EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61977CJ0030

Arrest van het Hof van 27 oktober 1977.
Regina tegen Pierre Bouchereau.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Marlborough Street Magistrates' Court, London - Verenigd Koninkrijk.
Openbare orde.
Zaak 30-77.

European Court Reports 1977 -01999

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1977:172

61977J0030

ARREST VAN HET HOF VAN 27 OKTOBER 1977. - REGINA TEGEN P. BOUCHEREAU. - (" OPENBARE ORDE "). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET MARLBOROUGH STREET MAGISTRATES'COURT TE LONDEN). - ZAAK NO. 30/77.

Jurisprudentie 1977 bladzijde 01999
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00617
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00715
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00581
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00459
Finse bijz. uitgave bladzijde 00485


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 . GEMEENSCHAPSRECHT - MEERTALIGE TEKSTEN - EENVORMIGE UITLEGGING DAARVAN - VERSCHIL TUSSEN DE TAALVERSIES - ALGEMENE OPZET EN DOELSTELLING VAN DE BETROKKEN REGELING ALS REFERENTIEBASIS

2 . VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - ' ' MAATREGEL ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 VAN RICHTLIJN NR . 64/221 - BEGRIP - AANBEVELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE AAN HET UITVOEREND GEZAG TOT UITZETTING VAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT - OPNEMING HIERVAN IN HET BEGRIP - VOORWAARDEN

3 . VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - BEPERKINGEN - MOTIVERING - BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN VAN DE BETROKKENE - BEPERKING - PERSOONLIJK GEDRAG DAT EEN ACTUELE BEDREIGING VAN DE OPENBARE ORDE VORMT

( RICHTLIJN VAN DE RAAD 64/221 , ARTIKEL 3 , LID 2 )

4 . VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - BEPERKINGEN - MOTIVERING - OPENBARE ORDE - BEGRIP

( EEG-VERDRAG ARTIKEL 48 )

Samenvatting


1 . DE VERSCHILLENDE TAALVERSIES VAN EEN GEMEENSCHAPSTEKST MOETEN OP EENVORMIGE WIJZE WORDEN UITGELEGD EN INGEVAL DEZE VERSIES UITEENLOPEN , MOET DE BETROKKEN BEPALING DERHALVE WORDEN UITGELEGD MET HET OOG OP DE ALGEMENE OPZET EN DE DOELSTELLING VAN DE REGELING WAARVAN ZIJ EEN ONDERDEEL VORMT .

2 . ELKE HANDELING DIE EEN AANTASTING VORMT VAN HET RECHT VAN DE ONDER DE WERKINGSSFEER VAN ARTIKEL 48 VAN HET VERDRAG VALLENDE PERSONEN OP VRIJE BINNENKOMST EN VERBLIJF IN DE LID-STATEN , ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN ALS DE ONDERDANEN VAN DE ONTVANGENDE LID-STAAT , VORMT EEN ' ' MAATREGEL ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 . DIT BEGRIP OMVAT MEDE DE HANDELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WELKE KRACHTENS DE WET IS GEROEPEN IN BEPAALDE GEVALLEN DE UITZETTING VAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT AAN TE BEVELEN , WANNEER DEZE AANBEVELING EEN VOORAFGAANDE NOODZAKELIJKE VOORWAARDE VORMT VOOR EEN ZODANIG BESLUIT .

3 . ARTIKEL 3 , LID 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 , VOLGENS HETWELK HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN OP ZICHZELF GEEN MOTIVERING VORMT VOOR DE BEPERKINGEN VAN HET VRIJE VERKEER DIE ARTIKEL 48 UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE EN OPENBARE VEILIGHEID TOELAAT , MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN SLECHTS TER ZAKE DOET VOOR ZOVER UIT DE OMSTANDIGHEDEN DIE TOT DEZE VEROORDELINGEN HEBBEN GELEID , BLIJKT VAN HET BESTAAN VAN EEN PERSOONLIJK GEDRAG DAT EEN ACTUELE BEDREIGING VAN DE OPENBARE ORDE VORMT .

