Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61991CJ0304

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 mei 1993.
H.J.J. van Doesselaar tegen Minister van Verkeer en Waterstaat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: College van Beroep voor het Bedrijfsleven - Nederland.
Goederenvervoer over de weg - Vakbekwaamheid.
Zaak C-304/91.

European Court Reports 1993 I-02303

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1993:179

61991J0304

ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 11 MEI 1993. - H.J.J. VAN DOESSELAAR TEGEN MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - GOEDERENVERVOER OVER DE WEG - VAKBEKWAAMHEID. - ZAAK C-304/91.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-02303


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Vervoer ° Gemeenschappelijke politiek ° Ondernemer van goederenvervoer over de weg ° Uitoefening van beroep ° Machtiging vóór 1 januari 1978 ° Voorwaarde van vakbekwaamheid ° Bewijs ° Vrijstelling ° Overgangsbepaling ° Draagwijdte

(Richtlijn 74/561 van de Raad, art. 5)

Samenvatting


Een natuurlijk persoon die vóór 1 januari 1978 daadwerkelijk en permanent leiding heeft gegeven aan de vervoerswerkzaamheden van een onderneming en die hiertoe is gemachtigd krachtens een nationale regeling, heeft aanspraak op toepassing van de bepalingen van artikel 5 van richtlijn 74/561 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, die onder meer erin voorzien, dat degene die vóór 31 december 1974 is aangewezen om de vervoerswerkzaamheden van een onderneming daadwerkelijk en permanent te leiden, definitief is vrijgesteld van de verplichting zijn vakbekwaamheid aan te tonen.

Partijen


In zaak C-304/91,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen

H. J. J. van Doesselaar

en

Minister van Verkeer en Waterstaat,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, lid 1, van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (PB 1974, L 308, blz. 18),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en T. van Rijn, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan, adjunct-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, ter terechtzitting van 17 december 1992,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 1993,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 8 november 1991, ingekomen ter griffie van het Hof op 28 november daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (PB 1974, L 308, blz. 18).

2 Deze vraag is gerezen in het geding tussen H. J. J. van Doesselaar, verzoeker in het hoofdgeding (hierna: "verzoeker"), en de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: "de minister") betreffende de afwijzing door de minister van verzoekers aanvraag om ontheffing van de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 56 van de Wet Autovervoer Goederen (hierna: "WAG").

3 Uit het dossier blijkt, dat verzoeker in 1960 met E. F. van Esbroek een vennootschap onder firma is aangegaan met het doel gemeenschappelijk een wegtransportonderneming te exploiteren. De onderneming kreeg een vergunning voor het verrichten van beroepsgoederenvervoer, aangezien Van Esbroek beschikte over de bewijsstukken van vakbekwaamheid, die door de destijds geldende Nederlandse regeling werden vereist. Gedurende een beginperiode van maximaal twee jaar verrichtte Van Esbroek enkele administratieve taken, maar in de periode van 1962 tot 1987 werden de vervoerswerkzaamheden van de door de vennootschap geëxploiteerde onderneming daadwerkelijk door verzoeker alleen geleid.

4 Op 23 april 1987 is Van Esbroek overleden, zodat de vennootschap onder firma is geëindigd. Bij brief van 1 augustus 1987 diende verzoeker, die de exploitatie van de transportonderneming als eenmanszaak wilde voortzetten, bij de minister een aanvraag in om ontheffing van de in de WAG gestelde eis van vakbekwaamheid. Vaststaat, dat verzoeker niet in het bezit is en nooit in het bezit is geweest van enig document waaruit zijn vakbekwaamheid blijkt.

5 Bij beschikking van 24 december 1987 wees de minister de aanvraag af met als motivering, dat verzoeker vanaf 1960 het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg niet zelfstandig kon uitoefenen, omdat hij niet voldeed aan de eis van vakbekwaamheid. Bovendien kon de door verzoeker verlangde ontheffing volgens de minister niet op artikel 5 van richtlijn 74/561/EEG worden gebaseerd.

6 Tegen deze beschikking heeft verzoeker beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Van oordeel dat het geschil betrekking had op een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft deze rechterlijke instantie besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan over de volgende prejudiciële vraag:

"Dient het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, van richtlijn 74/561/EEG, bezien in samenhang met het bepaalde bij het tweede lid van dat artikel, aldus te worden uitgelegd dat de natuurlijke persoon, die in een onderneming, welke bij een juiste uitvoering van die richtlijn onder de overgangsregeling zou zijn gevallen, permanent en daadwerkelijk leiding heeft gegeven aan de vervoerswerkzaamheden, bij voortzetting van die onderneming na beëindiging van de vennootschap onder firma, die de onderneming dreef, in een eenmanszaak, aanspraak heeft op toepassing van de bepalingen van dat artikel, zelfs indien daaraan door de nationale wetgever geen uitvoering is gegeven?"

