EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61987CJ0070

Arrest van het Hof van 22 juni 1989.
Federatie van de olie-industrie in de EEG (Fediol) tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Onrechtmatige handelspraktijken - Verordering nr. 2641/84.
Zaak 70/87.

European Court Reports 1989 -01781

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1989:254

61987J0070

ARREST VAN HET HOF VAN 22 JUNI 1989. - FEDERATION DE L'INDUSTRIE DE L'HUILERIE DE LA CEE (FEDIOL) TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - ONGEOORLOOFDE HANDELSPRAKTIJKEN - VERORDENING N. 2641/84. - ZAAK 70/87.

Jurisprudentie 1989 bladzijde 01781
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00067
Finse bijz. uitgave bladzijde 00079


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen onrechtmatige handelspraktijken - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Draagwijdte van rechterlijke toetsing die kan worden gevraagd door ondernemingen wier verzoek om beschermende maatregelen is afgewezen - Toetsing van gewraakte praktijken aan bepalingen van GATT - Daaronder begrepen

( Verordening nr . 2641/84 van de Raad )

2 . Internationale overeenkomsten - GATT - Uitlegging en toepassing door Hof met oog op rechterlijke toetsing van door Commissie in kader van verdediging tegen onrechtmatige handelspraktijken vastgestelde besluiten

( Algemene 0vereenkomst betreffende tarieven en handel; Verordening nr . 2641/84 van de Raad, artikelen 2, lid 1, en 3 )

3 . Internationale overeenkomsten - GATT - Toetsing van stelsel van differentiële belastingen bij uitvoer aan bepalingen van GATT - Niet-toepasselijkheid van artikelen III en XI - Irrelevantie van artikelen XX en XXIII

( Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, artikelen III, XI, XX en XXIII )

Samenvatting


1 . In het kader van de toepassing van verordening nr . 2641/84 betreffende de verdediging tegen onrechtmatige handelspraktijken, hebben de ondernemingen die met het oog op het verkrijgen van beschermende maatregelen een klacht hebben ingediend welke bij besluit van de Commissie is verworpen, het recht de gegrondheid van dat besluit door het Hof te laten toetsen, wanneer dat besluit enkel vaststelt, dat de gewraakte praktijk niet in strijd is met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, en geen beoordeling bevat van het belang van de Gemeenschap bij de inleiding van een procedure van onderzoek of zelfs van de schade die de betrokken produktie van de Gemeenschap lijdt of dreigt te lijden .

2 . Uit het feit, dat verschillende bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel niet geëigend zijn om voor de gemeenschapsonderdanen het recht mee te brengen zich daarop in rechte te beroepen, kan niet worden afgeleid, dat deze laatsten zich voor het Hof niet op de bepalingen van de GATT kunnen beroepen om te laten vaststellen, of een praktijk waartegen zij overeenkomstig artikel 3 van verordening nr . 2641/84 een klacht hadden ingediend, een onrechtmatige handelspraktijk als bedoeld in die verordening oplevert . De bepalingen van de GATT zijn immers een onderdeel van het internationaal recht, waarnaar artikel 2, lid 1, van die verordening verwijst, hetgeen overigens wordt bevestigd door de tweede juncto de vierde overweging van de considerans van de verordening .

De soepelheid die de bepalingen van de GATT op verscheidene punten kenmerkt, belet het Hof niet die bepalingen met betrekking tot een concreet geval uit te leggen en toe te passen om uit te maken, of bepaalde handelspraktijken daarmee verenigbaar zijn . De bepalingen van de GATT hebben een specifieke inhoud, die bij toepassing ervan op een concreet geval bij wege van uitlegging nader moet worden bepaald .

Dat de GATT voorziet in een bijzondere procedure voor de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen, is niet van dien aard, dat het de uitleggingsbevoegdheid van het Hof uitsluit, want uit het feit, dat de verdragsluitende partijen een bijzonder institutioneel kader voor onderlinge beraadslagingen en onderhandelingen over de uitvoering van de overeenkomst hebben voorzien, kan niet worden geconcludeerd, dat toepassing van de overeenkomst door de rechter volstrekt is uitgesloten .

