Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61989CJ0260

Arrest van het Hof van 18 juni 1991.
Elliniki Radiophonia Tiléorassi AE en Panellinia Omospondia Syllogon Prossopikou tegen Dimotiki Etairia Pliroforissis en Sotirios Kouvelas en Nicolaos Avdellas en anderen.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Monomeles Protodikeio Thessalonikis - Griekenland.
Exclusieve rechten inzake radio- en televisie-uitzending - Vrij verkeer van goederen - Vrij verrichten van diensten - Mededingingsregels - Vrijheid van meningsuiting.
Zaak C-260/89.

European Court Reports 1991 I-02925

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1991:254

61989J0260

ARREST VAN HET HOF VAN 18 JUNI 1991. - ELLINIKI RADIOPHONIA TILEORASSI ANONIMI ETAIRIA EN PANELLINIA OMOSPONDIA SYLLOGON PROSSOPIKOU ERT TEGEN DIMOTIKI ETAIRIA PLIROFORISSIS EN SOTIRIOS KOUVELAS EN NICOLAOS AVDELLAS EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: MONOMELES PROTODIKEIO THESSALONIKIS (ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE THESSALONIKA) - GRIEKENLAND. - EXCLUSIEVE RECHT TO HET UITZENDEN VAN RADIO- EN TELEVISIEPROGRAMMA'S - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - VRIJE DIENSTVERRICHTING - MEDEDINGINGSREGELS - VRIJHEID VAN MENINGSUITING. - ZAAK C-260/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02925
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00209
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00221


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Mededinging - Ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen - Televisiemonopolie - Verenigbaarheid met gemeenschapsrecht - Voorwaarden

(EEG-Verdrag, art. 90)

2. Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Toekenning van televisiemonopolie, gepaard met exclusieve rechten op bepaalde uitrusting en produkten - Toelaatbaarheid - Voorwaarden

(EEG-Verdrag, art. 30 e.v.)

3. Vrij verrichten van diensten - Televisiemonopolie - Discriminatie op grond van herkomst van programma' s - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Voorwaarden

(EEG-Verdrag, art. 56, 59 en 66)

4. Mededinging - Ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen - Televisiemonopolie - Misbruik van machtspositie - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Voorwaarden

(EEG-Verdrag, art. 86 en 90)

5. EEG-Verdrag - Artikel 2 - Geen relevantie voor beoordeling van toelaatbaarheid van televisiemonopolie

(EEG-Verdrag, art. 2)

6. Vrij verrichten van diensten - Beperkingen gerechtvaardigd uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid - Toelaatbaarheid afhankelijk van eerbiediging van fundamentele rechten

(EEG-Verdrag, art. 56 en 66)

Samenvatting


1. Het gemeenschapsrecht verzet zich niet ertegen, dat om niet-economische redenen van openbaar belang een televisiemonopolie wordt toegekend. De inrichting en uitoefening van een dergelijk monopolie mogen echter niet in strijd komen met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en van diensten en met de mededingingsregels.

2. De bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen verzetten zich niet ertegen, dat aan één onderneming exclusieve rechten op het gebied van de uitzending van televisieberichten worden verleend alsmede, in verband daarmee, het alleenrecht op de invoer, verhuur of distributie van de voor uitzending benodigde uitrusting en produkten, mits dit niet leidt tot discriminatie tussen nationale en ingevoerde produkten ten nadele van de laatste.

3. Artikel 59 EEG-Verdrag verzet zich tegen een nationale regeling die voor de exclusieve rechten tot uitzending van eigen programma' s en tot doorgifte van programma' s uit andere Lid-Staten een monopolie instelt, wanneer een dergelijk monopolie discriminerende gevolgen heeft ten nadele van programma' s uit andere Lid-Staten, tenzij die regeling haar rechtvaardiging vindt in een van de gronden van artikel 56, waarnaar artikel 66 EEG-Verdrag verwijst. De bedoeling om storingen wegens het beperkte aantal beschikbare kanalen tegen te gaan kan niet een dergelijke rechtvaardiging opleveren nu de betrokken onderneming slechts enkele van de beschikbare kanalen gebruikt.

4. Artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag verzet zich tegen de verlening van een exclusief recht op uitzending en van een exclusief recht op doorgifte van televisieprogramma' s aan één onderneming, wanneer deze rechten een situatie kunnen doen ontstaan waarin deze onderneming tot overtreding kan komen van artikel 86 door middel van een discriminerend programmabeleid dat haar eigen programma' s begunstigt, tenzij de toepassing van artikel 86 de vervulling van de haar opgedragen bijzondere taak onmogelijk maakt.

5. Artikel 2 EEG-Verdrag, dat de taak van de Europese Economische Gemeenschap omschrijft, verschaft geen criteria voor de toetsing van de verenigbaarheid van een nationaal televisiemonopolie met het gemeenschapsrecht.

6. Wanneer een Lid-Staat zich op het bepaalde in artikel 56 juncto artikel 66 EEG-Verdrag beroept om een regeling die de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting kan belemmeren, te rechtvaardigen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, moet deze door het gemeenschapsrecht geboden rechtvaardigingsgrond worden uitgelegd in het licht van de algemene rechtsbeginselen en met name de fundamentele rechten. Aldus kan de betrokken nationale regeling slechts in aanmerking komen voor de in deze artikelen genoemde uitzonderingen, wanneer zij in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Bij een regeling op het gebied van televisie, betekent zulks dat deze moet worden getoetst aan de in artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens neergelegde vrijheid van meningsuiting, zijnde een algemeen rechtsbeginsel waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.

Partijen


In zaak C-260/89,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Monomeles Protodikeio (rechtbank van eerste aanleg) te Thessaloniki (Griekenland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Elliniki Radiophonia Tiléorasi Anonimi Etairia (ERT AE),

interveniënte: Panellinia omospondia syllogon prosopikou ERT,

en

Dimotiki Etairia Pliroforissis (DEP),

S. Kouvelas,

interveniënten: N. Avdellas e.a.,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het EEG-Verdrag, in het bijzonder de artikelen 2, 3 sub f, 9, 30, 36, 85 en 86,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, T. F. O' Higgins, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: C. O. Lenz

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de opmerkingen ingediend door:

- Elliniki Radiophonia Tiléorasi Anonimi Etairia, vertegenwoordigd door V. Kostopoulos en K. Kalavros, advocaten te Athene,

- Dimotiki Etairia Pliroforissis en S. Kouvelas, vertegenwoordigd door A. Vamvakopoulos, A. Panagopoulos en P. Ladas, advocaten te Thessaloniki,

- de regering van de Franse republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. de Bergues, eerste adjunct-secretaris Buitenlandse zaken bij hetzelfde Ministerie, als gemachtigden,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco alsmede door B. Jansen en M. Condou-Durande, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Elliniki Radiophonia Tileorasi Anonimi Etairia, Dimotiki Etairia Pliroforissis en de Commissie ter terechtzitting van 27 november 1990,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 11 april 1989, ingekomen bij het Hof op 16 augustus daaraanvolgend, heeft de Monomeles Protodikeio (rechtbank van eerste aanleg) te Thessaloniki krachtens artikel 177 EEG-Verdrag in kort geding een reeks prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het EEG-Verdrag, met name de artikelen 2, 3, sub f, 9, 30, 36, 85 en 86, alsmede van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: het Europees Verdrag), om te kunnen beoordelen of een nationaal stelsel van exclusieve rechten op het gebied van televisie met die bepalingen verenigbaar is.

2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen enerzijds de Griekse radio- en televisie-omroeponderneming Elliniki Radiophonia Tileorasi Anonimi Etairia (hierna: "ERT"), waaraan de Griekse Staat exclusieve rechten voor de uitoefening van haar activiteiten heeft toegekend, en anderzijds Dimotiki Etairia Pliroforissis (hierna: "DEP"), een door de gemeente onderhouden nieuwsdienst te Thessaloniki, alsmede S. Kouvelas, burgemeester van die stad. De exclusieve rechten van ERT ten spijt hebben DEP en de burgemeester in 1989 te Thessaloniki een televisiestation opgericht dat hetzelfde jaar met uitzendingen is begonnen.