4 . VOOR ZOVER HET BEPAALDE BEPERKINGEN VAN HET VRIJ VERKEER VAN ONDER HET GEMEENSCHAPSRECHT VALLENDE PERSONEN KAN WETTIGEN , VERONDERSTELT HET BEROEP VAN EEN NATIONALE INSTANTIE OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN ELK GEVAL , AFGEZIEN VAN DE STORING VAN DE SOCIALE ORDE DIE BIJ ELKE WETSOVERTREDING PLAATSVINDT , HET BESTAAN VAN EEN WERKELIJKE EN GENOEGZAME ERNSTIGE BEDREIGING , DIE EEN FUNDAMENTEEL BELANG VAN DE SAMENLEVING AANTAST .

Partijen


IN DE ZAAK 30/77

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET MARLBOROUGH STREET MAGISTRATES ' COURT TE LONDEN , IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

REGINA

EN

PIERRE BOUCHEREAU

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 3 VAN ' S RAADS RICHTLIJN NR . 64/221/EEG VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF , DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE , DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID ( PB 56 VAN 4 . 4 . 1964 , BLZ . 850 ),

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT HET MARLBOROUGH STREET MAGISTRATES ' COURT TE LONDEN BIJ BESCHIKKING VAN 20 NOVEMBER 1976 , INGEKOMEN TEN HOVE OP 2 MAART 1977 , HET HOF VAN JUSTITIE DRIE VRAGEN HEEFT VOORGELEGD INZAKE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 48 VAN HET VERDRAG EN VAN ENKELE BEPALINGEN VAN ' S RAADS RICHTLIJN NR . 64/221/EEG VAN 25 FEBRUARI 1964 , VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF , DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE , DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID ( PB 56 VAN 4 . 4 . 1964 , BLZ . 850 );

2 DAT DEZE VRAGEN ZIJN GESTELD IN EEN STRAFGEDING TEGEN EEN FRANS ONDERDAAN DIE SEDERT MEI 1975 ARBEID IN LOONDIENST VERRICHT IN HET VERENIGD KONINKRIJK EN IN JUNI 1976 HEEFT BEKEND SCHULDIG TE ZIJN AAN HET ONWETTIG BEZIT VAN VERDOVENDE MIDDELEN , HETGEEN BIJ DE WET VAN 1971 BETREFFENDE MISBRUIK VAN VERDOVENDE MIDDELEN ( MISUSE OF DRUGS ACT ) IS STRAFBAAR GESTELD ;

3 DAT VERDACHTE OP 7 JANUARI 1976 VOOR EEN ANDERE RECHTERLIJKE INSTANTIE HAD BEKEND SCHULDIG TE ZIJN AAN EEN IDENTIEK DELICT EN DOOR DEZE INSTANTIE VOORWAARDELIJK WAS VEROORDEELD ( CONDITIONAL DISCHARGE ), MET EEN PROEFTIJD VAN 12 MAANDEN ;

4 DAT HET MARLBOROUGH STREET MAGISTRATES ' COURT , OVEREENKOMSTIG DE HEM BIJ ARTIKEL 6 ( 1 ) VAN DE WET VAN 1971 BETREFFENDE DE IMMIGRATIE ( IMMIGRATION ACT ) TOEGEKENDE BEVOEGDHEDEN , HET VOORNEMEN HEEFT GEUIT EN VERDACHTE HIERVAN IN KENNIS HEEFT GESTELD , OM AAN DE SECRETARY OF STATE DE UITZETTING VAN GENOEMDE VERDACHTE AAN TE BEVELEN , DOCH DAT DEZE LAATSTE HEEFT BETOOGD DAT ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG EN DE BEPALINGEN VAN RICHTLIJN NR . 64/221 ZICH ERTEGEN VERZETTEN DAT IN HET ONDERHAVIGE GEVAL DE UITZETTING KAN WORDEN AANBEVOLEN ;

5 DAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE , VAN OORDEEL DAT HET GESCHIL VRAGEN INZAKE DE UITLEGGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT OPWIERP , ZICH OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG TOT HET HOF VAN JUSTITIE HEEFT GEWEND ;

DE EERSTE VRAAG

6 OVERWEGENDE DAT IN DE EERSTE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF ' ' EEN DOOR EEN NATIONALE RECHTER UIT EEN LID-STAAT AAN HET UITVOEREND GEZAG VAN DIE STAAT GEDANE AANBEVELING TOT UITZETTING ( WELKE HET UITVOEREND GEZAG NIET BINDT ) EEN ' ' MAATREGEL ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 VORMT ' ' ;