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8 Allereerst moet worden onderzocht hoe de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg in richtlijn 74/561/EEG is geregeld. Ter zake bepaalt artikel 3 van de richtlijn onder meer, dat natuurlijke personen of ondernemingen die het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg wensen uit te oefenen, inzonderheid moeten voldoen aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, voldoende financiële draagkracht en vakbekwaamheid. In de tweede alinea van het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat, indien de aanvrager een natuurlijk persoon is die niet voldoet aan de voorwaarde van vakbekwaamheid, de bevoegde autoriteiten hem niettemin toestemming kunnen verlenen tot het uitoefenen van het beroep van vervoerondernemer, mits hij aan deze autoriteiten een andere persoon aanwijst die voldoet aan de voorwaarden van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid en die de vervoerswerkzaamheden van het bedrijf permanent en daadwerkelijk leidt. In de derde alinea van hetzelfde lid wordt bepaald dat, indien de aanvrager een onderneming is, aan de voorwaarden van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid moet worden voldaan door een van de natuurlijke personen die de vervoerswerkzaamheden van de onderneming permanent en daadwerkelijk leiden.

9 Uit de bewoordingen en de structuur van deze bepalingen volgt, dat artikel 3 van de richtlijn beoogt te verzekeren, dat degene die de vervoerswerkzaamheden daadwerkelijk en permanent leidt, aan de voorwaarde van vakbekwaamheid voldoet.

10 Vanuit dit gezichtspunt moet artikel 5 van de richtlijn worden onderzocht. Zoals het Hof reeds in zijn arrest van 22 maart 1979 (zaak 146/78, Wattenberg, Jurispr. 1979, blz. 1041) heeft verklaard, vormt dit artikel een overgangsbepaling ten gunste van personen die aantonen dat zij vóór 1 januari 1978 in een Lid-Staat krachtens een nationale regeling zijn gemachtigd het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uit te oefenen.

11 Artikel 5 bestaat uit twee leden. Het eerste lid bepaalt met name, dat een natuurlijk persoon die aantoont dat hij vóór 1 januari 1978 in een Lid-Staat krachtens een nationale regeling is gemachtigd het beroep van ondernemer van nationaal en/of internationaal goederenvervoer over de weg uit te oefenen, is vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat hij aan het bepaalde in artikel 3 voldoet.

12 Artikel 5, lid 2, vormt een afwijking van de regel in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot "natuurlijke personen die na 31 december 1974 en vóór 1 januari 1978 hetzij zijn gemachtigd het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uit te oefenen, zonder dat zij krachtens een nationale regeling hebben bewezen dat zij vakbekwaam zijn, hetzij zijn aangewezen om de vervoerswerkzaamheden van de onderneming daadwerkelijk en permanent te leiden". Artikel 5, lid 2, bepaalt dat deze beide categorieën van personen vóór 1 januari 1980 aan de voorwaarde van vakbekwaamheid moeten voldoen.

13 Bijgevolg moet artikel 5, lid 1, aldus worden uitgelegd, dat eenieder die op een datum vóór 31 december 1974 is aangewezen om de vervoerswerkzaamheden van een onderneming daadwerkelijk en permanent te leiden, definitief is vrijgesteld van de verplichting zijn vakbekwaamheid aan te tonen.

14 Deze uitlegging is in overeenstemming met de strekking van de richtlijn. Immers, aangezien artikel 3 ten doel heeft, te verzekeren dat de persoon of de personen die de vervoerswerkzaamheden van een onderneming daadwerkelijk en permanent leiden, aan de voorwaarde van vakbekwaamheid voldoen, moet de zinsnede "natuurlijke personen (...) die aantonen dat zij, vóór 1 januari 1978, in een Lid-Staat krachtens een nationale regeling zijn gemachtigd het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uit te oefenen" in artikel 5, lid 1, aldus worden uitgelegd, dat zij doelt op personen die vóór deze datum krachtens een nationale regeling zijn gemachtigd de vervoerswerkzaamheden van een onderneming daadwerkelijk en permanent te leiden.

15 De nationale rechter dient eerst vast te stellen, of de betrokkene vóór 1 januari 1978 de vervoerswerkzaamheden van een onderneming daadwerkelijk en permanent heeft geleid, en vervolgens, in voorkomend geval, of dit geschiedde krachtens een nationale regeling. De reden waarom de machtiging krachtens het nationale recht was verleend, is in dit verband niet van belang.

16 Zoals uit het reeds aangehaalde arrest Wattenberg blijkt, worden de in artikel 5, lid 1, bedoelde personen vermoed te voldoen aan de voorwaarde van vakbekwaamheid en zijn zij vrijgesteld van de verplichting zulks aan te tonen. Na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van de richtlijn in nationaal recht kunnen zij zich dus persoonlijk op de bepalingen van artikel 5, lid 1, beroepen.

17 Op de vraag van de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord, dat een natuurlijk persoon die vóór 1 januari 1978 daadwerkelijk en permanent leiding heeft gegeven aan de vervoerswerkzaamheden van een onderneming en die hiertoe is gemachtigd krachtens een nationale regeling, aanspraak heeft op toepassing van de bepalingen van artikel 5 van richtlijn 74/561/EEG.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

18 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij beschikking van 8 november 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Een natuurlijk persoon die vóór 1 januari 1978 daadwerkelijk en permanent leiding heeft gegeven aan de vervoerswerkzaamheden van een onderneming en die hiertoe is gemachtigd krachtens een nationale regeling, heeft aanspraak op toepassing van de bepalingen van artikel 5 van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg.

Top