3 ERT is opgericht bij wet nr. 1730/1987 (Grieks Staatsblad nr. 145 A van 18.8.1987, blz. 144). Volgens artikel 2, lid 1, van die wet heeft ERT tot taak het organiseren, exploiteren en ontwikkelen van radio en televisie, en een bijdrage te leveren aan de informatie, de cultuur en de verstrooiing van het Griekse volk, een en ander zonder winstoogmerk. Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat de staat ERT een exclusieve concessie verleent op het gebied van radio en televisie voor iedere activiteit die aan de verwezenlijking van haar doel bijdraagt. De concessie omvat onder meer de uitzending door middel van radio of televisie vanaf Grieks grondgebied van beelden of geluiden van welke aard ook, die bestemd zijn in het algemeen dan wel door bijzondere gesloten systemen, kabelsystemen of welke andere systemen ook te worden ontvangen, alsmede de inrichting van radio- en televisiestations. Ingevolge artikel 2, lid 3, produceert en exploiteert ERT op elke mogelijke wijze radio- en televisieprogramma' s. Artikel 16, lid 1, van dezelfde wet verbiedt een ieder om zonder toestemming van ERT activiteiten te ondernemen waarop ERT het alleenrecht bezit.

4 Van mening dat DEP en de burgemeester van Thessaloniki zich met hun activiteiten op haar exclusieve terrein hadden begeven, vorderde ERT voor de rechtbank van eerste aanleg van Thessaloniki in kort geding op grond van artikel 16 van wet nr. 1730/1987 een verbod op iedere verdere uitzending alsmede inbeslagname en sekwestratie van de technische uitrusting. DEP en S. Kouvelas verweerden zich hoofdzakelijk met een beroep op het gemeenschapsrecht en op het Europees Verdrag.

5 Van oordeel dat deze zaak belangrijke vraagstukken van gemeenschapsrecht aan de orde stelde, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

"1) Is een wet die het slechts één televisie-omroeporganisatie toestaat, het televisiemonopolie voor het gehele grondgebied van een Lid-Staat te hebben en televisie-uitzendingen van welke aard ook te verzorgen, in overeenstemming met de bepalingen van het EEG-Verdrag en met het secundaire gemeenschapsrecht?

2) Zo ja, in hoeverre wordt dan het in artikel 9 EEG-Verdrag neergelegde fundamentele beginsel van het vrije verkeer van goederen geschonden, gelet op het feit dat de uitoefening door slechts één organisatie van de exclusieve televisie-omroepconcessie voor de overige burgers van de Gemeenschap een verbod met zich brengt op alle uitvoer, verhuur of verspreiding naar en in de betrokken Lid-Staat van materiaal, geluidsopnamen, films, televisie-documentaires en andere produkten die voor televisie-uitzendingen kunnen worden gebruikt, behalve ten behoeve van die ene instantie die het alleenrecht op televisie-uitzendingen heeft, waarbij die instantie ook nog de vrijheid heeft om naar voorkeur binnenlands materiaal en binnenlandse produkten te kiezen in plaats van die uit de andere Lid-Staten?

3) In hoeverre is de verlening van de televisie-omroepconcessie aan slechts één organisatie te beschouwen als een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking?

4) Indien de toekenning bij de wet aan slechts één omroeporganisatie van het exclusieve recht, voor het gehele grondgebied van een Lid-Staat televisie-uitzendingen van welke aard te verzorgen, als geoorloofd moet worden beschouwd omdat zij onder artikel 36 EEG-Verdrag valt zoals dit door het Hof is uitgelegd, omdat die toekenning aan een dwingend vereiste beantwoordt en een doel van algemeen belang dient, te weten de verzorging van de televisie-omroep als dienst van algemeen belang, schiet dan deze regeling haar doel niet voorbij, met andere woorden, wordt dit doel - de bescherming van het algemeen belang - verwezenlijkt op de minst ingrijpende manier, dat wil zeggen zodanig dat het vrije verkeer van goederen het minst wordt belemmerd?

