Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0989

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot downstreamgoederen en antiontwijkingsmaatregelen

COM/2025/989 final

Brussel, 17.12.2025

COM(2025) 989 final

2025/0419(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot downstreamgoederen en antiontwijkingsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2025) 989 final} - {SWD(2025) 987 final} - {SWD(2025) 988 final} - {SWD(2025) 989 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Verordening (EU) 2023/956 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (“CBAM-verordening”) 1 is op 1 oktober 2023 in werking getreden. Het CBAM zorgt ervoor dat de klimaatambitie van de EU niet wordt ondermijnd door koolstoflekkage, die ontstaat wanneer in de EU gevestigde bedrijven de productie van koolstofintensieve goederen naar derde landen met een minder streng klimaatbeleid verplaatsen. Koolstoflekkage kan zich ook voordoen wanneer EU-producten worden vervangen door goedkopere maar koolstofintensievere ingevoerde producten. Door koolstoflekkage worden emissies derhalve van de EU naar derde landen verplaatst, waardoor de beoogde vermindering van de wereldwijde koolstofemissies niet wordt verwezenlijkt. Het CBAM pakt dit risico aan door koolstofintensieve goederen die in de EU worden ingevoerd, te onderwerpen aan een koolstofprijs die gelijkwaardig is aan de prijs die binnenlandse producenten in het kader van het EU-emissiehandelssysteem (“EU-ETS”) 2 moeten betalen. Na een overgangsperiode die sinds oktober 2023 van toepassing is, begint de volgende fase van het CBAM in januari 2026, met een geleidelijke invoering van koolstofbeprijzing voor ingevoerde ingebedde emissies.

De algemene doelstelling van het wetgevingsvoorstel is om de doeltreffendheid van het CBAM te versterken en zo broeikasgasemissies te verminderen en klimaatverandering wereldwijd te bestrijden.

Om een doeltreffende uitvoering van het CBAM te waarborgen, zal het voorstel de CBAM-verordening wijzigen om drie belangrijke kwesties te adresseren. In de eerste plaats voorziet het voorstel in uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM om het risico van koolstoflekkage aan te pakken voor producten verderop in de waardeketen van de staal- en aluminiumproducten die momenteel onder het toepassingsgebied van het CBAM vallen. In de tweede plaats is het voorstel gericht op het tegengaan van pogingen om de naleving van de CBAM-verplichtingen te omzeilen. In de derde plaats zullen de technische regels voor de toewijzing van emissies aan elektriciteit dankzij het voorstel worden verbeterd, waardoor de decarbonisatie van ingevoerde elektriciteit zal worden aangemoedigd. Waar nodig zal het voorstel ook voorzien in een aantal kleine vereenvoudigingen en verbeteringen bij de toepassing van het mechanisme en een geïntegreerde CBAM-ruimte met de EER-EVA-landen mogelijk maken.

Het CBAM is momenteel van toepassing op een beperkte reeks basisgoederen, die zijn opgenomen in bijlage I bij de CBAM-verordening (aluminium, cement, elektriciteit, meststoffen, waterstof en gietijzer, ijzer en staal). Deze basismaterialen worden vaak gebruikt als intermediaire input bij de productie van goederen verderop in de waardeketen (downstreamproducten). EU-producenten van deze downstreamproducten worden geconfronteerd met een dubbele kostendruk, die hen ertoe zou kunnen aanzetten hun activiteiten te verplaatsen, waardoor de EU haar emissies naar het buitenland zou “exporteren” en de doeltreffendheid van het klimaatbeleid van de EU teniet zou worden gedaan. Ten eerste wordt verwacht dat de kosten van basismaterialen van binnenlandse oorsprong zullen stijgen als gevolg van de verhoogde klimaatambitie van de EU en de geleidelijke uitfasering van gratis emissierechten in het kader van het EU-ETS 3 . Ten tweede zal de geleidelijke invoering van het CBAM de kosten van ingevoerde basismaterialen die onder het toepassingsgebied van het CBAM vallen naar verwachting doen stijgen. Door deze dubbele kostenstijging wordt de kloof tussen de totale koolstofkosten voor binnenlandse downstreamproducenten en de koolstofkosten voor producenten uit derde landen groter. Dat heeft voor bepaalde downstreamproducten een aanzienlijk risico op koolstoflekkage tot gevolg.

Dit risico wordt erkend in artikel 30, lid 3, van de CBAM-verordening, waarin is vastgelegd dat de Commissie downstreamproducten waarvoor een risico van koolstoflekkage bestaat in kaart moet brengen met het oog op de mogelijke opname ervan in het toepassingsgebied van het CBAM. Het Europees actieplan voor staal en metaal van de Commissie 4 voorziet in de doelstelling om het toepassingsgebied van het CBAM uit te breiden, met bijzondere aandacht voor staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten. Overeenkomstig deze doelstelling, en op basis van een identificatie van de downstreamproducten waarvoor het risico van koolstoflekkage het grootst is en die een aanzienlijk aandeel CBAM-goederen bevatten, zal dit voorstel het toepassingsgebied van het CBAM uitbreiden tot een selectie van staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten. Een mogelijke uitbreiding tot downstreamproducten in andere CBAM-sectoren, met name tot goederen die verwant zijn aan cement, meststoffen en waterstof, wordt besproken in het in artikel 30, lid 2, van de CBAM-verordening voorziene evaluatieverslag van de Commissie. Een verdere uitbreiding tot deze goederen zal bij een toekomstige herziening van de wetgeving worden overwogen.

In het Europees actieplan voor staal en metaal wordt ook benadrukt dat het belangrijk is om het risico op ontwijking en omzeiling van het CBAM aan te pakken, omdat het de doeltreffendheid van het CBAM bij het voorkomen van het risico van koolstoflekkage zou kunnen ondermijnen. Het huidige CBAM-handhavingskader voorziet reeds in verschillende waarborgen ter bestrijding van ontwijking, onder meer om het risico op onjuiste indeling en te lage aangifte van goederen te beperken. Tijdens de overgangsperiode hebben verschillende belanghebbenden (waaronder nationale bevoegde autoriteiten, douaneautoriteiten, ondernemersorganisaties en individuele bedrijven) echter hun bezorgdheid geuit over het feit dat de CBAM-verordening onvoldoende waarborgen biedt tegen het risico op onjuiste aangifte van emissie-intensiteiten en het risico op misbruik. Het voorstel bevat bepalingen om deze risico’s te verminderen.

De ervaring met de uitvoering van het CBAM tijdens de overgangsperiode en de feedback van belanghebbenden hebben laten zien dat de regels voor ingevoerde elektriciteit te strikt zijn. In het huidige kader wordt met name onvoldoende rekening gehouden met de vooruitgang die elektriciteitsproducenten van buiten de EU hebben geboekt bij het decarboniseren van hun elektriciteitsopwekking, waardoor de handel in koolstofarme elektriciteit wordt ontmoedigd en elektriciteitsproducenten uit derde landen slechts in beperkte mate gestimuleerd worden om hun emissies te reduceren. Deze tekortkomingen worden veroorzaakt door twee belangrijke factoren. In de eerste plaats weerspiegelen de standaardemissiewaarden 5 voor ingevoerde elektriciteit overeenkomstig de CBAM-verordening alleen de elektriciteitsproductie uit fossiele brandstoffen. Mogelijk overschatten deze standaardwaarden daardoor het koolstofgehalte van elektriciteit uit derde landen die relatief schone energie naar de EU uitvoeren. In de tweede plaats is gebleken dat het in de praktijk zeer moeilijk is om te voldoen aan de voorwaarden voor de aangifte van de werkelijke emissies van elektriciteit. Het voorstel bevat bepalingen om deze problemen aan te pakken.

Tot slot zal het voorstel ook kleine verbeteringen aanbrengen in de toepassing van het mechanisme; zo wordt onder meer de mogelijkheid voor nationale bevoegde autoriteiten om een zekerheid te vragen uitgebreid, wordt verduidelijkt dat exploitanten geverifieerde emissiegegevens met andere exploitanten mogen delen, en wordt de verplichting voor de toegelaten CBAM-aangevers om een administratie bij te houden gestroomlijnd.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel, dat tot doel heeft de doeltreffendheid van het CBAM te verbeteren, zal ertoe bijdragen dat de Unie haar ambitieuze klimaatdoelstellingen kan verwezenlijken. De Europese klimaatwet voorziet in een juridisch bindende doelstelling voor de EU om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990 6 . Eerder dit jaar heeft de Europese Commissie verder voorgesteld om de netto-broeikasgasemissies tegen 2040 met 90 % te verminderen. De geplande vermindering van het totale aantal EU-ETS-emissierechten zal leiden tot een stijging van de koolstofprijs die in de EU voor emissies wordt betaald. Hierdoor neemt de behoefte aan doeltreffende en geloofwaardige instrumenten om het risico van koolstoflekkage aan te pakken toe. Een toename van de kloof tussen de koolstofkosten voor binnenlandse producenten enerzijds en producenten uit derde landen anderzijds, vergroot het risico op zowel downstreamkoolstoflekkage als omzeiling en ontwijking.

Het voorstel maakt deel uit van een ruimere inspanning om het CBAM doeltreffender te maken. Het voorstel bouwt voort op Verordening (EU) 2025/2083 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het CBAM 7 , door aanvullende vereenvoudigingen door te voeren zonder afbreuk te doen aan de milieudoelstelling van het mechanisme. Dit voorstel zal bijvoorbeeld de regels voor het gebruik van standaardwaarden voor ingevoerde elektriciteit verbeteren en het tegelijkertijd gemakkelijker maken om werkelijke waarden voor elektriciteit aan te geven.

De Commissie heeft ook een brede evaluatie van het CBAM uitgevoerd overeenkomstig artikel 30, lid 2, van de CBAM-verordening. In deze evaluatie is de balans van de werking van het mechanisme tot dusver opgemaakt, zijn de betrekkingen met en de effecten op ontwikkelingslanden, met inbegrip van de minst ontwikkelde landen (MOL’s) 8 , beoordeeld en zijn mogelijke volgende stappen overwogen. In de evaluatie is ook gekeken naar de mogelijkheid om het CBAM in de toekomst uit te breiden tot andere EU-ETS-sectoren waarvoor een risico van koolstoflekkage bestaat, alsook tot downstreamproducten in andere sectoren (cement, meststoffen en waterstof) 9 . Tegelijkertijd zal de Europese Commissie een reeks uitvoerings- en gedelegeerde handelingen vaststellen waarin de technische regels voor de werking van het CBAM binnen het huidige toepassingsgebied zullen worden neergelegd 10 .

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorgestelde initiatief maakt deel uit van de Clean Industrial Deal 11 en sluit nauw aan bij de doelstellingen van de aangekondigde wetgeving voor een industrieaccelerator (Industrial Accelerator Act — IAA).

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De CBAM-verordening is gebaseerd op artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”). Overeenkomstig artikel 191 en artikel 192, lid 1, van het VWEU draagt de Unie bij tot het nastreven van onder meer het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, en de bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het CBAM creëert een gemeenschappelijk alsmede uniform kader dat zorgt voor gelijkwaardigheid tussen het koolstofbeprijzingsbeleid op de interne markt van de EU en het koolstofbeprijzingsbeleid ten aanzien van ingevoerde goederen. Een uniforme toepassing van het CBAM is van cruciaal belang om te voorkomen dat betrokken goederen die in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, onder het CBAM vallen. De doeltreffendheid van het CBAM hangt af van een uniform koolstofprijssignaal dat in alle EU-lidstaten consistent wordt toegepast voor de desbetreffende sectoren. Ook de voorgestelde wijzigingen van de CBAM-verordening vereisen een dergelijke uniforme toepassing.

Verschillende maten van blootstelling aan het risico van koolstoflekkage vormen onvoldoende rechtvaardiging voor maatregelen op nationaal niveau. Het mechanisme is gericht op emissies die buiten de Unie worden uitgestoten, en net als het EU-ETS is het CBAM doelmatiger wanneer het op grotere schaal op uniforme wijze wordt toegepast.

Evenredigheid

Het voorstel heeft tot doel om de CBAM-verordening doeltreffender te maken teneinde de doeltreffendheid en integriteit van het klimaatbeleid van de EU te waarborgen. Tegelijkertijd zijn de beleidsopties ontworpen op een wijze die ervoor moet zorgen dat het effect op de administratieve lasten van bedrijven, autoriteiten en andere belanghebbenden wordt beperkt.

De voorgestelde uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM tot staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten bouwt voort op de logica van de huidige CBAM-verordening en het EU-ETS, met bijzondere aandacht voor de producten en sectoren waar de ingebedde emissies en het risico van koolstoflekkage het hoogst zijn. Zoals beschreven in punt 8.1 van de effectbeoordeling bij het voorstel, zijn ook de mogelijke effecten van de beleidsopties op het gebied van complexiteit en administratieve lasten beoordeeld. Voor deze evaluatie is gebruikgemaakt van een reeks efficiëntie- en evenredigheidsindicatoren, waaronder de totale productie- en invoeremissies per GN-code en een indicator die de materiaalsamenstelling van downstreamproducten weergeeft. Producten met een groter aandeel basismaterialen in hun gewicht hebben meer ingebedde emissies in verhouding tot het totale gewicht van het product en brengen daardoor doorgaans het grootste risico op lekkage met zich mee. Bovendien zijn indicatoren gebruikt om ervoor te zorgen dat bij de selectie van goederen ook rekening wordt gehouden met de complexiteit van toeleveringsketens. Op basis hiervan wordt het toepassingsgebied van het CBAM in het voorstel op een zodanige wijze uitgebreid tot een selectie van staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten dat de milieuvoordelen worden gemaximaliseerd, door ook extra emissies te bestrijken, terwijl tegelijkertijd de administratieve lasten en de complexiteit voor importeurs en exploitanten uit derde landen zoveel mogelijk worden beperkt.

