EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61986CC0058

Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 5 februari 1987.
Coopérative agricole d'approvisionnement des Avirons tegen Receveur des douanes de Saint-Denis en Directeur régional des douanes de la Réunion.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal d'instance de Saint-Denis (La Réunion) - Frankrijk.
Landbouwheffingen - Non-discriminatiebeginsel - Verjaring van verzoeken om terugbetaling.
Zaak 58/86.

European Court Reports 1987 -01525

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1987:73

61986C0058

Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 5 februari 1987. - COOPERATIVE AGRICOLE D'APPROVISIONNEMENT DES AVIRONS TEGEN RECEVEUR DES DOUANES DE SAINT-DENIS EN DIRECTEUR REGIONAL DES DOUANES DE LA REUNION. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET TRIBUNAL D'INSTANCE DE SAINT-DENIS (EILAND REUNION). - LANDBOUWHEFFINGEN - NON-DISCRIMINATIEBEGINSEL - VERJARING VAN VERZOEKEN OM TERUGBETALING. - ZAAK 58/86.

Jurisprudentie 1987 bladzijde 01525


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1 . Kan de in het derde land van uitvoer bedongen maisprijs of de bijzondere situatie op het eiland Réunion een uitzondering rechtvaardigen op de gemeenschapsregeling inzake landbouwheffingen, zoals ingesteld bij verordening nr . 2727/75 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen? Dit is in wezen de vraag die in casu aan de orde is .

Ten einde daarop te kunnen antwoorden, wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen, of het bedrag van de heffingen over importen uit derde landen moet worden aangepast aan de specifieke omstandigheden van elke transactie, zodat er slechts een heffing verschuldigd is wanneer er een positief verschil bestaat tussen de prijs binnen en die buiten de Gemeenschap .

Op deze vraag kan alleen maar ontkennend worden geantwoord, aangezien zowel het doel van de betrokken wettelijke regeling als de uitvoeringsmodaliteiten ervan zich tegen een dergelijke "individualisering" van het heffingstelsel verzetten .

De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen berust op een "stelsel van uniforme prijzen", dat met name voorziet in

"een drempelprijs tot het peil waarvan de prijs van de ingevoerde produkten wordt opgetrokken door middel van een variabele

C 58/86

- 2 -

invoerheffing ". ( 1 )

2 . Immers,

"de totstandbrenging van één markt voor granen in de Gemeenschap brengt mee dat naast een uniforme prijsregeling ook een uniforme regeling van het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap tot stand moet worden gebracht ". ( 2 )

Alleen dank zij de externe en interne uniformiteit van de prijzenregeling, conditio sine qua non voor die éne markt, kan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag worden gewaarborgd . Een uniforme regeling van het handelsverkeer draagt in het bijzonder bij

"tot stabilisatie van de gemeenschappelijke markt en voorkomt met name dat de prijsschommelingen op de wereldmarkt doorwerken in de prijzen in de Gemeenschap" 2,

en maakt het op die manier mogelijk de betrokkenen een redelijke levensstandaard te waarborgen dank zij de communautaire preferentie .

Daarom dienen de heffingen op importen uit derde landen in het algemeen ter

"overbrugging van het verschil tussen de buiten en binnen de Gemeenschap geldende prijzen ". 2

Gelijk de Commissie heeft opgemerkt, heeft het heffingstelsel dus noodzakelijkerwijze een "abstract" of beter gezegd een algemeen en onpersoonlijk karakter, aangezien het moet worden toegepast ongeacht de prijscondities die bij een particuliere transactie zijn bedongen .

In het arrest van 13 december 1967 ( 3 ) overwoog het Hof dat "de heffing

C 58/86

- 3 -

... in het kader ener gemeenschappelijke ordening - en niet slechts op nationaal niveau - een marktregulerende functie vervult, terwijl voorts bij haar vaststelling een op de doelstellingen der gemeenschappelijke markt afgestemd prijsniveau in aanmerking wordt genomen ... dat zij derhalve als een - aan een gemeenschappelijk prijzenbeleid gebonden - maatregel tot regeling van de buitenlandse handel moet worden beschouwd ..."