Aangezien de belanghebbende marktdeelnemers zich tot staving van hun klacht op de bepalingen van de GATT kunnen beroepen, kunnen zij de wettigheid van het besluit waarbij de Commissie die bepalingen toepast, door het Hof laten toetsen .

3 . Een stelsel van differentiële belastingen bij uitvoer, op grond waarvan over de uitvoer van het ruwe produkt meer belasting wordt geheven dan over de uitvoer van de door verwerking daarvan verkregen produkten, valt niet binnen de werkingssfeer van artikel III van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, dat elke uit binnenlandse heffingen en voorschriften voortvloeiende discriminatie van ingevoerde produkten ten opzichte van binnenlandse produkten beoogt te voorkomen .

Artikel XI is er evenmin op van toepassing, aangezien het enkel betrekking heeft op de onder meer uit belastingen en andere heffingen voortvloeiende beperkingen, ongeacht de wijze waarop die belastingen of heffingen worden berekend .

Voor de beantwoording van de vraag, of een dergelijk stelsel zich verdraagt met de bepalingen van de GATT, zijn irrelevant : artikel XX, dat geen zelfstandig algemeen verbod bevat, en artikel XXIII, dat slechts procedurevoorschriften en geen enkele specifieke bepaling van materieel recht behelst .

Partijen


In zaak 70/87,

Federatie van de olie-industrie in de EEG ( Fediol ), gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door D . Ehle, U . C . Feldmann, V . Schiller, P . C . Reszel en B . Hein, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt en G . Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P . Gilsdorf, bijgestaan door H . J . Rabe en M . Schuette, advocaten van het kantoor Schoen en Pflueger te Hamburg/Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit nr . 2506 van de Commissie van 22 december 1986 ( niet gepubliceerd ) houdende afwijzing van het verzoek om inleiding van een procedure van onderzoek naar bepaalde onrechtmatige handelspraktijken van Argentinië bij de uitvoer van sojaschroot naar de Gemeenschap, vastgesteld op grond van artikel 3, lid 5, van verordening nr . 2641/84 van de Raad van 17 september 1984 inzake de versterking van de gemeenschappelijke handelspolitiek, met name op het gebied van verdediging tegen onrechtmatige handelspraktijken ( PB 1984, L 252, blz . 1 ),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : O . Due, president, T . Koopmans, R . Joliet, T . F . O' Higgins en F . Grévisse, kamerpresidenten, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Diez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal : W . Van Gerven

griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 november 1988,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 1987, heeft de Federatie van de olie-industrie in de EEG ( hierna : Fediol ) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het op 7 januari 1987 aan Fediol ter kennis gebrachte besluit nr . 2506 van de Commissie van 22 december 1986 ( niet gepubliceerd ). Bij dat besluit had de Commissie, op grond van artikel 3, lid 5, van verordening nr . 2641/84 van de Raad van 17 september 1984 inzake de versterking van de gemeenschappelijke handelspolitiek, met name op het gebied van verdediging tegen onrechtmatige handelspraktijken ( PB 1984, L 252, blz . 1 ), afwijzend beslist op het verzoek van Fediol om inleiding van een procedure van onderzoek naar onrechtmatige handelspraktijken van Argentinië bij de uitvoer van sojaschroot naar de Gemeenschap .

2 Die als "nieuw instrument van handelspolitiek" bestempelde verordening nr . 2641/84 heeft tot doel de Gemeenschap in staat te stellen te reageren op onrechtmatige handelspraktijken - andere dan dumping of subsidiëring - van derde landen . Volgens artikel 2, lid 1, van deze verordening "wordt onder onrechtmatige handelspraktijken verstaan : aan derde landen toe te schrijven praktijken die op het gebied van de internationale handel onverenigbaar zijn met het internationale recht of met algemeen aanvaarde regels ".

