EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61989CC0221

Gevoegde conclusies van advocaat-generaal Mischo van 13 maart 1991.
The Queen tegen Secretary of State for Transport, ex parte Factortame Ltd en anderen.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: High Court of Justice, Queen's Bench Division - Verenigd Koninkrijk.
Visserij - Registratie van vaartuigen - Voorwaarden.
Zaak C-221/89.
Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Visserij - Registratie van vaartuigen - Nationaliteitsvereiste.
Zaak C-246/89.

European Court Reports 1991 I-03905

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1991:113

61989C0221

GEVOEGDE CONCLUSIES VAN DE ADVOCAAT-GENERAL MISCHO VAN 13 MAART 1991. - THE QUEEN TEGEN SECRETARY OF STATE FOR TRANSPORT, EX PARTE FACTORTAME LTD EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HIGH COURT OF JUSTICE, QUEEN'S BENCH DIVISION - VERENIGD KONINKRIJK. - ZAAK C-221/89. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND. - ZAAK C-246/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03905
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00313
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00325


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. De feitelijke en de juridische context van de twee zaken waarin ik heden conclusie neem, zijn het Hof welbekend. Deze zaken behoren immers tot een reeks beroepen betreffende de verschillende maatregelen die het Verenigd Koninkrijk en Ierland sedert 1983 successievelijk hebben vastgesteld ter bestrijding van de praktijk die bekend staat als "quota hopping", waarbij volgens het Verenigd Koninkrijk zijn vangstquota worden "geplunderd" door vaartuigen die weliswaar de Britse vlag voeren, doch die niet echt Brits zijn. De ontstaansgeschiedenis van de Britse maatregelen is samengevat in de beschikking in kort geding van de president van het Hof van 10 oktober 1989 (zaak C-246/89 R, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1989, blz. 3125).

2. Blijkens punt 3 van het rapport ter terechtzitting in beide zaken is bij de in casu bestreden Britse wetgeving, die dateert uit 1988, een nieuw register ingevoerd voor alle Britse vissersvaartuigen, met inbegrip van die welke voordien onder de Merchant Shipping Act 1894 in het oude register waren geregistreerd. In het nieuwe register mogen evenwel alleen vissersvaartuigen worden ingeschreven die aan de vereisten van Section 14 van de Merchant Shipping Act 1988 (hierna: "de wet van 1988") voldoen.

3. Section 14 (1) bepaalt dat, behoudens door de minister van Verkeer te bepalen afwijkingen, een vissersvaartuig slechts in het nieuwe register kan worden ingeschreven indien:

"a) het vaartuig in Brits eigendom is;

Volgens Section 14 (2) is een vissersvaartuig Brits eigendom, indien de "legal title" met betrekking tot het vaartuig volledig wordt gehouden door een of meer bevoegde personen of vennootschappen en indien het vaartuig beneficiair in eigendom is (beneficially owned) van een of meer bevoegde vennootschappen of voor niet minder dan 75 % in beneficiair eigendom is van een of meer bevoegde personen. Volgens Section 14 (7) wordt onder "bevoegde persoon" verstaan, een Brits onderdaan die metterwoon gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk, en onder "bevoegde vennootschap", een vennootschap naar Brits recht die haar centrum van werkzaamheid (principal place of business) in het Verenigd Koninkrijk heeft, en waarvan ten minste 75 % van de aandelen eigendom is van een of meer bevoegde personen of vennootschappen en ten minste 75 % van de bestuurders bevoegde personen zijn.

4. De vraag is, of, en zo ja, in hoeverre het opleggen van die voorwaarden voor de registratie van vissersvaartuigen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, en met name met de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag. In het beroep wegens niet-nakoming (zaak C-246/89) gaat het enkel om de voorwaarden inzake de nationaliteit van de betrokken natuurlijke of rechtspersonen. In de prejudiciële zaak (zaak C-221/89) moeten eveneens - op grond van de tweede prejudiciële vraag - de voorwaarden inzake woonplaats en domicilie van deze natuurlijke of rechtspersonen worden onderzocht, alsmede, voor vennootschappen, de voorwaarden inzake de plaats van hun centrum van werkzaamheid en de plaats van waaruit de vaartuigen worden geëxploiteerd, bestuurd en gecontroleerd. Gelet op de vragen van de verwijzende rechter en de door partijen ingediende schriftelijke opmerkingen, moet bij dit onderzoek rekening worden gehouden met de bevoegdheden die de Lid-Staten op het betrokken gebied hebben, de krachtens het volkenrecht op hen rustende verplichtingen (de eerste vraag in zaak C-221/89), alsmede met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name met het quotastelsel (de derde vraag in zaak C-221/89). De vierde prejudiciële vraag in zaak C-221/89 ten slotte betreft de omstandigheid, dat de wet van 1988 mede van toepassing is op vissersvaartuigen die in het oude register waren ingeschreven, doch waarvan de registratie in beginsel op 31 maart 1989 is verlopen, omdat zij niet aan alle nieuwe voorwaarden voldeden.

I - De omvang van de bevoegdheid van de Lid-Staten ter zake van de registratie van vissersvaartuigen

5. Niet wordt betwist, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de bevoegdheid om de voorwaarden voor de registratie van vissersvaartuigen vast te stellen, toekomt aan de Lid-Staten. Het Hof heeft dat bevestigd in zijn arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, blz. 83, r.o. 13), waarin het overwoog, dat de gemeenschapsverordeningen op het gebied van de visserij weliswaar spreken over vissersvaartuigen "die onder de vlag" van een Lid-Staat varen of op diens grondgebied staan "ingeschreven", doch het omschrijven van die begrippen aan de nationale wetgever overlaten.

6. Dat betekent echter nog niet, dat de Lid-Staten bij de uitoefening van die bevoegdheid volledig vrij zijn en van de beginselen van het gemeenschapsrecht mogen afwijken.

7. In zijn arrest van 21 juni 1988 (zaak 127/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 3333, r.o. 7) wees het Hof op zijn vaste rechtspraak (zie ook het arrest van 7 juni 1988, zaak 57/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 2855), volgens welke

"de Lid-Staten de bevoegdheden welke zij op monetair gebied hebben behouden, niet zodanig (mogen) uitoefenen dat zij eenzijdig maatregelen nemen, die bij het Verdrag verboden zijn".

8. Zonder dat behoeft te worden onderzocht, of de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden om het recht op registratie te regelen, dan wel of de Gemeenschap op eender welk ogenblik op dit gebied regelen mag stellen, moet worden vastgesteld, dat de Lid-Staten bij de uitoefening van die bevoegdheid de algemene regels van het Verdrag moeten naleven.

9. In casu gaat het evenwel om de toegang - anders dan in loondienst - tot de visserijactiviteiten en de uitoefening daarvan, dus om de vrijheid van vestiging in de visserijsector. Ook al behoeft men niet zo ver te gaan als de Commissie, die ter terechtzitting heeft gesteld, dat de registratie op zichzelf al als een vorm van vestiging is te beschouwen, niettemin moet worden opgemerkt, dat deze registratie in ieder geval een voorwaarde is voor de toegang tot de visserijactiviteiten en de uitoefening daarvan. In het arrest van 18 juni 1985 (zaak 197/84, Steinhauser, Jurispr. 1985, blz. 1819, r.o. 16) overwoog het Hof, dat de in artikel 52 EEG-Verdrag neergelegde vrijheid van vestiging niet alleen mede werkzaamheden anders dan in loondienst betreft, doch eveneens de uitoefening van die werkzaamheden in ruime zin, en dat

"het huren van een lokaal voor beroepsdoeleinden (...) de beroepsuitoefening (vergemakkelijkt) en (...) dus binnen de werkingssfeer van artikel 52 EEG-Verdrag (valt)".

Voorts overwoog het Hof in het arrest van 30 mei 1989 (zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461, r.o. 21), dat het in artikel 52 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van 14 januari 1988, zaak 63/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 29)

"niet enkel (geldt) voor bijzondere bepalingen inzake het verrichten van beroepswerkzaamheden, maar ook voor verschillende algemene bevoegdheden die nuttig zijn voor het verrichten van die werkzaamheden".

In die zaak ging het om het recht om onroerende goederen op het grondgebied van een andere Lid-Staat te verkrijgen, te gebruiken of te vervreemden, welk recht volgens het Hof het "noodzakelijk complement" op de vrijheid van vestiging is.

10. Het recht om een vissersvaartuig in te schrijven, als voorwaarde om in een andere Lid-Staat de visserij te mogen beoefenen, is mijns inziens eveneens een element dat onafscheidelijk verbonden is aan de vrijheid van vestiging in de visserijsector en valt dus binnen de werkingssfeer van artikel 52 EEG-Verdrag. Het feit dat dit recht niet uitdrukkelijk is vermeld in het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging (PB 1962, blz. 36), doet daaraan niets af, daar dit Programma, hoe nuttig het ook moge zijn, slechts aanbevelingen bevat en geen uitputtende regeling is. Uit bijlage III, waarnaar titel IV (Tijdschema), sub D, van het Programma verwijst, blijkt evenwel, dat dit Programma ook de opheffing van beperkingen van de vrijheid van vestiging in de visserijsector betreft.

