EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61968CJ0014

Arrest van het Hof van 13 februari 1969.
Walt Wilhelm en anderen tegen Bundeskartellamt.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Kammergericht Berlin - Duitsland.
Zaak 14-68.

European Court Reports 1969 -00001

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1969:4

61968J0014

ARREST VAN HET HOF VAN 13 FEBRUARI 1969. - W. WILHELM EN ANDEREN TEGEN BUNDESKARTELLAMT. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET KAMMERGERICHT TE BERLIJN). - ZAAK NO. 14/68.

Jurisprudentie 1969 bladzijde 00001
Deense bijz. uitgave bladzijde 00001
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00001
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00001
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00289
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00379
Finse bijz. uitgave bladzijde 00377


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . E.E.G . - RECHTSORDE DER GEMEENSCHAP - EIGEN AARD - VERHOUDING TEN AANZIEN VAN DE NATIONALE RECHTSSTELSELS - PRIMAAT DER COMMUNAUTAIRE REGELS

2 . BELEID VAN DE E.E.G . - MEDEDINGINGSREGELEN - AFSPRAKEN - GELIJKTIJDIG OPTREDEN VAN COMMUNAUTAIRE EN NATIONALE GEZAGSORGANEN - MOGELIJKHEID DAARTOE VAN EERBIEDIGING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT AFHANKELIJK - BILLIJKHEIDSGRONDEN BIJ CUMULATIE VAN NAAR GEMEENSCHAPSRECHT EN NAAR NATIONAAL RECHT OP TE LEGGEN SANCTIES

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 85, LID 1, ART . 87, LID 2 )

3 . E.E.G.-VERDRAG - BEGINSELEN - DISCRIMINATIE WEGENS NATIO NALITEIT - VERBOD - VERSCHILLEN IN BEHANDELING VOORTVLOEIENDE UIT VERSCHILLEN TUSSEN DE WETTELIJKE REGELINGEN DER LID-STATEN

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 7 )

Samenvatting


1 . IN HET E.E.G.-VERDRAG IS EEN EIGEN, IN DE RECHTSSTELSELS DER LID-STATEN GEINTEGREERDE EN VOOR DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BINDENDE RECHTSORDE IN HET LEVEN GEROEPEN . HET WARE MET DE EIGEN AARD VAN ZULK EEN SYSTEEM IN STRIJD, INDIEN DE LID-STATEN MAATREGELEN ZOUDEN MOGEN NEMEN OF HANDHAVEN, WELKE AAN DE GUNSTIGE WERKING VAN HET VERDRAG AFBREUK KUNNEN DOEN .

AAN HET VERDRAG EN ZIJN UITVOERINGSHANDELINGEN KAN NIET - ALS GEVOLG VAN BINNENLANDSE MAATREGELEN - EEN VAN STAAT TOT STAAT VERSCHILLEND FEITELIJK GEZAG TOEKOMEN ZONDER DAT DE WERKING VAN HET COMMUNAUTAIRE RECHTSSYSTEEM WORDT BELEMMERD EN DE VERWEZENLIJKING VAN DE DOELEINDEN VAN HET VERDRAG IN GEVAAR WORDT GEBRACHT .

BIJ HET OPLOSSEN VAN CONFLICTEN TUSSEN COMMUNAUTAIRE EN NATIONALE VOORSCHRIFTEN MOET DERHALVE VAN HET PRIMAAT VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT WORDEN UITGEGAAN .

