EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61989TJ0046

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 23 oktober 1990.
Antonino Pitrone tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Ambtenaar - Reorganisatie van de dienst - Tijdelijk functionaris - Aanstelling op plaats van ambtenaar.
Zaak T-46/89.

European Court Reports 1990 II-00577

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1990:62

61989A0046

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 23 OKTOBER 1990. - ANTONINO PITRONE TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - REORGANISATIE VAN DE DIENST - TIJDELIJK PERSONEELSLID - VERVANGING VAN AMBTENAAR. - ZAAK T-46/89.

Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00577


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Ambtenaren - Aanwerving - Vacature - Aanstelling van tijdelijk functionaris - Toepasselijke bepalingen

( Ambtenarenstatuut, artikel 4; Regeling andere personeelsleden )

2 . Ambtenaren - Tewerkstelling - Tijdelijke tewerkstelling - Gevolgen

3 . Ambtenaren - Organisatie van diensten - Tewerkstelling van personeel - Beoordelingsvrijheid van administratie - Grenzen - Dienstbelang - Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten - Aanstelling van tijdelijk functionaris teneinde in vast ambt te voorzien - Toelaatbaarheid

( Ambtenarenstatuut, artikelen 5 en 7 )

4 . Ambtenaren - Tewerkstelling - Reorganisatie van diensten - Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten - Strekking

( Ambtenarenstatuut, artikel 7 )

5 . Ambtenaren - Organisatie van diensten - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Voorwaarden

6 . Ambtenaren - Tewerkstelling - Dienstbelang - Inaanmerkingneming van alle kwalificaties van iedere ambtenaar

7 . Ambtenaren - Beroep - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip

Samenvatting


1 . Artikel 4 van het Statuut, dat bepaalt dat een aanstelling er slechts toe kan strekken in een vacature te voorzien, en dat verlangt dat iedere vacature ter kennis van het personeel wordt gebracht zodra het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten dat in die vacature moet worden voorzien, geldt enkel voor ambten die door ambtenaren van de Gemeenschappen worden vervuld, en niet voor die welke door tijdelijke functionarissen vervuld worden .

2 . De omstandigheid dat een ambtenaar slechts tijdelijk op een andere post tewerk is gesteld, betekent geenszins dat hij zijn oude post heeft behouden .

3 . Met het oog op een doelmatige organisatie van de werkzaamheden en om deze aan wisselende behoeften te kunnen aanpassen, beschikken de instellingen van de Gemeenschappen over een ruime beoordelingsvrijheid om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om met het oog op die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, mits die tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten .

In het bijzonder kan het tot aanstelling bevoegd gezag, om in een vast ambt te voorzien, een tijdelijk functionaris aanwerven alvorens tot definitieve aanstelling van een ambtenaar over te gaan .

4 . Weliswaar beoogt het Statuut de ambtenaar de door hem verkregen rang en een met die rang overeenstemmend ambt te waarborgen, doch het kent hem geen recht toe op een bepaald ambt . Het laat het integendeel aan het tot aanstelling bevoegd gezag over, de ambtenaren in het belang van de dienst in de verschillende met hun rang overeenstemmende ambten tewerk te stellen .

De in artikel 7 van het Statuut vervatte regel, dat er overeenstemming moet bestaan tussen het ambt en de rang, impliceert dat in geval van wijziging van de functie van een ambtenaar geen vergelijking moet worden gemaakt tussen zijn huidige en zijn vroegere functie, maar tussen zijn huidige functie en zijn rang in de hiërarchie .

Wil een maatregel tot reorganisatie van de dienst inbreuk maken op de statutaire rechten van een ambtenaar en bijgevolg vatbaar zijn voor beroep, dan is het niet voldoende dat zij leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van diens bevoegdheden; daarvoor is nodig, dat de overblijvende bevoegdheden, globaal gezien, naar aard, belang en omvang duidelijk onder het niveau blijven dat met de rang en het ambt van de betrokkene overeenkomt .

5 . Een ambtenaar kan geen beroep doen op schending van het vertrouwensbeginsel wanneer de administratie hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan .

De ruime beoordelingsvrijheid van de gemeenschapsinstellingen bij de organisatie van hun diensten staat eraan in de weg, dat een maatregel tot reorganisatie van die diensten zonder meer kan worden geacht inbreuk te maken op het gewettigd vertrouwen van de betrokken ambtenaren .