De Commissie heeft terecht opgemerkt, dat de berekeningswijze van de heffing als het ware een weerspiegeling vormt van deze kenmerken . Het bedrag van de heffing is gelijk aan het verschil tussen

- een fictieve prijs, de drempelprijs, berekend op basis van de voor Rotterdam berekende en jaarlijks voor de duur van een verkoopseizoen vastgestelde richtprijs ( 4 ),

en

- een gemiddelde werkelijke prijs, de cif-prijs, dat wil zeggen de prijs van het produkt op de wereldmarkt, eveneens berekend voor Rotterdam, op basis van de "gunstigste aankoopmogelijkheden op de wereldmarkt, welke voor elk produkt worden vastgesteld op basis van de noteringen of de prijzen van deze markt" ( 5 ).

Deze laatste prijs geeft dus het gemiddelde weer dat representatief is voor de werkelijke markttendens ( 6 ). Het dagelijks door de Commissie vastgestelde bedrag van de heffing wordt immers slechts gewijzigd bij een verschil van meer dan 0,60 rekeneenheid per 1000 kg ten opzichte van de daarvóór vastgestelde heffing ( 7 ).

De heffingen zijn dus van toepassing op alle invoer, ongeacht de bijzondere prijscondities van het derde land van uitvoer . Aangezien het daarbij noodzakelijkerwijze om de inning van forfaitaire rechten gaat,

C 58/86

- 4 -

kan het gebeuren dat de bij een bepaalde transactie betaalde prijs de door de Commissie als representatief beschouwde cif-prijs overtreft . Dat is dan echter slechts een individueel geval, zonder betekenis voor de algemene tendens van de prijzen op de wereldmarkt . Anders zou de Commissie de daarvóór vastgestelde heffing moeten wijzigen .

Voor de toepassing van de heffing is de door de communautaire importeur in een derde land bedongen werkelijke prijs als zodanig derhalve van geen belang . De marktdeelnemers van de Gemeenschap dienen bijgevolg hun invoerbeleid af te stemmen op dit algemene en onpersoonlijke systeem, waarvan zij geacht worden de bepalingen te kennen . De op een communautaire grondslag vastgestelde heffing moet derhalve worden gezien als een retributie die een forfaitaire regulering van de prijs van uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerde produkten waarborgt .

3 . In de tweede plaats wenst het tribunal d' instance te Saint-Denis te vernemen of, gelet op de objectief verschillende situatie van het eiland Réunion binnen de Gemeenschap, de toepassing van het heffingstelsel op de invoer van mais op het eiland niet in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag .

Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat het eiland Réunion ver is verwijderd van het Europese continent, hetgeen hoge transportkosten meebrengt, en dat de vraag naar mais de plaatselijke produktiecapaciteit in grote mate overtreft . Dit levert haars inziens overmacht op voor de importeurs op het eiland, die de mais die nodig is om aan de behoeften van de plaatselijke veeteelt te voldoen, uit Zuid-Afrika moeten invoeren .

Met betrekking tot de toepassing van de regeling der invoerheffingen op de Franse overzeese departementen verwijs ik naar artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag, bepalende dat :

C 58/86

- 5 -

" zodra dit Verdrag in werking treedt van toepassing ( zijn ) de bijzondere en algemene bepalingen daarvan betreffende :

...

- de landbouw, met uitzondering van artikel 40, lid 4,

..."

Afgezien van het in casu niet aan de orde zijnde geval bedoeld in artikel 40, lid 4, zijn derhalve alle regels inzake de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen, en meer in het bijzonder die waarbij invoerheffingen zijn vastgesteld, ten volle van toepassing op het hele grondgebied van de Franse Republiek, met inbegrip van het overzeese departement Réunion, en zulks sedert de inwerkingtreding van verordening nr . 2727/75 .