11. Ook volgt uit 's Hofs rechtspraak evenwel (zie bij voorbeeld het arrest van 7 juli 1988, zaak 143/87, Stanton, Jurispr. 1988, blz. 3877, r.o. 10) dat de Lid-Staten artikel 52, een gemeenschapsbepaling met rechtstreekse werking, in acht dienen te nemen, ook al blijven zij, zolang een gemeenschapsregeling ontbreekt, bevoegd om een bepaalde materie te regelen.

12. De Britse regering en een aantal andere regeringen betwisten dat en betogen, dat het Verdrag en met name de artikelen 7, 52 en 221 niet aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten de bevoegdheid ontnemen die zij krachtens het volkenrecht op het gebied van de registratie van vaartuigen hebben.

13. Wat het volkenrecht aangaat, verwijzen de betrokken regeringen voornamelijk naar artikel 5, lid 1, van het verdrag van Genève inzake de volle zee, waarin uitdrukkelijk wordt erkend dat iedere staat

"de voorwaarden vast(stelt) voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren".

Dezelfde bepaling voegt daaraan toe:

"er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip; in het bijzonder dient de staat op administratief, technisch en sociaal gebied zijn rechtsmacht en toezicht op doeltreffende wijze uit te oefenen".

14. Wel bepaalt artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag:

"de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast".

Doch, ofschoon het verdrag van Genève pas op 29 april 1958, dus na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag op 1 januari 1958, is ondertekend, kan het Verenigd Koninkrijk zich er in beginsel op beroepen, daar krachtens artikel 5 van de Toetredingsakte van 1972

"artikel 234 van het EEG-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het EGA-Verdrag (...) voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing (zijn) op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór de toetreding".

15. Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel, dat artikel 234

"overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht beoogt te preciseren, dat de toepassing van het Verdrag de verplichting van de betrokken Lid-Staat, de uit een eerdere overeenkomst voortvloeiende rechten van derde landen te eerbiedigen en de daarmee samenhangende plichten na te komen, ongemoeid laat".(2)

In het arrest van 22 september 1988 (zaak 286/86, Deserbais, Jurispr. 1988, blz. 4907, r.o. 18) leidde het Hof uit die rechtspraak af, dat

"een Lid-Staat, wanneer (...) de rechten van derde staten niet in het geding zijn, niet met een beroep op de bepalingen van een eerdere overeenkomst belemmeringen voor het in de handel brengen van uit een andere Lid-Staat afkomstige produkten (kan) rechtvaardigen, wanneer deze produkten krachtens het in het Verdrag voorziene vrije verkeer van goederen in de handel mogen worden gebracht".

Dezelfde redenering moet mijns inziens in het onderhavige geval worden gevolgd: voor zover de naleving van de verdragsbepalingen in de relaties tussen de Lid-Staten niet indruist tegen de rechten die derde staten aan het verdrag van Genève van 1958 ontlenen, kan het Verenigd Koninkrijk dat verdrag niet aanvoeren ter rechtvaardiging van overtredingen van het gemeenschapsrecht. Het verdrag van Genève verplicht het Verenigd Koninkrijk overigens niet, bepaalde voorwaarden op te leggen om te verzekeren dat er een "wezenlijke band" bestaat tussen het Verenigd Koninkrijk en de vaartuigen waaraan het zijn vlag wenst te verlenen. Ofschoon een derde land in voorkomend geval dus een in strijd met bedoeld verdrag verleende vlag niet behoeft te erkennen, mag het dat enkel doen, wanneer er geen "wezenlijke band", van welke aard dan ook, bestaat tussen het vaartuig en de staat waarvan het de vlag voert. Tenzij men aanneemt dat het Verenigd Koninkrijk bewust de internationale verplichtingen schendt die het zelf aanvoert om aan te tonen, dat de bestreden voorwaarden zich verdragen met het gemeenschapsrecht, lijkt het feit dat de voorwaarden alleen op vissersvaartuigen van toepassing zijn, er overigens op te wijzen, dat zij ook in de ogen van het Verenigd Koninkrijk niet het enige middel zijn om de door het volkenrecht verlangde "wezenlijke band" te garanderen.

16. Voor zover het Verenigd Koninkrijk wenst aan te voeren, dat het zelf aan het verdrag van Genève het recht ontleent om daartoe de bestreden voorwaarden op te leggen, kan voorts worden verwezen naar het arrest van 27 februari 1962 (zaak 10/61, Commissie/Italië, Jurispr. 1962, blz. 1), waarin het Hof overwoog:

"een Lid-Staat die ingevolge de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag nieuwe verplichtingen aanvaardt, strijdig met hem uit een eerdere overeenkomst toekomende rechten, doet krachtens de beginselen van het volkenrecht daardoor tevens afstand van die rechten, voor zover althans zulks voor de nakoming van zijn nieuwe verplichtingen noodzakelijk is" (zie de samenvatting van het arrest, sub 2, Jurispr. 1962, blz. 5).

In dit arrest maakte het Hof uitdrukkelijk de stelling van de Commissie tot de zijne, dat

"de woorden 'rechten en verplichtingen' in artikel 234, wat de rechten betreft, doelen op de rechten van derde landen en, wat de verplichtingen aangaat, op de verplichtingen der Lid-Staten" (Jurispr. 1962, blz. 21-22).

Naar aanleiding daarvan stelde het Hof in hetzelfde arrest vast, dat artikel 234 meebrengt, dat een Lid-Staat in zijn relaties met andere Lid-Staten een andere regeling moet toepassen dan in zijn relaties met derde staten, ook al zijn alle betrokken staten partij bij een zelfde internationaal verdrag. Het verdrag van Genève zelf erkent deze mogelijkheid; artikel 30 ervan bepaalt:

"aan reeds van kracht zijnde verdragen of andere internationale overeenkomsten wordt, voor zover betreft de staten die daarbij partij zijn, geen afbreuk gedaan door de bepalingen van dit verdrag".

17. Om aan deze conclusie te ontkomen, betoogde de Britse regering in haar dupliek in zaak C-246/89 (zie punt 89 van het rapport ter terechtzitting) en ter terechtzitting, dat het criterium van de nationaliteit van de eigenaar van het vaartuig slechts de weerspiegeling is van het internationale gewoonterecht, waarvan niet kan worden aangenomen dat het Verdrag dit niet in acht neemt. Dit argument moet mijns inziens worden verworpen, zodat de erin opgeworpen vraag van de hiërarchie der normen niet behoeft te worden beslecht. Immers, ofschoon uit de preambule van het verdrag van Genève volgt, dat de bepalingen ervan "als algemene verklaring van vaststaande beginselen van het volkenrecht" zijn aangenomen, denk ik niet dat de stelling van de Britse regering gegrond is. Immers, enerzijds verlangt het verdrag van Genève zelf enkel, zoals ik pas heb gezegd, dat er een "wezenlijke band" bestaat tussen vlaggestaat en vaartuig. Anderzijds blijkt uitdrukkelijk uit het commentaar van de International Law Commission, waarnaar de Britse regering zelf verwijst, dat de ILC het, gezien de uiteenlopende praktijken in de verschillende staten, "nuttig heeft geacht zich te beperken tot de vaststelling van het hoofdbeginsel dat, opdat het verlenen van een vlag algemeen wordt erkend, er een werkelijke band moet bestaan tussen het vaartuig en de staat die zijn vlag verleent" en het "niet mogelijk heeft geacht meer in detail aan te geven hoe die band moet worden ingevuld" (zie de repliek van de Commissie in zaak C-246/89).

18. Het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend te Montego Bay op 10 december 1982, dat door de Gemeenschap is ondertekend, doch dat nog niet in werking is getreden, bevat bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van artikel 5, lid 1, van het verdrag van Genève (zie de artikelen 91 en 94). Ten slotte gaat het verdrag van de Verenigde Naties van 1986 inzake de voorwaarden voor de registratie van vaartuigen (United Nations Convention on Conditions for Registration of Ships), dat nog door geen enkele Lid-Staat is ondertekend, zelfs zo ver dat het de staten uitdrukkelijk het recht verleent te kiezen tussen het criterium van de nationaliteit van de eigenaar en het criterium van de nationaliteit of de woonplaats van de bemanningsleden (zie de artikelen 7 tot en met 9; schriftelijke opmerkingen van de Commissie in zaak C-221/89). Ofschoon het criterium van de nationaliteit van de eigenaar dus in overeenstemming is met een tamelijk algemene internationale praktijk, kan men echter niet zeggen, dat het tot het internationaal gewoonterecht behoort.

19. Het argument van de Britse, de Belgische, en de Griekse regering, en - met betrekking tot vaartuigen in het algemeen - van de Deense regering, dat de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag in het geheel geen betrekking hebben op voorwaarden als die welke in het onderhavige geval aan de orde zijn, faalt mijns inziens eveneens.

20. Weliswaar onderstelt het discriminatieverbod op grond van nationaliteit het bestaan van een nationaliteit, gelijk de Britse regering betoogt, en vindt het discriminatieverbod van de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag slechts toepassing, wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat de rechtssubjecten verschillend behandelt wegens hun nationaliteit, zoals de Belgische, de Griekse en de Deense regering betogen. Het lijkt mij evenwel niet juist, daaraan de conclusie te verbinden dat artikel 7 EEG-Verdrag en de artikelen 52 en 221, die daarvan de bijzondere uitdrukking vormen, niet van toepassing kunnen zijn op nationaliteitsvereisten zoals die welke in de onderhavige zaak worden bestreden.