7 DAT DEZE VRAAG INHOUDT OF EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE , DIE KRACHTENS DE NATIONALE WETGEVING BEVOEGD IS OM AAN HET UITVOEREND GEZAG DE UITZETTING VAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT AAN TE BEVELEN , ZONDER DAT DEZE AANBEVELING GENOEMD GEZAG BINDT , VANAF DIT STADIUM REKENING MOET HOUDEN MET DE UIT HET VERDRAG EN UIT RICHTLIJN NR . 64/221 VOORTVLOEIENDE BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN DE UITOEFENING VAN DE OP DIT GEBIED AAN DE LID-STATEN VOORBEHOUDEN BEVOEGDHEDEN ;

8 OVERWEGENDE DAT VOLGENS DE OPMERKINGEN , INGEDIEND DOOR HET VERENIGD KONINKRIJK OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 20 VAN ' S HOFS EEG-STATUUT , DE GESTELDE VRAAG TWEE VERSCHILLENDE PROBLEMEN OPWERPT , NAMELIJK OF EEN HANDELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE ALS EEN MAATREGEL IN DE ZIN VAN DE RICHTLIJN KAN WORDEN BESCHOUWD EN , ZO JA , OF EEN EENVOUDIGE AANBEVELING VAN EEN ZODANIGE RECHTERLIJKE INSTANTIE EEN MAATREGEL IN DE ZIN VAN DEZE RICHTLIJN KAN VORMEN ;

A ) HET EERSTE ONDERDEEL

9 OVERWEGENDE DAT RICHTLIJN NR . 64/221 INGEVOLGE ARTIKEL 2 BETREKKING HEEFT OP DE ' ' VOORSCHRIFTEN ' ' ( DISPOSITIONS , MEASURES , VORSCHRIFTEN , PROVVEDIMENTI , BESTEMMELSER ) BETREFFENDE DE TOELATING OP HET GRONDGEBIED , DE AFGIFTE OF VERLENGING VAN DE VERBLIJFSVERGUNNING EN DE VERWIJDERING VAN HET GRONDGEBIED , DIE DOOR DE LID-STATEN WORDEN VASTGESTELD OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE , OPENBARE VEILIGHEID OF VOLKSGEZONDHEID ;

10 DAT VOLGENS DE LEDEN 1 EN 2 VAN ARTIKEL 3 VAN DEZE RICHTLIJN DE ' ' MAATREGELEN ' ' ( MESURES , MEASURES , MASSNAHMEN , PROVVEDIMENTI , FORHOLDSREGLER ) VAN OPENBARE ORDE OF OPENBARE VEILIGHEID UITSLUITEND MOETEN BERUSTEN OP HET PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE EN DAT HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN OP ZICHZELF GEEN MOTIVERING VORMT VAN DEZE MAATREGELEN ;

11 OVERWEGENDE DAT DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK WELISWAAR VERKLAART ZONDER VOORBEHOUD TE AANVAARDEN DAT DE LEDEN 1 EN 2 VAN DIT ARTIKEL 3 RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ZIJN EN VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOEN ONTSTAAN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN , ' ' ZODAT GEEN ENKELE RECHTER VAN EEN LID-STAAT DE MOGELIJKHEID HEEFT VOORBIJ TE GAAN AAN DEZE BEPALINGEN IN EEN ZAAK WAARVAN HIJ KENNIS HEEFT TE NEMEN EN WAARIN DEZE BEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN ' ' , DOCH BETOOGT DAT EEN HANDELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE GEEN ' ' MAATREGEL ' ' ( MEASURE ) IN DE ZIN VAN GENOEMD ARTIKEL 3 KAN VORMEN ;

12 DAT ZIJ IN DIT VERBAND OPMERKT DAT HET FEIT DAT ZOWEL IN ARTIKEL 2 ALS IN ARTIKEL 3 EEN IDENTIEKE ENGELSE TERM , IN CASU ' ' MEASURES ' ' WORDT GEBRUIKT , AANGEEFT DAT DE GEBEZIGDE UITDRUKKING TELKENS DEZELFDE BETEKENIS MOET HEBBEN EN DAT UIT DE EERSTE OVERWEGING BIJ DE RICHTLIJN VOLGT , DAT DE UITDRUKKING IN ARTIKEL 2 SLECHTS BETREKKING HEEFT OP DE WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE MAATREGELEN , MET UITSLUITING DERHALVE VAN DE MAATREGELEN , UITGAANDE VAN RECHTERLIJKE INSTANTIES ;

