Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61983CJ0070

Arrest van het Hof van 22 februari 1984.
Gerda Kloppenburg tegen Finanzamt Leer.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht Niedersachsen - Duitsland.
Werking van richtlijnen - Terugwerkende kracht van wijziging.
Zaak 70/83.

European Court Reports 1984 -01075

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1984:71

61983J0070

ARREST VAN HET HOF VAN 22 FEBRUARI 1984. - GERDA KLOPPENBURG TEGEN FINANZAMT LEER. - (" WERKING VAN RICHTLIJNEN - TERUGWERKENDE KRACHT VAN WIJZIGING "). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET NIEDERSAECHSISCHE FINANZGERICHT). - ZAAK NO. 70/83.

Jurisprudentie 1984 bladzijde 01075
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00397
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00533
Finse bijz. uitgave bladzijde 00513


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 . GEMEENSCHAPSRECHT - BEGINSELEN - RECHTSZEKERHEID

2.FISCALE BEPALINGEN - HARMONISATIE VAN WETGEVINGEN - OMZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE - IN ZESDE RICHTLIJN VOORZIENE VRIJSTELLINGEN - VRIJSTELLING VOOR HANDELINGEN VAN KREDIETBEMIDDELING - MOGELIJKHEID VAN BEROEP OP DESBETREFFENDE BEPALING DOOR PARTICULIEREN BIJ NIET-UITVOERING VAN RICHTLIJN - VERLENGING VAN TERMIJN VOOR TENUITVOERLEGGING VAN RICHTLIJN - GEVOLGEN

( RICHTLIJNEN VAN DE RAAD NRS . 77/388 , ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , EN 78/583 , ARTIKEL 1 )

Samenvatting


1 . HET GEMEENSCHAPSRECHT DIENT DUIDELIJK TE ZIJN EN ZIJN TOEPASSING VOOR DE JUSTITIABELEN VOORZIENBAAR . WANNEER DE INWERKINGTREDING VAN EEN HANDELING VAN ALGEMENE STREKKING NAAR EEN LATER TIJDSTIP WORDT VERLEGD , TERWIJL HET OORSPRONKELIJK VASTGESTELDE TIJDSTIP AL VERSTREKEN IS , KAN DIT ALS ZODANIG AL AFBREUK DOEN AAN DAT BEGINSEL .

2.EEN KREDIETBEMIDDELAAR KON MET BETREKKING TOT HANDELINGEN VERRICHT TUSSEN 1 JANUARI 1978 EN 30 JUNI 1978 , BIJ GEBREKE VAN TENUITVOERLEGGING VAN RICHTLIJN NR . 77/388 , EEN BEROEP DOEN OP ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DIE RICHTLIJN , BETREFFENDE DE VRIJSTELLING VAN OMZETBELASTING VOOR HANDELINGEN VAN KREDIETBEMIDDELING , WANNEER HIJ DE BELASTING NIET HAD AFGEWENTELD OP DE GENEN TE WIER BEHOEVE DE DIENST WAS VERRICHT . RICHTLIJN NR . 78/583 VAN 26 JUNI 1978 , WAARBIJ DE TERMIJN VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN RICHTLIJN NR . 77/388 TOT 1 JANUARI 1979 WERD VER LENGD , GELDT IMMERS NIET MET TERUGWERKENDE KRACHT TEN AANZIEN VAN HANDELINGEN DIE VOOR HAAR INWERKINGTREDING DOOR DE CONTRIBUABELEN ZIJN VERRICHT .

Partijen


IN ZAAK 70/83 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET NIEDERSACHSISCHE FINANZGERICHT , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

GERDA KLOPPENBURG

EN

FINANZAMT LEER ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG ( RICHTLIJN NR . 77/388 , PB L 145 VAN 1977 , BLZ . 1 ), EN ARTIKEL 1 VAN DE NEGENDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 26 JUNI 1978 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING ( RICHTLIJN NR . 78/583 , PB L 194 VAN 1978 , BLZ . 16 ),

