EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61991CJ0158

Arrest van het Hof van 2 augustus 1993.
Ministère public en Direction du travail et de l'emploi tegen Jean-Claude Levy.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal de police de Metz - Frankrijk.
Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Wettelijk verbod van nachtarbeid voor vrouwen - Verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie, houdende verbod van nachtarbeid voor vrouwen.
Zaak C-158/91.

European Court Reports 1993 I-04287

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1993:332

61991J0158

ARREST VAN HET HOF VAN 2 AUGUSTUS 1993. - MINISTERE PUBLIC EN DIRECTION DU TRAVAIL ET DE L'EMPLOI TEGEN JEAN-CLAUDE LEVY. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE POLICE DE METZ - FRANKRIJK. - GELIJKE BEHANDELING VAN MANNEN EN VROUWEN - WETTELIJK VERBOD VAN NACHTARBEID VOOR VROUWEN - VERDRAG NR. 89 VAN DE INTERNATIONALE ARBEIDSORGANISATIE, HOUDENDE VERBOD VAN NACHTARBEID VOOR VROUWEN. - ZAAK C-158/91.

Jurisprudentie 1993 bladzijde I-04287
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00295
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00329


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden ° Gelijke behandeling ° Richtlijn 76/207 ° Artikel 5 ° Rechtstreekse werking ° Ontoelaatbaarheid van verbod van nachtarbeid van vrouwen wanneer nachtarbeid van mannen niet verboden is ° Taak van nationale rechter in geval van verplichtingen tegenover derde staten, die uit vóór EEG-Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien en onverenigbaar zijn met verplichtingen ex artikel 5 ° Toepassing van voorrangsregel van artikel 234 EEG-Verdrag

(EEG-Verdrag, art. 234, eerste alinea; richtlijn 76/207 van de Raad, art. 5)

Samenvatting


De nationale rechter is verplicht de volledige eerbiediging te verzekeren van artikel 5 van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, door elke daarmee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving buiten toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om te verzekeren dat de betrokken Lid-Staat voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag met derde landen gesloten overeenkomst.

Ofschoon de gelijke behandeling van mannen en vrouwen een in het gemeenschapsrecht erkend fundamenteel recht is, vindt de verwezenlijking ervan ook in de Gemeenschap slechts geleidelijk plaats, op basis van door de Raad vastgestelde richtlijnen. Deze richtlijnen laten tijdelijk bepaalde afwijkingen van het beginsel van gelijke behandeling toe. Onder deze omstandigheden volstaat een beroep op het beginsel van gelijke behandeling niet om voorbij te kunnen gaan aan de verplichtingen die te dier zake krachtens een eerdere internationale overeenkomst op een Lid-Staat rusten en waarvan de nakoming door artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag wordt gewaarborgd.

Het is echter niet het Hof in het kader van een prejudiciële procedure, doch de nationale rechter die dient na te gaan welke verplichtingen krachtens een eerdere internationale overeenkomst op de betrokken Lid-Staat rusten, en de grenzen ervan aan te geven, om te bepalen in hoeverre die verplichtingen in de weg staan aan de toepassing van artikel 5 van de richtlijn.

Partijen


In zaak C-158/91,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de police de Metz (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen

J.-C. Levy,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1 tot en met 5 van richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: J.-G. Giraud

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

° de Direction départementale du travail et de l' emploi, vertegenwoordigd door E. Klein, arbeidscontroleur,

° J.-C. Levy, vertegenwoordigd door F. Crehange, advocaat te Metz,

° de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, onderdirecteur juridische zaken bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en C. Chavance, hoofd bestuursattaché, als plaatsvervangend gemachtigde,

° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,

° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van J.-C. Levy, de Duitse regering en de Commissie ter terechtzitting van 14 september 1992,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij vonnis van 22 mei 1991, ingekomen bij het Hof op 18 juni daaraanvolgend, heeft het Tribunal de police de Metz (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 1 tot en met 5 van richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: "richtlijn").

2 Die vraag is gerezen in een strafzaak, door het openbaar ministerie en de Direction départementale du travail et de l' emploi aanhangig gemaakt tegen J.-C. Levy, directeur van de SA Nouvelle Falor, die ervan wordt verdacht, op 22 maart 1990 23 vrouwen nachtarbeid te hebben doen verrichten in strijd met artikel L 213-1 van de Code du travail (hierna: "Franse wet"), op overtreding waarvan boete is gesteld ingevolge met name artikel R 261-7 van die Code.

3 Deze bepalingen zijn vastgesteld ter uitvoering van Verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 9 juli 1948, betreffende de nachtarbeid van vrouwen in de nijverheid werkzaam (hierna: "IAO-Verdrag"), dat door Frankrijk is bekrachtigd bij wet nr. 53-603 van 7 juli 1953. De bekrachtiging is door de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ingeschreven op 21 september 1953.

