EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61987CJ0189

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 27 september 1988.
Athanasios Kalfelis tegen Banque Schröder, Münchmeyer, Hengst & Co. en anderen.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland.
Artickelen 5, sub 3, en 6, sub 1, Executieverdrag - Pluraliteit van verweerders - Begrip onrechtmatige daad.
Zaak 189/87.

Jurisprudentie 1988 -05565

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1988:459

61987J0189

ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMMER) VAN 27 SEPTEMBER 1988. - ATHANASIOS KALFELIS TEGEN BANKHAUS SCHROEDER, MUENCHMEYER, HENGST UND CO. EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET BUNDESGERICHTSHOF. - ARTIKELEN 5, SUB 3, EN 6, SUB 1, EXECUTIEVERDRAG - PLURALITEIT VAN VERWEERDERS - BEGRIP ONRECHTMATIGE DAAD. - ZAAK 189/87.

Jurisprudentie 1988 bladzijde 05565
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00729
Finse bijz. uitgave bladzijde 00749


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bijzondere bevoegdheden - Pluraliteit van verweerders - Bevoegdheid van gerecht van woonplaats van een der verweerders - Voorwaarde - Samenhangende vorderingen in zin van Executieverdrag

( Executieverdrag, artikel 6, sub 1 )

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bijzondere bevoegdheden - Bevoegdheid ter zake van "verbintenissen uit onrechtmatige daad" - Begrip - Autonome uitlegging - Aansprakelijkheidsvordering die geen verband houdt met verbintenis uit overeenkomst - Vordering op verscheidene grondslagen - Onderdelen die op andere grondslag dan onrechtmatige daad berusten, van bevoegdheid uitgesloten

( Executieverdrag, artikel 5, sub 3 )

Samenvatting


Voor de toepassing van artikel 6, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is vereist, dat tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een verband bestaat . De aard van die band moet autonoom worden uitgelegd . De vorderingen moeten samenhangend zijn, in die zin dat het van belang is ze tezamen te berechten, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven .

Het begrip "verbintenis uit onrechtmatige daad" in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag moet worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1 .

Een gerecht dat op grond van artikel 5, sub 3, bevoegd is om kennis te nemen van het onderdeel van een vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd, is niet bevoegd om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad .

Partijen


In zaak 189/87,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Bundesgerichtshof, in het aldaar aanhangig geding tussen

A . Kalfelis, bontwerker,

en

1 ) Bank Schroeder, Muenchmeyer, Hengst & Cie, thans handelende onder de naam HEMA, Beteiligungsgesellschaft mbH KG in liquidatie,

2 ) Bank Schroeder, Muenchmeyer, Hengst International SA, te Luxemburg,

en

3 ) E . Markgraf, procuratiehouder bij de bank Schroeder, Muenchmeyer, Hengst & Cie, te Frankfurt/Main,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub 3, en artikel 6, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),

samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, U . Everling, Y . Galmot, R . Joliet en F . A . Schockweiler, rechters,

advocaat-generaal : M . Darmon

griffier : B . Pastor, administrateur

gelet op de opmerkingen ingediend door :

- A . Kalfelis, vertegenwoordigd door H . Aderhold, advocaat,

- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door C . Boehmer als gemachtigde,

- de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door O . Fiumara, avvocato dello stato,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H . R . L . Purse, bijgestaan door M . C . L . Carpenter, als gemachtigden,

- de regering van het Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door Y . Mersch, regeringscommissaris bij de Beurs, als gemachtigde, bijgestaan door N . Decker, advocaat,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Pipkorn, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door W.-D . Krause-Ablass, advocaat,

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 5 mei 1988,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1988,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 27 april 1987, ingekomen ten Hove op 16 juni daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( hierna : het Executieverdrag ), twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 3, en artikel 6, sub 1, Executieverdrag .

2 Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen A . Kalfelis ( hierna : verzoeker ) en de bank Schroeder, Muenchmeyer, Hengst en Cie, te Frankfurt/Main ( hierna : HEMA Duitsland ), de bank Schroeder, Muenchmeyer, Hengst International SA, een in Luxemburg gevestigde dochteronderneming van HEMA Duitsland ( hierna : HEMA Luxemburg ), en E . Markgraf, procuratiehouder bij HEMA Duitsland ( samen : verweerders ).

