Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61980CJ0139

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 maart 1981.
Blanckaert & Willems PVBA tegen Luise Trost.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesgerichtshof - Duitsland.
Executieverdrag: artikel 5, sub 5 (exploitatie van een agentschap of enige andere vestiging).
Zaak 139/80.

European Court Reports 1981 -00819

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1981:70

61980J0139

ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 18 MAART 1981. - BLANCKAERT & WILLEMS PVBA TEGEN LUISE TROST. - (" EXECUTIEVERDRAG : ARTIKEL 5, SUB 5. - (EXPLOITATIE VAN EEN AGENTSCHAP OF ENIGE ANDERE VESTIGING) "). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET BUNDESGERICHTSHOF). - ZAAK NO. 139/80.

Jurisprudentie 1981 bladzijde 00819
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00137


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN - BIJZONDERE BEVOEGDHEID - GESCHIL BETREFFENDE DE EXPLOITATIE VAN EEN ' ' FILIAAL , AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING ' ' - FILIAAL OF ANDERE VESTIGING - BEGRIP - HANDELSAGENT NIET DAARONDER VALLEND - VOORWAARDEN

( EXECUTIEVERDRAG , ARTIKEL 5 , SUB 5 )

Samenvatting


EEN HANDELSAGENT ( VERMITTLUNGSVERTRETER ) DIE ZELFSTANDIG IS IN DIE ZIN DAT HIJ , NAAR ZIJN WETTELIJKE BEROEPSOMSCHRIJVING , ZIJN WERKZAAMHEID IN WEZEN VRIJ KAN ORGANISEREN EN KAN BEPALEN HOEVEEL ARBEIDSTIJD HIJ ZAL BESTEDEN VOOR EEN ONDERNEMING WAARVAN HIJ DE VERTEGENWOORDIGING HEEFT AANVAARD ; AAN WIE DE VERTEGENWOORDIGDE ONDERNEMING NIET KAN VERBIEDEN TEGELIJKERTIJD VERSCHEIDENE CONCURRERENDE FIRMA ' S IN DEZELFDE PRODUKTIE- OF HANDELSSECTOR TE VERTEGENWOORDIGEN ; EN DIE VOORTS ENKEL BESTELLINGEN DOORGEEFT AAN HET MOEDERBEDRIJF ZONDER ZICH TE MENGEN IN DE AFWIKKELING OF UITVOERING DAARVAN , VERTOONT NIET DE KENMERKEN VAN EEN FILIAAL , AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN .

Partijen


IN ZAAK 139/80 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS HET PROTOCOL VAN 3 JUNI 1971 BETREFFENDE DE UITLEGGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN , VAN HET BUNDESGERICHTSHOF , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

BLANCKAERT & WILLEMS PVBA , TE EEKLO ( BELGIE )

REQUIRANTE TOT CASSATIE , OORSPRONKELIJK VERWEERSTER ,

EN

LUISE TROST , TE AKEN ( BONDSREPUBLIEK DUITSLAND ),

GEREQUIREERDE TOT CASSATIE , OORSPRONKELIJK VERZOEKSTER ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN DE BEGRIPPEN ' ' AGENTSCHAP ' ' EN ' ' ANDERE VESTIGING ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , EXECUTIEVERDRAG ,

Overwegingen van het arrest


1 BIJ BESCHIKKING VAN 21 MAART 1980 , INGEKOMEN TEN HOVE OP 11 JUNI DAAROPVOLGENDE , HEEFT HET BUNDESGERICHTSHOF KRACHTENS HET PROTOCOL VAN 3 JUNI 1971 BETREFFENDE DE UITLEGGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN ( HIERNA : HET EXECUTIEVERDRAG ), TWEE PREJUDICIELE VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , VAN DIT VERDRAG .

2 VOLGENS DEZE BEPALING , DIE EEN AFWIJKING VORMT VAN DE IN ARTIKEL 2 EXECUTIEVERDRAG VERVATTE ALGEMENE REGEL INZAKE DE BEVOEGDHEID VAN HET GERECHT VAN DE WOONPLAATS , KAN EEN VERWEERDER DIE WOONPLAATS HEEFT OP HET GRONDGEBIED VAN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT , IN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE STAAT WORDEN OPGEROEPEN ' ' TEN AANZIEN VAN EEN GESCHIL BETREFFENDE DE EXPLOITATIE VAN EEN FILIAAL , VAN EEN AGENTSCHAP OF ENIGE ANDERE VESTIGING VOOR HET GERECHT VAN DE PLAATS WAAR ZIJ GELEGEN ZIJN ' ' .