3 Verordening nr . 2641/84 bepaalt, volgens welke procedure tegen dergelijke handelspraktijken kan worden gereageerd . Die procedure wordt ingeleid op een klacht namens communautaire producenten ( artikel 3 ) of op verzoek van een Lid-Staat ( artikel 4 ) en omvat twee fasen .

4 Tijdens de eerste fase onderzoekt de Commissie, of de klacht of het verzoek voldoende bewijsmateriaal betreffende het bestaan van de gewraakte handelspraktijken bevat, of die praktijken onrechtmatig zijn, of de klacht of het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat betreffende de schade die daardoor aan een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt of dreigt te worden toegebracht, en of het in het belang van de Gemeenschap noodzakelijk is een procedure van onderzoek in te leiden . Indien dit alles het geval blijkt te zijn, opent de Commissie een dergelijke procedure en wint zij alle voor het onderzoek noodzakelijke inlichtingen in .

5 Wanneer na afloop van het onderzoek zowel het bestaan van een onrechtmatige handelspraktijk als de daardoor aan een bedrijfstak van de Gemeenschap toegebrachte schade bewezen zijn, beslist de Commissie in de tweede fase van de procedure, of in het belang van de Gemeenschap maatregelen noodzakelijk zijn . Blijkt dit het geval te zijn, dan stelt zij de Raad voor de passende handelspolitieke maatregelen te treffen, in voorkomend geval nadat formele internationale procedures inzake overleg of geschillenbeslechting zijn gevolgd .

6 Blijkens het bestreden besluit had Fediol geklaagd over twee door haar als "onrechtmatig" aangemerkte handelspraktijken van Argentinië, te weten :

- een stelsel van differentiële belastingen bij de uitvoer van produkten van de sojagroep ( bonen, olie en schroot ), krachtens hetwelk over de uitvoer van sojabonen - de grondstof voor de produktie van sojaolie en sojaschroot - hogere belastingen worden geheven dan over de uitvoer van sojaolie en sojaschroot; die belastingen zouden bovendien worden berekend op basis van kunstmatige referentieprijzen, die door de Argentijnse autoriteiten los van de prijzen op de wereldmarkt worden vastgesteld;

- kwantitatieve beperkingen bij de uitvoer van sojabonen, vooral in de vorm van registratie en sporadische schorsing van de uitvoer bij wege van administratieve besluiten .

7 Volgens Fediol hebben genoemde praktijken de Europese olie-industrie aanzienlijke schade toegebracht, omdat zij :

- de uitvoer van sojabonen ontmoedigen, waardoor het aanbod van die produkten op de Argentijnse markt stijgt en dientengevolge de prijs bij verkoop van sojabonen aan de Argentijnse olie-industrie daalt;

- die industrie derhalve bij de vermaling van de sojabonen tot sojaolie en sojaschroot hoge verwerkingsmarges garandeert, daar deze de grondstof - sojabonen - beneden de wereldmarktprijs kan kopen; dit voordeel stelt deze industrie niet alleen in staat, de lage belasting over de uitvoer van sojaolie en sojaschroot te compenseren, maar ook die twee produkten te verkopen tegen prijzen die ver beneden de normale waarde ervan en de door de Europese olie-industrie normaliter gevraagde prijzen liggen .

8 In haar klacht voerde Fediol tot staving van deze stelling aan, dat genoemde praktijken, afzonderlijk dan wel te zamen beschouwd, in strijd zijn met de artikelen III, XI en XXIII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ( hierna : de GATT ). In haar op 9 mei 1986 bij de Commissie ingediende opmerkingen stelde zij, dat die praktijken tevens in strijd zijn met de artikelen XX en XXXVI van de GATT .

