EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61979CJ0053

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 februari 1980.
Rijksdienst voor Werknemerspensioenen tegen Fioravante Damiani.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hof van Cassatie - België.
Sociale zekerheid - Voorlopige uitkering.
Zaak 53/79.

Jurisprudentie 1980 -00273

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1980:44

61979J0053

ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 14 FEBRUARI 1980. - RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN TEGEN FIORAVANTE DAMIANI. - (" SOCIALE ZEKERHEID - VOORLOPIGE UITKERING "). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET BELGISCHE HOF VAN CASSATIE). - ZAAK NO. 53/79.

Jurisprudentie 1980 bladzijde 00273
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00147


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 . PREJUDICIELE VRAGEN - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - GRENZEN - RELEVANTIE VAN DE GESTELDE VRAGEN - GEEN PUNT VAN BEOORDELING

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 )

2 . SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - UITKERINGEN - VOORLOPIGE UITKERINGEN - RECHT VAN BETROKKENEN OM BEROEP AAN TE TEKENEN - DRAAGWIJDTE

( VERORDENING NR . 574/72 VAN DE RAAD , ARTIKEL 45 , LID 4 )

Samenvatting


1 . HET STAAT NIET AAN HET HOF , ZICH UIT TE SPREKEN OVER DE OPPORTUNITEIT VAN EEN VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING . IN HET KADER VAN DE TAAKVERDELING TUSSEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES EN HET HOF OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG IS HET IMMERS DE NATIONALE RECHTER - DE ENIGE DIE DE FEITEN EN DE DOOR PARTIJEN AANGEVOERDE ARGUMENTEN RECHTSTREEKS KENT EN VERANTWOORDELIJK IS VOOR DE TE GEVEN BESLISSING - DIE MET VOLLE KENNIS HEEFT TE BEOORDELEN OF DE IN HET VOOR HEM AANHANGIGE GESCHIL OPGEWORPEN RECHTSVRAGEN RELEVANT ZIJN EN OF EEN PREJUDICIELE UITSPRAAK NOODZAKELIJK IS OM VONNIS TE KUNNEN WIJZEN .

2 . ARTIKEL 45 , LID 4 , VAN ' S RAADS VERORDENING NR . 574/72 MAG NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET TEN DOEL HEEFT ELKE MOGELIJKHEID VAN RECHTERLIJKE BESCHERMING VAN HET RECHT OP VOORLOPIGE UITKERINGEN UIT TE SLUITEN . DE UITDRUKKING ' ' WAARTEGEN GEEN BEROEP KAN WORDEN AANGETEKEND ' ' IN ARTIKEL 45 , LID 4 , GELEZEN IN VERBAND MET DE ERAAN VOORAFGAANDE WOORDEN ' ' VOORLOPIGE AARD ' ' , BETEKENT ENKEL DAT TEGEN DE MAATREGELEN , DOOR DE BEVOEGDE ORGANEN KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , GENOMEN , GEEN BEROEP STREKKENDE TOT DEFINITIEVE VASTSTELLING VAN BETROKKENES RECHTEN OP UITKERING MOGELIJK IS . ARTIKEL 45 , LID 4 , VERZET ZICH ER ECHTER NIET TEGEN , DAT BIJ DE BEVOEGDE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BEROEP WORDT INGESTELD TEGEN HET NIET OF TE LAAT NAKOMEN DOOR HET BEVOEGDE ORGAAN , VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN , EN DAT AAN VERZOEKER VERVOLGENS KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN OVER DE VERSCHULDIGDE BEDRAGEN WORDEN TOEGEKEND .

Partijen


IN ZAAK 53/79 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET BELGISCHE HOF VAN CASSATIE ( DERDE KAMER ), IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN

EN

FIORAVANTE DAMIANI

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 45 , LEDEN 1 EN 4 , VAN VERORDENING NR . 574/72 VAN DE RAAD VAN 21 MAART 1972 TOT VASTSTELLING VAN DE WIJZE VAN TOEPASSING VAN VERORDENING NR . 1408/71 BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN OP LOONTREKKENDEN EN HUN GEZINNEN , DIE ZICH BINNEN DE GEMEENSCHAP VERPLAATSEN ( PB L 74 VAN 1972 , BLZ . 1 ),

Overwegingen van het arrest


1 BIJ ARREST VAN 19 MAART 1979 , INGEKOMEN TER GRIFFIE VAN HET HOF OP 9 APRIL 1979 , HEEFT HET BELGISCHE HOF VAN CASSATIE KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG EEN VRAAG GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 45 , LEDEN 1 EN 4 , VAN VERORDENING NR . 574/72 VAN DE RAAD VAN 21 MAART 1972 TOT VASTSTELLING VAN DE WIJZE VAN TOEPASSING VAN VERORDENING NR . 1408/71 BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN OP LOONTREKKENDEN EN HUN GEZINNEN , DIE ZICH BINNEN DE GEMEENSCHAP VERPLAATSEN ( PB L 74 VAN 1972 , BLZ . 1 ).