Dit neemt uiteraard niet weg dat de gemeenschapswetgever in uitzonderingen kan voorzien wegens de bijzondere geografische, economische of sociale situatie van een overzees departement ( 8 ). Artikel 227, lid 2, bepaalt immers ook dat

"de instellingen van de Gemeenschap er, binnen het raam van de procedures waarin dit Verdrag voorziet, ... zorg voor ( dragen ) dat de economische en sociale ontwikkeling van die streken mogelijk wordt gemaakt ".

Zo heeft de Raad bij verordening nr . 594/78 van 20 maart 1978 ( 9 ) op het eiland Réunion ingevoerde rijst geheel vrijgesteld van de heffing voor zover

"het nodig is de voorzieningssituatie te verbeteren door een bijzondere regeling voor rijst bestemd voor plaatselijke consumptie"

C 58/86

- 6 -

( 10 ).

Daartoe had de Raad vastgesteld dat die streek "volledig van invoer afhankelijk is", omdat er geen rijst wordt verbouwd . Hij had voorts in aanmerking genomen dat dit produkt "het basisvoedsel vormt van de minst bevoorrechte bevolkingslagen van Réunion", waarvan het verbruik per hoofd veel groter is dan in de Gemeenschap ( 11 ). Deze factoren rechtvaardigen volgens de gemeenschapswetgever een verschillende behandeling in het kader van het heffingstelsel, omdat zij de positie van Réunion binnen de Gemeenschap op objectieve wijze kenmerken met betrekking tot de bevoorrading met rijst bestemd voor menselijke voeding .

Voor de invoer van mais bestemd voor de veeteelt is tot op heden geen overeenkomstige regeling vastgesteld . Het staat aan de gemeenschapswetgever om - in het bijzonder rekening houdend met de eventuele voorstellen van de studiegroep die de situatie van de overzeese departementen moet volgen - tot een economische en sociale beoordeling te komen op grond waarvan een afwijkende regeling gerechtvaardigd is . Aangezien op dit moment nauwkeurige en relevante gegevens daaromtrent ontbreken, kan niet worden gesteld, dat de situatie van het eiland Réunion dermate bijzonder is, dat zij op het gebied van de maisimporten objectief verschilt van andere gebieden van de Gemeenschap .

Bovendien blijkt uit een vergelijkend onderzoek van de cijfers inzake de importen en inzake het intracommunautaire handelsverkeer tussen 1980 en 1983, dat de Gemeenschap zelf zich ten aanzien van de invoer van mais uit derde landen in dezelfde graad van afhankelijkheid bevindt als het eiland Réunion . Meer bepaald is ongeveer 90 % van de ingevoerde mais uit de Verenigde Staten afkomstig, waardoor het argument ontleend aan de omvang van de transportkosten zijn bijzondere betekenis verliest .

C 58/86

- 7 -

4 . Voorts kan met de Commissie worden opgemerkt dat op grond van artikel 21 van verordening nr . 435/80 van de Raad van 18 februari 1980 inzake de regeling voor landbouwprodukten en bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen, van oorsprong uit de staten van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan of uit de landen en gebieden overzee ( 12 ), geen heffingen worden toegepast op de rechtstreekse invoer in de overzeese departementen van uit de betrokken staten afkomstige mais . Gelijk de Commissie terecht opmerkt, betreft het hier een voorkeursbehandeling van de ACS-staten, en niet een afwijking ten voordele van de overzeese departementen . Hoe dit ook zij, een en ander heeft wel tot gevolg dat elke importeur op het eiland Réunion vrij van heffingen kan invoeren . De meeste uitvoerende landen hebben weliswaar een onvoldoende of onregelmatige produktie, doch kennelijk bood Zimbabwe de importeurs op Réunion in elk der betrokken jaren bevoorradingsmogelijkheden die aan die twee criteria voldeden .