21. Het discriminatieverbod betreft namelijk elke discriminatie op grond van nationaliteit, tussen hetzij de vaartuigen van de Lid-Staten, hetzij de onderdanen van de Lid-Staten, al naar gelang het geval. Met betrekking tot vissersvaartuigen wordt dit overigens formeel gezegd in artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19), dat bepaalt:

"De in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten. Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee."

Het stelsel van nationale quota, zoals neergelegd in verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1), vormt een afwijking van deze algemene regel van de gelijke voorwaarden ten aanzien van de toegang tot de visbestanden(3) (zie het arrest van 14 december 1989, zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509, r.o. 24): alleen vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of die op zijn grondgebied staan ingeschreven, mogen onder de aan die Lid-Staat toegewezen quota vissen (die met andere woorden dus voor "nationale" vaartuigen zijn gereserveerd), met uitsluiting van de vaartuigen van de andere Lid-Staten.

22. In de onderhavige zaken gaat het evenwel niet om de toegang van de vissersvaartuigen van de Lid-Staten tot visserijactiviteiten in de Gemeenschap, maar om de toegang van de onderdanen van de Lid-Staten tot vaartuigen en de exploitatie ervan. De stelling van voornoemde regeringen nu komt erop neer, dat op de afwijking van het discriminatieverbod op grond van nationaliteit voor vissersvaartuigen een tweede afwijking wordt geënt, ditmaal gebaseerd op de nationaliteit van de eigenaars of de exploitanten van die vaartuigen. Deze tweede afwijking berust op een verwarring van de "nationaliteit" van vaartuigen met de nationaliteitsvoorwaarden die voor de onderdanen van de Lid-Staten gelden. Zij zou ertoe leiden, dat via de regels voor de registratie van vaartuigen opnieuw een discriminatie op grond van de nationaliteit van personen wordt ingevoerd, terwijl het verbod daarvan juist een van de fundamentele regels van het EEG-Verdrag is. De overweging dat vaartuigen fundamenteel verschillen van vennootschappen - zie punt 90 van het rapport ter terechtzitting in zaak C-246/89 - vormt geen rechtvaardiging voor een discriminatie tussen vennootschappen en onderdanen van de Lid-Staten op het gebied van de "nationaliteit" van vaartuigen. Integendeel, in dit verband lijkt het mij van belang op te merken, dat in artikel 58 EEG-Verdrag, waarin wordt omschreven op welke vennootschappen het hoofdstuk betreffende de vrijheid van vestiging van toepassing is, naast het criterium van de oprichting volgens de wetgeving van een Lid-Staat ook het criterium van de statutaire zetel of de hoofdvestiging wordt vermeld, doch niet het criterium van de nationaliteit van de oprichters, bestuurders of aandeelhouders.(4) De verschillende behandeling van natuurlijke of rechtspersonen van verschillende nationaliteit kan de Britse regering dus niet rechtvaardigen met een beroep op het feit, dat artikel 7 slechts van toepassing is op discriminaties tussen vaartuigen, wanneer deze een verschillende "nationaliteit" hebben. De artikelen 52 en 221 EEG-Verdrag, die de vestiging en de deelneming in het kapitaal betreffen, kunnen in ieder geval enkel op personen, en niet op vaartuigen van toepassing zijn.

23. Samenvattend leid ik uit het voorgaande af, dat het volkenrecht de Lid-Staten op het gebied van de registratie van vaartuigen weliswaar bepaalde verplichtingen oplegt, doch dat deze vrij vaag zijn. Het volkenrecht zegt met name niet, wat onder "wezenlijke band" moet worden verstaan. Een en ander brengt mee, dat de Lid-Staten voor de uitoefening van het recht op registratie bijzondere regels mogen vaststellen die in hun onderlinge relaties gelden, zoals die van de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag. Bijgevolg geef ik in overweging de eerste vraag in zaak C-221/89 te beantwoorden als volgt:

"Op het huidige ogenblik staat het aan de betrokken Lid-Staat te bepalen of een vaartuig in deze staat mag worden geregistreerd; niettemin dient deze Lid-Staat de relevante beginselen en bepalingen van het gemeenschapsrecht te eerbiedigen."

II - De verenigbaarheid van de bestreden registratievoorwaarden met het gemeenschapsrecht en inzonderheid met de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag

24. Om de volgorde van de vragen van de verwijzende rechter in zaak C-221/89 te respecteren, onderzoek ik eerst de verenigbaarheid van de registratievoorwaarden met het gemeenschapsrecht, zonder daarbij rekening te houden met het communautaire quotastelsel. Het quotastelsel is hoe dan ook enkel van invloed op de verenigbaarheid van vorenbedoelde voorwaarden met het gemeenschapsrecht, ten aanzien van de registratie van vissersvaartuigen die op vissoorten vissen waarvoor quota gelden.

25. Het onderzoek van de tweede vraag van de verwijzende rechter wordt mijns inziens vergemakkelijkt, indien deze vraag in verschillende delen wordt onderverdeeld, naar gelang zij betrekking heeft op de nationaliteit of de woonplaats van de eigenaars en de exploitanten(5), dan wel op de plaats van exploitatie van de vaartuigen. Ik stel dan ook voor, ze te herformuleren als volgt:

"Staat het gemeenschapsrecht, en met name de artikelen 7, 52 en 221 EEG-Verdrag, eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor de inschrijving van een vissersvaartuig in zijn nationaal register als voorwaarden stelt, dat:

a) de eigenaars en de exploitanten van het vaartuig onderdaan van deze Lid-Staat of vennootschappen naar het recht van die Lid-Staat zijn, en dat bij dergelijke vennootschappen ten minste 75 % van de aandelen in eigendom toebehoren aan onderdanen van die Lid-Staat of aan vennootschappen naar het recht van die Lid-Staat, waarvan ten minste 75 % van de bestuurders onderdaan van die Lid-Staat zijn,

b) deze eigenaars, exploitanten, aandeelhouders en bestuurders, naar gelang het geval, metterwoon in die Lid-Staat gevestigd zijn, en, voor vennootschappen, dat deze aldaar hun centrum van werkzaamheid hebben,

c) het vaartuig wordt beheerd en de exploitatie ervan wordt bestuurd en gecontroleerd vanuit die Lid-Staat?"

26. Alvorens deze voorwaarden successievelijk te onderzoeken, wil ik eerst de volgende vier opmerkingen maken:

1) Uitsluitend ter zake van het aan aandeelhouders opgelegde woonplaatsvereiste beroept de Commissie zich op de richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB 1960, blz. 921), zoals nadien gewijzigd(6); deze richtlijn zal ik hierna in het kader van onderdeel b) van de geherformuleerde vraag onderzoeken. De Commissie heeft die richtlijn overigens niet vermeld in haar beroep wegens niet-nakoming, dat uitsluitend de nationaliteitsvereisten betreft.

2) Aangezien de onderhavige zaken betrekking hebben op de toegang van de onderdanen van een Lid-Staat tot de visserijactiviteiten en de uitoefening daarvan in een andere Lid-Staat met behulp van een in deze laatste Lid-Staat geregistreerd vaartuig, lijkt het door de Spaanse regering aangevoerde artikel 59 EEG-Verdrag, dat de vrije dienstverlening betreft, mij niet van toepassing te zijn. Immers, om van dienstverlening in de zin van artikel 59 in de sector zeevisserij te kunnen spreken, moet er mijns inziens sprake zijn van een verrichting door een in een Lid-Staat gevestigde onderdaan ten behoeve van iemand die in een andere Lid-Staat is gevestigd, maar met behulp van een in de eerste Lid-Staat geregistreerd vaartuig.

3) In zijn arrest van 30 mei 1989 (zaak 305/87, reeds aangehaald, r.o. 12 en 13) overwoog het Hof, dat

"het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat is neergelegd in artikel 7 EEG-Verdrag, in de artikelen 48, 52 en 59 EEG-Verdrag voor de daar geregelde bijzondere gebieden nader is uitgewerkt. Iedere regeling die onverenigbaar is met deze bepalingen, is bijgevolg eveneens onverenigbaar met artikel 7 EEG-Verdrag"

dat

"derhalve autonoom slechts toepassing (kan) vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet".

De verenigbaarheid van de bestreden registratievoorwaarden met artikel 7 EEG-Verdrag behoeft bijgevolg slechts te worden onderzocht, voor zover er zich andere situaties voordoen dan die welke gedekt zijn door een van de bijzondere bepalingen die in casu aan de orde zijn.

27. Het door verzoekers in het hoofdgeding in zaak C-221/89 aangevoerde artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag vormt slechts de uitdrukking, specifiek op het gebied van de landbouw, van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een ruimere draagwijdte heeft dan het dicriminatieverbod op grond van nationaliteit, waarom het in de onderhavige zaak enkel gaat.

4) Ten slotte beroepen verzoekers in het hoofdgeding in zaak C-221/89 zich op artikel 53 EEG-Verdrag, luidende als volgt:

"de Lid-Staten voeren geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vestiging op hun grondgebied van onderdanen der andere Lid-Staten, voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald".