Met betrekking tot het risico op omzeiling en ontwijking is in het voorstel een evenwicht gevonden tussen de noodzaak om de doeltreffendheid van het CBAM te waarborgen en de noodzaak om de complexiteit en de administratieve lasten van het mechanisme te beperken. Het voorstel voorziet in een flexibele en gerichte aanpak, door middel van uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen, voor het identificeren van invoer met een risico op ontwijking of andere praktijken om CBAM-verplichtingen te omzeilen, waarvoor aanvullende voorwaarden voor het gebruik van werkelijke emissies moeten gelden.

Met betrekking tot ingevoerde elektriciteit zal het voorstel de voorwaarden voor het aangeven van werkelijke emissiewaarden vereenvoudigen. Hierdoor zal het CBAM de decarbonisatie in derde landen beter kunnen stimuleren en wordt het gebruik van werkelijke emissiewaarden voor alle belanghebbenden haalbaarder. De gewijzigde aanpak voor standaardwaarden voor ingevoerde elektriciteit leidt niet tot extra complexiteit voor importeurs of exploitanten uit derde landen.

Keuze van het instrument

Het voorstel vereist een wijziging van de CBAM-verordening. Het voorstel voorziet in specifieke regels die nodig zijn voor de toepassing van de CBAM-verordening. Bovendien moet deze verordening in de hele Unie op uniforme en consistente wijze worden toegepast en gehandhaafd om de doelstellingen van artikel 32 (betreffende een gemeenschappelijke aanpak van buitenlands beleid) en artikel 207 van het VWEU (betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek) na te streven.

Om die reden kunnen de doelstellingen van het huidige voorstel het best door een verordening worden verwezenlijkt. Die zorgt ervoor dat de bepalingen rechtstreeks van toepassing zijn.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Het voorstel is gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van de CBAM-verordening sinds het mechanisme in de overgangsfase op 1 oktober 2023 van toepassing is geworden.

Raadpleging van belanghebbenden

Sinds het CBAM op 1 oktober 2023 in de overgangsfase van toepassing is geworden, hebben de diensten van de Commissie via verschillende communicatiekanalen voortdurend overleg gepleegd met belanghebbenden in de Unie en in derde landen. In de periode van 1 juli tot en met 26 augustus 2025 is een verzoek om input gepubliceerd en een openbare raadpleging gehouden met betrekking tot de uitbreiding van het toepassingsgebied tot downstreamproducten, het risico op ontwijking en praktijken die de doelstellingen van het CBAM kunnen ondermijnen, en elektriciteit. Uit de openbare raadpleging is naar voren gekomen dat de meeste downstreambelanghebbenden van mening zijn dat het CBAM een risico op koolstoflekkage in downstreamsectoren met zich meebrengt. Zij zijn het er grotendeels over eens dat de uitbreiding van het CBAM tot downstreamproducten dit risico van koolstoflekkage zou verminderen, het klimaatbeleid van de EU zou versterken, koolstofarme innovatie zou bevorderen en zowel het verbruik van koolstofarme producten in de EU als de wereldwijde inspanningen op het gebied van koolstofbeprijzing zou aanmoedigen. De meeste respondenten gaven aan dat het risico bestaat dat het huidige CBAM wordt ontweken, wat de doeltreffendheid ervan zou kunnen ondermijnen. De meeste respondenten merkten ook op dat de huidige methode voor het berekenen van de standaardwaarden voor elektriciteit niet geschikt is omdat daarin geen rekening wordt gehouden met elektriciteit die op basis van niet-fossiele brandstoffen wordt geproduceerd. Daarnaast gaven de meeste respondenten te kennen dat de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit moeten worden vereenvoudigd.

De diensten van de Commissie hebben eveneens uitgebreid overleg gepleegd met overheidsinstanties in de EU en in derde landen, alsook met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld en met internationale of intergouvernementele organisaties. Deze raadplegingen namen de vorm aan van bilaterale vergaderingen, besprekingen in de CBAM-deskundigengroep, gesprekken in het kader van studies over de uitbreiding van het toepassingsgebied tot downstreamproducten en elektriciteit, en enquêtes onder de nationale bevoegde autoriteiten en douaneautoriteiten in het kader van het CBAM-kader voor risicobeheer.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Het voorstel is opgesteld op basis van een aantal studies en van deskundig advies, waarbij de mogelijke ontwerpopties en de ecologische, sociale en economische gevolgen ervan zijn geanalyseerd.

Voorafgaand aan de voorbereiding van het voorstel is een specifieke ondersteunende studie verricht die focuste op de uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM tot staal- en aluminiumintensieve downstreamgoederen. Naast deze studie zijn met de steun van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie specifieke modellen voor sociaaleconomische en milieueffecten opgesteld en hebben de diensten van de Commissie uitgebreide bureauonderzoeken en grondige statistische analyses verricht. Voorts is in het kader van dit initiatief rekening gehouden met de informatie die is verzameld in het kader van sectorale studies, waaronder een studie over elektriciteit als CBAM-goed.

Om input voor de bovengenoemde analyse te verkrijgen, hebben de diensten van de Commissie gerichte raadplegingen met de betrokken marktdeelnemers en de lidstaten gehouden en met belanghebbenden van gedachten gewisseld in de CBAM-deskundigengroep en tijdens specifieke bijeenkomsten met belanghebbenden. De diensten van de Commissie hebben ook de gegevens geanalyseerd die zij had verzameld uit door aangevers tijdens de overgangsperiode ingediende CBAM-kwartaalverslagen.

Effectbeoordeling

De Raad voor regelgevingstoetsing heeft een positief advies met voorbehoud uitgebracht ten aanzien van de effectbeoordeling, en heeft een aantal voorstellen voor verbetering voorgelegd. Het effectbeoordelingsverslag is aangepast om deze suggesties in aanmerking te nemen.

In de effectbeoordeling worden de beleidsopties beschreven die in overweging zijn genomen voor een downstreamuitbreiding, voor aanvullende waarborgen tegen ontwijking en tegen praktijken die de doelstellingen van het CBAM zouden kunnen ondermijnen, en voor herziene regels inzake de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit. Alle opties worden beoordeeld op hun doeltreffendheid bij het adresseren van de relevante kwesties. Daarnaast omvat de beoordeling ook een beschrijving van de effecten van de mogelijke beleidsopties op economische en sociale indicatoren en op de administratieve lasten, gevolgd door een conclusie over de voorkeursoptie. De beleidsopties worden vergeleken met een basisscenario dat het momenteel bij wet vastgestelde CBAM weerspiegelt. Het basisscenario omvat ook de uitvoering van het “Fit for 55”-pakket van klimaatmaatregelen van de EU, met inbegrip van de uitfasering van gratis emissierechten in het kader van het EU-ETS. Voorts wordt in het basisscenario uitgegaan van de uitvoering van de in oktober 2025 vastgestelde vereenvoudiging van het CBAM, met inbegrip van de op massa gebaseerde de-minimisdrempel per importeur per jaar van 50 ton CBAM-goederen (voor vier categorieën CBAM-goederen).

Voor een mogelijke uitbreiding van het toepassingsgebied tot downstreamproducten van de basismaterialen staal en aluminium is het risico van koolstoflekkage van de producten beoordeeld aan de hand van twee hoofdcriteria. Allereerst is de handelsintensiteit 12 van goederen genomen als graadmeter voor de verhandelbaarheid ervan. Goederen die gemakkelijker verhandelbaar zijn, lopen een groter risico op koolstoflekkage als gevolg van verplaatsing van de productie of vervanging door invoer uit derde landen. Daarnaast geeft een kostendrukindicator weer in welke mate de koolstofkosten van CBAM-inputmaterialen de totale kosten van een downstreamgoed bepalen in verhouding tot de totale toegevoegde waarde ervan. Om ervoor te zorgen dat alleen producten met de hoogste klimaatrelevantie worden opgenomen, zijn goederen onder een bepaalde ondergrens van totale ingebedde emissies op sectoraal niveau uitgesloten van de selectie. De toepassing van verschillende drempels voor deze criteria heeft geresulteerd in drie representatieve opties voor een downstreamuitbreiding. Optie 1 voorziet in een gerichte uitbreiding tot uitsluitend de goederen met het hoogste risico op koolstoflekkage en de hoogste emissie-intensiteit. Optie 2 voorziet in een evenwichtige uitbreiding tot risicovolle downstreamgoederen met een hoge emissie-intensiteit. Optie 3 voorziet in een ruime uitbreiding tot alle downstreamgoederen waarvoor een risico bestaat.

In de effectbeoordeling wordt geconcludeerd dat optie 2 de voorkeursoptie is, gelet op de doelstelling om de milieuvoordelen te maximaliseren en tevens de kosten in de vorm van extra complexiteit en administratieve lasten te beperken. In deze optie zijn de milieuvoordelen wat betreft de bestreken emissies, vermindering van koolstoflekkage en geraamde emissiereductie aanzienlijk groter dan in optie 1. Tegelijkertijd zijn de milieuvoordelen van optie 2 vergelijkbaar met die van optie 3, terwijl de verwachte kosten veel beperkter zijn. Optie 2 heeft in vergelijking met optie 3 gevolgen voor een kleiner aantal importeurs, en heeft betrekking op minder nieuwe GN-codes en over het algemeen op goederen die minder complex zijn voor de berekening van de ingebedde emissies.

Om het risico van koolstoflekkage verder te beperken, zijn met betrekking tot schroot twee hoofdopties overwogen. Optie 1 voorziet in de opname van preconsumptieschroot in het toepassingsgebied van het CBAM als CBAM-precursor. In optie 2 wordt zowel pre- als postconsumptieschroot aangemerkt als CBAM-precursor. In de effectbeoordeling wordt geconcludeerd dat optie 1 de beste algemene aanpak biedt, omdat deze alleen gericht is op gebieden met een hoog risico, waardoor onnodige administratieve lasten zo veel mogelijk worden beperkt. Met name is overwogen dat de opname van postconsumptieschroot als CBAM-precursor, zoals voorgesteld in optie 2, de circulaire economie zou kunnen ontmoedigen en niet in overeenstemming zou zijn met verschillende beleidsmaatregelen van de EU op dit gebied.

Voor ontwijkingspraktijken die de doelstellingen van het CBAM zouden kunnen ondermijnen, zijn twee beleidsopties overwogen, die een reeks maatregelen met elkaar gemeen hebben.

De gemeenschappelijke maatregelen bestaan er in de eerste plaats in om de Commissie de bevoegdheid te verlenen om GN-codes nader te specificeren teneinde de specifieke samenstelling van de verschillende producten die onder een bepaalde GN-code binnen het toepassingsgebied van het CBAM vallen beter weer te geven. Met deze bevoegdheid zal het mogelijk zijn om de relevante samenstellingen van producten binnen dezelfde GN-code te bestrijken. In de tweede plaats wordt de Commissie de bevoegdheid toegekend om aanvullende voorwaarden te verbinden aan het gebruik van werkelijke emissies voor bepaalde GN-codes/installaties van derde landen wanneer het risico op misbruik hoog is. Op deze manier kunnen er aanvullende voorwaarden worden vastgesteld waaraan moet worden voldaan om voor specifieke gevallen van goederen werkelijke geverifieerde waarden te mogen gebruiken, en kunnen bewijsstukken worden opgevraagd die aantonen dat er geen sprake is van misbruik. Deze voorwaarden en bewijzen moeten evenredig zijn en mogen exploitanten en importeurs niet onnodig belasten.

In optie 1 wordt voorgesteld om aluminium- en staalschroot vóór consumptie op te nemen als precursor, waardoor emissies kunnen worden toegeschreven aan schroot als precursor. Daarnaast krijgt de Commissie de bevoegdheid om te verzoeken om aanvullend bewijsmateriaal dat de plaats van productie aantoont, waardoor het risico dat als gevolg van het gebrek aan traceerbaarheid onjuiste emissie-intensiteiten worden aangegeven, zal worden verminderd. De verplichting om aanvullend bewijsmateriaal te verstrekken, zou gericht zijn op ingevoerde producten met specifieke GN-codes en plaatsen van oorsprong, aangezien de onjuiste aangifte van de emissie-intensiteit het belangrijkste materiële risico op ontwijking met zich meebrengt.

Optie 2 bouwt voort op optie 1, maar breidt het toepassingsgebied van de beleidsmaatregelen verder uit. Naast preconsumptieschroot wordt in deze optie ook postconsumptieschroot als CBAM-precursor beschouwd. De verplichting om bewijs van de plaats van productie te leveren, zou van toepassing zijn op alle GN-codes/plaatsen van oorsprong. Deze vereiste zou daarom gevolgen hebben voor alle CBAM-aangiften die op werkelijke emissiewaarden zijn gebaseerd.

De voorkeur gaat uit naar optie 1, vanwege de evenwichtige en evenredige benadering waarmee ontwijkingsrisico’s doeltreffend kunnen worden aangepakt.