2 DIE VRAAG IS GEREZEN IN EEN GESCHIL TUSSEN EEN WERKNEMER DIE PENSIOENUITKERINGEN HEEFT AANGEVRAAGD , EN DE RIJKSDIENST VOOR WERKNEMERSPENSIOENEN ( RWP ), OVER DE KWESTIE OF KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN MOGEN WORDEN TOEGEKEND OVER HET BEDRAG VAN VOORLOPIGE UITKERINGEN DIE INGEVOLGE ARTIKEL 45 , LEDEN 1 EN 4 , VAN GENOEMDE VERORDENING ZIJN VERSCHULDIGD .

3 ARTIKEL 45 , LID 1 , VAN VERORDENING NR . 574/72 BEPAALT :

' ' INDIEN HET BEHANDELENDE ORGAAN VASTSTELT DAT DE AANVRAGER KRACHTENS DE DOOR DIT ORGAAN TOEGEPASTE WETTELIJKE REGELING RECHT HEEFT OP UITKERINGEN ZONDER DAT REKENING HOEFT TE WORDEN GEHOUDEN MET DE TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING DIE ZIJN VERVULD KRACHTENS DE WETTELIJKE REGELING VAN ANDERE LID-STATEN , BETAALT HET DEZE ONMIDDELLIJK ALS VOORLOPIGE UITKERING . ' '

LID 4 VAN DIT ARTIKEL PRECISEERT DAT HET ORGAAN DAT KRACHTENS LID 1 UITKERINGEN DIENT TE BETALEN , ' ' DE AANVRAGER HIERVAN ONMIDDELLIJK IN KENNIS ( STELT ) WAARBIJ HET UITDRUKKELIJK ZIJN AANDACHT VESTIGT OP DE VOORLOPIGE AARD VAN DE HIERTOE GENOMEN MAATREGEL WAARTEGEN GEEN BEROEP KAN WORDEN AANGETEKEND . ' '

4 DE VRAAG VAN HET HOF VAN CASSATIE LUIDT ALS VOLGT :

' ' WANNEER HET BEHANDELENDE ORGAAN , BEDOELD IN ARTIKEL 45 , LID 1 , VAN ' S RAADS VERORDENING NR . 574/72 VAN 21 MAART 1972 TOT VASTSTELLING VAN DE WIJZE VAN TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEIDSREGELINGEN OP LOONTREKKENDEN EN HUN GEZINNEN , DIE ZICH BINNEN DE GEMEENSCHAP VERPLAATSEN , VASTSTELT DAT DE AANVRAGER KRACHTENS DE DOOR DIT ORGAAN TOEGEPASTE WETTELIJKE REGELING RECHT HEEFT OP UITKERINGEN ZONDER DAT REKENING BEHOEFT TE WORDEN GEHOUDEN MET DE TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING DIE ZIJN VERVULD KRACHTENS DE WETTELIJKE REGELING VAN ANDERE LID-STATEN , EN HET DEZE NIET ONMIDDELLIJK ALS VOORLOPIGE UITKERINGEN BETAALT , EN WANNEER HET BEHANDELENDE ORGAAN , NADAT DE AANVRAGER HET VOOR DE BEVOEGDE NATIONALE RECHTER HEEFT GEDAGVAARD OM EEN VOORLOPIGE UITSPRAAK TE VERKRIJGEN , BESLUIT DE VOORLOPIGE UITKERINGEN TOE TE KENNEN VANAF EEN AAN DE DAGVAARDING VOORAFGAANDE DATUM : VERZETTEN DE BEPALINGEN VAN ARTIKEL 45 , LEDEN 1 EN 4 , VAN DIE VERORDENING ZICH DAN ERTEGEN , DAT DE AANGEZOCHTE RECHTER OP VERZOEK VAN DE AANVRAGER EN KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN TOEKENT OVER DE VOORLOPIG VERSCHULDIGDE UITKERINGEN SINDS DE DATUM VAN DE DAGVAARDING?

' '

5 DE RWP ACHT HET VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING NIET ONTVANKELIJK OMDAT DE GESTELDE VRAAG , GEZIEN DE VERSCHILLENDE , VOOR DE VERWIJZENDE RECHTER AANGEVOERDE MIDDELEN , ' ' INOPPORTUUN ' ' ZOU ZIJN . OPGEMERKT ZIJ EVENWEL , DAT HET NIET AAN HET HOF STAAT , ZICH UIT TE SPREKEN OVER DE OPPORTUNITEIT VAN HET VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING . IN HET KADER VAN DE TAAKVEREDELING TUSSEN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES EN HET HOF OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG IS HET IMMERS DE NATIONALE RECHTER - DE ENIGE DIE DE FEITEN EN DE DOOR PARTIJEN AANGEVOERDE ARGUMENTEN RECHTSTREEKS KENT EN VERANTWOORDELIJK IS VOOR DE TE GEVEN BESLISSING - DIE MET VOLLE KENNIS HEEFT TE BEOORDELEN OF DE IN HET VOOR HEM AANHANGIGE GESCHIL OPGEWORPEN RECHTSVRAGEN RELEVANT ZIJN EN OF EEN PREJUDICIELE UITSPRAAK NOODZAKELIJK IS OM VONIS TE KUNNEN WIJZEN .