Dit voegt evenwel niets toe aan het algemene verbod van artikel 52, nu het Hof heeft geoordeeld, dat laatstgenoemde bepaling vanaf het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking heeft.

28. Na deze preciseringen ga ik thans elk van de bestreden registratievoorwaarden onderzoeken.

a) De nationaliteitsvereisten

29. Het staat buiten kijf, dat nationaliteitsvereisten, zoals die van de Britse wet van 1988, in strijd zijn met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat is neergelegd in de artikelen 52 en 221 EEG-Verdrag, die respectievelijk het recht van vestiging en het recht om deel te nemen in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel 58 betreffen. Op dit punt ben ik het volledig eens met de beoordeling van de Commissie zoals die is weergegeven in de rapporten ter terechtzitting (zie de punten 49 en 50 in zaak C-221/89, en 21 en 22 in zaak C-246/89). In de beschikking van 10 oktober 1989 (zaak C-246/89 R, reeds aangehaald, r.o. 30) merkte de president van het Hof op:

"tot de uit die verdragsbepalingen voortvloeiende rechten behoort niet alleen het recht om zich te vestigen en deel te nemen in het kapitaal van rechtspersonen, maar ook het recht om een economische activiteit uit te oefenen, in voorkomend geval door middel van een vennootschap, onder de voorwaarden die de wetgeving van het land van vestiging voor zijn eigen onderdanen bepaalt".

30. Volgens artikel 52, tweede alinea, omvat de vrijheid van vestiging namelijk:

"behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld".

Krachtens de eerste alinea heeft de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn gevestigd.

31. Uit dit artikel, en met name uit de gecursiveerde passage volgt, dat het argument van de Britse regering, dat artikel 52 niet is geschonden, omdat de nationaliteitsvereisten onderdanen van andere Lid-Staten niet beletten om zich in het Verenigd Koninkrijk te vestigen en aldaar vissersvaartuigen te exploiteren, doch alleen om zulks onder Britse vlag te doen, moet worden verworpen: laatstgenoemde beperking geldt niet voor Britse onderdanen. Daarbij komt, dat indien alle Lid-Staten voor de registratie van hun vissersvaartuigen dezelfde voorwaarden inzake woonplaats en domicilie zouden stellen als het Verenigd Koninkrijk, aldaar gevestigde onderdanen van andere Lid-Staten zelfs geen enkele visserijactiviteit zouden kunnen uitoefenen, onder welke vlag dan ook, daar zij van geen enkele Lid-Staat de vlag zouden mogen voeren.

32. Het voorgaande geldt eveneens voor de aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen, die onderdaan van een andere Lid-Staat zijn en die krachtens voormelde bepaling het recht hebben om onder dezelfde voorwaarden als aandeelhouders en bestuurders van Britse nationaliteit vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, op te richten en te beheren.

33. De Britse wetgeving ontzegt vennootschappen van andere Lid-Staten die, wat de toepassing van de bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging betreft, ingevolge artikel 58, eerste alinea, gelijkgesteld zijn met natuurlijke personen, zonder meer het recht om zich door middel van agentschappen, filialen of dochterondernemingen in het Verenigd Koninkrijk te vestigen, daar zij bepaalt, dat alleen overeenkomstig de Britse wetgeving opgerichte vennootschappen eigenaar en exploitant van vissersvaartuigen mogen zijn en daar zij, net als in het geval van natuurlijke personen, hun recht om deel te nemen in het kapitaal van dergelijke vennootschappen beperkt.

34. Voorts wordt in artikel 221 EEG-Verdrag, dat bepaalt dat

"de Lid-Staten nationale behandeling (verlenen) wat betreft financiële deelneming door de onderdanen van de andere Lid-Staten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 58, onverminderd de toepassing der overige bepalingen van dit Verdrag",

de toepassing van nationaliteitsvereisten verboden, zelfs indien de betrokkenen niet voornemens zijn zich in het Verenigd Koninkrijk te vestigen.

35. Ten slotte maakt de bevoegdheid van de Secretary of State krachtens Section 14 (4) om een individueel persoon ontheffing te verlenen van het nationaliteitsvereiste in verband met de duur van de periode waarin deze persoon in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest en betrokken is geweest bij de visserij van die Lid-Staat, de nationaliteitsvereisten nog niet verenigbaar met het Verdrag. Gelijk de Commissie betoogt, is het namelijk vaste rechtspraak, dat de enkele omstandigheid dat het bevoegde gezag is gemachtigd ontheffingen te verlenen, zelfs indien van deze machtiging royaal gebruik wordt gemaakt(7), niet een nationale maatregel kan rechtvaardigen die in strijd is met het Verdrag.

36. Uit het voorgaande volgt, dat onderdeel a) van de tweede vraag in zaak C-221/89 bevestigend moet worden beantwoord: het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg dat een Lid-Staat voor de inschrijving van een vissersvaartuig in zijn nationaal register als voorwaarde stelt dat de eigenaars en de exploitanten van het vaartuig - ongeacht of het om natuurlijke of rechtspersonen gaat -, of 75 % van de bestuurders en aandeelhouders van een vennootschap die een dergelijk vaartuig in eigendom heeft of exploiteert, onderdaan van die Lid-Staat zijn, zelfs indien de bevoegde nationale instantie ingevolge de wet bepaalde personen vrijstelling van dat vereiste mag verlenen.

37. Alvorens het punt van het nationaliteitsvereiste af te ronden, wil ik pro memorie nog opmerken, dat de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, dat de Lid-Staat van de vlag mag verlangen, dat de kapitein van het vaartuig en de stuurman zijn nationaliteit bezitten.

b) De voorwaarden betreffende de woonplaats en het domicilie van natuurlijke personen en de plaats van het centrum van werkzaamheid van rechtspersonen

38. Met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in onderdeel b, van de tweede prejudiciële vraag, zoals geherformuleerd, moet vooraf worden opgemerkt, dat de omstandigheid dat visserijactiviteiten anders dan in loondienst met behulp van een in een Lid-Staat geregistreerd vissersvaartuig worden verricht, op zichzelf nog niet betekent dat er sprake is van vestiging in die Lid-Staat. Dat is bevestigd in 's Hofs arrest van 27 september 1989 (zaak 9/88, Lopes da Veiga, Jurispr. 1989, blz. 2989, r.o. 12 tot en met 17), volgens hetwelk een onderdaan van een Lid-Staat die arbeid in vaste dienst verricht aan boord van een schip dat onder de vlag van een andere Lid-Staat vaart, slechts de hoedanigheid van werknemer/onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam is bezit, wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied heeft. Om na te gaan of dat het geval is, moet niet alleen rekening worden gehouden met het feit dat hij op een in die Lid-Staat geregistreerd schip werkt, maar ook met andere omstandigheden, zoals het feit dat hij voor een overeenkomstig het recht van die Lid-Staat opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap werkt, of dat hij in die Lid-Staat is aangeworven en de arbeidsverhouding met zijn werkgever wordt beheerst door het recht van de vlaggestaat, of nog dat hij verzekerd is uit hoofde van het sociale-zekerheidsstelsel van die Lid-Staat en aldaar loonbelasting betaalt.

39. Hetzelfde moet mijns inziens voor het recht van vestiging gelden: van een onderdaan van een Lid-Staat kan nog niet worden gezegd, dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht om zich in een andere Lid-Staat te vestigen, wanneer hij een in die Lid-Staat geregistreerd vaartuig exploiteert; daarnaast moet zijn activiteit nog andere aanknopingspunten met het grondgebied van die Lid-Staat hebben.

40. De vraag is dus, welke andere aanknopingspunten een Lid-Staat mag verlangen van een onderdaan van een andere Lid-Staat, die een onder zijn vlag varend vissersvaartuig wenst te exploiteren, zonder daarbij artikel 52 EEG-Verdrag te schenden, en of, gelijk de Britse wetgeving doet, mag worden verlangd, dat alle eigenaars en exploitanten van een dergelijk vaartuig alsmede 75 % van de aandeelhouders en bestuurders van de vennootschappen die het vaartuig in eigendom hebben of exploiteren, metterwoon op zijn grondgebied gevestigd zijn.

41. De nationaliteitsvereisten daargelaten, gelden deze voorwaarden in het onderhavige geval gelijkelijk voor Britse onderdanen en voor onderdanen van de andere Lid-Staten. De Commissie, de Spaanse regering en verzoekers in het hoofdgeding in zaak C-221/89 betogen evenwel, dat deze voorwaarden formeel gezien weliswaar gelijkelijk van toepassing zijn op de eigen onderdanen, doch in werkelijkheid zowel qua doel als werking discriminerend zijn, daar de overgrote meerderheid van de betrokken Britse onderdanen automatisch daaraan voldoet. Inderdaad heeft het Hof in het arrest van 5 december 1989 (zaak C-3/88, Commissie/Italië, Jurispr. 1989, blz. 4035, r.o. 8) uitdrukkelijk bevestigd, dat het beginsel van gelijke behandeling, waarvan artikel 52 EEG-Verdrag een bijzondere uitdrukking vormt,

"niet alleen zichtbare discriminaties op grond van nationaliteit (verbiedt), maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria tot hetzelfde resultaat leiden".

