Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61991CJ0275

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 3 februari 1993.
Alfredo Iacobelli tegen Institut national d'assurance maladie-invalidité en Union nationale des fédérations mutualistes neutres.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal du travail de Bruxelles - België.
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72 van de Raad - Invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen.
Zaak C-275/91.

European Court Reports 1993 I-00523

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1993:46

61991J0275

ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 3 FEBRUARI 1993. - ALFREDO IACOBELLI TEGEN INSTITUT NATIONAL D'ASSURANCE MALADIE-INVALIDITE EN UNION NATIONALE DES FEDERATIONS MUTUALISTES NEUTRES. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DU TRAVAIL DE BRUXELLES - BELGIE. - SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - VERORDENINGEN (EEG) NR. 1408/71 EN (EEG) NR. 574/72 VAN DE RAAD - INVALIDITEITS- EN OUDERDOMSUITKERINGEN. - ZAAK C-275/91.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-00523


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Toekenningsvoorwaarden voor uitkeringen ° Vraag van nationaal recht ° Berekening van uitkeringen ° Vaststelling met inachtneming van wettelijke regelingen waaraan werknemer onderworpen is geweest ° Wettelijke regeling van Lid-Staat, die rechthebbende dwingt tussen twee uitkeringen te kiezen ° Inaanmerkingneming, door orgaan van Lid-Staat die tot vaststelling overgaat, van door rechthebbende gekozen uitkering

(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 44, lid 2, en 46, en nr. 574/72, art. 36, lid 4)

2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Artikel 40 van verordening nr. 1408/71 ° Vaststelling met inachtneming van wettelijke regelingen waaraan werknemer onderworpen is geweest ° Toekenning, door Lid-Staat, van ouderdomspensioen in plaats van invaliditeitspensioen overeenkomstig keuze van werknemer ° Toelaatbaarheid

(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 40, lid 1, en 46, lid 1, tweede alinea, en nr. 574/72, art. 36, lid 4)

Samenvatting


1. De procedureregels van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1408/71 en artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 brengen geen enkele wijziging in de voorwaarden die de Lid-Staten voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen stellen. Het is de zaak van de wettelijke regeling van elke Lid-Staat, te bepalen of de betrokkene kan afzien van een invaliditeitspensioen teneinde nadien een voor hem gunstiger ouderdomspensioen te verkrijgen.

Hieruit volgt, dat wanneer een nationale wetgeving een aanvrager verplicht te kiezen tussen twee uitkeringen, ingevolge de eerste zin van artikel 44, lid 2, van de verordening voor de volgens artikel 46 ervan te verrichten berekeningen eenvoudig die uitkering in aanmerking moet worden genomen welke de aanvrager kiest.

2. Artikel 46, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 en artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 verzetten zich er niet tegen, dat het orgaan van een Lid-Staat waaraan het orgaan van een andere Lid-Staat een op artikel 40 van verordening nr. 1408/71 gebaseerde aanvraag om invaliditeitspensioen heeft doorgezonden, aan een werknemer een ouderdomspensioen toekent in plaats van het invaliditeitspensioen waarvan de betrokkene afstand heeft gedaan teneinde het voor hem gunstiger ouderdomspensioen te verkrijgen.

Partijen


In zaak C-275/91,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen

A. Iacobelli

en

Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV),

Union nationale des fédérations mutualistes neutres,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 46, lid 1, tweede alinea, in fine, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, in hun bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 gecodificeerde versie (PB 1983, L 230, blz. 6),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,

advocaat-generaal: F. G. Jacobs

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° A. Iacobelli, verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde,

° het RIZIV, verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door J.-J. Masquelin, advocaat te Brussel,

° de regering van de Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur, en I. Chalkias, procesgemachtigde bij de Griekse Raad van State, als gemachtigden,

° de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van verweerder, van de Griekse regering en van de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, lid van haar juridische dienst, ter terechtzitting van 2 juli 1992,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 september 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij vonnis van 15 oktober 1991, ingekomen bij het Hof op 23 oktober daaropvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 46, lid 1, tweede alinea, in fine, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, in hun bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 gecodificeerde versie (PB 1983, L 230, blz. 6).