Om de tekortkomingen bij de behandeling van ingevoerde elektriciteit te verhelpen, zijn vier opties in overweging genomen. Deze opties verschillen wat betreft de methode die wordt gebruikt om de emissiefactor te berekenen en de voorwaarden om werkelijke waarden aan te geven. Zij omvatten de verschillende combinaties van twee belangrijke beleidskeuzen: i) handhaving van de huidige aanpak voor een op fossiele brandstoffen gebaseerde CO2-emissiefactor van het land van uitvoer, of overschakeling op een gemiddelde netemissiefactor van het land van uitvoer; ii) aanpassing van het congestiecriterium door te verwijzen naar de afwezigheid van structurele congestie, of volledige schrapping van het criterium. Daarnaast zijn twee elementen ook van toepassing op alle opties. Ten eerste is er de wijziging van een van de criteria om te verduidelijken dat stroomafnameovereenkomsten (power purchase agreements — PPA’s) alleen fysieke PPA’s omvatten, terwijl ook het gebruik van indirecte PPA’s wordt toegestaan. Ten tweede wordt de voorwaarde met betrekking tot de nominatie van capaciteit gewijzigd en is deze alleen van toepassing in geval van expliciete capaciteitstoewijzing.

De voorkeursoptie voor ingevoerde elektriciteit bestaat erin om over te stappen op een gemiddelde netemissiefactor voor landen van uitvoer en om het congestiecriterium voor het gebruik van werkelijke emissiewaarden te schrappen. De gemiddelde netemissiefactor zal de decarbonisatietrend van het land van oorsprong beter weerspiegelen, omdat ook elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in aanmerking zal worden genomen. In combinatie met de wijzigingen in de voorwaarden met betrekking tot PPA’s en de nominatie van capaciteit, zal het schrappen van de voorwaarde dat er geen sprake mag zijn van netwerkcongestie de rapportage van werkelijke waarden verder vergemakkelijken.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

De uitbreiding van het toepassingsgebied van het CBAM tot staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten is gebaat bij de in oktober 2025 vastgestelde vereenvoudiging van het mechanisme 13 . Door de de-minimisdrempel van 50 ton ingevoerde CBAM-goederen worden ongeveer 182 000 importeurs uitgesloten van het huidige toepassingsgebied van het CBAM, waardoor de administratieve kosten voor importeurs met naar schatting 1 123 miljoen EUR per jaar dalen 14 . De de-minimisdrempel komt ook ten goede aan downstreamimporteurs, aangezien meer dan 90 % van de importeurs die actief zijn in sectoren die onder de in dit voorstel voorziene uitbreiding vallen, is uitgesloten van de CBAM-verplichtingen, terwijl meer dan 99 % van de emissies binnen het toepassingsgebied blijft.

Het effect van alle overwogen beleidsopties (zoals beschreven in het deel over de effectbeoordeling) op de administratieve lasten is zorgvuldig beoordeeld. Bij de samenstelling van het beleidspakket in dit voorstel zijn de milieuvoordelen afgewogen tegen de noodzaak om de extra administratieve lasten te beperken en te voorkomen dat het CBAM complexer wordt. De hierbij gemaakte keuzes worden ook beschreven in het deel over evenredigheid en de samenvatting van de effectbeoordeling in deze toelichting.

De downstreamuitbreiding van het CBAM heeft een bescheiden effect op het aantal kmo-importeurs (en kmo-producenten in derde landen) dat in het toepassingsgebied van het CBAM wordt opgenomen: de groep van nieuwe importeurs in het toepassingsgebied van het CBAM bestaat voor ongeveer de helft uit kmo’s. In totaal zullen aan ongeveer 3 800-3 900 extra kmo’s CBAM-verplichtingen worden opgelegd.

Grondrechten

Het voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Het voorstel draagt met name bij aan de doelstelling van een hoog niveau van milieubescherming overeenkomstig het in artikel 37 van het Handvest neergelegde beginsel van duurzame ontwikkeling.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De downstreamuitbreiding is niet bedoeld om inkomsten te genereren, maar om de doeltreffendheid van het CBAM bij het voorkomen van koolstoflekkage te versterken. Volgens de effectbeoordeling zal het voorstel tegen 2030 naar verwachting ongeveer 0,58 miljard EUR aan jaarlijkse inkomsten genereren. Aangezien de gratis toewijzingen in het kader van het EU-ETS worden afgebouwd en het CBAM geleidelijk wordt ingevoerd, zouden de inkomsten na 2030 moeten blijven stijgen tot naar schatting 0,69 miljard EUR in 2035. Het effect op de EU-begroting wordt geraamd op gemiddeld 0,2 miljard EUR per jaar in de periode 2028-2034, overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader voor 2028-2034.

De maatregelen die worden genomen om het risico op omzeiling en ontwijking aan te pakken, zullen ertoe bijdragen dat de verwachte inkomsten in de praktijk werkelijkheid worden.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De overgangsperiode van het CBAM loopt tot eind 2025, waarna de definitieve fase in 2026 van start zal gaan.

Vóór het einde van de overgangsperiode en overeenkomstig artikel 30, lid 2, van de CBAM-verordening moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid evaluatieverslag voorleggen over de lessen die uit de overgangsperiode zijn getrokken. In dit verslag zullen ook de mogelijke toekomstige stappen voor verdere herzieningen en uitbreidingen van het toepassingsgebied worden geschetst. Daarnaast treft de Europese Commissie de nodige voorbereidingen voor de vaststelling van een reeks uitvoerings- en gedelegeerde handelingen waarin de technische regels voor de werking van het CBAM binnen het huidige toepassingsgebied zullen worden vastgelegd.

De Commissie zal de uitvoering van het CBAM blijven monitoren en evalueren en hierover verslag uitbrengen overeenkomstig de vereisten van de CBAM-verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Deze verordening betreft de volgende wijzigingen in Verordening (EU) 2023/956:

Artikel 1, lid 1, verschaft duidelijkheid over de toepassing van Verordening (EU) 2023/956 nadat deze in de EER-overeenkomst is opgenomen, en kent de Commissie de bevoegdheid toe om uitvoeringshandelingen vast te stellen om bijlage III bij die verordening dienovereenkomstig te wijzigen.

Artikel 1, lid 1, punten c) en d), voorziet in de mogelijkheid om, door middel van memoranda van overeenstemming tussen de Commissie en derde landen, de omzetting van het toepasselijke acquis inzake de elektriciteitsmarkt te erkennen, met het oog op het verzoek om de elektriciteitsmarkt van het derde land door middel van marktkoppeling in de elektriciteitsmarkt van de Unie te integreren.

Artikel 1, lid 1, punt e), en lid 19, voorziet in de mogelijkheid om door middel van een spoedprocedure gedelegeerde handelingen vast te stellen om een derde land of gebied toe te voegen aan de lijst van vrijgestelde derde landen of gebieden in bijlage III bij Verordening (EU) 2023/956.

Artikel 1, lid 1, punt e), voorziet in de mogelijkheid voor de Unie om overeenkomsten met derde landen te sluiten teneinde rekening te houden met hun koolstofbeprijzingsmechanisme en in wederzijdse erkenning van accreditatie-instanties.

Artikel 1, lid 3, lid 5, punten a), 2), en c), en lid 8, punten b) en c), verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om te vereisen dat wanneer voldoende bewijs wijst op een hoog risico op misbruik, er voor een subset van GN-codes en plaatsen van oorsprong aanvullend bewijsmateriaal wordt verstrekt dat aantoont dat dergelijk misbruik zich niet heeft voorgedaan.

Artikel 1, lid 2, lid 6), punt c), en leden 21 tot en met 23, punt b), breidt het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/956 uit tot bepaalde staal- en aluminiumintensieve downstreamgoederen en voorziet in de mogelijkheid om voor sommige van deze goederen een gefaseerde toeslag toe te passen.

In artikel 1, lid 4, wordt de vereiste toegevoegd dat de indirecte douanevertegenwoordiger die een toelatingsaanvraag indient, in die aanvraag het EORI-nummer of een ander nationaal identificatienummer van de vertegenwoordigde importeurs moet vermelden.

Artikel 1, lid 5, punt a), 1), en lid 8), punt a), betreft de registratie van de exploitant in het CBAM-register om de ingebedde emissies op basis van werkelijke geverifieerde emissies te kunnen bepalen.

In artikel 1, lid 5, punten b) en c), wordt bepaald dat de toegelaten CBAM-aangever in voorkomend geval bewijs moet leveren van de plaats en het tijdstip van productie van de goederen die op basis van de werkelijke emissies worden aangegeven.

In artikel 1, lid 5, punt b), wordt verduidelijkt dat de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de procedures voor de beoordeling van CBAM-aangiften.

Artikel 1, lid 6, punt a), en lid 24, strekt tot opneming van inputmaterialen (precursoren) in de methode voor het bepalen van de ingebedde emissies in goederen.

Artikel 1, lid 6, punt b), lid 8, punt d), en lid 23, verleent de exploitant de mogelijkheid om aan de toegelaten CBAM-aangever alleen een subset van de voor de rapportage, berekening en verificatie van de werkelijke emissies vereiste gegevenselementen te verstrekken.

In artikel 1, lid 7, wordt verduidelijkt dat de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de verificatie van de kwalificaties van de onafhankelijke persoon die verantwoordelijk is voor de certificering van de betaalde koolstofprijs, met inbegrip van de toekenning van een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie.

In artikel 1, lid 9, punt b), wordt verduidelijkt dat de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de boekhoudkundige registratie van de in het buitenland betaalde koolstofprijs op basis van het gelijkwaardigheidsbeginsel, en het in aanmerking nemen van de inspanningen op het gebied van koolstofkredieten.

In artikel 1, lid 8, punt c), wordt verduidelijkt dat een exploitant informatie met betrekking tot de verificatie van in inputmaterialen (precursoren) ingebedde emissies kan verstrekken aan een andere exploitant.

Artikel 1, lid 9, biedt bevoegde autoriteiten de mogelijkheid om in een aantal nieuwe situaties een zekerheid te eisen en om deze zekerheid te gebruiken om eventuele uitstaande financiële correcties in te vorderen, indien de toegelaten CBAM-aangever niet voldoende CBAM-certificaten inlevert.

In artikel 1, lid 10, wordt de Commissie bevoegdheid verleend om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin de door verificateurs te gebruiken verificatieprocedures worden vastgelegd.

In artikel 1, lid 11, wordt verduidelijkt dat de Commissie of de bevoegde autoriteit in het kader van de beoordeling van de CBAM-aangifte de toegelaten CBAM-aangever kan verzoeken om bewijs te leveren dat de ingevoerde goederen zijn geproduceerd in de aangegeven installatie en gedurende de aangegeven productieperiode.

Artikel 1, lid 12, voorziet in een specifieke berekeningsregel voor de prijs van CBAM-certificaten wanneer er slechts één veiling op het veilingplatform plaatsvindt.

In artikel 1, lid 13, wordt verduidelijkt dat de verplichting voor toegelaten CBAM-aangevers om ervoor te zorgen dat het aantal CBAM-certificaten op hun rekening in het CBAM-register aan het einde van elk kwartaal overeenstemt met ten minste 50 %, is gebaseerd op een jaarlijkse cyclus, en dat certificaten die in andere jaren dan het kalenderjaar zijn aangekocht daarom van de driemaandelijkse berekening moeten worden uitgesloten.

In artikel 1, lid 14, wordt het terugkoopproces gestroomlijnd door een einde te maken aan de betrokkenheid van de Commissie bij dat proces.

In artikel 1, lid 15, punt a), wordt de rol van het CBAM-rekeningnummer bij het bepalen van de persoon die verantwoordelijk is voor het nakomen van de CBAM-verplichtingen verduidelijkt.

Op grond van artikel 1, lid 15, punten b) en c), kunnen de bevoegde autoriteiten verzoeken om de juistheid van de relevante douanegegevens en de via het CBAM-register doorgegeven informatie te verifiëren, wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om uitvoeringshandelingen vast te stellen om de materiële en chemische samenstelling van een goed te bepalen en kunnen de douaneautoriteiten deze informatie aan de Commissie meedelen.

Artikel 1, lid 15, punten a) en d), verleent de Commissie de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen om de materiële en chemische samenstelling van een goed te identificeren en verleent douaneautoriteiten de mogelijkheid om informatie aan de Commissie mee te delen.

In artikel 1, lid 16, wordt een nieuwe ontwijkingspraktijk gedefinieerd die erin bestaat dat de toeleveringsketens van goederen kunstmatig worden aangepast om een lagere standaardwaarde te kunnen gebruiken.

Artikel 1, lid 17, verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om een goed te verwijderen uit bijlage I in geval van ernstige en onvoorziene omstandigheden die de interne markt van de Unie ernstige schade toebrengen.

Artikel 1, lid 18, wijzigt de bevoegdheden die de medewetgevers aan de Commissie hebben toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen in het licht van de wijzigingen die dit voorstel met zich meebrengt.

In artikel 1, lid 20, wordt verduidelijkt dat in het evaluatieverslag over de werking van het CBAM het effect van het CBAM op sectoren die in de toekomst onder het toepassingsgebied zullen vallen, moet worden beoordeeld en dat het verslag in voorkomend geval vergezeld kan gaan van een wetgevingsvoorstel.

In artikel 1, lid 22, wordt de emissiefactor voor ingevoerde elektriciteit gewijzigd, zodat er rekening wordt gehouden met alle geproduceerde elektriciteit ongeacht de bron. Daarnaast worden ook de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit gewijzigd om deze flexibeler te maken.

Artikel 2 bevat bepalingen over de inwerkingtreding en toepassing van de voorgestelde maatregelen. Om ervoor te zorgen dat de eerste CBAM-aangiften tijdig en uiterlijk op 30 september 2027 kunnen worden ingediend, zullen de aanpassingen van de methode om de emissiefactor voor ingevoerde elektriciteit te berekenen en de wijzigingen van de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit van toepassing zijn op elektriciteit die vanaf 1 januari 2026 wordt ingevoerd. De wijzigingen die in het CBAM-register moeten worden uitgevoerd of die aan het begin van het kalenderjaar van start moeten gaan, met inbegrip van de uitbreiding van het toepassingsgebied tot downstreamproducten, worden op 1 januari 2028 van toepassing.

