EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 23.6.2026
COM(2026) 313 final
2026/0172(COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken en het Europees bevel tot deelname op afstand (herschikking)
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Criminele activiteiten hebben steeds vaker grensoverschrijdende aspecten en vormen een ernstige bedreiging voor de veiligheid binnen de EU. Criminele netwerken en terroristische organisaties opereren naadloos in meerdere rechtsgebieden om hun criminele activiteiten uit te voeren. Om deze bedreigingen aan te pakken, zijn er dus EU-strafrechtsregelingen nodig, met inbegrip van doeltreffende instrumenten en betrouwbare samenwerking.
Bij Richtlijn 2014/41/EU (“de richtlijn”) is het Europees onderzoeksbevel (“EOB”) ingesteld als instrument voor grensoverschrijdende bewijsgaring in strafzaken. De richtlijn was een antwoord op een welomschreven praktische behoefte aan een alomvattend, op wederzijdse erkenning gebaseerd kader voor het verkrijgen van bewijsmateriaal in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. Sinds de richtlijn in mei 2017 van toepassing werd, biedt zij rechterlijke en andere bevoegde autoriteiten een waardevol instrument, dat in alle deelnemende lidstaten op grote schaal wordt gebruikt.
Het doel van de tiende ronde van wederzijdse evaluaties, die plaatsvond tussen 2023 en 2024, was de toepassing en uitvoering van de richtlijn te evalueren. Op basis van gegevens van Eurojust en het Europees justitieel netwerk in strafzaken (“EJN”) bevestigde de evaluatie dat EOB’s veelvuldig werden gebruikt. De evaluatie bood ook een waardevolle gelegenheid om gebieden voor verbetering en verdere ontwikkeling in kaart te brengen, onder meer op EU-niveau. In het eindverslag over de tiende ronde van wederzijdse evaluaties over de uitvoering van het EOB (“eindverslag over wederzijdse evaluaties”) werd verwezen naar verschillende gebieden waarop de lidstaten de richtlijn op verschillende wijze uitleggen of specifieke procedures ontberen, met name: i) het gebruik van bewijsmateriaal voor andere doeleinden; ii) de bepalingen over de “interceptie van telecommunicatie”; iii) het gebruik van technische registratieapparatuur en het verband tussen het EOB en grensoverschrijdende observatie uit hoofde van artikel 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord (“SUO”), en iv) het gebruik als bewijsmateriaal van eerder uitgewisselde rechtshandhavingsinformatie. In het verslag werd geconcludeerd dat deze lacunes een belemmering vormen voor een consistente uitvoering en werd de Commissie verzocht wetgevende wijzigingen te overwegen om deze problemen aan te pakken. Bovendien werd gewezen op problemen in verband met de uitvoering van artikel 24 van de richtlijn (over verhoren per videoconferentie) en werd de Commissie verzocht “op wetgevingsniveau de vraag te behandelen of de beschuldigde vanuit een andere lidstaat per videoconferentie kan deelnemen aan het proces”.
Daarnaast was de Groep op hoog niveau inzake toegang tot gegevens voor doeltreffende rechtshandhaving van mening dat verzoeken om grensoverschrijdende legale interceptie verschillende uitdagingen met zich meebrengen voor de rechtshandhavingsinstanties. In het eindverslag werd voorgesteld om na te gaan hoe de richtlijn kan bijdragen aan de efficiëntie van grensoverschrijdende verzoeken om legale interceptie.
De noodzaak van gerichte wetgevende maatregelen werd ook bevestigd in operationele bevindingen van Eurojust en het EJN, in het verslag van het forum op hoog niveau over de toekomst van het EU-strafrecht en in de beoordeling van de uitvoering door de lidstaten van Aanbeveling (EU) 2022/915 van de Raad.
In de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) is ook verduidelijkt hoe bepaalde aspecten van de EOB-richtlijn moeten worden uitgelegd en is gewezen op gebieden waar aanvullende verduidelijking van de wetgeving wenselijk is. Sommige zaken betreffen met name de uitlegging van artikel 24 van de richtlijn. Er wordt gewezen op de rechtsonzekerheid met betrekking tot het toepassingsgebied, de voorwaarden waaronder videoconferenties mogen worden gebruikt in strafprocedures en de mate waarin op grond van de richtlijn in dit verband om bijstand kan worden gevraagd die verder gaat dan het primaire doel van bewijsverkrijging.
Tegen deze achtergrond worden met het voorstel twee hoofddoelstellingen nagestreefd:
(1)de juridische duidelijkheid en de operationele doeltreffendheid bij de grensoverschrijdende bewijsgaring in de EU verbeteren door gericht tekortkomingen aan te pakken die bij de toepassing van de richtlijn zijn vastgesteld, en
(2)gemeenschappelijke regels opstellen voor verzoeken om bijstand om het voor verdachten, beschuldigden en slachtoffers gemakkelijker te maken om vanuit een andere lidstaat op afstand deel te nemen aan strafzittingen.
Het aanpakken van deze tekortkomingen zou bijdragen tot een meer doeltreffende justitiële samenwerking en het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten vergroten.
Wat de eerste doelstelling betreft, beoogt het voorstel een meer uniforme uitlegging en toepassing van de belangrijkste bepalingen van de richtlijn in alle deelnemende lidstaten te waarborgen door begrippen en procedurele regels te verduidelijken die tot uiteenlopende nationale praktijken hebben geleid. Het voorstel heeft met name tot doel meer rechtszekerheid te bieden met betrekking tot: i) het gebruik van bewijsmateriaal voor andere doeleinden en de verdere overdracht ervan; ii) de definitie van het begrip “telecommunicatie” en de procedurele aspecten van de kennisgevingsprocedure voor interceptie zonder dat er technische bijstand van een andere lidstaat vereist is; iii) de definitie van “uitvaardigende autoriteit”, en iv) de procedures voor verzoeken voor het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder tussen rechtshandhavingsinstanties is uitgewisseld of spontaan tussen rechterlijke autoriteiten is uitgewisseld.
Het voorstel bevat ook regels voor het gebruik van technische registratieapparatuur en voor grensoverschrijdende observatie met het oog op bewijsgaring en verduidelijkt de wisselwerking tussen het EOB en grensoverschrijdende observatiemaatregelen uit hoofde van artikel 40 SUO. Het voorstel heeft ook tot doel de tijdige uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen te verbeteren, waarbij er in realtime bewijsmateriaal wordt verzameld, zoals gecontroleerde aflevering, interceptie van telecommunicatie en grensoverschrijdende observatie. Dit zal gebeuren door de voorlopige uitvoering van dergelijke onderzoeksmaatregelen toe te staan wanneer dat strikt noodzakelijk is om de blijvende doeltreffendheid ervan te waarborgen. Dit is met name van belang bij onderzoeken naar georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van deze speciale onderzoekstechnieken van essentieel belang is voor het verzamelen van bewijsmateriaal. Bovendien pakt het voorstel de tekortkomingen aan die aan het licht zijn gekomen met betrekking tot het EOB-formulier. Het voorstel beoogt daarmee de praktische werking van het gemeenschappelijk kader voor het verkrijgen van bewijsmateriaal in grensoverschrijdende zaken te versterken, onder meer door juridische dubbelzinnigheden weg te nemen die kunnen leiden tot vertraging, weigering van uitvoering of inconsistente procedurele waarborgen.
Wat de tweede doelstelling betreft, bleek uit de resultaten van de raadplegingen dat slechts enkele lidstaten over specifieke regels beschikken inzake grensoverschrijdende deelname op afstand aan strafzittingen, en dat die regels inhoudelijk sterk uiteenlopen. In sommige gevallen voorzien de nationale kaders zelfs niet in de deelname van de autoriteiten van de lidstaat waar de betrokken persoon zich bevindt. Deze versnippering is niet alleen problematisch wat betreft de bescherming van de procedurele rechten van de betrokken personen, maar is ook een hinderpaal voor een doeltreffende justitiële samenwerking. Er moet worden voorzien in gemeenschappelijke procedures, normen en passende waarborgen om ervoor te zorgen dat de procedures eerlijk verlopen en dat videoconferentietechnologie doeltreffend kan worden ingezet in grensoverschrijdende strafprocedures. Dit maakt de justitiële samenwerking doeltreffender en versterkt het wederzijds vertrouwen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de EU.
Het doel van de voorgestelde regels inzake deelname op afstand aan strafzittingen is dan ook voornamelijk ervoor te zorgen dat het recht om bij het proces aanwezig te zijn en daadwerkelijk deel te nemen aan terechtzittingen — zoals gewaarborgd door het Unierecht in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Richtlijn (EU) 2016/343 — doeltreffender wordt uitgeoefend. In de praktijk kunnen personen die betrokken zijn bij een strafprocedure en die hun recht op vrij verkeer en verblijf hebben uitgeoefend en in een andere lidstaat wonen of daar tijdelijk verblijven, er in de specifieke omstandigheden van de zaak de voorkeur aan geven om op afstand deel te nemen in plaats van te reizen om persoonlijk aanwezig te zijn. Daarnaast kunnen zij worden geconfronteerd met legitieme belemmeringen voor het fysiek bijwonen van zittingen in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd, zoals gezondheidsproblemen, zorgtaken, beperkingen in verband met vrijheidsbeneming in een andere lidstaat of andere gerechtvaardigde redenen. In dergelijke situaties kan de betrokken persoon de facto gedwongen zijn afstand te doen van zijn recht om bij het proces aanwezig te zijn, louter omdat hij niet kan reizen om de zittingen persoonlijk bij te wonen, ook al zou hij er in feite graag aan willen deelnemen. Door het gemakkelijker te maken om op afstand deel te nemen, beoogt het initiatief derhalve het aantal grensoverschrijdende verstekprocedures te verminderen en ervoor te zorgen dat de uitoefening van het recht op vrij verkeer binnen de Unie in de praktijk geen afbreuk doet aan het daadwerkelijke genot van procedurele rechten in strafprocedures. Het initiatief zal naar verwachting met name ook de risico’s van secundaire victimisatie voor slachtoffers van misdrijven verminderen door, waar nodig, de noodzaak van herhaald reizen, onnodige blootstelling aan stressvolle omgevingen of directe confrontatie met de verdachte of beschuldigde in grensoverschrijdende situaties te beperken.
Ten tweede kan deelname op afstand, wanneer dwangmaatregelen en overlevering niet noodzakelijk of evenredig zijn, in voorkomend geval een alternatief vormen voor de fysieke overlevering van de persoon overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Het huidige voorstel tot herschikking versterkt het EU-rechtskader voor instrumenten voor grensoverschrijdende justitiële samenwerking in strafzaken door de in de richtlijn vastgestelde lacunes op te vullen en de samenhang met andere instrumenten te waarborgen.
De voorgestelde gerichte wijzigingen van het EOB zijn in overeenstemming met en vormen een aanvulling op bestaande instrumenten van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, waaronder:
–de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, door te voorzien in een procedure voor het verzoeken om toestemming voor het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder spontaan tussen rechterlijke autoriteiten is uitgewisseld in het kader van die overeenkomst;
–de Schengenuitvoeringsovereenkomst, door het verband tussen artikel 40 inzake grensoverschrijdende observatie en het EOB-kader te verduidelijken;
–de richtlijn betreffende de uitwisseling van informatie tussen rechtshandhavingsinstanties, door te voorzien in een procedure voor het verzoeken om toestemming voor het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder tussen rechtshandhavingsinstanties is uitgewisseld uit hoofde van die richtlijn.
Het initiatief sluit ook aan bij en legt directe verbanden met de verordeningen betreffende Eurojust en het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), en het besluit van de Raad betreffende het Europees justitieel netwerk.
Wat betreft de nieuwe regels voor het verzoeken om bijstand teneinde de deelname op afstand aan strafzittingen vanuit een andere lidstaat te vergemakkelijken door middel van een Europees bevel tot deelname op afstand (EBDA), vult het voorstel een huidige lacune in het acquis van de Unie op, dat deelname op afstand slechts in specifieke contexten en voor beperkte doeleinden regelt.
Verordening (EU) 2023/2844 creëert een rechtskader voor het gebruik van videoconferenties en andere technologieën voor communicatie op afstand in grensoverschrijdende procedures. In strafzaken biedt artikel 6 van die verordening een rechtsgrondslag voor het gebruik van videoconferenties of andere technologieën voor communicatie op afstand teneinde verdachten, beschuldigden, veroordeelden en andere betrokken personen te horen in het kader van een beperkt aantal procedures voor justitiële samenwerking die specifiek in die bepaling worden genoemd. Het nieuwe kader voorziet in specifieke regelingen voor de deelname op afstand van verdachten, beschuldigden en slachtoffers van misdrijven teneinde vanuit een andere lidstaat op afstand deel te nemen aan terechtzittingen in de hoofdprocedure waarbij zij betrokken zijn. Hiermee wordt een lacune in het huidige Uniekader inzake de digitalisering van het strafrecht opgevuld, dat tot nu toe beperkt was tot de digitalisering van zittingen in procedures voor justitiële samenwerking.
Artikel 24 van de richtlijn regelt verhoren per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen voor bewijsdoeleinden. Volgens deze bepaling kan een EOB worden uitgevaardigd om een getuige, deskundige, verdachte of beschuldigde die zich in een andere lidstaat bevindt, per videoconferentie te verhoren met het oog op het verzamelen van bewijs. Zoals het Hof van Justitie heeft verduidelijkt, is artikel 24 van toepassing op verhoren met het oog op bewijsgaring en gaat de uitvoering daarvan niet verder dan wat voor dat doel noodzakelijk is.
Dit voorstel daarentegen heeft tot doel de volledige deelname vanuit een andere lidstaat aan alle soorten strafzittingen te vergemakkelijken, zowel in de fase vóór het proces als in de procesfase, al naar gelang de betrokken persoon een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer van een misdrijf is. Volledige deelname houdt de volledige uitoefening in van de procedurele rechten waarop de betrokken persoon aanspraak kan maken alsof hij fysiek bij de zitting aanwezig was.
Wat slachtoffers van misdrijven betreft, voorziet artikel 17 van Richtlijn 2012/29/EU in de mogelijkheid om slachtoffers die zich in een andere lidstaat bevinden te horen via videoconferentietechnologie, en verplicht het de lidstaten om – voor zover mogelijk krachtens het Unierecht en het nationale recht – de deelname van slachtoffers via videoconferentie te faciliteren, rekening houdend met hun rol in de procedure. Het onderhavige voorstel vormt derhalve een aanvulling op dat kader door specifieke regels en waarborgen vast te stellen voor de deelname op afstand van slachtoffers aan strafzittingen, met inbegrip van regels inzake procedurele waarborgen, technische regelingen en effectieve deelname.
Het voorstel is ook volledig in overeenstemming met het acquis van de Unie inzake procedurele rechten in strafprocedures. In artikel 8 van Richtlijn (EU) 2016/343 is het recht van verdachten en beschuldigden om bij het proces aanwezig te zijn, vastgelegd. Onverminderd dat recht en de in die richtlijn vastgestelde normen voor processen bij verstek, beoogt dit voorstel de uitoefening van het recht om bij het proces aanwezig te zijn, te versterken. Dit gebeurt door de betrokken personen toe te staan om op afstand via videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand deel te nemen aan zittingen, mits aan strikte voorwaarden wordt voldaan en er wordt voorzien in een aantal waarborgen. Tegelijkertijd heeft het voorstel tot doel ervoor te zorgen dat procedurele rechten en waarborgen die bedoeld waren om persoonlijk te worden uitgeoefend, indien nodig, ook doeltreffend op afstand kunnen worden uitgeoefend.
De nieuwe bepalingen inzake EBDA’s dragen bij tot een betere toegang tot de rechter in grensoverschrijdende strafprocedures. Zij stellen verdachten, beschuldigden en slachtoffers van misdrijven die om gerechtvaardigde redenen in een andere lidstaat wonen, daar in hechtenis zijn genomen of daar tijdelijk verblijven, in staat om daadwerkelijk aan de strafprocedure deel te nemen zonder dat zij naar de uitvaardigende staat hoeven te reizen. Op die manier kan het voorstel, onder passende omstandigheden, een alternatief vormen voor fysieke overlevering op grond van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad, wanneer een dwangmaatregel in het specifieke geval niet noodzakelijk wordt geacht en het nagestreefde doel beperkt blijft tot het waarborgen van de deelname van de betrokken persoon aan een zitting of zijn proces.
•
Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Met dit pakket initiatieven op het gebied van strafrecht wordt een coherente en complementaire doelstelling nagestreefd: versterking van de capaciteit van de Unie om in een steeds complexere veiligheidsomgeving ernstige grensoverschrijdende criminaliteit te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen. Door de rechtskaders voor de samenwerking tussen rechtshandhavings-, rechterlijke en andere relevante autoriteiten te moderniseren, beoogt het pakket de doeltreffendheid, samenhang en interoperabiliteit van de interne veiligheidsarchitectuur van de Unie te versterken.
De voorgestelde herzieningen van de Europol- en Eurojust-verordeningen vormen de kern van deze inspanning. Europol en Eurojust vervullen afzonderlijke maar complementaire functies binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: terwijl Europol de preventie, de opsporing en het onderzoek van criminele activiteiten ondersteunt, bevordert Eurojust de justitiële samenwerking en zorgt het voor een doeltreffende vervolgings- en justitiële follow-up. Het pakket heeft daarom tot doel de samenwerking en complementariteit tussen beide agentschappen te versterken, evenals die met andere relevante actoren van de Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en binnen de fraudebestrijdingsarchitectuur, met het oog op een naadloze continuïteit tussen rechtshandhavingsmaatregelen en gerechtelijke follow-up in alle fasen van de strafrechtelijke keten.
In dit verband dragen de wijzigingen van het kader voor het Europees onderzoeksbevel en van de gegevensbeschermingsregels die van toepassing zijn op het gebied van justitie en binnenlandse zaken verder bij aan deze doelstelling, door doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken, de voorwaarden voor informatie-uitwisseling te verbeteren en te zorgen voor een samenhangend rechtskader dat is aangepast aan de operationele realiteit en de technologische ontwikkelingen. Samen zullen de in dit pakket voorgestelde maatregelen de Unie beter in staat stellen te reageren op veranderende veiligheidsdreigingen, met volledige eerbiediging van de grondrechten, de rechtsstaat en de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de verschillende betrokken actoren.
Dit voorstel is verenigbaar met gerelateerd Uniebeleid, met name om de volgende redenen:
–het draagt bij aan de doelstellingen van de ProtectEU-strategie, waarin wordt beklemtoond dat de justitiële samenwerking moet worden versterkt en dat er doeltreffendere instrumenten moeten worden aangereikt om ernstige en georganiseerde criminaliteit en terrorisme te bestrijden in een omgeving die steeds transnationaler en digitaler wordt;
–het is in overeenstemming met de doelstellingen van de mededeling van de Commissie “DigitalJustice@2030”, waarin de digitalisering van rechtsstelsels wordt bevorderd, met inbegrip van de ontwikkeling van veilige digitale instrumenten en het gebruik van interoperabele videoconferentietechnologieën om de efficiëntie, toegankelijkheid en veerkracht van gerechtelijke procedures in de hele Unie te verbeteren. In de mededeling werd met name de deelname op afstand aan strafzittingen vanuit een andere lidstaat via videoconferentie aangemerkt als een gebied waarop de Commissie in de toekomst actie moet ondernemen (actie 9);
–het maakt deel uit van de routekaart voor rechtmatige en doeltreffende toegang tot gegevens voor de rechtshandhaving, waarin is toegezegd na te gaan of het EOB verder moet worden versterkt om de efficiëntie van grensoverschrijdende verzoeken om legale interceptie te verbeteren;
–het maakt deel uit van de EU-drugsstrategie, waarin wordt gewezen op de noodzaak om het EOB te versterken als onderdeel van de strategische prioriteit om de justitiële samenwerking te versterken teneinde de veiligheid te verbeteren en de samenleving te beschermen;
–het is volledig in overeenstemming met het acquis van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EU) 2016/679, Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EU) 2018/1725, aangezien in het voorstel is bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de voorgestelde richtlijn moet voldoen aan het toepasselijke gegevensbeschermingskader van de Unie.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
• Rechtsgrondslag
Het initiatief is gebaseerd op artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
In artikel 82, lid 1, VWEU wordt bepaald dat de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. In dit artikel wordt de Unie gemachtigd om onder meer maatregelen vast te stellen waarbij regels en procedures worden vastgelegd waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie worden erkend.
De richtlijn is, net als andere bestaande instrumenten inzake wederzijdse erkenning, vastgesteld op basis van artikel 82, lid 1, VWEU. Door artikel 82, lid 1, VWEU als rechtsgrondslag te behouden, wordt derhalve de samenhang met de oorspronkelijke keuze gewaarborgd en worden de doelstellingen en de inhoud van de via het herschikkingsinitiatief ingevoerde wijzigingen tot uitdrukking gebracht.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
De richtlijn is op EU-niveau reeds aangenomen als instrument voor grensoverschrijdende justitiële samenwerking in strafzaken met het oog op bewijsgaring. De richtlijn heeft per definitie betrekking op grensoverschrijdende kwesties die niet op doeltreffende wijze door afzonderlijke lidstaten kunnen worden aangepakt. De EU heeft haar bevoegdheden reeds uitgeoefend door de richtlijn vast te stellen en bijgevolg moeten er ook op EU-niveau verdere maatregelen worden genomen.
Wat betreft de specifieke wijzigingen waarmee regels worden ingevoerd om deelname op afstand aan strafzittingen te vergemakkelijken wanneer de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer van een misdrijf zich in een andere lidstaat bevindt, brengt het grensoverschrijdende karakter van deze kwestie met zich mee dat geen enkele lidstaat deze regels zelfstandig kan vaststellen.
De reacties op de openbare en gerichte raadplegingen bevestigen dat maatregelen van de EU op dit gebied waarschijnlijk betere resultaten zouden opleveren dan maatregelen van de lidstaten. De Raad heeft erkend dat de uitdagingen die met dit initiatief worden aangepakt, maatregelen vereisen die verder reiken dan het nationale niveau. Dit voorstel biedt derhalve een antwoord op de door de lidstaten aan de orde gestelde kwesties, zoals hierboven is uiteengezet.
Gezien de grensoverschrijdende dimensie van de hierboven geschetste kwesties en het feit dat de Unie haar bevoegdheden op dit gebied reeds heeft uitgeoefend, moet het voorstel op EU-niveau worden aangenomen om de betrokken doelstellingen te verwezenlijken.
•Evenredigheid
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangezien het niet verder gaat dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. Het bouwt voort op bestaande instrumenten voor wederzijdse erkenning en digitale infrastructuur op Unieniveau, waardoor de extra administratieve en financiële lasten beperkt blijven.
De voorgestelde gerichte wijzigingen van het EOB zijn beperkt tot de punten van zorg die door de Raad zijn gesignaleerd in de tiende ronde van wederzijdse evaluaties en in andere verslagen die in het hoofdstuk “Achtergrond” van deze toelichting worden genoemd. De in dit voorstel naar voren geschoven opties zijn de opties die het minst ingrijpend zijn voor de nationale strafrechtstelsels van de lidstaten, waarbij wordt voortgebouwd op het algemene kader van de richtlijn.
De voorgestelde regels inzake deelname op afstand aan strafzittingen zijn een antwoord op verzoeken die door de lidstaten zijn gedaan tijdens de wederzijdse evaluatie van de richtlijn. Het initiatief creëert een gericht kader dat beperkt is tot het vergemakkelijken van de indiening en erkenning door de lidstaten van verzoeken om deelname op afstand aan strafzittingen. Het houdt geen bredere harmonisatie in van nationale strafprocedures op binnenlands niveau. Het gebruik van een EBDA in individuele gevallen blijft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten en is in elk individueel geval onderworpen aan een evenredigheids- en adequaatheidsbeoordeling. Als algemene regel geldt dat deelname op afstand gebaseerd is op de toestemming van de betrokken persoon en gepaard gaat met waarborgen om ervoor te zorgen dat de procedure eerlijk verloopt en dat de procedurele rechten daadwerkelijk worden uitgeoefend.
Het voorstel eerbiedigt ook de procedurele autonomie van de lidstaten, aangezien de wijze waarop zittingen worden gehouden nog steeds onder het recht van de uitvaardigende lidstaat valt en bepaalde uitvoeringsmaatregelen worden beheerst door het recht van de uitvoerende lidstaat.
•Keuze van het instrument
Dit voorstel beoogt gerichte wijzigingen in de richtlijn aan te brengen om de lacunes, inconsistenties en tekortkomingen aan te pakken die tijdens de uitvoering en evaluatie van de richtlijn aan het licht zijn gekomen. Gezien het gerichte karakter ervan, is hetzelfde rechtsinstrument de meest geschikte keuze voor het doorvoeren van de wijzigingen, en wordt een herschikking geacht de meest geschikte techniek te zijn om de richtlijn te vervangen en in te trekken.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Het belangrijkste referentiedocument voor de evaluatie van de richtlijn is het eindverslag over wederzijdse evaluaties. Uit het verslag blijkt dat de richtlijn een doeltreffend en veelgebruikt instrument is geworden voor justitiële samenwerking in strafzaken in de hele Europese Unie en dat het systeem over het algemeen goed lijkt te functioneren. In het verslag wordt echter ook gewezen op verschillende juridische en operationele uitdagingen. Er wordt met name opgeroepen tot gerichte wijzigingen met betrekking tot: i) het gebruik van bewijsmateriaal voor andere doeleinden; ii) interceptie van telecommunicatie; iii) het gebruik van technische registratieapparatuur en grensoverschrijdende observatie, en iv) het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder tussen rechtshandhavingsinstanties is uitgewisseld of spontaan is uitgewisseld tussen rechterlijke autoriteiten. Ook wordt beklemtoond dat beroepsbeoefenaars hebben gewezen op praktische problemen in verband met de complexiteit van het EOB-standaardformulier, vertaalproblemen en vertragingen bij de uitvoering. In het verslag wordt voorts gesuggereerd om de kwestie van beschuldigden die op afstand aan hun proces deelnemen, te onderzoeken. In het algemeen wordt in de evaluatie aanbevolen de wetgeving verder te verduidelijken en meer te harmoniseren teneinde de rechtszekerheid, de efficiëntie en de consistentie bij de toepassing van de richtlijn te verbeteren.
•Raadpleging van belanghebbenden
Bij het opstellen van het voorstel heeft de Commissie in 2025 en 2026 uitgebreide raadplegingen gehouden. De raadplegingen waren gericht op een breed scala aan belanghebbenden: burgers, overheidsinstanties, vertegenwoordigers uit de academische wereld, EU-agentschappen en -organen, Europese verenigingen van strafrechtadvocaten en andere relevante belanghebbenden.
De raadplegingen omvatten: i) gerichte raadplegingen van de autoriteiten van de lidstaten, Eurojust, het EJN, het EOM, Europol, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), de Europese vereniging van strafrechtadvocaten en de raad van de balies van Europa; ii) feedback van het publiek over het verzoek om input, waaronder bijdragen van academici; iii) drie specifieke bijeenkomsten met deskundigen van de autoriteiten van de lidstaten, en iv) een bijeenkomst met de deskundigengroep strafrecht van de Commissie.
Over het algemeen was er brede overeenstemming over het feit dat de EU de gesignaleerde problemen moet aanpakken door middel van gerichte wijzigingen van de richtlijn.
Veel deskundigen erkenden met name de uitdagingen in verband met het gebruik van bepaalde onderzoeksmaatregelen voor bewijsgaring in een grensoverschrijdende context, met name grensoverschrijdende observatie met het oog op bewijsgaring en technische registratieapparatuur (voor het verzamelen van locatie-, audio- of visuele gegevens). Er was algemene steun voor het opnemen van specifieke bepalingen over deze aangelegenheden in de richtlijn. Verscheidene deskundigen waren van mening dat het nuttig zou zijn het begrip “interceptie van telecommunicatie” in de richtlijn te definiëren. Sommige deskundigen zagen ook ruimte voor verduidelijking van de kennisgevingsprocedure voor intercepties waarbij geen technische bijstand van een andere lidstaat vereist is.
De meningen van de belanghebbenden liepen uiteen over de vraag of de regels inzake het gebruik van bewijsmateriaal voor andere doeleinden moeten worden verduidelijkt. Sommige deskundigen waren echter voorstander van een vereenvoudigde procedure waarbij specifieke voorwaarden worden vastgesteld voor het gebruik van verkregen bewijsmateriaal en waarbij kan worden verzocht om de opheffing van die voorwaarden, teneinde de flexibiliteit en efficiëntie van grensoverschrijdende onderzoeken te waarborgen. Volgens verschillende belanghebbenden moet er een procedure worden vastgesteld inzake het verzoeken om het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder tussen rechtshandhavingsinstanties is uitgewisseld, terwijl anderen beklemtoonden dat er bij de nieuwe regels rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de nationale rechtskaders. Evenzo is uit de raadplegingen gebleken dat de nationale wetgeving en praktijken uiteenlopen wat betreft de vraag wanneer informatie die “spontaan is uitgewisseld” door rechterlijke autoriteiten als bewijsmateriaal kan worden gebruikt, wat wijst op de noodzaak van specifieke regels. Uit de raadplegingen is ook naar voren gekomen dat er behoefte is aan enkele aanvullende, beperkte verduidelijkingen in de richtlijn, bijvoorbeeld over het toepassingsgebied van het EOB en de definitie van “uitvaardigende autoriteit”. Er werd ook gewezen op de noodzaak van justitiële opleiding en de ontwikkeling van handboeken of verdere richtsnoeren, met name om het verband tussen het EOB en andere instrumenten te verduidelijken, alsook met betrekking tot het gebruik van het EOB voor de grensoverschrijdende erkenning en uitvoering van speciale onderzoekstechnieken. Daarnaast werd het gebruik van aanvullende instrumenten, zoals de EJN-atlas en de “Fiches Belges”, nuttig geacht om een soepele toepassing van het EOB te waarborgen, met name in gevallen waarin verschillen in de praktijken en wetgeving van de lidstaten met betrekking tot speciale onderzoeksmaatregelen uitdagingen voor de samenwerking opleveren. Deskundigen achtten het noodzakelijk dat deze instrumenten regelmatig worden geactualiseerd om rekening te houden met wijzigingen met betrekking tot de wetgeving van de lidstaten, de bevoegde autoriteiten en de praktische vereisten, zodat de betrouwbaarheid en het nut ervan voor beroepsbeoefenaars gewaarborgd blijven.