2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Iacobelli, Italiaans onderdaan, enerzijds, en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV") en de Union nationale des fédérations mutualistes neutres, anderzijds.

3 Uit de stukken blijkt, dat Iacobelli van 1936 tot 1964 in Italië en sedert 13 augustus 1964 in België heeft gewerkt. Na een arbeidsongeval op 9 december 1977 diende hij een aanvraag om invaliditeitspensioen in bij het RIZIV, dat het verzoek overeenkomstig artikel 36 van verordening nr. 574/72 in behandeling nam. Op 9 december 1978 invalide geworden, kreeg Iacobelli vanaf 1 augustus 1980 een invaliditeitsuitkering op grond van uitsluitend de Belgische wet.

4 Overeenkomstig artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 richtte het RIZIV zich op 20 maart 1979 tot het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: "INPS") voor de vaststelling van het invaliditeitspensioen volgens de Italiaanse wettelijke regeling. Het INPS liet het RIZIV op 26 mei 1981 weten, dat Iacobelli krachtens artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 met ingang van 1 januari 1979 recht had op een prorata berekend Italiaans invaliditeitspensioen. Op 24 februari 1982 deelde het INPS aan het RIZIV zijn besluit mee, Iacobelli in plaats van het eerder toegekende, maar nog niet uitgekeerde invaliditeitspensioen een ouderdomspensioen uit te keren met ingang van 1 december 1980, de datum waarop belanghebbende de in Italië voor mannen geldende wettelijke pensioenleeftijd van 60 jaar had bereikt.

5 In een latere brief aan het RIZIV preciseerde het INPS, dat door Italië geen enkele invaliditeitsuitkering zou worden betaald, daar belanghebbende hiervan bij een verklaring van 6 december 1982 uitdrukkelijk afstand had gedaan. Blijkens het dossier was de reden van deze afstand, dat de Italiaanse wettelijke regeling toentertijd niet voorzag in de mogelijkheid een invaliditeitspensioen om te zetten in een ouderdomspensioen, dat in casu hoger was dan het invaliditeitspensioen waarop Iacobelli recht zou hebben gehad.

6 Onder die omstandigheden trok het RIZIV de uitkering aan Iacobelli met ingang van oktober 1983 in. Op 3 augustus 1985 stelde deze tegen dit besluit beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd:

"Staan artikel 46, lid 1, tweede alinea, in fine, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waaraan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat een op artikel 40 van verordening (EEG) nr. 1408/71 gebaseerde aanvraag om invaliditeitspensioen heeft doorgezonden, aan een migrerend werknemer een ouderdomspensioen in plaats van een invaliditeitspensioen toekent, wanneer blijkt, dat het ouderdomspensioen waarop hij krachtens het enkele nationale recht aanspraak heeft, voordeliger is dan het op basis van samentelling en proratisering berekende invaliditeitspensioen, met andere woorden, staan deze artikelen in de weg aan de uitlegging die door verweerder is gegeven aan artikel 241, lid 1, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, en aan het nieuwe artikel 76 quater, lid 2, eerste alinea, van de wet van 9 augustus 1963?"

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8 De prejudiciële vraag van de nationale rechter komt er in wezen op neer, of, enerzijds, artikel 46, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 en artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 eraan in de weg staan, dat het orgaan van een Lid-Staat waarbij het orgaan van een andere Lid-Staat een op artikel 40 van verordening nr. 1408/71 gebaseerde aanvraag om invaliditeitspensioen heeft doorgezonden, een werknemer een ouderdomspensioen toekent in plaats van het invaliditeitspensioen waarvan de belanghebbende afstand heeft gedaan om het voor hem voordeliger ouderdomspensioen te verkrijgen, en anderzijds, of, bij een bevestigend antwoord, het verlies van het genot van invaliditeitsuitkeringen ten laste van het orgaan van bedoelde andere Lid-Staat op grond van het interne recht van deze staat, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