6 . Het zou in strijd zijn met het dienstbelang om iemand uitsluitend in aanmerking te laten komen voor functies die overeenstemmen met de kwalificaties op grond waarvan de betrokkene is aangeworven; het dienstbelang vereist immers, dat de administratie zich iedere beroepservaring van haar ambtenaren en personeelsleden ten nutte kan maken .

7 . Het begrip misbruik van bevoegdheid ziet op het geval dat het administratieve gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij zijn verleend .

Ter zake van een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan de administratie stelt te hebben nagestreefd .

Partijen


In zaak T-46/89,

A . Pitrone, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Tervuren ( België ), vertegenwoordigd door N . Decker, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te diens kantore, 16, avenue Marie-Thérèse,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door C . Verbraeken, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van M . Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01, en tot herplaatsing van verzoeker in de functie van hoofd Informatica bij directoraat-generaal XXI,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

samengesteld als volgt : D . A . O . Edward, kamerpresident, R . Schintgen en R . García-Valdecasas, rechters,

griffier : H . Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 22 mei 1990,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De feiten

1 Verzoeker Pitrone werd op 1 januari 1973, na te zijn geslaagd voor het algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/78, bij de Commissie aangesteld als hoofdadministrateur . Vanaf 6 februari 1984 was hij verantwoordelijk voor de geautomatiseerde gegevensverwerking bij de dienst Douane-unie ( hierna : "DDU ") rechtstreeks onder de directeur van directoraat A, Chumas . Op 20 februari 1984 werd verzoeker benoemd tot "Information Systems Manager", in het bijzonder belast met de sector informatica van de DDU . In november 1984 zond de Commissie de Raad een mededeling betreffende de gecooerdineerde ontwikkeling van geïnformatiseerde administratieve procedures ( hierna : "project CD ") en op 20 november 1984 werd verzoeker aangesteld als cooerdinator van dat project .

2 Op 15 november 1985 zond Chumas aan het beheerscomité voor het project CD ( Project Management Board; hierna : "PMB ") een document met het kenmerk CD/PMB nr . 1, waarin hij verklaarde dat verzoeker de aangewezen persoon was zowel voor de functie van projectcooerdinator als voor die van permanent secretaris van het comité CD; niettemin, zo vervolgde hij, was het noodzakelijk tevens een technisch gekwalificeerd sectiehoofd aan te trekken, en wel een analist-informaticus .

3 Op 29 november 1985 schetste de directeur-generaal van de DDU in een voor de verschillende nationale douanediensten bestemd schrijven het profiel van het gezochte technisch hoofd bij het project CD, voor welke functie de Commissie een tijdelijk functionaris wilde aantrekken . In die profielschets was onder meer vermeld, dat de betrokkene zou moeten "samenwerken met de projectcooerdinator, die de algemene verantwoordelijkheid voor het project CD heeft ".

4 De selectiegroep nr . 6 T/85 had op 14 en 24 maart 1986 een onderhoud met de kandidaten voor de functie van technisch hoofd van het project CD . In haar conclusie plaatste de groep de kandidaten Den Dekker en Walker "ex aequo", zij het met "een lichte voorkeur voor Walker, die een wat energieker persoon lijkt te zijn ".

5 Op 23 april 1986 besloot de Commissie tot oprichting van DG XXI - directoraat-generaal Douane-unie en indirecte belastingen .

6 Eerst per 1 juli 1986 werd Walker als tijdelijk functionaris van de rang A 4, met een contract voor vijf jaar, aangesteld als technisch hoofd van het project CD . Tot dat moment was hij als "assistant secretary" ( overeenkomend met de rang A 3 ) in het Verenigd Koninkrijk belast geweest met de ontwikkeling van een nieuw geautomatiseerd systeem van douane-aangiften, in welke functie hij de leiding had over ongeveer 300 personen .

7 Walker werd tewerkgesteld bij de sector informatica van afdeling A 3, aan het hoofd waarvan verzoeker stond . In de loop van de volgende maanden bleek dat wegens een overlapping van functies de taakverdeling tussen verzoeker en Walker niet bevredigend was .