2 . ZOLANG IN HET KRACHTENS ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ), VAN HET VERDRAG UITGEVAARDIGDE VERORDENING NIET ANDERS IS BEPAALD, MOGEN DE NATIONALE GEZAGSORGANEN KRACHTENS HET NATIONALE RECHT NAAR AANLEIDING VAN EEN ONDERNEMERSAFSPRAAK OPTREDEN, OOK WANNEER VOOR DE COMMISSIE IN ONDERZOEK IS IN HOEVERRE BEDOELDE AFSPRAAK ZICH MET DE VOORSCHRIFTEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT VERDRAAGT, MET DIEN VERSTANDE DAT DEZE TOEPASSING VAN HET NATIONALE RECHT AAN EEN VOLLEDIGE EN UNIFORME TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT - EN AAN HET FEITELIJK GEZAG DER UITVOERINGSBESLUITEN - GEEN AFBREUK MAG DOEN . WANNEER DE MOGELIJKHEID VAN TWEEERLEI PROCEDURE TOT OPLEGGING VAN TWEEERLEI SANCTIE LEIDT, BRENGEN ALGEMENE BILLIJKHEIDSGRONDEN MEDE DAT BIJ DE BEPALING DER STRAF MET EERDERE BESLISSINGEN VAN REPRESSIEVE AARD REKENING DIENT TE WORDEN GEHOUDEN .

3 . ARTIKEL 7 VAN HET E.E.G.-VERDRAG, DAT ALLE LID-STATEN VERBIEDT AAN HUN VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN AL NAAR GELANG VAN DE NATIONALITEIT DER BETROKKENE EEN VERSCHILLENDE TOEPASSING TE GEVEN, HEEFT GEEN BETREKKING OP VERSCHILLEN IN BEHANDELING EN DISTORSIES, WELKE VOOR DE AAN DE RECHTSMACHT DER GEMEENSCHAP ONDERWORPEN PERSONEN EN ONDERNEMINGEN KUNNEN VOORTVLOEIEN UIT VERSCHILLEN TUSSEN DE WETTELIJKE REGELINGEN DER ONDERSCHEIDEN LID-STATEN, MITS DEZE REGELINGEN OP GROND VAN OBJECTIEVE CRITERIA EN ONGEACHT DE NATIONALITEIT DER BETROKKENEN GEACHT KUNNEN WORDEN TE GELDEN VOOR AL DEGENEN OP WIE HAAR VOORSCHRIFTEN VAN TOEPASSING ZIJN .

Partijen


IN DE ZAAK 14-68

BETREFFENDE EEN DOOR HET KAMMERGERICHT TE BERLIJN ( KARTELLSENAT ) INGEVOLGE ARTIKEL 177 VAN HET E.E.G.-VERDRAG TOT HET HOF VAN JUSTITIE GERICHT VERZOEK, DAARTOE STREKKENDE DAT IN HET VOOR GENOEMDE RECHTERLIJKE INSTANTIE AANHANGIGE GEDING

TUSSEN

1 . W . WILHELM, LID VAN DE DIRECTIE VAN DE "FARBENFABRIKEN BAYER AG", HAHNWALD, HASENGARTEN 31,

2 . H GOILZ, LID VAN DE DIRECTIE VAN DE "CASSELLA FARBWERKE MAINKUR AG", FRANKFORT/MAIN, HAMMANNSTRASSE 6,

3 . H.U . FINTELMANN, VERKOOPLEIDER VAN DE "FARBWERKE HOECHST AG", FRANKFORT/MAIN-HOECHST, FARBWERKE HOECHST AG,

4 . "BADISCHE ANILIN - UND SODA-FABRIK AG", LUDWIGSHAFEN AM RHEIN,

5 . "FARBENFABRIKEN BAYER AG", LEVERKUSEN,

6 . "FARBWERKE HOECHST AG", VOORHEEN "MEISTER LUCIUS UND BRUENING", FRANKFORT/MAIN-HOECHST,

7 . "CASSELLA FARBWERKE MAINKUR AG", FRANKFORT / MAIN-FECHENHEIM

BUNDESKARTELLAMT TE BERLIJN

Onderwerp


BIJ WEGE VAN PREJUDICIELE BESLISSING UITSPRAAK WORDE GEDAAN OVER DE UITLEGGING VAN HET E.E.G.-VERDRAG - MET NAME VAN DE ARTIKELEN 5, 7 EN 85 VAN DAT VERDRAG - ALSMEDE VAN 'S RAADS VERORDENING VAN 6 FEBRUARI 1967, NO . 17 - MET NAME VAN ARTIKEL 9 DIER VERORDENING -, WIJST