De belanghebbenden waren het in grote lijnen eens met de doelstelling om grensoverschrijdende deelname op afstand aan strafprocedures te vergemakkelijken door middel van een specifiek rechtskader van de Unie. Zij benadrukten echter dat het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de procedurele rechten van de betrokken personen moeten worden gewaarborgd. De meeste lidstaten en deskundigen waren het erover eens dat deelname op afstand aan zittingen in alle opzichten onder het procesrecht van de uitvaardigende lidstaat moet vallen, met uitzondering van identiteitscontroles en de technische voorwaarden voor videoconferenties, die onder het procesrecht van de uitvoerende lidstaat moeten vallen.
Sommige deskundigen waren het erover eens dat bij deelname op afstand dezelfde waarborgen en rechtsmiddelen moeten worden toegepast als die welke van toepassing zijn bij persoonlijke deelname aan terechtzittingen. De meeste belanghebbenden beklemtoonden niettemin de noodzaak van specifieke waarborgen, met name voor: i) de toestemming van de persoon op wie een EBDA betrekking heeft; ii) de beschikbaarheid van een vertrouwelijk communicatiekanaal tussen de betrokken persoon en zijn advocaat; iii) specifieke corrigerende maatregelen in geval van technische storingen, en iv) de bescherming van kwetsbare personen en van kinderen. Deze bijdragen zijn in het voorstel verwerkt.
De belanghebbenden hebben echter uiteenlopende standpunten ingenomen over de volgende kwesties: i) de mogelijkheid (en de reikwijdte) van uitzonderingen op het toestemmingsvereiste; ii) het soort autoriteiten dat bevoegd is voor identiteitscontroles en procedurele handelingen in de uitvoerende lidstaat, en iii) het bestaan van specifieke rechtsmiddelen naast die welke reeds beschikbaar zijn uit hoofde van het recht van de uitvaardigende lidstaat. De meeste lidstaten pleitten bijvoorbeeld voor beperkte uitzonderingen op het vereiste om de toestemming van de betrokken persoon te verkrijgen, maar organisaties van strafrechtadvocaten verzetten zich over het algemeen tegen dergelijke afwijkingen. In het voorstel wordt daarom een evenwichtige benadering gevolgd door de toestemming van de betrokken persoon als verplichte voorwaarde voor de uitvaardiging van een EBDA te behouden, en tegelijkertijd een nauw omschreven afwijking toe te staan die onderworpen is aan strikte waarborgen en rechterlijk toezicht.
Een meer gedetailleerde samenvatting van de resultaten van de raadplegingen van de Commissie zal worden opgenomen in een werkdocument van de diensten van de Commissie, dat bij dit voorstel zal worden gevoegd.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Naast de bovengenoemde raadplegingen van belanghebbenden heeft de Commissie expertise uit andere bronnen verzameld en gebruikt.
Het voorstel is met name gebaseerd op het eindverslag over wederzijdse evaluaties, verslagen van Eurojust en het EJN, en technische en politieke besprekingen van het forum op hoog niveau over de toekomst van het strafrecht.
Met betrekking tot de regels inzake deelname op afstand aan strafzittingen wordt in het voorstel ook rekening gehouden met: i) de resultaten van een onderzoeksproject over de digitalisering van de rechten van de verdediging in strafprocedures, dat door de Europese Commissie werd gefinancierd in het kader van het programma Justitie; ii) het FRA-verslag “digitalising Justice: A Fundamental Rights-based Approach”, en iii) de voorlopige resultaten van de besprekingen tijdens werkconferenties over dit onderwerp.
•Effectbeoordeling
In het onderhavige geval werd een afwijking van de verplichting om een effectbeoordeling uit te voeren gerechtvaardigd geacht om twee belangrijke redenen: gebrek aan opties en geen relevante negatieve economische, sociale of milieueffecten. Er is al een uitgebreide retrospectieve beoordeling van de richtlijn uitgevoerd als onderdeel van de tiende ronde van wederzijdse evaluaties, die geleid heeft tot specifieke aanbevelingen om aspecten aan te pakken die nog niet onder de richtlijn vallen, en bestaande bepalingen te wijzigen. De werkzaamheden die de Raad tijdens de tiende ronde van wederzijdse evaluaties heeft verricht, hebben geleid tot de conclusie dat het scala aan haalbare beleidsalternatieven beperkt is. De huidige herziening is op die werkzaamheden gebaseerd. Zowel de onderliggende richtlijn, die oorspronkelijk werd vastgesteld op basis van een initiatief van de lidstaten, als de voorgestelde wijzigingen zijn overwegend technisch en procedureel van aard. De gevolgen ervan zullen voornamelijk voelbaar zijn voor overheidsinstanties die betrokken zijn bij grensoverschrijdende justitiële samenwerking. De gevolgen voor natuurlijke of rechtspersonen zullen naar verwachting positief zijn, aangezien de wijzigingen erop gericht zijn de rechtszekerheid te versterken, de doeltreffendheid van bestaande procedures te verbeteren en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken door middel van deelname op afstand aan strafzittingen.
Aangezien het initiatief betrekking heeft op aangelegenheden die inherent grensoverschrijdend zijn, geeft het geen aanleiding tot specifieke subsidiariteitsproblemen. De kosten voor overheidsinstanties in verband met de uitvoering van de wijzigingen zullen naar verwachting worden gecompenseerd door efficiëntiewinsten bij grensoverschrijdende strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen, alsook door een afname van vertragingen, overdrachten en de daarmee samenhangende operationele lasten. Aangezien het initiatief betrekking heeft op aangelegenheden die inherent grensoverschrijdend zijn, geeft het geen aanleiding tot specifieke subsidiariteitsproblemen. Bij gebrek aan een effectbeoordeling zal het voorstel vergezeld gaan van een werkdocument van de diensten van de Commissie, waarin de beleidscontext, de probleemomschrijving, de gemaakte beleidskeuze(s) en de verwachte effecten worden uiteengezet, en dat ook de resultaten van de raadplegingen van belanghebbenden en toekomstige monitoringregelingen omvat.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Conform het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van de Commissie moeten alle initiatieven die tot doel hebben de bestaande EU-wetgeving te herzien erop gericht zijn de administratieve lasten voor de lidstaten te vereenvoudigen en te verminderen.
Zowel de onderliggende richtlijn als de voorgestelde wijzigingen zijn overwegend van technische en procedurele aard. De gevolgen ervan zullen voornamelijk voelbaar zijn voor overheidsinstanties die betrokken zijn bij grensoverschrijdende justitiële samenwerking. De gevolgen voor natuurlijke of rechtspersonen zullen naar verwachting positief zijn, aangezien de wijzigingen erop gericht zijn de rechtszekerheid te versterken, de doeltreffendheid van bestaande procedures te verbeteren en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken door middel van deelname op afstand aan strafzittingen.
De kosten voor overheidsinstanties in verband met de uitvoering van de wijzigingen zullen naar verwachting worden gecompenseerd door efficiëntiewinsten bij grensoverschrijdende strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen, alsook door een afname van vertragingen, overdrachten en de daarmee samenhangende operationele lasten.
Er worden geen gevolgen verwacht voor kleine en middelgrote ondernemingen en het concurrentievermogen.
•
Grondrechten
Het voorstel is in overeenstemming met de in het Handvest erkende grondrechten en beginselen, met name het recht op een onpartijdig gerecht en op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van de verdediging, zoals verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest en artikel 6 en artikel 13, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Het bouwt voort op de zes EU-richtlijnen betreffende procedurele rechten van verdachten en beschuldigden in strafprocedures, met name de Richtlijnen 2010/64/EU, 2012/13/EU, 2013/48/EU, (EU) 2016/343, (EU) 2016/800 en (EU) 2016/1919, alsook Richtlijn 2012/29/EU betreffende de rechten van slachtoffers van strafbare feiten.
De richtlijn beschermt de grondrechten door waarborgen te bieden voor het gehele EOB-kader en voor andere maatregelen inzake het verkrijgen van bewijsmateriaal in strafzaken. De richtlijn bevat met name specifieke bepalingen die ervoor moeten zorgen dat de uitvaardiging of validatie van een EOB gepaard gaat met waarborgen met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten van de betrokken persoon. Ingevolge de richtlijn kan de uitvoerende autoriteit ook waarborgen dat bij de tenuitvoerlegging van een EOB het evenredigheidsbeginsel en de procedurele en grondrechten van de betrokken persoon worden geëerbiedigd. Bovendien zorgen specifieke procedurele mechanismen, zoals de kennisgevingsprocedures voor grensoverschrijdende onderzoeksmaatregelen waarvoor geen bijstand van een andere lidstaat vereist is, ervoor dat de lidstaat waar de onder de maatregel vallende persoon zich bevindt, wordt geïnformeerd en dus kan ingrijpen wanneer de maatregel niet zou worden toegestaan in een soortgelijke binnenlandse zaak.
De voorgestelde regels inzake deelname op afstand aan strafzittingen bevatten duidelijke en strikte voorwaarden voor het uitvaardigen en ten uitvoer leggen van een EBDA, alsook daarmee verband houdende procedurele waarborgen en rechtsmiddelen. Deze regels waarborgen dat deelname op afstand aan zittingen niet plaatsvindt op een wijze die het eerlijke verloop van de procedure of de uitoefening van procedurele rechten ondermijnt. In het bijzonder heeft de verplichting om de toestemming te verkrijgen van de persoon op wie het EBDA betrekking heeft, tot doel te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van het EBDA verenigbaar blijft met de bescherming van de in het Handvest verankerde grondrechten, met name het recht om persoonlijk bij het proces aanwezig te zijn. Een afwijking van dit toestemmingsvereiste is alleen toegestaan in uitzonderlijke en duidelijk omschreven situaties die toelaatbare beperkingen vormen in de zin van artikel 52 van het Handvest. Bovendien vormt het vereiste dat de verdachte of beschuldigde wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die in de uitvaardigende lidstaat aanwezig is, een extra waarborg voor de effectieve uitoefening van de rechten van de verdediging.
De voorgestelde regels inzake deelname op afstand aan strafprocedures zijn in overeenstemming met de jurisprudentie van zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als het Hof van Justitie. Hoewel het EHRM consequent heeft erkend dat de fysieke aanwezigheid van de beschuldigde in de rechtszaal een belangrijk onderdeel is van het recht op een onpartijdig gerecht, heeft het ook geoordeeld dat deelname aan zittingen per videoconferentie op zich niet onverenigbaar is met het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, mits de betrokken persoon in staat is om: i) de procedure te volgen; ii) de personen die aan de zitting deelnemen, te zien en te horen; iii) zonder technische belemmeringen gezien en gehoord te worden, en iv) doeltreffend en vertrouwelijk met zijn advocaat te communiceren. Het voorstel weerspiegelt al deze normen en voorziet, zoals hierboven vermeld, in een aantal extra waarborgen.
Bij de voorgestelde regels wordt ook rekening gehouden met de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name zaak C-760/22. In die zaak heeft het Hof verduidelijkt dat, aangezien artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/343 de kwestie van deelname op afstand aan strafprocedures niet uitdrukkelijk regelt, deze bepaling er niet aan in de weg kan staan dat er wordt toegestaan dat een verdachte die daar uitdrukkelijk om verzoekt, via videoconferentie aan zijn proceszittingen deelneemt. Het Hof van Justitie heeft ook bevestigd dat wanneer de lidstaten de verdachte toestaan om het recht uit te oefenen om op afstand op het proces aanwezig te zijn, die regels geen afbreuk mogen doen aan de doelstelling van Richtlijn (EU) 2016/343, namelijk het versterken van het recht op een onpartijdig gerecht in strafprocedures, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, zoals verankerd in het Handvest en het EVRM.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het initiatief heeft gevolgen voor de begroting, met name als gevolg van de digitaliseringscomponenten ervan. Dit omvat juridische, beleids- en coördinatiewerkzaamheden binnen de Commissie, alsook technische werkzaamheden voor het ontwikkelen, aanpassen, testen, onderhouden en ondersteunen van het gedecentraliseerde IT-systeem en de componenten daarvan.
Het financieel en digitaal memorandum bij dit voorstel geeft een gedetailleerd overzicht van de gevolgen voor de begroting en de benodigde personele en administratieve middelen.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
De Commissie zal nagaan of de bij deze richtlijn gewijzigde bepalingen correct en doeltreffend zijn omgezet in de nationale wetgeving van alle deelnemende lidstaten. Tijdens de omzettingsfase zal de Commissie met alle lidstaten workshops over de omzetting organiseren.
Het voorstel voorziet in het verzamelen van statistische gegevens, zodat de Commissie toezicht kan houden op de toepassing van de richtlijn en daarover verslag kan uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad.
•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Aangezien het voorstel nieuwe wettelijke verplichtingen bevat ten opzichte van de bestaande richtlijn, is het noodzakelijk dat bij de kennisgeving van de omzettingsmaatregelen toelichtende stukken worden gevoegd, waaronder bijvoorbeeld een concordantietabel tussen de nationale bepalingen en de richtlijn. Dit moet ervoor zorgen dat de omzettingsmaatregelen die de lidstaten aan de bestaande wetgeving toevoegen, duidelijk identificeerbaar zijn.
De nationale maatregelen die nodig zijn voor de omzetting van dit voorstel zullen door de lidstaten bovendien wellicht in meer dan één wettekst worden opgenomen. Daarom moeten de lidstaten de Commissie een toelichtend stuk verstrekken met de tekst van de bepalingen die ter omzetting van deze richtlijn zijn vastgesteld. Daarin moet ook worden aangegeven hoe deze bepalingen zich verhouden tot de bepalingen die reeds zijn vastgesteld ter omzetting van de richtlijn en tot bepalingen die onder ander relevant EU-beleid vallen.
•Artikelsgewijze toelichting
Er wordt voorgesteld de hieronder vermelde wijzigingen door te voeren.
Titel I: algemene bepalingen
Artikel 1: omschrijft het voorwerp.
Artikel 2: lijst van belangrijke definities.
Titel II: beschrijft het kader voor het EOB en andere maatregelen voor het verkrijgen van bewijsmateriaal in strafzaken
Artikel 3: definieert het EOB en beschrijft de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan.
Artikel 4: bepaalt het toepassingsgebied van het EOB.
Artikel 5: bevat een opsomming van de soorten procedures waarvoor een EOB kan worden uitgevaardigd.
Artikel 6: bepaalt de vereiste inhoud van een EOB en de vorm ervan.
Artikel 7: stelt de voorwaarden vast voor het uitvaardigen en toezenden van een EOB.
Artikel 8: beschrijft de procedure voor de toezending van het EOB tussen de uitvaardigende/uitvoerende autoriteiten.
Artikel 9: bijzondere kenmerken wanneer een EOB verband houdt met een eerder EOB.
Artikel 10: voorziet in de verplichting van de uitvoerende autoriteit om een EOB te erkennen en ten uitvoer te leggen.
Artikel 11: bevat regels inzake het gebruik van een ander soort onderzoeksmaatregel en somt de maatregelen op die volgens het recht van de uitvoerende staat altijd beschikbaar moeten zijn.
Artikel 12: bevat een opsomming van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging.
Artikel 13: stelt termijnen vast voor erkenning of tenuitvoerlegging.
Artikel 14: bevat regels voor de overdracht van verkregen bewijsmateriaal.
Artikel 15: bevat een opsomming van de gronden voor uitstel van de erkenning of tenuitvoerlegging.
Artikel 16: voorziet in verplichtingen om de uitvaardigende autoriteit in kennis te stellen.
Artikel 17: geeft aan welke rechtsmiddelen er beschikbaar moeten zijn.
Artikel 18: bevat regels inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren.
Artikel 19: bevat regels inzake de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren.
Artikel 20: legt de geheimhoudingsplicht vast.
Artikel 21: bevat de voorwaarden voor het latere gebruik en de verdere doorgifte van informatie of bewijsmateriaal.
Artikel 22: voorziet in de mogelijkheid van een tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis naar de uitvaardigende staat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel.
Artikel 23: voorziet in de mogelijkheid van een tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis naar de uitvoerende staat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel.
Artikel 24: voorziet in de mogelijkheid van verhoren per videoconferentie of met andere technologieën voor communicatie op afstand.
Artikel 25: voorziet in de mogelijkheid om deskundigen of getuigen te verhoren per telefoonconferentie.
Artikel 26: voorziet in de mogelijkheid om inlichtingen over bankrekeningen en andere financiële rekeningen op te vragen.
Artikel 27: voorziet in de mogelijkheid om inlichtingen over bancaire en andere financiële operaties op te vragen.
Artikel 28: bevat een regeling voor onderzoeksmaatregelen waarbij in realtime, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal wordt verzameld.
Artikel 29: bevat specifieke regels voor infiltratieoperaties.
Artikel 30: bevat specifieke regels voor grensoverschrijdende observatie.
Artikel 31: bevat specifieke regels voor het verzoeken om interceptie van telecommunicatie met technische bijstand van een andere lidstaat.
Artikel 32: bevat specifieke regels inzake voorlopige maatregelen ter voorkoming van het verlies van bewijsmateriaal.
Artikel 33: bevat een procedure voor kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft zich bevindt en van waaruit geen technische bijstand vereist is.
Artikel 34: bevat een procedure voor kennisgeving aan de lidstaat voor het gebruik, op zijn grondgebied, van een technisch registratieapparaat zonder dat technische bijstand van die lidstaat vereist is.
Artikel 35: bevat de procedure voor het verzoeken om toestemming voor het gebruik van eerder uitgewisselde informatie als bewijsmateriaal.
Titel III: stelt het EBDA in als een nieuw instrument voor wederzijdse erkenning, waardoor het gemakkelijker wordt om te verzoeken dat een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf vanuit een andere lidstaat op afstand deelneemt aan strafzittingen door middel van videoconferenties of andere technologieën voor communicatie op afstand.
Artikel 36: definieert het EBDA.
Artikel 37: bevat de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EBDA.
Artikel 38: stelt de procedure en waarborgen vast voor het verkrijgen van de toestemming van de betrokken persoon.
Artikel 39: specificeert de verplichte inhoud van het EBDA-standaardformulier.
Artikel 40: bevat regels voor de toezending van het EBDA.
Artikel 41: stelt de verplichting vast om het EBDA zonder verdere formaliteiten te erkennen en ten uitvoer te leggen.
Artikel 42: bevat gedetailleerde regels inzake de praktische regelingen voor de uitvoering van EBDA-verzoeken.
Artikel 43: bevat verplichte en facultatieve gronden voor weigering van de erkenning/tenuitvoerlegging van een EBDA.
Artikel 44: stelt termijnen vast voor beslissingen over de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA.
Artikel 45: regelt situaties waarin de tenuitvoerlegging van het EBDA onmogelijk is.
Artikel 46: voorziet in informatieverplichtingen tussen de bevoegde autoriteiten.
Artikel 47: bevat regels inzake voorlopige maatregelen na veroordeling.
Artikel 48: moedigt rechtstreeks overleg tussen uitvaardigende en uitvoerende autoriteiten aan.
Artikel 49: beschrijft de toepasselijke procedurele rechten.
Artikel 50: voorziet in het recht op doeltreffende rechtsmiddelen.
Titel IV: bevat gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 51: bevat regels inzake de communicatiemiddelen.
Artikel 52: maakt het mogelijk om in de lidstaten centrale autoriteiten aan te wijzen.
Artikel 53: behandelt kwesties in verband met de samenwerking met Eurojust en het EJN.
Artikel 54: bevat regels inzake de kosten.
Artikel 55: voorziet in verplichtingen voor de lidstaten om statistieken te verstrekken.
Artikel 56: voorziet in regels voor de wijziging van de standaardformulieren.
Artikel 57: bevat regels voor de uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie.
Titel V: bevat overgangs- en slotbepalingen
Artikel 58: bevat verplichtingen inzake kennisgevingen aan de bevoegde autoriteiten.
Artikel 59: bevat regels inzake de verhouding tot andere EU- en internationale instrumenten.
Artikel 60: bevat overgangsbepalingen.
Artikel 61: bevat de omzettingstermijnen.
Artikel 62: bevat de verplichting voor de Commissie om verslag uit te brengen over de toepassing van de richtlijn.
Artikel 63: bevat de intrekkingsclausule.
Artikel 64: bevat de inwerkingtredingsclausule.
Artikel 65: geeft de adressaten aan.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
2026/0172 (COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken en het Europees bevel tot deelname op afstand (herschikking)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 1,onder a),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
⇩ nieuw
(1)Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.
🡻 2014/41/EU overweging 1
(2)De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te ontwikkelen en te handhaven.
⇩ nieuw
(3)Ernstige en georganiseerde criminaliteit en terrorisme hebben in toenemende mate een grensoverschrijdend karakter en vormen een bedreiging voor de veiligheid binnen de Unie. Krachtens artikel 67, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet de Unie ernaar streven een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, onder meer door coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten en andere bevoegde autoriteiten, alsook door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Doeltreffende grensoverschrijdende justitiële samenwerking in strafzaken is daarom van essentieel belang om het verzamelen en overdragen van bewijsmateriaal over de grenzen heen te vergemakkelijken en zo doeltreffende onderzoeken en vervolgingen te ondersteunen, en om de Unie en de lidstaten in staat te stellen doeltreffend op die dreigingen te reageren.
🡻 2014/41/EU overweging 2
(4)Krachtens artikel 82, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) berust de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 algemeen beschouwd wordt als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie.
🡻 2014/41/EU overweging 3 (aangepast)
Met Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad
is tegemoetgekomen aan de noodzaak van een onmiddellijke wederzijdse erkenning van beslissingen ter voorkoming van de vernietiging, verwerking, verplaatsing, overdracht of vervreemding van bewijsstukken. Aangezien dat instrument evenwel beperkt is tot de bevriezingsfase, moet een beslissing tot bevriezing vergezeld gaan van een afzonderlijk verzoek tot overdracht van het bewijsmateriaal naar de staat die de beslissing geeft („de beslissingsstaat”), in overeenstemming met de voorschriften die van toepassing zijn op de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Het resultaat is een procedure in twee fasen, die nadelig is vanuit het oogpunt van efficiëntie. Bovendien bestaat deze regeling naast de traditionele samenwerkingsinstrumenten en wordt zij daarom in de praktijk door de bevoegde autoriteiten zelden gebruikt.
🡻 2014/41/EU overweging 4 (aangepast)
Kaderbesluit 2008/978/JBZ van de Raad
betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel (EBB) is vastgesteld om het beginsel van de wederzijdse erkenning toe te passen op het verkrijgen van voorwerpen, documenten en gegevens, om deze te gebruiken in procedures in strafzaken. Het EBB geldt evenwel alleen ten aanzien van reeds bestaand bewijsmateriaal en betreft derhalve slechts een beperkt onderdeel van de justitiële samenwerking in strafzaken met betrekking tot bewijsmateriaal. Wegens de beperkte werkingssfeer staat het de bevoegde autoriteiten vrij gebruik te maken van de nieuwe regeling, dan wel van de procedures voor wederzijdse rechtshulp, die in ieder geval van toepassing blijven op het bewijsmateriaal dat buiten de werkingssfeer van het EBB valt.
🡻 2014/41/EU overweging 5 (aangepast)
Na de vaststelling van Kaderbesluit 2003/577/JBZ en Kaderbesluit 2008/978/JBZ is duidelijk geworden dat het bestaande kader voor de bewijsgaring te gefragmenteerd en te ingewikkeld is. Daarom is een nieuwe aanpak nodig.
🡻 2014/41/EU overweging 6 (aangepast)
In het programma van Stockholm dat door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 is vastgesteld, heeft de Europese Raad besloten dat verder moet worden gewerkt aan de totstandkoming van een op wederzijdse erkenning gebaseerd alomvattend systeem voor de bewijsverkrijging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. De Europese Raad heeft erop gewezen dat de bestaande instrumenten op dit gebied een fragmentarisch geheel vormden en dat een nieuwe aanpak nodig was, die op het beginsel van wederzijdse erkenning is gestoeld, maar waarbij ook de flexibiliteit van het klassieke stelsel van wederzijdse rechtshulp wordt meegenomen. Daarom wilde de Europese Raad een alomvattend systeem — ter vervanging van alle bestaande instrumenten op dit gebied, waaronder Kaderbesluit 2008/978/JBZ — dat zo veel mogelijk betrekking heeft op alle soorten bewijsmiddelen, tenuitvoerleggingstermijnen kent en zo weinig mogelijk weigeringsgronden bevat.
⇩ nieuw
(5)Bij Richtlijn 2014/41/EU is het Europees onderzoeksbevel (“EOB”) ingesteld als instrument voor grensoverschrijdende bewijsgaring in strafzaken. Met die richtlijn werd ingespeeld op de duidelijk vastgestelde praktische behoefte aan een alomvattend, op wederzijdse erkenning gebaseerd kader voor bewijsverkrijging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. Zij verving het vroegere gefragmenteerde systeem voor bewijsgaring en behield tegelijkertijd de flexibiliteit van het traditionele systeem van wederzijdse rechtshulp.
(6)Richtlijn 2014/41/EU is sinds 22 mei 2017 van toepassing en is in de praktijk doeltreffend gebleken. Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing ervan, met inbegrip van de bevindingen van de tiende ronde van wederzijdse evaluaties, is echter gebleken dat er gebieden zijn waarop het rechtskader moet worden versterkt en aangevuld om de juridische duidelijkheid en de doeltreffendheid van grensoverschrijdende bewijsgaring te verbeteren. Dit vraagt om gerichte verbeteringen van de regelgeving inzake het EOB en om het faciliteren van de deelname op afstand via videoconferentie aan strafzittingen van verdachten, beschuldigden en slachtoffers van misdrijven die zich in een andere lidstaat bevinden. De gemeenschappelijke regels inzake grensoverschrijdende justitiële samenwerking bij bewijsgaring in strafzaken krachtens Richtlijn 2014/41/EU moeten derhalve verder worden verbeterd en ontwikkeld om de efficiënte werking van dat instrument te waarborgen en de justitiële samenwerking bij bewijsgaring te versterken.
(7)Het juridische landschap in de lidstaten met betrekking tot de deelname op afstand van verdachten, beschuldigden en slachtoffers van misdrijven aan terechtzittingen per videoconferentie vanuit een andere lidstaat is momenteel niet op Unieniveau geregeld. De lidstaten worden daarom geconfronteerd met versnippering en inconsistente praktijken bij de grensoverschrijdende deelname op afstand aan strafzittingen. Bij gebrek aan regels op Unieniveau krijgen personen te maken met belemmeringen bij de toegang tot de rechter en bij de uitoefening van hun recht van vrij verkeer, alsook met rechtsonzekerheid.
(8)Om deze problemen aan te pakken, voorziet dit voorstel in een nieuw rechtskader in de vorm van het Europees bevel tot deelname op afstand (EBDA), dat samenwerking tussen de lidstaten mogelijk maakt teneinde het te vergemakkelijken dat een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf – voor zover die de status van partij in de procedure heeft – vanuit een andere lidstaat via videoconferentie effectief deelneemt aan een of meer strafzittingen. Een EBDA kan derhalve betrekking hebben op een of meer zittingen in de fase vóór het proces of tijdens het proces. Wat slachtoffers van misdrijven betreft, wordt de lidstaten in Richtlijn 2012/29/EU gevraagd om verzoeken om deelname op afstand van slachtoffers aan strafprocedures vanuit een andere lidstaat te vergemakkelijken, zonder dat er echter specifieke regels in die zin worden vastgesteld.
(9)In het kader van een EBDA moet onder deelname op afstand in voorkomend geval worden verstaan de volledige deelname vanuit een andere lidstaat aan alle soorten strafzittingen, zowel in de fase vóór het proces als tijdens het proces, afhankelijk van de vraag of de betrokken persoon een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer van een misdrijf is. Volledige deelname houdt in dat de betrokken persoon zijn procedurele rechten ten volle kan uitoefenen alsof hij fysiek aanwezig was op de zitting, met inbegrip van elke vorm van verstrekking of verkrijging van bewijsmateriaal. Volledige deelname houdt dus niet alleen het bijwonen van een zitting in, maar ook, in voorkomend geval, elke vorm van verkrijging van bewijs van de betrokken persoon door middel van videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand. Een dergelijke deelname moet ervoor zorgen dat de betrokken persoon de procedure kan volgen en gehoord kan worden onder voorwaarden die de rechten van de verdediging, voor zover van toepassing, en het eerlijke verloop van de procedure waarborgen.