8 In november 1986 moesten de diensten van DG XXI met spoed de afsluitende werkzaamheden verrichten met het oog op de vaststelling van de wettelijke regeling voor de invoering van het geharmoniseerd systeem ( GS ), de gecombineerde nomenclatuur ( GN ) en het geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschappen ( Taric ), welke regeling op 1 januari 1988 in werking moest treden . Chumas stelde verzoeker voor, de cooerdinatie en het volgen van de invoering van die regeling op zich te nemen . Verzoeker aanvaardde deze nieuwe opdracht, nadat hem op zijn verzoek uitdrukkelijk te verstaan was gegeven, dat het om een "tijdelijke" opdracht ging . Bij nota nr . 6458 van 6 november 1986 stelde de toenmalige directeur-generaal van DG XXI, Klein, de nodige interne maatregelen vast ter versnelling van de voorbereiding van het bedoelde wetgevingsprogramma en belastte hij verzoeker tijdelijk met die werkzaamheden . In dezelfde nota werden verzoekers taken als cooerdinator van het project CD tijdelijk aan Walker en zijn taken als "Information Systems Manager" tijdelijk aan Strack toegewezen .

9 Op 11 november 1987, na een wijziging van het organisatieschema van DG XXI, werd Walker binnen dat DG belast met de informatisering en gegevensverwerking, in een functie die rechtstreeks onder de directeur-generaal ressorteerde .

10 De werkzaamheden met het oog op de invoering van het GS, de GN en het Taric vonden hun voltooiing met de bekendmaking, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 31 december 1987, van de verschillende desbetreffende verordeningen .

11 Op 9 februari 1988 zond Chumas verzoeker een nota, waarin hij hem belastte met een studie over de toekomst van het stelsel van algemene preferenties in het derde decennium . Dezelfde dag zond verzoeker een nota aan de directeur-generaal van DG XXI, waarin hij verklaarde dat de hem bij nota nr . 6458 van 6 november 1988 opgedragen werkzaamheden waren voltooid, en verzocht hij om zijn vroegere functies van cooerdinator van het project CD en van "Information Systems Manager" te mogen hervatten .

12 Op 11 februari 1988 diende verzoeker twee administratieve klachten in, namelijk klacht nr . 19/88, strekkende tot annulering van Walkers aanstelling als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 en zijn eigen herplaatsing als hoofd Informatica, en klacht nr . 18/88, ertoe strekkende dat de Commissie hem authentieke afschriften zou verstrekken van alle handelingen betreffende die aanstelling .

13 Bij nota nr . 1181 van 17 februari 1988 antwoordde de nieuwe directeur-generaal op verzoekers nota van 9 februari 1988 . Hij wees het verzoek om herplaatsing af en deelde verzoeker mee, dat het directoraat-generaal in de loop van 1987 was gereorganiseerd in verband met de rol van de informatica in het werk van het directoraat-generaal . Om die reden was er gezocht naar een structuur die beter beantwoordde aan de behoeften van de dienst, en daarbij was de functie van cooerdinator van het project CD geschrapt . Bij diezelfde gelegenheid was een autonome informatiseringseenheid gevormd en was Walker, tijdelijk functionaris met een grote ervaring op het gebied van de informatica, aangesteld als hoofd van die nieuwe gespecialiseerde dienst . Ten slotte werd opgemerkt dat, aangezien verzoeker naar DG I overgeplaatst wenste te worden, hem werkzaamheden waren opgedragen die, hoe belangrijk ook, een overplaatsing naar DG I mogelijk maakten zonder dat daardoor organisatorische problemen bij DG XXI zouden ontstaan .

14 In een tweede nota aan verzoeker, van 16 mei 1988, wees de directeur-generaal er nogmaals op, dat de reorganisatie van DG XXI, die in november 1987 door de Commissie was goedgekeurd, verband hield met een belangrijke ontwikkeling in het informatiseringswerk en dat die nieuwe situatie de invoering noodzakelijk had gemaakt van een heldere en doorzichtige structuur, bezet met personeel dat op informaticagebied ervaring op hoog niveau bezat .

15 Op 16 mei 1988 diende verzoeker een administratieve klacht in tegen nota nr . 1181 van de directeur-generaal van 17 februari 1988, waarin hij herplaatsing in zijn vroegere functies verlangde .

