EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61989CJ0190

Arrest van het Hof van 25 juli 1991.
Marc Rich & Co. AG tegen Società Italiana Impianti PA.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Court of Appeal - Verenigd Koninkrijk.
EEG-Executieverdrag - Artikel 1, tweede alinea, sub 4 - Arbitrage.
Zaak C-190/89.

European Court Reports 1991 I-03855

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1991:319

61989J0190

ARREST VAN HET HOF VAN 25 JULI 1991. - MARC RICH & CO AG TEGEN SOCIETA ITALIANA IMPIANTI PA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COURT OF APPEAL - VERENIGD KONINKRIJK. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - ARTIKEL 1, TWEEDE ALINEA, SUB 4 - ARBITRAGE. - ZAAK C-190/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03855


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Toepassingsgebied - Uitgesloten gebieden - Arbitrage - Begrip - Aanhangigmaking bij overheidsrechter voor aanwijzing van arbiter - Daaronder begrepen - Noodzaak van beslechting van prealabele vraag over bestaan of geldigheid van arbitrageovereenkomst - Niet van invloed

(Executieverdrag, art. 1, tweede alinea, sub 4)

Samenvatting


Door bij artikel 1, tweede alinea, sub 4, arbitrage uit te sluiten van de toepassing van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, op grond dat die materie reeds in internationale overeenkomsten is geregeld, hebben de verdragsluitende partijen de arbitrage in zijn geheel willen uitsluiten, met inbegrip van de voor overheidsrechters ingeleide procedures.

Hieruit volgt, dat voornoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar bedoelde uitsluiting ook geldt voor een bij een overheidsrechter aanhangige zaak betreffende de aanwijzing van een arbiter, zelfs wanneer in die zaak een prealabele vraag inzake het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst wordt opgeworpen.

Partijen


In zaak C-190/89,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Court of Appeal te Londen, in het aldaar aanhangig geding tussen

Marc Rich & Co. AG

en

Società Italiana Impianti PA,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, tweede alinea, sub 4, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal: M. Darmon

griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Marc Rich & Co. AG, vertegenwoordigd door I. Milligan, Barrister,

- Società Italiana Impianti, vertegenwoordigd door P. Gross, QC,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins als gemachtigde,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door C. Boehmer als gemachtigde,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard en C. Chavance als gemachtigden,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Forman en A. Blomefield als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster en verweerster in het hoofdgeding, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins en Van Vechten Veeder, QC, en de Commissie ter terechtzitting van 17 oktober 1990,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 februari 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 26 januari 1989, binnengekomen bij het Hof op 31 mei daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal te Londen krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: "Executieverdrag"), drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van dat Verdrag.

2 Deze vragen zijn gerezen in een bij genoemde rechterlijke instantie aanhangig geding tussen Marc Rich & Co. AG, gevestigd te Zug, Zwitserland (hierna: "Marc Rich"), en Società Italiana Impianti PA, gevestigd te Genua, Italië (hierna: "Impianti").

3 Blijkens het aan het Hof toegezonden dossier deed Marc Rich bij telexbericht van 23 januari 1987 Impianti een offerte toekomen voor de aankoop van een partij ruwe olie uit Iran, levering fob. Op 25 januari daaraanvolgend aanvaardde Impianti deze offerte, onder voorbehoud van enkele aanvullende voorwaarden. Op 26 januari bevestigde Marc Rich, dat zij die voorwaarden aanvaardde, doch op 28 januari zond zij een nieuwe telex, waarin zij de inhoud van het contract preciseerde onder toevoeging van het volgende beding:

"Toepasselijk recht en arbitrage

De uitlegging, geldigheid en uitvoering van deze overeenkomst worden beheerst door Engels recht. Alle geschillen tussen koper en verkoper worden voorgelegd aan drie arbiters te Londen. Elke partij benoemt één arbiter; de derde arbiter wordt aangewezen door de twee aldus door partijen gekozen arbiters. De beslissing van de arbiters of van twee van hen is definitief en bindend voor partijen."