(10)Wanneer het doel van het verhoor beperkt is tot het verzamelen van bewijsmateriaal om de relevante feiten vast te stellen met betrekking tot het bestaan van een misdrijf, de omstandigheden waarin het misdrijf is gepleegd of de identiteit van de dader, en binnen de grenzen om dat doel te bereiken, moet de bevoegde autoriteit een EOB uitvaardigen, hetzij voor het verhoren van de betrokken persoon op het grondgebied van de uitvoerende staat, hetzij voor het verhoren per videoconferentie of met andere technologieën voor communicatie op afstand vanuit de uitvoerende staat, hetzij voor de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis naar de uitvaardigende staat.
(11)Voor de toepassing van deze richtlijn moet onder videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand worden verstaan: audiovisuele transmissietechnologie die gelijktijdige communicatie van beeld en geluid in twee richtingen mogelijk maakt, waardoor visuele, audio- en mondelinge interactie mogelijk wordt in de zin van Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad.
(12)Het gebruik van videoconferenties en andere technologieën voor communicatie op afstand in strafprocedures vereist een betrouwbare en veilige technische infrastructuur die de effectieve deelname van de betrokken persoon kan waarborgen. Dergelijke technologie moet de betrokken persoon in staat stellen zijn procedurele rechten daadwerkelijk uit te oefenen, met inbegrip van de mogelijkheid om vertrouwelijk te communiceren met zijn advocaat, die in de rechtszaal in de uitvaardigende staat aanwezig moet zijn. De lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot technische middelen die voldoende beveiligd, toegankelijk en betrouwbaar zijn met het oog op deelname op afstand aan strafprocedures.
🡻 2014/41/EU overweging 7 (aangepast)
(13)Deze nieuwe aanpak is gebaseerd op één enkel instrument, dat de naam Europees onderzoeksbevel (EOB) zal dragen. Een EOB moet worden uitgevaardigd met het doel één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen in de staat die het EOB ten uitvoer legt(„de uitvoerende staat”) ten uitvoer te doen leggen met het oog op bewijsgaring. Daarmee wordt ook het verkrijgen van bewijsmateriaal beoogd dat reeds in het bezit is van de uitvoerende autoriteit.
🡻 2014/41/EU overweging 8
(14)Het EOB moet een horizontale werkingssfeer hebben en moet derhalve van toepassing zijn op alle onderzoeksmaatregelen die tot doel hebben bewijs te vergaren. Voor het opzetten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsvergaring door een dergelijk team zijn echter specifieke voorschriften vereist die beter apart kunnen worden behandeld. Bestaande instrumenten moeten derhalve op dit soort onderzoeksmaatregelen van toepassing blijven, onverminderd de toepassing van deze richtlijn.
⇩ nieuw
(15)In bepaalde situaties vereist de daadwerkelijke uitvoering van een onderzoeksmaatregel met het oog op bewijsgaring dat een persoon op wie de maatregel betrekking heeft in de uitvoerende staat, in kennis wordt gesteld van en in staat wordt gesteld aanwezig te zijn bij of deel te nemen aan een onderzoekshandeling ter verkrijging van bewijsmateriaal. De betekening of kennisgeving van procedurestukken met dat doel moet derhalve mogelijk zijn uit hoofde van deze richtlijn, mits die betekening of kennisgeving strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van een onderzoeksmaatregel ter verkrijging van bewijsmateriaal.
🡻 2014/41/EU overweging 9
Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op grensoverschrijdende observaties als bedoeld in de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord.
🡻 2014/41/EU overweging 10
(16)Het EOB moet gericht zijn op de onderzoeksmaatregel die ten uitvoer moet worden gelegd. De uitvaardigende autoriteit is de meest aangewezen autoriteit om op basis van haar kennis van de nadere gegevens betreffende het betrokken onderzoek te beslissen welke onderzoeksmaatregel moet worden gekozen. De uitvoerende autoriteit moet voor zover mogelijk evenwel een ander soort onderzoeksmaatregel toepassen indien de aangegeven maatregel in het nationale recht niet bestaat of in een soortgelijke binnenlandse zaak niet beschikbaar zou zijn. Beschikbaarheid dient betrekking te hebben op de gevallen waarin de aangegeven onderzoeksmaatregel bestaat in het recht van de uitvoerende staat, maar er wettelijk alleen in bepaalde situaties gebruik van kan worden gemaakt, bijvoorbeeld voor strafbare feiten van enigszins ernstige aard; tegen personen tegen wie al enige verdenking bestaat; of met instemming van de betrokkene. De uitvoerende autoriteit kan tevens een ander soort onderzoeksmaatregel dan de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel toepassen indien dit hetzelfde resultaat zou opleveren en de fundamentele rechten van de betrokkene minder worden aangetast.
🡻 2014/41/EU overweging 11 (aangepast)
(17)Het EOB is het geschikte instrument in het geval dat de tenuitvoerlegging van een onderzoeksmaatregel evenredig, passend en toepasbaar lijkt. De uitvaardigende autoriteit moet derhalve nagaan of het verlangde bewijsmateriaal noodzakelijk is voor de procedure, en in verhouding staat tot het doel ervan, of de gekozen onderzoeksmaatregel noodzakelijk en proportioneel is voor het verkrijgen van het bewijs in kwestie, en of een andere lidstaat door middel van de uitvaardiging van het EOB bij de bewijsgaring moet worden betrokken. Hetzelfde geldt in de valideringsprocedure, wanneer een EOB volgens deze richtlijn moet worden gevalideerd. De tenuitvoerlegging van een EOB mag niet om andere dan de in deze richtlijn genoemde redenen worden geweigerd. De uitvoerende autoriteit moet echter kunnen kiezen voor minder indringende onderzoeksmaatregelen dan die welke in het EOB worden aangegeven, indien daarmee vergelijkbare resultaten kunnen worden bereikt.
🡻 2014/41/EU overweging 12 (aangepast)
⇨ nieuw
(18)Bij het uitvaardigen van een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ moet de uitvaardigende autoriteit er in het bijzonder op letten dat de rechten die zijn neergelegd in de artikelen ⇨ 47 en ⇦ 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), volledig worden geëerbiedigd. ⇨ Het recht op een eerlijk proces is een van de grondbeginselen van een democratische samenleving. ⇦ Het vermoeden van onschuld ⇨ , het recht om bij het proces aanwezig te zijn ⇦ en de ⌦ andere ⌫ rechten van de verdediging in strafzaken zijn een hoeksteen van de grondrechten die op het gebied van strafvordering en strafrecht in het Handvest zijn erkend. Iedere inperking van deze rechten door een overeenkomstig deze richtlijn gelaste onderzoeksmaatregel moet volledig stroken met de eisen in artikel 52 van het Handvest waar het gaat om de noodzaak, evenredigheid en doelstellingen die met de maatregel worden nagestreefd, in het bijzonder de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
⇩ nieuw
(19)Bij de uitvoering van deze richtlijn moet ervoor worden gezorgd dat de rechten die zijn vastgelegd in de Richtlijnen 2010/64/EU, 2012/13/EU, 2013/48/EU
, (EU) 2016/343, (EU) 2016/800 en (EU) 2016/1919
van het Europees Parlement en de Raad, die betrekking hebben op de procedurele rechten van verdachten en beschuldigden in strafprocedures, alsmede de rechten van slachtoffers van misdrijven die zijn vastgelegd in Richtlijn 2012/29/EU, volledig worden geëerbiedigd en nageleefd.
(20)Met name bij de uitvoering van titel III van deze richtlijn mag er geen afbreuk worden gedaan aan het recht om fysiek bij het proces aanwezig te zijn, zoals neergelegd in artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/343, noch aan andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken of strafprocesrecht, en met name bepalingen inzake het gebruik van videoconferenties of andere audiovisuele transmissietechnologieën in strafzaken.
(21)Bij de uitvoering van deze richtlijn moet terdege rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare personen, dat wil zeggen personen in kwetsbare situaties. Met name het gebruik van videoconferenties of andere technologieën voor communicatie op afstand kan voor dergelijke personen extra uitdagingen met zich meebrengen en kan vereisen dat er specifieke procedurele waarborgen moeten worden geboden en regelingen moeten worden getroffen, waaronder passende ondersteunende maatregelen. Bij het vaststellen van kwetsbare situaties moet een brede en flexibele aanpak worden gevolgd om ervoor te zorgen dat alle personen die specifieke aandacht behoeven, hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan kwetsbare personen wanneer wordt beoordeeld of het passend en evenredig is om een EBDA uit te vaardigen en wanneer wordt overwogen af te wijken van het toestemmingsvereiste. Wanneer de betrokken persoon een kind is, moeten de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Om de effectieve deelname te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten nauw samenwerken om passende maatregelen te identificeren en uit te voeren die zijn afgestemd op de individuele behoeften van de betrokken persoon.
🡻 2014/41/EU overweging 13
Om de toezending van het EOB aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat zeker te stellen, kan de uitvaardigende autoriteit gebruikmaken van alle mogelijke/relevante kanalen, zoals het beveiligde telecommunicatiesysteem van het Europees justitieel netwerk, Eurojust, of andere kanalen die worden gebruikt door rechterlijke of rechtshandhavingsautoriteiten.
🡻 2014/41/EU overweging 15 (aangepast)
Bij de uitvoering van deze richtlijn moet rekening worden gehouden met de Richtlijnen 2010/64/EU
, 2012/13/EU
, en 2013/48/EU
van het Europees Parlement en de Raad, welke procedurele rechten in strafprocedures betreffen.
🡻 2014/41/EU overweging 11 (aangepast)
(22)De tenuitvoerlegging van een EOB mag niet om andere dan de in deze richtlijn genoemde redenen worden geweigerd. De uitvoerende autoriteit moet echter kunnen kiezen voor minder indringende onderzoeksmaatregelen dan die welke in het EOB worden aangegeven, indien daarmee vergelijkbare resultaten kunnen worden bereikt.
🡻 2014/41/EU overweging 16
(23)Onderzoeksmaatregelen van niet-dwingende en niet-intrusieve aard kunnen bijvoorbeeld maatregelen zijn die geen inbreuk maken op het recht op privacy of eigendom, afhankelijk van het nationale recht.
🡻 2014/41/EU overweging 17 (aangepast)
⇨ nieuw
(24)Het “ne bis in idem”-beginsel is een fundamenteel rechtsbeginsel in de Unie, zoals erkend in het Handvest en verder ontwikkeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarom zou de uitvoerende autoriteit het recht moeten hebben de tenuitvoerlegging van een EOB te weigeren als ⌦ wanneer ⌫ die tenuitvoerlegging tegen dat beginsel indruist. Gezien het voorlopige karakter van de procedure die aan een EOB ten grondslag ligt, mag de tenuitvoerlegging van een EOB niet worden geweigerd als het tot doel heeft mogelijke strijdigheid met het “ne bis in idem”-beginsel vast te stellen, of als de uitvaardigende autoriteit garandeert dat ⌦ , in het geval van een EOB, ⌫ de als gevolg van de tenuitvoerlegging van een EOB overgedragen bewijsstukken niet zullen worden gebruikt om een persoon die in een andere lidstaat in laatste aanleg wegens dezelfde feiten is berecht, te vervolgen of een straf op te leggen. ⇨ In het geval van een EBDA geldt dat, aangezien deelname op afstand deel uitmaakt van het verloop van een strafprocedure en gericht is op het vaststellen van de schuld in een bepaalde zaak, de uitvoerende autoriteit de erkenning en tenuitvoerlegging van dat EBDA moet weigeren wanneer vaststaat dat de betrokken persoon reeds onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten of dat er reeds een definitieve beslissing is genomen die verdere procedures ten gronde uitsluit. ⇦
🡻 2014/41/EU overweging 18 (aangepast)
(25)Evenals andere instrumenten inzake wederzijdse erkenning geldt deze richtlijn onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en het Handvest. Om dit te verduidelijken wordt een specifieke bepaling in de tekst ingevoegd.
🡻 2014/41/EU overweging 19 (aangepast)
⇨ nieuw
(26)Het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en een vermoeden van naleving door de andere lidstaten van het recht van de Unie, en met name van de grondrechten. Dat vermoeden is evenwel weerlegbaar. Derhalve, indien ⌦ wanneer ⌫ er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van een in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel ⇨ of van een EBDA ⇦ tot een inbreuk op een grondrecht van de betrokkene zou resulteren, en dat de tenuitvoerleggingsstaat zijn verplichtingen betreffende de bescherming van de grondrechten die zijn vervat in het Handvest niet zou nakomen, dient de tenuitvoerlegging van het EOB ⇨ of van het EBDA ⇦ te worden geweigerd.
🡻 2014/41/EU overweging 20
⇨ nieuw
(27)Een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ moet ⇨ ook ⇦ geweigerd kunnen worden indien de erkenning of tenuitvoerlegging ervan in de uitvoerende staat inbreuk op een immuniteit of voorrecht in die staat tot gevolg heeft. Er bestaat geen gemeenschappelijke definitie van immuniteiten of voorrechten in het recht van de Unie; de nauwkeurige omschrijving van deze begrippen is derhalve een zaak van nationaal recht, hetgeen immuniteiten ten behoeve van medische en juridische beroepen kan bevatten, maar welk niet mag worden geïnterpreteerd op een wijze die indruist tegen de verplichting bepaalde weigeringsgronden als opgenomen in het Protocol bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, af te schaffen. Het kan ook gaan om bepalingen betreffende de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media hoewel deze niet noodzakelijk worden aangemerkt als voorrechten of immuniteiten.
🡻 2014/41/EU overweging 21
⇨ nieuw
(28)Met het oog op een snelle, doeltreffende en consistente samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten, moet worden voorzien in termijnen. De beslissing betreffende de erkenning of tenuitvoerlegging, alsmede de feitelijke tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel, moeten met dezelfde snelheid en prioriteit plaatsvinden als in een vergelijkbare binnenlandse zaak. Er moet worden voorzien in termijnen opdat binnen een redelijke tijdspanne een beslissing wordt genomen of het EOB ten uitvoer wordt gelegd, of opdat aan bepaalde procedurele regels in de uitvaardigende staat kan worden voldaan. ⇨ Bijzondere aandacht moet worden besteed aan onderzoeksmaatregelen waarbij in realtime, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal wordt verzameld, zoals toezicht op bancaire of andere financiële operaties die via één of meer gespecificeerde rekeningen worden uitgevoerd en gecontroleerde aflevering op het grondgebied van de uitvoerende staat, interceptie van telecommunicatie en grensoverschrijdende observatie; dergelijke maatregelen behoeven onmiddellijke aandacht en, indien strikt noodzakelijk om de doeltreffendheid ervan te waarborgen, kan de uitvoerende autoriteit beslissen de voorlopige uitvoering ervan toe te staan in afwachting van een beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging ervan, met dien verstande dat de maatregelen worden beëindigd indien de erkenning ervan wordt geweigerd. ⇦
🡻 2014/41/EU overweging 22
(29)De rechtsmiddelen die tegen een EOB kunnen worden ingezet, moeten ten minste gelijk zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. De lidstaten moeten er overeenkomstig hun nationale recht voor zorgen dat deze rechtsmiddelen toepasbaar zijn, onder meer door een belanghebbende partij tijdig mee te delen over welke rechtsmiddelen zij beschikken en hoe die kunnen worden ingesteld. In gevallen waarin het EOB in de uitvoerende staat door een belanghebbende partij op materiële gronden wordt aangevochten, is het raadzaam de uitvaardigende autoriteit daaromtrent te informeren, onder kennisgeving aan de belanghebbende partij.
⇩ nieuw
(30)Wanneer informatie of bewijsmateriaal wordt verkregen door de tenuitvoerlegging van een EOB of via een kennisgevingsprocedure waarvoor geen bijstand van de in kennis gestelde lidstaat is vereist, en wanneer het recht van de uitvoerende staat of de in kennis gestelde lidstaat voorziet in voorwaarden die het gebruik van die informatie of dat bewijsmateriaal voor andere doeleinden dan die waarvoor de informatie of het bewijsmateriaal oorspronkelijk is verzameld, beperken, moeten die voorwaarden naar behoren kenbaar worden gemaakt op het moment van de overdracht van het bewijsmateriaal of binnen de voor de kennisgevingsprocedures aangegeven termijn. Voor elke verdere doorgifte aan een andere lidstaat, een derde land of een internationale organisatie moet voorafgaande toestemming vereist zijn.
(31)Wanneer een bevoegde autoriteit, voor zover zulks vereist is krachtens haar nationale recht of de aan de oorspronkelijke overdracht van de informatie verbonden voorwaarden, om toestemming vraagt om informatie die eerder tussen rechtshandhavingsinstanties is uitgewisseld of die spontaan is uitgewisseld, als bewijsmateriaal in strafprocedures te gebruiken, moet die toestemming worden gevraagd voor elk beoogd gebruik van die informatie alsook voor elk ander gebruik daarvan.
🡻 2014/41/EU overweging 23 (aangepast)
⇨ nieuw
(32)De op het grondgebied van de uitvoerende staat voor de tenuitvoerlegging van een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ gemaakte kosten worden uitsluitend door deze staat gedragen. Deze regeling sluit aan bij het algemene beginsel van wederzijdse erkenning. De tenuitvoerlegging van een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ kan echter uitzonderlijk hoge kosten voor de uitvoerende staat meebrengen. Dergelijke kosten kunnen bijvoorbeeld ⌦ , in het geval van een EOB, ⌫ verbonden zijn aan complexe deskundigenadviezen of grootscheepse politiële actie of observatiesurveillance gedurende een lange periode ⇨ of, in het geval van een EBDA, het gevolg zijn van de organisatie van een groot aantal zittingen op afstand ⇦ . Dit mag de tenuitvoerlegging van het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ niet beletten en de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit moeten trachten vast te stellen welke kosten als uitzonderlijk hoog worden beschouwd. De kosten kunnen onderwerp van overleg worden tussen de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat en hen wordt aangeraden dit punt in de overlegfase op te lossen. In laatste instantie kan de uitvaardigende autoriteit besluiten het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ in te trekken of het te handhaven, en in dit laatste geval moet het deel van de kosten dat door de uitvoerende staat uitzonderlijk hoog wordt bevonden en als absoluut noodzakelijk voor de procedures wordt beschouwd, worden gedragen door de uitvaardigende staat. ⌦ In het geval van een EOB, ⌫ mag Dit dit mechanisme mag geen extra grond voor weigering zijn en mag het in geen geval zodanig worden gebruikt dat de tenuitvoerlegging van het EOB wordt vertraagd of verhinderd.
🡻 2014/41/EU overweging 24 (aangepast)
⇨ nieuw
(33)Met het EOB wordt één enkele regeling voor bewijsverkrijging vastgesteld. Er zijn evenwel bijkomende voorschriften nodig voor bepaalde soorten onderzoeksmaatregelen die in het EOB moeten worden aangegeven, zoals de tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis, verhoor via video- of teleconferentie, het verkrijgen van informatie betreffende bankrekeningen of bancaire verrichtingen, gecontroleerde afleveringen, of infiltratieoperaties, ⇨ observatie of gebruik van technische registratieapparatuur ⇦ . Onderzoeksmaatregelen waarbij in realtime, rechtstreeks doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal wordt verzameld ⇨ en grensoverschrijdende observatie ⇦, moeten onder het EOB vallen, maar indien nodig moeten de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat praktische afspraken maken om de verschillen in de nationale wetgeving tussen deze staten op te vangen.
🡻 2014/41/EU overweging 25 (aangepast)
⇨ nieuw
(34)In ⌦ titel II van ⌫ deze richtlijn worden regels bepaald voor het ten uitvoer leggen van een onderzoeksmaatregel, in elke fase van de strafprocedure, dus ook op het proces zelf, indien nodig met deelname van de betrokkene, met als doel bewijsmateriaal te verzamelen. Er kan bijvoorbeeld een EOB worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene naar de uitvaardigende staat of met het oog op een verhoor per videoconferentie., ⇨ voor zover deze maatregel een bewijsdoel heeft en de tenuitvoerlegging ervan niet verder gaat dan wat nodig is om bewijsmateriaal te verkrijgen. ⇦ Indien de betrokkene echter naar een andere lidstaat wordt overgebracht om er te worden vervolgd en ook te worden berecht, dient er een Europees aanhoudingsbevel (EAB) te worden uitgevaardigd overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad.
🡻 2014/41/EU overweging 26
⇨ nieuw
(35)De uitvaardigende autoriteit zou, met het oog op een proportionele toepassing van een EAB, moeten nagaan of een EOB ⇨ dan wel een EBDA ⇦ een effectief en evenredig middel is voor het voeren van een strafprocedure. De uitvaardigende autoriteit zou met name moeten nagaan of het uitvaardigen van een EOB voor het horen van een verdachte of een beschuldigde persoon middels een videoconferentie ⇨ of van een EBDA voor de deelname op afstand aan strafzittingen door de verdachte of de beschuldigde, ⇦ een effectief alternatief kan zijn.
🡻 2014/41/EU overweging 27
(36)Een EOB kan worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen over de rekeningen, ongeacht de aard ervan, bij een bank of een niet-bancaire financiële instelling, van een persoon tegen wie een strafprocedure loopt. Deze ruime mogelijkheid geldt niet alleen met betrekking tot verdachte of beschuldigde personen maar ook met betrekking tot eenieder ten aanzien van wie dergelijke inlichtingen door de bevoegde autoriteiten in de loop van een strafprocedure noodzakelijk worden geacht.
🡻 2014/41/EU overweging 28
(37)In deze richtlijn dient de term financiële instellingen te worden verstaan in de zin van de desbetreffende definitie in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2015/849 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
.
🡻 2014/41/EU overweging 29
(38)In het geval van een EOB dat wordt uitgevaardigd voor het verkrijgen van de “bijzonderheden” betreffende een gespecificeerde bankrekening, omvatten deze “bijzonderheden” op zijn minst de naam en het adres van de rekeninghouder, gegevens over volmachten voor die rekening, en andere gegevens of documenten die de rekeninghouder bij het openen van de rekening heeft voorgelegd en die de bank nog heeft.
⇩ nieuw
(39)Het EOB heeft betrekking op grensoverschrijdende observatie als onderzoeksmaatregel die wordt uitgevoerd met als hoofddoel het verzamelen van bewijsmateriaal voor strafprocedures en waarbij geluids-, beeld- of andere opnames worden gemaakt met behulp van technische middelen die worden bediend door rechtshandhavingsfunctionarissen. De Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord
(4)
blijft van toepassing op grensoverschrijdende observatie in het kader van operationele politiële samenwerking. Het toepasselijke rechtsinstrument moet worden gekozen op basis van het hoofddoel van de maatregel. Met name wanneer observatie wordt gelast of toegestaan in het kader van een strafprocedure met het oog bewijsverkrijging, moet deze worden uitgevoerd uit hoofde van deze richtlijn. In geval van twijfel over de vraag welk instrument van toepassing is, moeten de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat en van de uitvoerende staat onverwijld overleg plegen.
(40)Om de doeltreffendheid van strafrechtelijke onderzoeken te waarborgen, moeten bevoegde autoriteiten, onder strikt gereglementeerde voorwaarden, observatiemaatregelen kunnen voortzetten op het grondgebied van een andere lidstaat, wanneer die continuïteit noodzakelijk is om te voorkomen dat de bewijsgaring in het gedrang komt. Dergelijke grensoverschrijdende observatie mag er niet toe leiden dat functionarissen van de uitvaardigende staat dwang- of handhavingsbevoegdheden uitoefenen op het grondgebied van de uitvoerende staat. Grensoverschrijdende observatie moet onderworpen blijven aan de controle van de uitvoerende staat, die bevoegd moet blijven om voorwaarden op te leggen, de overdracht van de operatie aan zijn eigen autoriteiten te verlangen of de voortzetting te weigeren wanneer de maatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan. De afwijking die voortzetting van de observatie in naar behoren gemotiveerde spoedeisende situaties mogelijk maakt, moet strikt worden uitgelegd en mag alleen worden toegepast wanneer voorafgaande toezending van een EOB onmogelijk is zonder de maatregel in gevaar te brengen. Gezien het spoedeisende karakter is het aan elke lidstaat om de autoriteit aan te wijzen die bevoegd is voor het in ontvangst nemen en verwerken van dringende kennisgevingen in verband met grensoverschrijdende observatie. Deze autoriteit kan, conform het nationale recht, een rechterlijke autoriteit, een rechtshandhavingsinstantie of een centrale autoriteit zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aldus aangewezen autoriteiten 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbaar zijn en dergelijke kennisgevingen kunnen verwerken.
🡻 2014/41/EU overweging 30
⇨ nieuw
(41)⇨ Om een doeltreffende en technologisch neutrale toepassing van de regels inzake interceptie van telecommunicatie krachtens deze richtlijn te waarborgen, moet het begrip “telecommunicatie” ruim worden uitgelegd. Het begrip moet alle communicatie omvatten die wordt verzonden via elektronischecommunicatienetwerken of elektronischecommunicatiediensten, zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad. Verwijzing naar de definities in Richtlijn (EU) 2018/1972 waarborgt dat de onderhavige richtlijn afgestemd blijft op de ontwikkelingen op het gebied van elektronische communicatietechnologieën en voorkomt dat er tussen de lidstaten verschillen in uitlegging ontstaan als gevolg van technologische ontwikkelingen. ⇦ De mogelijkheden tot samenwerking op grond van deze richtlijn inzake de interceptie van telecommunicatie mogen niet worden beperkt tot de inhoud van de telecommunicatie, maar kunnen ook het verzamelen van de verkeers- en locatiegegevens in verband met deze telecommunicatie omvatten, zodat de bevoegde autoriteiten een EOB kunnen uitvaardigen dat tot een minder indringende vorm van verkrijging van telecommunicatiegegevens strekt. Een EOB dat strekt tot het verkrijgen van oude verkeers- en locatiegegevens in verband met telecommunicatie moet worden behandeld volgens de algemene regeling inzake de tenuitvoerlegging van het EOB, en kan, afhankelijk van de nationale wetgeving van de uitvoerende staat, als een onderzoeksmaatregel van dwingende of intrusieve aard worden beschouwd.
🡻 2014/41/EU overweging 31
(42)Indien verscheidene lidstaten de vereiste technische bijstand kunnen verlenen, moet het EOB naar slechts één ervan, bij voorrang de lidstaat waar de betrokkene zich bevindt, worden gezonden. Indien de technische bijstand van de lidstaat waar de persoon zich bevindt tegen wie de interceptie gericht is, niet nodig is voor het uitvoeren van de interceptie, moet die lidstaat daarvan overeenkomstig deze richtlijn op de hoogte worden gebracht. Indien daarentegen de technische bijstand wellicht niet van slechts één lidstaat komt, kan een EOB naar meer dan één uitvoerende staat worden gezonden.
🡻 2014/41/EU overweging 32
(43)In een EOB houdende een verzoek tot interceptie van telecommunicatie moet de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit voldoende informatie verschaffen — bijvoorbeeld inzake de strafbare feiten waarnaar een onderzoek is ingesteld — zodat de uitvoerende autoriteit kan beoordelen of de betrokken onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak zou worden toegestaan.
🡻 2014/41/EU overweging 33
(44)Het moet voor de lidstaten van belang zijn ervoor te zorgen dat technische bijstand kan worden verleend door een exploitant van netwerken en diensten inzake algemeen beschikbare telecommunicatie op het grondgebied van de betrokken lidstaat, om een vlottere samenwerking met het oog op rechtsgeldige interceptie van telecommunicatie in het kader van deze richtlijn te bewerkstelligen.
🡻 2014/41/EU overweging 34
(45)Het EOBDeze richtlijn heeft, gelet op het toepassingsgebied ervan, betrekking op voorlopige maatregelen uitsluitend met het oog op bewijsverkrijging. Hierbij moet erop worden gewezen dat voorwerpen, financiële activa daaronder begrepen, tijdens een strafprocedure het voorwerp kunnen uitmaken van verschillende voorlopige maatregelen, die kunnen strekken tot het verzamelen van bewijsmateriaal, maar ook tot confiscatie. Het onderscheid tussen beide doelen is niet altijd duidelijk, en het doel van een voorlopige maatregel kan in de loop van de procedure veranderen. Het is daarom van cruciaal belang dat de verschillende toepasselijke wetteksten naadloos op elkaar aansluiten. Om dezelfde reden is het de uitvaardigende autoriteit die zal oordelen of een element als bewijsmateriaal zal worden gebruikt en of daarvoor dus een EOB wordt uitgevaardigd.
⇩ nieuw
(46)Wanneer een in een lidstaat rechtmatig toegelaten technisch registratieapparaat het grondgebied van een andere lidstaat binnenkomt zonder dat daarvoor de technische bijstand van die lidstaat vereist is, moet een kennisgevingsmechanisme de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in staat stellen om gedurende een beperkte periode te beoordelen of het voortgezette gebruik van het apparaat in een soortgelijke binnenlandse zaak zou worden toegestaan, en, in voorkomend geval, bezwaar te maken tegen die voortzetting of voorwaarden te verbinden aan het gebruik van het verkregen materiaal. De doorgifte van door dergelijke apparaten verzamelde gegevens via elektronischecommunicatienetwerken of -diensten met het oog op de opslag van die gegevens, mag er op zich niet toe leiden dat de maatregel wordt gekwalificeerd als interceptie van telecommunicatie. Een dergelijke kwalificatie mag alleen van toepassing zijn wanneer de maatregel specifiek gericht is op het verwerven van communicatie in transmissie via dergelijke netwerken of diensten. Indien er binnen de voorgeschreven termijn geen bezwaar wordt gemaakt, moet het toegestaan zijn de maatregel tijdens de ter kennis gebrachte periode voort te zetten. Dit mechanisme is van toepassing in het kader van deze richtlijn en laat de toepassing van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord op grensoverschrijdende observatie ten behoeve van operationele politiële samenwerking onverlet. De keuze van het toepasselijke instrument hangt af van het hoofddoel van de maatregel en dus niet van de gebruikte technische middelen.