Overwegingen van het arrest


1 BIJ BESCHIKKING VAN 3 MAART 1983 , INGEKOMEN BIJ HET HOF OP 28 APRIL DAAROPVOLGEND , HEEFT HET NIEDERSACHSISCHE FINANZGERICHT KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG- VERDRAG EEN PREJUDICIELE VRAAG GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN ( NR . 77/388 ) VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OM- ZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG ( PB L 145 VAN 1977 , BLZ . 1 ), EN ARTIKEL 1 VAN DE NEGENDE RICHTLIJN ( NR . 78/583 ) VAN DE RAAD VAN 26 JUNI 1978 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING ( PB L 194 VAN 1978 , BLZ . 16 ), TENEINDE TE KUNNEN VASTSTELLEN OF KREDIETBEMIDDELAARS ZICH IN HET EERSTE HALFJAAR VAN 1978 OP GENOEMDE BEPALING VAN DE ZESDE RICHTLIJN KONDEN BEROEPEN .

2 INGEVOLGE ARTIKEL 1 VAN DE ZESDE RICHTLIJN VAN 17 MEI 1977 MOESTEN DE LID-STATEN UITERLIJK OP 1 JANUARI 1978 DE NODIGE WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE MAATREGELEN TREFFEN OM HUN STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE IN OVEREENSTEMMING TE BRENGEN MET DE EISEN VAN DE RICHTLIJN . DAAR VERSCHEIDENE LID-STATEN , WAARONDER DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND , DE VEREISTE AANPASSINGEN NIET TIJDIG TOT STAND HADDEN KUNNEN BRENGEN , STELDE DE RAAD OP 26 JUNI 1978 DE NEGENDE RICHTLIJN VAST , DIE TOT DEZE LID-STATEN WAS GERICHT EN WAARBIJ DEZE WERDEN GEMACHTIGD OM DE ZESDE RICHTLIJN UITERLIJK OP 1 JANUARI 1979 TEN UITVOER TE LEGGEN . KENNISGEVING VAN DE NEGENDE RICHTLIJN AAN HAAR ADRESSATEN VOND PLAATS OP 30 JUNI 1978 .

3 DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND GAF EERST BIJ WET VAN 26 NOVEMBER 1979 ( BGBL . I , BLZ . 1953 ), IN WERKING GETREDEN OP 1 JANUARI 1980 , UITVOERING AAN DE ZESDE RICHTLIJN . IN ZIJN ARRESTEN VAN 19 JANUARI 1982 ( ZAAK 8/81 , BECKER , JURISPR . 1982 , BLZ . 53 ) EN 10 JUNI 1982 ( ZAAK 255/81 , GRENDEL , IBID ., BLZ . 2301 ) VERKLAARDE HET HOF EVENWEL VOOR RECHT , DAT EEN KREDIETBEMIDDELAAR ZICH NA 1 JANUARI 1979 KON BEROEPEN OP HET BEPAALDE INZAKE DE VRIJSTELLING VAN OMZETBELASTING VOOR DE OMZET UIT KREDIETBEMIDDELING IN ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN , OOK INDIEN DE RICHTLIJN NOG NIET WAS UITGEVOERD EN MITS HIJ DE BELASTING NIET HAD AFGEWENTELD OP DEGENEN TE WIER BEHOEVE HIJ DE DIENST HAD VERRICHT , EN DAT DE STAAT HEM IN DAT GEVAL NIET KON TEGENWERPEN DAT DE RICHTLIJN NOG NIET TEN UITVOER WAS GELEGD .

4 BLIJKENS HET DOSSIER HEEFT VERZOEKSTER IN HET HOOFDGEDING , GERDA KLOPPENBURG ( HIERNA : VERZOEKSTER ), IN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND EEN KREDIET- EN HYPOTHEEKAGENTSCHAP . VOOR HET EERSTE HALFJAAR VAN 1978 MAAKTE ZIJ OP GROND VAN DE ARTIKELEN 1 EN 13 B , SUB D-1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN AANSPRAAK OP VRIJSTELLING VAN OMZETBELASTING .

5 HET FINANZAMT LEER WEES DIT VERZOEK AF EN PASTE OP DE DOOR VERZOEKSTER GEMAAKTE OMZET HET NORMALE TARIEF TOE , OVEREENKOMSTIG DE DESTIJDS NOG NIET GEWIJZIGDE NATIONALE WETGEVING .