3 VERWEERSTER IN HET HOOFDGEDING , DE FIRMA BLANCKAERT & WILLEMS , EEN BELGISCHE MEUBELFABRIKANT ( HIERNA : BLANCKAERT ), HEEFT , NAAR ZIJ STELT , SINDS 1960 ZAKENRELATIES ONDERHOUDEN MET DE DUITSE FIRMA MOBELAGENTUR HERMANN BEY ( HIERNA : BEY ), DIE ZIJ HAD BELAST MET DE OPBOUW VAN EEN VERKOOPORGANISATIE VOOR DE DOOR HAAR VERVAARDIGDE MEUBELEN IN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND . TER NAKOMING VAN HAAR VERBINTENIS HAD BEY OP NAAM VAN BLANCKAERT EEN VERTEGENWOORDIGINGSOVEREENKOMST VOOR HET GEBIED RIJN-RUHR , EIFEL EN ZUID-WESTFALEN GESLOTEN MET TROST , VERZOEKSTER IN HET HOOFDGEDING . VOLGENS DEZE OVEREENKOMST PROSPECTEERDE TROST RECHTSTREEKS VOOR REKENING VAN BLANCKAERT EN ONTVING ZIJ VAN DEZE EEN PROVISIE VAN 5 % . KRACHTENS DE OVEREENKOMST MOEST ZIJ DE ORDERS DIE ZIJ VOOR BLANCKAERT PLAATSTE VIA BEY IN AKEN DOORGEVEN . OVER DEZE VIA BEY DOORGEGEVEN ORDERS BETAALDE BLANCKAERT AAN LAATSTGENOEMDE EEN SUPERPROVISIE , ZOALS GEWOONLIJK WORDT TOEGEKEND AAN HANDELSAGENTEN DIE ANDERE HANDELSAGENTEN VAN EEN ONDERNEMING INSTRUEREN EN CONTROLEREN .

4 IN DECEMBER 1976 VERBRAK BLANCKAERT DE OVEREENKOMST MET TROST , WAAROP DEZE BEROEP INSTELDE STREKKENDE TOT BETALING VAN PROVISIES EN VERGOEDINGEN . TROST BRACHT HAAR VORDERING VOOR HET LANDGERICHT AKEN , AANGEZIEN ZIJ VAN MENING WAS DAT BEY EEN AGENTSCHAP OF FILIAAL WAS VAN BLANCKAERT , ZODAT HET GESCHIL KON WORDEN GEBRACHT VOOR HET GERECHT VAN DE PLAATS WAAR DIT AGENTSCHAP OF FILIAAL WAS GELEGEN .

5 HET LANDGERICHT AKEN VERWIERP DEZE OPVATTING EN VERKLAARDE ZICH ONBEVOEGD . IN HOGER BEROEP EVENWEL OORDEELDE HET OBERLANDESGERICHT KEULEN DAT AAN DE VOORWAARDEN VOOR INTERNATIONALE BEVOEGDHEID VAN HET LANDGERICHT WAS VOLDAAN , AANGEZIEN BEY EEN AGENTSCHAP VAN BLANCKAERT WAS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 EXECUTIEVERDRAG EN HET GEVORDERDE EEN UITVLOEISEL WAS VAN DE EXPLOITATIE VAN HET AGENTSCHAP .

6 OP HET BEROEP IN CASSATIE ( ' ' REVISION ' ' ) VAN VERWEERSTER STELDE HET BUNDESGERICHTSHOF VAST , DAT HET OBERLANDESGERICHT KEULEN TERECHT ERVAN WAS UITGEGAAN DAT ZOWEL DE FIRMA BEY ALS DE FIRMA TROST VOOR REKENING VAN BLANCKAERT HADDEN GEWERKT ' ' ALS HANDELSAGENTEN , EN WEL ALS , VERMITTLUNGSVERTRETER ' , DAT WIL ZEGGEN DAT BEIDEN ALS ZELFSTANDIGE NERINGDOENDEN IN DE ZIN VAN PAR 84 , LID 1 , HGB , DE VASTE OPDRACHT HADDEN OM VOOR EEN ONDERNEMER , VERWEERSTER , TE BEMIDDELEN BIJ HET TOT STAND KOMEN VAN OVEREENKOMSTEN ' ' ; HET BUNDESGE RICHTSHOF OVERWOOG VERVOLGENS DAT HET HOF VAN JUSTITIE ZICH NOG NIET HAD UITGESPROKEN OVER DE VRAAG OF DE EXPLOITATIE VAN EEN AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , EXECUTIEVERDRAG , DE WERKZAAMHEID VAN EEN HANDELSAGENT , INZONDERHEID VAN EEN ' ' VERMITTLUNGSVERTRETER ' ' IN DE ZIN VAN VOORNOEMDE DUITSE BEPALING OMVAT .