4 De inlading van de olie in het door Marc Rich aangewezen schip werd op 6 februari voltooid. Diezelfde dag beklaagde Marc Rich zich erover, dat de lading ernstig was verontreinigd, waardoor zij een schade leed van meer dan 7 miljoen USD.

5 Op 18 februari 1988 liet Impianti Marc Rich dagvaarden voor de rechtbank te Genua (Italië), om te horen vaststellen dat zij niet aansprakelijk was tegenover Marc Rich. De dagvaarding werd op 29 februari 1988 aan Marc Rich betekend, die op 4 oktober 1988 met een beroep op het arbitragebeding concludeerde tot onbevoegdheid van de Italiaanse rechter.

6 Eveneens op 29 februari 1988 leidde Marc Rich te Londen een arbitrageprocedure in. Impianti weigerde een arbiter aan te wijzen. Op 20 mei 1988 wendde Marc Rich zich tot de High Court of Justice te Londen met het verzoek om aanwijzing van een arbiter krachtens Section 10 (3) van de Arbitration Act 1950. De High Court had bij beschikking van 19 mei 1988 toestemming gegeven tot betekening van dat verzoekschrift aan Impianti.

7 Op 8 juli 1988 vorderde Impianti nietigverklaring van die toestemming met het betoog, dat het werkelijke geschil tussen partijen betrekking had op de vraag of het betrokken contract al dan niet een arbitragebeding bevatte. Dat geschil zou binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag vallen en derhalve in Italië moeten worden beslist. Volgens Marc Rich daarentegen viel dit geschil ingevolge artikel 1 Executieverdrag buiten de werkingssfeer ervan.

8 De High Court oordeelde op 5 november 1988, dat het Verdrag niet van toepassing was, dat Engels recht moest worden geacht van toepassing te zijn op het contract en dat toestemming moest worden gegeven tot betekening in het buitenland.

9 In hoger beroep besloot de Court of Appeal de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

"1) Omvat de uitzondering van artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag

a) alle gedingen of beslissingen, en zo ja,

b) gedingen of beslissingen over het aanvankelijke bestaan van een arbitrageclausule?

2) Zo het onderhavige geschil binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag valt en niet onder bovengenoemde uitzondering, kunnen de kopers zich dan niettemin tot de gerechten in Engeland wenden krachtens

a) artikel 5, sub 1, Executieverdrag en/of

b) artikel 17 Executieverdrag?

3) Zo de kopers zich anderszins dan krachtens de bepalingen vermeld sub (2) tot de gerechten in Engeland kunnen wenden,

a) moet het aangezochte gerecht zich dan onbevoegd verklaren of moet het de behandeling van de zaak schorsen overeenkomstig artikel 21 Executieverdrag, of, subsidiair,

b) de behandeling van de zaak schorsen overeenkomstig artikel 22 Executieverdrag, op grond dat de zaak het eerst bij het Italiaanse gerecht is aangebracht?"

10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

11 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar vermelde uitzondering ook geldt voor een bij een overheidsrechter aanhangig geding dat strekt tot het doen aanwijzen van een arbiter, en zo ja, of die uitzondering eveneens van toepassing is wanneer in een dergelijk geding de prealabele vraag wordt opgeworpen of een arbitragebeding bestaat dan wel geldig is. Deze twee punten zullen achtereenvolgens worden onderzocht.

12 Volgens artikel 1, eerste alinea, Executieverdrag is dit Verdrag van toepassing in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Volgens de tweede alinea van dat artikel is het Verdrag niet van toepassing op:

"1)

...

4) arbitrage".