16 Uit verzoekers beoordelingsrapporten over de periodes 1 juli 1983 tot en met 30 juni 1985 en 1 juli 1985 tot en met 30 juni 1987 blijkt, dat hij geen volledige opleiding op het gebied van de informatica bezat . Immers, volgens het beoordelingsrapport 1983-1985 :

"heeft (( verzoekers )) tewerkstelling in de sector informatica zoiets als een 'cultuurschok' veroorzaakt, aangezien hij moest zien thuis te raken op een geheel nieuw, technisch werkterrein, dat hem vreemd was";

"dat hij niet volledig vertrouwd was met dat gebied";

in dezelfde lijn het beoordelingsrapport 1985-1987 :

"dat zijn talent beter op andere gebieden kan worden benut";

"dat hij niet de nodige ervaring heeft voor de operationele leiding van grote informatiseringsprojecten, maar dat hij zeer bekwaam is in het oplossen van moeilijke beleidsproblemen ".

17 De twee administratieve klachten van 11 februari 1988 zijn door de Commissie op 7 juli 1988 afgewezen . De klacht van 16 mei 1988 is stilzwijgend afgewezen .

Het procesverloop

18 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 7 oktober 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut een beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van M . Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01, en tot zijn herplaatsing als hoofd Informatica bij DG XXI .

19 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgehad en is regelmatig verlopen .

20 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, heeft het Hof ( Derde Kamer ) de zaak bij beschikking van 15 november 1988 naar het Gerecht verwezen .

21 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht ( Vierde Kamer ) besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .

22 De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord ter terechtzitting van 22 mei 1990 .

23 Verzoeker concludeert, dat het het Gerecht behage :

- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

- en bijgevolg :

a ) de Commissie te gelasten authentieke afschriften over te leggen van alle handelingen betreffende de aanstelling van M . Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01;

b ) de aanstelling van M . Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 nietig te verklaren;

c ) verzoekers herplaatsing als hoofd Informatica bij DG XXI te gelasten;

d ) verweerster in alle kosten te verwijzen .

24 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage :

- het beroep in al zijn onderdelen te verwerpen;

- verzoeker te verwijzen in zijn eigen kosten overeenkomstig de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering .

Ten gronde

Het eerste middel

25 Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 4 Ambtenarenstatuut en de bepalingen van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden ( hierna : "RAP "), die de tijdelijke functionarissen betreffen . In de eerste plaats stelt verzoeker, dat door het besluit van 11 november 1987 tot aanstelling van Walker als hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 artikel 4 van het Statuut is geschonden . Dit bepaalt immers, dat een aanstelling er slechts toe kan strekken in een vacature te voorzien, en het verlangt dat iedere vacature ter kennis van het personeel wordt gebracht, zodra het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten dat in die vacature moet worden voorzien . In casu, aldus verzoeker, was er geen vacature, aangezien de post nog steeds door hemzelf was bezet .

26 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, geldt artikel 4 van het Statuut enkel voor ambten die door ambtenaren van de Europese Gemeenschappen worden vervuld, en niet voor die welke door tijdelijke functionarissen vervuld worden . Volgens artikel 10 RAP zijn immers enkel artikel 5, leden 1, 2 en 4, en artikel 7 van het Statuut van overeenkomstige toepassing .

27 Verder stelt verzoeker ten onrechte, dat hijzelf de betrokken post nog steeds bezette . Ingevolge nota nr . 6458 van 6 november 1986 van de directeur-generaal van DG XXI was hij immers, zij het ook tijdelijk, op een andere post tewerkgesteld . Dat deze tewerkstelling tijdelijk was, kan echter in geen geval betekenen dat hij zijn oude post had behouden . Bovendien is verzoeker nooit hoofd van de gespecialiseerde dienst XXI-01 geweest, maar, zoals hij in zijn repliek erkent, hoofd Informatica bij DG XXI .

28 In de tweede plaats wijst verzoeker erop, dat de Commissie bij de aanwijzing van Walker het woord "nomination" heeft gebruikt, terwijl die term in de RAP nergens voorkomt, maar wel de termen "engagement" en "affectation ". Daarom is, volgens hem, het besluit inzake die "nomination" van nul en gener waarde wegens een vormgebrek .