2025/0419 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot downstreamgoederen en antiontwijkingsmaatregelen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 15 ,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s 16 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad 17 is oorspronkelijk voor een beperkt toepassingsgebied opgesteld. Ze omvat goederen die het meest zijn blootgesteld aan het risico van koolstoflekkage en die het meest koolstofintensief zijn. Het toepassingsgebied van deze verordening moet geleidelijk worden uitgebreid tot producten verderop in de waardeketen van de in bijlage I bij deze verordening vermelde goederen.

(2)In haar mededeling “Een Europees actieplan voor staal en metaal” 18 heeft de Commissie de doelstellingen geformuleerd om het toepassingsgebied van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (carbon border adjustment mechanism, “CBAM”) uit te breiden tot bepaalde staal- en aluminiumintensieve downstreamproducten en om actie te ondernemen tegen het risico van ontwijking en praktijken die afbreuk kunnen doen aan de doelstellingen van het CBAM, waaronder verlegging door derde landen van stromen goederen met een lage emissie-intensiteit naar de markt van de Unie bij het uitblijven van inspanningen om hun gehele productie koolstofvrij te maken.

(3)Aangezien het CBAM tot doel heeft om exploitanten in derde landen aan te zetten tot het verminderen van emissies, heeft de Unie zich ertoe verbonden om derde lage- en middeninkomenslanden te helpen bij het decarboniseren van hun maakindustrie in het kader van de externe dimensie van de Europese Green Deal 19 en in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs 20 . De Unie moet die landen, met name de minst ontwikkelde landen, via de begroting van de Unie blijven steunen om ervoor te helpen zorgen dat zij zich kunnen aanpassen aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. De Unie moet ook steun blijven verlenen aan maatregelen voor beperking van en aanpassing aan klimaatverandering in die landen, onder meer bij hun inspanningen om hun industrie te decarboniseren en te transformeren, binnen het plafond van het meerjarig financieel kader en de financiële steun van de Unie aan internationale klimaatfinanciering. Dit wordt verder benadrukt in de mondiale klimaat- en energievisie van de EU 21 , waarin wordt uiteengezet dat de EU proactief met partnerlanden zal blijven samenwerken om te zorgen voor een betere samenhang tussen intern en extern EU-beleid. Terwijl het CBAM geleidelijk van toepassing wordt, is de Unie voornemens om partnerschappen te versterken en bredere inspanningen voor het beperken van klimaatverandering te ondersteunen, onder meer door het verlenen van financiële steun aan de decarbonisatie-inspanningen van landen.

(4)Na de opneming van Verordening (EU) 2023/956 in de EER-overeenkomst, moeten de EVA-staten die het CBAM toepassen voor de toepassing van deze verordening niet worden beschouwd als derde landen en worden verwijderd uit bijlage III bij die verordening. Er wordt een gemeenschappelijke CBAM-ruimte tot stand gebracht waarbinnen de drempelwaarde van artikel 2 bis van Verordening (EU) 2023/956 van toepassing wordt op invoer in zowel de Unie als de douanegebieden van de EVA-staten die het CBAM toepassen.

(5)Na de opneming van Verordening (EU) 2023/956 in de EER-overeenkomst moet die verordening van toepassing zijn op in bijlage I genoemde veredelingsproducten van oorsprong uit een derde land die voortkomen uit de regeling actieve veredeling als bedoeld in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 indien zij worden wederuitgevoerd naar het douanegebied van een EVA-staat die het CBAM heeft geïntegreerd, mits zij naar een van die douanegebieden worden ingevoerd. Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om gedetailleerde voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van het CBAM op dergelijke goederen.

(6)Na de opneming van Verordening (EU) 2023/956 in de EER-overeenkomst moet worden verduidelijkt dat die verordening niet van toepassing is op goederen die eerder in het vrije verkeer zijn gebracht in het douanegebied van EVA-staten die het CBAM hebben geïntegreerd, mits de aangever bij de douane in de volgende douaneaangifte opgeeft dat de goederen eerder in het vrije verkeer zijn gebracht binnen het douanegebied van de EVA-staten.

(7)Na de opneming van Verordening (EU) 2023/956 in de EER-overeenkomst moeten de EVA-staten die het CBAM toepassen niet worden beschouwd als derde landen voor de toepassing van deze verordening en worden verwijderd uit bijlage III bij die verordening. Er wordt een gemeenschappelijke CBAM-ruimte tot stand gebracht waarbinnen de drempelwaarde van artikel 2 bis van Verordening (EU) 2023/956 van toepassing wordt op invoer in de Unie en de douanegebieden van de EVA-staten die het CBAM toepassen.

(8)Deze verordening moet niet van toepassing zijn op elektriciteitsstromen uit derde landen die voortkomen uit handelingen die transmissiesysteembeheerders verrichten om de veiligheid en de beveiliging van hun netwerken te waarborgen, waaronder de omgang met calamiteiten en onvoorziene stromen.

(9)Een passende erkenning van de vooruitgang die de betrokken derde landen hebben geboekt op weg naar marktkoppeling van de elektriciteitssystemen waarborgt dat de tijdelijke vrijstellingen waarin deze verordening voorziet volledig in overeenstemming zijn met de strategische doelstellingen van de Unie en de specifieke resultaten van die derde landen. Een doelmatig gebruik van de bestaande infrastructuur voor elektriciteit en de integratie van elektriciteitsmarkten van derde landen in de interne elektriciteitsmarkt van de Unie is van wezenlijk belang voor het terugdringen van de kosten van zowel de lidstaten als de betrokken derde landen, alsook met het oog op de voorzieningszekerheid. Die erkenning moet worden neergelegd in een memorandum van overeenstemming tussen de Commissie en de derde landen die bij verificatie door de Commissie blijken het desbetreffende acquis op het gebied van de elektriciteitsmarkten volledig te hebben omgezet. In het memorandum van overeenstemming moet het tijdschema voor de toepassing van de in Verordening (EU) 2023/956 bedoelde vrijstelling worden vastgesteld en moet de inachtneming van de toepasselijke marktvoorschriften door instellingen van transmissiesysteembeheerders (TSB) overeenkomstig Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad 22 en Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie 23 , evenals de vooruitgang die de betrokken landen hebben geboekt met betrekking tot met het EU-ETS gelijkwaardige instrumenten voor koolstofbeprijzing voor zover het de opwekking van elektriciteit betreft, in aanmerking worden genomen.

(10)Om te zorgen dat de unieke op massa gebaseerde drempelwaarde na de uitbreiding van Verordening (EU) 2023/956 tot downstreamproducten niet hoger wordt dan 1 % van de emissies die in de ingevoerde goederen en veredelingsproducten zijn ingebed, moet de jaarlijkse beoordeling van de drempelwaarde in 2027 plaatsvinden op basis van invoergegevens voor de downstreamgoederen die onder deze uitbreiding vallen.

(11)Het CBAM beoogt het risico van koolstoflekkage te ondervangen door te zorgen dat voor producten, ongeacht of deze in de Unie worden ingevoerd of aldaar worden geproduceerd, een gelijkwaardige koolstofprijs geldt. Zolang veel internationale partners van de Unie beleid voeren waarmee niet eenzelfde niveau van klimaatambitie wordt bereikt, bestaat er echter een risico van koolstoflekkage, waardoor de totale emissies hoger uitvallen dan wanneer er geen koolstoflekkage zou zijn.

(12)Van misbruikpraktijken kan sprake zijn wanneer actoren de mogelijkheid benutten om zich op werkelijke emissies te baseren teneinde de uit het CBAM voortvloeiende financiële verplichting ten onrechte geheel of gedeeltelijk te ontwijken, en op die manier afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het CBAM om het risico van koolstoflekkage in de Unie aan te pakken en aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het klimaatbeleid van de Unie.

(13)De Commissie moet de effecten van het CBAM op de interne markt van de Unie bewaken om de kans op ondermijning van de doeltreffendheid van het CBAM door misbruik en de potentiële effecten ervan op de interne markt van de Unie te kunnen beoordelen, onder meer door middel van een analyse van invoeraangiften en CBAM-aangiften, of op basis van relevante informatiebronnen, waaronder van de lidstaten, via de uitwisseling van informatie in het kader van de deskundigengroep voor het CBAM of andere relevante uitwisselingen.

(14)Om snel te kunnen reageren wanneer informatie op een groot risico van misbruik wijst, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin voor het gebruik van werkelijke emissies voor een combinatie van goederen en oorsprongen wordt voorgeschreven welke informatie moet worden verstrekt en op welke wijze moet worden aangetoond dat dergelijk misbruik niet heeft plaatsgevonden. Voor de gevallen waarin de Commissie voldoende bewijs vindt voor een groot risico van misbruik, moet de Commissie worden verplicht om binnen drie maanden na die vaststelling op te treden door middel van gedelegeerde handelingen. Deze voorwaarden en dit bewijsmateriaal moeten evenredig zijn en moeten marktdeelnemers en importeurs niet onnodig belasten.

(15)Om te kunnen vaststellen welke importeurs worden vertegenwoordigd door een indirecte douanevertegenwoordiger, moet in de toelatingsaanvraag het registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer (EORI-nummer) van de vertegenwoordigde importeurs of een ander soort nationaal identificatienummer worden vermeld.

(16)Om onjuiste aangifte van de op basis van de werkelijke emissies vastgestelde ingebedde emissies te voorkomen, moeten de Commissie en de bevoegde autoriteit de toegelaten CBAM-aangever kunnen verzoeken om aan te tonen dat de ingevoerde goederen in de opgegeven installatie en gedurende de opgegeven productieperiode zijn geproduceerd. Voor bepaalde goederen, waaronder goederen met een sterker uiteenlopende emissie-intensiteit, of slechts in bepaalde gevallen, moet het bewijsmateriaal worden vereist als onderdeel van de CBAM-aangifte. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin wordt bepaald voor welke goederen dergelijk bewijs moet worden vereist in het kader van de CBAM-aangifte, alsmede welk specifiek soort bewijs moet worden verstrekt.

(17)Om de verwerking van informatie over marktdeelnemers in derde landen te vergemakkelijken, de administratieve lasten voor de exploitant en de toegelaten CBAM-aangever te beperken, en om de beoordeling van CBAM-aangiften te vergemakkelijken, moet de registratie van exploitanten een noodzakelijke stap vormen bij de vaststelling van ingebedde emissies op basis van geverifieerde werkelijke emissies.

(18)Om een geharmoniseerde benadering voor de beoordeling van CBAM-aangiften te bevorderen, moet worden verduidelijkt dat de Commissie, in het kader van de uitvoeringshandeling betreffende de standaardvorm van de CBAM-aangifte, procedures voor de beoordeling van CBAM-aangiften kan vaststellen.

(19)Voor emissies uit de productie van preconsumptieschroot in de Unie geldt een koolstofprijs, aangezien emissies in het kader van het EU-ETS worden gemeten op installatieniveau. Aangezien de emissies van preconsumptie-aluminium en preconsumptie-staalschroot krachtens Verordening (EU) 2023/956 op nul zijn gesteld, geldt voor ingevoerde goederen waarvoor preconsumptiealuminium- en preconsumptiestaalschroot is gebruikt als inputmateriaal een lagere koolstofprijs dan voor in de Unie geproduceerde goederen, hetgeen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van het CBAM bij het aanpakken van het risico van koolstoflekkage uit in bijlage I vermelde goederen.

(20)Om de doeltreffendheid van het CBAM bij het aanpakken van het risico van koolstoflekkage van goederen te vergroten, moeten de emissies uit preconsumptiealuminium- en preconsumptiestaalschroot in aanmerking worden genomen bij de berekening van de ingebedde emissies van goederen. Aangezien preconsumptieschroot een bijproduct is dat onbedoeld ontstaat bij de productie van metalen goederen en onmiddellijk in een productieproces kan worden hergebruikt, wordt niet aangenomen dat het zelf een risico op koolstoflekkage inhoudt. Daarom moeten de emissies van preconsumptiealuminium- en preconsumptiestaalschroot alleen in aanmerking worden genomen wanneer zij worden gebruikt als precursoren voor in bijlage I van deze verordening vermelde goederen. De Commissie moet waarborgen dat de monitoring, de rapportage en de verificatie van emissies die zijn ingebed in preconsumptieschroot dat als inputmateriaal (precursor) wordt gebruikt, niet worden omzeild, bijvoorbeeld door preconsumptieschroot ten onrechte als postconsumptieschroot te rapporteren om op een lagere vaststelling van ingebedde emissies uit te komen.

(21)Om de toepassing van Verordening (EU) 2023/956 te vergemakkelijken, kan de Unie zich in het kader van de uitvoeringsverordening bij de bepaling van de in het buitenland betaalde koolstofprijs baseren op de koolstofkredieten uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs.

(22)Verduidelijkt moet worden dat de exploitant, vanwege de commercieel gevoelige aard van bepaalde gegevens die vereist zijn voor de rapportage, berekening en verificatie van werkelijke emissies, kan besluiten alleen een samenvatting te verstrekken van deze elementen die nodig zijn voor de vaststelling en verificatie van de ingebedde emissies en voor de toepassing van de voorwaarden voor het gebruik van werkelijke emissies voor relevante combinaties van goederen en oorsprongen. De toegelaten CBAM-aangever moet slechts worden verplicht tot het bijhouden van een administratie van de verstrekte informatie.