4 Artikel 3 van het IAO-Verdrag, waarvan de essentiële punten zijn overgenomen in de Franse wet, bepaalt:

"Men zal vrouwen, onverschillig van welke leeftijd, gedurende de nacht geen arbeid mogen laten verrichten in enige nijverheidsonderneming, hetzij het betreft een overheidsonderneming of een onderneming van een bijzonder persoon, of in een toebehoor daarvan, met uitzondering alleen van ondernemingen, waarin uitsluitend door de leden van eenzelfde gezin wordt gewerkt."

5 Voor het Tribunal de police de Metz betoogde Levy, verdachte in het hoofdgeding, dat de Franse wet onverenigbaar is met artikel 5 van de richtlijn, dat bepaalt:

"De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te bereiken dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, worden ingetrokken."

6 Het Tribunal de police heeft daarop besloten het geding te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Moeten de artikelen 1 tot en met 5 van richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976, mede gelet op artikel 3 van het door Frankrijk ondertekende Verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende het verbod van nachtarbeid van vrouwen, aldus worden uitgelegd, dat een nationale wettelijke regeling waarbij nachtarbeid alleen voor vrouwen verboden is, discriminerend is?"

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop, de toepasselijke bepalingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8 Alvorens in te gaan op de beantwoording van de gestelde vraag, zij opgemerkt dat op het zowel in het IAO-Verdrag als in de Franse wetgeving gestelde verbod van nachtarbeid voor vrouwen verschillende afwijkingen gelden, waarop door Levy voor de verwijzende rechter een beroep is gedaan. Aangezien echter de vraag of die afwijkingen in Levy' s geval van toepassing zijn, niet ter zake doet voor de oplossing van het in de prejudiciële vraag gestelde probleem, zullen zij hier buiten beschouwing worden gelaten.

9 In zijn arrest van 25 juli 1991 (zaak C-345/89, Stoeckel, Jurispr. 1991, blz. I-4047) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 5 van de richtlijn voldoende nauwkeurig is om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen. Hieruit volgt, dat de nationale rechter in beginsel verplicht is zorg te dragen voor de volle werking van die regel door elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten (zie arrest van 9 maart 1978, zaak 106/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 629).

10 De in casu gestelde prejudiciële vraag komt in wezen hierop neer, of diezelfde verplichting voor de nationale rechter ook geldt, wanneer de met de gemeenschapsnorm strijdig blijkende nationale bepaling bestemd is uitvoering te geven aan een overeenkomst die, zoals het IAO-Verdrag, door de betrokken Lid-Staat vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met andere Lid-Staten en derde staten is gesloten (hierna: "eerdere internationale overeenkomst").

11 Artikel 234 EEG-Verdrag bepaalt in de eerste alinea, dat de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag zijn gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, door de bepalingen van het Verdrag niet worden aangetast. De tweede alinea verplicht de Lid-Staten echter, alle passende middelen aan te wenden om eventuele onverenigbaarheden tussen een dergelijke overeenkomst en het Verdrag op te heffen. Artikel 234 heeft een algemene strekking en geldt voor elke internationale overeenkomst, ongeacht haar voorwerp, die de toepassing van het Verdrag kan beïnvloeden (zie arrest van 14 oktober 1980, zaak 812/79, Burgoa, Jurispr. 1980, blz. 2787, r.o. 6).

12 Volgens het arrest van 27 februari 1962 (zaak 10/61, Commissie/Italië, Jurispr. 1962, blz. 1) beoogt artikel 234, eerste alinea, overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht vast te leggen, dat de toepassing van het Verdrag niet afdoet aan de verplichting van de betrokken Lid-Staat om de rechten van derde staten uit een vroegere overeenkomst te eerbiedigen en zijn desbetreffende verplichtingen na te komen. Hieruit volgt, dat de woorden "rechten en verplichtingen" in artikel 234 wat de "rechten" betreft, doelen op de rechten van derde landen en wat de "verplichtingen" aangaat, op de verplichtingen van de Lid-Staten.

13 Voor de vraag of een gemeenschapsnorm kan worden doorkruist door een eerdere internationale overeenkomst, moet derhalve worden nagegaan, of die overeenkomst de betrokken Lid-Staat verplichtingen oplegt waarvan de nakoming nog verlangd kan worden door de derde landen die partij bij die overeenkomst zijn.

14 De Commissie betoogt, dat waar het Hof in het arrest van 25 juli 1991 (Stoeckel, reeds aangehaald) heeft geoordeeld dat de beschermingsgedachte die aanvankelijk ten grondslag lag aan het principiële verbod van nachtarbeid door vrouwen, niet meer gefundeerd blijkt, de Lid-Staten ingevolge artikel 5, lid 2, sub c, van de richtlijn verplicht zijn, de nodige maatregelen te treffen om de met het beginsel van gelijke behandeling strijdige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te herzien. Wanneer de voor herziening in aanmerking komende wettelijke bepalingen voortvloeien uit eerdere internationale overeenkomsten zoals het IAO-Verdrag, zijn de door de Lid-Staten te treffen maatregelen van dezelfde aard als de "passende middelen" waarvan zij ingevolge artikel 234, tweede alinea, van het Verdrag gebruik moeten maken om geconstateerde onverenigbaarheden tussen die internationale overeenkomsten en het gemeenschapsrecht op te heffen, te weten uitbreiding van het verbod van nachtarbeid tot werknemers van het andere geslacht of opzegging van de eerdere internationale overeenkomst.