(47)Wat het EBDA betreft, mag de uitvaardigende autoriteit alleen een EBDA uitvaardigen wanneer de betrokken persoon, op het tijdstip van de voorgenomen zitting(en), in de uitvoerende staat in hechtenis wordt gehouden of zal worden gehouden, daar woonachtig is of zal zijn dan wel daar tijdelijk verblijft of zal verblijven om gerechtvaardigde redenen die zijn fysieke aanwezigheid in de uitvaardigende staat verhinderen of anderszins belemmeren, en wanneer de uitvaardigende autoriteit dit passend en evenredig acht in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak. Tenzij een EBDA wordt uitgevaardigd op verzoek van de betrokken persoon, moet die persoon toestemming geven voor de deelname op afstand. De toestemming moet vrijelijk, specifiek en geïnformeerd worden gegeven en ondubbelzinnig aangeven dat de persoon instemt met zijn deelname op afstand aan de desbetreffende zitting(en). Daartoe moet worden gewaarborgd dat de betrokken persoon, voordat om zijn toestemming wordt gevraagd, informatie krijgt over zijn rechten en toegang heeft tot een advocaat.
(48)Het is aan de uitvaardigende autoriteit om, op basis van de informatie waarover zij beschikt, te beoordelen of er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer in de uitvoerende staat verblijft en of het op die grond passend en evenredig zou zijn dat die persoon op afstand deelneemt aan de desbetreffende zitting(en). Wanneer er slechts weinig informatie beschikbaar is, moet er over een dergelijke beoordeling overleg worden gepleegd tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit, teneinde de verblijfplaats van de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer in de aangezochte staat te bevestigen en de oproeping voor de desbetreffende zitting(en) te betekenen of ter kennis te brengen. Met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats kan er rekening worden gehouden met diverse objectieve omstandigheden die erop kunnen wijzen dat de betrokken persoon op het moment van de zitting(en) het gewone centrum van zijn belangen in een bepaalde lidstaat heeft gevestigd of voornemens is dat te doen. Er kunnen redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een persoon in de uitvoerende staat verblijft, met name indien een persoon als ingezetene van de uitvoerende staat is geregistreerd, zoals blijkt uit het bezit van een identiteitskaart of een verblijfsvergunning, of uit inschrijving in een officieel verblijfsregister. Indien de betrokken persoon niet in de uitvoerende staat is geregistreerd, kan de verblijfplaats blijken uit het feit dat die persoon zijn voornemen om zich in die lidstaat te vestigen kenbaar heeft gemaakt of, na een stabiele periode van aanwezigheid in die lidstaat, bepaalde banden met die lidstaat heeft opgebouwd die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit de vestiging van een formeel verblijf in die lidstaat. Om te bepalen of er in een specifieke situatie voldoende banden tussen de betrokken persoon en de uitvoerende staat bestaan op grond waarvan er een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken persoon in die lidstaat verblijft, moet er rekening worden gehouden met verschillende objectieve elementen die de situatie van die persoon kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van die persoon in de uitvoerende staat alsook de familiale of economische banden die deze persoon met de aangezochte staat heeft. Een geregistreerd voertuig, een bankrekening, het feit dat het verblijf van de betrokken persoon in de uitvoerende staat ononderbroken was of andere objectieve factoren kunnen van belang zijn om te bepalen of er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de betrokken persoon in de uitvoerende staat verblijft. Een kort bezoek, een vakantie, ook in een vakantiewoning, of een soortgelijk verblijf in de uitvoerende staat zonder verdere wezenlijke band volstaat niet om verblijf in die lidstaat aan te tonen.
(49)Wanneer komt vast te staan dat de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer van een misdrijf geen ingezetene van de uitvoerende staat is, maar zich daar slechts tijdelijk ophoudt, moet de uitvaardigende autoriteit beoordelen of er gerechtvaardigde redenen zijn waarom deze persoon niet fysiek aanwezig kan zijn bij de desbetreffende zittingen. Wanneer die informatie niet kan worden afgeleid uit de gegevens waarover de rechtbank beschikt, is het aan de betrokken persoon of zijn advocaat om bij de uitvaardigende autoriteit gerechtvaardigde redenen aan te voeren voor het niet persoonlijk bijwonen van de zittingen. Dit omvat situaties waarin een persoon geen wezenlijke band met de uitvoerende staat heeft die als verblijfplaats zou kunnen worden aangemerkt, maar zich wel tijdelijk in de uitvoerende staat ophoudt.
(50)In naar behoren gemotiveerde en uitzonderlijke situaties kan het noodzakelijk zijn om te voorzien in deelname op afstand zonder de voorafgaande toestemming van de betrokken persoon, met name wanneer er duidelijke risico’s voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid bestaan die aantoonbaar reëel en actueel zijn of voorzienbaar zijn, en wanneer het uitstellen van de zitting(en) of het opschorten van de procedure, vanwege de afwezigheid van bijvoorbeeld de verdachte of de beschuldigde, in strijd zou zijn met een efficiënte en goede rechtsbedeling. Het gebruik van een dergelijke afwijking moet strikt beperkt blijven tot noodsituaties en onderworpen zijn aan passende waarborgen om ervoor te zorgen dat dit geen afbreuk doet aan het eerlijke verloop van de procedure of de rechten van de verdediging.
(51)Bij de beoordeling of er een EBDA moet worden uitgevaardigd, moet de uitvaardigende autoriteit nagaan of aan alle voorwaarden van deze richtlijn is voldaan. Daarnaast kan zij van oordeel zijn dat het, gezien de omstandigheden van de zaak, niet mogelijk, passend of evenredig zou zijn om een EAB uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ te gebruiken. Dat kan met name het geval zijn wanneer het betrokken strafbare feit niet voldoet aan de in artikel 2, lid 1, van dat kaderbesluit vastgestelde strafdrempel, of wanneer het gebruik van een EAB niet noodzakelijk of evenredig zou zijn omdat een EBDA kan worden geacht te volstaan om de deelname van de betrokken persoon aan de zitting(en) waarop het betrekking heeft, te waarborgen. De uitvaardigende autoriteit kan ook rekening houden met situaties waarin de aanwezigheid van de verdachte of de beschuldigde bij de zitting verplicht is, maar de overlevering voor onbepaalde tijd is opgeschort om ernstige humanitaire redenen overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, of situaties waarin de betrokken persoon in de uitvoerende staat van zijn vrijheid is beroofd of onderworpen is aan een alternatieve maatregel op grond waarvan hij op het grondgebied van die staat moet blijven en tijdelijke overlevering overeenkomstig artikel 24, lid 2, van dat kaderbesluit niet mogelijk of passend is.
(52)Bij de beoordeling of het passend is een EBDA uit te vaardigen, moet de uitvaardigende autoriteit ook rekening kunnen houden met andere omstandigheden die relevant zijn voor een efficiënte en goede rechtsbedeling. Zij kan met name nagaan of het nog nodig zou zijn om de strafprocedure te voeren in afwezigheid van de verdachte of de beschuldigde dan wel of het niet mogelijk zou zijn de strafprocedure over te dragen op grond van Verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de Raad en of een dergelijke overdracht een efficiënte en goede rechtsbedeling niet ten goede zou komen. De uitvaardigende autoriteit kan ook rekening houden met de belangen van het slachtoffer, met inbegrip van zijn specifieke beschermingsbehoeften overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2012/29/EU. Daarnaast kan de uitvaardigende autoriteit rekening houden met de ernst of de aard van het strafbare feit of de complexiteit van de procedure om te beoordelen of een EBDA in een bepaalde zaak passend zou zijn.
(53)De gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende maatregelen moeten beperkt blijven en mogen de doeltreffendheid van de justitiële samenwerking niet ondermijnen. De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit moeten nauw samenwerken en met elkaar in overleg treden alvorens een beslissing tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een EOB of een EBDA te nemen.
(54)In het kader van een EBDA moet de uitvoerende autoriteit in uitzonderlijke situaties en op basis van een individuele beoordeling, de tenuitvoerlegging kunnen weigeren wanneer de tenuitvoerlegging van een EBDA een onevenredige belasting voor haar rechtsstelsel zou vormen, waardoor het goede verloop van haar eigen rechtsbedeling onnodig zou worden vertraagd of verstoord of onmogelijk zou worden, en wanneer dergelijke gevolgen niet kunnen worden verzacht door middel van samenwerking en specifieke praktische afspraken met de uitvaardigende autoriteit.
(55)De zittingen op afstand moeten onder het recht van de uitvaardigende staat vallen. De praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het EBDA moeten worden overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit. Een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen deze autoriteiten is noodzakelijk om het correcte verloop van de zittingen, de rechtszekerheid en de daadwerkelijke uitoefening van procedurele rechten door de betrokken persoon te waarborgen. De uitvoerende autoriteit moet de praktische organisatie van de zittingen op haar grondgebied faciliteren en ervoor zorgen dat de betrokken persoon zijn rechten kan uitoefenen in het kader van de tenuitvoerlegging van het EBDA. De uitvaardigende autoriteit moet verantwoordelijk blijven voor het voeren van de procedure en voor het waarborgen van de effectieve deelname en de uitoefening van de relevante rechten door de betrokken persoon overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat. De uitvaardigende autoriteit kan van de uitvoerende autoriteit verlangen dat deze bij de tenuitvoerlegging van het EBDA bepaalde formaliteiten en procedures in acht neemt, zoals specifieke vereisten inzake het oproepen van de betrokken persoon om op de zitting(en) op afstand te verschijnen of het verstrekken van informatie aan de betrokken persoon die specifiek vereist is krachtens het recht van de uitvaardigende staat.
(56)Om de rechtszekerheid te waarborgen en onnodige verstoring van de strafprocedure te voorkomen, moeten de gevolgen van het niet verschijnen van de betrokken persoon op een zitting op afstand nadat hij daartoe naar behoren door de autoriteiten van de uitvoerende staat is opgeroepen, worden beheerst door het recht van de uitvaardigende staat, zoals in een binnenlandse zaak. Afhankelijk van de omstandigheden van de zaak kunnen dergelijke gevolgen onder meer het opnieuw inplannen van de zitting, de intrekking van het EBDA of de voortzetting van de procedure overeenkomstig de toepasselijke procedurele regels van de uitvaardigende staat omvatten. De toepassing van dergelijke regels moet in overeenstemming blijven met het Unierecht en de grondrechten, met name het recht van verdachten en beschuldigden om bij hun proces aanwezig te zijn, zoals neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/343.
(57)De uitvoerende autoriteit moet een proces-verbaal opstellen en relevante elementen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het EBDA registreren teneinde de openbaarheid, de transparantie, de verantwoordingsplicht en, in voorkomend geval, de uitoefening van rechtsmiddelen te waarborgen. Dergelijke gegevens worden, zodra ze aan de uitvaardigende autoriteit zijn toegezonden, opgenomen in het nationale dossier.
(58)Om het eerlijke verloop van de strafprocedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdachte of beschuldigde op wie het EBDA betrekking heeft te waarborgen, moet de uitvaardigende autoriteit ervoor zorgen dat deze persoon wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat in de uitvaardigende staat die fysiek aanwezig is bij de zitting(en). De fysieke aanwezigheid van de advocaat in de rechtszaal is van essentieel belang om te waarborgen dat de verdachte of de beschuldigde in kwestie de procedurele rechten die hem krachtens het recht van de uitvaardigende staat en het Unierecht toekomen, daadwerkelijk kan uitoefenen. Slachtoffers van misdrijven moeten worden vertegenwoordigd conform de desbetreffende bepalingen van het nationale recht en het Unierecht. Er moeten passende technische en praktische regelingen beschikbaar zijn om veilige, vertrouwelijke en doeltreffende communicatie mogelijk te maken tussen de in de uitvaardigende staat aanwezige advocaat en de betrokken persoon die op afstand aan de zitting(en) deelneemt.
(59)Om het risico van secundaire en herhaalde victimisatie van slachtoffers van misdrijven te voorkomen, moeten alle zittingen in verband met het EBDA worden gehouden op een wijze die tegemoet komt aan de individuele behoeften van de slachtoffers. Slachtoffers hebben recht op emotionele ondersteuning overeenkomstig Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad. Daartoe moet de uitvoerende autoriteit ervoor zorgen dat de toegang tot die ondersteuning tijdens de gehele tenuitvoerlegging van een EBDA gewaarborgd is. Welke autoriteiten of diensten verantwoordelijk zijn voor het verlenen van dergelijke ondersteuning, moet door de lidstaten worden bepaald.
(60)Deelname op afstand aan een strafzitting op grond van een EBDA mag op geen enkele wijze afbreuk doen aan het beschermingsniveau dat wordt geboden aan personen die bij strafprocedures betrokken zijn, en in dit verband moet er terdege rekening worden gehouden met de noodzaak om het eerlijke verloop van de procedure, de procedurele gelijkheid en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. De betrokken personen moeten hun procedurele rechten die in strafprocedures van toepassing zijn krachtens het Unierecht en het nationale recht van de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat, daadwerkelijk kunnen uitoefenen overeenkomstig de in titel III van deze richtlijn bedoelde regelingen, ongeacht of de deelname fysiek dan wel op afstand plaatsvindt.
(61)De daadwerkelijke uitoefening van procedurele rechten in het kader van deelname op afstand mag niet beperkt blijven tot het houden van de zitting(en) zelf en de duur ervan. Personen die op afstand deelnemen, moeten in de procedure waarop het EBDA betrekking heeft al hun rechten kunnen uitoefenen, zoals het indienen van verzoeken ter voorbereiding van de zitting(en), toegang tot het zaakdossier en alle andere procedurele rechten waarover zij krachtens het Unierecht en het recht van de uitvaardigende staat beschikken, onder voorwaarden die zoveel mogelijk gelijkwaardig zijn aan die welke gelden bij fysieke deelname.
(62)Personen die hebben ingestemd met of hebben verzocht om deelname op afstand, moeten de mogelijkheid behouden om, indien zij dat wensen, alsnog te kiezen voor fysieke deelname, teneinde hun recht om fysiek bij het proces aanwezig te zijn ten volle te waarborgen. In die gevallen moet het EBDA worden ingetrokken.
(63)Personen op wie een EBDA betrekking heeft, moeten toegang hebben tot doeltreffende rechtsmiddelen conform artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zowel in de uitvaardigende staat als in de uitvoerende staat, wanneer de uitvaardiging, erkenning of tenuitvoerlegging van dat EBDA afbreuk doet aan hun rechten. Bovendien moet er, wanneer een EBDA wordt uitgevaardigd zonder de toestemming van de betrokken persoon, een doeltreffende rechterlijke toetsing van de beslissing tot uitvaardiging van het EBDA mogelijk zijn teneinde na te gaan of de voorwaarden en waarborgen van titel III van deze richtlijn in acht zijn genomen.
(64)Het eerlijke verloop van de procedure waarop het EBDA betrekking heeft, hangt nauw samen met de betrouwbaarheid en doeltreffendheid van de technische en praktische voorwaarden waaronder deze wordt gevoerd. Onderbrekingen van de communicatie met de rechtszaal en andere technische storingen, onder meer met betrekking tot de vertrouwelijkheid of de doeltreffendheid van de communicatie tussen de advocaat en de betrokken persoon, kunnen afbreuk doen aan de daadwerkelijke uitoefening van de procedurele rechten en het eerlijke verloop van de procedure. De betrokken persoon moet dergelijke kwesties derhalve aan de orde kunnen stellen bij de uitvaardigende autoriteit of de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, die de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis moeten stellen. Het is aan de uitvaardigende autoriteit om, indien nodig, passende corrigerende maatregelen te gelasten, waaronder de opschorting, het uitstel of de herhaling van de desbetreffende zitting.
(65)Wanneer een verdachte of een beschuldigde op afstand aan zijn proces heeft deelgenomen op grond van een EBDA en die procedure heeft geleid tot een veroordeling van die persoon, waarbij hem een vrijheidsstraf, een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een confiscatiemaatregel dan wel een geldelijke sanctie of een andere toezichtmaatregel is opgelegd, is het belangrijk om de continuïteit en de doeltreffende samenwerking te waarborgen via de beschikbare instrumenten voor justitiële samenwerking, voor zover van toepassing. Dit omvat met name Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende overlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van de straf, Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad met het oog op de erkenning van de definitieve beslissing tegen de betrokken persoon in de tenuitvoerleggingsstaat en de overname van de sanctie, alsook Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de erkenning van confiscatiebevelen. In dergelijke situaties moeten de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat in nauw contact staan met elkaar om ervoor te zorgen dat in de specifieke zaak de nodige voorlopige maatregelen worden genomen in afwachting van de ontvangst en uitvoering van verzoeken om justitiële samenwerking na het opleggen van een sanctie. In gevallen waarin de uitvaardigende staat voornemens is een EAB uit te vaardigen, moet de uitvoerende staat, conform zijn nationale recht, passende voorlopige maatregelen kunnen nemen in afwachting van de ontvangst en tenuitvoerlegging van het EAB. Dergelijke maatregelen moeten evenredig blijven en strikt beperkt zijn tot wat noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de betrokken persoon op het grondgebied blijft met het oog op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de definitieve beslissing.
(66)Voor de correcte toepassing van deze richtlijn is er communicatie tussen de bevoegde autoriteiten vereist. Deze autoriteiten moeten worden aangemoedigd met elkaar overleg te plegen wanneer dat passend is om de soepele en efficiënte toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken, hetzij rechtstreeks, hetzij, in voorkomend geval, via het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), dat is opgericht bij Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad, of het Europees justitieel netwerk, dat onder Besluit 2008/976/JBZ van de Raad valt. De bevoegde autoriteiten worden tevens aangemoedigd om, in voorkomend geval, Eurojust te verzoeken om binnen zijn mandaat een coördinerende rol te vervullen ter ondersteuning en coördinatie van grensoverschrijdende onderzoeksmaatregelen met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal, met name gecontroleerde aflevering, grensoverschrijdende observatie, infiltratieoperaties of interceptie van telecommunicatie, gezien de specifieke coördinatieproblemen die dergelijke maatregelen met zich meebrengen en de deskundigheid die Eurojust in dit verband kan inbrengen. De bevoegde autoriteiten kunnen Eurojust ook verzoeken de toezending van EOB’s en EBDA’s of van kennisgevingen en verzoeken om toestemming voor het gebruik als bewijsmateriaal van eerder uitgewisselde informatie te vergemakkelijken.
(67)Om een snelle, directe, interoperabele, betrouwbare en veilige uitwisseling van gegevens te waarborgen, verder te bouwen op de tot nu toe gedane investeringen en de samenhang met andere handelingen van de Unie te verzekeren, moet de communicatie tussen autoriteiten in het kader van deze richtlijn in de regel plaatsvinden via het gedecentraliseerde IT-systeem dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2023/2844. Dat gedecentraliseerde IT-systeem moet in de regel met name worden gebruikt voor de uitwisseling van de EOB- en EBDA-formulieren, alsmede voor alle andere officiële communicatie tussen de autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn.
(68)Wanneer in deze richtlijn met betrekking tot bepaalde communicatie is bepaald dat de communicatie “op elke willekeurige wijze” of “op elke passende wijze” mag plaatsvinden, moeten de autoriteiten de vrijheid hebben om te bepalen welke communicatiemethode zij zullen gebruiken. Dergelijke bepalingen moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op situaties waarin het gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem overeenkomstig Verordening (EU) 2023/2844 mogelijk niet passend is. In die situaties moeten de autoriteiten andere communicatiemiddelen kunnen gebruiken, mits de uitwisseling van informatie op een veilige en betrouwbare manier plaatsvindt, in overeenstemming met die verordening.
(69)Om de administratieve lasten voor de bevoegde autoriteiten te verminderen en te zorgen voor een volledigere, betrouwbaardere, consistentere en tijdigere statistische rapportage, moet de door de Commissie ontwikkelde referentie-implementatiesoftware de voor monitoringdoeleinden benodigde statistische gegevens programmagewijs verzamelen en moeten die gegevens aan de Commissie worden toegezonden. Indien de lidstaten ervoor kiezen om in plaats van de door de Commissie ontwikkelde referentie-implementatiesoftware een nationaal IT-systeem te gebruiken, kan dat systeem zo worden uitgerust dat het die gegevens programmagewijs verzamelt; in dat geval moeten die gegevens aan de Commissie worden toegezonden. De e-Codex-connector kan ook worden uitgerust met een functie waarmee relevante statistische gegevens kunnen worden opgevraagd.
🡻 2014/41/EU overweging 35
⇨ nieuw
(70)In de gevallen waarin in internationale regelgeving ter zake, zoals verdragen die in het kader van de Raad van Europa ⇨ of de Verenigde Naties ⇦ zijn gesloten, wordt verwezen naar wederzijdse rechtshulp, heeft deze richtlijn tussen de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, voorrang op die verdragen.
🡻 2014/41/EU overweging 14
(71)De lidstaten worden ertoe aangespoord om in hun verklaring over de talenregeling, behalve hun officiële talen, ten minste één in de Unie frequent gebruikte taal te vermelden.
🡻 2014/41/EU overweging 36
(72)Wat onder de in bijlage IXD genoemde categorieën strafbare feiten wordt verstaan, moet coherent zijn met hetgeen er in de bestaande regelgeving over wederzijdse erkenning onder wordt verstaan.
🡻 2014/41/EU overweging 37 (aangepast)
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken
hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, indien zulks gerechtvaardigd is, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Het Europees Parlement en de Raad vinden de overdracht van dergelijke stukken in het kader van deze richtlijn gerechtvaardigd.
🡻 2014/41/EU overweging 38
⇨ nieuw
(73)Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de wederzijdse erkenning van tot het verkrijgen van bewijs strekkende beslissingen, ⇨ procedures voor de bewijsgaring in strafzaken en procedures om een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer van een misdrijf vanuit een andere lidstaat op afstand te laten deelnemen aan strafzittingen via videoconferentie of met andere technologieën voor communicatie op afstand, ⇦ niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling ⇨ doelstellingen ⇦ te verwezenlijken.
🡻 2014/41/EU overweging 39
⇨ nieuw
(74)Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die worden erkend bij artikel 6 VEU en in het Handvest, met name titel VI daarvan, in internationaal recht en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met inbegrip van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in de grondwetten van de lidstaten, op hun respectieve toepassingsgebied. Niets in deze richtlijn belet dat de tenuitvoerlegging van een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ wordt geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ is uitgevaardigd om de betrokkene te vervolgen of een straf op te leggen vanwege zijn of haar geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst, seksuele gerichtheid, nationaliteit, taal of politieke overtuiging, of dat de positie van die persoon om een van deze redenen kan worden aangetast.
⇩ nieuw
(75)De verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze richtlijn omvat het verzamelen, uitwisselen en later gebruiken, alsook het verder doorgeven, van relevante informatie en bewijsmateriaal ten behoeve van de doelstellingen van artikel 82 VWEU. Met het oog op consistentie en de doeltreffende bescherming van persoonsgegevens moet de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze richtlijn voldoen aan Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad, tenzij de verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt in het kader van procedures als bedoeld in artikel 5, punten b) en c), en, in verband met dergelijke procedures, artikel 5, punt d), van deze richtlijn, in welk geval Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing kan zijn. De uitvaardigende autoriteit, de uitvoerende autoriteit en andere autoriteiten die bevoegd zijn om kennisgevingen of verzoeken om toestemming voor het gebruik van eerder uitgewisselde informatie als bewijsmateriaal in te dienen of in ontvangst te nemen, moeten worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijken met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EU) 2016/679. De centrale autoriteiten kunnen administratieve ondersteuning verlenen aan die bevoegde autoriteiten en moeten, voor zover zij namens die verwerkingsverantwoordelijken persoonsgegevens verwerken, worden beschouwd als verwerkers van de respectieve verwerkingsverantwoordelijke. Wat de verwerking van persoonsgegevens door Eurojust betreft, moeten Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad en de specifieke gegevensbeschermingsregels van Verordening (EU) 2018/1727 van toepassing zijn. Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens door het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad, moet Verordening (EU) 2018/1725 van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van de in Verordening (EU) 2017/1939 aangebrachte wijzigingen, evenals de specifieke gegevensbeschermingsregels van die verordening.
🡻 2014/41/EU overweging 40
De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens artikel 8, lid 1, van het Handvest en artikel 16, lid 1, van het VWEU heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
🡻 2014/41/EU overweging 41
De lidstaten moeten bij het toepassen van deze richtlijn een transparant beleid ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens voeren en garanderen dat de betrokkene zijn rechten op rechtsmiddelen ter bescherming van zijn persoonsgegevens kan uitoefenen.
🡻 2014/41/EU overweging 42
De krachtens deze richtlijn verkregen persoonsgegevens moeten uitsluitend worden verwerkt als dat nodig is en moeten in verhouding staan tot de doeleinden die verenigbaar zijn met het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties en de uitoefening van de rechten van de verdediging. Alleen bevoegde personen mogen volgens een authenticatieprocedure toegang hebben tot informatie die persoonsgegevens bevat.
🡻 2014/41/EU overweging 43
Overeenkomstig artikel 3 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, heeft het Verenigd Koninkrijk kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de vaststelling en de toepassing van deze richtlijn.
🡻 2014/41/EU overweging 44
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.
⇩ nieuw
(76)[Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, heeft Ierland [bij brief van ...] kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn.] OF [Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.]
🡻 2014/41/EU overweging 45
(77)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,
🡻 2014/41/EU overweging 46 (aangepast)
(78)De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ⌦ is overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 geraadpleegd en heeft op […] een advies uitgebracht. ⌫ heeft op 5 oktober 2010
zijn op artikel 41, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad
gebaseerde advies uitgebracht,
⇩ nieuw
(79)De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht moet worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijn.
(80)Deze richtlijn moet de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage X, deel B, genoemde termijn voor omzetting in intern recht van de aldaar genoemde richtlijn onverlet laten,
🡻 2014/41
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
⇩ nieuw
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp
1.Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake:
(a)het uitvaardigen, erkennen en ten uitvoer leggen van Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in strafzaken, met inbegrip van het verkrijgen van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat;
(b)het doen van dringende kennisgevingen voor grensoverschrijdende observatie en kennisgevingen voor grensoverschrijdende onderzoeksmaatregelen waarvoor geen technische bijstand van een andere lidstaat vereist is, met inbegrip van het recht van de in kennis gestelde lidstaat om bezwaar te maken;
(c)het doen van verzoeken om toestemming voor het gebruik als bewijsmateriaal van informatie die eerder is uitgewisseld tussen rechtshandhavingsinstanties of spontaan is uitgewisseld tussen rechterlijke autoriteiten, en het verlenen of weigeren van die toestemming, en
(d)het uitvaardigen, erkennen en ten uitvoer leggen van Europese bevelen tot deelname op afstand (EBDA’s), teneinde een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf, die de status van partij in een strafprocedure heeft, vanuit een andere lidstaat op afstand te laten deelnemen aan een of meer strafzittingen door middel van videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand.
2.Deze richtlijn geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, inclusief het recht op verdediging en op een onpartijdig gerecht voor personen tegen wie een strafprocedure loopt, en laat alle verplichtingen die in dit verband op de rechterlijke autoriteiten rusten onverlet.
3.Titel III van deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht om bij het proces aanwezig te zijn, zoals neergelegd in artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/343 of andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken of strafprocesrecht.
🡻 2014/41/EU
Artikel 2
Definities
1.In deze richtlijn wordt verstaan onder:
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
(a)“uitvaardigende staat”: de lidstaat waar het EOB wordt uitgevaardigd ⇨ of de lidstaat waar het EBDA wordt uitgevaardigd; ⇦ :
(b)“uitvoerende staat”: de lidstaat waar het EOB ten uitvoer wordt gelegd en waar de onderzoeksmaatregel moet worden uitgevoerd ⇨ of de lidstaat waar het EBDA ten uitvoer wordt gelegd en waar de persoon op wie het EBDA betrekking heeft, zich bevindt; ⇦ :
(c)“uitvaardigende autoriteit”:
i)een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank ⌦ of ⌫ , een onderzoeksrechter of officier van justitie;, of
ii) ⌦ een in de zaak bevoegde officier van justitie: ⌫
⇩ nieuw
- voor het EOB: wanneer het nationale recht voor de betrokken onderzoeksmaatregel de voorafgaande toestemming van een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter vereist en die toestemming niet is verkregen overeenkomstig de nationale procedures, wordt het EOB, voordat het aan de uitvoerende autoriteit wordt toegezonden, gevalideerd door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter, die nagaat of aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EOB uit hoofde van deze richtlijn is voldaan, met name de voorwaarden van artikel 7, lid 1;
- voor het EBDA: voordat het EBDA wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het, nadat is onderzocht of aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een EBDA uit hoofde van deze richtlijn is voldaan, gevalideerd door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter in de uitvaardigende staat;
🡻 2014/41/EU
⇨ nieuw
iii)⇨ voor het EOB: ⇦ iedere andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de zaak in kwestie optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsgaring. Voordat het EOB wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een officier van justitie in de uitvaardigende staat, na onderzoek of het aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB uit hoofde van deze richtlijn, in het bijzonder de in artikel 76, lid 1, gestelde voorwaarden, voldoet. ⇨ Wanneer het nationale recht voor de betrokken onderzoeksmaatregel de voorafgaande toestemming van een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter vereist en die toestemming niet is verkregen overeenkomstig de nationale procedures, mag de validatie uitsluitend worden verricht door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter; ⇦ Indien het EOB door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd, kan deze autoriteit in het kader van de verzending van het EOB ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt;
d)
“uitvoerende autoriteit”: een autoriteit die bevoegd is om een EOB in overeenstemming met deze richtlijn en de in een soortgelijke binnenlandse zaak geldende procedures te erkennen en ten uitvoer te laten leggen, ⇨ en een rechter, rechtbank of onderzoeksrechter die bevoegd is om een EBDA in overeenstemming met deze richtlijn te erkennen en ten uitvoer te laten leggen ⇦ . In deze procedures kan in de uitvoerende staat krachtens het nationale recht de toestemming van een rechtbank vereist zijn;.