De toepasselijkheid van het Executieverdrag in zaken betreffende de aanwijzing van een arbiter

13 Impianti is van mening, dat de uitzondering van artikel 1, sub 4, van het Verdrag niet geldt voor procedures die bij overheidsrechters aanhangig zijn gemaakt, noch voor door deze rechters gegeven beslissingen. Strikt genomen zou met "arbitrage" worden gedoeld op procedures voor particulieren die door de partijen zijn gemachtigd om hun geschil te beslechten. Impianti baseert zich daarvoor in wezen op de doelstelling van artikel 220 EEG-Verdrag, dat beoogt een volledig stelsel in te voeren voor het vrije verkeer van beslissingen tot beslechting van geschillen. Dientengevolge zou het gewettigd zijn, aan artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag een zodanige draagwijdte toe te kennen, dat leemten in het stelsel van vrij verkeer van beslissingen die een einde maken aan een geschil, worden voorkomen.

14 Marc Rich en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, bepleiten een ruime uitlegging van het begrip arbitrage, waardoor in elk geval een zaak betreffende de aanwijzing van een arbiter van de toepassing van het Verdrag wordt uitgesloten.

15 Volgens zijn preambule beoogt het Executieverdrag uitvoering te geven aan de bepaling van artikel 220 van het EEG-Verdrag, betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Volgens artikel 220, vierde alinea, moesten de Lid-Staten, voor zover nodig, met elkaar in onderhandeling treden ter verzekering, voor hun onderdanen, van de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken onderworpen zijn.

16 Gezien deze verwijzing naar rechterlijke beslissingen en scheidsrechterlijke uitspraken, heeft artikel 220 EEG-Verdrag dus zowel het oog op procedures voor overheidsrechters, die eindigen met een rechterlijke beslissing, als op procedures voor particuliere arbiters, die met een scheidsrechterlijke uitspraak eindigen. Hieruit volgt echter niet noodzakelijk, dat het Executieverdrag, waarin de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen wordt geregeld, een ruime toepassing moet krijgen. Daar immers artikel 220 de Lid-Staten uitnodigt "voor zover nodig" met elkaar in onderhandeling te treden, is het aan hen de omvang van hun overeenkomst te bepalen.

17 Met betrekking tot de uitsluiting van arbitrage van het toepassingsgebied van het Verdrag wordt in het naar aanleiding van het Verdrag opgestelde deskundigenrapport (PB 1979, C 59, blz. 1) het volgende verklaard:

"Artikel 220 van het Verdrag van Rome noemt ook de arbitrage. Deze stof is echter reeds in talrijke internationale overeenkomsten geregeld. Bovendien heeft de Raad van Europa een Europees verdrag opgesteld, houdende een eenvormige wet op het gebied van de arbitrage waaraan waarschijnlijk nog een protocol zal worden gehecht; meer dan in het Verdrag van New York beoogt dit protocol de erkenning en de tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken te vergemakkelijken. Men heeft daarom gemeend dat het beter was de arbitrage uit te sluiten."

18 Bedoelde internationale overeenkomsten en met name het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale uitspraken (New York, 10 juni 1958, Recueil des traités des Nations unies, deel 333, blz. 3) stellen echter regels vast die niet door de arbiters zelf, maar door de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten in acht moeten worden genomen. Zij betreffen bij voorbeeld de verwijzing van de partijen bij een geschil naar arbitrage of de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken. Hieruit volgt, dat de verdragsluitende partijen, door arbitrage uit te sluiten van de toepassing van het Verdrag op grond dat die materie reeds in internationale overeenkomsten is geregeld, de arbitrage in zijn geheel hebben willen uitsluiten, met inbegrip van de voor overheidsrechters ingeleide procedures.

19 Wat meer in het bijzonder de aanwijzing van een arbiter door een overheidsrechter betreft, moet worden vastgesteld dat het daarbij gaat om een overheidsmaatregel die een arbitrageprocedure mogelijk moet maken. Een dergelijke maatregel ligt dus op het gebied van de arbitrage en valt als zodanig onder de uitzondering van artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag.

20 Aan deze uitlegging kan niet worden afgedaan door de omstandigheid dat bedoelde internationale overeenkomsten niet door alle Lid-Staten zijn getekend en niet op alle aspecten van de arbitrage betrekking hebben, met name niet op de procedure voor de benoeming van scheidsrechters.