13 OVERWEGENDE DAT UIT EEN VERGELIJKING VAN DE VERSCHILLENDE TAALVERSIES VAN DE BETROKKEN TEKSTEN BLIJKT , DAT DE ANDERE VERSIES , BEHALVE DE ITALIAANSE , IN DE BEIDE ARTIKELEN VERSCHILLENDE TERMEN GEBRUIKEN , ZODAT MEN UIT DE GEBEZIGDE TERMINOLOGIE GEEN JURIDISCHE CONSEQUENTIES KAN TREKKEN ;

14 DAT DE VERSCHILLENDE TAALVERSIES VAN EEN GEMEENSCHAPSTEKST OP EENVORMIGE WIJZE MOETEN WORDEN UITGELEGD EN DAT DERHALVE , INGEVAL DEZE VERSIES UITEENLOPEN , DE BETROKKEN BEPALING MOET WORDEN UITGELEGD MET HET OOG OP DE ALGEMENE OPZET EN DE DOELSTELLING VAN DE REGELING WAARVAN ZIJ EEN ONDERDEEL VORMT ;

15 OVERWEGENDE DAT RICHTLIJN NR . 64/221/EEG , DOOR DE NATIONALE REGELINGEN BETREFFENDE HET TOEZICHT OP VREEMDELINGEN , VOORZOVER GELDEND VOOR ONDERDANEN VAN DE ANDERE LID-STATEN , TE COORDINEREN , BEOOGT DEZE ONDERDANEN TE BESCHERMEN TEGEN EEN UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VOORTVLOEIENDE UIT DE UITZONDERING BETREFFENDE DE OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE , OPENBARE VEILIGHEID EN VOLKSGEZONDHEID GERECHTVAARDIGDE BEPERKINGEN , WELKE UITOEFENING ZICH ZOU BEGEVEN BUITEN DE NOODZAAK DIE DE RECHTVAARDIGING VORMT VAN EEN UITZONDERING OP HET GRONDBEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN ;

16 DAT HET VAN BELANG IS DAT IN DE VERSCHILLENDE STADIA VAN HET PROCES DAT TOT EEN EVENTUEEL BESLUIT TOT UITZETTING LEIDT DEZE BESCHERMING KAN WORDEN VERZEKERD DOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES , WANNEER DEZE EEN ROL SPELEN BIJ DE VOORBEREIDING VAN EEN DERGELIJK BESLUIT ;

17 DAT HIERUIT VOLGT DAT HET BEGRIP ' ' MAATREGEL ' ' MEDE OMVAT DE HANDELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE DIE KRACHTENS DE WET IS GEROEPEN OM IN BEPAALDE GEVALLEN DE UITZETTING VAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT AAN TE BEVELEN ;

18 DAT DERHALVE DEZE RECHTERLIJKE INSTANTIE BIJ DE FORMULERING VAN DEZE AANBEVELING DE STRIKTE TOEPASSING VAN DE RICHTLIJN MOET WAARBORGEN EN REKENING MOET HOUDEN MET DE BEPERKINGEN DIE ZIJ OPLEGT AAN HET OPTREDEN VAN DE AUTORITEITEN DER LID-STATEN ;

19 DAT DEZE VASTSTELLING TROUWENS OVEREENKOMT MET HET DOOR DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK GEUITE STANDPUNT DAT ' ' ZIJ NIET SUGGEREERT DAT EEN RECHTER VAN EEN LID-STAAT DE MOGELIJKHEID HEEFT , VOORBIJ TE GAAN AAN DE BEPALINGEN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 , IN EEN ZAAK WAARVAN HIJ KENNIS HEEFT TE NEMEN . . . EN WAAROP DEZE BEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN ' ' , DOCH DAARENTEGEN AANVAARDT ' ' DAT DEZE BEPALINGEN RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ZIJN EN VOOR DE ONDERDANEN VAN DE LID-STATEN RECHTEN DOEN ONTSTAAN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN ' ' ;

B ) HET TWEEDE ONDERDEEL

20 OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET TWEEDE ONDERDEEL VAN DE EERSTE VRAAG DAT HET VERENIGD KONINKRIJK BETOOGT DAT EEN EENVOUDIGE AANBEVELING GEEN ' ' MAATREGEL ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 KAN VORMEN , DOCH ALLEEN HET DAAROPVOLGENDE BESLUIT VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN DIT KARAKTER KAN DRAGEN ;