⇩ nieuw
(e)“de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat”: een lidstaat waar een kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 33 of 34;
(f)“in kennis gestelde lidstaat”: een lidstaat die een kennisgeving overeenkomstig artikel 33 of 34 ontvangt en van waaruit geen technische bijstand vereist is om de onderzoeksmaatregel uit te voeren;
(g)“telecommunicatie”: alle communicatie, met inbegrip van zowel de inhoud van de communicatie als de bijbehorende gegevens, die wordt verzonden via elektronischecommunicatienetwerken zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972, of via elektronischecommunicatiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van die richtlijn;
(h)“gedecentraliseerd IT-systeem”: het gedecentraliseerde IT-systeem zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2023/2844.
2.Wanneer het EOB overeenkomstig lid 1 door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd of wanneer het EBDA door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter is gevalideerd, kan die autoriteit voor de toezending van het EOB of het EBDA ook worden beschouwd als een uitvaardigende autoriteit.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
⌦ TITEL II ⌫
⌦ GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING VOOR HET VERKRIJGEN VAN BEWIJSMATERIAAL IN STRAFZAKEN ⌫
HOOFDSTUK I
HET EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL
Artikel 31
Het Europees onderzoeksbevel ⌦ EOB ⌫ en de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan
1.Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat (“de uitvaardigende staat”) uitgevaardigde of ⌦ gevalideerde ⌫ erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat (“ de uitvoerende staat”) één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in ⌦ deze titel en de titels I, IV en V ⌫ deze richtlijn. ⇨ Wanneer dit strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van dergelijke onderzoeksmaatregelen, kan de uitvaardigende autoriteit ook verzoeken om de betekening of kennisgeving van procedurestukken aan de betrokken persoon ⇦ .
Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.
2.De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze ⌦ titel en de titels I, IV en V, ⌫ deze richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen.
3.Om uitvaardiging van een EOB kan worden verzocht door een verdachte of een beschuldigde persoon, of namens hem door een advocaat, binnen het kader van de toepasselijke rechten op verdediging in overeenstemming met de nationale strafprocedure.
4.
Deze richtlijn geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, inclusief het recht op verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en laat alle verplichtingen die in dat verband op de rechterlijke autoriteiten rusten onverlet.
Artikel 43
Toepassingsgebied van het EOB
Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (“de overeenkomst”) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad, behalve met het oog op de toepassing van artikel 13, lid 8, van de overeenkomst en artikel 1, lid 8, van het kaderbesluit.
⇩ nieuw
Het EOB omvat ook de betekening of kennisgeving van procedurestukken aan de betrokken persoon, voor zover die betekening of kennisgeving strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van een in het EOB gevraagde onderzoeksmaatregel ter verkrijging van bewijsmateriaal.
Artikel 54
Procedures waarvoor een EOB kan worden uitgevaardigd
Een EOB kan worden uitgevaardigd:
a)in verband met een strafprocedure die door of bij een rechterlijke autoriteit is of kan worden ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn;
b)in een procedure die door een bestuurlijke autoriteit is ingesteld in verband met feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn wegens schending van de wetgeving, mits tegen de beslissing beroep mogelijk is bij een in het bijzonder in strafzaken bevoegde rechter;
c)in een procedure die door een rechterlijke autoriteit is ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn wegens schending van wetgeving, mits tegen de beslissing beroep mogelijk is bij een met name in strafzaken bevoegde rechter ;, en
d)in samenhang met de onder a), b) en c) bedoelde procedures die verband houden met een strafbaar feit of een wetsovertreding waarvoor in de uitvaardigende staat een rechtspersoon aansprakelijk gesteld of gestraft kan worden.
Artikel 65
Inhoud en vorm van het EOB
1.De uitvaardigende autoriteit vult het EOB, dat in het formulier in bijlage IA staat, in. De uitvaardigende autoriteit vergewist zich ervan dat de inhoud van het EOB nauwkeurig en correct is en ondertekent het.
Het EOB bevat ten minste de volgende informatie:
(a)gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing, de validerende autoriteit;
(b)het voorwerp en de redenen van het EOB;
(c)de beschikbare noodzakelijke informatie over de betrokkene(n);
(d)een beschrijving van het strafbare feit dat het voorwerp vormt van het onderzoek of de procedure en het toepasselijke strafrecht van de uitvaardigende staat;
(e)een beschrijving van de gevraagde onderzoeksmaatregel(en) en het te verkrijgen bewijsmateriaal;.
⇩ nieuw
(f)in voorkomend geval, een bevestiging dat de gevraagde onderzoeksmaatregel(en) is (zijn) toegestaan door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter, met vermelding van de datum en het referentienummer van de toestemmingsbeslissing, tenzij het EOB is uitgevaardigd of gevalideerd door een rechter, een rechtbank of een onderzoeksrechter;
(g)informatie over de mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen.
🡻 2014/41/EU
2.Elke lidstaat deelt mee in welke officiële taal of talen van de instellingen van de Unie, naast zijn eigen officiële taal of talen, het EOB kan worden ingevuld of kan worden vertaald voor het geval waarin de betrokken lidstaat de uitvoerende staat is.
3.De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat vertaalt het EOB zoals is beschreven in bijlage IA in overeenstemming met lid 2 van dit artikel in een officiële taal van de uitvoerende staat of in een andere, door de uitvoerende staat aangegeven taal.
⇩ nieuw
4.Wanneer de uitvaardigende autoriteit verzoekt om betekening of kennisgeving van procedurestukken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een in het EOB gevraagde onderzoeksmaatregel, en er redenen zijn om aan te nemen dat de betrokken persoon de taal waarin het te betekenen of ter kennis te brengen stuk is gesteld, niet begrijpt, moet een dergelijk stuk vergezeld gaan van een vertaling in de taal die de geadresseerde begrijpt.
🡻 2014/41/EU
HOOFDSTUK II
PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVAARDIGENDE STAAT
Artikel 76
Voorwaarden voor het uitvaardigen en toezenden van een EOB
1.De uitvaardigende autoriteit kan een EOB alleen uitvaardigen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(a)het uitvaardigen van het EOB is noodzakelijk voor en staat in verhouding tot het doel van de in artikel 54 bedoelde procedure, daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon, en
(b)de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel(en) had(den) in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak bevolen kunnen worden.
2.De uitvaardigende autoriteit beoordeelt per geval of aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.
3.Indien de uitvoerende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat niet is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden, kan zij met de uitvaardigende autoriteit in overleg treden over het belang van de tenuitvoerlegging van het EOB. Na dat overleg kan de uitvaardigende autoriteit besluiten het EOB in te trekken.
Artikel 87
Toezending van het EOB
🡻 2023/2843 Art. 11.2
⇨ nieuw
1.De uitvaardigende autoriteit zendt het overeenkomstig artikel 65 ingevulde EOB toe aan de uitvoerende autoriteit ⇨ , hetzij rechtstreeks, ⇦ , op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd en de uitvoerende staat de echtheid ervan kan vaststellen ð hetzij, indien van toepassing, met medewerking van de in artikel 52 bedoelde centrale autoriteit .ï
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
2.Alle verdere ⌦ andere ⌫ officiële communicatie geschiedt rechtstreeks tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit ⇨ of, indien van toepassing, met medewerking van de in artikel 52 bedoelde centrale autoriteit ⇦ .
3.5.Indien ⌦ Wanneer ⌫ de identiteit van de uitvoerende autoriteit niet bekend is, wordt de uitvoerende staat door de uitvaardigende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het EJN ⌦ in Besluit 2008/976/JBZ bedoelde Europees justitieel netwerk, ⌫ om inlichtingen verzocht.
4.
De uitvaardigende autoriteit kan EOB's toezenden via het telecommunicatiesysteem van het Europees justitieel netwerk (EJN), als opgericht bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad
.
46.
Indien de autoriteit in de uitvoerende staat die het EOB ontvangt, niet bevoegd is om het EOB te erkennen of om de nodige maatregelen te nemen om het ten uitvoer te leggen, zendt zij het EOB ambtshalve door aan de uitvoerende autoriteit en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.
57.
Alle moeilijkheden in verband met de toezending of de echtheid van een voor de tenuitvoerlegging van het EOB noodzakelijk document worden opgelost door middel van rechtstreekse contacten tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit of, in voorkomend geval, door toedoen van de centrale autoriteiten van de betrokken lidstaten.
Artikel 98
EOB in verband met een eerder EOB
1.Indien een uitvaardigende autoriteit een EOB uitvaardigt ter aanvulling van een eerder EOB, wordt dit vermeld in het EOB in deel D van het formulier in bijlage A .
2.Indien de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 109, lid 4, bijstand verleent bij de tenuitvoerlegging van het EOB in de uitvoerende staat kan zij, onverminderd de kennisgevingen gedaan op grond van artikel 5833, lid 1, punt onder c), een EOB ter aanvulling van een eerder EOB rechtstreeks aan de uitvoerende autoriteit richten terwijl zij in die ⌦ de uitvoerende ⌫ staat aanwezig is.
3.Het EOB dat een eerder EOB aanvult, bevat overeenkomstig artikel 65, lid 1, eerste alinea, een verklaring dat de inhoud nauwkeurig en correct is en wordt, waar van toepassing, overeenkomstig artikel 2, onder c) ⇨ lid 1, punt c) ⇦, gevalideerd.
HOOFDSTUK III
PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVOERENDE STAAT
Artikel 109
Erkenning en tenuitvoerlegging
1.De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig ⌦ de toepasselijke bepalingen van ⌫ deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze ⌦ titel ⌫ richtlijn.
2.Tenzij in deze ⌦ titel ⌫ richtlijn anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat.
3.Indien een uitvoerende autoriteit een EOB ontvangt dat niet door een uitvaardigende autoriteit in de zin van artikel 2, lid c) ⇨ lid 1, punt c) ⇦, is uitgevaardigd, stuurt de uitvoerende autoriteit het EOB terug naar de uitvaardigende staat.
4.De uitvaardigende autoriteit kan vragen dat één of meer autoriteiten van de uitvaardigende staat de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van het EOB, voor zover de aangewezen autoriteiten van de uitvaardigende staat in een vergelijkbare binnenlandse zaak bijstand zouden kunnen verlenen bij de tenuitvoerlegging van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen. De uitvoerende autoriteit geeft gevolg aan dat verzoek, mits het verlenen van deze bijstand bij de tenuitvoerlegging niet strijdig is met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat en diens wezenlijke nationale veiligheidsbelangen niet schaadt.
5.De in de uitvoerende staat aanwezige autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn tijdens de tenuitvoerlegging van het EOB gebonden door het recht van de uitvoerende staat. Zij hebben op het grondgebied van de uitvoerende staat geen rechtshandhavingsbevoegdheden, tenzij de uitoefening van deze bevoegdheden op het grondgebied van de uitvoerende staat in overeenstemming is met het recht van de uitvoerende staat en met de desbetreffende afspraken tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit.
6.De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit kunnen op iedere gepaste wijze met elkaar in overleg treden, teneinde de efficiënte toepassing van dit artikel te bevorderen.
Artikel 1110
Toepassing van een andere soort onderzoeksmaatregel
1.De uitvoerende autoriteit past, indien mogelijk, een andere dan de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel toe indien:
(a)de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet bestaat in het recht van de uitvoerende staat, of
(b)de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
2.Onverminderd artikel 1211 is lid 1 niet van toepassing op de volgende onderzoeksmaatregelen, die altijd krachtens het nationale recht van de uitvoerende staat beschikbaar dienen te zijn:
(a)het verkrijgen van informatie die of bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de uitvoerende autoriteit en volgens het recht van de uitvoerende staat in het kader van een strafprocedure of voor de doeleinden van het EOB had kunnen worden verkregen;
(b)het verkrijgen van informatie die is opgeslagen in gegevensbanken van de politie of rechterlijke autoriteiten waartoe de uitvoerende autoriteit rechtstreeks toegang heeft in het kader van een strafprocedure;
(c)het horen van een getuige, deskundige, slachtoffer, verdachte of beschuldigde persoon of derde op het grondgebied van de uitvoerende staat;
(d)een onderzoeksmaatregel van niet-dwingende of niet-intrusieve aard zoals gedefinieerd in het recht van de uitvoerende staat;
(e)de identificatie van personen die zijn aangesloten op een bepaald telefoonnummer of IP-adres.
3.Voorts kan de uitvoerende autoriteit besluiten een andere onderzoeksmaatregel dan die welke is aangegeven in het EOB toe te passen, indien de door de uitvoerende autoriteit geselecteerde onderzoeksmaatregel met minder indringende middelen tot hetzelfde resultaat zou leiden als de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel.
4.Indien de uitvoerende autoriteit besluit een beroep te doen op de in de leden 1 en 3 genoemde mogelijkheid, meldt zij dit eerst aan de uitvaardigende autoriteit, die kan besluiten het EOB in te trekken of aan te vullen.
5.Indien de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel, overeenkomstig lid 1, in het nationale recht van de uitvoerende staat niet bestaat of in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast, en indien er geen andere onderzoeksmaatregel is die tot hetzelfde resultaat zou leiden als de gevraagde onderzoeksmaatregel, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis dat de gevraagde bijstand niet verleend is kunnen worden.
Artikel 1211
Gronden voor weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging
1.Onverminderd artikel 1, lid 2, 1 lid 4, kan de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB in de uitvoerende staat worden geweigerd indien:
(a)het EOB volgens het recht van de uitvoerende staat wegens een immuniteit of voorrecht, dan wel wegens voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, niet ten uitvoer kan worden gelegd;
(b)in een specifiek geval de tenuitvoerlegging van het EOB de wezenlijke belangen van nationale veiligheid zou schaden, de bron van de informatie in gevaar zou brengen of het gebruik zou inhouden van gerubriceerde gegevens met betrekking tot specifiek inlichtingenwerk;
(c)het EOB is uitgevaardigd in een procedure in de zin van artikel 5, 4 onder, punten b) en c), en de onderzoeksmaatregel volgens het recht van de uitvoerende staat in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan;
(d)de tenuitvoerlegging van het EOB in strijd zou zijn met het “ne bis in idem”-beginsel;
(e)het EOB betrekking heeft op een strafbaar feit dat buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat en geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat zou zijn gepleegd, en dat volgens het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is;
(f)er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten;
(g)het feit waarvoor het EOB is uitgevaardigd, volgens het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is, tenzij het een in bijlage IXD bedoeld en door de uitvaardigende autoriteit in het EOB vermeld strafbaar feit betreft, waarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar staat, of
(h)de toepassing van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel volgens het recht van de uitvoerende staat beperkt is tot een lijst of categorie strafbare feiten of tot feiten die tenminste strafbaar worden gesteld met een bepaalde straf, waartoe het strafbaar feit waarop het EOB betrekking heeft niet behoort.
2.Lid 1, punten g) en h), geldt niet voor de in artikel 1110, lid 2, bedoelde onderzoeksmaatregelen.
3.Indien het EOB een strafbaar feit betreft in verband met belastingen of heffingen, douane en deviezen weigert de uitvoerende autoriteit de erkenning of tenuitvoerlegging niet op grond van het feit dat het recht van de uitvoerende staat niet voorziet in dezelfde soort belasting of heffing, of niet dezelfde soort regeling inzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende staat.
4.In de in lid 1, punten onder a), b), d), e) en f), bedoelde gevallen overlegt de uitvoerende autoriteit, alvorens te besluiten dat zij een EOB, geheel of gedeeltelijk, niet erkent of ten uitvoer legt, op iedere gepaste wijze met de uitvaardigende autoriteit; en verzoekt de uitvoerende autoriteit, indien nodig, de uitvaardigende autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens te verstrekken.
5.Indien een autoriteit van de uitvoerende staat bevoegd is tot opheffing van een voorrecht of immuniteit, wordt hierom in het in lid 1, punt onder a), bedoelde geval door de uitvoerende autoriteit onmiddellijk verzocht. Indien een autoriteit van een andere staat of van een internationale organisatie bevoegd is tot opheffing van het voorrecht of de immuniteit, wordt de betrokken autoriteit hierom door de uitvaardigende autoriteit verzocht.
Artikel 1312
Termijnen voor erkenning of tenuitvoerlegging
1.De beslissing betreffende de erkenning of tenuitvoerlegging ⌦ van het EOB ⌫ wordt genomen en de uitvoering van de onderzoeksmaatregel vindt plaats met dezelfde snelheid en prioriteit als ware het een vergelijkbare binnenlandse zaak, en in ieder geval binnen de in dit artikel bepaalde termijnen.
2.
Indien de uitvaardigende autoriteit in het EOB heeft aangegeven dat, wegens proceduretermijnen, de ernst van het strafbaar feit of andere bijzonder dringende omstandigheden, een kortere termijn nodig is dan die welke in dit artikel zijn vastgesteld, of indien de uitvaardigende autoriteit in het EOB heeft aangegeven dat de onderzoeksmaatregel op een bepaalde datum ten uitvoer dient te worden gelegd, houdt de uitvoerende autoriteit daarmee zo veel mogelijk rekening.
2.3.⇨ Wanneer er geen spoedeisendheid is aangegeven, ⇦ , doet de uitvoerende autoriteit het volgende:
a)
zij De uitvoerende autoriteit neemt de beslissing betreffende de erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB zo spoedig mogelijk en, onverminderd lid 5, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het EOB door de bevoegde uitvoerende autoriteit;.
🡻 2014/41/EU
⇨ nieuw
⇨b)
tenzij ⇦ Tenzij er op grond van artikel 15 redenen tot uitstel bestaan dan wel de uitvoerende staat het bewijsmateriaal genoemd in de in het EOB vervatte onderzoeksmaatregel reeds in zijn bezit heeft, ⇨ voert zij de onderzoeksmaatregel onverwijld en uiterlijk negentig dagen na het nemen van de in punt a) bedoelde beslissing uit ⇦ wordt de onderzoeksmaatregel door de uitvoerende autoriteit onverwijld en, onverminderd lid 5, binnen negentig dagen na het nemen van de in lid 3 bedoelde beslissing uitgevoerd .
⇩ nieuw
3.Wanneer de uitvaardigende autoriteit in het EOB heeft aangegeven dat, vanwege proceduretermijnen, de ernst van het strafbare feit of andere bijzonder dringende omstandigheden, een kortere termijn nodig is dan die waarin dit artikel voorziet, of wanneer de uitvaardigende autoriteit in het EOB heeft aangegeven dat de onderzoeksmaatregel op een specifieke datum moet worden uitgevoerd, geeft de uitvoerende autoriteit prioriteit aan dat verzoek en houdt zij daar bij de uitvoering van de onderzoeksmaatregel zoveel mogelijk rekening mee.
4.Wanneer het EOB betrekking heeft op maatregelen waarbij in realtime, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal moet worden verzameld, zoals bedoeld in artikel 28, of op de interceptie van telecommunicatie, zoals bedoeld in artikel 31, of op grensoverschrijdende observatie, zoals bedoeld in artikel 30, doet de uitvoerende autoriteit het volgende:
(a)zij behandelt het verzoek als een verzoek dat onmiddellijke aandacht vereist;
(b)zij neemt onverwijld een beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging;
(c)zij staat, indien dit nodig is om de doeltreffendheid van de maatregel te waarborgen, de voorlopige uitvoering ervan toe in afwachting van de beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB.
5.De in lid 4, punt c), bedoelde voorlopige uitvoering van een maatregel wordt beëindigd wanneer de erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB wordt geweigerd. Het verkregen materiaal mag alleen worden gebruikt wanneer dat strikt noodzakelijk is om een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid te voorkomen. De uitvoerende autoriteit wordt in kennis gesteld van een dergelijk gebruik en van de redenen daarvoor.
🡻 2014/41/EU
⇨ nieuw
6.5 In specifieke gevallen waarin het voor de bevoegde uitvoerende autoriteit niet haalbaar is de in lid ð 2, punt a) ï 3 genoemde termijn of de in lid ð 3 ï 2 genoemde ð kortere termijn of ï specifieke datum na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat hiervan onverwijld en op elke willekeurige wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de voor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd. In dat geval kan de in lid ð 2, punt a), ï 3 bedoelde termijn met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
7.6In specifieke gevallen waarin het voor de bevoegde uitvoerende autoriteit niet haalbaar is de in lid ð 2, punt b), ï 4 genoemde termijn na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat hiervan onverwijld en op elke willekeurige wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging, en overlegt zij met de uitvaardigende autoriteit over een passend tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel.
⇩ nieuw
8.Wanneer de tenuitvoerlegging van het EOB wordt vertraagd vanwege een voorrecht of immuniteit uit hoofde van het nationale recht van de uitvoerende staat, gaan de in de leden 1 tot en met 4 vastgestelde termijnen pas in op de dag waarop de uitvoerende autoriteit ervan in kennis is gesteld dat het voorrecht of de immuniteit is opgeheven.
🡻 2014/41/EU
Artikel 1413
Overdracht van bewijsmateriaal
1.De uitvoerende autoriteit draagt het bij de tenuitvoerlegging van het EOB verkregen bewijsmateriaal of het bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde instanties van de uitvoerende staat, zonder onnodige vertraging over aan de uitvaardigende staat.
Indien zulks in het EOB wordt gevraagd en het recht van de uitvoerende staat in die mogelijkheid voorziet, wordt het bewijsmateriaal onmiddellijk overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat die overeenkomstig artikel 109, lid 4, bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van het EOB.
2.De overdracht van het bewijsmateriaal kan worden opgeschort in afwachting van een beslissing op een ingesteld rechtsmiddel, tenzij in het EOB voldoende gemotiveerd is dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten. De overdracht van het bewijsmateriaal wordt echter opgeschort indien de betrokkene daardoor ernstige en onomkeerbare schade zou lijden.
3.Bij de overdracht van het verkregen bewijsmateriaal deelt de uitvoerende autoriteit mee of zij verlangt dat het bewijsmateriaal aan de uitvoerende staat wordt teruggegeven zodra de uitvaardigende staat het niet meer nodig heeft.
4.Indien de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens reeds van belang zijn voor andere procedures, kan de uitvoerende autoriteit, op uitdrukkelijk verzoek van en na overleg met de uitvaardigende autoriteit, het bewijsmateriaal tijdelijk overdragen op voorwaarde dat het aan de uitvoerende staat wordt teruggegeven zodra de uitvaardigende staat het niet meer nodig heeft, dan wel op een ander tijdstip of bij een andere gelegenheid, zoals overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten.
⇩ nieuw
5.Indien van toepassing geeft de uitvoerende autoriteit aan of het gebruik van dergelijk bewijsmateriaal onderworpen is aan de voorwaarden van artikel 21.
🡻 2014/41/EU
Artikel 15
Gronden voor uitstel van de erkenning of tenuitvoerlegging
1.De erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB in de uitvoerende staat kan in elk van de volgende gevallen worden uitgesteld:
(a)de tenuitvoerlegging zou een lopend strafrechtelijk onderzoek of een ingestelde strafvervolging kunnen schaden, in welk geval zij wordt uitgesteld voor de tijd dat de uitvoerende staat zulks redelijk acht;
(b)de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens worden reeds in een andere procedure gebruikt, in welk geval de erkenning of tenuitvoerlegging wordt uitgesteld voor de tijd dat zij daarvoor benodigd zijn.;
🡻 2023/2843 Art. 11.3
2.Zodra de redenen voor het uitstel vervallen, neemt de uitvoerende autoriteit de nodige maatregelen ter tenuitvoerlegging van het EOB en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 16
Informatieplicht
1.De bevoegde autoriteit in de uitvoerende staat die het EOB ontvangt, geeft onverwijld en in ieder geval binnen een week kennis van de ontvangst van het EOB door het formulier in bijlage IIB in te vullen en toe te zenden.
Indien overeenkomstig artikel 7, lid 3,52 een centrale autoriteit is aangewezen, geldt deze Ö de in de eerste alinea vastgestelde Õ verplichting voor zowel de centrale autoriteit ⌦ van de uitvoerende staat ⌫ als voor de uitvoerende autoriteit die het EOB van de Ö een dergelijke Õ centrale autoriteit ontvangt.
In de in artikel 7, lid 68, lid 4, bedoelde gevallen geldt deze ⌦ de in de eerste alinea vastgestelde ⌫ verplichting voor zowel de bevoegde autoriteit die het EOB in eerste instantie heeft ontvangen als de uitvoerende autoriteit waar het EOB uiteindelijk terechtkomt.
🡻 2023/2843 Art. 11.4(a)
⇨ nieuw
2.Onverminderd artikel 1110, leden 4 en 5, geeft de uitvoerende autoriteit onmiddellijk op eender welke manier bericht aan de uitvaardigende autoriteit:
a)indien de uitvoerende autoriteit onmogelijk een beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging kan nemen omdat het formulier bedoeld in bijlage IA onvolledig is of kennelijk onjuist is ingevuld;
b)indien de uitvoerende autoriteit het tijdens de tenuitvoerlegging van het EOB zonder verdere navraag passend acht onderzoeksmaatregelen uit te voeren waarin oorspronkelijk niet was voorzien — of die op het ogenblik waarop het EOB werd uitgevaardigd niet konden worden bepaald — opdat de uitvaardigende autoriteit ter zake verdere maatregelen kan nemen, of
c)indien de uitvoerende autoriteit vaststelt dat zij in een specifiek geval de vormvoorschriften en procedures die de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 109 uitdrukkelijk heeft aangegeven, niet in acht kan nemen.
Op verzoek van de uitvaardigende autoriteit wordt het bericht onverwijld bevestigd overeenkomstig artikel 5 bis51 nemen.
🡻 2014/41/EU
🡺1 2023/2843 Art. 11.4(b)
3.🡺1 Onverminderd artikel 1110, leden 4 en 5, geeft de uitvoerende autoriteit onverwijld bericht aan de uitvaardigende autoriteit van: 🡸
a)alle op grond van artikel 1110 of 12artikel 11 genomen besluiten;
b)alle besluiten tot uitstel van de tenuitvoerlegging of de erkenning van het EOB, de redenen voor het uitstel en, indien mogelijk, de verwachte duur van het uitstel.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
⌦ HOOFDSTUK IV ⌫
⌦ RECHTSMIDDELEN, WAARBORGEN EN AANSPRAKELIJKHEID ⌫
Artikel 1714
Rechtsmiddelen
1.De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn ⇨ verdachten, beschuldigden en alle andere personen aan wier rechten afbreuk wordt gedaan door de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen, beschikken over ⇦ ⌦ doeltreffende rechtsmiddelen ⌫ die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn. ⇨ Wanneer het EOB wordt uitgevaardigd ter verkrijging van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, zorgen de lidstaten ervoor dat verdachten, beschuldigden en andere personen aan wier rechten afbreuk wordt gedaan, in de uitvoerende staat beschikken over rechtsmiddelen die gelijkwaardig zijn aan die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak beschikbaar zijn om de rechtmatigheid te betwisten van de onderzoeksmaatregelen die zijn uitgevoerd om dat bewijsmateriaal te verzamelen. ⇦
2.De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten, onverminderd de in de uitvoerende staat gewaarborgde grondrechten.
3.Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 2019, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
4.De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.
5.De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die tegen de uitvaardiging, de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB zijn ingesteld. ⇨ De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis wanneer er een rechtsmiddel is ingesteld om de rechtmatigheid te betwisten van de onderzoeksmaatregelen die zijn uitgevoerd met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal, waarvoor er een EOB is uitgevaardigd en dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat. ⇦
6.De instelling van een rechtsmiddel schort de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel niet op, tenzij dat in vergelijkbare binnenlandse zaken wel het geval is.
7.Indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB met succes is aangevochten, wordt daarmee in de uitvaardigende staat in overeenstemming met het eigen nationale recht rekening gehouden. Onverminderd de nationale procedurele voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat, bij het beoordelen van het middels het EOB verkregen bewijsmateriaal, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedures tijdens een strafprocedure in de uitvaardigende staat worden gewaarborgd.
Artikel 1817
Strafrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot ambtenaren
Ambtenaren van de uitvaardigende staat die in het kader van de toepassing van deze ⌦ titel ⌫ richtlijn aanwezig zijn op het grondgebied van de uitvoerende staat, worden met betrekking tot tegen of door hen gepleegde misdrijven beschouwd als ambtenaren van de uitvoerende staat.
Artikel 1918
Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren
1.Indien in het kader van de toepassing van deze ⌦ titel ⌫ richtlijn ambtenaren van een lidstaat aanwezig zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, is de eerste lidstaat aansprakelijk voor alle schade die zijn ambtenaren tijdens hun werkzaamheden hebben aangericht, zulks overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij werken.