9 Bij het bestreden besluit wees de Commissie de klacht af op de navolgende gronden : a ) de differentiële belastingen, waarvan zij het bestaan niet ontkent, zijn niet in strijd met de door Fediol in haar klacht aangevoerde regels van het internationale recht; b ) de klacht bevat geen bewijsmateriaal waaruit het bestaan van kwantitatieve beperkingen bij de uitvoer van sojabonen blijkt .

10 Voor het Hof is Fediol niet opgekomen tegen de stelling van de Commissie, dat het bestaan van kwantitatieve beperkingen bij de uitvoer van sojabonen niet is bewezen . Het geschil betreft derhalve alleen de in het bestreden besluit geformuleerde opvatting, dat de differentiële belastingen niet in strijd zijn met de door Fediol aangevoerde bepalingen van de GATT .

11 In haar verzoekschrift stelt Fediol, dat de differentiële belastingen in strijd zijn met de artikelen III, XI en XXIII van de GATT; bovendien zouden zij ook in strijd zijn met artikel XX van de GATT, dat zij in haar op 9 mei 1986 bij de Commissie ingediende opmerkingen heeft aangevoerd, doch waarop laatstgenoemde in het bestreden besluit niet is ingegaan .

12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De ontvankelijkheid

13 Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk, omdat geen enkele van de aangevoerde middelen ontvankelijk is . In het kader van de door verordening nr . 2641/84 aan de klager verleende rechtsbescherming zouden slechts de navolgende middelen kunnen worden aangevoerd : niet-inachtneming van de procedurele waarborgen, grove schending van bepalingen van gemeenschapsrecht of ernstig misbruik van bevoegdheid door de Commissie, dat een uitholling van de door deze verordening verleende procedurewaarborgen tot gevolg heeft .

14 De Commissie is van mening dat een klager geen middelen kan aanvoeren die tegen de inhoud van de door haar vastgestelde besluiten zijn gericht, daar zij voor de beoordeling van het belang van de Gemeenschap in de twee hierboven beschreven fasen van de procedure niet alleen over een ruime vrijheid beschikt, maar ook rekening mag houden met politieke overwegingen die niet door de rechter kunnen worden getoetst . Bijgevolg zou een klager nooit tegen een definitieve beëindiging van de procedure kunnen opkomen met middelen die aan het belang van de Gemeenschap zijn ontleend . Hij zou derhalve evenmin kunnen opkomen tegen de andere door de Commissie in de loop van procedure verrichte beoordelingen .

15 Het bestreden besluit bevat geen beoordeling van het belang van de Gemeenschap bij de inleiding van een procedure van onderzoek, of van de schade die door de litigieuze praktijk aan de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap is of dreigt te worden toegebracht . In dat besluit wordt immers slechts vastgesteld, dat de heffing van differentiële belastingen niet in strijd is met de bepalingen van de GATT .

16 Daar deze vaststelling vóór de beoordeling van het belang van de Gemeenschap en los daarvan is gedaan, moet zij op zichzelf worden getoetst . De vraag of het oordeel van de Commissie over het belang van de Gemeenschap door de rechter kan worden getoetst, is derhalve niet aan de orde .

17 Dit middel van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden afgewezen .

18 Verder stelt de Commissie dat, wanneer haar besluit, gelijk in het onderhavige geval, betrekking heeft op de uitlegging van bepalingen van de GATT, de klager geen middelen kan aanvoeren die deze uitlegging in twijfel trekken, daar het Hof van Justitie de door de Commissie in het kader van verordening nr . 2641/84 gegeven uitlegging van de begrippen "onrechtmatige handelspraktijken" en "internationaal recht" - inzonderheid de GATT - slechts kan toetsen, voor zover de niet-inachtneming of de verkeerde toepassing ervan neerkomt op schending van bepalingen van gemeenschapsrecht waaraan particulieren rechtstreekse en individuele rechten kunnen ontlenen . De bepalingen van de GATT zijn evenwel niet nauwkeurig genoeg om voor particulieren dergelijke rechten te doen ontstaan .