21 OVERWEGENDE DAT ELKE HANDELING DIE EEN AANTASTING VORMT VAN HET RECHT VAN DE ONDER DE WERKINGSSFEER VAN ARTIKEL 48 VALLENDE PERSONEN OP VRIJE BINNENKOMST EN VERBLIJF IN DE LID-STATEN , ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN ALS DE ONDERDANEN VAN DE ONTVANGENDE LID-STAAT , EEN ' ' MAATREGEL ' ' VORMT IN DE ZIN VAN DE RICHTLIJN ;

22 DAT DE IN DE VRAAG VAN DE NATIONALE RECHTER BEDOELDE AANBEVELING IN HET KADER VAN DE PROCEDURE , VOORGESCHREVEN DOOR ARTIKEL 3 , LID 6 , VAN DE IMMIGRATION ACT 1971 , EEN VERPLICHTE FASE IN HET VOORBEREIDINGSPROCES VAN EEN EVENTUEEL BESLUIT TOT UITZETTING EN EEN VOORAFGAANDE NOODZAKELIJKE VOORWAARDE VOOR EEN ZODANIG BESLUIT VORMT ;

23 DAT ZIJ IN HET KADER VAN DEZE PROCEDURE BOVENDIEN TOT GEVOLG HEEFT DAT DE BETROKKENE KAN WORDEN BEROOFD VAN ZIJN VRIJHEID , EN IN ELK GEVAL EEN ELEMENT TER RECHTVAARDIGING VAN EEN LATER BESLUIT TOT UITZETTING VAN HET UITVOEREND GEZAG VORMT ;

24 DAT EEN DERGELIJKE AANBEVELING DERHALVE HET RECHT VAN VRIJ VERKEER AANTAST EN EEN MAATREGEL IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 VAN DE RICHTLIJN VORMT ;

DE TWEEDE VRAAG

25 OVERWEGENDE DAT IN DE TWEEDE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF ' ' ARTIKEL 3 , LID 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 , BEPALENDE DAT HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN ' ' OP ZICHZELF ' ' GEEN MOTIVERING VORMT VOOR HET NEMEN VAN MAATREGELEN VAN OPENBARE ORDE OF OPENBARE VEILIGHEID , ALDUS MOET WORDEN OPGEVAT DAT EERDERE STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN ALLEEN TER ZAKE DOEN VOOR ZOVER DAARUIT VAN EEN BESTAANDE OF TOEKOMSTIGE NEIGING BLIJKT OM IN STRIJD MET DE OPENBARE ORDE OF VEILIGHEID TE HANDELEN ' ' ; SUBSIDIAIR ' ' WELKE BETEKENIS MOET WORDEN GEHECHT ; AAN DE UITDRUKKING ' ' OP ZICHZELF ' ' IN ARTIKEL 3 , LID 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 ' ' ;

26 DAT DEZE VRAAG VOLGENS DE BEWOORDINGEN VAN DE VERWIJZINGSBESCHIKKING EROP NEERKOMT OF , ZOALS VERDACHTE VOOR DE NATIONALE RECHTER BETOOGDE ' ' HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN SLECHTS IN AANMERKING KAN WORDEN GENOMEN VOOR ZOVER DEZE VEROORDELINGEN DOEN BLIJKEN VAN EEN BESTAANDE OF TOEKOMSTIGE NEIGING OM IN STRIJD MET DE OPENBARE ORDE OF VEILIGHEID TE HANDELEN ' ' , DAN WEL , ZOALS DE AANKLAGER BETOOGDE , BETEKENT DAT ' ' DE RECHTER WELISWAAR GEEN UITZETTING OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE KAN AANBEVELEN OP GROND VAN HET ENKELE BESTAAN VAN EEN VEROORDELING , DOCH HET RECHT HEEFT , REKENING TE HOUDEN MET HET VOORAFGAANDE GEDRAG VAN DE VERDACHTE DAT AANLEIDING HEEFT GEGEVEN TOT DE VEROORDELING ' ' ;