7 VAN MENING DERHALVE DAT HET GESCHIL VRAGEN DEED RIJZEN BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN HET EXECUTIEVERDRAG , HEEFT HET BUNDESGERICHTSHOF HET HOF VAN JUSTITIE TWEE VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , VAN DIT VERDRAG .

DE EERSTE VRAAG

8 MET DE EERSTE VRAAG WENST DE NATIONALE RECHTER IN WEZEN TE VERNEMEN , OF EEN HANDELSAGENT ( ' ' VERMITTLUNGSVERTRETER ' ' IN DE ZIN VAN PAR PAR 84 E . V . HGB ) IS TE BESCHOUWEN ALS EEN ,, AGENTSCHAP ' ' OF ' ' ANDERE VESTIGING ' ' IN DE ZIN VAN ARTI- KEL 5 , SUB 5 , EXECUTIEVERDRAG .

9 GELIJK DE NATIONALE RECHTER TERECHT OPMERKT , HEEFT HET HOF VAN JUSTITIE IN ZIJN ARREST VAN 6 OKTOBER 1976 ( ZAAK 14/76 , DE BLOOS , JURISPR . 1976 , BLZ . 1497 ) OVERWOGEN , DAT EEN DER WEZENSKENMERKEN VAN HET BEGRIP FILIAAL EN AGENTSCHAP DE ONDERWORPENHEID AAN HET TOEZICHT EN DE LEIDING VAN HET MOERDERBEDRIJF IS .

10 IN DAT ARREST BEHOEFDE HET HOF ECHTER NIET TE PRECISEREN AAN DE HAND VAN WELKE GEGEVENS EVENTUEEL KAN WORDEN VASTGESTELD OF EEN ONDERNEMING OF FIRMA AL DAN NIET IS ONDERWORPEN AAN DE LEIDING EN HET TOEZICHT VAN EEN MOEDERBEDRIJF ; HET HOOFDGEDING BETROF IMMERS DE BETREKKINGEN TUSSEN EEN FIRMA EN HAAR ALLEENVERKOPER EN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE HAD VERKLAARD DAT DE CONCESSIEHOUDER NIET AAN DE LEIDING OF HET TOEZICHT VAN DE CONCESSIEGEVER WAS ONDERWORPEN .

11 VOORTS HEEFT HET HOF IN ZIJN ARREST VAN 22 NOVEMBER 1978 ( ZAAK 33/78 , SOMAFER , JURISPR . 1978 , BLZ . 2183 ) OVERWOGEN DAT ' ' HET BEGRIP FILIAAL , AGENTSCHAP OF ENIGE ANDERE VESTIGING IMPLICEERT EEN CENTRUM VAN WERKZAAMHEID , DAT ZICH NAAR BUITEN DUURZAAM MANIFESTEERT ALS HET VERLENGSTUK VAN EEN MOEDERBEDRIJF , MET EEN EIGEN DIRECTIE EN MATERIELE UITRUSTING , ZODAT HET ZAKEN MET DERDEN KAN DOEN , EN WEL DUSDANIG DAT DEZEN , OFSCHOON WETEND DAT EVENTUEEL EEN RECHTSBAND MET HET IN HET BUITENLAND GEVESTIGDE MOEDERBEDRIJF ZAL ONTSTAAN , ZICH NIET RECHTSTREEKS DAARTOE BEHOEVEN TE WENDEN EN ZAKEN KUNNEN DOEN IN BEDOELD CENTRUM , DAT HET VERLENGSTUK ERVAN VORMT . ' '