(23)Er zijn specifieke uitdagingen voor het gebruik van werkelijke emissies die zijn ingebed in met meerdere inputmaterialen (precursoren) vervaardigde downstreamgoederen, en wanneer die materialen tot verschillende CBAM-sectoren behoren of tot sectoren die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Deze goederen hebben gewoonlijk langere en complexere mondiale waardeketens, en de productie ervan omvat meerdere productiestappen. De vergaring van geverifieerde informatie over de werkelijke emissies van hun inputmaterialen (precursoren) zal administratief lastig zijn, wat op zijn beurt het gebruik van werkelijke emissies zou kunnen ontmoedigen. Daarom moet het gebruik van standaardwaarden voor deze specifieke goederen worden vergemakkelijkt door toepassing van de toeslag achterwege te laten, zonder afbreuk te doen aan de milieu-integriteit van het CBAM.

(24)Aangezien certificering van de documentatie over de koolstofprijs plaats kan vinden voordat het goed in de Unie wordt ingevoerd, is het niet passend om voor te schrijven dat de persoon die de informatie uit de documenten over de koolstofprijs certificeert onafhankelijk moet zijn van de toegelaten CBAM-aangever.

(25)Aangezien de aftrek van de daadwerkelijk in een derde land betaalde koolstofprijs vereist dat de ingebedde emissies zijn gebaseerd op geverifieerde werkelijke emissies, en de certificering van de documentatie van de koolstofprijs op de eerdere verificatie van ingebedde emissies, houden de verificatie van ingebedde emissies en de certificering van de voor die emissies betaalde koolstofprijs nauw verband met elkaar en kunnen zij mogelijk door dezelfde persoon worden verricht. Bovendien moet het niveau van controle en toezicht op de certificering van de koolstofprijs vergelijkbaar zijn met het niveau dat geldt voor de verificatie van emissies. Daarom moet worden verduidelijkt dat de Commissie bevoegd is om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor verificatie van de kwalificaties van de persoon die voor certificering verantwoordelijk is, aan de hand van het CBAM-register, de informatie in de documenten over de koolstofprijs, de afgifte van een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie, en de noodzakelijke certificeringsprocedures en uitwisselingen van informatie.

(26)Om de verificatie van ingebedde emissies in het geval van samengestelde goederen te vergemakkelijken, moet worden verduidelijkt dat een exploitant informatie moet kunnen delen met een andere exploitant, waaronder informatie over de verificatie van emissies die zijn ingebed in inputmaterialen (precursoren).

(27)Om zich te kunnen overtuigen van de financiële draagkracht van een aanvrager of een toegelaten CBAM-aangever, moeten bevoegde autoriteiten in andere gevallen dan wanneer een aanvrager in de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag is ingediend niet in de lidstaat was gevestigd, zekerheid kunnen stellen. Om een behoorlijke inning van inkomsten te waarborgen, moeten bevoegde autoriteiten de gestelde zekerheid ook kunnen aanwenden indien toegelaten CBAM-aangevers niet voldoen aan hun verplichting om aan het eind van elk kwartaal te beschikken over het aantal CBAM-certificaten dat overeenkomt met 50 % van de emissies die zijn ingebed in de goederen die zij sinds het begin van het jaar in de Unie hebben ingevoerd.

(28)Verduidelijkt moet worden dat om nationale accreditatie-instanties, de Commissie en bevoegde autoriteiten in staat te stellen controle en toezicht op verificateurs uit te oefenen, de door verificateurs te gebruiken verificatieprocedures moeten worden vastgesteld.

(29)Om te zorgen dat de prijs van CBAM-certificaten een effectieve maatregel blijft om koolstoflekkage te voorkomen, moet deze prijs door de Commissie worden berekend op basis van weekgemiddelden van de rechten die worden geveild in het EU-systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten (“EU-ETS”). Om te zorgen dat de prijs van een CBAM-certificaat altijd een goede afspiegeling van de ETS-prijzen is, moet worden voorzien in een specifieke berekeningsregel voor de kalenderweken waarin er op het veilingplatform slechts één veiling plaatsvindt.

(30)Vanaf 2027 moeten toegelaten CBAM-aangevers boven de unieke op massa gebaseerde drempelwaarde zorgen dat het aantal CBAM-certificaten op hun rekening in het CBAM-register aan het eind van elk kwartaal overeenkomt met ten minste 50 % van de emissies die zijn ingebed in goederen die sinds het begin van dat jaar zijn ingevoerd. Aangezien deze regel is gebaseerd op een jaarcyclus, waarop de terugkoopbeperking voor CBAM-certificaten is gebaseerd, moeten van het aantal CBAM-certificaten waarop de kwartaalberekening betrekking heeft, certificaten worden uitgesloten die in andere jaren dan dat kalenderjaar zijn aangekocht.

(31)Om het terugkoopproces te stroomlijnen, de doelmatigheid van het proces te vergroten en de administratieve lasten te beperken, en tegelijkertijd de beveiliging en een robuust toezicht in stand te houden, moet het een toegelaten CBAM-aangever worden toegestaan om zijn overschot aan CBAM-certificaten rechtstreeks te laten terugkopen door de bevoegde autoriteit.

(32)Voor bepaalde goederen, waaronder het klinkergehalte van cement, het stikstofgehalte van meststoffen of de legeringselementen van staal, is de materiaal- en chemische samenstelling van het goed een belangrijke bepalende factor voor de ingebedde emissies. Om het risico van een onjuiste aangifte van de ingebedde emissies, zoals vastgesteld op basis van de werkelijke emissies voor bepaalde goederen met een sterker uiteenlopende emissie-intensiteit te beperken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen om de materiaal- en chemische samenstelling van een goed in de douaneaangifte vast te stellen.

(33)Om te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de Commissie voorzien van alle douane-informatie en -gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van Verordening (EU) 2023/956 door de douaneautoriteiten, moeten de relevante bewijsstukken, informatie en gegevens, waaronder de aanzuiveringsafrekening, door de douaneautoriteiten worden verstrekt.

(34)Verduidelijkt moet worden dat het CBAM-rekeningnummer dat op de douaneaangifte, de aanzuiveringsafrekening, het ontvangstbewijs of enig ander relevant douanedocument wordt vermeld op het moment waarop goederen in het vrije verkeer worden gebracht, moet worden gebruikt om vast te stellen welke persoon verantwoordelijk is voor de nakoming van de in deze verordening omschreven verplichtingen.

(35)Om de juistheid van de douanegegevens en de in het CBAM-register voor de bevoegde autoriteiten beschikbare informatie te waarborgen, moet het de bevoegde autoriteiten worden toegestaan om de douaneautoriteiten of de Commissie te verzoeken deze informatie te valideren. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin de omvang van de informatie en de frequentie, het tijdschema en de wijze van verstrekking van die informatie worden omschreven.

(36)Ter voorkoming van praktijken die afbreuk kunnen doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het CBAM, moet de Commissie op Unieniveau vormen van omzeiling die bestaan uit het kunstmatig aanpassen van de toeleveringsketen van goederen om de verplichtingen van Verordening (EU) 2023/956 te ontlopen, op doorlopende basis monitoren.

(37)Om snel te kunnen reageren indien de opname van een goed in het CBAM ernstige en onvoorzienbare effecten heeft, met aanzienlijke schade voor de interne markt van de Unie tot gevolg, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen om een goed uit het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/956 te verwijderen.

(38)Om tot een betere aansluiting bij de gecombineerde nomenclatuur (“GN”) van Verordening (EG) nr. 2658/87 24 te komen, moet de omschrijving van bepaalde GN-codes in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 worden verduidelijkt.

(39)Met de geleidelijke afbouw van de tijdelijke gratis toewijzing van emissierechten krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 25 , waarin een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (“EU-ETS”) is vastgesteld, en de geleidelijke invoering van het CBAM, zal het risico van koolstoflekkage geleidelijk verschuiven van de upstreamsectoren die nu onder het CBAM vallen naar downstreamproducten. Om de doeltreffendheid van de doelstellingen van het CBAM in stand te houden, moet het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/956 dan ook worden uitgebreid tot producten verderop in de waardeketen.

(40)Overeenkomstig het Europees actieplan voor staal en metaal moet de uitbreiding van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/956 met name zijn gericht op de metaalsectoren en goederen die voor een aanzienlijk deel uit CBAM-producten bestaan. Dat toepassingsgebied moet derhalve de staal- en aluminiumintensieve downstreamgoederen bestrijken die naar hoeveelheid, waarde en volume het meest in de Unie worden ingevoerd en waaraan het grootste risico van koolstoflekkage is verbonden. In de staal- en aluminiumsector blijkt het daarnaast in technisch opzicht het meest haalbaar te zijn om de werkelijke in goederen ingebedde emissies te berekenen.

(41)De selectie van de staal- en aluminiumintensieve downstreamgoederen moet worden gebaseerd op duidelijk omschreven criteria en drempelwaarden, waarin het risico van koolstoflekkage van elk product tot uitdrukking komt, waaronder het aandeel ingebedde emissies, de relevantie voor het klimaat en de technische haalbaarheid van de opneming ervan in het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2023/956. Bij de beoordeling van het risico van koolstoflekkage moet zowel de verhandelbaarheid van het product als de vergelijking tussen de koolstofkosten die in de inputmaterialen (precursoren) van het product zijn ingebed en de totale toegevoegde waarde van het product in aanmerking worden genomen. Op basis van dezelfde criteria moet de Commissie in de toekomst de uitbreiding van het toepassingsgebied van die verordening tot andere downstreamgoederen beoordelen en haar conclusies opnemen in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad.

(42)In navolging van de beginselen en berekeningsmethoden voor andere goederen, moeten de in downstreamgoederen ingebedde emissies worden berekend op basis van door een verificateur geverifieerde werkelijke emissies, of aan de hand van door de Commissie berekende en verstrekte standaardwaarden. Aangezien de systeemgrenzen van productieprocessen zich beperken tot de systeemgrenzen van productieprocessen die onder het EU-ETS vallen, moet de toewijzing van in downstreamgoederen ingebedde emissies zich beperken tot de emissies in inputmaterialen (precursoren). Bij de berekening van ingebedde emissies moeten inputmaterialen (precursoren) van downstreamgoederen die niet zijn opgenomen in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 in aanmerking worden genomen.

(43)Voor een beperkt aantal downstreamgoederen kunnen de ingebedde emissies, afhankelijk van de materiaalsamenstelling van het goed, volledig buiten het toepassingsgebied van het CBAM vallen. Daarom moet worden voorgeschreven dat downstreamgoederen die uitsluitend worden gemaakt van materialen die buiten het toepassingsgebied van het CBAM vallen, niet onder bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 vallen.

(44)Er zijn specifieke uitdagingen voor het gebruik van werkelijke emissies die zijn ingebed in met meerdere inputmaterialen (precursoren) vervaardigde downstreamgoederen, en wanneer die materialen tot verschillende CBAM-sectoren behoren of tot sectoren die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Deze goederen hebben gewoonlijk langere en complexere mondiale waardeketens, en de productie ervan omvat meerdere productiestappen. De vergaring van geverifieerde informatie over de werkelijke emissies van hun inputmaterialen (precursoren) zal administratief lastig zijn, wat op zijn beurt het gebruik van werkelijke emissies zou kunnen ontmoedigen. Daarom moet het gebruik van standaardwaarden voor deze specifieke goederen worden vergemakkelijkt door toepassing van de toeslag achterwege te laten, zonder afbreuk te doen aan de milieu-integriteit van het CBAM.

(45)Er zijn specifieke uitdagingen voor het gebruik van werkelijke emissies die zijn ingebed in downstreamgoederen uit de sectoren “Gietijzer, ijzer en staal”, “Aluminium” en “Gecombineerde metalen goederen” als omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956. Vanwege moeilijkheden bij de vergaring van gegevens uit de toeleveringsketen van enkele bestanddelen van deze goederen, moeten de specifieke ingebedde emissies van alle in deze punten opgenomen goederen worden berekend in verhouding tot de ingebedde emissies van de inputmaterialen (precursoren) die in de goederen zijn vervat.

(46)De methode die wordt gebruikt om de emissiefactor voor ingevoerde elektriciteit te berekenen, moet worden gewijzigd om de uit alle bronnen geproduceerde elektriciteit, waaronder uit niet-fossiele brandstofbronnen, in aanmerking te nemen. Bijgevolg moeten herziene standaardwaarden voor ingevoerde elektriciteit worden berekend en door de Commissie beschikbaar worden gesteld.

(47)Om met betrekking tot de standaardwaarden die voor indirecte emissies worden toegepast een consistente methodologische benadering te waarborgen, moet worden verduidelijkt dat de alternatieve standaardwaarde voor indirecte emissies waarvan een derde land of een groep van derde landen kan aantonen dat deze lager is dan de door de Commissie vastgestelde standaardwaarde, worden gebaseerd op dezelfde berekeningsmethode als die welke wordt gebruikt voor de door de Commissie vastgestelde standaardwaarden voor indirecte emissies.

(48)Om de vaststelling van ingebedde emissies van elektriciteit op basis van werkelijke emissies vast te stellen, moeten de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit flexibeler worden gemaakt. Verduidelijkt moet worden dat gebruik mag worden gemaakt van bepaalde tussen tussenpersonen gesloten stroomafnameovereenkomsten. Gezien de praktische moeilijkheden die zich voordoen wanneer moet worden aangetoond dat op het tijdstip van invoer nergens in het netwerk sprake was van congestie, moet dit criterium worden geschrapt, evenals het alternatieve criterium dat een directe verbinding met het transmissiesysteem van de Unie moet worden aangetoond. Tot slot moet het niet nodig zijn om aan te tonen dat de toegewezen interconnectiecapaciteit definitief genomineerd is wanneer transmissiecapaciteit wordt toegewezen door middel van impliciete capaciteitstoewijzing.