29 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het gebruik van het woord "nomination", in plaats van "affectation" of "engagement", bij de aanwijzing van Walker geen enkele betekenis kan hebben, daar artikel 7 van het Statuut, dat ingevolge artikel 10 RAP van toepassing is op andere personeelsleden, bepaalt dat tewerkstelling (" affectation ") plaats vindt bij wege van aanstelling (" nomination ") of overplaatsing (" mutation ").

30 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel faalt .

Het tweede middel

31 Het tweede middel is ontleend aan schending van de artikelen 5, 7 en 86 tot en met 89 van het Statuut en van de bepalingen van bijlage IX . Volgens verzoeker komt de weigering van de Commissie om hem in zijn oude functies te herplaatsen, neer op een verkapte tuchtmaatregel . Voorts stelt hij, dat de bevoegdheden die hem zijn gelaten, geringer zijn dan die welke overeenkomen met die van een A 4-ambtenaar, en met name minder dan die welke hij vroeger bezat .

32 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de instellingen van de Gemeenschappen een ruime beoordelingsvrijheid hebben om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om met het oog op die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, zulks op voorwaarde dat die tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten ( arresten van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr . 1984, blz . 2447, en 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, Jurispr . 1988, blz . 1697 ). Een dergelijke beoordelingsvrijheid is onmisbaar voor een efficiënte organisatie van het werk en om de organisatie aan wisselende behoeften te kunnen aanpassen ( arrest van 27 januari 1983, zaak 263/81, List, Jurispr . 1983, blz . 103 ).

33 Met verweerster moet erop worden gewezen, dat zo het Statuut al beoogt, de ambtenaar de door hem verkregen rang en een met die rang overeenstemmend ambt te waarborgen, het hem geen enkel recht toekent op een bepaald ambt, doch het integendeel aan het tot aanstelling bevoegd gezag overlaat, de ambtenaren in het belang van de dienst in de verschillende met hun rang overeenstemmende ambten tewerk te stellen ( arresten van 6 mei 1969, zaak 21/68, Huybrechts, Jurispr . 1969, blz . 85, en 13 mei 1970, zaak 46/69, Reinarz, Jurispr . 1970, blz . 275 ).

34 De met name in artikel 7 van het Statuut vervatte regel, dat er overeenstemming moet bestaan tussen de rang en het ambt, impliceert voorts, dat in geval van wijziging van de functie van de ambtenaar geen vergelijking moet worden gemaakt tussen zijn huidige en zijn vroegere functie, maar tussen zijn huidige functie en zijn rang in de hiërarchie ( arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr . 1980, blz . 1677 ).

35 Bovendien maakt een maatregel tot reorganisatie van de dienst geen inbreuk op de statutaire rechten van de ambtenaar, indien zij enkel leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van diens bevoegdheden; nodig is, dat de nieuwe bevoegdheden, globaal gezien, naar aard, belang en omvang duidelijk onder het niveau blijven dat met de rang en het ambt van de betrokkene overeenkomt ( arresten van 20 mei 1976, zaak 66/75, Macevicius, Jurispr . 1976, blz . 593, en 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, reeds aangehaald ).

36 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Commissie met haar besluit om Walker aan te stellen als hoofd van de dienst XXI-01, gebleven is binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid waarover zij met betrekking tot de organisatie van haar diensten beschikt, aangezien zij rekening heeft gehouden met de behoeften van de dienst op informaticagebied en met het profiel van Walker .

37 Een andere vraag is, of de functie die de Commissie aan verzoeker heeft toebedeeld nadat deze de leiding van het project CD had afgegeven, bevoegdheden impliceert die met verzoekers rang in de hiërarchie overeenkomen . Aangezien verzoeker het Gerecht niet om een uitspraak over dit punt heeft gevraagd - hij vordert immers enkel nietigverklaring van Walkers aanstelling en zijn eigen herplaatsing in zijn oude functies -, is het Gerecht van oordeel, dat er geen termen zijn om op deze vraag in te gaan .

38 Uit het voorgaande volgt, dat ook dit tweede middel niet kan slagen .

Het derde middel

39 Het derde middel is ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel en aan niet-nakoming van de toezegging van verzoekers meerderen om hem in zijn oude functies te herplaatsen, zodra de hem tijdelijk opgedragen dringende werkzaamheden waren voltooid .