42. In het kader van de vrijheid van vestiging is het woonplaatsvereiste mijns inziens evenwel niet per se een onderscheidingscriterium dat de facto tot discriminatie op grond van nationaliteit leidt. Een woonplaatsvereiste, inhoudende dat men een bepaalde tijd in het land moet hebben gewoond, alvorens men toegang tot een zelfstandig beroep krijgt, zou ongetwijfeld een verkapte discriminatie opleveren, daar de eigen onderdanen nagenoeg automatisch aan die voorwaarde voldoen; zij zou dus uitsluitend dan wel hoofdzakelijk een belemmering voor de onderdanen van de andere Lid-Staten opleveren.

43. De zaak ligt evenwel anders, wanneer aan het woonplaatsvereiste niet moet voldaan zijn vóór de toegang tot een beroep, doch in de loop van de uitoefening ervan. Immers, zoals advocaat-generaal Darmon in punt 3 van zijn conclusie van 7 juni 1988 in de zaak Daily Mail (zaak 81/87, Jurispr. 1988, blz. 5500) opmerkte,

"betekent vestiging in de zin van het Verdrag (...) dan ook tweeërlei: materiële vestiging en uitoefening van een economische activiteit; beide elementen moeten zo al niet permanent dan toch van langere duur zijn".

Volgens het Algemeen Programma van de Raad voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging (PB 1962, blz. 36) houdt vestiging in: "de feitelijke vestiging met het oog op de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een Lid-Staat".

44. De vrijheid van vestiging impliceert evenwel niet alleen, dat men zich feitelijk op het grondgebied van het betrokken land vestigt, maar eveneens dat men dat doet met het oog op de uitoefening van een economische activiteit. Volgens 's Hofs rechtspraak(8) gelden de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen slechts voor het verrichten van reële en daadwerkelijke economische activiteiten, met uitsluiting van activiteiten van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken. De materiële aanwezigheid op het grondgebied van het land van vestiging moet dus van dien aard zijn, dat de uitoefening van reële en daadwerkelijke activiteiten op of vanaf het grondgebied van het land van vestiging mogelijk is.

45. Ten slotte is het niet overbodig, eraan te herinneren, dat deze aanwezigheid op het grondgebied van het land van vestiging zo al niet permanent dan toch op zijn minst van langere duur dient te zijn, daar anders het onderscheid tussen vestiging en dienstverlening teloorgaat. Uit 's Hofs arrest van 5 oktober 1988 (zaak 196/87, Steymann, Jurispr. 1988, blz. 6159, r.o. 16 en 17) volgt, dat een werkzaamheid die duurzaam wordt uitgeoefend of waarvan althans het einde niet valt te voorzien, niet onder de gemeenschapsbepalingen inzake het verrichten van diensten kan vallen, maar naar gelang het geval, binnen de werkingssfeer van de artikelen 48 tot en met 51 en 52 tot en met 58 van het Verdrag valt. Dat is zeker het geval, wanneer een onderdaan van een Lid-Staat zich naar het grondgebied van een andere Lid-Staat begeeft en aldaar zijn hoofdverblijfplaats vestigt.

46. Uit een en ander vloeit voort, dat niet ieder woonplaatsvereiste noodzakelijkerwijs in strijd is met artikel 52, aangezien de vrijheid van vestiging per definitie een feitelijke en permanente aanwezigheid op het grondgebied van het land van vestiging impliceert, die de reële en daadwerkelijke uitoefening van de betrokken economische activiteit mogelijk maakt.

47. Dit neemt echter niet weg, dat de Commissie mijns inziens terecht stelt, dat het vereiste dat alle eigenaars en exploitanten van een Brits vissersvaartuig hun woonplaats in het Verenigd Koninkrijk moeten hebben, verder gaat dan wat artikel 52 EEG-Verdrag toestaat. Dat geldt eveneens, en a fortiori, voor het domicilievereiste, dat volgens de Britse regering een voorwaarde is die meer eist dan een simpele woonplaats, en dat inhoudt, dat men in de Lid-Staat moet leven met de bedoeling zich aldaar definitief en permanent te vestigen. Hetzelfde geldt voor het vereiste, dat 75 % van de bestuurders en aandeelhouders van vennootschappen die in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vissersvaartuigen in eigendom hebben of exploiteren, metterwoon in het Verenigd Koninkrijk gevestigd moeten zijn.

48. Hoe staat het nu, wanneer een dergelijk vaartuig geheel aan een enkele persoon toebehoort? De vrijheid van vestiging impliceert weliswaar een feitelijke installatie in het land van vestiging, doch niet is vereist, dat hij die ervan gebruik maakt, zelf zijn woonplaats of, a fortiori, zijn hoofdverblijfplaats in dat land heeft. Zulks zou ten onrechte afbreuk doen aan de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging, doordat de uitoefening van het recht van secundaire vestiging zou worden beperkt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name het arrest van 7 juli 1988, zaak 143/87, Stanton, Jurispr. 1988, blz. 3877, r.o. 11)

"houdt de vrijheid van vestiging meer in dan het recht om binnen de Gemeenschap één vestiging te hebben, en omvat zij mede de mogelijkheid om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden".

49. Met betrekking tot het vereiste, dat vennootschappen die in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vissersvaartuigen in eigendom hebben of exploiteren hun centrum van werkzaamheid (principal place of business) in het Verenigd Koninkrijk moeten hebben, valt weinig toe te voegen aan wat ik heb gezegd bij het onderzoek van de nationaliteitsvereisten. Immers, volgens 's Hofs rechtspraak heeft de zetel in de zin van artikel 58, dat wil zeggen de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging, de functie de verbondenheid met de rechtsorde van een bepaalde Lid-Staat vast te stellen, zoals de nationaliteit dat bij natuurlijke personen doet. Het Hof leidde daaruit af, dat deze bepaling zou

"worden uitgehold indien het de Lid-Staat van vestiging vrijstond een verschillende behandeling toe te passen, enkel omdat de zetel van een vennootschap zich in een andere Lid-Staat bevindt".(9)

50. Ook in het onderhavige geval moet dit beginsel worden toegepast. Immers, indien wordt verlangd dat een overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat opgerichte vennootschap, die haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging in die, of zelfs in een andere, Lid-Staat heeft, haar centrum van werkzaamheid (principal place of business) overbrengt naar de Lid-Staat waar een bepaalde activiteit, zoals de visserij, zal worden uitgeoefend, wordt haar de mogelijkheid ontnomen, haar in artikel 52, eerste alinea, tweede zin, met zoveel woorden voorziene recht op vestiging door middel van agentschappen, filialen of dochterondernemingen uit te oefenen.

51. Daaraan kan nog worden toegevoegd, dat de secundaire vestiging niet noodzakelijkerwijs de vorm van een agentschap, een filiaal of een dochteronderneming behoeft aan te nemen. Gelijk het Hof constateerde in het arrest van 4 december 1986 (zaak 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755, r.o. 21), kan dat recht ook worden uitgeoefend door middel van

"een eenvoudig bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon, die echter gemachtigd is duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen".

52. Volledigheidshalve wil ik nog opmerken, dat de verwijzing van de Britse regering naar het arrest van 6 november 1984 (zaak 182/83, Fearon, Jurispr. 1984, blz. 3677), waarin het Hof een vereiste van woonplaats op het Ierse grondgebied verenigbaar met artikel 52 verklaarde, in casu niet relevant is. Afgezien van het feit dat dit woonplaatsvereiste niet gepaard ging met een nationaliteitsvereiste, verschilt die zaak namelijk in verscheidene opzichten van de onderhavige. Om te beginnen ging het om een woonplaatsvereiste dat werd opgelegd aan onderdanen van andere Lid-Staten die reeds gebruik hadden gemaakt van hun recht krachtens artikel 52 EEG-Verdrag om zich in Ierland te vestigen, door deel te nemen aan de oprichting van een vennootschap in de zin van artikel 58. In het onderhavige geval daarentegen wordt het recht zelf van onderdanen van andere Lid-Staten om deel te nemen aan de oprichting van een vennootschap in het Verenigd Koninkrijk door het woonplaatsvereiste beperkt. Voorts was in de zaak Fearon niet het recht om een economische activiteit uit te oefenen aan het aan de aandeelhouders opgelegde woonplaatsvereiste onderworpen, doch enkel de vrijwaring tegen onteigeningsmaatregelen op grond van een wettelijke regeling die de eigendom van landbouwgrond regelde en die diende te verzekeren, dat de grond zo veel mogelijk toebehoort aan degene die deze bewerkt. Ten slotte ging het om een woonplaatsvereiste dat niet voor het gehele nationale grondgebied gold, doch geografisch beperkt was: aan dit vereiste werd enkel voldaan, indien de betrokken personen, inclusief de Ierse onderdanen, minder dan drie mijl van het betrokken stuk grond woonden.