Daarmee konden die importeurs kiezen uit invoer vanuit de Gemeenschap, waarbij de transportkosten in zekere zin het ontbreken van invoerrechten compenseerden, invoer vanuit de dichterbij gelegen ACS-staten, zulks vrij van heffingen, en, ten slotte, invoer vanuit eender welk ander derde land, met name Zuid-Afrika, maar dan met betaling van heffingen . In werkelijkheid lijkt deze laatste keuze te zijn ingegeven door de geografische nabijheid van die bevoorradingsbron en de faciliteiten die zij voor de verpakking biedt .

Louter praktische overwegingen en de bekommernis om rentabiliteit zijn echter onvoldoende om de situatie van het eiland Réunion te onderscheiden van de rest van de Gemeenschap . In dat verband zij eraan herinnerd dat verordening nr . 594/78 voor rijst refereert aan uitzonderlijke omstandigheden, zoals een absolute afhankelijkheid van de invoer en dwingende economische en sociale behoeften, op grond waarvan het eiland Réunion in een bijzondere situatie verkeert .

Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht levert de toepassing

C 58/86

- 8 -

van het communautaire heffingstelsel op het Franse overzeese departement Réunion dan ook geen schending op van het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag .

5 . De overige vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op de nadere voorwaarden voor het recht op terugbetaling, zoals voorzien in verordening nr . 1430/79 van de Raad . Deze vragen zijn slechts gesteld voor het geval de heffingen op de ingevoerde mais mochten zijn geïnd in strijd met de basisverordening of met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag . Gelet op het voorgaande behoeven zij dus niet te worden beantwoord .

Het is dan ook niet nodig in te gaan op verzoeksters argumenten met betrekking tot de in artikel 13 van verordening nr . 1430/79 bedoelde "bijzondere omstandigheden ". Deze kunnen immers alleen in aanmerking worden genomen ter correctie van vergissingen bij de toepassing van een wettelijke regeling, het omgekeerde van het in casu aan de verwijzende rechter voorgelegde geval .

6 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het tribunal d' instance te Saint-Denis gestelde vragen te beantwoorden als volgt :

1 ) de heffingen bedoeld in verordening nr . 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, worden geïnd ongeacht de bij een bepaalde import bedongen voorwaarden, zodra en zolang de Commissie een verschil vaststelt tussen de drempelprijs en de cif-prijs voor granen;

2 ) de toepassing van de bij verordening nr . 2727/75 ingevoerde regeling inzake landbouwheffingen op mais die wordt ingevoerd op het overzeese departement Réunion, is niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea,

C 58/86

- 9 -

EEG-Verdrag .

C 58/86

- 10 -

(*) Vertaald uit het Frans .

( 1 ) Derde overweging van verordening nr . 2727/75 .

( 2 ) Tiende overweging van verordening nr . 2727/75 .

( 3 ) Zaak 17/67, Neumann, Jurispr . 1967, blz . 555, cursivering van mij .

( 4 ) Artikelen 2, 3 en 5 van verordening nr . 2727/75 .

( 5 ) Artikel 13 van verordening nr . 2727/75 .

( 6 ) Tweede overweging en artikel 1, lid 2, van verordening nr . 156/67 van de Commissie van 23 juni 1967 houdende vaststelling van de criteria voor de bepaling van de cif-prijzen en de heffingen voor granen, meel, grutten, gries en griesmeel ( PB 1967, blz . 2533 ).

( 7 ) Artikel 6 van verordening nr . 156/67 .

( 8 ) arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr . 1978, blz . 1787, r.o . 9 en 10 .

( 9 ) PB 1978, L 82, blz . 10 .

( 10 ) Derde overweging van verordening nr . 594/78 .

( 11 ) Tweede en derde overweging van verordening nr . 594/78 .

( 12 ) PB 1980, L 55, blz . 4 .

C 58/86

Top