5) In hoeverre zijn de exclusieve rechten die een Lid-Staat aan één onderneming (omroeporganisatie) verleent met betrekking tot het verzorgen van televisie-uitzendingen, en de uitoefening van die rechten verenigbaar met de mededingingsregels van de artikelen 85 juncto 3, sub f, EEG-Verdrag, wanneer de uitoefening van bepaalde activiteiten door die onderneming, en in het bijzonder het feit dat zij als enige a) reclame-boodschappen uitzendt, b) films, documentaires en andere in de Gemeenschap geproduceerde televisieprogramma' s distribueert, c) naar eigen inzicht beslist over de verspreiding en uitzending van televisieprogramma' s, films, documentaires en andere produkties, de mededinging in de desbetreffende sector op het gehele grondgebied van de Lid-Staat ten nadele van de verbruikers in de Gemeenschap verhindert, beperkt of vervalst, ook al handelt de betrokken onderneming daarmee overeenkomstig de wet?

6) In het geval dat een Lid-Staat de met het verzorgen van de televisie-omroep belaste onderneming zelfs voor commerciële activiteiten - met name reclame - gebruikt als een met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste onderneming, in hoeverre is dan de uitvoering van de aldus aan die onderneming opgedragen taken verenigbaar met artikel 85 juncto artikel 3, sub f?

7) Kan een dergelijke onderneming, waaraan een Lid-Staat bij wet voor het gehele grondgebied het monopolie op het verzorgen van televisie-uitzendingen heeft verleend, worden beschouwd als een onderneming met een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt?

8) Zo ja, in hoeverre is er dan sprake van misbruik van machtspositie, wanneer de betrokken onderneming (bij gebreke van iedere mededinging op de markt) monopolistische prijzen oplegt voor televisie-reclame en naar eigen believen voorkeurprijzen toepast, ten nadele van de consumenten in de Gemeenschap, en door het verrichten van de in vraag 5 genoemde activiteiten de mededinging in de betrokken sector uitschakelt?

9) In hoeverre is de verlening bij wet van het televisiemonopolie voor het gehele grondgebied van een Lid-Staat met het recht om televisie-uitzendingen van welke aard ook te verzorgen, aan één omroeporganisatie verenigbaar met de door het EEG-Verdrag (preambule en artikel 2) nagestreefde sociale doelstelling van toenemende verbetering van de levensomstandigheden en van de levensstandaard voor de Europese volkeren enerzijds, en met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens anderzijds?

10) Leggen de in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens neergelegde vrijheid van meningsuiting en de eerder vermelde, in de preambule en in artikel 2 van het EEG-Verdrag omschreven sociale doelstelling uit eigen hoofde verplichtingen op aan de Lid-Staten, onafhankelijk van de geldende geschreven bepalingen van gemeenschapsrecht, en zo ja, welke verplichtingen?"

6 Voor een nadere uiteenzetting van de juridische context, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

7 Blijkens de verwijzingsbeschikking wenst de nationale rechter met zijn eerste vraag te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een televisiemonopolie in handen van slechts één onderneming, die van de staat te dien einde exclusieve rechten heeft ontvangen. De tweede, derde en vierde vraag houden in, of de regels inzake het vrije verkeer van goederen, met name artikel 9 en de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, aan een dergelijk monopolie in de weg staan. Aangezien deze vragen op een dienstenmonopolie betrekking hebben, moet worden aangenomen dat zij zich niet alleen richten op de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, maar ook op die inzake het vrij verrichten van diensten, en met name artikel 59 EEG-Verdrag.

8 De vijfde, zesde, zevende en achtste vraag betreffen de uitlegging van de mededingingsregels voor ondernemingen. In zoverre wenst de nationale rechter in de eerste plaats te vernemen, of de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag zich verzetten tegen de verlening van exclusieve rechten door een Lid-Staat op het gebied van televisie. In de tweede plaats vraagt de nationale rechter, of een onderneming die een exclusief recht op het gebied van televisie heeft voor het gehele grondgebied van een Lid-Staat, daarmee een machtspositie inneemt op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag, en of bepaalde gedragingen misbruik van die machtspositie opleveren. In de derde plaats wil de nationale rechter weten, of de toepasselijke mededingingsregels zich verzetten tegen de uitoefening van de bijzondere taak waarmee een dergelijke onderneming is belast.

9 Bij de negende en de tiende vraag gaat het om toetsing van een monopoliesituatie op het gebied van de televisie aan enerzijds artikel 2 EEG-Verdrag en anderzijds artikel 10 van het Europees Verdrag.