6 VERVOLGENS STELT DE RWP DAT DE UITDRUKKING ' ' WAARTEGEN GEEN BEROEP KAN WORDEN AANGETEKEND ' ' IN ARTIKEL 45 , LID 4 , ELKE MOGELIJKHEID UITSLUIT OM DE BESLISSINGEN DIE DOOR DE BEVOEGDE ORGANEN IN HET KADER VAN ARTIKEL 45 KUNNEN WORDEN GENOMEN , IN RECHTE TE BETWISTEN . DAARUIT ZOU MET NAME VOLGEN DAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES - OP STRAFFE VAN INBREUK OP ARTIKEL 45 - AAN DE UITKERINGSGERECHTIGDE GEEN GERECHTELIJKE INTERESSEN KRACHTENS NATIONAAL RECHT OVER DE VERSCHULDIGDE UITKERINGEN KUNNEN TOEKENNEN .

7 HET HOF KAN MET DIE UITLEGGING NIET INSTEMMEN . ZIJ IS ONVERENIGBAAR MET HET VERPLICHTE KARAKTER DER IN ARTIKEL 45 BEDOELDE VOORLOPIGE UITKERINGEN . ARTIKEL 45 , LID 1 , LEGT IMMERS HET BEVOEGDE ORGAAN DE VERPLICHTING OP OM , INDIEN AAN DE GESTELDE VOORWAARDEN IS VOLDAAN , DE VOORLOPIG VERSCHULDIGDE UITKERINGEN ' ' ONMIDDELLIJK ' ' TE BETALEN . DIT VERPLICHTE KARAKTER VAN DE BETALING DER UITKERINGEN WORDT BEVESTIGD DOOR ARTIKEL 45 , LID 4 , WAARIN WORDT GESPROKEN VAN ' ' HET ORGAAN DAT KRACHTENS LID 1 , 2 OF 3 UITKERINGEN DIENT TE BETALEN . ' ' TEGENOVER DEZE DOOR ARTIKEL 45 AAN DE BEVOEGDE ORGANEN OPGELEGDE VERPLICHTING STAAT EEN RECHT VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE , DAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES HEBBEN TE HANDHAVEN .

8 ARTIKEL 45 , LID 4 , MAG BIJGEVOLG NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET TEN DOEL HEEFT ELKE MOGELIJKHEID VAN RECHTERLIJKE BESCHERMING VAN HET RECHT OP VOORLOPIGE UITKERINGEN UIT TE SLUITEN . DE UITDRUKKING ' ' WAARTEGEN GEEN BEROEP KAN WORDEN AANGETEKEND ' ' IN ARTIKEL 45 , LID 4 , GELEZEN IN VERBAND MET DE ERAAN VOORAFGAANDE WOORDEN ' ' VOORLOPIGE AARD ' ' , BETEKENT ENKEL DAT TEGEN DE MAATREGELEN , DOOR DE BEVOEGDE ORGANEN KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , GENOMEN , GEEN BEROEP STREKKENDE TOT DEFINITIEVE VASTSTELLING VAN BETROKKENES RECHTEN OP UITKERING MOGELIJK IS . ARTIKEL 45 , LID 4 , VERZET ZICH ER ECHTER NIET TEGEN , DAT BIJ DE BEVOEGDE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BEROEP WORDT INGESTELD TEGEN HET NIET OF TE LAAT NAKOMEN DOOR HET BEVOEGDE ORGAAN , VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN , EN DAT AAN VERZOEKER VERVOLGENS KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN OVER DE VERSCHULDIGDE BEDRAGEN WORDEN TOEGEKEND .

9 OP DE GESTELDE VRAAG MOET MITSDIEN WORDEN GEANTWOORD , DAT ARTIKEL 45 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 574/72 ZICH NIET ERTEGEN VERZET DAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARBIJ BEROEP IS INGESTELD TEGEN DE SCHENDING DOOR HET BEVOEGDE ORGAAN VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , VAN DIE VERORDENING OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN , AAN VERZOEKER DESGEVRAAGD KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN TOEKENT OVER DE VOORLOPIG VERSCHULDIGDE UITKERINGEN .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

10 DE KOSTEN DOOR DE COMMISSIE WEGENS INDIENING HARER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ( DERDE KAMER ),

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET BELGISCHE HOF VAN CASSATIE BIJ ARREST VAN 19 MAART 1979 GESTELDE VRAAG , VERKLAART VOOR RECHT :

ARTIKEL 45 , LID 4 , VAN VERORDENING NR . 574/72 VERZET ZICH NIET ERTEGEN , DAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE WAARBIJ BEROEP IS INGESTELD TEGEN DE SCHENDING DOOR HET BEVOEGDE ORGAAN VAN DE KRACHTENS ARTIKEL 45 , LID 1 , VAN DIE VERORDENING OP HEM RUSTENDE VERPLICHTINGEN , AAN VERZOEKER DESGEVRAAGD KRACHTENS NATIONAAL RECHT GERECHTELIJKE INTERESSEN TOEKENT OVER DE VOORLOPIG VERSCHULDIGDE UITKERINGEN .

Top