwd", behoudens de in artikel 20 van deze bijlage voorziene afwijking, volgens welke deze voorwaarde betreffende het tijdstip van het huwelijk niet geldt indien het "huwelijk" ten minste vijf jaar heeft geduurd, zelfs niet wanneer het is aangegaan nadat de ambtenaar zijn dienst had beëindigd.

28 Zowel in hun juridische als in hun gewone betekenis verwijzen de termen "echtgenoot" en "weduwe" en "echtgenote" naar personen die formeel een door de wet erkend burgerlijk "huwelijk" hebben gesloten met alle rechten en plichten die daaruit voortvloeien. Vaststaat dat tussen verzoekster en Dumay pas een burgerlijk huwelijk is gesloten op 27 juli 1989, dat wil zeggen nadat Dumay zijn dienst op 1 oktober 1986 had beëindigd en minder dan vijf jaar voor zijn overlijden, op 1 december 1991. Op het tijdstip dat volgens artikel 17 van bijlage VIII bij het Statuut en volgens artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85 voor de vaststelling van de rechten op een overlevingspensioen relevant was, dat wil zeggen op het tijdstip waarop hij zijn dienst bij de instelling beëindigde, alsook gedurende een deel van de periode van vijf jaar, bedoeld in het kader van de in artikel 20 van bijlage VIII bij het Statuut voorziene afwijking, had Dumay een echtgenote in bovenvermelde zin en deze was iemand anders dan verzoekster.

29 Bijgevolg is in casu niet voldaan aan de in artikel 4, lid 8, van verordening nr. 3518/85 gestelde voorwaarde, noch aan de voorwaarden bedoeld in de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 17 bis en 20 van bijlage VIII bij het Statuut, gesteld al dat deze van toepassing zijn.

30 Het Gerecht is zich weliswaar bewust van de sociale context waarin dit beroep is ingesteld, maar acht zich niet bevoegd om de juridische uitlegging van de in het Statuut gebruikte nauwkeurige termen in dier voege te verruimen, dat de situatie van ongehuwd samenleven of concubinaat onder het begrip "huwelijk", of de situatie van een "concubant(e)" onder het begrip "echtgenoot" of "gehuwd" valt. Deze conclusie, die conform is aan het standpunt dat het Hof in het arrest Reed (reeds aangehaald) heeft ingenomen in het kader van de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), houdt er tevens rekening mee, dat talrijke statutaire bepalingen verwijzen naar de begrippen echtgenoot of huwelijk en dat iedere verruiming van deze begrippen wijziging zou brengen in de rechtsgrondslagen van de betrokken bepalingen, met de aanzienlijke juridische en financiële consequenties die daaruit zowel voor de Gemeenschappen als voor derden zouden voortvloeien. Een dermate omvangrijke wijziging zou alleen kunnen worden doorgevoerd door de gemeenschapswetgever, indien bij zulks noodzakelijk acht.

31 Voor zover verzoekster betoogt, dat een aantal voorbeelden van de sociale ontwikkeling in haar nationale recht in de beredenering moeten worden betrokken teneinde de definitie van het begrip huwelijk in de zin van het Statuut te verruimen, acht het Gerecht het in casu niet passend, voor de uitlegging van de betrokken gemeenschapsbepalingen te verwijzen naar de geciteerde bepalingen van nationaal recht.

32 Aangaande het argument dat verzoekster ontleent aan het feit dat Dumay na de beëindiging van zijn dienst is blijven bijdragen aan de pensioenregeling, herinnert het Gerecht eraan, dat het hier gaat om een in artikel 4, lid 7, van verordening nr. 3518/85 opgelegde verplichting, die tot doel heeft de betrokkene in staat te stellen nieuwe rechten op ouderdomspensioen te verwerven. De betaling van deze bijdrage beïnvloedt weliswaar het bedrag van het verschuldigde overlevingspensioen, maar is volkomen irrelevant voor de vraag, of een dergelijk pensioen op grond van het Statuut al dan niet verschuldigd is.

33 Voor zover verzoekster zich ten slotte beroept op het beginsel van gelijke behandeling, zij eraan herinnerd, dat het er in casu om gaat, het recht op een overlevingspensioen vast te stellen van de overlevende echtgenoot van een voormalig ambtenaar, die is overleden nadat jegens hem een maatregel tot beëindiging van de dienst was genomen en nadat hij de uitkeringen en voordelen had ontvangen zoals die waren voorzien in een verordening tot regeling van deze situatie, waarin de betrokkene niet meer verplicht was te werken. Deze situatie verschilt fundamenteel van die van de overlevende echtgenoot van een ambtenaar die tot zijn overlijden is blijven werken.

34 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel ongegrond is en dus moet worden verworpen.

Het tweede middel, ontleend aan schending van de zorgplicht

Argumenten van partijen

35 Verzoekster betoogt, dat de Commissie de regels bijzonder streng heeft toepast, zonder in aanmerking te nemen dat Dumay is blijven bijdragen aan de pensioenregeling en dat zij behoeftig is. Het zou zonder meer mogelijk zijn geweest, de relevante bepalingen ruim uit te leggen door de mildere regel van nationaal recht te volgen. Door na te laten zulks te doen, heeft de Commissie haar zorgplicht jegens de rechthebbenden van voormalige ambtenaren geschonden.

36 Verweerster herinnert eraan, dat de zorgplicht het evenwicht weerspiegelt van de wederzijdse rechten en verplichtingen tussen het openbaar gezag en de personeelsleden van de openbare dienst (arrest Gerecht van 10 juli 1992, gevoegde zaken T-59/91 en T-79/91, Eppe, Jurispr. 1992, blz. II-2061, r.o. 66) en steeds haar grenzen moet vinden in de eerbiediging van de geldende regels (arrest Gerecht van 27 maart 1990, zaak T-123/89, Chomel, Jurispr. 1990, blz. II-131, r.o. 32).

Beoordeling van het Gerecht

37 Zoals reeds werd vastgesteld (zie hiervoor r.o. 28 en 30), is de betekenis van de in casu relevante bepalingen duidelijk, en verzoekster kan niet met een beroep op de zorgplicht van de instelling aanspraak maken op een ander resultaat dan door de toepassing van die bepalingen wordt opgelegd, aangezien de bevoegdheden van de instelling door deze bepalingen gebonden zijn.

38 Het Gerecht merkt evenwel op, dat verweerster ter terechtzitting de aandacht heeft gevestigd op de volledig verschillende bepalingen van artikel 76 van het Statuut, volgens welke aan onder meer de rechtverkrijgenden van een overleden ambtenaar wegens hun familieomstandigheden een schenking, een lening of een voorschot kan worden toegekend.

39 Uit het voorafgaande volgt, dat het beroep volledig moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

40 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dit Reglement blijven evenwel in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

rechtdoende:

1) Verwerpt het beroep.

2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.

Top