19 Het Hof van Justitie heeft inderdaad herhaaldelijk geoordeeld, dat heel wat bepalingen van de GATT niet geëigend zijn om voor de gemeenschapsonderdanen het recht mee te brengen zich daarop in rechte te beroepen ( arresten van 12 december 1972, gevoegde zaken 21 tot en met 24/72, International Fruit Company, Jurispr . 1972, blz . 1219; 24 oktober 1973, zaak 9/73, Schlueter, Jurispr . 1973, blz . 1135; 16 maart 1983, zaak 266/81, SIOT, Jurispr . 1983, blz . 731; en 16 maart 1983, gevoegde zaken 267 tot en met 269/81, SPI en SAMI, Jurispr . 1983, blz . 801 ). Uit deze rechtspraak kan evenwel niet worden afgeleid, dat de justitiabelen zich voor het Hof van Justitie niet op de bepalingen van de GATT kunnen beroepen om te laten vaststellen, of een praktijk waartegen zij overeenkomstig artikel 3 van verordening nr . 2641/84 een klacht hadden ingediend, een onrechtmatige handelspraktijk als bedoeld in die verordening oplevert . De bepalingen van de GATT zijn immers een onderdeel van het internationaal recht, waarnaar artikel 2, lid 1, van genoemde verordening verwijst, hetgeen overigens wordt bevestigd door de tweede juncto de vierde overweging van de considerans van de verordening .

20 Gelijk het Hof in zijn arresten van 12 december 1972 ( International Fruit Company ), 24 oktober 1973 ( Schlueter ) en 16 maart 1983 ( SPI en SAMI ) heeft vastgesteld, wordt de GATT gekenmerkt door de grote soepelheid van zijn bepalingen, met name die betreffende de uitzonderingsmogelijkheden, de maatregelen die in geval van bijzondere moeilijkheden kunnen worden genomen, en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen . Dit belet het Hof van Justitie evenwel niet, de bepalingen van de GATT met betrekking tot een concreet geval uit te leggen en toe te passen om uit te maken, of bepaalde handelspraktijken daarmee verenigbaar zijn . De bepalingen van de GATT hebben een specifieke inhoud, die bij toepassing ervan op een concreet geval bij wege van uitlegging nader moet worden bepaald .

21 Ten slotte is de omstandigheid, dat artikel XXIII van de GATT voorziet in een bijzondere procedure voor de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen, niet van dien aard, dat zij de uitleggingsbevoegdheid van het Hof van Justitie uitsluit . Gelijk het Hof in zijn arrest van 26 oktober 1982 ( zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr . 1982, blz . 3641 ) heeft overwogen met betrekking tot gemengde comités die bij een vrijhandelsakkoord waren ingesteld en met het beheer en het toezicht op de uitvoering daarvan waren belast, is het enkele feit, dat de verdragsluitende partijen een bijzonder institutioneel kader voor onderlinge beraadslagingen en onderhandelingen over de uitvoering van de overeenkomst hebben voorzien, niet voldoende om iedere toepassing van de overeenkomst door de rechter uit te sluiten .

22 Aangezien verordening nr . 2641/84 de belanghebbende marktdeelnemers het recht verleent, zich in hun bij de Commissie ingediende klacht op de bepalingen van de GATT te beroepen om de onrechtmatigheid aan te tonen van de praktijken waardoor zij zich geschaad achten, hebben deze marktdeelnemers ook het recht om de rechtmatigheid van het besluit waarbij de Commissie die bepalingen heeft toegepast, te laten toetsen .

23 Mitsdien moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen .

Ten gronde

24 Ten gronde voert Fediol aan, dat de litigieuze handelspraktijken onverenigbaar zijn met een aantal bepalingen van de GATT .