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT HET KAMMERGERICHT TE BERLIJN ( KARTELLSENAT ), ZIJNDE HET INZAKE ONDERNEMERSAFSPRAKEN BEVOEGDE RECHTSPREKENDE ORGAAN VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE E.E.G . VIER VRAGEN BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 3, SUB F ); 5; 7 EN 85 VAN HET E.E.G.-VERDRAG ALSOOK VAN ARTIKEL 9 VAN 'S RAADS VERORDENING NO . 17 VAN 6 FEBRUARI 1962 HEEFT GESTELD;

I - DE EERSTE EN DE DERDE VRAAG

2 OVERWEGENDE DAT DE NATIONALE RECHTER IN DE EERSTE PLAATS WENST TE WETEN OF HET, WANNEER DE COMMISSIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 14 VAN VERORDENING NO . 17 VAN 6 FEBRUARI 1962 EEN PROCEDURE HEEFT AANGESPANNEN, MET HET VERDRAG VERENIGBAAR IS DAT DE NATIONALE GEZAGSORGANEN OP HETZELFDE FEIT DE IN HET NATIONAAL RECHT OP HET STUK VAN DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN VOORZIENE VERBODEN TOEPASSEN;

DAT DEZE VRAAG MET NAME WORDT UITGEWERKT IN VRAAG 3, WAAR GEWEZEN WORDT OP HET GEVAAR VAN ONGELIJKE RECHTERLIJKE BEOORDELING VAN EEN EN HETZELFDE FEIT EN OP DE MOGELIJKHEID VAN ONTWRICHTING DER MEDEDINGINGSVERHOUDINGEN OP DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT TEN NADELE VAN DE AAN DAT NATIONALE RECHT ONDERWORPEN;

DAT DAARTOE WORDT VERWEZEN NAAR ARTIKEL 9 VAN VOORMELDE VERORDENING NO . 17, NAAR DE ARTIKELEN 83, 3, SUB F ) EN 5 VAN HET E.E.G.-VERDRAG EN NAAR DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT;

3 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 9 VAN VERORDENING NO . 17, LID 3, ALLEEN OP DE RECHTSMACHT VAN DE GEZAGSORGANEN DER LID-STATEN BETREKKING HEEFT VOOR ZOVEEL ZIJ BEVOEGD ZIJN OM BIJ STILZITTEN VAN DE COMMISSIE RECHTSTREEKS UITVOERING TE GEVEN AAN DE ARTIKELEN 85, LID 1, EN 86 VAN HET VERDRAG;

DAT DE BEPALING VAN GEEN BETEKENIS IS VOOR HET GEVAL DAT BEDOELDE ORGANEN NIET BEDOELDE ARTIKELEN, DOCH SLECHTS HUN EIGEN NATIONAAL RECHT WENSEN UIT TE VOEREN;

OVERWEGENDE DAT ONDERNEMERSAFSPRAKEN IN DE DESBETREFFENDE BEPALINGEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT EN VAN HET NATIONALE RECHT VANUIT VERSCHILLENDE GEZICHTSHOEKEN WORDEN BEZIEN;

DAT TERWIJL HET IN ARTIKEL 85 VOOR WAT DEZE AFSPRAKEN BETREFT ALLEEN GAAT OM DE BELEMMERINGEN WELKE ZIJ VOOR DE HANDEL TUSSEN LID-STATEN KUNNEN OPLEVEREN, ZIJ INGEVOLGE DE NATIONALE WETTELIJKE REGELINGEN OP GROND VAN DE OVERWEGINGEN WAARDOOR DE WETGEVER ZICH IN HET KADER DER STATEN LIET LEIDEN OOK ALLEEN IN HET KADER VAN HET BINNENLANDS RECHT WORDEN BEZIEN;

OVERWEGENDE DAT WELISWAAR ALS GEVOLG VAN MOGELIJKE ONDERLINGE SAMENHANG DER IN AANMERKING GENOMEN ECONOMISCHE FACTOREN EN JURIDISCHE OMSTANDIGHEDEN EEN ONDERSCHEIDING TUSSEN GEMEENSCHAPSRECHTELIJKE EN NATIONAALRECHTELIJKE ASPECTEN TER AFBAKENING DER WEDERZIJDSE COMPETENTIES NIET IN ALLE GEVALLEN EEN BRUIKBARE MAATSTAF KAN OPLEVEREN;