(49)Vanwege de commercieel gevoelige aard van bepaalde gegevens die aan de verificatie van ingebedde emissies ten grondslag liggen, moet in het verificatieverslag uitsluitend de voor de vaststelling van de ingebedde emissies van de goederen benodigde informatie worden opgenomen. Informatie over de emissies die door de installatie worden uitgestoten, of over goederen die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen maar niettemin door de verificateur worden beoordeeld, mogen niet in het verificatieverslag worden opgenomen.

(50)Om bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van Verordening (EU) 2023/956 te wijzigen, moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om handelingen vast te stellen betreffende het indien nodig uit bijlage I verwijderen van goederen die wegens ernstige schade aan de interne markt van de Unie als gevolg van ernstige en onvoorzienbare omstandigheden, totdat deze ernstige en onvoorzienbare omstandigheden niet meer bestaan. Het Europees Parlement en de Raad moeten alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten ontvangen, met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, en hun deskundigen moeten stelselmatig toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die aan de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen werken.

(51)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, te weten uitbreiding van het mechanisme dat de Unie heeft vastgesteld om het risico van koolstoflekkage te voorkomen en aldus de mondiale koolstofemissies te reduceren, alsmede het risico van omzeiling en van praktijken die afbreuk kunnen doen aan de doelstellingen van het CBAM te ondervangen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(52)Verordening (EU) 2023/956 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(53)Om het met betrekking tot de vaststelling van ingebedde emissies van elektriciteit mogelijk te maken dat de eerste CBAM-aangiften uiterlijk op 30 september 2027 op basis van deze verordening worden ingediend, moeten de wijzigingen van de methode die wordt gebruikt voor de berekening van de emissiefactor voor ingevoerde elektriciteit en van de voorwaarden voor de toepassing van werkelijke ingebedde emissies in ingevoerde elektriciteit van toepassing worden op invoer van elektriciteit die met ingang van 1 januari 2026 heeft plaatsgevonden. Om voldoende voorspelbaarheid te bieden, moet de uitbreiding van het toepassingsgebied van bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 en van de in bijlage VIII opgenomen inputmaterialen (precursoren) met ingang van 1 januari 2028 van toepassing zijn.

(54)Verordening (EU) 2023/956 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2023/956

Verordening (EU) 2023/956 wordt als volgt gewijzigd: 

1)artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: 

a)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis. Na de opneming ervan in de EER-overeenkomst is deze verordening ook van toepassing op veredelingsproducten van in bijlage I vermelde goederen van oorsprong uit een derde land die voortkomen uit de regeling actieve veredeling als bedoeld in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 indien zij worden wederuitgevoerd naar het douanegebied van Noorwegen of IJsland, mits zij in die landen worden ingevoerd.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere voorwaarden voor de toepassing van het CBAM op die producten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 29, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;

b)in lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Na de opneming ervan in de EER-overeenkomst is deze verordening, in afwijking van de leden 1 en 2, niet van toepassing op goederen van oorsprong uit derde landen die eerder in het vrije verkeer zijn gebracht in het douanegebied van de EVA-staten die het CBAM toepassen, mits de aangever in de volgende douaneaangifte die in het douanegebied van de Unie wordt ingediend opgeeft dat de goederen eerder in het vrije verkeer zijn gebracht in het douanegebied van die EVA-staten en mits de aangever, op verzoek van de douaneautoriteit, documenten of informatie verstrekt waaruit blijkt dat de goederen eerder in het vrije verkeer zijn gebracht binnen het douanegebied van de respectieve EVA-staten. De aangever is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van dit bewijsmateriaal op het moment waarop de douaneaangifte wordt ingediend.”;

c)het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:

“Indien een derde land heeft verzocht zijn elektriciteitsmarkt in die van de Unie te integreren door middel van marktkoppeling krachtens een internationale overeenkomst, kan de Commissie, wanneer zij vaststelt dat het betrokken derde land het acquis met betrekking tot de elektriciteitsmarkt volledig heeft omgezet, een memorandum van overeenstemming met dat derde land sluiten.

Het in de eerste alinea bedoelde memorandum van overeenstemming voorziet in het tijdschema voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 2, lid 7, en in het tijdschema voor de uitvoering van een instrument voor koolstofbeprijzing dat gelijkwaardig is aan het EU-ETS, voor zover het de opwekking van elektriciteit betreft.”;

d)lid 8 wordt vervangen door:

“Een derde land of gebied dat aan alle voorwaarden van lid 7 voldoet, wordt opgenomen in punt 2 van bijlage III. Wanneer zij beoordeelt of aan de voorwaarden van lid 7 van dit artikel is voldaan, houdt de Commissie rekening met de vooruitgang overeenkomstig het tijdschema dat is neergelegd in een memorandum van overeenstemming uit hoofde van artikel 2, lid 7 bis.”;

e)de leden 11 en 12 worden vervangen door:

“11. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijsten van derde landen of gebieden die in punt 1 of punt 2 van bijlage III zijn opgenomen, te wijzigen door een derde land of gebied toe te voegen of te schrappen, al naargelang aan de in lid 6, 7 of 9 van dit artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan met betrekking tot dat derde land of gebied, of als gevolg van de opneming van het CBAM in de EER-overeenkomst. Indien, wanneer een derde land wordt toegevoegd aan de lijst van derde landen of gebieden in punt 2 van bijlage III, dwingende redenen van urgentie dit vereisen, is de procedure van artikel 28 bis van toepassing op gedelegeerde handelingen die krachtens dit lid worden vastgesteld.

De Unie kan overeenkomsten sluiten met derde landen of gebieden om koolstofbeprijzingsmechanismen in dergelijke landen of gebieden in aanmerking te nemen voor de toepassing van artikel 9 en de wederzijdse erkenning van accreditatie-instanties van derde landen voor de accreditatie van een rechtspersoon als verificateur krachtens artikel 18.”;

2)aan artikel 2 bis, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor haar beoordeling in 2027, die uiterlijk op 30 april 2027 moet plaatsvinden, maakt de Commissie gebruik van de invoergegevens van goederen die zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening en in bijlage I bij Verordening (EU) XX/XX [wijzigingsverordening].”;

3)aan artikel 3 wordt het volgende punt 35 toegevoegd:

“35) “misbruikpraktijken”: praktijken van een actor die zijn gericht op het verkrijgen van een voordeel door de uit het CBAM voortvloeiende financiële verplichting ten onrechte geheel of gedeeltelijk te ontwijken, met als gevolg dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het CBAM om het risico van koolstoflekkage in de EU aan te pakken.”;

4)in artikel 5, lid 5, wordt punt h) vervangen door:

“h) het EORI-nummer of een ander nationaal identificatienummer, de namen en contactgegevens van de personen voor wier rekening de aanvrager in voorkomend geval optreedt.”;

5)artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: 

a)lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

1)punt b) wordt vervangen door:

“b) de totale ingebedde emissies in de in punt a) van dit lid bedoelde goederen, uitgedrukt in ton CO2-equivalent emissies per megawattuur in het geval van elektriciteit, of in ton CO2-equivalent emissies per ton van iedere soort goederen in het geval van andere goederen, berekend overeenkomstig artikel 7 en, indien de ingebedde emissies worden bepaald op basis van de werkelijke emissies die door de exploitant via het CBAM-register worden verstrekt overeenkomstig artikel 10, geverifieerd overeenkomstig artikel 8;”;

2)de volgende punten e) en f) worden toegevoegd:

“e) indien van toepassing met het oog op het beperken van het risico van onjuiste aangiften als gevolg van onvoldoende traceerbaarheid in de toeleveringsketen, bewijs dat de gedurende het voorgaande kalenderjaar ingevoerde goederen in de opgegeven installatie zijn geproduceerd op het in de CBAM-aangifte vermelde werkelijke tijdstip van productie;

f) indien, overeenkomstig een overeenkomstig lid 7 vastgestelde gedelegeerde handeling, de ingebedde emissies op basis van werkelijke emissies worden vastgesteld voor een combinatie van goederen en oorsprongen waaraan een groot risico van misbruik is verbonden, bewijs waaruit blijkt dat het grote risico van misbruik geen realiteit is geworden.”;

b)in lid 6 wordt de eerste zin vervangen door:

“De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de standaardvorm van de CBAM-aangifte, met inbegrip van gedetailleerde informatie per installatie, land van oorsprong of ander derde land en soort goederen die moeten worden aangegeven ter ondersteuning van de in lid 2 van dit artikel bedoelde totalen, met name wat betreft de ingebedde emissies, de betaalde koolstofprijs, de standaardkoolstofprijs voor de toepassing van artikel 9, lid 4, de procedure voor de indiening van de CBAM-aangifte via het CBAM-register, met inbegrip van procedures voor de beoordeling van CBAM-aangiften overeenkomstig artikel 19, en de regels voor het inleveren van de in lid 2, punt c), van dit artikel bedoelde CBAM-certificaten, overeenkomstig artikel 22, lid 1, met name wat betreft het proces en de selectie door de toegelaten CBAM-aangever van de in te leveren certificaten.”;

c)de volgende leden 6 bis en 7 worden toegevoegd:

“6 bis. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de identificatie van goederen of combinaties van goederen en oorsprongen waarvoor op grond van lid 2, punt e), bewijs moet worden opgenomen in de CBAM-aangifte, alsmede het specifieke soort bewijs dat moet worden verstrekt. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 29, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

7. De Commissie monitort op het niveau van de Unie het effect van het CBAM op de interne markt van de Unie. Indien de Commissie, rekening houdend met relevante informatie, waaronder invoeraangiften en CBAM-aangiften, van oordeel is dat voldoende bewijs wijst op een groot risico van misbruikpraktijken voor een combinatie van goederen en oorsprongen, kan zij importeurs en toegelaten CBAM-aangevers van deze risico’s in kennis stellen en bevoegde autoriteiten en douaneautoriteiten van deze risico’s in kennis stellen teneinde hun controles te versterken, en is zij bevoegd om overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de methoden voor het bepalen van de combinatie van goederen en oorsprongen, de informatie die moet worden aangegeven voor het gebruik van werkelijke emissies voor die combinaties van goederen en oorsprongen, alsmede het bewijs dat moet worden verstrekt om aan te tonen dat er geen misbruik heeft plaatsgevonden.

De Commissie stelt de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen vast binnen drie maanden na de vaststelling dat er voldoende bewijs is dat op een groot risico van misbruikpraktijken wijst.”;

6)artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: 

a)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis. In bijlage VIII vermelde ingebedde emissies in inputmaterialen (precursoren) moeten in aanmerking worden genomen bij de bepaling van ingebedde emissies in goederen.”;

b)lid 5 wordt vervangen door:

“5. De toegelaten CBAM-aangever houdt een administratie bij van de informatie die is verstrekt overeenkomstig artikel 10, lid 7, en die is vereist om de ingebedde emissies te berekenen overeenkomstig de vereisten van bijlage V. Die administratie moet voldoende uitvoerig zijn om de Commissie en de bevoegde autoriteit in staat te stellen de CBAM-aangifte te beoordelen overeenkomstig artikel 19, lid 2.”;

c)in lid 7 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen kan een lijst van downstreamgoederen worden opgenomen waarop, vanwege de complexe aard van de toeleveringsketen en onverminderd de milieu-integriteit van het CBAM, geen toeslag wordt toegepast.”;

7)artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: 

a)lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

1)de derde zin wordt vervangen door:

De informatie in die documenten wordt gecertificeerd door een persoon die onafhankelijk is van de autoriteiten van het derde land.”;

2)de volgende alinea wordt toegevoegd:

“De in de eerste alinea bedoelde onafhankelijke persoon kan een rechtspersoon zijn die door een nationale accreditatie-instantie is geaccrediteerd voor het desbetreffende toepassingsgebied van de accreditatie.”;

b)lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

1)de eerste alinea wordt vervangen door:

“De Commissie is bevoegd om, op basis van het gelijkwaardigheidsbeginsel, uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot de omzetting van de daadwerkelijk betaalde jaarlijkse gemiddelde koolstofprijs als bedoeld in lid 1 van dit artikel en van de overeenkomstig lid 4 van dit artikel bepaalde jaarlijkse standaardkoolstofprijzen, naar een overeenkomstige vermindering van het aantal in te leveren CBAM-certificaten. Die handelingen zijn ook van toepassing op de omrekening in euro van de daadwerkelijk in buitenlandse valuta betaalde koolstofprijs tegen de jaarlijkse gemiddelde wisselkoers, het vereiste bewijs voor de daadwerkelijke betaling van de koolstofprijs, voorbeelden van toepasselijke teruggaven of andere vormen van compensatie als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de kwalificaties van de in lid 2 van dit artikel bedoelde onafhankelijke persoon en de voorwaarden om de kwalificaties en de onafhankelijkheid van die persoon te waarborgen. Tot de in de vorige alinea genoemde kwalificaties behoren de verlening van een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie, de specificatie van de certificeringsprocedures, en de passende uitwisselingen van informatie tussen de onafhankelijke persoon, nationale accreditatie-instanties, de Europese Commissie en bevoegde autoriteiten. De Commissie is ook bevoegd om de voorwaarden voor de aftrek van koolstofkredieten krachtens artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs te reguleren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

2)de volgende alinea wordt toegevoegd:

“Tot de in de eerste alinea bedoelde kwalificaties behoren de verlening van een accreditatie door een nationale accreditatie-instantie, de specificatie van de certificeringsprocedures en de passende uitwisselingen van informatie tussen de onafhankelijke persoon, nationale accreditatie-instanties, de Commissie en bevoegde autoriteiten.”;

8)artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. Om ingebedde emissies te kunnen verifiëren op basis van werkelijke emissies, en om in voorkomend geval de in een derde land betaalde koolstofprijs te kunnen vaststellen, registreert de Commissie, op verzoek van een exploitant van een installatie in een derde land, de informatie over die exploitant en zijn installatie in het in artikel 14 bedoelde CBAM-register.”;

b)aan lid 5 wordt het volgende punt e) toegevoegd:

“e) zorgt, indien van toepassing krachtens artikel 6, lid 7, dat wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden voor het gebruik van werkelijke emissies, voor relevante combinaties van goederen en oorsprongen.”;

c)in lid 7 wordt de eerste zin vervangen door:

“Een exploitant mag de informatie over de voorwaarden voor het gebruik van werkelijke emissies, voor de relevante combinaties van goederen en oorsprongen als bedoeld in artikel 6, lid 7, de verificatie van ingebedde emissies en de in een derde land betaalde koolstofprijs als bedoeld in lid 5 van dit artikel verstrekken aan een toegelaten CBAM-aangever of een andere exploitant.”;

d)in lid 7 wordt de tweede zin vervangen door:

“De exploitant kan ermee volstaan om de toegelaten CBAM-aangever een samenvatting van de in lid 5, punten a), b), c) en e), bedoelde informatie te verstrekken. De toegelaten CBAM-aangever heeft het recht die informatie te gebruiken om aan de in artikel 8 bedoelde verplichting te voldoen.