Het televisiemonopolie

10 In het arrest van 30 april 1974 (zaak 155/73, Sacchi, Jurispr. 1974, blz. 409, r.o. 14) verklaarde Hof voor recht, dat geen verdragsbepaling zich ertegen verzet dat de Lid-Staten om niet-economische redenen van openbaar belang, radio- en televisie-uitzendingen aan de vrije mededinging onttrekken door het uitsluitend recht daarop aan een of meer maatschappijen toe te kennen.

11 Uit artikel 90, leden 1 en 2, EEG-Verdrag volgt evenwel, dat de wijze waarop een dergelijk monopolie is ingericht of wordt uitgeoefend, inbreuk kan maken op de verdragsbepalingen, met name op die inzake het vrije verkeer van goederen en van diensten evenals op de mededingingsregels.

12 Aan de nationale rechter moet derhalve worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat om niet-economische redenen van openbaar belang een televisiemonopolie wordt toegekend. De inrichting en uitoefening van dat monopolie mogen echter niet in strijd komen met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en van diensten en met de mededingingsregels.

Het vrije verkeer van goederen

13 Voorop moeten worden gesteld, dat volgens het reeds aangehaalde arrest van 30 april 1974 (Sacchi), de uitzending van televisieberichten onder de verdragsbepalingen inzake het verrichten van diensten valt en dat een televisiemonopolie, zijnde een monopolie voor het verrichten van diensten, als zodanig niet in strijd is met het beginsel van het vrije verkeer van goederen.

14 Daarentegen blijkt uit hetzelfde arrest, dat het handelsverkeer in alle materialen, geluidsdragers, films en andere voor de uitzending van televisieberichten gebruikte produkten wel aan de regels betreffende het vrije verkeer van goederen is onderworpen.

15 In dit verband zij opgemerkt, dat de verlening aan één enkele onderneming van exclusieve rechten met betrekking tot het uitzenden van televisieberichten alsmede - te dien einde - van de exclusieve bevoegdheid om de voor uitzending benodigde uitrusting en produkten in te voeren, te verhuren of te distribueren, op zich geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag.

16 Dit zou anders zijn, wanneer dat al dan niet rechtstreeks discriminatie van ingevoerde produkten ten opzichte van nationale produkten tot gevolg zou hebben. Het staat aan de nationale rechter, die als enige bevoegd is om van de feiten kennis te nemen, te onderzoeken of zulks in casu het geval is.

17 Wat artikel 9 EEG-Verdrag betreft, volstaat de vaststelling, dat dit artikel in- en uitvoerrechten en alle heffingen van gelijke werking tussen de Lid-Staten onderling verbiedt. Nu het dossier geen enkele aanwijzing bevat, dat de in geding zijnde wettelijke regeling de heffing van een in- of uitvoerrecht met zich brengt, lijkt artikel 9 niet relevant voor de toetsing van het betrokken monopolie aan de regels inzake het vrije verkeer van goederen.

18 Derhalve dient te worden geantwoord, dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen zich niet ertegen verzetten, dat aan één onderneming exclusieve rechten op het gebied van de uitzending van televisieberichten worden verleend alsmede, in verband daarmee, het alleenrecht op de invoer, verhuur of distributie van de voor uitzending benodigde uitrusting en produkten, mits dit niet leidt tot discriminatie tussen binnenlandse en ingevoerde produkten ten nadele van deze laatste.

Het vrij verrichten van diensten

19 Ingevolge artikel 59 EEG-Verdrag dienden de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap aan het einde van de overgangsperiode te zijn opgeheven ten aanzien van de onderdanen der Lid-Staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan waar degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Tot de vereisten die dit artikel meebrengt, behoort onder meer de opheffing van alle discriminaties jegens de dienstverrichter die in een andere Lid-Staat is gevestigd dan die waar de dienst moeten worden verricht.

20 Ook wanneer, zoals in rechtsoverweging 12 van dit arrest gezegd, het bestaan van een monopolie voor het verrichten van diensten op zich niet onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, kan toch niet worden uitgesloten dat het monopolie zo is ingericht, dat het inbreuk maakt op de regels inzake het vrij verrichten van diensten. Dat is onder meer het geval, wanneer het monopolie leidt tot discriminatie tussen nationale televisieprogramma' s en die uit andere Lid-Staten, ten koste van deze laatste.