27 OVERWEGENDE DAT DE BEWOORDINGEN VAN LID 2 VAN ARTIKEL 3 VAN DE RICHTLIJN , VOLGENS HETWELK ' ' HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN OP ZICHZELF GEEN MOTIVERING VORMT VAN DEZE MAATREGELEN ' ' , ALDUS MOETEN WORDEN OPGEVAT DAT ZIJ VAN DE NATIONALE AUTORITEITEN EEN SPECIFIEKE BEOORDELING EISEN VANUIT EEN OOGPUNT VAN DE BELANGEN , VERBONDEN MET DE HANDHAVING VAN DE OPENBARE ORDE , WELKE BEOORDELING NIET NOODZAKELIJKERWIJZE SAMENVALT MET DE BEOORDELING DIE TEN GRONDSLAG LAG AAN DE STRAFRECHTELIJKE VEROORDELING ;

28 DAT HIERUIT VOLGT DAT HET BESTAAN VAN EEN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELING SLECHTS TER ZAKE DOET VOOR ZOVER UIT DE OMSTANDIGHEDEN DIE TOT DEZE VEROORDELING HEBBEN GELEID , BLIJKT VAN HET BESTAAN VAN EEN PERSOONLIJK GEDRAG DAT EEN ACTUELE BEDREIGING VAN DE OPENBARE ORDE VORMT ;

29 DAT IN HET ALGEMEEN DE VASTSTELLING VAN EEN BEDREIGING VAN DIEN AARD WELISWAAR INHOUDT DAT BIJ DE BETROKKENE EEN NEIGING BESTAAT OM DIT GEDRAG IN DE TOEKOMST TE HANDHAVEN , DOCH DAT HET OOK MOGELIJK IS DAT HET ENKELE FEIT VAN HET VOORAFGAAND GEDRAG VOLDOET AAN DE VOORWAARDEN VOOR EEN DERGELIJKE BEDREIGING VAN DE OPENBARE ORDE ;

30 DAT HET AAN DE NATIONALE AUTORITEITEN EN EVENTUEEL AAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES STAAT IN ELK AFZONDERLIJK GEVAL DAAROVER TE OORDELEN , GELET OP DE BIJZONDERE RECHTSPOSITIE VAN DE ONDER HET GEMEENSCHAPSRECHT VALLENDE PERSONEN EN OP HET FUNDAMENTELE KARAKTER VAN HET BEGINSEL VAN HET VRIJ VERKEER VAN PERSONEN ;

DE DERDE VRAAG

31 OVERWEGENDE DAT IN DE DERDE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF HET BEGRIP OPENBARE ORDE ( PUBLIC POLICY ) IN ARTIKEL 48 , LID 3 , ALDUS MOET WORDEN OPGEVAT , DAT REDENEN VAN STAATSBELANG ( REASONS OF STATE ) DAARONDER VALLEN , ZELFS AL DREIGT ER GEEN VERSTORING VAN DE OPENBARE RUST EN ORDE ( BREACH OF THE PUBLIC PEACE OR ORDER ), OF IN ENGERE ZIN , WAARBIJ SPRAKE MOET ZIJN VAN ENIGE DREIGENDE VERSTORING VAN DE OPENBARE RUST , ORDE OF VEILIGHEID ( THREATENED BREACH OF THE PUBLIC PEACE , ORDER OF SECURITY ), DAN WEL IN ANDERE - RUIMERE - ZIN ;

32 DAT MET DEZE VRAAG , AFGEZIEN VAN DE TERMINOLOGISCHE ASPECTEN , EEN NAUWKEURIGE UITLEGGING WORDT BEOOGD VAN HET BEGRIP ' ' OPENBARE ORDE ' ' WAARNAAR ARTIKEL 48 VERWIJST ;

33 OVERWEGENDE DAT HET HOF BIJ ZIJN ARREST VAN 4 DECEMBER 1974 ( ZAAK 41/74 , VAN DUYN , JURISPR . BLZ . 1350 ) HEEFT BEKLEMTOOND DAT HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN COMMUNAUTAIR VERBAND EN MET NAME ALS RECHTVAARDIGING VAN EEN UITZONDERING OP HET GRONDBEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS , STRIKT MOET WORDEN OPGEVAT , ZODAT DE STREKKING ERVAN NIET EENZIJDIG DOOR ELK DER LID-STATEN ZONDER CONTROLE VAN DE GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN KAN WORDEN BEPAALD ;