12 UIT HET IN DEZE TWEE ARRESTEN OVERWOGENE EN MET NAME UIT HET CRITERIUM DAT EEN ' ' FILIAAL , AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , EXECUTIEVERDRAG VOOR DERDEN DUIDELIJK HERKENBAAR MOET ZIJN ALS EEN VERLENGSTUK VAN HET MOEDERBEDRIJF , VLOEIT VOORT DAT ER GEEN SPRAKE IS VAN ONDERWORPENHEID AAN DE LEIDING EN HET TOEZICHT VAN HET MOEDERBEDRIJF WANNEER DE VERTEGENWOORDIGER ' ' ZIJN WERKZAAMHEID EN ZIJN ARBEIDSTIJD IN WEZEN VRIJ KAN ORGANISEREN ' ' ( PAR 84 , LID 1 IN FINE , HGB ) ZONDER DAARBIJ AAN DE INSTRUCTIES VAN HET MOEDERBEDRIJF TE ZIJN GEBONDEN ; WANNEER HET HEM VRIJ STAAT VERSCHEIDENE FIRMA ' S TE VERTEGENWOORDIGEN DIE BIJ DE PRODUKTIE EN VERKOOP VAN GELIJKE OF SOORTGELIJKE PRODUKTEN MET ELKAAR IN CONCURRENTIE STAAN , EN WANNEER HIJ NIET DAADWERKELIJK BETROKKEN IS BIJ DE AFWIKKELING EN UITVOERING VAN DE OVEREENKOMSTEN , DOCH ZICH IN WEZEN ERTOE BEPERKT BESTELLINGEN DOOR TE GEVEN AAN DE DOOR HEM VERTEGENWOORDIGDE ONDERNEMER . WANNEER DEZE DRIE OMSTANDIGHEDEN ZICH VOORDOEN , KAN EEN FIRMA DIE DEZE KENMERKEN VERTOONT , NIET WORDEN BESCHOUWD ALS CENTRUM VAN WERKZAAMHEDEN , DAT ZICH NAAR BUITEN DUURZAAM MANIFESTEERT ALS EEN VERLENGSTUK VAN HET MOEDERBEDRIJF .

13 OP DE EERSTE VRAAG MOET MITSDIEN WORDEN GEANTWOORD DAT EEN HANDELSAGENT ( ' ' VERMITTLUNGSVERTRETER ' ' ) DIE ZELFSTANDIG IS IN DIE ZIN DAT HIJ , NAAR ZIJN WETTELIJKE BEROEPSOMSCHRIJVING , ZIJN WERKZAAMHEID IN WEZEN VRIJ KAN ORGANISEREN EN KAN BEPALEN HOEVEEL ARBEIDSTIJD HIJ ZAL BESTEDEN VOOR EEN ONDERNEMING WAARVAN HIJ DE VERTEGENWOORDIGING HEEFT AANVAARD ; AAN WIE DE VERTEGENWOORDIGDE ONDERNEMING NIET KAN VERBIEDEN TEGELIJKERTIJD VERSCHEIDENE CONCURRERENDE FIRMA ' S IN DEZELFDE PRODUKTIE- OF HANDELSSECTOR TE VERTEGENWOORDIGEN ; EN DIE VOORTS ENKEL BESTELLINGEN DOORGEEFT AAN HET MOEDERBEDRIJF ZONDER ZICH TE MENGEN IN DE AFWIKKELING OF UITVOERING DAARVAN , NIET DE KENMERKEN VERTOONT VAN EEN FILIAAL , AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN .

DE TWEEDE VRAAG

14 AANGEZIEN DE TWEEDE VRAAG ENKEL IS GESTELD VOOR HET GEVAL DE EERSTE BEVESTIGEND ZOU WORDEN BEANTWOORD , BEHOEFT DAAROP NIET TE WORDEN INGEGAAN .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

15 DE KOSTEN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HARER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( DERDE KAMER ),

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET BUNDESGERICHTSHOF BIJ BESCHIKKING VAN 21 MAART 1980 GESTELDE VRAGEN , VERKLAART VOOR RECHT :

EEN HANDELSAGENT ( ' ' VERMITTLUNGSVERTRETER ' ' ) DIE ZELFSTANDIG IS IN DIE ZIN DAT HIJ , NAAR ZIJN WETTELIJKE BEROEPSOMSCHRIJVING , ZIJN WERKZAAMHEID IN WEZEN VRIJ KAN ORGANISEREN EN KAN BEPALEN HOEVEEL ARBEIDSTIJD HIJ ZAL BESTEDEN VOOR EEN ONDERNEMING WAARVAN HIJ DE VERTEGENWOORDIGING HEEFT AANVAARD ; AAN WIE DE VERTEGENWOORDIGDE ONDERNEMING NIET KAN VERBIEDEN TEGELIJKERTIJD VERSCHEIDENE CONCURRERENDE FIRMA ' S IN DEZELFDE PRODUKTIE- OF HANDELSSECTOR TE VERTEGENWOORDIGEN ; EN DIE VOORTS ENKEL BESTELLINGEN DOORGEEFT AAN HET MOEDERBEDRIJF ZONDER ZICH TE MENGEN IN DE AFWIKKELING OF UITVOERING DAARVAN , VERTOONT NIET DE KENMERKEN VAN EEN FILIAAL , AGENTSCHAP OF ANDERE VESTIGING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 5 , SUB 5 , VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN .

Top