21 Wat het monopolie betreft dat in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit de tekst van artikel 2, lid 2, van wet nr. 1730/1987 alsmede uit de rechtspraak van de Griekse Raad van State, dat de exclusieve concessie van ERT zowel het recht omvat tot uitzending van eigen programma' s (hierna: "uitzending") als tot het opvangen en doorgeven van programma' s uit andere Lid-Staten (hierna: "doorgifte").

22 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, verschaft de concentratie van het uitzend- en het doorgiftemonopolie bij een en dezelfde onderneming, die onderneming de mogelijkheid om eigen programma' s uit te zenden en de doorgifte van programma' s uit andere Lid-Staten te beperken. Die mogelijkheid kan, indien enigerlei garantie met betrekking tot de doorgifte van programma' s uit andere Lid-Staten ontbreekt, de onderneming ertoe brengen om haar eigen programma' s te begunstigen ten koste van buitenlandse programma' s. Bij een dergelijk systeem bestaat derhalve gevaar voor een ernstige aantasting van de gelijkheid van kansen tussen de uit te zenden eigen programma' s en de door te geven programma' s uit andere Lid-Staten.

23 Of de cumulatie van het exclusieve recht tot uitzending met het exclusieve recht tot doorgifte daadwerkelijk tot discriminatie leidt ten nadele van programma' s uit andere Lid-Staten, is een feitelijke vraag, tot de beoordeling waarvan alleen de nationale rechter bevoegd is.

24 Vervolgens moet worden beklemtoond, dat de regels inzake het vrij verrichten van diensten zich verzetten tegen een nationale regeling die dergelijke discriminerende effecten heeft, tenzij die regeling onder de afwijkende bepaling van artikel 56 EEG-Verdrag valt, waarnaar artikel 66 verwijst. Volgens artikel 56, dat strikt moet worden uitgelegd, kunnen discriminerende bepalingen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

25 Blijkens de voor het Hof gemaakte opmerkingen had de betrokken regeling uitsluitend tot doel, storingen wegens het beperkte aantal beschikbare kanalen tegen te gaan. Een dergelijk doel kan evenwel geen rechtvaardiging voor deze regeling opleveren in de zin van artikel 56 EEG-Verdrag, nu de betrokken onderneming slechts enkele van de beschikbare kanalen gebruikt.

26 Derhalve moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 59 EEG-Verdrag zich verzet tegen een nationale regeling die voor de exclusieve rechten tot uitzending van eigen programma' s en tot doorgifte van programma' s uit andere Lid-Staten een monopolie instelt, wanneer een dergelijk monopolie discriminerende gevolgen heeft ten nadele van programma' s uit andere Lid-Staten, tenzij die regeling haar rechtvaardiging vindt in een van de gronden van artikel 56, waarnaar artikel 66 EEG-Verdrag verwijst.

De mededingingsregels

27 Vooraf zij in herinnering gebracht, dat artikel 3, sub f, EEG-Verdrag louter een doel van de Gemeenschap verwoordt, dat nader is uitgewerkt in verschillende bepalingen van het Verdrag met betrekking tot de mededinging, met name de artikelen 85, 86 en 90.

28 Zelfstandige gedragingen van een onderneming moeten worden getoetst aan de voor ondernemingen geldende verdragsbepalingen, met name de artikelen 85, 86 en 90, lid 2.

29 Wat artikel 85 betreft, volstaat de opmerking dat die bepaling, naar de letter ervan, van toepassing is op overeenkomsten "tussen ondernemingen". Uit de verwijzingsbeschikking nu blijkt niet van enige overeenkomst tussen ondernemingen. Van deze bepaling behoeft dus geen uitlegging te worden gegeven.

30 Artikel 86 EEG-Verdrag verklaart het misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover de handel tussen de Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.

31 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat aan een onderneming die over een wettelijk monopolie beschikt, een machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag kan worden toegeschreven (zie het arrest van 3 oktober 1985, zaak 311/84, CBEM, Jurispr. 1985, blz. 3261, r.o. 16) en dat het grondgebied van een Lid-Staat waarover dat monopolie zich uitstrekt, een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt kan zijn (zie het arrest van 9 november 1983, zaak 322/81, Michelin, Jurispr. 1983, blz. 3461, r.o. 28).