40 Volgens verzoeker heeft de Commissie het vertrouwensbeginsel geschonden door Walker op 11 november 1987 aan te stellen als hoofd van de eenheid Informatisering en gegevensverwerking . Gezien de tijdelijke aard van de hem op 6 november 1986 gegeven dringende bijzondere taak alsook het tijdelijk karakter van de functies waarmee Walker en Strack waren belast, mocht hij verwachten na voltooiing van bedoelde taak op zijn post terug te keren . Door de aanstelling van Walker waren hem "op brute wijze" de administratieve verantwoordelijkheden ontnomen die hij tot dan toe had gedragen .

41 Volgens verweerster kan het feit dat verzoeker tijdelijk andere werkzaamheden waren opgedragen, niet worden uitgelegd als een duidelijke toezegging dat hij na afloop daarvan weer in zijn oude functies zou worden teruggeplaatst .

42 Er zij aan herinnerd, dat een ambtenaar geen beroep kan doen op schending van het vertrouwensbeginsel, wanneer de administratie hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan ( arrest van 27 maart 1990, zaak T-123/89, Chomel, Jurispr . 1990, blz . II-131 ).

43 De inhoud van de nota van de directeur-generaal van 6 november 1986 laat niet de conclusie toe, dat verzoeker daarin de nauwkeurige toezegging kon lezen, dat hij op zijn oude post zou terugkeren .

44 Daarenboven is het Gerecht van oordeel, dat de ruime beoordelingsvrijheid van de gemeenschapsinstellingen bij de organisatie van hun diensten eraan in de weg staat, dat een maatregel tot reorganisatie van die diensten zonder meer kan worden geacht inbreuk te maken op het gewettigd vertrouwen van de betrokken ambtenaren . Wat verzoeker te dezen heeft aangevoerd, volstaat voor het Gerecht niet, om dit principiële uitgangspunt in casu terzijde te stellen .

45 Mitsdien moet het derde middel worden afgewezen .

Het vierde middel

46 Het vierde middel houdt in, dat verzoeker door zijn directe chef, directeur Chumas van directoraat A, zou zijn misleid . Men had hem doen geloven dat hij, indien hij zijn nieuwe taak op tijd zou voltooien, wellicht tot afdelingshoofd zou worden bevorderd, en dat hij in elk geval, ook wanneer hij het verhoopte resultaat niet zou bereiken, zijn vroegere verantwoordelijkheden in de sector informatica zou behouden .

47 Verzoeker baseert zich hiervoor op de tekst van voornoemde nota van 6 november 1986 en op - naar hijzelf zegt vage - beloften inzake zijn bevordering, die hem door Chumas zouden zijn gedaan .

48 Bij onderzoek van de stukken van het dossier blijkt duidelijk, dat noch in de nota van 6 november 1986 noch in de andere door verzoeker genoemde documenten steun is te vinden voor zijn bewering, dat hem beloften zijn gedaan met betrekking tot zijn herplaatsing op zijn oude post of met betrekking tot zijn bevordering naar een hogere rang . In enkele nota' s en meer in het bijzonder in zijn beoordelingsrapporten wordt er integendeel de nadruk op gelegd, dat hij niet de vereiste opleiding op het gebied van de informatica bezat .

49 Hieruit volgt dat het vierde middel niet kan slagen .

Het vijfde middel

50 Het vijfde middel is ontleend aan schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut . Volgens verzoeker is deze bepaling, die verlangt dat ieder bezwarend besluit met redenen wordt omkleed, geschonden doordat het besluit waarbij de administratieve verantwoordelijkheid voor de sector informatica hem op brute wijze is ontnomen en aan een tijdelijk functionaris is toegewezen, niet is gemotiveerd .

51 Blijkens het dossier is verzoeker bij de nota van 6 november 1986 door de directeur-generaal ontheven van zijn administratieve verantwoordelijkheid voor de informaticasector . Door niet binnen drie maanden daarna een administratieve klacht in te dienen, heeft verzoeker de procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut niet in acht genomen . Tot staving van zijn beroep kan hij zich derhalve niet beroepen op een beweerde onregelmatigheid waartegen hij niet te rechter tijd is opgekomen .