Indien de toegelaten CBAM-aangever besluit de CBAM-aangifte in te dienen op basis van deze verstrekte informatie, blijft de toegelaten CBAM-aangever verantwoordelijk voor de inlevering van het juiste aantal CBAM-certificaten krachtens artikel 22, lid 1.”;

9)artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:

“5 bis. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de aanvrager of de toegelaten CBAM-aangever niet aantoont over voldoende financiële draagkracht te beschikken om aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen, onder meer door niet te voldoen aan het vereiste van artikel 22, lid 2, kan de bevoegde autoriteit in afwijking van lid 5 vereisen dat een zekerheid wordt gesteld.

De bevoegde autoriteit stelt het bedrag van die zekerheid vast op het bedrag dat wordt berekend als de geaggregeerde waarde van het aantal CBAM-certificaten dat de toegelaten CBAM-aangever overeenkomstig artikel 22 zou moeten inleveren voor:

a)    de invoer van overeenkomstig artikel 5, lid 5, punt g), aangegeven goederen;

b)    de hoeveelheid ingevoerde goederen zoals opgegeven in de douaneaangifte en andere relevante informatie uit de twee voorgaande kalenderjaren waarover de bevoegde autoriteit beschikt, of

c)    een schatting alsof de unieke op massa gebaseerde drempelwaarde zou worden overschreden met een gemiddelde voor de relevante sectoren die onder deze verordening vallen.

De zekerheid wordt gesteld middels een bankgarantie, betaalbaar op eerste verzoek, afgegeven door een financiële instelling die in de Unie actief is, of in een andere vorm van garantie die een gelijkwaardige zekerheid biedt.”;

b)lid 7 wordt vervangen door:

“7. Indien overeenkomstig lid 5 een zekerheid wordt vereist, geeft de bevoegde autoriteit de zekerheid onmiddellijk vrij na 30 september van het tweede jaar waarin de toegelaten CBAM-aangever CBAM-certificaten overeenkomstig artikel 22 heeft ingeleverd.

Indien een zekerheid is vereist overeenkomstig lid 5 bis, geeft de bevoegde autoriteit de zekerheid onmiddellijk vrij na 30 september van het tweede jaar waarin de toegelaten CBAM-aangever CBAM-certificaten overeenkomstig artikel 22 heeft ingeleverd. Onverminderd het bovenstaande kan de bevoegde autoriteit besluiten om de looptijd van de zekerheid te verlengen indien die verlenging naar behoren wordt gemotiveerd.

Indien de toegelaten CBAM-aangever nalaat de toereikende hoeveelheid CBAM-certificaten in te leveren overeenkomstig artikel 22, en na een besluit overeenkomstig artikel 19, lid 5, wendt de bevoegde autoriteit de gestelde zekerheid aan om de openstaande financiële correctie te innen.

De bevoegde autoriteit bepaalt de in te vorderen hoeveelheid op basis van het aantal certificaten dat had moeten worden ingeleverd en de prijs van certificaten op de dag waarop het besluit is genomen.”;

10)aan artikel 18, lid 3, wordt de volgende zin toegevoegd:

“In die gedelegeerde handelingen worden ook de door verificateurs toe te passen verificatieprocedures omschreven.”;

11)in artikel 19 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd:

“2 bis. Indien de ingebedde emissies worden vastgesteld op basis van werkelijke emissies, kan de Commissie of de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de toegelaten CBAM-aangever is gevestigd, in het kader van de beoordeling van de CBAM-aangifte de toegelaten CBAM-aangever verzoeken te bewijzen dat de ingevoerde goederen zijn geproduceerd in de installatie die in de CBAM-aangifte is vermeld.”;

12)artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Voor kalenderweken waarin geen veiling op het veilingplatform plaatsvindt, is de prijs van CBAM-certificaten het gemiddelde van de slotprijzen van EU-ETS-emissierechten van de laatste week waarin veilingen op het veilingplatform hebben plaatsgevonden. Voor kalenderweken waarin slechts één veiling op het veilingplatform plaatsvindt, is de prijs van CBAM-certificaten het gemiddelde van die slotprijs en de slotprijzen van de laatste week waarin meerdere veilingen op het veilingplatform hebben plaatsvonden.”;

b)in lid 2 wordt de eerste zin vervangen door:

“De Commissie maakt de prijs van CBAM-certificaten op de eerste werkdag van de daaropvolgende kalenderweek op haar website of op een andere passende wijze bekend.”;

13)Aan artikel 22, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Vanaf 2028 wordt de in de eerste alinea bedoelde berekening uitsluitend gebaseerd op CBAM-certificaten die door de toegelaten CBAM-aangever gedurende datzelfde jaar zijn aangekocht.”;

14)in artikel 23, lid 1, tweede alinea, wordt de eerste zin vervangen door:

“Het overschot aan CBAM-certificaten wordt teruggekocht via het gemeenschappelijke centrale platform als bedoeld in artikel 20.”;

15)artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)lid 2 wordt vervangen door:

“2. De douaneautoriteiten verstrekken de Commissie, met name via het op grond van artikel 56, lid 5, van Verordening (EU) nr. 952/2013 ingestelde toezichtmechanisme, periodiek en automatisch specifieke informatie over de voor invoer aangegeven goederen. Die informatie omvat het EORI-nummer of de vorm van de overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 aangegeven identificatie van de importeur of van de toegelaten CBAM-aangever, alsook het CBAM-rekeningnummer van de toegelaten CBAM-aangever, de achtcijferige GN-code van de goederen, de hoeveelheid, het land van oorsprong, de datum van de douaneaangifte en de douaneregeling en alle overige voor de naleving van deze verordening relevante gegevens, waaronder, in voorkomend geval, aanzuiveringsafrekeningen, aangiften tot wederuitvoer en gelijkwaardige douanedocumenten. Indien de importeur geen EORI-nummer heeft, delen de douaneautoriteiten de Commissie ook de naam, het adres en, indien beschikbaar, de contactgegevens van de importeur mee.

Het in de douaneaangifte of in een ander relevant document vermelde CBAM-rekeningnummer bij de aangifte van in bijlage I vermelde goederen of uit dergelijke goederen verkregen veredelingsproducten voor invoer, bepaalt de toegelaten CBAM-aangever die de verplichtingen van deze verordening op zich neemt.”;

b)aan lid 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Indien de bevoegde autoriteit van mening is dat de informatie onjuist of onnauwkeurig is, kan de bevoegde autoriteit de douaneautoriteiten of de Commissie verzoeken de juistheid of de nauwkeurigheid van die informatie te verifiëren.”;

c)in lid 6 wordt de eerste zin vervangen door:

“De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om de omvang van de informatie, alsook de frequentie, het tijdschema en de wijze van informatieverstrekking op grond van de leden 2 en 3 van dit artikel te bepalen.”;

d)het volgende lid 7 wordt toegevoegd:

“7. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om de materiaal- en chemische samenstelling van in bijlage I vermelde goederen te omschrijven. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 29, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;

16)aan artikel 27, lid 2, wordt het volgende punt c) toegevoegd:

“c) het kunstmatig aanpassen van de toeleveringsketens om tot lagere standaardwaarden voor de goederen te komen.”;

17)het volgende artikel 27 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 27 bis

Ernstige en onvoorziene omstandigheden

De Commissie houdt op Unieniveau toezicht op de situatie om de effecten van het CBAM op de interne markt van de Unie te monitoren. Indien de Commissie, rekening houdend met de relevante feiten, van oordeel is dat de opname van een goed in bijlage I de interne markt van de Unie ernstig schaadt wegens ernstige en onvoorziene omstandigheden die verband houden met het effect op de prijzen van goederen, is zij bevoegd om overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde dit goed uit bijlage I te verwijderen totdat die ernstige en onvoorzienbare omstandigheden niet meer bestaan.”;

18)artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2. De in de artikel 2, leden 10 en 11, artikel 2 bis, lid 3, artikel 6, lid 7, artikel 18, lid 3, artikel 20, leden 5 bis en 6, artikel 27, lid 6, en artikel 27 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van [date of entry into force of this Regulation]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, leden 10 en 11, artikel 2 bis, lid 3, artikel 6, lid 7, artikel 18, lid 3, artikel 20, leden 5 bis en 6, artikel 27, lid 6, en artikel 27 bis bedoelde bevoegdheid te allen tijde intrekken.”;

b) lid 7 wordt vervangen door:

“7. Een op grond van artikel 2, leden 10 en 11, artikel 2 bis, lid 3, artikel 6, lid 7, artikel 18, lid 3, artikel 20, leden 5 bis en 6, artikel 27, lid 6, en artikel 27 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”;

19)het volgende artikel 28 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 28

Spoedprocedure

1. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van een gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 28, lid 7, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.”;

20)in artikel 30, lid 6, wordt de tweede alinea vervangen door:

“Vóór 1 januari 2028, en daarna om de twee jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over de toepassing van deze verordening en de werking van het CBAM in. In voorkomend geval kan dit verslag vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel of uitvoerings- of gedelegeerde handelingen die krachtens deze verordening zijn vastgesteld. In het verslag komen minstens de volgende punten aan de orde:

a) een beoordeling van de gevolgen van het CBAM voor:

i) koolstoflekkage, ook met betrekking tot uitvoer;

ii) de onder het CBAM vallende sectoren;

iii) de interne markt, economische en territoriale gevolgen in de hele Unie;

iv) inflatie en de prijs van grondstoffen;

v) industrieën die de in bijlage I vermelde goederen gebruiken;

vi) de internationale handel, met inbegrip van het herschikken van hulpbronnen, en

vii) minst ontwikkelde landen;

b) een beoordeling van:

i) het governancesysteem, met inbegrip van een beoordeling van de uitvoering en het beheer van de garanties en de toelating van CBAM-aangevers door de lidstaten;

ii) het toepassingsgebied van deze verordening, met inbegrip van de mogelijkheid om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot andere goederen die een risico van koolstoflekkage inhouden;

ii bis) de geschiktheid van krachtens deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

ii ter) de geschiktheid van de methoden voor de vaststelling van standaardwaarden en de toeslag die op de standaardwaarden wordt toegepast;

iii) ontwijkingspraktijken;

iv) de toepassing van boetes in de lidstaten;

v) de toepassing van de unieke op massa gebaseerde drempelwaarde, met inbegrip van de mogelijkheid om deze drempelwaarde te verhogen en een aanvullende op zendingen gebaseerde drempelwaarde in te voeren;

c) de resultaten van de onderzoeken en de opgelegde boetes;

d) geaggregeerde informatie over de emissie-intensiteit per land van oorsprong voor de verschillende in bijlage I vermelde goederen.”;

21)bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening;

22)bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening;

23)in bijlage VI wordt punt 2 als volgt gewijzigd:

a)de punten g) tot en met j) worden geschrapt;

b)het volgende punt k bis) wordt ingevoegd:

“k bis) materiaalsamenstelling van elk downstreamgoed;”;

24)een nieuwe bijlage III wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De punten 1 en 6 van bijlage II zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 1, lid 6, punt a), artikel 1, lid 8, punten a), b) en c), artikel 1, leden 21, 23 en 24, en bijlage II, punt 2, zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 2028.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3

1.1.Titel van het voorstel/initiatief3

1.2.Betrokken beleidsterreinen3

1.3.Doelstellingen3

1.3.1.Algemene doelstellingen3

1.3.2.Specifieke doelstellingen3

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3

1.3.4.Prestatie-indicatoren3

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4

1.5.2.Meerwaarde van de betrokkenheid van de EU (dit kan volgen uit verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Ten behoeve van dit onderdeel wordt onder “meerwaarde van de betrokkenheid van de EU” verstaan de waarde die voortkomt uit het optreden van de EU, dus in aanvulling op de waarde die anders door de lidstaten alleen zou zijn gecreëerd.4

1.5.3.Lessen uit soortgelijke ervaringen in het verleden4

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en mogelijke synergiën met andere geschikte instrumenten5

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5

1.6.Geldigheidsduur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen6

1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting6

2.BEHEERSMAATREGELEN8

2.1.Regels inzake toezicht en verslaglegging8

2.2.Beheers- en controlesystemen8

2.2.1.Motivering van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, de wijzen van uitvoering van de financiering, de betalingsvoorwaarden en de controlestrategie8

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en de interne controlesystemen die zijn opgezet om deze risico’s te beperken8

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende beheerde middelen) en beoordeling van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)8

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel voor kredieten12

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor beleidskredieten12

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting12

3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten22

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten24

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting24

3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten24

3.2.3.3.Totaal kredieten24

3.2.4.Geraamde behoefte aan personele middelen25

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting25

3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten26

3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften26

3.2.5.Overzicht van de geraamde gevolgen voor investeringen in verband met digitale technologie28

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader28

3.2.7.Bijdragen van derden28

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten29

4.Digitale dimensies29

4.1.Voorschriften met digitale relevantie30

4.2.Gegevens30

4.3.Digitale oplossingen31

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling31

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering32

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Titel van het voorstel/initiatief

Mechanisme voor koolstofgrenscorrectie

1.2.Betrokken beleidsterreinen 

Klimaatbeleid

1.3.Doelstellingen

1.3.1.Algemene doelstellingen

In het licht van de verhoogde klimaatambities van de EU wordt met de invoering van een CBAM in het algemeen beoogd om klimaatverandering te beperken door in de EU en wereldwijd de broeikasgasemissies terug te dringen.