53. Aangezien het woonplaats- en het domicilievereiste, zoals onder meer opgelegd aan 75 % van de aandeelhouders, dus reeds in strijd zijn met artikel 52 EEG-Verdrag, behoef ik slechts betrekkelijk kort in te gaan op de vraag, of zij zich verdragen met de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB 1960, blz. 921), zoals nadien gewijzigd. Per 1 juli 1990 is deze richtlijn overigens vervangen door de reeds aangehaalde richtlijn 88/361 van de Raad die, afgezien van enkele beperkte en tijdelijke afwijkingen, in de volledige opheffing van de "beperkingen (...) met betrekking tot het kapitaalverkeer tussen ingezetenen van de Lid-Staten" voorziet (artikel 1), daaronder begrepen de "directe beleggingen door niet-ingezetenen in het binnenland" en de "verwerving door niet-ingezetenen van ter beurze verhandelde binnenlandse effecten" (zie de punten I.A. en III.A.3 van bijlage I bij de richtlijn); deze verrichtingen zijn door de Commissie uitdrukkelijk genoemd. Maar zelfs onder de Eerste richtlijn, zoals met name gewijzigd bij richtlijn 86/566/EEG van 17 november 1986 (PB 1986, L 332, blz. 22), stond de onverenigbaarheid van de vereisten inzake woonplaats en domicilie van de aandeelhouders buiten kijf. Immers, het feit dat de Eerste richtlijn formeel uitsluitend betrekking had op beperkingen van wisselverrichtingen, heeft het Hof er niet van weerhouden, deze richtlijn in het arrest van 24 juni 1986 (zaak 157/85, Brugnoni, Jurispr. 1986, blz. 2013, r.o. 22) toe te passen op elke "belemmering" van de zo uitgebreid mogelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer, dat de richtlijn volledig beoogde te liberaliseren. Weliswaar heeft het arrest Brugnoni betrekking op artikel 2, lid 1, van de Eerste richtlijn, krachtens hetwelk de Lid-Staten algemene vergunningen voor de in lijst B van bijlage I bij deze richtlijn genoemde kapitaalbewegingen verlenen, en is bij richtlijn 86/566 dit artikel 2 ingetrokken en lijst B samengevoegd met lijst A, bedoeld in artikel 1, lid 1, dat de afgifte van alle nodige deviezenvergunningen voorschrijft. Dat doet evenwel niet af aan het voorgaande, daar het arrest Brugnoni - gelijk de Commissie opmerkt - op het algemene doel van de eerste richtlijn is gebaseerd, in zoverre zij van toepassing is op alle door de richtlijn geliberaliseerde verrichtingen, en aangezien uit 's Hofs arrest van 3 december 1987 (zaak 194/84, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1987, blz. 4737, r.o. 9) volgt, dat voor de kapitaalbewegingen van lijst A eveneens een "onvoorwaardelijke vrijmaking" geldt.

54. Om al deze redenen moet onderdeel b) van de tweede vraag in zaak C-221/89, zoals geherformuleerd, eveneens bevestigend worden beantwoord. Anders gezegd, het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor de inschrijving als voorwaarde stelt, dat de eigenaars, exploitanten, aandeelhouders en bestuurders, naar gelang het geval, metterwoon in die Lid-Staat gevestigd zijn, en, voor vennootschappen, dat deze aldaar hun centrum van werkzaamheid hebben.

c) Het vereiste betreffende de plaats van waaruit het vaartuig wordt geëxploiteerd, bestuurd en gecontroleerd

55. Krachtens Section 14 (1),(b), van de Britse wet kan een vissersvaartuig slechts in het nieuwe register worden ingeschreven, indien het

"wordt beheerd, en zijn exploitatie wordt bestuurd en gecontroleerd vanuit het Verenigd Koninkrijk".

56. Uit mijn meer algemene overwegingen met betrekking tot het begrip vestiging in de zin van het EEG-Verdrag volgt, dat dit vereiste verenigbaar is met artikel 52 EEG-Verdrag. Zoals ik reeds heb gezegd, impliceert vestiging namelijk een voortdurende feitelijke aanwezigheid op het grondgebied van de staat van vestiging, alsmede de reële en daadwerkelijke uitoefening van de betrokken economische activiteit op of vanaf dat grondgebied, ook wanneer het om de zeevisserij gaat.

57. De Commissie heeft opgemerkt, dat zij in haar mededeling 89/C224/03 van 19 juli 1989 inzake een communautair kader voor de toegang tot de vangstquota (PB 1989, L 224, blz. 3) heeft erkend, dat de vlaggestaat mag verlangen, dat ondernemingen die een vissersvaartuig exploiteren, een vertegenwoordiging aan de wal hebben. Het lijkt mij nuttig, het standpunt van de Commissie dienaangaande, zoals dat onder punt 3.1. is geformuleerd in extenso weer te geven:

"De verantwoordelijkheid van de exploitant van een vissersvaartuig, of die exploitant nu een vennootschap of een natuurlijke persoon is, moet worden geconcretiseerd in een daadwerkelijke en voortdurende vertegenwoordiging van het betrokken bedrijf in de belangrijkste basis voor de exploitatie van het vaartuig.

Deze vertegenwoordiging dient de vorm te krijgen van een administratieve dienst aan de wal die aan de omvang van het bedrijf beantwoordt en die voor het technisch-commercieel beheer van de betrokken vissersvaartuigen zorgt (aanwerving, lonen, sociale uitkeringen, vakantie, belastingzaken, reparaties, bevoorrading, enz.)."

In de context van de onderhavige zaken voegde de Commissie daaraan toe, dat

"de Lid-Staat in dat verband ook mag verlangen, dat een door de eigenaar of exploitant van het vaartuig aangewezen persoon op zijn grondgebied woont, zodat deze wettelijk verantwoordelijk is voor de activiteiten van die administratieve dienst en voor het beheer van het betrokken vissersvaartuig" (zie de schriftelijke opmerkingen in zaak C-221/89).

58. Mijns inziens is deze regeling van de aanwezigheid of vertegenwoordiging niet alleen gerechtvaardigd ten aanzien van het communautaire quotastelsel, maar is zij bovendien onontbeerlijk voor de uitoefening zelf van het recht van vestiging in de visserijsector. "Vestiging zonder vestiging" is onmogelijk.

59. Dit sluit niet uit, dat de "exploitatiebasis" algemene instructies kan ontvangen van de in een andere Lid-Staat wonende eigenaars van het vaartuig of van een vennootschap die haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging in een andere Lid-Staat heeft. Mijns inziens staat de betrokken voorwaarde, zoals zij is geformuleerd, op zich daaraan niet in de weg: het is immers het vaartuig dat vanuit het Verenigd Koninkrijk moet worden geëxploiteerd, en het is het gebruik ervan, dus de activiteit van het vaartuig, dat vanuit het Verenigd Koninkrijk moet worden bestuurd en gecontroleerd, hetgeen niet belet, dat de dienst aan de wal die is belast met het materiële beheer van het vaartuig - ongeacht of die dienst al dan niet de vorm van een dochteronderneming, een agentschap of een filiaal heeft - onder de algemene controle valt van de natuurlijke of rechtspersoon die hem heeft opgericht.

60. Ten slotte ben ik van mening, dat een Lid-Staat op grond van dezelfde beginselen in voorkomend geval mag verlangen, dat vaartuigen die zijn vlag wensen te voeren, zich ertoe verbinden in de regel vanuit een haven van dat land te opereren.

61. Anders gezegd, de voorwaarde die het Hof in het arrest van 14 december 1989 (Jaderow, reeds aangehaald, r.o. 28 e.v.) in het kader van het quotastelsel geoorloofd achtte, mag ook worden opgelegd als registratievoorwaarde, daar zij een beginsel belichaamt dat onafscheidelijk verbonden is met het begrip vestiging zelf.

62. Onderdeel c) van de tweede vraag, zoals geherformuleerd, moet dus ontkennend worden beantwoord: het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor het verlenen van zijn vlag aan een vaartuig als voorwaarde stelt, dat dit vaartuig wordt beheerd en de exploitatie ervan wordt bestuurd en gecontroleerd vanuit die Lid-Staat.

III - Het communautaire quotastelsel

63. Met zijn derde vraag in zaak C-221/89 wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de antwoorden op de tweede vraag anders moeten luiden, wanneer

"er krachtens het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de Lid-Staten toegekende vangstquota bestaan".

De Britse regering en de regeringen van een aantal andere Lid-Staten zijn van mening, dat indien de in geding zijnde nationale maatregelen in strijd met de hiervoor onderzochte verdragsbepalingen mochten worden bevonden, zij niettemin gerechtvaardigd zijn uit hoofde van het communautaire quotastelsel en de doelstellingen daarvan.

64. In zijn arrest van 14 december 1989, Jaderow, reeds aangehaald, verklaarde het Hof voor recht:

"Het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota voorwaarden stelt die moeten verzekeren dat het vaartuig een daadwerkelijke economische band met die Lid-Staat heeft, voor zover die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van dat vaartuig en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en aanverwante industrieën betreft" (dictum sub 1).

Het Hof komt tot die conclusie na te hebben vastgesteld, dat het bij verordening nr. 170/83 van de Raad ingevoerde quotastelsel een afwijking vormt van de in artikel 2, lid 1, van de reeds aangehaalde verordening nr. 101/76 neergelegde algemene regel van de gelijke voorwaarden ten aanzien van de toegang tot de visbestanden (r.o. 24).