32 Ook al verbiedt artikel 86 EEG-Verdrag een monopolie niet als zodanig, het verzet zich echter wel tegen misbruik van een monopolie, waarvan het een aantal voorbeelden geeft.

33 Krachtens artikel 90, lid 2, EEG-Verdrag blijven ondernemingen, belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, aan de mededingingsregels onderworpen, zolang niet is aangetoond dat de toepassing van die bepalingen onverenigbaar is met de vervulling van hun bijzondere taak (zie onder meer het arrest van 30 april 1974, Sacchi, reeds aangehaald, r.o. 15).

34 De nationale rechter dient derhalve te beoordelen of de gedragingen van een dergelijke onderneming verenigbaar zijn met artikel 86, en na te gaan of die gedragingen, mochten die met deze bepaling in strijd zijn, kunnen worden gerechtvaardigd door hetgeen de vervulling van de bijzondere taak waarmee de onderneming eventueel is belast, vereist.

35 Wat de overheidsmaatregelen betreft, en meer in het bijzonder het verlenen van exclusieve rechten, moet worden beklemtoond, dat ofschoon de artikelen 85 en 86 zich uitsluitend tot ondernemingen richten, het Verdrag toch ook de Lid-Staten verbiedt maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepalingen hun nuttig effect kunnen ontnemen (zie het arrest van 16 november 1977, zaak 13/77, INNO, Jurispr. 1977, blz. 2115, r.o. 31 en 32).

36 Zo bepaalt artikel 90, lid 1, dat de Lid-Staten met betrekking tot de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen of handhaven welke met de regels van het Verdrag in strijd is.

37 In zoverre moet worden vastgesteld, dat artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag zich verzet tegen de verlening door een Lid-Staat van een exclusief recht op het doorgeven van televisieprogramma' s aan een onderneming die al een exclusief recht op het uitzenden van programma' s heeft, wanneer deze rechten een situatie kunnen doen ontstaan waarin die onderneming tot overtreding kan komen van artikel 86 EEG-Verdrag door middel van een discriminerend programmabeleid in het voordeel van haar eigen programma' s.

38 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag zich verzet tegen de verlening van een exclusief recht op uitzending en van een exclusief recht op doorgifte van televisieprogramma' s aan één onderneming, wanneer deze rechten een situatie kunnen doen ontstaan waarin die onderneming tot overtreding kan komen van artikel 86 door middel van een discriminerend programmabeleid dat haar eigen programma' s begunstigt, tenzij de toepassing van artikel 86 de vervulling van de haar opgedragen bijzondere taak onmogelijk maakt.

Artikel 2 EEG-Verdrag

39 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 24 januari 1991, zaak C-339/89, Alsthom, Jurispr. 1991, blz. I-107) omschrijft het in de negende en de tiende prejudiciële vraag genoemde artikel 2 EEG-Verdrag de taak van de Europese Economische Gemeenschap. De in deze bepaling genoemde doelstellingen betreffen het bestaan en de werking van de Gemeenschap; zij moeten worden verwezenlijkt door het instellen van een gemeenschappelijke markt en het geleidelijk nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van de Lid-Staten.

40 Aan de nationale rechter moet dus worden geantwoord, dat artikel 2 geen criteria verschaft voor de toetsing van de verenigbaarheid van een nationaal televisiemonopolie met het gemeenschapsrecht.

Artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

41 Wat artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens betreft, genoemd in de negende en de tiende vraag, zij eraan herinnerd, dat de fundamentele rechten volgens vaste rechtspraak integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de Lid-Staten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die de internationale wilsverklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens verschaffen, waaraan de Lid-Staten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten (zie onder meer het arrest van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 13). Aan het Europees Verdrag komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (zie onder meer het arrest van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 18). Daaruit volgt, zoals het Hof heeft bevestigd in het arrest van 13 juli 1989 (zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 19), dat in de Gemeenschap geen maatregelen kunnen worden toegelaten die zich niet verdragen met de aldus erkende en gewaarborgde rechten van de mens.