34 DAT IN HETZELFDE ARREST EVENWEL WORDT VASTGESTELD DAT DE SPECIFIEKE OMSTANDIGHEDEN DIE EEN BEROEP OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE ZOUDEN KUNNEN RECHTVAARDIGEN , NAAR LAND EN TIJD KUNNEN VERSCHILLEN EN DAT MITSDIEN TEN DEZE AAN DE BEVOEGDE NATIONALE AUTORITEITEN EEN BEOORDELINGSMARGE MOET WORDEN TOEGEKEND , BINNEN DE DOOR HET VERDRAG EN DE TER UITVOERING DAARVAN VASTGESTELDE BEPALINGEN GESTELDE GRENZEN ;

35 DAT VOOR ZOVER HET BEPAALDE BEPERKINGEN VAN HET VRIJ VERKEER VAN ONDER HET GEMEENSCHAPSRECHT VALLENDE PERSONEN KAN WETTIGEN , HET BEROEP VAN EEN NATIONALE INSTANTIE OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN ELK GEVAL , AFGEZIEN VAN DE STORING VAN DE SOCIALE ORDE DIE BIJ ELKE WETSOVERTREDING PLAATSVINDT , HET BESTAAN VERONDERSTELT VAN EEN WERKELIJKE EN GENOEGZAAM ERNSTIGE BEDREIGING , DIE EEN FUNDAMENTEEL BELANG VAN DE SAMENLEVING AANTAST ;

Beslissing inzake de kosten


TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

36 OVERWEGENDE DAT DE KOSTEN , DOOR DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK EN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KUNNEN KOMEN ;

37 DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT IS TE BESCHOUWEN , ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN ;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET MARLBOROUGH STREET MAGISTRATES ' COURT BIJ BESCHIKKING VAN 20 NOVEMBER 1976 GESTELDE VRAGEN , VERKLAART VOOR RECHT :

1 . ELKE HANDELING DIE EEN AANTASTING VORMT VAN HET RECHT VAN DE ONDER DE WERKINGSSFEER VAN ARTIKEL 48 VAN HET VERDRAG VALLENDE PERSONEN OP VRIJE BINNENKOMST EN VERBLIJF IN DE LID-STATEN , ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN ALS DE ONDERDANEN VAN DE ONTVANGENDE LID-STAAT , VORMT EEN ' ' MAATREGEL ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 , LEDEN 1 EN 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 . DIT BEGRIP OMVAT MEDE DE HANDELING VAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE WELKE KRACHTENS DE WET IS GEROEPEN IN BEPAALDE GEVALLEN DE UITZETTING VAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT AAN TE BEVELEN , WANNEER DEZE AANBEVELING EEN VOORAFGAANDE NOODZAKELIJKE VOORWAARDE VORMT VOOR EEN ZODANIG BESLUIT .

2 . ARTIKEL 3 , LID 2 , VAN RICHTLIJN NR . 64/221 , VOLGENS HETWELK HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN OP ZICHZELF GEEN MOTIVERING VORMT VOOR DE BEPERKINGEN VAN HET VRIJE VERKEER DIE ARTIKEL 48 UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE EN OPENBARE VEILIGHEID TOELAAT , MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD , DAT HET BESTAAN VAN STRAFRECHTELIJKE VEROORDELINGEN SLECHTS TER ZAKE DOET VOOR ZOVER UIT DE OMSTANDIGHEDEN DIE TOT DEZE VEROORDELINGEN HEBBEN GELEID , BLIJKT VAN HET BESTAAN VAN EEN PERSOONLIJK GEDRAG DAT EEN ACTUELE BEDREIGING VAN DE OPENBARE ORDE VORMT .

3 . VOOR ZOVER HET BEPAALDE BEPERKINGEN VAN HET VRIJ VERKEER VAN ONDER HET GEMEENSCHAPSRECHT VALLENDE PERSONEN KAN WETTIGEN , VERONDERSTELT HET BEROEP VAN EEN NATIONALE INSTANTIE OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN ELK GEVAL , AFGEZIEN VAN DE STORING VAN DE SOCIALE ORDE DIE BIJ ELKE WETSOVERTREDING PLAATSVINDT , HET BESTAAN VAN EEN WERKELIJKE EN GENOEGZAAM ERNSTIGE BEDREIGING , DIE EEN FUNDAMENTEEL BELANG VAN DE SAMENLEVING AANTAST .

Top