65. In rechtsoverweging 25 van zijn arrest Jaderow leidde het Hof uit die vaststelling af, dat

"de maatregelen die de Lid-Staten kunnen nemen wanneer zij de hun bij artikel 5, lid 2, van vorengenoemde verordening nr. 170/83 toegekende bevoegdheden uitoefenen om bepaalde schepen die hun vlag voeren, van het gebruik van hun nationale quota uit te sluiten, slechts gerechtvaardigd (zijn), indien deze passend en noodzakelijk zijn om het (...) doel van de quota te verwezenlijken",

dat erin bestaat

"te waarborgen dat elke Lid-Staat van de totaal toegestane vangsten van de Gemeenschap een deel krijgt, dat voornamelijk wordt vastgesteld aan de hand van de vangsten die vóór de invoering van het quotastelsel ten goede zijn gekomen aan de traditionele visserij, de plaatselijke bevolking die sterk afhankelijk is van de visserij, en de aanverwante industrieën van die Lid-Staat" (r.o. 23).

66. De vraag is evenwel, of het arrest Jaderow en het arrest Agegate van dezelfde datum (zaak C-3/87, Jurispr. 1989, blz. 4459) relevant zijn voor de onderhavige zaken. In die arresten heeft het Hof de vraag of de betrokken voorwaarden in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht ter zake van de visserij waarvoor geen quota gelden, uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten(10) en heeft het enkel de vraag onderzocht, of, en zo ja, in hoeverre het gemeenschapsrecht een Lid-Staat toestaat om door middel van die voorwaarden te bepalen, welke vaartuigen van zijn vissersvloot onder het nationale quotum mogen vissen. In casu regelt de wet van 1988 echter niet de toegang tot de quota, doch de registratie van vissersvaartuigen; zij legt dus voorwaarden op met betrekking tot alle zeevisserijactiviteiten, inclusief de visserij waarvoor geen quota gelden.

67. Voorts vloeit de bevoegdheid van de Lid-Staten om bepaalde schepen van het gebruik van hun nationale quota uit te sluiten, zoals het Hof in rechtsoverweging 25 van het arrest Jaderow heeft erkend, voort uit artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83, dat bepaalt:

"De Lid-Staten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota".

Deze bevoegdheid kan uitsluitend worden uitgeoefend met betrekking tot vaartuigen die de vlag van de betrokken Lid-Staat voeren of die in die Lid-Staat zijn geregistreerd. Voorwaarden voor de registratie van vissersvaartuigen die - net zoals voorwaarden voor het verlenen van visvergunningen - de toegang tot de visserijactiviteiten, daaronder begrepen de visserij waarvoor quota gelden, kunnen bepalen, zijn dus geen maatregelen voor het beheer van nationale quota in de zin van voormeld artikel 5, lid 2. Indien deze voorwaarden, op zichzelf beschouwd, maatregelen tot instandhouding van de visbestanden zouden zijn - hetgeen gelet op het arrest van 19 januari 1988 (Pesca Valentia, r.o. 11) zeer twijfelachtig is met betrekking tot voorwaarden verband houdende met de eigenschappen van natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar of exploitant van vissersvaartuigen zijn -, komt de bevoegdheid om die voorwaarden vast te stellen "volledig en onherroepelijk" toe aan de Gemeenschap (zie het arrest Pesca Valentia, r.o. 10), zodat de Lid-Staten die voorwaarden in beginsel alleen nog kunnen vaststellen, indien zij daartoe uitdrukkelijk en duidelijk gemachtigd zijn.

68. Uit het voorgaande concludeer ik, dat de nationale regeling inzake de registratie van vissersvaartuigen niet kan worden gerechtvaardigd onder verwijzing naar de doelstellingen van het communautaire quotastelsel, zelfs niet wanneer zij bij uitsluiting van toepassing zou zijn op vaartuigen die vissoorten bevissen waarvoor quota gelden.

69. Als ik het goed heb begrepen, komt de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in zaak C-221/89, die vóór de uitspraak van de arresten Jaderow en Agegate zijn ingediend, tot dezelfde conclusie. In haar na de uitspraak in voormelde zaken ingediende repliek in zaak C-246/89 onderzocht zij echter eveneens de verenigbaarheid van de nationaliteitsvereisten met het gemeenschapsrecht in het licht van die arresten, dat wil zeggen zij toetste deze vereisten aan de doelstellingen van het quotastelsel. Voor het geval het Hof van oordeel mocht zijn dat de registratievoorwaarden "voorschriften voor het gebruik van de quota" in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 kunnen zijn, wil ik subsidiair ook hierover mijn mening geven.

70. In het arrest Agegate (r.o. 25) oordeelde het Hof, dat het vereiste dat 75 % van de bemanning van een vaartuig, zonder onderscheid naar nationaliteit, woonplaats aan de wal moet hebben in de betrokken Lid-Staat, geen verband houdt met het doel van het quotastelsel, en dat het derhalve niet door dat doel kan worden gerechtvaardigd. In dezelfde gedachtengang moet het Hof a fortiori tot dezelfde conclusie komen met betrekking tot de in de onderhavige zaak gewraakte nationaliteitsvereisten. Immers, maatregelen waardoor de toegang tot de nationale quota wordt voorbehouden aan vissersvaartuigen die in eigendom toebehoren aan nationale onderdanen, of die door dezen worden bevracht, beheerd of geëxploiteerd, ongeacht of het daarbij om natuurlijke of rechtspersonen gaat, zijn "passend" noch "noodzakelijk" om de quota ten goede te laten komen aan de plaatselijke bevolking die afhankelijk is van de visserij, en aan de aanverwante industrieën. In mijn conclusie in de zaak Agegate was de vaststelling dat het woonplaatsvereiste zonder onderscheid van toepassing was op nationale onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten overigens de eerste stap in de redenering die mij, anders dan het Hof, tot de conclusie bracht dat dit vereiste in overeenstemming met het gemeenschapsrecht was (zie punt 57 van de conclusie, Jurispr. 1989, blz. 4483). Ik blijf er overigens van overtuigd dat, omdat de quota zijn ingevoerd ter vrijwaring van de belangen van de plaatselijke bevolking die afhankelijk is van de visserij, mag worden verlangd, dat de bemanning van vaartuigen die vissoorten bevissen waarvoor quota gelden, voor het merendeel, en zelfs voor 75 %, uit personen bestaat die in de regel in het kustgebied van het betrokken land wonen. Deze laatste specificatie kwam niet voor in het woonplaatsvereiste dat in het arrest Agegate aan de orde was, hoewel dat in mijn ogen wel impliciet daarin was begrepen. Was het expliciet geweest, dan had het Hof mijn mening misschien gedeeld.

71. Aangezien het Hof heeft verklaard, dat het aan de bemanning opgelegde vereiste van een woonplaats aan de wal geen verband houdt met het doel van het quotastelsel, zie ik geen reden waarom het Hof zich op het standpunt zou stellen dat de vereisten inzake woonplaats en domicilie, opgelegd aan alle eigenaars en exploitanten van een vissersvaartuig alsmede aan 75 % van de aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen die eigenaar of exploitant van een dergelijk vaartuig zijn, wel verband met het doel van het quotastelsel kan houden.

72. Daarbij komt, dat het Hof in het arrest Jaderow weliswaar erkende, dat een Lid-Staat voor de toelating van zijn vissersvaartuigen tot de visserij onder de nationale vangstquota als voorwaarde mag stellen, dat de vaartuigen een daadwerkelijke economische band met die Lid-Staat hebben, doch daarbij uitdrukkelijk preciseerde, dat die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van de vaartuigen en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën moet betreffen (r.o. 27).

"Gezien deze zeer enge definitie van de band die een Lid-Staat mag eisen, wanneer hij voor een vaartuig een vergunning verleent om onder zijn quota te vissen" (r.o. 44),

was het Hof trouwens van mening, dat het tweede deel van vraag I, sub d, in de zaak Jaderow niet behoefde te worden beantwoord. Het Hof weigerde dus bepaalde economische, financiële en fiscale factoren, zoals bij voorbeeld

"het feit dat vennootschappen die eigenaar zijn van de betrokken vissersvaartuigen of deze beheren, volgens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk zijn opgericht, dat zij aldaar belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting en de BTW" (r.o. 42),

te erkennen als bewijs voor het bestaan van een reële economische band tussen het vaartuig en de betrokken Lid-Staat.

Het feit dat een vennootschap die eigenaar is van een vissersvaartuig, haar centrum van werkzaamheid in het Verenigd Koninkrijk heeft, en dat 75 % van haar aandeelhouders en bestuurders aldaar hun woonplaats en domicilie hebben, kan evenmin als het feit dat zij volgens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is opgericht, als bewijs dienen dat er een daadwerkelijke band bestaat tussen de activiteiten van het vaartuig enerzijds en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën anderzijds. Hetzelfde moet gelden voor de woonplaats en het domicilie van natuurlijke personen die eigenaar van een vaartuig zijn. A fortiori kan het vereiste dat alle eigenaars hun woonplaats en domicilie in het Verenigd Koninkrijk moeten hebben, niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van het doel van het quotastelsel.

73. Bovendien zij opgemerkt, dat de enige voorwaarde die het Hof in het arrest Jaderow gerechtvaardigd achtte uit hoofde van het quotastelsel, juist de activiteiten van de vaartuigen betrof. Het gaat om de voorwaarde dat de vaartuigen doorgaans vanuit een nationale haven opereren (r.o. 28) en dus dat zij met een bepaalde frequentie een nationale haven aandoen (r.o. 40). Zoals hiervoor gezegd is deze regel mijns inziens echter niet meer dan een uitdrukking van de algemenere regel, dat het vaartuig vanuit de vlaggestaat wordt geëxploiteerd en dat het gebruik ervan vanuit die staat wordt bestuurd en gecontroleerd. De primaire rechtvaardiging van die verplichting is dus te vinden in het begrip vestiging zelf, ook al kan zij bovendien gerechtvaardigd zijn uit hoofde van het quotastelsel.