42 Volgens de rechtspraak (zie de arresten van 11 juli 1985, gevoegde zaken 60/84 en 61/84, Cinéthèque, Jurispr. 1985, blz. 2605, r.o. 26; en van 30 september 1987, zaak 12/86, Demirel, Jurispr. 1987, blz. 3719, r.o. 28) kan het Hof een nationale wettelijke regeling die niet binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt, niet toetsen aan het Europees Verdrag. Zodra daarentegen een dergelijke wettelijke regeling binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht komt, moet het Hof ingeval het om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, alle uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om de verenigbaarheid te kunnen beoordelen van die regeling met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, in het bijzonder die welke in het Europees Verdrag zijn neergelegd.

43 In het bijzonder wanneer een Lid-Staat zich beroept op het bepaalde in artikel 56 juncto artikel 66 ter rechtvaardiging van een regeling die de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting kan belemmeren, moet deze door het gemeenschapsrecht geboden rechtvaardigingsgrond worden uitgelegd in het licht van de algemene rechtsbeginselen en met name de fundamentele rechten. Aldus kan de betrokken nationale regeling slechts in aanmerking komen voor de in artikel 56 juncto artikel 66 genoemde uitzonderingen, wanneer zij in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.

44 Daaruit volgt, dat de nationale rechter, en in voorkomend geval het Hof, in een dergelijk geval de toepassing van die bepalingen dient te toetsen aan alle regels van het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen de in artikel 10 van het Europees Verdrag neergelegde vrijheid van meningsuiting, zijnde een algemeen rechtsbeginsel waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.

45 Aan de nationale rechter moet dus worden geantwoord, dat de grenzen van de bevoegdheid van de Lid-Staten om toepassing te geven aan de artikelen 66 en 56 EEG-Verdrag om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, moeten worden beoordeeld aan de hand van het algemene beginsel van de vrijheid van meningsuiting, neergelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

46 De kosten door de Franse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Monomeles Protodikeio te Thessaloniki bij beschikking van 11 april 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Het gemeenschapsrecht verzet zich niet ertegen, dat om niet-economische redenen van openbaar belang een televisiemonopolie wordt toegekend. De inrichting en uitoefening van een dergelijk monopolie mogen echter niet in strijd komen met de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen en van diensten en met de mededingingsregels.

2) De bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen verzetten zich niet ertegen, dat aan één onderneming exclusieve rechten op het gebied van de uitzending van televisieberichten worden verleend alsmede, in verband daarmee, het alleenrecht op de invoer, verhuur of distributie van de voor uitzending benodigde uitrusting en produkten, mits dit niet leidt tot discriminatie tussen nationale en ingevoerde produkten ten nadele van de laatste.

3) Artikel 59 EEG-Verdrag verzet zich tegen een nationale regeling die voor de exclusieve rechten tot uitzending van eigen programma' s en tot doorgifte van programma' s uit andere Lid-Staten een monopolie instelt, wanneer een dergelijk monopolie discriminerende gevolgen heeft ten nadele van programma' s uit andere Lid-Staten, tenzij die regeling haar rechtvaardiging vindt in een van de gronden van artikel 56, waarnaar artikel 66 EEG-Verdrag verwijst.

4) Artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag verzet zich tegen de verlening van een exclusief recht op uitzending en van een exclusief recht op doorgifte van televisieprogramma' s aan één onderneming, wanneer deze rechten een situatie kunnen doen ontstaan waarin deze onderneming tot overtreding kan komen van artikel 86 door middel van een discriminerend programmabeleid dat haar eigen programma' s begunstigt, tenzij de toepassing van artikel 86 de vervulling van de haar opgedragen bijzondere taak onmogelijk maakt.

5) Artikel 2 EEG-Verdrag verschaft geen criteria voor de toetsing van de verenigbaarheid van een nationaal televisiemonopolie met het gemeenschapsrecht.

6) De grenzen van de bevoegdheid van de Lid-Staten, toepassing te geven aan de artikelen 66 en 56 EEG-Verdrag om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, moeten worden beoordeeld aan de hand van het algemene beginsel van de vrijheid van meningsuiting, neergelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Top