9 Het RIZIV meent, dat uit artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1408/71 ° krachtens artikel 40, lid 1, van deze verordening van toepassing op invaliditeitsuitkeringen °, alsook uit artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72 volgt, dat ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, moet worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de belanghebbende een daartoe strekkend verzoek is gedaan, en dat deze regel slechts uitzondering lijdt voor ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten zijn verkregen. Waar het in casu om een invaliditeitspensioen gaat, is dus geen enkele afstand hiervan mogelijk.

10 Opgemerkt zij, dat ingevolge het in het hoofdstuk betreffende invaliditeit opgenomen artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de bepalingen van hoofstuk 3, betreffende ouderdom en overlijden, van overeenkomstige toepassing zijn wanneer de werknemer of zelfstandige achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, waarvan er tenminste één het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen niet doet afhangen van de duur van de verzekeringstijdvakken. Dit nu is bij Iacobelli het geval.

11 Het aldus op invaliditeit overeenkomstig toepasselijke artikel 44, lid 2, van deze verordening luidt:

"Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 49 moet ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan. Van deze regel wordt slechts afgeweken, indien de betrokkene uitdrukkelijk verzoekt de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen, welke op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, uit te stellen."

12 Anderzijds bepaalt artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72, onder het hoofdstuk betreffende invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen):

"Een aanvraag om uitkeringen die aan het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht heeft automatisch tot gevolg dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, behalve wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de verordening wenst dat de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, wordt uitgesteld."

13 In het midden kan blijven, of de in artikel 44, lid 2, in fine, vervatte regel van toepassing is in het geval van invaliditeit. Bovengenoemde bepalingen zijn immers van procedurele aard en brengen geen enkele wijziging in de voorwaarden die de Lid-Staten voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen stellen. Het is de zaak van de wettelijke regeling van elke Lid-Staat, te bepalen of de betrokkene kan afzien van een invaliditeitspensioen teneinde nadien een voor hem gunstiger ouderdomspensioen te verkrijgen.

14 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt (punt 23 van zijn conclusie), wanneer een nationale wetgeving een aanvrager verplicht te kiezen tussen twee uitkeringen, ingevolge de eerste zin van artikel 44, lid 2, van de verordening voor de volgens artikel 46 ervan te verrichten berekeningen eenvoudig die uitkering in aanmerking moet worden genomen welke de aanvrager kiest.

15 Aan deze uitlegging valt te minder te ontkomen, nu de stelling van het RIZIV tot gevolg zou hebben, dat de belanghebbende een krachtens de enkele nationale wetgeving verkregen recht zou verliezen, hetgeen volgens 's Hofs rechtspraak zou indruisen tegen artikel 51 van het Verdrag (zie onder meer arrest van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r.o. 21).

16 Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 46, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 en artikel 36, lid 4, van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd, zich er niet tegen verzetten, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waaraan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat een op artikel 40 van verordening nr. 1408/71 gebaseerde aanvraag om invaliditeitspensioen heeft doorgezonden, aan een werknemer een ouderdomspensioen toekent in plaats van het invaliditeitspensioen waarvan de betrokkene afstand heeft gedaan teneinde het voor hem gunstiger ouderdomspensioen te verkrijgen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

17 De kosten door de Italiaanse en de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 15 oktober 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 46, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en artikel 36, lid 4, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, verzetten zich er niet tegen, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, waaraan het bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat een op artikel 40 van verordening nr. 1408/71 gebaseerde aanvraag om invaliditeitspensioen heeft doorgezonden, aan een werknemer een ouderdomspensioen toekent in plaats van het invaliditeitspensioen waarvan de betrokkene afstand heeft gedaan teneinde het voor hem gunstiger ouderdomspensioen te verkrijgen.

Top