2.De lidstaat op het grondgebied waarvan de in lid 1 bedoelde schade wordt veroorzaakt, vergoedt deze schade op dezelfde wijze als schade die door zijn eigen ambtenaren wordt toegebracht.
3.De lidstaat waarvan de ambtenaren op het grondgebied van een andere lidstaat enige schade hebben veroorzaakt, betaalt het volledige bedrag terug dat deze andere lidstaat aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.
4.Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in lid 3, ziet elke lidstaat er in de in lid 1 bedoelde gevallen van af het bedrag van de door hem geleden schade op een andere lidstaat te verhalen.
Artikel 2019
Geheimhouding
1.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen.
2.De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien ⌦ Wanneer ⌫ de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.
3.Overeenkomstig het nationale recht en tenzij anders bepaald door de uitvoerende autoriteit, zorgt de uitvaardigende autoriteit ervoor dat het bewijsmateriaal of de gegevens die door de uitvoerende autoriteit zijn verstrekt, niet worden vrijgegeven, behalve voor zover vrijgave nodig is met het oog op de in het EOB omschreven onderzoeken of procedures.
4.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat banken niet aan de betrokken klanten van de bank of aan andere derden meedelen dat overeenkomstig de artikelen 26 en 27 gegevens aan de uitvaardigende staat zijn doorgegeven of dat er een onderzoek loopt.
⇩ nieuw
5.De leden 1 tot en met 4 laten artikel 21 betreffende de voorwaarden voor het latere gebruik en de verdere doorgifte van informatie of bewijsmateriaal onverlet.
Artikel 21
Voorwaarden voor het latere gebruik en de verdere doorgifte van informatie of bewijsmateriaal
1.Wanneer er als gevolg van de tenuitvoerlegging van een EOB of overeenkomstig de artikelen 33 en 34 informatie of bewijsmateriaal is verkregen, en het recht van de uitvoerende staat of de in kennis gestelde lidstaat voor soortgelijke binnenlandse zaken voorziet in voorwaarden die het gebruik van die informatie of dat bewijsmateriaal voor andere doeleinden dan die waarvoor de informatie of het bewijsmateriaal is verzameld, beperken, geeft de bevoegde autoriteit van die lidstaat, op het moment dat de informatie of het bewijsmateriaal wordt overgedragen en, in het geval van een kennisgeving krachtens artikel 33 of 34, onverwijld en uiterlijk binnen 96 uur na ontvangst van de kennisgeving, aan of die voorwaarden ook gelden in de lidstaat die de informatie of het bewijsmateriaal uit hoofde van deze titel heeft verkregen.
2.De uitvaardigende autoriteit of, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat (“verzoekende autoriteit”) verkrijgt in de volgende gevallen de voorafgaande toestemming van de uitvoerende autoriteit of, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat (“aangezochte autoriteit”) om die informatie of dat bewijsmateriaal te gebruiken voor andere doeleinden dan die waarvoor de informatie of het bewijsmateriaal is verzameld, of om de informatie of het bewijsmateriaal over te dragen aan een andere lidstaat, een derde land of een internationale organisatie:
(a)wanneer er overeenkomstig lid 1 voorwaarden zijn aangegeven: alvorens de informatie of het bewijsmateriaal te gebruiken voor andere doeleinden dan die waarvoor de informatie of het bewijsmateriaal is verzameld;
(b)in alle gevallen: alvorens de informatie of het bewijsmateriaal door te geven aan een andere lidstaat, een derde land of een internationale organisatie.
3.Het in bijlage IV opgenomen formulier voor een verzoek om toestemming krachtens lid 2 wordt ingevuld en ondertekend door de verzoekende autoriteit, die verklaart dat de inhoud ervan nauwkeurig en correct is. Het wordt vertaald in een officiële taal van de lidstaat waaraan het verzoek is gericht of in een andere taal die door die staat wordt aanvaard conform artikel 6, lid 2.
4.De aangezochte autoriteit neemt zo spoedig mogelijk en uiterlijk 14 dagen na ontvangst een beslissing over het verzoek. Indien het niet haalbaar is om deze termijn na te leven, stelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit daarvan, met opgave van redenen, onverwijld in kennis en kan zij de termijn met maximaal tien dagen verlengen.
5.Onverminderd lid 6, wordt de toestemming verleend, behalve in de volgende situaties:
(a)er is een grond voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB, of, in voorkomend geval, een grond voor bezwaar overeenkomstig artikel 33 of 34 van toepassing;
(b)het gevraagde gebruik of de verdere doorgifte zou gevolgen hebben voor een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopende strafvervolging;
(c)er is niet voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679 of hoofdstuk V van Richtlijn (EU) 2016/680.
Zolang een dergelijke grond blijft bestaan, kan de beslissing overeenkomstig lid 4 worden uitgesteld.
6.De aangezochte autoriteit kan, als voorwaarde voor het verlenen van toestemming voor de overdracht van informatie of bewijsmateriaal aan een andere lidstaat, een derde land of een internationale organisatie, verlangen dat het verzoek om die toestemming vergezeld gaat van een EOB, een verzoek om wederzijdse rechtshulp of een gelijkwaardig instrument voor justitiële samenwerking, uitgevaardigd door de in de specifieke zaak bevoegde autoriteiten. 7. Wanneer vanwege een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid geen voorafgaande toestemming kan worden verkregen, mag de informatie of het bewijsmateriaal onverwijld worden gebruikt of doorgegeven, mits de aangezochte autoriteit daarvan binnen 24 uur in kennis wordt gesteld en op de hoogte wordt gebracht van de redenen voor de spoedeisendheid.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
HOOFDSTUK IV
SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR BEPAALDE ONDERZOEKSMAATREGELEN
Artikel 22
Tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis naar de uitvaardigende staat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd met het oog op de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvoerende staat, ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebied van de uitvaardigende staat is vereist, mits de betrokkene binnen de door de uitvoerende staat bepaalde termijn wordt teruggezonden.
2.Behalve op de in artikel 1211 genoemde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging kan de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd ⌦ wanneer ⌫ indien:
(a)de persoon in hechtenis er niet in toestemt, of
(b)de overbrenging de detentie van de persoon in hechtenis kan verlengen.
3.Onverminderd lid 2 , onder , punt a), wordt, indien de uitvoerende staat het in verband met de leeftijd of de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de persoon in hechtenis nodig acht, aan diens wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid geboden zijn mening te geven over de tijdelijke overbrenging.
4.In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt op verzoek toegestaan dat de persoon in hechtenis over het grondgebied van een derde lidstaat (“de lidstaat van doorvoer”) reist, mits alle benodigde documenten worden overgelegd.
5.De praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder hij in de uitvaardigende staat zal worden gedetineerd en de termijnen waarbinnen hij uit de uitvoerende staat moet worden overgebracht en daarheen moet worden teruggebracht, worden door de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat overeengekomen, met inachtneming van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene en het in de uitvaardigende staat vereiste beveiligingsniveau.
6.De overgebrachte persoon blijft op het grondgebied van de uitvaardigende staat en, in voorkomend geval, van de lidstaat van doorvoer, in hechtenis wegens de feiten ten aanzien waarvan hij in de uitvoerende staat als verdachte of veroordeelde in hechtenis werd genomen, tenzij de uitvoerende staat om zijn vrijlating verzoekt.
7.De hechtenis op het grondgebied van de uitvaardigende staat wordt in mindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene op het grondgebied van de uitvoerende staat moet of zal moeten ondergaan.
8.Onverminderd lid 6 wordt de overgebrachte persoon in de uitvaardigende staat niet vervolgd, in hechtenis genomen of anderszins aan een beperking van de persoonlijke vrijheid onderworpen wegens feiten die zijn gepleegd of veroordelingen die zijn uitgesproken voordat hij het grondgebied van de uitvoerende staat heeft verlaten en die niet in het EOB zijn vermeld.
9.De in lid 8 bedoelde onschendbaarheid neemt een einde indien ⌦ wanneer ⌫ de overgebrachte persoon gedurende een termijn van vijftien opeenvolgende dagen vanaf de datum waarop zijn aanwezigheid niet langer door de uitvaardigende autoriteit was vereist, de gelegenheid heeft gehad het grondgebied te verlaten, maar:
(a)er niettemin is gebleven, of
(b)er, na het te hebben verlaten, is teruggekeerd.
10.De kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel worden gedragen overeenkomstig artikel 5421, met uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkene naar en van de uitvaardigende staat, die door die staat worden gedragen.
Artikel 23
Tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis naar de uitvoerende staat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvaardigende staat, met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor zijn aanwezigheid op het grondgebied van de uitvoerende staat is vereist.
2.Lid 2, puntonder a), en artikel 22, leden 3 tot en met 9, zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke overbrenging volgens onderhavig artikel.
3.Kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel worden gedragen overeenkomstig artikel 5421, met uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkene naar en van de uitvoerende staat die door de uitvaardigende staat worden gedragen.
Artikel 24
Verhoor per videoconferentie of met andere ⌦ technologieën voor communicatie op afstand ⌫ audiovisuele transmissiemiddelen
1.Indien een persoon zich op het grondgebied van de uitvoerende staat bevindt en door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat als getuige of deskundige moet worden gehoord, kan de uitvaardigende autoriteit een EOB uitvaardigen om de getuige of deskundige per videoconferentie of ⌦ met andere technologieën voor communicatie op afstand ⌫ andere audiovisuele transmissie te doen verhoren, overeenkomstig de leden 5, 6 entot en met 7.
De uitvaardigende autoriteit kan tevens een EOB uitvaardigen voor het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen ⌦ technologieën voor communicatie op afstand, ⌫ ⇨ voor zover die maatregel tot doel heeft bewijsmateriaal te verzamelen en de uitvoering ervan niet verder gaat dan wat voor dat doel noodzakelijk is ⇦ .
2.In aanvulling op de in artikel 1211 genoemde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging kan de tenuitvoerlegging van een het EOB ⌦ betreffende het verhoor van een verdachte of beschuldigde ⌫ worden geweigerd indien: ⌦ wanneer ⌫ a)de ⌦ betrokken ⌫ verdachte of beschuldigde persoon er niet in toestemt., of
b)de tenuitvoerlegging van een dergelijke onderzoeksmaatregel in een bepaalde zaak strijdig is met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat.
3.De praktische regeling wordt overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit. Bij de regeling verbindt de uitvoerende autoriteit zich ertoe:
(a)de getuige of deskundige in kennis te stellen van plaats en tijdstip van het verhoor;
(b)de verdachte of de beschuldigde persoon in overeenstemming met de nadere regels van het recht van de uitvaardigende staat te gelasten voor het verhoor te verschijnen en de betrokkene op zijn rechten volgens het recht van de uitvaardigende staat te wijzen, op een tijdstip dat het hem mogelijk maakt zijn rechten op verdediging daadwerkelijk uit te oefenen;
(c)ervoor te zorgen dat de identiteit wordt vastgesteld van de persoon die moet worden verhoord.
4.Indien in de omstandigheden van een specifiek geval de uitvoerende autoriteit niet over de technische middelen voor een verhoor per videoconferentie ⌦ of met andere technologieën voor communicatie op afstand ⌫ beschikt, kunnen deze na overleg ter beschikking worden gesteld door de uitvaardigende staat.
5.Met betrekking tot verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen ⌦ technologieën voor communicatie op afstand ⌫ gelden de volgende regels:
(a)de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat is aanwezig tijdens het verhoor, indien nodig bijgestaan door een tolk, en heeft tot taak de identiteit van de te verhoren persoon te laten vaststellen en erop toe te zien dat de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat in acht worden genomen;.
Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat tijdens het verhoor worden geschonden, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor verder met inachtneming van deze beginselen verloopt;
(b)de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat en die van de uitvoerende staat komen indien nodig maatregelen ter bescherming van de te verhoren persoon overeen;
(c)het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat overeenkomstig het recht van die staat afgenomen;
(d)op verzoek van de uitvaardigende staat of van de te verhoren persoon draagt de uitvoerende staat er zorg voor dat de persoon die wordt verhoord indien nodig door een tolk wordt bijgestaan;
(e)de verdachte of beschuldigde persoon wordt voorafgaand aan het verhoor op de hoogte gesteld van de procedurele rechten, met name het verschoningsrecht, die hij volgens het recht van de uitvoerende staat en van de uitvaardigende staat geniet. Getuigen en deskundigen kunnen zich beroepen op het verschoningsrecht dat zij volgens het recht van de uitvoerende staat of de uitvaardigende staat genieten, en worden daarvan voorafgaand aan het verhoor op de hoogte gesteld.
6.Onverminderd de maatregelen die ter bescherming van personen zijn overeengekomen, stelt de uitvoerende autoriteit na afloop van het verhoor een proces-verbaal op, waarin wordt vermeld: de datum en de plaats van het verhoor; de identiteit van de verhoorde persoon; de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de uitvoerende staat aan het verhoor hebben deelgenomen; eventuele beëdigingen; en de technische omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden. De uitvoerende autoriteit stuurt dit document aan de uitvaardigende autoriteit.
7.Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten aanzien van de betrokkene die overeenkomstig dit artikel op zijn grondgebied wordt verhoord en die weigert een verklaring af te leggen terwijl hij daartoe is verplicht of die niet naar waarheid antwoordt, zijn nationale recht van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betreft.
Artikel 25
Verhoor per telefoonconferentie
1.Indien een persoon die zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat als getuige of deskundige moet worden verhoord, kan de uitvaardigende autoriteit van deze laatste lidstaat, indien het niet wenselijk of mogelijk is de betrokkene persoonlijk op zijn grondgebied te laten verschijnen, en na andere passende middelen te hebben onderzocht, een EOB uitvaardigen om een getuige of een deskundige per telefoonconferentie te laten verhoren zoals voorzien in lid 2.
2.Tenzij anders is overeengekomen, is artikel 24, leden 3, 5, 6 en 7, van overeenkomstige toepassing op verhoren per telefoonconferentie.
Artikel 26
Inlichtingen over bankrekeningen en andere financiële rekeningen
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd om te laten vaststellen of een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie een strafprocedure in kwestie loopt, één of meer rekeningen van om het even welke aard, bezit of controleert bij enige bank op het grondgebied van de uitvoerende staat en in voorkomend geval alle gegevens over de aangeduide rekeningen te laten overleggen.
2.Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de in lid 1 bedoelde gegevens te kunnen verstrekken volgens de in dit artikel bepaalde voorwaarden.
3.De in lid 1 bedoelde gegevens kunnen ook, indien ⌦ wanneer ⌫ deze in het EOB worden gevraagd, betrekking hebben op rekeningen waarvoor de betrokkene tegen wie de strafprocedure loopt, een volmacht heeft.
4.De in dit artikel neergelegde verplichting is alleen van toepassing voor zover de gegevens in het bezit zijn van de bank die de rekening onder zich heeft.
5.De uitvaardigende autoriteit geeft in het EOB de redenen op waarom zij van mening is dat de gevraagde inlichtingen vermoedelijk van wezenlijk belang zijn voor de strafprocedure in kwestie, en op welke gronden zij veronderstelt dat banken in de uitvoerende staat de rekening onder zich hebben en, voor zover hierover gegevens beschikbaar zijn, om welke banken het zou kunnen gaan. Het EOB bevat tevens elke beschikbare informatie die de tenuitvoerlegging ervan kan vergemakkelijken.
6.Voorts kan een EOB worden uitgevaardigd om te laten nagaan of een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie de strafprocedure in kwestie loopt, één of meer rekeningen heeft bij enige niet-bancaire financiële instelling op het grondgebied van de uitvoerende staat. De leden 3, 4 en tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing. In dat geval kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1211, de tenuitvoerlegging van het EOB ook worden geweigerd als ⌦ wanneer ⌫ de uitvoering van de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.
Artikel 27
Inlichtingen over bancaire en andere financiële operaties
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd met het oog op het verkrijgen van de bijzonderheden betreffende gespecificeerde bankrekeningen en betreffende bankoperaties die in een bepaald tijdvak zijn verricht via één of meer in het EOB genoemde bankrekeningen, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende een rekening van herkomst of bestemming.
2.Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de in lid 1 bedoelde gegevens te kunnen verstrekken volgens de in dit artikel bepaalde voorwaarden.
3.De in dit artikel neergelegde verplichting is alleen van toepassing voor zover de gegevens in het bezit zijn van de bank waar de rekening wordt gehouden.
4.De uitvaardigende autoriteit geeft in het EOB de redenen op waarom zij de gevraagde inlichtingen van belang acht voor de strafprocedure in kwestie.
5.Voorts kan een EOB met betrekking tot de in lid 1 verstrekte inlichtingen worden uitgevaardigd betreffende de financiële operaties van niet-bancaire financiële instellingen. De leden 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing. In dit geval kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1211, de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd als de uitvoering van de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.
Artikel 28
Onderzoeksmaatregelen waarbij in realtime, rechtstreeks doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal wordt verzameld
1.Indien het EOB wordt uitgevaardigd ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel waarbij in realtime, rechtstreeks doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal moet worden wordt verzameld, zoals:
(a)toezicht op bancaire of andere financiële operaties via één of meer gespecificeerde rekeningen;
(b)gecontroleerde aflevering op het grondgebied van de uitvoerende staat;
⇩ nieuw
(c)observatie op het grondgebied van de uitvoerende staat;
(d)installatie en gebruik van een technisch apparaat waarmee locatie-, audio- of visuele gegevens op het grondgebied van de uitvoerende staat kunnen worden verzameld;
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1211, de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd als ⌦ wanneer ⌫ de uitvoering van de betrokken onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.
2.De praktische regeling voor de onderzoeksmaatregel, bedoeld in lid 1, onder , punten b), ⇨ c) en d), ⇦ en voor ieder ander doel, wordt door de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat afgesproken.
3.De uitvaardigende autoriteit geeft in het EOB de redenen op waarom zij de gevraagde inlichtingen van belang acht voor de strafprocedure in kwestie.
4.Het recht om op te treden en operaties in verband met de tenuitvoerlegging van een EOB in de zin van lid 1 te leiden en te controleren, berust bij de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.
Artikel 29
Infiltratieoperaties
1.De uitvoerende staat kan in een EOB worden verzocht de uitvaardigende staat te helpen bij een strafrechtelijk onderzoek dat wordt verricht door functionarissen die infiltreren of met een fictieve identiteit werken (infiltratieoperaties).
2.De uitvaardigende autoriteit geeft in het EOB aan waarom zij van mening is dat de infiltratieoperatie vermoedelijk van belang is voor de strafprocedure. De beslissing inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van een volgens dit artikel uitgevaardigd EOB wordt per geval genomen door de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, met inachtneming van het recht en de procedures van deze staat.
3.Behalve op de in artikel 1211 genoemde gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging, kan de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van een in lid 1 bedoeld EOB weigeren indien:
(a)de uitvoering van de infiltratieoperatie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan, of
(b)er geen regeling kon worden getroffen voor infiltratieoperaties in de zin van lid 4.
4.Infiltratieoperaties vinden plaats volgens de wetgeving en procedures van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij worden uitgevoerd. Het recht om op te treden en operaties in verband met de infiltratieoperatie te leiden en te controleren, berust uitsluitend bij de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat. De duur van de infiltratieoperaties, de nadere voorwaarden en de rechtspositie van de betrokken functionarissen tijdens infiltratieoperaties worden door de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat overeengekomen, met inachtneming van hun nationale wetgeving en procedures.
⇩ nieuw
Artikel 30
Grensoverschrijdende observatie
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd in het kader van de in artikel 5, punt a), bedoelde procedures, met het oog op het verlenen van toestemming voor de voortzetting, op het grondgebied van de uitvoerende staat, van een in de uitvaardigende staat aangevangen observatie, wanneer deze observatie bestaat uit het observeren van een persoon of een voorwerp door rechtshandhavingsfunctionarissen en wanneer daarbij geluids-, beeld- of andere opnames worden gemaakt met behulp van technische middelen die door rechtshandhavingsfunctionarissen worden bediend met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal.
2.In het EOB worden de redenen vermeld die het gebruik van grensoverschrijdende observatie rechtvaardigen.
3.Behalve op de in artikel 12 bedoelde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging, kan de tenuitvoerlegging van het in lid 1 bedoelde EOB ook worden geweigerd wanneer de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan. De uitvoerende autoriteit mag aan haar toestemming de voorwaarden verbinden die in een soortgelijke binnenlandse zaak van toepassing zouden zijn.
4.De duur en de praktische regelingen voor de grensoverschrijdende observatie, met inbegrip van het gebruik van technische middelen en de gedragsregels voor de betrokken functionarissen, worden overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat. De rechtshandhavingsfunctionarissen van de uitvaardigende staat die de grensoverschrijdende observatie uitvoeren, handelen uitsluitend met het oog op de observatie en de documentering van de grensoverschrijdende observatie, oefenen geen dwangbevoegdheden uit en betreden geen privéruimten op het grondgebied van de uitvoerende staat.
5.Op verzoek wordt de grensoverschrijdende observatie overgedragen aan de rechtshandhavingsfunctionarissen van de uitvoerende staat.
6.In afwijking van lid 1 mogen de rechtshandhavingsfunctionarissen van de uitvaardigende staat, wanneer het wegens naar behoren gemotiveerde spoedeisendheid niet mogelijk is een EOB uit te vaardigen en toe te zenden voordat de persoon die of het voorwerp dat onder observatie staat het grondgebied van de uitvoerende staat binnenkomt, de grensoverschrijdende observatie op het grondgebied van de uitvoerende staat voortzetten, mits:
(a)onmiddellijk nadat de rechtshandhavingsfunctionarissen van de uitvaardigende staat de grens hebben overschreden, de autoriteit die bevoegd is voor het doen en toezenden van dringende kennisgevingen, de autoriteit die bevoegd is voor het in ontvangst nemen van dringende kennisgevingen op elke passende wijze in kennis stelt van de voortzetting van de observatie in de uitvoerende staat en van de redenen voor de spoedeisendheid;
(b)het EOB onverwijld en uiterlijk 48 uur na de in punt a) bedoelde grensoverschrijding wordt uitgevaardigd en toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, onder vermelding van de redenen waarom voorafgaande toezending niet mogelijk was;
(c)de grensoverschrijdende observatie wordt uitgevoerd met inachtneming van de instructies van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat;
(d)de grensoverschrijdende observatie wordt beëindigd zodra de uitvoerende autoriteit daarom verzoekt of wanneer de erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB wordt geweigerd;
(e)wanneer er binnen 24 uur na de toezending van het EOB geen beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging ervan is genomen, de voortzetting van de grensoverschrijdende observatie afhankelijk is van de beslissing van de uitvoerende autoriteit om de voorlopige uitvoering van de grensoverschrijdende observatie toe te staan overeenkomstig artikel 13, lid 4, punt c);
(f)wanneer de erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB wordt geweigerd of de voorlopige uitvoering van de grensoverschrijdende observatie niet anderszins is toegestaan uit hoofde van punt e), het uit de grensoverschrijdende observatie verkregen materiaal alleen mag worden gebruikt wanneer dit strikt noodzakelijk is om een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid te voorkomen, en de uitvoerende autoriteit in kennis wordt gesteld van elk dergelijk gebruik en van de redenen daarvoor.
7.De in lid 6, punt a), bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage V. Zij wordt vertaald in een officiële taal van de in kennis gestelde lidstaat of in een andere taal die door die lidstaat wordt aanvaard conform artikel 6, lid 2. Wanneer een dergelijke vertaling redelijkerwijs niet tijdig kan worden verstrekt, kan de kennisgeving worden toegezonden in een taal die in andere lidstaten algemeen wordt begrepen.
8.Wanneer de in lid 6, punt a), bedoelde in kennis gestelde autoriteit niet dezelfde is als de uitvoerende autoriteit, brengt deze de uitvoerende autoriteit daarvan onmiddellijk op de hoogte.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
HOOFDSTUK V
INTERCEPTIE VAN TELECOMMUNICATIE
Artikel 3130
Interceptie van telecommunicatie met technische hulp van een andere lidstaat
1.Een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is.
2.Indien de technische bijstand voor dezelfde interceptie van telecommunicatie geheel door meerdere lidstaten kan worden verleend, wordt het EOB gestuurd naar één ervan. Voorrang wordt gegeven aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt of zal bevinden.
3.Het in lid 1 bedoelde EOB bevat tevens de volgende informatie:
(a)informatie aan de hand waarvan de identiteit van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, kan worden vastgesteld;
(b)de gewenste duur van de interceptie, ; en
(c)voldoende technische gegevens, in het bijzonder ter bepaling van het doelwit, met het oog op de tenuitvoerlegging van het EOB.
4.De uitvaardigende autoriteit geeft in het EOB de redenen op waarom zij de aangegeven onderzoeksmaatregel voor de strafprocedure in kwestie van belang acht.
5.Behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 11 kan de tenuitvoerlegging van een EOB bedoeld in lid 1 ook worden geweigerd als de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan. De uitvoerende staat mag aan zijn toestemming de voorwaarden verbinden die in een soortgelijke binnenlandse zaak zouden gelden.
6.Het in lid 1 bedoelde EOB kan worden uitgevoerd door:
(a)onmiddellijke doorzending van telecommunicatie naar de uitvaardigende staat, of
(b)interceptie, opname en vervolgens toezending van het resultaat van de interceptie van de telecommunicatie aan de uitvaardigende staat.
De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit plegen overleg, om te kunnen besluiten of de interceptie overeenkomstig punt a) dan wel punt b) wordt uitgevoerd.
⇩ nieuw
7.Wanneer de periode waarvoor om interceptie van telecommunicatie in de uitvoerende staat wordt verzocht, langer is dan de periode waarvoor een dergelijke onderzoeksmaatregel conform het recht van de uitvoerende staat is gelast of waarbinnen die maatregel kan worden uitgevoerd, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld in kennis en geeft zij, in voorkomend geval, aan welke mogelijkheden er zijn om die periode te verlengen. Wanneer de uitvaardigende autoriteit voornemens is de interceptie van telecommunicatie in de uitvoerende staat te verlengen tot na de in het oorspronkelijke EOB aangegeven duur, moet er een nieuw EOB worden uitgevaardigd.
🡻 2014/41/EU
8.7.Bij de uitvaardiging van het in lid 1 bedoelde EOB of tijdens de interceptie mag de uitvaardigende autoriteit, indien zij daarvoor een bijzondere reden heeft, ook een transcriptie, decodering of ontsleuteling vragen van de opname, mits zij de instemming van de uitvoerende autoriteit heeft verkregen.
9.8.Kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel worden gedragen overeenkomstig artikel 5421, met uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de transcriptie, decodering of ontsleuteling van de geïntercepteerde telecommunicatie, die door de uitvaardigende staat worden gedragen.
HOOFDSTUK VI
VOORLOPIGE MAATREGELEN
Artikel 32
Voorlopige maatregelen
1.De uitvaardigende autoriteit kan een EOB uitvaardigen om elke maatregel te laten nemen waarbij de vernietiging, omzetting, verplaatsing, overdracht of vervreemding van materiaal dat als bewijsstuk kan worden gebruikt, voorlopig wordt voorkomen.
2.Het besluit over de voorlopige maatregel wordt door de uitvoerende autoriteit binnen 24 uur na ontvangst van het EOB, en in ieder geval zo snel mogelijk, genomen en meegedeeld.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
3.⌦ Wanneer ⌫ Indien om de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregel wordt gevraagd, geeft de uitvaardigende autoriteit in het EOB aan of het bewijsmateriaal aan de uitvaardigende staat wordt overgedragen dan wel in de uitvoerende staat blijft. Het EOB wordt door de uitvoerende autoriteit erkend en ten uitvoer gelegd en het bewijsmateriaal wordt door haar overgedragen volgens de in deze richtlijn voorgeschreven ⌦ toepasselijke ⌫ procedures.
4.Indien een EOB overeenkomstig lid 3 vergezeld gaat van de instructie dat het bewijsmateriaal in de uitvoerende staat moet blijven, vermeldt de uitvaardigende autoriteit op welke datum de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregel wordt ingetrokken, of op welke datum het verzoek tot overdracht van het bewijsmateriaal aan de uitvaardigende staat vermoedelijk zal worden gedaan.
5.Na overleg met de uitvaardigende autoriteit kan de uitvoerende autoriteit, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk, naargelang van de omstandigheden passende voorwaarden stellen om de duur van de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregel te beperken. ⌦ Wanneer ⌫ Indien de uitvoerende autoriteit, overeenkomstig deze voorwaarden, intrekking van de voorlopige maatregel overweegt, stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis en geeft zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken. De uitvaardigende autoriteit laat de uitvoerende autoriteit onmiddellijk weten dat de in lid 1 bedoelde voorlopige maatregel is ingetrokken.
⌦ HOOFDSTUK VII ⌫
⌦ KENNISGEVINGEN VOOR GRENSOVERSCHRIJDENDE ONDERZOEKSMAATREGELEN DIE WORDEN UITGEVOERD ZONDER TECHNISCHE BIJSTAND VAN EEN ANDERE LIDSTAAT ⌫
Artikel 3331
Kennisgeving aan de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich bevindt en van welke geen technische bijstand vereist is
1.Indien de bevoegde autoriteit van één lidstaat (de „ ⇨ voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat”) ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel ⇨ in procedures als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt a), en, voor zover ze verband houden met dergelijke procedures, de procedures als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt d), ⇦ toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie, en het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat (de „in kennis gestelde lidstaat”) en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de ⇨ voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde ⌦ die andere ⌫ lidstaat van de interceptie in kennis, en wel:
(a)voorafgaand aan de interceptie in de gevallen waarin de bevoegde autoriteit van de ⇨ voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat op het tijdstip van het geven van de interceptieopdracht weet dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of zal bevinden;
(b)tijdens of na de interceptie, zodra de ⇨ voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich tijdens de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
2.De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt middels het formulier in bijlage IIIC. ⇨ Zij wordt vertaald in een officiële taal van de in kennis gestelde lidstaat, of in een andere taal die door die lidstaat wordt aanvaard overeenkomstig artikel 6, lid 2. ⇦
⇩ nieuw
3.Wanneer de autoriteit in de in kennis gestelde lidstaat die de in lid 1 bedoelde kennisgeving ontvangt, niet bevoegd is om op te treden, zendt zij de kennisgeving zonder onnodige vertraging en uiterlijk 24 uur na de ontvangst ervan door aan de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat en stelt zij de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis.