52 Het vijfde middel moet mitsdien als niet-ontvankelijk worden afgewezen .

Het zesde middel

53 Het zesde middel is ontleend aan willekeur en bestaat uit twee onderdelen . In de eerste plaats, aldus verzoeker, blijkt van die willekeur uit de ontoereikende en onlogische motivering van nota nr . 1181 van de directeur-generaal van 17 februari 1988, waarin zijn verzoek om herplaatsing op zijn oude post werd afgewezen en de overdracht van verzoekers vroegere bevoegdheden aan Walker werd verdedigd .

54 Verzoeker erkent dat uitsluitend de Commissie bevoegd is ten aanzien van de organisatie en de werking van haar diensten, doch hij betwist dat de Commissie die bevoegdheid mag gebruiken zonder de samenhang en de logica van het beleid in het oog te houden, en met resultaten die in tegenspraak zijn met andere, eerder door haar getroffen maatregelen .

55 Volgens verweerster wordt met dit middel in wezen kritiek geoefend op de op 17 februari 1988 opgestelde nota nr . 1181 van de nieuwe directeur-generaal, Vilar, waarin deze erop wees, dat nota nr . 6458 van 6 november 1986, waarmee zijn voorganger Klein verzoeker "tijdelijk" met andere werkzaamheden had belast, moest "worden uitgelegd in het licht van al hetgeen er sindsdien was gebeurd", en met name in het licht van "de ontwikkeling bij DG XXI" en de "opvatting van de rol die de informatica in het werk van ons DG moet spelen ". Daaraan werd in dezelfde nota toegevoegd, dat het, gezien de zeer gespecialiseerde ervaring van Walker ter zake, gewenst was geweest deze als hoofd van de nieuwe gespecialiseerde dienst aan te stellen .

56 Verzoeker betoogt, dat Vilar, die de toezegging van Klein niet kon ontkennen, de niet-nakoming ervan heeft trachten te rechtvaardigen op grond van de sinds 6 november 1986 gewijzigde omstandigheden .

57 Willen de omstandigheden waarop Vilar doelt, hem kunnen ontslaan van de verplichting een toezegging van zijn voorganger na te komen, dan, aldus verzoeker, dienen die omstandigheden niet enkel van na 6 november 1986 ( dagtekening van Kleins nota ) te dateren, maar ook zijn toe te schrjven aan overmacht of toeval, dat wil zeggen aan onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenissen, en dit is zijns inziens niet het geval .

58 De noodzaak om rekening te houden met "de ontwikkeling bij DG XXI" en met "de opvatting van de rol die de informatica moet spelen", bestond volgens verzoeker ook al vóór 6 november 1986 en wel vanaf 15 mei 1984, toen de Commissie haar resolutie over de "informatisering van de administratieve procedures in het intracommunautaire handelsverkeer" vaststelde ( PB 1984, C 137, blz . 1 ).

59 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat uitsluitend de Commissie verantwoordelijk is voor de organisatie en goede werking van haar diensten en dat een ambtenaar niet kan worden ontvangen in zijn bezwaren tegen die organisatie en uitsluitend hem persoonlijk betreffende grieven kan aanvoeren ( arresten van 30 juni 1983, zaak 85/82, Schloh, Jurispr . 1983, blz . 2105, en 21 januari 1987, zaak 204/85, Stroghili, Jurispr . 1987, blz . 389 ).

60 Verantwoordelijk voor de organisatie van de diensten - het weze nogmaals gezegd - is uitsluitend het hiërarchiek gezag; dit alleen heeft de behoeften van de dienst te beoordelen en het hem ter beschikking staande personeel dienovereenkomstig tewerk te stellen ( arresten van 11 juli 1968, zaak 16/67, Labeyrie, Jurispr . 1968, blz . 412, en 14 juli 1977, zaak 61/76, Geist, Jurispr . 1977, blz . 1419 ).

61 Ook het argument van verzoeker, dat de aanstelling van een tijdelijk functionaris als hoofd van een gespecialiseerde dienst in strijd is met de beginselen van bestuursethiek, kan niet worden aanvaard . De statutaire bepalingen kennen het tot aanstelling bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid toe bij de bezetting van een vast ambt; het kan derhalve een tijdelijk functionaris aanwerven alvorens tot definitieve aanstelling van een ambtenaar over te gaan ( arrest van 28 februari 1989, gevoegde zaken 341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86 en 266/86 en 222/87 en 232/87, Van der Stijl e.a ., Jurispr . 1989, blz . 511 ).