Artikel III van de GATT

25 Fediol stelt, dat de toepassing van differentiële belastingen in strijd is met artikel III van de GATT .

26 Krachtens artikel III, paragraaf 1, van de GATT "erkennen de verdragsluitende partijen, dat binnenlandse belastingen en andere binnenlandse heffingen, evenals wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik van produkten in het binnenland, en binnenlandse kwantitatieve regelingen welke menging, be - of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen voorschrijven, niet mogen worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse produkten op zodanige wijze dat bescherming aan de binnenlandse produktie wordt verleend ".

27 Deze bepaling heeft slechts betrekking op belastingen en andere heffingen alsmede op voorschriften ter bescherming van de binnenlandse markt . De Argentijnse belastingen waartegen de klacht was gericht, worden uitsluitend over uitgevoerde produkten geheven en vallen derhalve niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling .

28 Fediol betoogt evenwel, dat artikel III van de GATT niet slechts ten doel heeft elke uit een stelsel van binnenlandse belastingen voortvloeiende discriminatie ten nadele van ingevoerde produkten te weren, doch ook wil verhinderen, dat de bescherming van de binnenlandse produkten door middel van een stelsel van differentiële uitvoerheffingen als dat waarom het in deze zaak gaat, schade toebrengt aan een bedrijfstak van een derde land waarnaar die produkten worden uitgevoerd .

29 Deze stelling kan niet worden aanvaard . Artikel III van de GATT wil immers elke uit binnenlandse heffingen en voorschriften voortvloeiende discriminatie van ingevoerde produkten ten opzichte van binnenlandse produkten voorkomen en is derhalve niet van toepassing op een geval als het onderhavige, waar het gaat om een stelsel van differentiële uitvoerheffingen die slechts gelden voor groepen binnenlandse produkten .

30 Het argument van Fediol, dat artikel III van de GATT is geschonden, moet derhalve worden afgewezen .

Artikel XI van de GATT

31 Artikel XI, paragraaf 1, van de GATT bepaalt, dat "behalve rechten, belastingen of andere heffingen geen verdragsluitende partij enig verbod of enige beperking, toegepast hetzij door middel van contingenten of invoer - of uitvoervergunningen, hetzij door middel van andere maatregelen, mag opleggen of handhaven op de invoer van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of op de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een produkt dat voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij is bestemd ".

32 Volgens Fediol hebben bepaalde delen van het stelsel van differentiële belastingen, inzonderheid de bepaling van kunstmatige referentieprijzen voor de berekening van de differentiële belastingen die over de voor de uitvoer bestemde produkten van de sojagroep worden geheven, een heel ander karakter dan de belastingen waarvoor het verbod van artikel XI van de GATT niet geldt, en vormen zij maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen . Zij zouden derhalve in strijd zijn met dit artikel, aangezien de zinsnede "enige beperking, toegepast ... door middel van andere maatregelen" erop wijst, dat de klemtoon ligt op de gevolgen en niet op de vorm van de betrokken maatregelen .

33 Uit de bewoordingen van artikel XI, paragraaf 1, van de GATT blijkt, dat dit artikel niet van toepassing is op beperkingen die onder meer uit belastingen en andere heffingen voortvloeien, hetgeen door Fediol niet wordt betwist . In het onderhavige geval was de klacht evenwel gericht tegen uitvoerheffingen en, anders dan Fediol stelt, verliezen deze dit karakter niet door het feit dat zij misschien kunstmatig zijn berekend .

34 Dit argument faalt derhalve .

Artikel XX van de GATT

35 Ingevolge artikel XX mag iedere verdragsluitende partij bepaalde van de GATT afwijkende maatregelen nemen, voor zover die maatregelen geen middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar dezelfde omstandigheden heersen, hetzij tot een verkapte beperking van de internationale handel . Toegestaan zijn onder meer, maatregelen

"i ) welke uitvoerbeperkingen inhouden van binnenlandse grondstoffen ten einde de noodzakelijke hoeveelheid hiervan te reserveren voor een binnenlandse verwerkende industrie in tijden dat de binnenlandse prijs van deze grondstoffen beneden de wereldprijs wordt gehouden ter uitvoering van een van regeringswege opgesteld stabilisatieplan, mits echter zulke beperkingen niet leiden tot vergroting van de uitvoer of de bescherming van zulk een binnenlandse industrie en niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende non-discriminatie ".