6 ZICH BASEREND OP VOORNOEMDE ARRESTEN HEEFT VERZOEKSTER VAN DEZE BESCHIKKING BEROEP INGESTELD BIJ HET FINANZGERICHT , DAT DE BEHANDELING VAN DE ZAAK HEEFT GESCHORST EN HET HOF DE VOLGENDE VRAAG HEEFT GESTELD :

' ' KON EEN KREDIETBEMIDDELAAR TUSSEN 1 JANUARI 1978 EN 30 JUNI 1978 EEN BEROEP DOEN OP DE BEPALINGEN BETREFFENDE VRIJSTELLING VAN OMZETBELASTING VOOR DE OMZET UIT KREDIETBEMIDDELING IN ARTIKEL 13 B , SUB D , ONDER 1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN VAN DE RAAD BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG ( 77/388/EEG ), WANNEER AAN DEZE RICHTLIJN GEEN UITVOERING WAS GEGEVEN EN HIJ DEZE BELASTING NIET OP DEGENE TE WIENS BEHOEVE DE DIENST WAS VERRICHT , HAD AFGEWENTELD , OFSCHOON BIJ ARTIKEL 1 VAN DE NEGENDE RICHTLIJN VAN DE RAAD VAN 26 JUNI 1978 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING ( 78/583/EEG ), DE DAARIN VERMELDE LID-STATEN GEMACHTIGD WAREN , RICHTLIJN NR . 77/388 UITERLIJK OP 1 JANUARI 1979 TEN UITVOER TE LEGGEN?

' '

7 VOOR HET ANTWOORD OP DEZE VRAAG MOET ALLEREERST WORDEN ONDERZOCHT , WAT DE RECHTSPOSITIE WAS VAN DE CONTRIBUABELEN IN HET EERSTE HALFJAAR VAN 1978 , DAT WIL ZEGGEN VOOR HET TIJDSTIP WAAROP DE NEGENDE RICHTLIJN DOOR HAAR KENNISGEVING AAN DE ADRESSATEN VAN KRACHT WERD .

8 IN DE LID-STATEN DIE HUN VERPLICHTING OM HUN WETTELIJKE REGELING VOOR 1 JANUARI 1978 AAN DE ZESDE RICHTLIJN AAN TE PASSEN , NIET WAREN NAGEKOMEN , MOEST ER REKENING MEE WORDEN GEHOUDEN DAT DE BELASTINGAUTORITEITEN , NU DE RICHTLIJN NOG NIET WAS UITGEVOERD , DE DAARIN VOOR BEPAALDE GROEPEN CONTRIBUABELEN VOORZIENE VRIJSTELLINGEN NIET ZOUDEN TOEPASSEN . DE SITUATIE WAS IDENTIEK MET DIE WELKE AANLEIDING HEEFT GEGEVEN TOT DE REEDS GENOEMDE ARRESTEN VAN 19 JANUARI EN 10 JUNI 1982 .

9 DE KREDIETBEMIDDELAAR DIE DE BELASTING NIET HAD AFGEWENTELD OP DEGENEN TE WIER BEHOEVE HIJ DIENSTEN HAD VERRICHT , KON IN DIE PERIODE DUS EEN BEROEP DOEN OP DE VRIJSTELLING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DE ZESDE RICHTLIJN , EN DE IN GEBREKE GEBLEVEN LID-STAAT KON HEM NIET TEGENWERPEN DAT DEZE RICHTLIJN NOG NIET TEN UITVOER WAS GELEGD .

10 HET ENIGE NIEUWE PROBLEEM VAN DEZE ZAAK IS DERHALVE , OF DE RECHTSPOSITIE VAN EEN DERGELIJKE CONTRIBUABELE DOOR DE NEGENDE RICHTLIJN MET TERUGWERKENDE KRACHT IS GEWIJZIGD . IN DE TWEEDE PLAATS MOET DUS WORDEN ONDERZOCHT OF MET DEZE RICHTLIJN EEN DERGELIJK GEVOLG WERD BEOOGD EN , ZO JA , OF DIT RECHTENS GEOORLOOFD WAS .