62 In casu stond het dus uitsluitend aan het hiërarchiek gezag, te beoordelen of Walker dan wel verzoeker het meest gekwalificeerd was voor de betrokken functie .

63 Het eerste onderdeel van dit middel faalt derhalve .

64 In het tweede onderdeel van dit middel stelt verzoeker, dat de feiten zijn verdraaid . Dit zou het geval zijn in nota nr . 1181 van de directeur-generaal van 17 februari 1988, waar gezegd wordt dat "het wenselijk leek ... de heer Walker, tijdelijk functionaris met een zeer gespecialiseerde ervaring ter zake, als hoofd van de nieuwe gespecialiseerde dienst aan te stellen ". Verzoeker betoogt, dat Walker niet is aangeworven om te worden aangesteld als hoofd van de gespecialiseerde dienst, maar uitsluitend om te voorzien in de functie van technisch hoofd van het project CD . De gespecialiseerde kennis wegens welke Walker was aangeworven, zou door de directeur-generaal ten onrechte zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van diens tewerkstelling als diensthoofd .

65 Ook dit tweede onderdeel faalt . In de eerste plaats valt immers in aanmerking te nemen, dat de functie van hoofd van een informaticadienst niet per se zuiver administratief behoeft te zijn; grondige technische kennis kan integendeel zeer nuttig zijn om die functie goed te vervullen .

66 In de tweede plaats zou het in strijd zijn met het dienstbelang om iemand uitsluitend in aanmerking te laten komen voor functies die overeenstemmen met de kwalificaties op grond waarvan de betrokkene is aangeworven; het dienstbelang vereist immers, dat de administratie zich iedere beroepservaring van haar ambtenaren en personeelsleden ten nutte kan maken .

67 In casu heeft verzoeker niets weten in te brengen tegen het argument van de Commissie, dat de ervaring die Walker in het Verenigd Koninkrijk had verworven als "assistant secretary" aan het hoofd van een 300 personen tellende dienst, hem tot de ideale kandidaat voor de in geding zijnde post maakte .

68 Uit het voorgaande volgt, dat het zesde middel niet kan slagen .

Het zevende middel

69 Het zevende middel is ontleend aan misbruik van bevoegdheid . Volgens verzoeker was Walkers aanstelling niet ingegeven door het belang van de dienst; de feiten die na diens aanwerving zijn voorgevallen, en zijn snelle "aanstelling" als hoofd van een gespecialiseerde dienst zouden objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens zijn waaruit blijkt, dat de Commissie al op het moment van Walkers aanwerving de bedoeling had, de vaste ambtenaar die hoofd Informatica bij DG XXI was, door die van buiten komende functionaris te vervangen .

70 Opgemerkt zij, dat misbruik van bevoegdheid een begrip met een welbepaalde inhoud is, dat betrekking heeft op het geval dat het administratieve gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij zijn verleend ( arrest Hof van 4 februari 1982, zaak 817/79, Buyl, Jurispr . 1982, blz . 245, en arrest Gerecht van 12 juli 1990, zaak T-108/89, Scheuer, Jurispr . 1990, blz . II-411 ).

71 Bovendien is het vaste rechtspraak, dat ter zake van een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan de administratie stelt te hebben nagestreefd ( b.v . arrest Hof van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, reeds aangehaald, en arrest Gerecht van 12 juli 1990, zaak T-108/89, Scheuer, reeds aangehaald ).

72 Hier kan worden volstaan met vast te stellen, dat verzoeker niets heeft aangevoerd waaruit men zou kunnen concluderen, dat de Commissie reeds bij de aanwerving van Walker de bedoeling had verzoeker als hoofd Informatica bij DG XXI te vervangen door eerstgenoemde .

73 Het besluit om een gespecialiseerde dienst op te richten, en de keuze van het geschikte moment daarvoor zijn beslissingen die de wijze van organisatie van de diensten betreffen . Die beslissingen vallen, zoals reeds gezegd, onder de ruime beoordelingsvrijheid van de gemeenschapsinstellingen op dat gebied . De lange vertogen van verzoeker over het moment waarop die dienst had moeten worden opgericht, zijn derhalve volstrekt irrelevant .

74 Blijkens het voorgaande kan het zevende middel niet worden aanvaard .

75 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

76 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11 van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement evenwel blijven de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .

Top