🡻 2014/41/EU
⇨ nieuw
4.3.Indien de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan, kan de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat onverwijld en uiterlijk 96 uur na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, de bevoegde autoriteit van de ⇨ voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat ervan in kennis stellen:
(a)dat de interceptie niet mag worden uitgevoerd of dat zij moet worden beëindigd, en,
(b)dat waar nodig, materiaal dat reeds is geïntercepteerd terwijl de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zich op haar grondgebied bevond, niet mag worden gebruikt ⇨ en moet worden gewist ⇦ of alleen mag worden gebruikt op de voorwaarden die zij stelt ⇨ , met inbegrip van voorwaarden die overeenkomstig artikel 21 zijn meegedeeld ⇦ . De bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat deelt de bevoegde autoriteit van de ⇨ de voor het onderzoek verantwoordelijke ⇦ intercepterende lidstaat de redenen voor deze voorwaarden mee.
4.
Artikel 5, lid 2, is van overeenkomstige toepassing op de in lid 2 bedoelde kennisgeving.
⇩ nieuw
5.Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat verstrekt de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat alle aanvullende informatie die de in kennis gestelde lidstaat nodig heeft om te kunnen beoordelen of de interceptie in een soortgelijke binnenlandse zaak zou kunnen worden toegestaan.
6.Wanneer de interne procedures die krachtens het nationale recht van de in kennis gestelde lidstaat vereist zijn niet binnen de termijn van 96 uur kunnen worden afgerond, stelt de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat daarvan onverwijld en met opgave van redenen in kennis en kan zij die termijn met maximaal nog eens 96 uur verlengen.
7.Wanneer de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat geen bezwaar maakt binnen de in lid 4 bedoelde termijn, en onverminderd lid 6, mag de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat de interceptie op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat voortzetten tijdens de duur die is aangegeven in de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Wanneer de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat voornemens is de interceptie te verlengen tot na de in de oorspronkelijke kennisgeving aangegeven duur, moet er een nieuwe kennisgeving worden gedaan.
Artikel 34
Kennisgeving aan de lidstaat van het gebruik, op zijn grondgebied, van een technisch registratieapparaat zonder dat zijn technische bijstand vereist is
1.Wanneer, ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel in procedures als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt a), en, voor zover ze verband houden met dergelijke procedures, de procedures als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt d), het gebruik van een technisch apparaat waarmee locatie-, audio- of visuele gegevens kunnen worden verzameld (“technisch registratieapparaat”) is toegestaan door de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat en wanneer dat apparaat het grondgebied binnenkomt van een andere lidstaat van waaruit geen technische bijstand vereist is om het gebruik ervan voort te zetten, stelt de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat in kennis van het gebruik van een technisch registratieapparaat op haar grondgebied:
(a)voorafgaand aan dat gebruik, wanneer de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat op het tijdstip van het geven van de opdracht tot het gebruik van het technische registratieapparaat weet dat het apparaat het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat zal binnenkomen, of
(b)tijdens of na dat gebruik, zodra de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat te weten komt dat het technische registratieapparaat zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
2.Artikel 33, leden 2, 3, 4, 5, 6 en 7, is van overeenkomstige toepassing op de overeenkomstig lid 1 van dit artikel gedane kennisgevingen.
HOOFDSTUK VIII
VERZOEKEN OM TOESTEMMING VOOR HET GEBRUIK ALS BEWIJSMATERIAAL VAN EERDER UITGEWISSELDE INFORMATIE
Artikel 35
Verzoek om toestemming voor het gebruik als bewijsmateriaal van eerder uitgewisselde informatie
1.De verzoekende autoriteit kan, indien dit krachtens haar nationale recht of de aan de oorspronkelijke toezending van de informatie verbonden voorwaarden vereist is, de aangezochte autoriteit om toestemming verzoeken voor het gebruik als bewijsmateriaal in strafprocedures van informatie die eerder door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat (“de aangezochte staat”) aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat (“de verzoekende staat”) is verstrekt:
(a)overeenkomstig Richtlijn (EU) 2023/977 van het Europees Parlement en de Raad;
(b)middels spontane uitwisseling van informatie tussen rechterlijke autoriteiten overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder “verzoekende autoriteit” de in artikel 2, lid 1, punt c), bedoelde autoriteit die bevoegd is om een verzoek om toestemming te doen, en onder “aangezochte autoriteit” de in artikel 2, lid 1, punt d), bedoelde autoriteit die bevoegd is om op een dergelijk verzoek te reageren.
3.Een verzoek om toestemming kan alleen worden gedaan wanneer het gebruik van de informatie als bewijsmateriaal noodzakelijk en evenredig is voor de doeleinden van de betrokken strafprocedure en een dergelijk verzoek onder dezelfde voorwaarden toelaatbaar zou zijn in een soortgelijke binnenlandse zaak in de verzoekende staat.
4.Het in bijlage VII opgenomen formulier voor het verzoek om toestemming wordt ingevuld en ondertekend door de verzoekende autoriteit, die verklaart dat de inhoud ervan nauwkeurig en correct is. Het bevat de informatie die de aangezochte autoriteit nodig heeft om te kunnen beslissen of de toestemming kan worden verleend. Het wordt vertaald in een officiële taal van de aangezochte staat of in een andere taal die door die staat wordt aanvaard conform artikel 6, lid 2.
5.De aangezochte autoriteit neemt zo spoedig mogelijk en uiterlijk 14 dagen na ontvangst een beslissing over het verzoek. Indien het niet haalbaar is om deze termijn na te leven, stelt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit daarvan onverwijld en met opgave van redenen in kennis, en kan zij de termijn met maximaal tien dagen verlengen.
6.De aangezochte autoriteit verleent, in voorkomend geval onder voorwaarden, haar toestemming, tenzij er sprake is van een van de volgende gronden voor weigering of uitstel:
(a)het gebruik van de informatie als bewijsmateriaal zou krachtens het recht van de aangezochte staat niet toelaatbaar zijn in procedures van dezelfde aard als die waarvoor om toestemming wordt verzocht;
(b)er zijn redelijke gronden om aan te nemen dat het verlenen van toestemming afbreuk zou doen aan een in de aangezochte staat lopende strafprocedure of wezenlijke nationale belangen ernstig zou schaden;
(c)er is niet langer voldaan aan de in Richtlijn (EU) 2023/977 vastgestelde voorwaarden voor het gebruik van de informatie, onder meer wanneer de informatie onjuist, onvolledig of niet langer actueel is.
7.Zodra de in lid 6 bedoelde grond voor uitstel niet meer bestaat, neemt de aangezochte autoriteit een beslissing als bedoeld in lid 5 en stelt zij de verzoekende autoriteit daarvan in kennis.
8.Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om toestemming op grond van dit artikel.
9.De lidstaten zorgen ervoor dat rechtsmiddelen die gelijkwaardig zijn aan die welke in een soortgelijke binnenlandse zaak beschikbaar zijn, van toepassing zijn op verzoeken om toestemming en op beslissingen over dergelijke verzoeken. Artikel 17, leden 2, 3, 4, 5, 6 en 7, is van overeenkomstige toepassing op dergelijke verzoeken en beslissingen.
TITEL III
EUROPEES BEVEL TOT DEELNAME OP AFSTAND
HOOFDSTUK I — HET EUROPEES BEVEL TOT DEELNAME OP AFSTAND
Artikel 36
Het EBDA en de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan
1.Een EBDA is een rechterlijke beslissing die door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat wordt uitgevaardigd om een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf, die de status van partij in een strafprocedure heeft, in staat te stellen op afstand, door middel van videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand, vanuit een andere lidstaat deel te nemen aan een of meer strafzittingen.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat het nodige wettelijke en procedurele kader beschikbaar is om hun uitvaardigende autoriteit in staat te stellen een EBDA uit te vaardigen overeenkomstig deze titel.
3.De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de titels I, IV en V, een EBDA ten uitvoer te leggen.
4.Het EBDA heeft betrekking op deelname op afstand aan een of meer zittingen van een in strafzaken bevoegde rechtbank in alle fasen van de strafprocedure, vanaf het begin van het onderzoek tot de beëindiging van de procedure, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de afhandeling van eventuele beroepsprocedures.
HOOFDSTUK II
PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVAARDIGENDE STAAT
Artikel 37
Voorwaarden voor het uitvaardigen en toezenden van een EBDA
1.De uitvaardigende autoriteit kan een EBDA uitvaardigen wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
(a)een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf is woonachtig of zal woonachtig zijn in de uitvoerende staat of verblijft daar tijdelijk of zal daar tijdelijk verblijven om gerechtvaardigde redenen die zijn aanwezigheid in de uitvaardigende staat op het tijdstip van de desbetreffende zitting(en) verhinderen of anderszins belemmeren, of wordt in de uitvoerende staat in hechtenis gehouden in verband met een andere tegen hem lopende procedure;
(b)de uitvaardiging van het EBDA wordt passend geacht door de uitvaardigende autoriteit en is, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, evenredig om de deelname van de betrokken persoon aan de strafzitting(en) in de uitvaardigende staat te vergemakkelijken, met inachtneming van de rechten van de betrokken persoon;
(c)de betrokken persoon heeft toestemming gegeven om op afstand deel te nemen aan de zitting(en), overeenkomstig artikel 38.
2.In afwijking van lid 1 kan de uitvaardigende autoriteit, voordat de toestemming van de betrokken persoon overeenkomstig lid 1, punt c), is verkregen, een EBDA uitvaardigen wanneer dit, bij wijze van uitzondering, vereist is om een efficiënte en goede rechtsbedeling te waarborgen. De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit daarvan in kennis en verzoekt haar om bijstand bij het verkrijgen van de toestemming van de betrokken persoon, via de daartoe bestemde rubriek van het formulier in bijlage VIII. In dergelijke gevallen vergewist de uitvoerende autoriteit zich ervan dat de betrokken persoon zijn toestemming heeft verleend, alvorens een beslissing te nemen over de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA overeenkomstig artikel 41 of 43.
3.In afwijking van lid 1 kan de uitvaardigende autoriteit, in uitzonderlijke omstandigheden, een EBDA uitvaardigen zonder de overeenkomstig lid 1, punt c), vereiste toestemming van de betrokken persoon te verkrijgen wanneer de persoonlijke deelname van de betrokken persoon aan de zitting(en) een ernstige bedreiging vormt voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid, die aantoonbaar reëel en actueel is of voorzienbaar is, en het uitstellen van de zitting(en) of het opschorten van de procedure in strijd zou zijn met een efficiënte en goede rechtsbedeling, mits de rechten van de verdediging van de betrokken persoon en het eerlijke verloop van de procedure worden gewaarborgd.
Deze afwijking is niet van toepassing wanneer de betrokken persoon een kwetsbare persoon of een kind is en het houden van de zitting(en) op afstand niet verenigbaar is met zijn specifieke behoeften en belangen.
4.Een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf die of dat voldoet aan de voorwaarde van lid 1, punt a), kan overeenkomstig de procedures uit hoofde van het recht van de uitvaardigende staat, de uitvaardigende autoriteit verzoeken om een EBDA uit te vaardigen. Dergelijke verzoeken worden tijdig vóór de desbetreffende zitting(en) bij de uitvaardigende autoriteit ingediend en door die autoriteit onderzocht in het licht van lid 1. De uitvaardigende autoriteit neemt binnen een redelijke termijn een met redenen omklede beslissing over het verzoek.
5.Wanneer het EBDA betrekking heeft op een kind dat verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf is, zorgt de uitvaardigende autoriteit ervoor dat bij de toepassing van dit artikel de belangen van het kind steeds de eerste overweging vormen.
Artikel 38
Procedure voor het verkrijgen van toestemming
1.Wanneer de oproeping voor het bijwonen van de zitting(en) aan de betrokken persoon wordt betekend of ter kennis gebracht, doet de uitvaardigende autoriteit, al naar gelang het geval, ook het volgende:
(a)zijn toestemming vragen voor deelname op afstand aan een of meer zittingen per videoconferentie of met andere technologieën voor communicatie op afstand, wanneer aan de voorwaarden van artikel 37, lid 1, punten a) en b), is voldaan, of
(b)de betrokken persoon in kennis stellen van de mogelijkheid dat hij overeenkomstig het nationale recht en artikel 37, lid 4, een verzoek kan indienen om op afstand deel te nemen aan een of meer zittingen en van de ter zake geldende voorwaarden.
2.Alvorens zijn toestemming te geven, wordt de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer van een misdrijf door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat mondeling of schriftelijk, in een taal die hij begrijpt, in kennis gesteld van ten minste het volgende:
(a)de mogelijkheid om advies in te winnen bij een advocaat in de uitvaardigende staat conform Richtlijn 2013/48/EU voor verdachten of beschuldigden en conform Richtlijn 2012/29/EU en het nationale recht voor slachtoffers van een misdrijf;
(b)het recht op tolkdiensten bij de bevoegde autoriteiten en het recht op een schriftelijke vertaling overeenkomstig Richtlijn 2010/64/EU of Richtlijn 2012/29/EU, al naar gelang het geval;
(c)de procedure voor de tenuitvoerlegging van een EBDA en de specifieke rechten waarop de betrokken persoon tijdens die procedure aanspraak kan maken.
3.In de in lid 2, punt a), bedoelde gevallen, wanneer de betrokken persoon een kind is in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2016/800, wordt dat kind, alvorens zijn toestemming te geven, bijgestaan door een advocaat. Wanneer de betrokken persoon een kind is in de zin van artikel 2, lid 1, punt c), van Richtlijn 2012/29/EU en de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, het kindslachtoffer niet kunnen vertegenwoordigen als gevolg van een belangenconflict tussen hen en het kindslachtoffer, of het kindslachtoffer niet-begeleid is of van zijn familie is gescheiden, wordt het kind, alvorens zijn toestemming te geven, bijgestaan door een bijzondere vertegenwoordiger of door een advocaat.
4.Wanneer de betrokken persoon een kind is, wordt de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, zoals omschreven in artikel 3, punt 2, van Richtlijn (EU) 2016/800, of zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2012/29/EU, een andere geschikte volwassene of de wettelijke vertegenwoordiger, zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/800 of artikel 24, lid 1, punten b) en c), van Richtlijn 2012/29/EU, indien van toepassing overeenkomstig die bepalingen, door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de informatie waarop het kind overeenkomstig dit artikel recht heeft.
5.De in de leden 2 en 4 bedoelde informatie wordt verstrekt in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke behoeften van kwetsbare personen.
6.De toestemming voor deelname op afstand aan een of meer zittingen wordt vrijwillig en ondubbelzinnig verleend. De toestemming wordt geregistreerd, met vermelding van de omstandigheden waaronder zij is verleend, overeenkomstig de door het recht van de uitvaardigende staat voorgeschreven registratieprocedure.
7.De termijnen voor het geven van toestemming of het indienen van een verzoek om op afstand deel te nemen aan een of meer zittingen vallen onder het recht van de uitvaardigende staat.
8.Wanneer de betrokken persoon zich op het moment van de oproeping in de uitvoerende staat bevindt, verzoekt de uitvaardigende autoriteit de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat om bijstand te verlenen bij de betekening of kennisgeving van de in lid 1 bedoelde oproeping en bij de informatieverstrekking aan de betrokken persoon overeenkomstig dit artikel, alsook om aan te geven welke formaliteiten en procedures in acht moeten worden genomen. Indien om toestemming van de betrokken persoon voor deelname op afstand aan de zitting(en) wordt verzocht, delen de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat de uitvaardigende autoriteit mee of de toestemming is verkregen en zenden zij alle relevante gegevens toe aan de uitvaardigende autoriteit. Wanneer geen toestemming kon worden verkregen of de betrokken persoon niet kon worden bereikt, stellen de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis.
9.Wanneer de uitvaardigende autoriteit een EBDA heeft uitgevaardigd op grond van de in artikel 37, lid 2, vastgestelde afwijking van het vereiste om voorafgaand aan de uitvaardiging van het EBDA de toestemming van de betrokken persoon te verkrijgen voor deelname op afstand aan de zitting(en), vraagt de uitvoerende autoriteit, alvorens een beslissing te nemen over de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA, de toestemming van de betrokken persoon voor deelname op afstand aan de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, overeenkomstig de vereisten van dit artikel en met inachtneming van alle door de uitvaardigende autoriteit aangegeven formaliteiten en procedures.
Artikel 39
Inhoud en vorm van het EBDA
1.Het in bijlage VIII opgenomen EBDA-formulier wordt ingevuld en ondertekend door de uitvaardigende autoriteit, die verklaart dat de inhoud ervan nauwkeurig en correct is.
2.Het EBDA bevat met name de volgende informatie:
(a)gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing, de validerende autoriteit;
(b)de identiteit van de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer van een misdrijf op wie het EBDA betrekking heeft, alsook alle relevante informatie waarvan de uitvaardigende autoriteit weet heeft met betrekking tot mogelijke kwetsbaarheden van die persoon;
(c)de identiteit en contactgegevens van de advocaat die door de betrokken persoon is gemachtigd of door de uitvaardigende staat is toegewezen met het oog op de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft;
(d)een beschrijving van het strafbare feit dat het voorwerp vormt van het onderzoek of de procedure waarop het EBDA betrekking heeft en de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen in de uitvaardigende staat;
(e)een beschrijving van de fase van de procedure en het type, het aantal en het indicatieve tijdschema van de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft;
(f)de redenen waarom deelname op afstand aan de specifieke zitting(en) passend is in het licht van de voorwaarden van artikel 37, lid 1;
(g)informatie over de vraag of de betrokken persoon heeft verzocht om of heeft ingestemd met deelname op afstand aan de zitting(en), over de toepassing van artikel 37, lid 2, en over de formaliteiten en procedures die in acht moeten worden genomen bij het verzoeken om toestemming van de betrokken persoon of, in voorkomend geval, over de toepassing van artikel 37, lid 3;
(h)de voorgestelde praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het EBDA overeenkomstig artikel 42, met inbegrip van alle maatregelen die nodig zijn om rekening te houden met eventuele kwetsbaarheden van de betrokken persoon;
(i)alle formaliteiten en procedures die uitdrukkelijk krachtens het recht van de uitvaardigende staat vereist zijn voor de tenuitvoerlegging van het EBDA.
3.Elke lidstaat deelt mee in welke officiële taal of talen van de instellingen van de Unie, naast zijn eigen officiële taal of talen, het EBDA kan worden ingevuld of kan worden vertaald wanneer de betrokken lidstaat de uitvoerende staat is.
4.De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat vertaalt het EBDA in een officiële taal van de uitvoerende staat of in een andere taal die door de uitvoerende staat is aangegeven overeenkomstig lid 3.
Artikel 40
Toezending van het EBDA
1.Het overeenkomstig artikel 39 ingevulde EBDA wordt door de uitvaardigende autoriteit aan de uitvoerende autoriteit toegezonden, of, in voorkomend geval, via de in artikel 52 bedoelde centrale autoriteit, met gebruikmaking van het gedecentraliseerde IT-systeem.
2.Het EBDA gaat vergezeld van alle aanvullende relevante informatie en documenten, met inbegrip van de relevante gegevens over de verkregen toestemming.
3.Indien de identiteit van de uitvoerende autoriteit niet bekend is, wordt de uitvoerende staat door de uitvaardigende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het Europees justitieel netwerk, om inlichtingen verzocht.
4.Indien de autoriteit in de uitvoerende staat die het EBDA ontvangt, niet bevoegd is om het EBDA te erkennen of om de nodige maatregelen te nemen om het ten uitvoer te leggen, zendt zij het EBDA ambtshalve door aan de uitvoerende autoriteit en stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis.
HOOFDSTUK III
PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVOERENDE STAAT
Artikel 41
Erkenning en tenuitvoerlegging
1.De uitvoerende autoriteit erkent een overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EBDA zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de met de uitvaardigende autoriteit overeengekomen voorwaarden, tenzij de uitvoerende autoriteit beslist zich te beroepen op een van de in deze richtlijn vastgestelde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging.
2.Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven formaliteiten en procedures in acht, mits deze niet in strijd zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat.
3.De zitting(en) wordt (worden) rechtstreeks door of onder leiding van de uitvaardigende autoriteit gehouden en valt (vallen) onder het recht van de uitvaardigende staat. Maatregelen die door de uitvoerende autoriteit worden genomen met het oog op de tenuitvoerlegging van het EBDA vallen onder het recht van de uitvoerende staat, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde formaliteiten en procedures die door de uitvaardigende autoriteit worden opgelegd krachtens het recht van de uitvaardigende staat.
Artikel 42
Vereisten en praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het EBDA
1.De praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het EBDA worden overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit, met inbegrip van het tijdschema voor de desbetreffende zitting(en). Bij deze regelingen verbindt de uitvoerende autoriteit zich ertoe:
(a)de verdachte, de beschuldigde of het slachtoffer van een misdrijf op te roepen om te verschijnen op de zitting(en) op afstand overeenkomstig het recht van de uitvoerende staat en de formaliteiten en procedures die door de uitvaardigende autoriteit worden vereist krachtens artikel 41, lid 2, en, tenzij anders is overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit, de betrokken persoon in kennis te stellen van zijn rechten uit hoofde van het recht van de uitvaardigende staat, op een tijdstip dat het hem mogelijk maakt zijn rechten daadwerkelijk uit te oefenen;
(b)de identiteit van de betrokken persoon te controleren.
2.De uitvaardigende autoriteit zorgt ervoor dat de betrokken persoon, indien deze een verdachte of beschuldigde is, in de uitvaardigende lidstaat wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die fysiek aanwezig is in de rechtszaal tijdens de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten toegang hebben tot alle technische middelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van een EBDA. Dit omvat de capaciteit om te voorzien in:
(a)een veilig, vertrouwelijk en doeltreffend kanaal waarmee de betrokken personen met hun advocaat in de uitvaardigende staat kunnen communiceren en dat de daadwerkelijke uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat als bedoeld in de Richtlijnen 2013/48/EU en (EU) 2016/800 mogelijk maakt;
(b)de nodige infrastructuur om ervoor te zorgen dat kwetsbare personen toegang hebben tot videoconferenties of andere technologieën voor communicatie op afstand.
4.Een bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat is aanwezig tijdens de zitting(en), indien nodig bijgestaan door een tolk, en heeft ook tot taak de identiteit van de betrokken persoon te controleren en de goede werking van de relevante technische infrastructuur te waarborgen.
5.De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit komen, indien nodig, maatregelen overeen die vereist zijn om tegemoet te komen aan eventuele bijzondere behoeften van de betrokken persoon. Wanneer de uitvoerende autoriteit kennis krijgt van kwetsbaarheden van de betrokken persoon die niet in het EBDA zijn vermeld, stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan zonder onnodige vertraging in kennis, zodat er maatregelen kunnen worden overeengekomen om tegemoet te komen aan eventuele daarmee samenhangende bijzondere behoeften.
6.Op verzoek van de uitvaardigende staat of de betrokken persoon zorgt de uitvoerende staat ervoor dat de betrokkene, indien nodig, wordt bijgestaan door een tolk.
7.Wanneer de betrokken persoon slachtoffer is van een misdrijf, zorgt de uitvoerende autoriteit ervoor dat dat slachtoffer tijdens de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, emotionele ondersteuning krijgt in overeenstemming met de individuele behoeften van het slachtoffer.
8.De betrokken persoon wordt vóór de zitting(en) mondeling of schriftelijk, in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen, in kennis gesteld van de procedurele rechten waarop hij krachtens het recht van respectievelijk de uitvaardigende en de uitvoerende staat aanspraak kan maken, waarbij rekening wordt gehouden met zijn eventuele bijzondere kwetsbaarheid.
9.Onverminderd de maatregelen die ter bescherming van personen zijn overeengekomen, stelt de uitvoerende autoriteit na afloop van de zitting(en) een proces-verbaal op, waarin het volgende wordt vermeld: de datum en de plaats van de zitting(en); de identiteit van de betrokken persoon; de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de uitvoerende staat aan de zitting(en) hebben deelgenomen; eventuele beëdigingen, en de technische omstandigheden waaronder de zitting(en) heeft (hebben) plaatsgevonden. Dit document wordt door de uitvoerende autoriteit aan de uitvaardigende autoriteit toegezonden.
Artikel 43
Gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging
1.Onverminderd artikel 1, lid 2, wordt de erkenning of tenuitvoerlegging van een EBDA in de uitvoerende staat geweigerd wanneer:
(a)het EBDA betrekking heeft op een verdachte of beschuldigde en verband houdt met een of meer zittingen in verband met een strafbaar feit waarvoor in de uitvoerende staat amnestie is verleend en, indien die staat krachtens zijn eigen strafrecht bevoegd was om het strafbare feit te vervolgen;
(b)de tenuitvoerlegging van het EBDA in strijd zou zijn met het “ne bis in idem”-beginsel;
(c)de verdachte of beschuldigde op wie het EBDA betrekking heeft, krachtens het recht van de uitvoerende staat, vanwege zijn leeftijd, niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten waarop het EBDA betrekking heeft.
2.Onverminderd artikel 1, lid 2, kan de erkenning of tenuitvoerlegging van een EBDA in de uitvoerende staat worden geweigerd wanneer:
(a)het EBDA krachtens het recht van de uitvoerende staat wegens een immuniteit of voorrecht, dan wel wegens voorschriften betreffende het vaststellen en beperken van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, niet ten uitvoer kan worden gelegd, indien het EBDA betrekking heeft op een verdachte of beschuldigde;
(b)het EBDA betrekking heeft op een verdachte of beschuldigde en verband houdt met een of meer zittingen in verband met feiten die volgens het strafrecht van de uitvoerende staat onder zijn rechtsmacht vallen en de strafvervolging of de straf betreffende de betrokken persoon volgens het recht van die staat verjaard is;
(c)het EBDA betrekking heeft op een verdachte of beschuldigde en verband houdt met een of meer zittingen in verband met een strafbaar feit dat zou zijn gepleegd:
i) buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat en geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat, en het betrokken feit in de uitvoerende staat niet strafbaar is, of
ii) buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat en dezelfde feiten volgens het recht van de uitvoerende staat niet vervolgd kunnen worden wanneer ze buiten zijn grondgebied gepleegd zijn;
(d)er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifiek en objectief bewijsmateriaal aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het EBDA in de bijzondere omstandigheden van de zaak zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in artikel 6 VEU en het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een onpartijdig gerecht of de rechten van de verdediging;
(e)het EBDA betrekking heeft op een verdachte of beschuldigde en verband houdt met een of meer zittingen in verband met een feit dat volgens het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is, tenzij het een in bijlage IX bedoeld en door de uitvaardigende autoriteit in het EBDA vermeld strafbaar feit betreft, waarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar staat;
(f)de uitvoerende autoriteit, bij wijze van uitzondering, van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het EBDA in het specifieke geval duidelijk een onevenredige belasting zou vormen voor het rechtsstelsel van de uitvoerende staat;
(g)het formulier in bijlage VIII onvolledig of kennelijk onjuist is ingevuld en na het in lid 4 bedoelde overleg niet is aangevuld.
3.Indien het EBDA betrekking heeft op een of meer zittingen in verband met belastingen of heffingen, douane en deviezen, weigert de uitvoerende autoriteit de erkenning of tenuitvoerlegging niet op grond van het feit dat het recht van de uitvoerende staat niet voorziet in dezelfde soort belasting of heffing, of niet dezelfde soort regeling inzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende staat.
4.Wanneer een autoriteit van de uitvoerende staat bevoegd is tot opheffing van het voorrecht of de immuniteit, verzoekt de uitvoerende autoriteit in het in lid 2, punt a), bedoelde geval die autoriteit om die bevoegdheid uit te oefenen. Wanneer een autoriteit van een andere staat of van een internationale organisatie bevoegd is tot opheffing van het voorrecht of de immuniteit, verzoekt de uitvaardigende autoriteit de betrokken autoriteit om die bevoegdheid uit te oefenen.
5.In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen overlegt de uitvoerende autoriteit, alvorens zij beslist het EBDA, geheel of gedeeltelijk, niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen, op elke passende wijze met de uitvaardigende autoriteit, en verzoekt zij, indien nodig, de uitvaardigende autoriteit om onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen na de datum van ontvangst van het verzoek haar alle benodigde aanvullende gegevens te verstrekken. Wanneer de uitvoerende autoriteit beslist dat een EBDA slechts gedeeltelijk kan worden erkend, kan de uitvaardigende autoriteit, ambtshalve of op verzoek van de betrokken persoon, beslissen het EBDA in te trekken.