11 GELIJK HET HOF REEDS HERHAALDELIJK HEEFT BEKLEMTOOND , DIENT HET GEMEENSCHAPSRECHT DUIDELIJK EN ZIJN TOEPASSING VOOR DE JUSTITIABELEN VOORZIENBAAR TE ZIJN . WANNEER DE INWERKINGTREDING VAN EEN HANDELING VAN ALGEMENE STREKKING NAAR EEN LATER TIJDSTIP WORDT VERLEGD , TERWIJL HET OORSPRONKELIJK VASTGESTELDE TIJDSTIP AL VERSTREKEN IS , DAN KAN DIT ALS ZODANIG AL AFBREUK DOEN AAN DAT BEGINSEL . WORDT MET DIE VERLEGGING BEOOGD , PARTICULIEREN RECHTEN TE ONTNEMEN DIE DE OORSPRONKELIJKE HANDELING HUN REEDS HAD TOEGEKEND , DAN DOET DIT GEVOLG INDERDAAD DE VRAAG RIJZEN OF DE WIJZIGINGSREGELING WEL GELDIG IS .

12 DIT GELDIGHEIDSPROBLEEM KAN ZICH ECHTER ALLEEN VOORDOEN INDIEN DE BEDOELING OM HET HIERBOVEN OMSCHREVEN GEVOLG TEWEEG TE BRENGEN , DUIDELIJK UIT DE WIJZIGINGSREGELING BLIJKT . DIT IS BIJ DE NEGENDE RICHTLIJN NIET HET GEVAL . NAAR HAAR LETTER VERLENGT DEZE RICHTLIJN ENKEL DE TERMIJN VOOR DE OMZETTING VAN DE ZESDE RICHTLIJN , TEN BEHOEVE VAN DE LID-STATEN DIE ER NIET IN WAREN GESLAAGD , DE PROCEDURES TER AANPASSING VAN HUN WETGEVING INZAKE DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE BINNEN DE OORSPRONKELIJK VOORGESCHREVEN TERMIJN TE VOLTOOIEN . ZIJ BEVAT GEEN ENKELE AANWIJZING , DAT DEZE VERLENGING WIJZIGING BRENGT IN DE SITUATIE VAN DE CONTRIBUABELEN MET BETREKKING TOT OMZETTEN GEMAAKT VOOR DE INWERKINGTREDING VAN DE HANDELING WAARBIJ DE UITVOERINGSTERMIJN WERD GEWIJZIGD .

13 BIJGEVOLG MOET DE NEGENDE RICHTLIJN ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT ZIJ IN ZOVERRE GEEN TERUGWERKENDE KRACHT HEEFT .

14 OP DE PREJUDICIELE VRAAG MOET MITSDIEN WORDEN GEANTWOORD , DAT BIJ GEBREKE VAN TENUITVOERLEGGING VAN DE ZESDE RICHTLIJN ( NR . 77/388 ) VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG , EEN KREDIETBEMIDDELAAR ZICH VOOR TUSSEN 1 JANUARI EN 30 JUNI 1978 GEMAAKTE OMZETTEN KON BEROEPEN OP DE BEPALING BETREFFENDE DE BELASTINGVRIJSTELLING , VERVAT IN ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DIE RICHTLIJN , WANNEER HIJ DE BELASTING NIET HAD AFGEWENTELD OP DEGENEN TE WIER BEHOEVE DE DIENST WAS VERRICHT .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

15 DE KOSTEN DOOR DE ITALIAANSE REGERING EN DE COMMISSIE WEGENS INDIENING VAN HUN OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

VERKLAART VOOR RECHT :

BIJ GEBREKE VAN TENUITVOERLEGGING VAN DE ZESDE RICHTLIJN ( NR . 77/388 ) VAN DE RAAD VAN 17 MEI 1977 BETREFFENDE DE HARMONISATIE VAN DE WETGEVINGEN DER LID-STATEN INZAKE OMZETBELASTING - GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE : UNIFORME GRONDSLAG , KON EEN KREDIETBEMIDDELAAR ZICH VOOR TUSSEN 1 JANUARI EN 30 JUNI 1978 GEMAAKTE OMZETTEN BEROEPEN OP DE BEPALING BETREFFENDE BELASTINGVRIJSTELLING , VERVAT IN ARTIKEL 13 B , SUB D-1 , VAN DIE RICHTLIJN , WANNEER HIJ DE BELASTING NIET HAD AFGEWENTELD OP DEGENEN TE WIER BEHOEVE DE DIENST WAS VERRICHT .

Top