DAT ZIJ ECHTER IMPLICEERT, DAT EENZELFDE ONDERNEMERSAFSPRAAK IN BEGINSEL AANLEIDING KAN GEVEN TOT TWEE PARALLEL LOPENDE PROCEDURES, ONDERSCHEIDENLIJK AANHANGIG BIJ DE COMMUNAUTAIRE GEZAGSORGANEN - KRACHTENS ARTIKEL 85 VAN HET E.E.G.-VERDRAG - EN BIJ DE NATIONALE AUTORITEITEN - KRACHTENS HET NATIONAAL RECHT -;

4 DAT DEZE STELLING OOK STEUN VINDT IN ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ), WAARIN DE RAAD BEVOEGD VERKLAARD WORDT TOT VASTSTELLING VAN DE VERHOUDING TUSSEN DE NATIONALE WETTELIJKE BEPALINGEN EN DE COMMUNAUTAIRE REGELEN BETREFFENDE DE MEDEDINGING, HETGEEN WIL ZEGGEN DAT DE NATIONALE GEZAGSORGANEN INZAKE ONDERNEMERSAFSPRAKEN IN BEGINSEL OOK KUNNEN OPTREDEN, WANNEER ZICH OMSTANDIGHEDEN VOORDOEN WELKE DE COMMISSIE TOT HET NEMEN VAN EEN BESCHIKKING AANLEIDING KUNNEN GEVEN;

OVERWEGENDE DAT EERBIEDIGING VAN DE ALGEMENE DOELSTELLINGEN VAN HET VERDRAG EVENWEL MEDEBRENGT, DAT ZODANIGE GELIJKTIJDIGE TOEPASSING VAN HET NATIONALE RECHTSSTELSEL SLECHTS ALS GEOORLOOFD MAG WORDEN BESCHOUWD VOOR ZOVEEL GEEN AFBREUK WORDT GEDAAN AAN EEN UNIFORME TOEPASSING - OP HET GEHELE GEBIED VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT - VAN DE COMMUNAUTAIRE RECHTSVOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN EN DE DAARBIJ BEHORENDE UITVOERINGSBESLUITEN ONVERMINDERD VAN KRACHT BLIJVEN;

5 DAT EEN ANDERE ZIENSWIJZE ONVERENIGBAAR WARE MET DE DOELSTELLINGEN VAN HET VERDRAG EN DE AARD ZIJNER MEDEDINGINGSBEPALINGEN;

DAT ARTIKEL 85 VAN HET E.E.G.-VERDRAG ZICH TOT ALLE ONDERNEMINGEN RICHT EN HUN GEDRAGINGEN REGELT HETZIJ LANGS DE WEG VAN VERBODEN HETZIJ DOOR ONDER NADER OMSCHREVEN VOORWAARDEN ONTHEFFING TOE TE STAAN TEN GUNSTE VAN AFSPRAKEN WELKE BIJDRAGEN TOT VERBETERING VAN DE PRODUKTIE OF VERDELING DER PRODUKTEN OF TOT VERBETERING VAN DE TECHNISCHE EN ECONOMISCHE VOORUITGANG;

DAT OFSCHOON HET VERDRAG ALDUS ALLEREERST BEOOGT BELEMMERINGEN VOOR HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN BINNEN DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT UIT DE WEG TE RUIMEN EN DE EENHEID DIER MARKT TE HANDHAVEN EN TE WAARBORGEN, DE GEZAGSORGANEN DER GEMEENSCHAP OP VORENOMSCHREVEN WIJZE TEVENS, ZIJ HET LANGS DIRECTE WEG, IN STAAT WORDEN GESTELD EEN ZEKER POSITIEF BELEID TE VOEREN, DAT EROP GERICHT IS DE HARMONISCHE ONTWIKKELING DER ECONOMISCHE ACTIVITEIT BINNEN DE GEHELE GEMEENSCHAP TE BEVORDEREN IN VOEGE ALS IN ARTIKEL 2 VAN HET VERDRAG VOORZIEN;