74. De Ierse regering van haar kant betoogt, dat de litigieuze vereisten gerechtvaardigd zijn uit hoofde van artikel 56, lid 1, EEG-Verdrag. Dienaangaande zij er evenwel aan herinnerd, dat dit artikel volgens 's Hofs rechtspraak

"als uitzondering op een fundamenteel beginsel van het Verdrag (...) aldus (moet) worden uitgelegd, dat de werking ervan beperkt is tot hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen die het beoogt te waarborgen".(11)

Gesteld al dat de bescherming van de belangen van de plaatselijke vissersgemeenschappen onder het begrip openbare orde in de zin van die bepaling zou kunnen vallen, moet niettemin worden vastgesteld, dat uit het voorgaande volgt, dat de nationaliteitsvereisten en de vereisten inzake woonplaats en domicilie niet evenredig aan dat doel zijn.

75. Concluderend stel ik voor, op de derde vraag in zaak C-221/89 te antwoorden, dat de omstandigheid dat er een stelsel van nationale quota bestaat, geen verschil maakt voor de op de tweede vraag gegeven antwoorden.

IV - De toepassing van de gewraakte voorwaarden op vissersvaartuigen die tevoren in het oude register waren ingeschreven

76. Met zijn vierde prejudiciële vraag in zaak C-221/89 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen zich ertegen verzet, dat de invoering van nieuwe registratievoorwaarden zoals die welke in casu in het geding zijn, mee kan brengen dat vissersvaartuigen die regelmatig zijn ingeschreven in een Lid-Staat, hun inschrijving wordt ontnomen, zodat zij het recht verliezen om de visserij uit te oefenen en hun vangsten aan te rekenen op de aan die Lid-Staat toegewezen quota.

77. Logischerwijze behoeft die vraag ten aanzien van de vereisten inzake nationaliteit en woonplaats niet te worden beantwoord, indien men, gelijk ik voorstel, aanvaardt dat die voorwaarden hoe dan ook in strijd met het gemeenschapsrecht zijn.

78. Zoals zij is geformuleerd, lijkt deze vraag niet het vereiste te betreffen dat het vaartuig vanuit de Lid-Staat van de vlag wordt geëxploiteerd, doch alleen te slaan op het geval waarin een vaartuig ten gevolge van de invoering van nieuwe registratievoorwaarden zijn vlag verliest, omdat de eigenaars en exploitanten ervan onderdanen van andere Lid-Staten zijn en in die andere Lid-Staten hun woonplaats en domicilie hebben.

79. Om elk misverstand te voorkomen, wil ik daaraan evenwel toevoegen dat, waar de voorwaarde dat het vaartuig vanuit het nationale grondgebied wordt geëxploiteerd, onlosmakelijk verbonden is met het begrip vestiging zelf, de formele invoering van die voorwaarde niemands gewettigd vertrouwen kan schaden. Bovendien zij opgemerkt, dat de Britse wet weliswaar op 1 december 1988 in werking is getreden, maar dat de geldigheid van de inschrijvingen onder de oude regeling krachtens artikel 13 van de wet van 1988 tot 31 maart 1989 is verlengd, zodat de eigenaars en exploitanten die in het verleden niet aan die voorwaarde voldeden, een redelijke overgangsperiode hebben gekregen om zich daaraan te conformeren.

80. In plaats van te zeggen, dat de vierde vraag in zaak C-221/89 niet behoeft te worden beantwoord, geef ik dan ook in overweging ze ontkennend te beantwoorden.

Conclusie

81. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging in zaak C-221/89 voor recht te verklaren:

"1. Ofschoon het op het huidige ogenblik aan de betrokken Lid-Staat staat, te bepalen of een vaartuig in deze staat mag worden geregistreerd, dient deze Lid-Staat niettemin de relevante beginselen en bepalingen van het gemeenschapsrecht in acht te nemen.

2. a) Het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor de inschrijving van een vissersvaartuig in zijn nationale register als voorwaarde stelt, dat de eigenaars en de exploitanten van dat vaartuig, - ongeacht of het om natuurlijke of rechtspersonen gaat -, of 75 % van de bestuurders en aandeelhouders van een vennootschap die dat vaartuig in eigendom heeft of exploiteert, onderdaan van die Lid-Staat zijn, zelfs indien de bevoegde nationale instantie ingevolge de wet bepaalde personen vrijstelling van die voorwaarde mag verlenen.

b) Het gemeenschapsrecht staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor de inschrijving als voorwaarde stelt, dat de eigenaars, exploitanten, aandeelhouders en bestuurders, naargelang het geval, metterwoon in die Lid-Staat gevestigd zijn en, voor vennootschappen dat deze aldaar haar centrum van werkzaamheid hebben.

c) Het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor het verlenen van zijn vlag aan een vaartuig als voorwaarde stelt, dat dit vaartuig wordt beheerd en de exploitatie ervan wordt bestuurd en gecontroleerd vanuit die Lid-Staat.

3. De omstandigheid dat er een stelsel van nationale vangstquota bestaat, maakt geen verschil voor de op de tweede vraag gegeven antwoorden.

4. De in de vierde vraag vermelde gegevens maken geen verschil voor de op de vragen 2 en 3 gegeven antwoorden."

82. Uit deze antwoorden volgt, dat het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming gegrond is, en dat dus in zaak C-246/89 moet worden vastgesteld, dat het Verenigd Koninkrijk, door de in de Sections 13 en 14 van de Merchant Shipping Act van 1988 vervatte nationaliteitsvereisten te stellen, de krachtens de artikelen 52 en 221 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

83. Met betrekking tot de kosten in zaak C-221/89 moet worden vastgesteld, dat de kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, alsmede door de Belgische, de Deense, de Duitse, de Spaanse, de Griekse, de Ierse en de Britse regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

84. Wat zaak C-246/89 betreft, dient de regering van het Verenigd Koninkrijk in alle kosten te worden verwezen, daaronder begrepen de kosten van het Koninkrijk Spanje, dat ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie heeft geïntervenieerd, doch met uitzondering van de kosten van Ierland, dat ter ondersteuning van de conclusies van het Verenigd Koninkrijk heeft geïntervenieerd.

(*)Oorspronkelijke taal: Frans.

(2) - Voor een overeenkomst, daterend van na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag, maar van vóór de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, zie het arrest van 14 oktober 1980 (zaak 812/79, Burgoa, Jurispr. 1980, blz. 2787, r.o. 8).

(3) - Voor de verenigbaarheid met het Verdrag, en met name met de artikelen 7 en 30, van de verdeling van de in totaal voor de Gemeenschap beschikbare vangsten in nationale quota (zie het arrest van 16 juni 1987, zaak 46/86, Romkes, Jurispr. 1987, blz. 2671, r.o. 23 en 24).

(4) - Op dit punt verwijs ik naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke de zetel van een vennootschap, in de zin van artikel 58, eveneens de functie heeft de verbondenheid met de rechtsorde van een bepaalde Lid-Staat vast te stellen, zoals de nationaliteit dat bij natuurlijke personen doet (zie de arresten van 28 januari 1986, zaak 270/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 273, r.o. 18, en 10 juli 1986, zaak 79/85, Segers, Jurispr. 1986, blz. 2375, r.o. 13).

(5) - Met deze term worden zonder onderscheid de bevrachter, de beheerder of de exploitant (charterer, manager or operator) in de zin van Section 14 (1) (c) van de Britse wet bedoeld.

(6) - Deze richtlijn is per 1 juli 1990 ingetrokken en vervangen door richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 (PB 1988, L 178, blz. 5).

(7) - Zie met name de arresten van 24 januari 1978 (zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25, r.o. 19) en 16 december 1980 (zaak 27/80, Fietje, Jurispr. 1980, blz. 3839, r.o. 14).

(8) - Zie, in het kader van het vrije verkeer van werknemers, de arresten van 23 maart 1982 (zaak 53/81, Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035, r.o. 17), 3 juni 1986 (zaak 139/85, Kempf, Jurispr. 1986, blz. 1741, r.o. 10), 21 juni 1988 (zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, r.o. 21), en 31 mei 1989 (zaak 344/87, Bettray, Jurispr. 1989, blz. 1621, r.o. 13), alsmede meer in het algemeen voor de definitie van het begrip "economische activiteiten" in de zin van artikel 2 EEG-Verdrag, het arrest van 5 oktober 1988 (zaak 196/87, Steymann, Jurispr. 1988, blz. 6159, r.o. 13).

(9) - Zie de arresten van 28 januari 1986 (zaak 270/83, reeds aangehaald, r.o. 18) en 10 juli 1986 (zaak 79/85, reeds aangehaald, r.o. 13 en 14).

(10) - Zie de arresten Agegate, r.o. 11, en Jaderow, r.o. 12.

(11) - Zie het arrest van 26 april 1988 (zaak 352/85, Bond van Adverteerders e.a., Jurispr. 1988, blz. 2085, r.o. 36).

Top