36 Volgens Fediol volgt uit deze bepaling een algemeen verbod van uitvoerbeperkingen ter bescherming van de betrokken binnenlandse industrie die niet aan de voorwaarden voor een afwijking voldoen .

37 Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt, dat artikel XX, sub i, van de GATT voorziet in een uitzondering op andere verbodsbepalingen van de GATT; het onderstelt derhalve een in een andere bepaling neergelegd verbod, waarop het een uitzondering toestaat . Uit dit artikel kan derhalve geen zelfstandig algemeen verbod worden afgeleid .

38 Dit argument faalt derhalve eveneens .

Artikel XXIII van de GATT

39 Artikel XXIII, paragraaf 1, van de GATT luidt als volgt :

"Indien een verdragsluitende partij meent, dat enig voordeel hetwelk voor haar rechtstreeks of middellijk uit deze Overeenkomst voortvloeit wordt tenietgedaan of uitgehold of dat het bereiken van een in deze Overeenkomst gesteld doel wordt verhinderd doordat

a ) een andere verdragsluitende partij in gebreke blijft haar verplichtingen krachtens deze Overeenkomst na te komen of

b ) een andere verdragsluitende partij, al dan niet in strijd met de bepalingen van deze Overeenkomst, een maatregel toepast of

c ) enige andere omstandigheid aanwezig is,

mag die verdragsluitende partij, ten einde tot een bevredigende regeling van de zaak te komen, schriftelijk bezwaren of voorstellen indienen bij de andere verdragsluitende partij of partijen welke naar haar mening hierbij betrokken zijn . Elke verdragsluitende partij tot wie dergelijke bezwaren of voorstellen worden gericht, dient hieraan welwillende aandacht te schenken ."

40 Artikel XXIII, paragraaf 2, bepaalt, welke procedure moet worden gevolgd "indien de betrokken verdragsluitende partijen niet binnen een redelijke tijd tot een vergelijk komen of indien de moeilijkheid van de in paragraaf 1, sub c, bedoelde aard is ".

41 Fediol voert een aantal argumenten aan, die alle berusten op de opvatting, dat deze bepalingen neerkomen op het verbod van alle gedragingen die een uit de GATT voortvloeiend voordeel tenietdoen of uithollen of de verwezenlijking van een doel van de GATT verhinderen . Zij betoogt, dat in het onderhavige geval een uit de GATT voortvloeiend voordeel in het gedrang komt, omdat de toepassing van differentiële belastingen in strijd is met bepaalde uit de GATT voortvloeiende verplichtingen ( artikel XXIII, paragraaf 1, sub a ) of het rechtmatig vertrouwen van de Gemeenschap schendt ( artikel XXIII, paragraaf 1, sub b en c ).

42 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld, dat artikel XXIII van de GATT op zichzelf geen specifieke materiële rechtsregel bevat, waarvan de schending een onrechtmatige handelspraktijk zou opleveren . Deze bepaling schrijft slechts voor, welke procedure een verdragsluitende partij in het kader van de GATT kan volgen, wanneer een voor haar uit de GATT voortvloeiend voordeel door gedragingen van een andere verdragsluitende partij wordt tenietgedaan of uitgehold, zelfs al zijn die gedragingen niet in strijd met de bepalingen van de GATT .

43 Dit argument faalt derhalve .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

44 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Ingevolge artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, kan het Hof de proceskosten evenwel geheel of gedeeltelijk compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld . Daar de Commissie op het punt van de ontvankelijkheid van het beroep in het ongelijk is gesteld, moeten de proceskosten worden gecompenseerd .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .

Top