DAT OOK ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ) - WAARIN EEN INSTELLING VAN DE GEMEENSCHAP BEVOEGD VERKLAARD IS OM DE VERHOUDING VAST TE STELLEN TUSSEN DE NATIONALE WETGEVINGEN BETREFFENDE DE MEDEDINGING ENERZIJDS EN HET GEMEENSCHAPSRECHT BETREFFENDE DE MEDEDINGING ANDERZIJDS - DE HOGERE GELDING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT BEVESTIGT;

6 DAT IN HET E.E.G.-VERDRAG EEN EIGEN, IN DE RECHTSSTELSELS DER LID-STATEN GEINTEGREERDE EN VOOR DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BINDENDE RECHTSORDE IN HET LEVEN IS GEROEPEN;

DAT HET MET DE AARD VAN ZULK EEN SYSTEEM IN STRIJD WARE, INDIEN DE LID-STATEN MAATREGELEN ZOUDEN MOGEN NEMEN OF HANDHAVEN, WELKE AAN DE NUTTIGE WERKING VAN HET VERDRAG AFBREUK KUNNEN DOEN;

DAT AAN HET VERDRAG EN ZIJN UITVOERINGSHANDELINGEN NIET - ALS GEVOLG VAN BINNENLANDSE MAATREGELEN - EEN VAN STAAT TOT STAAT VERSCHILLEND DWINGEND GEZAG KAN TOEKOMEN ZONDER DAT DE WERKING VAN HET COMMUNAUTAIRE RECHTSSYSTEEM WORDT BELEMMERD EN DE VERWEZENLIJKING VAN DE DOELEINDEN VAN HET VERDRAG IN GEVAAR WORDT GEBRACHT;

DAT DAN OOK CONFLICTEN TUSSEN COMMUNAUTAIRE EN NATIONALE VOORSCHRIFTEN OP HET STUK DER ONDERNEMERSAFSPRAKEN MET TOEPASSING VAN HET BEGINSEL VAN DE VOORRANG VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT MOETEN WORDEN OPGELOST;

7 DAT UIT EEN EN ANDER VOLGT, DAT DE NATIONALE GEZAGSORGANEN, WANNEER IN EEN LID-STAAT TEN AANZIEN VAN EEN ONDERNEMERSAFSPRAAK GENOMEN BESLISSINGEN ONVERENIGBAAR BLIJKEN TE ZIJN MET HET BESLUIT WAARMEDE DE COMMISSIE EEN VOOR HAAR GEVOERDE PROCEDURE AFSLOOT, GEHOUDEN ZIJN ZICH NAAR HETZELVE TE GEDRAGEN;

8 OVERWEGENDE DAT WANNEER IN EEN PROCEDURE VOOR DE NATIONALE GEZAGSORGANEN BLIJKT, DAT DE COMMISSIE EEN VOOR HAAR HANGENDE PROCEDURE BETREFFENDE DEZELFDE OVEREENKOMST MOGELIJKERWIJZE ZAL AFSLUITEN MET EEN BESCHIKKING WELKE ZICH MET DE WERKING VAN DE BESCHIKKING DER NATIONALE AUTORITEITEN NIET VERDRAAGT, HET OP DE WEG DIER NATIONALE GEZAGSORGANEN LIGT PASSENDE MAATREGELEN TE NEMEN;

9 DAT DERHALVE - ZOLANG IN EEN KRACHTENS ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ), VAN HET VERDRAG UITGEVAARDIGDE VERORDENING NIET ANDERS IS BEPAALD - DE NATIONALE GEZAGSORGANEN KRACHTENS HET NATIONALE RECHT NAAR AANLEIDING VAN EEN ONDERNEMERSAFSPRAAK MOGEN OPTREDEN, OOK WANNEER VOOR DE COMMISSIE IN ONDERZOEK IS IN HOEVERRE BEDOELDE AFSPRAAK ZICH MET DE VOORSCHRIFTEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT VERDRAAGT, MET DIEN VERSTANDE DAT DEZE TOEPASSING VAN HET NATIONALE RECHT AAN EEN VOLLEDIGE EN UNIFORME TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT - EN AAN DE WERKING DER UITVOERINGSBESLUITEN - GEEN AFBREUK MAG DOEN;