21 Deze uitlegging wordt bovendien bevestigd door de opvatting van de deskundigen in het door hen opgestelde rapport naar aanleiding van de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot het Executieverdrag. Volgens dit rapport heeft het Verdrag geen betrekking op gerechtelijke procedures die ten dienste staan van een arbitrageprocedure, zoals bij voorbeeld procedures voor de benoeming of afzetting van arbiters (PB 1979, C 59, blz. 95). Ook in het rapport naar aanleiding van de toetreding van Griekenland tot het Executieverdrag gaven de deskundigen als hun mening te kennen, dat de tussenkomst van een gerecht met het oog op de samenstelling van een arbitraal college buiten het toepassingsgebied van het Verdrag valt (PB 1986, C 298, blz. 1).

De invloed van een prealabele vraag over het bestaan of de geldigheid van de arbitrageovereenkomst op de toepassing van het Verdrag op het onderhavige geding

22 Impianti betoogt, dat de uitsluiting in artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag zich niet uitstrekt tot zaken of rechterlijke beslissingen over het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst. Zij zou evenmin van toepassing zijn, wanneer de arbitrage niet het voornaamste onderwerp, doch slechts een bijkomend of incidenteel punt van de procedure is.

23 Impianti is van mening dat, indien deze uitlegging niet werd aanvaard, elk van de partijen aan de toepassing van het Executieverdrag zou kunnen ontkomen door eenvoudig te verklaren dat er een arbitrageovereenkomst bestaat.

24 De uitzondering van artikel 1, tweede alinea, sub 4, van het Verdrag is, aldus Impianti, hoe dan ook niet van toepassing in het geval waarin een geding over het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst bij verschillende krachtens het Verdrag bevoegde gerechten aanhangig is, ongeacht de vraag of dit als voornaamste dan wel als prealabel punt werd opgeworpen.

25 De Commissie deelt de mening van Impianti, voor zover het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst als prealabele vraag aan de orde is gesteld.

26 Die uitleggingen kunnen niet worden aanvaard. Om te bepalen of het Executieverdrag op een geding van toepassing is, dient men alleen te letten op het onderwerp van het geding. Valt dit wegens zijn onderwerp, bij voorbeeld de aanwijzing van een arbiter, buiten het toepassingsgebied van het Verdrag, dan kan het bestaan van een prealabele vraag waarop de rechter een antwoord moet geven om het geding te kunnen beslissen, ongeacht de inhoud ervan, de toepassing van het Verdrag niet rechtvaardigen.

27 Het zou bovendien in strijd zijn met de rechtszekerheid - één van de doelstellingen van het Verdrag (zie arrest van 4 maart 1982, zaak 38/81, Effer, Jurispr. 1982, blz. 825, r.o. 6) -, wanneer de toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 1, tweede alinea, sub 4, zou afhangen van het bestaan van een prealabele vraag, die te allen tijde door partijen kan worden opgeworpen.

28 Hieruit volgt, dat in het in de onderhavige prejudiciële vraag bedoelde geval de omstandigheid dat een prealabele vraag betrekking heeft op het bestaan of de geldigheid van de arbitrageovereenkomst, geen invloed heeft op de uitsluiting van de toepassing van het Verdrag van een zaak die betrekking heeft op de aanwijzing van een arbiter.

29 Mitsdien moet worden geantwoord, dat artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de aldaar bedoelde uitsluiting ook geldt voor een bij een overheidsrechter aanhangige zaak betreffende de aanwijzing van een arbiter, zelfs wanneer in die zaak een prealabele vraag inzake het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst wordt opgeworpen.

De tweede en de derde vraag

30 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

31 De kosten door de Duitse, de Franse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Court of Appeal te Londen bij beschikking van 26 januari 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 1, tweede alinea, sub 4, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de aldaar bedoelde uitsluiting ook geldt voor een bij een overheidsrechter aanhangige zaak betreffende de aanwijzing van een arbiter, zelfs wanneer in die zaak een prealabele vraag inzake het bestaan of de geldigheid van een arbitrageovereenkomst wordt opgeworpen.

Top