15 De Commissie merkt hierbij nog op, dat de verplichting ingevolge het IAO-Verdrag om vrouwen niet tijdens de nacht te laten werken, een Lid-Staat in ieder geval niet veroorlooft voorbij te gaan aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ° een fundamenteel recht van de mens °, dat behoort tot de algemene rechtsbeginselen waarvan de eerbiediging door het Hof wordt verzekerd (zie arrest van 17 december 1970, zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125). Zij wijst ook op de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (zie in het bijzonder arrest van 28 mei 1985, Abdulaziz, Cabales en Balkandali, serie A, nr. 94), volgens welke een verschillende behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen door objectieve en redelijke motieven moet zijn gerechtvaardigd en moet uitgaan van een redelijke evenredigheidsverhouding tussen de gebezigde middelen en het beoogde doel. Aangezien nachtarbeiders, mannen zowel als vrouwen, aan gelijkaardige risico' s blootstaan, kan een verschillende behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen slechts worden gerechtvaardigd door de noodzaak de biologische gesteldheid van de vrouw te beschermen.

16 Op dit betoog moet worden geantwoord, dat ook al is de gelijke behandeling van mannen en vrouwen een in het gemeenschapsrecht erkend fundamenteel recht, de verwezenlijking ervan ook in de Gemeenschap slechts geleidelijk plaatsvindt, op basis van door de Raad vastgestelde richtlijnen, en dat deze richtlijnen tijdelijk bepaalde afwijkingen van het beginsel van gelijke behandeling toelaten.

17 Onder deze omstandigheden volstaat een beroep op het beginsel van gelijke behandeling niet om voorbij te kunnen gaan aan de verplichtingen die te dier zake krachtens een eerdere internationale overeenkomst op een Lid-Staat rusten en waarvan de nakoming door artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag wordt gewaarborgd.

18 De Commissie zoekt voor haar stelling voorts steun in de ontwikkeling van het volkenrecht op dit gebied, met name de op 18 december 1979 te New York gesloten ° en op 14 december 1983 door Frankrijk bekrachtigde ° Conventie tot opheffing van alle vormen van discriminatie van de vrouw, alsook in de ontwikkeling binnen de Internationale Arbeidsorganisatie zelf. Wat dit laatste betreft, noemt zij met name het protocol van 1990 met betrekking tot het IAO-Verdrag van 1948, het IAO-Verdrag nr. 171 van 1990 betreffende nachtarbeid en de IAO-aanbeveling nr. 178 van 1990 betreffende nachtarbeid, welke alle op 26 juni 1990 zijn aangenomen.

19 Het is juist, dat de bepalingen van een internationale overeenkomst dwingende rechtskracht kunnen ontberen, indien blijkt dat alle partijen bij die overeenkomst een latere overeenkomst hebben gesloten waarvan de bepalingen zozeer onverenigbaar zijn met die van de eerste overeenkomst, dat beide overeenkomsten onmogelijk tegelijkertijd kunnen worden toegepast (zie artikel 59, lid 1, sub b, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 21 maart 1986).

20 Zou in casu uit de ontwikkeling van het internationale recht, zoals door de Commissie beschreven, blijken dat het in het IAO-Verdrag neergelegde verbod van nachtarbeid door vrouwen is afgeschaft bij latere overeenkomsten tussen dezelfde partijen, dan zouden de bepalingen van artikel 234, eerste alinea, van het Verdrag niet van toepassing zijn. Niets zou alsdan de nationale rechter beletten, artikel 5 van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 25 juli 1991 (reeds aangehaald), toe te passen en de daarmee strijdig blijkende nationale bepalingen ter zijde te laten.

21 Het is echter niet het Hof in het kader van een prejudiciële procedure, doch de nationale rechter die dient na te gaan welke verplichtingen krachtens een eerdere internationale overeenkomst op de betrokken Lid-Staat rusten, en de grenzen ervan aan te geven, om te bepalen in hoeverre die verplichtingen in de weg staan aan de toepassing van artikel 5 van de richtlijn.

22 Mitsdien moet op de gestelde prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de nationale rechter gehouden is de volledige eerbiediging te verzekeren van artikel 5 van richtlijn 76/207, door elke ermee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving buiten toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om te verzekeren dat de betrokken Lid-Staat voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde landen gesloten overeenkomst.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

23 De kosten door de Franse en de Duitse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunal de police de Metz bij vonnis van 22 mei 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De nationale rechter is gehouden de volledige eerbiediging te verzekeren van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, door elke ermee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving buiten toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om te verzekeren dat de betrokken Lid-Staat voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde landen gesloten overeenkomst.

Top