II - DE TWEEDE VRAAG

10 OVERWEGENDE DAT HET KAMMERGERICHT IN DE TWEEDE PLAATS WENST TE WETEN, OF HET GEVAAR VAN TWEEERLEI SANCTIE, NAAR AANLEIDING VAN EENZELFDE FEIT OP TE LEGGEN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN DOOR DE INZAKE ONDERNEMERSAFSPRAKEN BEVOEGDE NATIONALE AUTORITEIT, NIET MEDEBRENGT DAT VAN TWEE PARALLEL LOPENDE PROCEDURES - VOLGENS HET GEMEENSCHAPSRECHT ONDERSCHEIDENLIJK VOLGENS HET NATIONALE RECHT - GEEN SPRAKE KAN ZIJN;

11 OVERWEGENDE DAT DE MOGELIJKHEID VAN CUMULATIE VAN SANCTIES NIET UITSLUIT, DAT TWEE PARALLEL LOPENDE, TER VERWEZENLIJKING VAN VERSCHILLENDE DOELSTELLINGEN AANHANGIG GEMAAKTE PROCEDURES MOGEN WORDEN INGESTELD;

DAT WANNEER ALDUS - ONVERMINDERD DE VOORWAARDEN EN BEPERKINGEN BIJ DE BEANTWOORDING VAN VRAAG 1 GENOEMD - TWEEERLEI PROCEDURE MAG WORDEN GEVOERD, ZULKS IN FEITE EEN GEVOLG IS VAN DE BIJZONDERE WIJZE, WAAROP VOOR WAT DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN BETREFT, DE BEVOEGDHEDEN TUSSEN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN ZIJN VERDEELD;

DAT WANNEER DE MOGELIJKHEID VAN TWEEERLEI PROCEDURE ECHTER TOT OPLEGGING VAN TWEEERLEI SANCTIE ZOU LEIDEN, ALGEMENE BILLIJKHEIDSGRONDEN - ZOALS DIE OOK IN ARTIKEL 90, TWEEDE LID, IN FINE, VAN HET E.G.K.S.-VERDRAG TOT UITDRUKKING ZIJN GEBRACHT - MEDEBRENGEN, DAT BIJ BEPALING DER STRAF MET EERDERE BESLISSINGEN VAN REPRESSIEVE AARD REKENING DIENT TE WORDEN GEHOUDEN;

DAT MEN IN IEDER GEVAL, ZOLANG GEEN VERORDENING KRACHTENS ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ), IS UITGEVAARDIGD, NIET MET BEHULP VAN DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT DEZE MOGELIJKHEID - WELKER AANVAARDING HET OP DE EERSTE VRAAG GEGEVEN ANTWOORD ONVERLET LAAT - KAN UITSLUITEN;

III - DE VIERDE VRAAG

12 OVERWEGENDE DAT DE NATIONALE RECHTER TEN SLOTTE WENST TE WETEN OF HET, WANNEER DE COMMISSIE TEN AANZIEN VAN EEN ONDERNEMERSAFSPRAAK EEN PROCEDURE HEEFT AANGESPANNEN, MET ARTIKEL 7 VAN HET E.E.G.-VERDRAG VERENIGBAAR MOET WORDEN GEACHT, DAT DOOR DE NATIONALE GEZAGSORGANEN NAAR AANLEIDING VAN DEZELFDE AFSPRAAK MAATREGELEN VAN REPRESSIEVE AARD WORDEN GETROFFEN;

DAT HIER MET NAME GEDACHT IS AAN HET GEVAL, DAT DE INZAKE ONDERNEMERSAFSPRAKEN BEVOEGDE GEZAGSORGANEN VAN EEN LID-STAAT ZICH MET HUN MAATREGELEN UITSLUITEND TOT DE EIGEN ONDERDANEN RICHTEN EN ALDUS LAATSTGENOEMDEN IN EEN ONGUNSTIGER POSITIE KUNNEN BRENGEN DAN ONDERDANEN VAN ANDERE LID-STATEN WELKE ZICH IN VERGELIJKBARE OMSTANDIGHEDEN BEVINDEN;