3 Verzoeker sloot in de periode tussen maart 1980 en juli 1981 door bemiddeling van Markgraf via HEMA Duitsland kas - en termijntransacties in zilver met HEMA Luxemburg af, waarvoor hij deze laatste 344 868,52 DM betaalde . Deze termijntransacties bleken een fiasco . Verzoeker spreekt verweerders hoofdelijk aan tot betaling van 463 019,08 DM plus rente . Hij baseert zijn vordering op schending van de contractuele voorlichtingsplicht, op onrechtmatige daad ( paragraaf 823, lid 2, BGB (( Buergerliches Gesetzbuch )) juncto paragraaf 263 StGB (( Strafgesetzbuch )) en paragraaf 826 BGB ), omdat verweerders in strijd met de goede zeden hebben gehandeld en daaruit voor hem schade is voortgevloeid, en op ongerechtvaardigde verrijking, omdat de termijntransacties in zilver als beurstransacties volgens dwingende bepalingen van Duits recht niet bindend waren, zodat hij de betaalde bedragen kon terugvorderen .

4 Nadat HEMA Luxemburg in alle instanties de bevoegdheid van de Duitse gerechten had betwist, besloot het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie de navolgende vragen voor te leggen :

"1 ) a ) Moet artikel 6, sub 1, Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat er een verband moet bestaan tussen de rechtsvorderingen tegen de verschillende verweerders?

b ) Zo ja, is het voor de toepassing van artikel 6, sub 1, vereiste verband tussen de rechtsvorderingen tegen de verschillende verweerders reeds aanwezig, wanneer de rechtsvorderingen feitelijk en rechtens in wezen gelijksoortig zijn ( gewone subjectieve cumulatie (' einfache Streitgenossenschaft' )), of kan dit verband slechts worden aangenomen, wanneer gelijktijdige behandeling en berechting noodzakelijk lijkt ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven ( zoals in het geval van noodzakelijke subjectieve cumulatie (' notwendige Streitgenossenschaft' ))?

2 ) a ) Moet het begrip 'verbintenis uit onrechtmatige daad' in artikel 5, sub 3, Executieverdrag verdragsautonoom worden uitgelegd of moet het worden uitgelegd volgens het toepasselijke recht ( lex causae ), dat door het internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter wordt aangewezen?

b ) Ingeval een beroep gebaseerd op verbintenissen uit onrechtmatige daad, uit overeenkomst en uit ongerechtvaardigde verrijking wordt ingesteld, schept artikel 5, sub 3, Executieverdrag dan op grond van het feitelijke verband tussen de vorderingen een accessoire bevoegdheid voor de niet op verbintenissen uit onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen?"

5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de gemeenschapsbepalingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De eerste vraag

6 De eerste vraag van het Bundesgerichtshof is in wezen erop gericht te vernemen, of er voor de toepassing van artikel 6, sub 1, Executieverdrag, tussen de rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een verband moet bestaan, en zo ja, van welke aard dat verband moet zijn .

7 Volgens artikel 2 Executieverdrag worden personen die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat - onverminderd de bepalingen van dit Verdrag -, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat . Afdeling 2 van titel II van het Executieverdrag bevat evenwel een aantal bepalingen betreffende "bijzondere bevoegdheden", volgens welke de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, voor de gerechten van een andere verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen . Een van deze bepalingen is artikel 6, sub 1, volgens hetwelk de verweerder "indien er meer dan één verweerder is, ook voor het gerecht van de woonplaats van een hunner" kan worden opgeroepen .

8 Opgemerkt zij, dat het Executieverdrag uitgaat van het beginsel dat de gerechten van de Staat van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn en dat de in artikel 6, sub 1, voorziene bevoegdheid daarop een uitzondering vormt . Bijgevolg moet een dergelijke uitzondering aldus worden uitgelegd, dat het beginsel zelf daardoor niet op losse schroeven komt te staan .

9 Dat zou nochtans het geval kunnen zijn, indien een verzoeker de mogelijkheid had een vordering tegen verschillende verweerders in te stellen met het enkele doel een van die verweerders af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft . Volgens het rapport van het comité van deskundigen dat het Executieverdrag heeft opgesteld ( PB 1979, C 59, blz . 1 ), moet die mogelijkheid worden uitgesloten . Derhalve is vereist dat er een band bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen .

10 Om de gelijkheid en de eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit het Executieverdrag voortvloeien, zoveel mogelijk te verzekeren, moet de aard van die band verdragsautonoom worden uitgelegd .

11 In dit verband zij erop gewezen, dat in genoemd rapport uitdrukkelijk wordt verklaard dat artikel 6, sub 1, is ingegeven door de wens te vermijden "dat in de verdragsluitende landen onderling onverenigbare beslissingen worden gewezen ". Die zelfde bekommernis komt overigens tot uiting in artikel 22 van het Executieverdrag zelf; dit artikel regelt het geval van samenhangende vorderingen die bij gerechten van verschillende verdragsluitende Staten zijn aangebracht .