6.Wanneer de betrokken persoon, na naar behoren te zijn opgeroepen om op afstand deel te nemen aan de desbetreffende zitting(en), niet verschijnt op het tijdstip en de plaats die door de uitvoerende autoriteit zijn aangegeven, vallen de procedurele gevolgen van dit niet-verschijnen onder het recht van de uitvaardigende staat, zoals deze van toepassing zouden zijn in een zuiver binnenlandse zaak waarin een voor een zitting opgeroepen persoon niet verschijnt. De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit, indien nodig, in kennis van alle maatregelen of regelingen die in dergelijke gevallen vereist zijn, met inbegrip van, indien van toepassing, het opnieuw inplannen van de zitting of de intrekking van het EBDA.
Artikel 44
Termijnen voor erkenning en tenuitvoerlegging
1.De beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging wordt genomen en het EBDA wordt ten uitvoer gelegd binnen de in de leden 2 tot en met 5 vastgestelde termijnen.
2.Indien de uitvaardigende autoriteit in het EBDA heeft aangegeven dat, vanwege proceduretermijnen, de ernst van het strafbare feit of andere bijzonder dringende omstandigheden, een kortere termijn nodig is voor de beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging dan die waarin dit artikel voorziet, of indien de uitvaardigende autoriteit in het EBDA heeft aangegeven dat de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, op of vóór een specifieke datum moet(en) plaatsvinden, houdt de uitvoerende autoriteit zoveel mogelijk rekening met dat vereiste van een kortere termijn.
3.De uitvoerende autoriteit neemt de beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA zo spoedig mogelijk en, onverminderd lid 5, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het EBDA door de bevoegde uitvoerende autoriteit.
4.De uitvoerende autoriteit voert het EBDA uit conform de praktische regelingen die tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit zijn overeengekomen overeenkomstig artikel 42.
5.In specifieke gevallen waarin het voor de uitvoerende autoriteit niet haalbaar is de in lid 3 vastgestelde termijn of de door de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig lid 2 aangegeven specifieke termijn of datum in acht te nemen, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld en op elke willekeurige wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de voor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd. In dat geval kan de in lid 3 bedoelde termijn van dertig dagen met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
Artikel 45
Onmogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een EBDA
1.De niet-tenuitvoerlegging van een EBDA kan gerechtvaardigd zijn wanneer de oproeping voor de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, niet aan de betrokken persoon kan worden betekend of ter kennis gebracht omdat deze persoon, ondanks redelijke inspanningen, door de uitvoerende autoriteit niet kan worden gelokaliseerd op het grondgebied van de uitvoerende staat.
2.Alvorens een beslissing te nemen over de onmogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een EBDA, overlegt de uitvoerende autoriteit met de uitvaardigende autoriteit.
Artikel 46
Verplichting tot kennisgeving aan de uitvaardigende autoriteit
1.De bevoegde autoriteit in de uitvoerende staat die het EBDA ontvangt, geeft onverwijld en in elk geval binnen een week kennis van de ontvangst van het EBDA.
Indien een centrale autoriteit is aangewezen, geldt de verplichting tot bevestiging van de ontvangst van het EBDA zowel voor de centrale autoriteit als voor de uitvoerende autoriteit die het EBDA van de centrale autoriteit ontvangt.
In de in artikel 40, lid 4, bedoelde gevallen geldt de verplichting tot bevestiging van de ontvangst van het EBDA zowel voor de bevoegde autoriteit die het EBDA in eerste instantie heeft ontvangen als voor de uitvoerende autoriteit waaraan het EBDA uiteindelijk wordt doorgezonden.
2.De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onmiddellijk op elke willekeurige wijze in kennis van het volgende:
(a)ingeval de uitvoerende autoriteit onmogelijk een beslissing over de erkenning of tenuitvoerlegging kan nemen omdat het in bijlage VIII vastgestelde formulier onvolledig of kennelijk onjuist is ingevuld;
(b)ingeval de uitvoerende autoriteit vaststelt dat zij in een specifiek geval de formaliteiten en procedures die de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 41 uitdrukkelijk heeft aangegeven, niet in acht kan nemen.
3.De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld in kennis van het volgende:
(a)elke beslissing die overeenkomstig artikel 43 is genomen en de redenen voor die beslissing;
(b)wanneer de uitvoerende autoriteit, na overleg met de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 45, lid 2, van oordeel is dat het onmogelijk is een EBDA ten uitvoer te leggen.
4.De uitvaardigende autoriteit stelt de persoon op wie een EBDA betrekking heeft, in kennis van elke beslissing die door de uitvoerende autoriteit is genomen op grond van artikel 43 of 45.
Artikel 47
Voorlopige maatregelen
1.Wanneer een EBDA is uitgevaardigd om de deelname aan een strafprocedure van een verdachte of beschuldigde vanuit de uitvoerende staat te vergemakkelijken en de procedure heeft geleid tot een schuldigverklaring en het opleggen van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, stelt de uitvaardigende staat, in voorkomend geval, de uitvoerende staat in kennis van zijn voornemen om een EAB uit te vaardigen.
2.De uitvoerende staat zorgt ervoor dat, wanneer hij hiervan in kennis wordt gesteld, zijn bevoegde autoriteiten op grond van en overeenkomstig het nationale recht passende voorlopige maatregelen kunnen nemen om te waarborgen dat de betrokken persoon op zijn grondgebied blijft, onder meer door die persoon aan te houden, in afwachting van de ontvangst van en de beslissing over de erkenning en tenuitvoerlegging van het EAB.
Artikel 48
Overleg tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit
1.Indien nodig plegen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit onverwijld overleg met elkaar teneinde de efficiënte toepassing van deze titel te bevorderen.
2.Indien de uitvaardigende autoriteit van oordeel is dat dit de doeltreffende toepassing van deze titel zou bevorderen, kan zij ook vóór de uitvaardiging van het EBDA, op elke passende wijze, overleg plegen met de uitvoerende autoriteit. De uitvoerende autoriteit reageert zonder onnodige vertraging op het verzoek om overleg.
Artikel 49
Procedurele rechten en waarborgen
1.Bij de uitvoering van deze richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat het eerlijke verloop van de procedure waarop het EBDA betrekking heeft en de rechten van de personen op wie het EBDA betrekking heeft, worden geëerbiedigd, zoals bepaald in het Unierecht, in het bijzonder de rechten van verdachten en beschuldigden zoals neergelegd in de Richtlijnen 2010/64/EU, 2012/13/EU, 2013/48/EU, (EU) 2016/343, (EU) 2016/800 en (EU) 2016/1919, en de rechten van slachtoffers van misdrijven zoals neergelegd in Richtlijn 2012/29/EU, en in het respectieve recht van de uitvaardigende of uitvoerende staat, voor zover dit in overeenstemming is met het Unierecht, zoals van toepassing overeenkomstig artikel 42.
De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken persoon deze rechten daadwerkelijk op afstand kan uitoefenen vanuit de uitvoerende lidstaat, en wel op een wijze die het eerlijke verloop van de procedure waarborgt, zowel tijdens de zitting(en) op afstand waarop het EBDA betrekking heeft als vóór en na die zitting(en), wanneer de uitoefening van de betrokken rechten verband houdt met de desbetreffende zitting(en).
2.De lidstaten zorgen ervoor dat er passende procedurele regelingen worden getroffen ten behoeve van kwetsbare verdachten, beschuldigden of slachtoffers van misdrijven die anders niet daadwerkelijk op afstand zouden kunnen deelnemen aan de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, onder meer door bijzondere beschermingsmaatregelen toe te passen.
Wanneer het EBDA betrekking heeft op een kind, zorgen de lidstaten ervoor dat de belangen van het kind steeds de eerste overweging vormen bij elke beslissing die overeenkomstig deze titel ten aanzien van het kind wordt genomen.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat een persoon die het recht heeft om aanwezig te zijn bij de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft en die overeenkomstig artikel 37 verzoekt om of instemt met deelname aan meer dan één zitting op afstand, het recht heeft om voor latere zittingen die onder het EBDA vallen, over te schakelen op persoonlijke deelname. In dergelijke gevallen trekt de uitvaardigende autoriteit het EBDA in.
Artikel 50
Rechtsmiddelen
1.De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf op wie een EBDA betrekking heeft, daadwerkelijk alle rechtsmiddelen kan aanwenden die krachtens het recht van de uitvaardigende staat beschikbaar zijn in de strafprocedure waarop het EBDA betrekking heeft.
2.Een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf op wie een EBDA betrekking heeft, heeft in de uitvaardigende staat recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen de uitvaardiging van een EBDA indien daardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn rechten. De betrokken persoon heeft met name het recht om op te komen tegen een overeenkomstig artikel 37, lid 2, genomen beslissing waarbij zonder zijn toestemming een EBDA is uitgevaardigd.
3.Een verdachte, beschuldigde of slachtoffer van een misdrijf op wie een EBDA betrekking heeft, heeft in de uitvoerende staat recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een EBDA indien door de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA afbreuk wordt gedaan aan zijn rechten. De aanwending van dergelijke rechtsmiddelen heeft opschortende werking ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging van het EBDA.
4.De uitvoerende autoriteit houdt toezicht op de technische en praktische voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het EBDA en stelt de uitvaardigende autoriteit onmiddellijk in kennis van alle technische of praktische problemen die de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de betrokken persoon of het eerlijke verloop van de procedure kunnen beïnvloeden.
Indien er zich dergelijke problemen voordoen tijdens de zitting(en) waarop het EBDA betrekking heeft, stelt de uitvoerende autoriteit of de bevoegde autoriteit in de uitvoerende staat die op de zitting aanwezig is, de uitvaardigende autoriteit daarvan onmiddellijk op elke passende wijze in kennis. De betrokken zitting wordt opgeschort en de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit of, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteit in de uitvoerende staat die op de zitting aanwezig is, werken samen om alle passende maatregelen te nemen om deze problemen onverwijld te verhelpen en, indien nodig, de desbetreffende zitting opnieuw in te plannen en te herhalen.
Indien de technische problemen aanhouden en niet binnen een redelijke termijn kunnen worden opgelost, kan de uitvaardigende autoriteit beslissen het EBDA in te trekken. In dergelijke gevallen wordt de zitting of worden de zittingen opnieuw ingepland, zodat de betrokken persoon voldoende tijd heeft om zijn fysieke aanwezigheid op de zitting(en) in de uitvaardigende staat te organiseren.
5.De lidstaten zorgen ervoor dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel overeenkomstig de leden 2 en 3, de uitoefening van het recht op een dergelijk rechtsmiddel in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
6.De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die zijn ingesteld overeenkomstig de leden 2 en 3 en van de uitkomst daarvan.
🡻 2023/2843/EU art. 11.1 (aangepast)
⇨ nieuw
TITEL IV
⌦ GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN ⌫
Artikel 515 bis
Communicatiemiddelen
1.Met uitzondering van communicatie in het kader van artikel 109, lid 6, artikel 1211, lid 4, artikel 1312, leden 5 en 6, en artikel 16, lid 2, eerste alinea, ⇨ artikel 22, lid 4, artikel 30, lid 6, artikel 43, lid 4, artikel 44, lid 5, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 2, en artikel 50, lid 3, ⇦ verloopt de officiële communicatie tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit ⇨ , tussen de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat en de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat, tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit als bedoeld in artikel 35, en tussen dergelijke nationale bevoegde autoriteiten en Eurojust of het Europees Openbaar Ministerie, ⇦ in het kader van deze richtlijn overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad.
⇩ nieuw
2.Communicatie op grond van artikel 10, lid 6, artikel 12, lid 4, artikel 13, leden 5 en 6, artikel 16, lid 2, eerste alinea, artikel 22, lid 4, artikel 30, lid 6, punt a), artikel 43, lid 4, artikel 44, lid 5, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 2, en artikel 50, lid 3, kan plaatsvinden via de snelste en meest geschikte verzendmiddelen, met inbegrip van het gedecentraliseerde IT-systeem.
🡻 2014/41/EU
⇨ nieuw
3.2.Indien een lidstaat een centrale autoriteit of autoriteiten heeft aangewezen, zijn is de leden lid1 ⇨ en 2 ⇦ ook van toepassing op de officiële communicatie met de centrale autoriteit of autoriteiten van een andere lidstaat.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
Artikel 52 7
⌦ Aanwijzing van centrale autoriteiten ⌫
3. Onverminderd artikel 2, onder d), kanIedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde daarin voorziet, meer centrale autoriteiten aanwijzen die de bevoegde autoriteiten zullen bijstaan ⌦ in het kader van deze richtlijn ⌫. Een lidstaat kan, indien ⌦ wanneer ⌫ zijn rechterlijke organisatie zulks vereist, één of meer centrale autoriteiten belasten met de administratieve toezending en de ontvangst van :
(a)de EOB’s,
⇩ nieuw
(b)kennisgevingen als bedoeld in artikel 30, lid 6, punt a), en de artikelen 33 en 34,
(c)verzoeken om toestemming voor het gebruik van eerder uitgewisselde informatie als bewijsmateriaal,
(d)EBDA’s,
🡻 2014/41/EU (aangepast)
e)
en de desbetreffende officiële correspondentie ⌦ in verband met de punten a) tot en met d) ⌫ .
⇩ nieuw
Artikel 53
Samenwerking met Eurojust en het Europees justitieel netwerk
De uit hoofde van deze richtlijn bevoegde autoriteiten kunnen in elke fase van de procedure in het kader van deze richtlijn om bijstand van Eurojust of het Europees Justitieel Netwerk verzoeken, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 5421
Kosten
1.Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, worden alle kosten die op het grondgebied van de uitvoerende staat in verband met de tenuitvoerlegging van een EOB ⇨ of een EBDA ⇦ zijn gemaakt, door deze staat gedragen.
2.Als de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat de kosten voor de tenuitvoerlegging van het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ als uitzonderlijk hoog kunnen worden beschouwd, kan zij samen met de uitvaardigende autoriteit nagaan of en hoe de kosten kunnen worden gedeeld, dan wel of het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ kan worden gewijzigd.
De uitvoerende autoriteit geeft de uitvaardigende autoriteit voorafgaandelijk een gespecificeerde opgave van het deel van de kosten dat uitzonderlijk hoog wordt geacht.
3.In uitzonderlijke gevallen waarin geen overeenstemming kan worden bereikt aangaande kosten als bedoeld in lid 2, kan de uitvaardigende autoriteit besluiten:
(a)het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ geheel of gedeeltelijk in te trekken, of
(b)het EOB ⇨ of het EBDA ⇦ te handhaven en het deel van de kosten te dragen dat uitzonderlijk hoog wordt geacht.
⇩ nieuw
Artikel 55
Statistieken
1.De lidstaten verzamelen uitgebreide statistieken om de Commissie in staat te stellen toezicht te houden op de toepassing van deze richtlijn. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden die statistieken bij en zenden ze jaarlijks aan de Commissie toe. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen persoonsgegevens verwerken die nodig zijn voor het opstellen van die statistieken. De aan de Commissie toegezonden statistieken blijven beperkt tot geaggregeerde gegevens en bevatten geen persoonsgegevens.
2.De in lid 1 bedoelde statistieken omvatten alle volgende elementen:
(a)het aantal EOB’s en kennisgevingen uit hoofde van artikel 30, lid 6, punt a), dat door de uitvaardigende staat is toegezonden;
(b)het aantal EOB’s dat door de uitvoerende staat ten uitvoer is gelegd;
(c)het aantal EOB’s dat, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk, niet is erkend en niet ten uitvoer is gelegd, met vermelding van de gronden voor niet-erkenning/niet-tenuitvoerlegging, met inbegrip van gevallen waarin het conform artikel 11, lid 5, niet mogelijk is bijstand te verlenen en gevallen waarin het EOB overeenkomstig artikel 10, lid 3, is teruggestuurd door de uitvoerende staat;
(d)het aantal gevallen waarin rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen de uitvaardiging of de tenuitvoerlegging van het EOB en het aantal beslissingen dat met succes is aangevochten;
(e)de tijd die nodig was voor de toezending van bewijsmateriaal of de tijd die nodig was voor de toezending van informatie over de beslissing tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een EOB;
(f)het aantal kennisgevingen uit hoofde van de artikelen 33 en 34 dat door de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat is toegezonden, en het aantal bezwaren dat door de in kennis gestelde lidstaat is toegezonden naar aanleiding van dergelijke kennisgevingen;
(g)het aantal EBDA’s dat door de uitvaardigende staat is toegezonden, met inbegrip van informatie over de fase van de procedure waarop ze betrekking hadden en over de vraag of ze betrekking hadden op een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer van een misdrijf;
(h)het aantal EBDA’s dat is erkend en ten uitvoer is gelegd;
(i)het aantal EBDA’s waarvan de erkenning of tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk is geweigerd, met inbegrip van informatie over de aangevoerde grond voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging, over de fase van de procedure waarop de EBDA’s betrekking hadden en over de vraag of ze betrekking hadden op een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer van een misdrijf;
(j)het aantal gevallen waarin rechtsmiddelen zijn ingesteld tegen de uitvaardiging of de tenuitvoerlegging van het EBDA, met vermelding of het rechtsmiddel is ingesteld door een verdachte, een beschuldigde of een slachtoffer, en het aantal beslissingen dat met succes is aangevochten.
3.De in artikel 12 van Verordening (EU) 2023/2844 bedoelde referentie-implementatiesoftware en, voor zover daartoe uitgerust, de in artikel 12, lid 1, van die verordening bedoelde nationale back-endsystemen, verzamelen programmagewijs de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens en zenden deze jaarlijks toe aan de Commissie.
4.De in lid 2 van dit artikel bedoelde statistieken worden overeenkomstig lid 3 van dit artikel verzameld vanaf de in artikel 60, lid 3, bedoelde datum. Deze statistieken worden voor het eerst één jaar na die datum toegezonden.
5.Tot de in lid 4 van dit artikel bedoelde datum laat dit artikel de toepassing van artikel 16, lid 2, punten c) en d), van Verordening (EU) 2023/2844 onverlet met betrekking tot de volgende statistieken, voor zover deze overeenstemmen met de in die punten bedoelde informatie:
(a)het aantal EOB’s dat door de uitvaardigende staat via het gedecentraliseerde IT-systeem is toegezonden, als bedoeld in lid 2, punt a), van dit artikel;
(b)de tijd die nodig was voor de toezending van bewijsmateriaal of de tijd die nodig was voor de toezending van informatie over de beslissing tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een EOB, als bedoeld in lid 2, punt e), van dit artikel;
(c)het aantal kennisgevingen uit hoofde van artikel 33 dat is toegezonden door de bevoegde autoriteit van de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat, als bedoeld in lid 2, punt f), van dit artikel.
6.Met ingang van de in lid 4 van dit artikel bedoelde datum vormen het verzamelen en toezenden van de in lid 2, punten a), e) en f), van dit artikel bedoelde statistieken een gelijkwaardige kennisgevingsprocedure in de zin van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2023/2844 voor de in artikel 16, lid 2, punten c) en d), van die verordening bedoelde informatie.
Artikel 56
Wijzigingen van de standaardformulieren
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 57 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I tot en met IX door de in die bijlagen opgenomen standaardformulieren bij te werken of daarin technische wijzigingen aan te brengen.
Artikel 57
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 56 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 56 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een op grond van artikel 56 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
TITEL V
⌦ OVERGANGS- EN ⌫ SLOTBEPALINGEN
Artikel 5833
Kennisgevingen
1.Uiterlijk ⇨ [twee jaar na de inwerkingtreding] ⇦ op 22 mei 2017 verstrekt elke lidstaat de Commissie de volgende gegevens:
(a)de autoriteit of de autoriteiten die, overeenkomstig hun nationale recht, volgens ⌦ conform ⌫ artikel 2, onder c) ⇨ lid 1, punten c) ⇦ en d), bevoegd zijn indien deze lidstaat de uitvaardigende staat of de uitvoerende staat is ⇨ in de zin van deze bepalingen ⇦ ;
⇩ nieuw
(b)de autoriteit of autoriteiten die, overeenkomstig hun nationale recht, conform de artikelen 33 en 34 bevoegd zijn indien deze lidstaat de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat of de in kennis gestelde lidstaat is;
(c)de autoriteit of autoriteiten die krachtens artikel 30, lid 6, punt a), zijn aangewezen voor de toezending en ontvangst van dringende kennisgevingen overeenkomstig dat artikel, indien deze lidstaat de uitvaardigende staat of de uitvoerende staat is;
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
(db)
de ⇨ aanvaarde ⇦ talen waarin een EOB kan worden opgesteld , zoals bepaald in artikel 65 , lid 2, ⇨ en artikel 38, lid 3 ⇦ ;
(ec)
de gegevens betreffende de aangewezen centrale autoriteit of autoriteiten indien ⌦ wanneer ⌫ de lidstaat gebruik wenst te maken van de in artikel 7, lid 3,52 geboden mogelijkheid ⌦ , waarbij de desbetreffende verantwoordelijkheden worden verduidelijkt ⌫ . Deze gegevens zijn bindend voor de autoriteit van de uitvaardigende staat.
2.De lidstaat kan de Commissie tevens opgave doen van de documenten die hij krachtens artikel 22, lid 4, nodig heeft.
3.De lidstaten delen de Commissie alle wijzigingen van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens mee.
4.De Commissie stelt de op grond van de toepassing van dit artikel ontvangen gegevens beschikbaar voor alle lidstaten en het ⌦ Europees justitieel netwerk ⌫ EJN. Het ⌦ Europees justitieel netwerk ⌫ EJN maakt de gegevens beschikbaar op de website, bedoeld in artikel 9 van Besluit 2008/976/JBZ van de Raad
(18)
.
⇩ nieuw
5.Kennisgevingen die zijn toegezonden uit hoofde van artikel 33, leden 1 en 2, van Richtlijn 2014/41/EU blijven geldig voor de toepassing van deze richtlijn, tenzij ze overeenkomstig dit artikel worden vervangen of bijgewerkt.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 5934
Verhouding tot andere rechtsinstrumenten, overeenkomsten en regelingen
1.Onverminderd de toepassing ervan tussen de lidstaten en derde landen en de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 6035 , vervangt deze richtlijn met ingang van 22 mei 2017 de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen die tussen de door deze richtlijn gebonden lidstaten van toepassing zijn Ö en die overeenstemmen met de bepalingen van deze richtlijn (“overeenkomstige bepalingen”) Õ :
(a)het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 20 april 1959, alsmede de twee ⌦ drie ⌫ aanvullende protocollen, en de overeenkomstig artikel 26 van dat verdrag gesloten bilaterale overeenkomsten;
(b)de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord;
(c)de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het bijbehorende protocol.;
⇩ nieuw
(d)het Verdrag van de Raad van Europa inzake cybercriminaliteit van 23 november 2001 en de aanvullende protocollen daarbij;
(e)het Verdrag van de Verenigde Naties tegen cybercriminaliteit van 24 december 2024;
(f)het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;
(g)het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie;
(h)het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
2.De overeenkomstige bepalingen van de in lid 1, punten a), b) en c), bedoelde conventies worden met ingang van 22 mei 2017 vervangen. De overeenkomstige bepalingen van de in lid 1, punten d), e), f), g) en h), bedoelde verdragen worden met ingang van [twee jaar na de inwerkingtreding] vervangen.
3.Indien er na 22 mei 2017 een aanvullend protocol bij het in lid 1, punt a), bedoelde verdrag wordt aangenomen, worden de overeenkomstige bepalingen van dat protocol met ingang van [twee jaar na de inwerkingtreding] vervangen door de overeenkomstige bepalingen van deze richtlijn.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
2.
Kaderbesluit 2008/978/JBZ wordt vervangen door deze richtlijn ten aanzien van alle lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn. De bepalingen van Kaderbesluit 2003/577/JBZ worden vervangen ten aanzien van de lidstaten die aan door deze richtlijn gebonden zijn wat de bevriezing van bewijsmateriaal betreft.
Voor de lidstaten waarop deze richtlijn van toepassing is, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2008/978/JBZ en, waar het gaat over het bevriezen van bewijsmateriaal, naar Kaderbesluit 2003/577/JBZ, als verwijzingen naar deze richtlijn.
4.3.
De lidstaten mogen bilaterale en multilaterale overeenkomsten en regelingen met andere lidstaten die na ⇨ [twee jaar na de inwerkingtreding] ⇦ 22 mei 2017 van kracht zijn, naast de bepalingen van deze richtlijn blijven toepassen, mits dit ten goede komt aan de doelstellingen van deze richtlijn en ertoe bijdraagt de procedures voor bewijsgaring te vereenvoudigen of verder te versoepelen ⇨ of de deelname op afstand van verdachten, beschuldigden of slachtoffers van misdrijven aan strafzittingen vanuit een andere lidstaat verder te vergemakkelijken ⇦ , en mits het in deze richtlijn voorgeschreven niveau van waarborgen in acht wordt genomen.
54.
De lidstaten delen de Commissie uiterlijk ⇨ [twee jaar na de inwerkingtreding] ⇦ op 22 mei 2017 mee welke van de in lid 3 bedoelde overeenkomsten en regelingen zij willen blijven toepassen. De lidstaten geven de Commissie ook kennis van nieuwe overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 34, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.
⇩ nieuw
6.
Kennisgevingen die zijn toegezonden krachtens artikel 34, lid 4, van Richtlijn 2014/41/EU blijven geldig voor de toepassing van deze richtlijn, tenzij ze overeenkomstig lid 5 worden vervangen of bijgewerkt.
7.
Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord, voor zover die overeenkomst betrekking heeft op grensoverschrijdende observatie ten behoeve van operationele politiële samenwerking.
Artikel 60
Overgangsbepalingen
1.Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 1, lid 1, bedoelde procedures die vanaf [twee jaar na de inwerkingtreding] worden ingeleid.
2.Artikel 51 is echter, voor zover het betrekking heeft op mededelingen in verband met procedures uit hoofde van artikel 21, artikel 30, lid 6, de artikelen 34 en 35, en titel III, van toepassing op procedures die zijn ingeleid vanaf de door de Commissie vastgestelde datum.
3.De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde datum vast in een besluit na de aanneming van een uitvoeringshandeling uit hoofde van artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) 2023/2844, teneinde te waarborgen dat het gedecentraliseerde IT-systeem de toepassing van de bij deze richtlijn ingevoerde procedures mogelijk maakt. Die datum is de eerste dag van de maand volgend op de periode van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van die uitvoeringshandeling.
4.EOB’s en kennisgevingen van de lidstaat waar de persoon op wie de interceptie betrekking heeft zich bevindt en van waaruit geen technische bijstand vereist is, en die vóór [twee jaar na de inwerkingtreding] zijn ontvangen, blijven onder Richtlijn 2014/41/EU vallen.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
⇨ nieuw
Artikel 35
Overgangsbepalingen
1.
Vóór 22 mei 2017 ontvangen verzoeken om wederzijdse hulp blijven vallen onder de bestaande regelgeving betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Kaderbesluit 2003/577/JBZ is van toepassing op de op grond ervan gegeven beslissingen tot het bevriezen van bewijsmateriaal die vóór 22 mei 2017 zijn ontvangen.
2.
Artikel 8, lid 1, is van overeenkomstige toepassing op het EOB dat volgt op een bevriezingsbeslissing op grond van Kaderbesluit 2003/577/JBZ.
Artikel 6136
Omzetting
1.De lidstaten ⌦ doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden ⌫ treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op ⇨ [twee jaar na de inwerkingtreding] ⇦ 22 mei 2017 aan deze richtlijn te voldoen ⇨ aan de artikelen 1 en 2, artikel 3, lid 1, artikel 4, artikel 6, lid 1, punten f) en g), artikel 6, lid 4, artikel 8, leden 1 en 2, artikel 9, lid 3, artikel 10, lid 3, artikel 13, artikel 14, lid 5, artikel 17, leden 1 en 5, artikel 21, artikel 24, leden 1 en 2, en lid 5, punt a), artikel 28, lid 1, punten c) en d), artikel 28, lid 2, artikel 30, artikel 31, lid 7, de artikelen 33 tot en met 50, de artikelen 51 tot en met 55, de artikelen 58, 59 en 60 en de bijlagen I tot en met IX ⇦ . ⌦ Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee. ⌫
⇨ Zij passen die bepalingen toe vanaf [twee jaar na de inwerkingtreding]. ⇦
2.Wanneer de lidstaten die maatregelen ⌦ bepalingen ⌫ vaststellen, wordt in de maatregelen ⌦ bepalingen ⌫ zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. ⌦ In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten. ⌫ De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
3.
De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op 22 mei 2017 de tekst van de bepalingen waarmee zij hun uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen in nationaal recht omzetten.
⇩ nieuw
3.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
Artikel 37
Verslag over de toepassing
Uiterlijk vijf jaar na 21 mei 2014 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag uit over de toepassing van deze richtlijn, dat op zowel kwalitatieve als kwantitatieve informatie is gebaseerd en waarin met name de gevolgen ervan voor de samenwerking in strafzaken en voor de bescherming van personen worden beoordeeld, alsmede de uitvoering van de voorschriften betreffende de interceptie van telecommunicatie in het licht van de technische ontwikkelingen. Dit verslag gaat indien nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.
⇩ nieuw
Artikel 62
Verslag over de toepassing
Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de in artikel 60, lid 3, bedoelde uitvoeringshandeling dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn, vergezeld van de overeenkomstig artikel 55 door de lidstaten verstrekte en door de Commissie verzamelde informatie.
Artikel 63
Intrekking
Richtlijn 2014/41/EU wordt ingetrokken met ingang van [twee jaar minus één dag na de inwerkingtreding van deze richtlijn], onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage X, deel B, genoemde termijn voor de omzetting van de richtlijn.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XI.
🡻 2014/41/EU (aangepast)
Artikel 6438
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
🡻 2014/41/EU
Artikel 6539
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.