13 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 7 VAN HET E.E.G.-VERDRAG ALLE LID-STATEN VERBIEDT AAN HUN VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN AL NAAR GELANG VAN DE NATIONALITEIT DER BETROKKENEN EEN VERSCHILLENDE TOEPASSING TE GEVEN;

DAT ARTIKEL 7 ECHTER GEEN BETREKKING HEEFT OP VERSCHILLEN IN BEHANDELING EN DISTORSIES, WELKE VOOR DE AAN DE RECHTSMACHT DER GEMEENSCHAP ONDERWORPEN PERSONEN EN ONDERNEMINGEN KUNNEN VOORTVLOEIEN UIT VERSCHILLEN TUSSEN DE WETTELIJKE REGELINGEN DER ONDERSCHEIDEN LID-STATEN, MITS DEZE REGELINGEN OP GROND VAN OBJECTIEVE CRITERIA EN ONGEACHT DE NATIONALITEIT DER BETROKKENEN GEACHT KUNNEN WORDEN TE GELDEN VOOR AL DEGENEN OP WIE HAAR VOORSCHRIFTEN VAN TOEPASSING ZIJN;

Beslissing inzake de kosten


14 OVERWEGENDE DAT TER ZAKE VAN DE DOOR DE REGERINGEN EN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF VAN JUSTITIE GEMAAKTE KOSTEN GEEN LAST TOT TERUGBETALING KAN WORDEN GEGEVEN;

DAT DE PROCEDURE VOOR ZOVEEL PARTIJEN BETREFT ALS EEN IN DE LOOP VAN HET GEDING VOOR HET KAMMERGERICHT TE BERLIJN GEREZEN INCIDENT MOEST WORDEN BESCHOUWD, ZODAT DEZE LAATSTE INSTANTIE OVER DE KOSTEN ZAL HEBBEN TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

RECHTDOENDE INZAKE DE BIJ BESCHIKKING VAN 18 JULI 1968 DOOR HET KAMMERGERICHT TE BERLIJN ( KARTELLSENAT ) GESTELDE VRAGEN, VERKLAART VOOR RECHT :

1 . ZOLANG IN EEN KRACHTENS ARTIKEL 87, LID 2, SUB E ), VAN HET VERDRAG UITGEVAARDIGDE VERORDENING NIET ANDERS IS BEPAALD, MOGEN DE NATIONALE GEZAGSORGANEN KRACHTENS HET NATIONALE RECHT NAAR AANLEIDING VAN EEN ONDERNEMERSAFSPRAAK OPTREDEN, OOK WANNEER VOOR DE COMMISSIE IN ONDERZOEK IS IN HOEVERRE BEDOELDE AFSPRAAK ZICH MET DE VOORSCHRIFTEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT VERDRAAGT, MET DIEN VERSTANDE DAT DEZE TOEPASSING VAN HET NATIONALE RECHT AAN EEN VOLLEDIGE EN UNIFORME TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT - EN AAN HET FEITELIJK GEZAG DER UITVOERINGSBESLUITEN - GEEN AFBREUK MAG DOEN;

2 . ARTIKEL 7 VAN HET E.E.G.-VERDRAG VERBIEDT DE LID-STATEN HUN WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ONDERNEMERSAFSPRAKEN AL NAAR GELANG VAN DE NATIONALITEIT VAN BETROKKENEN VERSCHILLEND TOE TE PASSEN, DOCH HEEFT GEEN BETREKKING OP VERSCHILLEN IN BEHANDELING VOORTVLOEIENDE UIT VERSCHILLEN TUSSEN DE WETTELIJKE REGELINGEN DER LID-STATEN, MITS DEZE REGELINGEN OP GROND VAN OBJECTIEVE CRITERIA EN ONGEACHT DE NATIONALITEIT DER BETROKKENEN GEACHT KUNNEN WORDEN TE GELDEN VOOR AL DEGENEN OP WIE HAAR VOORSCHRIFTEN VAN TOEPASSING ZIJN .

Top