12 Artikel 6, sub 1, is derhalve van toepassing, wanneer tussen de tegen verschillende verweerders ingestelde vorderingen een verband bestaat op het tijdstip waarop zij worden aangebracht, dat wil zeggen, wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare uitspraken worden gegeven . Het staat aan de nationale rechter, in elk concreet geval te onderzoeken of aan die voorwaarde is voldaan .

13 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat voor de toepassing van artikel 6, sub 1, Executieverdrag tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband moet bestaan, dat het van belang is ze te zamen te berechten, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven .

De tweede vraag

14 Met de tweede vraag wenst het Bundesgerichtshof in wezen te vernemen, of het begrip "verbintenis uit onrechtmatige daad" in artikel 5, sub 3, Executieverdrag verdragsautonoom dan wel volgens het toepasselijke nationale recht moet worden uitgelegd, en of, ingeval een vordering tegelijkertijd op verbintenissen uit onrechtmatige daad, uit overeenkomst en uit ongerechtvaardigde verrijking is gebaseerd, de volgens artikel 5, sub 3, bevoegde rechter ook kennis kan nemen van de onderdelen van de vordering die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad .

15 Met betrekking tot het eerste deel van deze vraag zij opgemerkt, dat het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" als criterium dient ter afbakening van het toepassingsgebied van een van de bijzondere bevoegdheidsregels waarvan de verzoeker gebruik kan maken . Gelijk het Hof overwoog met betrekking tot het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" in artikel 5, sub 1 ( zie de arresten van 22 maart 1983, zaak 34/82, Peters, Jurispr . 1983, blz . 987, en 8 maart 1988, zaak 9/87, Arcado, Jurispr . 1988, blz . 1539 ), is het, gelet op de doelstellingen en de algemene structuur van het Executieverdrag en om de gelijkheid en de eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende Staten en de belanghebbende personen uit het Executieverdrag voortvloeien, zoveel mogelijk te verzekeren, van belang dat dit begrip niet wordt gezien als een simpele verwijzing naar het interne recht van een der betrokken Staten .

16 Derhalve moet aan het begrip onrechtmatige daad een autonome inhoud worden gegeven en moet bij de uitlegging ervan met het oog op de toepassing van het Executieverdrag in de eerste plaats aansluiting worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van dit Verdrag, ten einde de volle werking hiervan te verzekeren .

17 Om een eenvormige oplossing in alle Lid-Staten te verzekeren, moet het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" aldus worden begrepen, dat daaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1 .

18 Mitsdien moet op het eerste deel van de tweede vraag worden geantwoord, dat het begrip "verbintenis uit onrechtmatige daad" in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag moet worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1 .

19 Met betrekking tot het tweede deel van de tweede vraag dient te worden vastgesteld, dat de in de artikelen 5 en 6 Executieverdrag genoemde "bijzondere" bevoegdheden", zoals gezegd, een uitzondering vormen op het beginsel van de bevoegdheid van de gerechten van de staat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, en derhalve restrictief moeten worden uitgelegd . Bijgevolg moet worden aangenomen, dat een gerecht dat op grond van artikel 5, sub 3, bevoegd is om kennis te nemen van het onderdeel van een vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd, niet bevoegd is om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad .

20 De omstandigheid dat de verschillende aspecten van een geschil door verschillende gerechten worden beslecht, brengt weliswaar nadelen mee, doch er dient op te worden gewezen, dat een verzoeker steeds de mogelijkheid heeft alle onderdelen van zijn vordering bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder aan te brengen, en dat ingevolge artikel 22 Executieverdrag het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in bepaalde omstandigheden van het gehele geschil kennis kan nemen, wanneer de bij verschillende gerechten aangebrachte vorderingen samenhangend zijn .

21 Mitsdien moet op het tweede deel van de tweede vraag worden geantwoord, dat een gerecht dat op grond van artikel 5, sub 3, bevoegd is om kennis te nemen van het onderdeel van een vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd, niet bevoegd is om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

22 De kosten door de Italiaanse, de Britse, de Duitse en de Luxemburgse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),

uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 27 april 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht :

1 ) Voor de toepassing van artikel 6, sub 1, Executieverdrag moet er tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband bestaan, dat het van belang is ze te zamen te berechten, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven .

2 ) a ) Het begrip "verbintenis uit onrechtmatige daad" in de zin van artikel 5, sub 3, Executieverdrag moet worden beschouwd als een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van artikel 5, sub 1 .

b ) Een gerecht dat op grond van artikel 5, sub 3, bevoegd is om kennis te nemen van het onderdeel van een vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd, is niet bevoegd om kennis te nemen van de andere onderdelen van de vordering, die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad .

Top