Het wijzigingsvoorstel is erop gericht om de doeltreffendheid van het CBAM bij het aanpakken van het risico van koolstoflekkage te versterken.

1.3.2.Specifieke doelstellingen

De overkoepelende doelstelling om klimaatverandering te beperken, wordt verder uitgewerkt in een aantal specifieke doelstellingen, namelijk: i) beperken van het risico van koolstoflekkage in het kader van de verhoogde ambitie van de EU; ii) bijdragen tot de totstandbrenging van een stabiel en veilig beleidskader voor investeringen in koolstofarme of koolstofvrije technologieën; iii) ervoor zorgen dat de koolstofbeprijzing voor binnenlandse en ingevoerde producten op hetzelfde niveau ligt; iv) stimuleren van producenten in derde landen die naar de EU exporteren om koolstofarme technologieën toe te passen; v) ervoor zorgen dat de maatregel doeltreffend is en dat het ontwijkingsrisico tot een minimum wordt beperkt, zodat de milieu-integriteit wordt gewaarborgd; vi) ervoor zorgen dat de administratieve lasten voor de bedrijven en overheden bij de toepassing van de maatregel evenredig zijn.

Het wijzigingsvoorstel heeft tot doel om het CBAM doeltreffender te maken als bescherming tegen het risico op koolstoflekkage, door het toepassingsgebied uit te breiden tot downstreamproducten, aanvullende anti-ontwijkingsmaatregelen in te voeren en de regels die van toepassing zijn op de invoer van elektriciteit duidelijker te maken.

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief moet hebben voor de begunstigden/doelgroepen.

De invoering van een CBAM strekt ertoe om in sectoren die onder het mechanisme vallen, de broeikasgasemissies in de EU-27 en in de rest van de wereld te beperken. Van het CBAM wordt ook verwacht dat het risico van koolstoflekkage erdoor wordt verminderd, waardoor de gratis toewijzing van emissierechten in het kader van het EU-ETS geleidelijk wordt vervangen.

Wat de economische effecten betreft, komt uit de modellering die vóór de CBAM-verordening is uitgevoerd naar voren dat de invoering van een CBAM en andere maatregelen die nodig zijn om de verhoogde klimaatambities van de EU te verwezenlijken, in de EU-27 kunnen leiden tot een krimp van het bbp met 0,22 % tot 0,23 % in 2030. Het effect op de investeringen is bescheiden. Wat de consumptie betreft, lijkt het CBAM een iets sterker negatief effect te hebben ten opzichte van het scenario van een hogere klimaatambitie zonder CBAM.

Door het doeltreffend beperken van koolstoflekkage leidt de invoering van een CBAM tot een lagere invoer in de EU-27. In het algemeen zijn de sociale effecten van het CBAM beperkt.

Naar verwachting zijn er administratieve gevolgen voor de Commissie, het bedrijfsleven en de nationale autoriteiten. De verwachting is dat de nalevingskosten voor bedrijven en autoriteiten over het geheel genomen significant, maar in het licht van de milieuvoordelen van de maatregel ook evenredig en beheersbaar zullen zijn.

Naar schatting worden de jaarlijkse wereldwijde broeikasgasemissies door het wijzigingsvoorstel tegen 2030 verminderd met ongeveer 0,7 Mt CO2eq. Daarnaast wordt verwacht dat met het voorstel koolstoflekkage verder wordt teruggedrongen. Op basis van modellen van het JRC wordt geraamd dat met het CBAM zoals thans van kracht het koolstoflekkagepercentage 26 met 43 % wordt verminderd ten opzichte van een scenario zonder CBAM. Door de uitbreiding van het toepassingsgebied tot geselecteerde downstreamproducten met een hoog staal- of aluminiumgehalte zal het koolstoflekkagepercentage naar verwachting verder worden verminderd met in totaal 76 % ten opzichte van een scenario zonder CBAM. De macro-economische gevolgen van een downstreamuitbreiding zijn verwaarloosbaar, met een verwachte weerslag op het bbp van de EU van minder dan 0,001 % en over het geheel genomen beperkte gevolgen voor de handel, de productie en de consumentenprijzen in de EU.

De downstreamuitbreiding is niet gericht op het genereren van inkomsten, maar meer op het versterken van de klimaatdoeltreffendheid van het CBAM in het voorkomen van koolstoflekkage. Niettemin wordt verwacht dat het voorstel tegen 2030 ongeveer 0,58 miljard EUR aan jaarlijkse inkomsten zal genereren. Wanneer de gratis toewijzingen in het kader van het EU-ETS na 2030 geleidelijk worden afgeschaft en het CBAM geleidelijk wordt ingevoerd, is de verwachting dat de inkomsten zullen blijven stijgen tot naar schatting 0,69 miljard EUR tegen 2035.

1.3.4.Prestatie-indicatoren

Specificeer de indicatoren voor het toezicht op de voortgang en de resultaten.

Doelstellingen

Indicatoren

Meetinstrumenten/gegevensbronnen

Verminderen van broeikasemissies

-Emissieniveau in de EU

-Emissieniveau wereldwijd

-Emissiestatistieken

-Sectorale statistieken

-Verklaringen van derde landen op de vraag of het CBAM hun eigen koolstofbeprijzing heeft gestimuleerd

Aanzetten tot schonere productieprocessen in derde landen

-Ontwikkeling van de werkelijke emissies voor CBAM-sectoren in derde landen

-Niveau van de invoer van elektriciteit

-Aandeel van de gerapporteerde werkelijke waarden voor elektriciteit

-Emissieniveau getoond door producenten uit derde landen die onder het CBAM vallen

-CBAM-register

Voorkomen van koolstoflekkage

-Als indicatoren voor bovenstaande emissies

-Emissieniveau in de EU in verhouding tot de wereldwijde emissies

-Handelsstromen in CBAM-sectoren

-Downstreamhandelsstromen

-Emissiestatistieken

-Handelsstatistieken

-Sectorale statistieken

Zorgen voor samenhang met het EU-beleid

-Prijs van invoercertificaten sluit aan op prijs in het EU-ETS

-Statistieken van de autoriteiten van het EU-ETS en het CBAM

Beperken van administratieve lasten

-Tijdige behandeling van CBAM-handhaving (bv. mogelijke reconciliatieprocedure)

-Controles van het werkelijke emissieniveau per exporteur

-Feedback van het bedrijfsleven en overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het CBAM

-Aantal personeelsleden dat nodig is voor de CBAM-administratie

1.4.Het voorstel/initiatief betreft: 

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 27  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Het CBAM is in oktober 2023 ingevoerd. Tot eind 2025 is een vereenvoudigde vorm van het CBAM van toepassing. Meer bepaald geldt momenteel een overgangsperiode (er loopt een proef voor gegevensverzameling) om een soepele uitrol van het CBAM te faciliteren en handelaren en importeurs in staat te stellen zich aan te passen.

De diensten van de Commissie zijn belast met de uitvoering en handhaving van het CBAM, zowel in de overgangsperiode (2023-2025) als in de definitieve fase (vanaf 2026).

Tijdens de overgangsperiode betekende dit het verzamelen van informatie van importeurs van CBAM-goederen in de EU over de ingebedde broeikasgasemissies van deze goederen en het analyseren van gegevens.

Het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM) vergt een geleidelijke invoering van de verschillende taken die nodig zijn voor een doeltreffende uitvoering. In de eerste plaats moet een aantal verslagen en beoordelingen worden opgesteld ter ondersteuning van de invoering van de financiële verplichting. Dit onderkennend, voorziet de CBAM-verordening in de invoering ervan in twee opeenvolgende perioden: de overgangsperiode van oktober 2023 tot eind 2025, en de definitieve periode vanaf begin 2026.

Tijdens de overgangsperiode is de verplichting voor importeurs en de EU-(douane)autoriteiten, naast de invoeraangiften, beperkt tot het indienen van de CBAM-kwartaalverslagen.

Tijdens de CBAM-overgangsperiode is een overgangsregeling voor informatiebeheer ingevoerd ter ondersteuning van het indienen en verzamelen van kwartaalverslagen en de opname van gegevens uit elk van die verslagen in een geaggregeerde databank, zodat deze overeenkomstig de bepalingen van de verordening doeltreffend kunnen worden geanalyseerd ten behoeve van de verslaglegging.

In de overgangsperiode hebben de douaneautoriteiten voorts de taak om aangevers te informeren over de verplichting om informatie te verstrekken, teneinde bij te dragen tot de informatieverzameling, en om aangevers ervan bewust te maken dat zij in voorkomend geval (vóór de eerste invoer van CBAM-goederen met ingang van 1 januari 2026) de status van toegelaten CBAM-aangever moeten aanvragen.

De definitieve periode vangt aan op 1 januari 2026 voor de hier vermelde kerndiensten op het gebied van CBAM-aangiften en certificaatbeheer, en een jaar eerder voor de registratie van toegelaten aangevers en de verwerking van CBAM-toelatingen door de bevoegde autoriteiten:

— Importeurs mogen deze goederen alleen invoeren nadat zij door de bevoegde autoriteiten zijn toegelaten (behalve in geval van een verleende afwijking), of indien zij een vertegenwoordiger aanwijzen die als CBAM-aangever is toegelaten. De douaneautoriteiten mogen niet toestaan dat CBAM-goederen worden ingevoerd zonder dat daar een toegelaten CBAM-aangever bij betrokken is. Voorts kunnen de douaneautoriteiten de goederen controleren, onder meer met betrekking tot de identificatie van de toegelaten CBAM-aangever, de achtcijferige GN-code, de hoeveelheid en het land van oorsprong van de ingevoerde goederen, de datum van aangifte en de douaneregeling. De Commissie moet de risico’s in verband met het CBAM opnemen in het ontwerp van de algemene risicocriteria en -normen overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 952/2013.

— Het CBAM moet zijn gebaseerd op een aangiftesysteem waarbij een toegelaten CBAM-aangever, die kan optreden voor eigen rekening of een of meer importeurs kan vertegenwoordigen, jaarlijks een aangifte indient van de ingebedde emissies in de goederen die in het douanegebied van de EU zijn ingevoerd en jaarlijks een aantal CBAM-certificaten inlevert dat overeenstemt met de aangegeven emissies.

— Een toegelaten CBAM-aangever moet worden toegestaan om een lager aantal in te leveren CBAM-certificaten claimen, dat correspondeert met de koolstofprijs die al in andere rechtsgebieden voor die emissies is betaald. In de wijzigingsverordening wordt voorgesteld om een standaard koolstofprijs in te voeren, die aangevers in staat zou stellen om te verzoeken om een vermindering wanneer niet kan worden aangetoond dat daadwerkelijk een koolstofprijs is betaald.

— De aangegeven ingebedde emissies moeten worden geverifieerd door een persoon die is geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie in de EU waar de werkelijke emissies worden aangegeven.

— In het centrale CBAM-systeem moeten exploitanten van productie-installaties in derde landen zich in het CBAM-register kunnen registreren en hun geverifieerde ingebedde broeikasgasemissies uit de productie van goederen ter beschikking kunnen stellen aan toegelaten CBAM-aangevers. De Commissie moet het beheer voeren over het CBAM-register met gegevens over de toegelaten CBAM-aangevers, exploitanten en installaties in derde landen. In de wijzigingsverordening wordt voorgesteld om geaccrediteerde verificateurs toegang te verlenen tot het register teneinde de betrouwbaarheid van de emissiegegevens die exploitanten via het register met aangevers delen te verbeteren.

— Om het risico van koolstoflekkage te verminderen, moet de Commissie maatregelen nemen om ontwijkingspraktijken tegen te gaan.

— Voor de verkoop en terugkoop van CBAM-certificaten moet een gemeenschappelijk centraal platform worden opgericht. Voor het toezicht op de transacties op het gemeenschappelijke centrale platform moet de Commissie de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten onderling en tussen die autoriteiten en de Commissie vergemakkelijken. Daarnaast moet tussen het gemeenschappelijke centrale platform en het CBAM-register een snelle informatiestroom tot stand worden gebracht.

— De Commissie moet op risicoanalyse gebaseerde controles uitvoeren en de inhoud van de CBAM-aangiften dienovereenkomstig beoordelen. Voor handhavingsdoeleinden kunnen de lidstaten ook individuele CBAM-aangiften beoordelen. De conclusies van de beoordelingen van individuele CBAM-aangiften moeten met de Commissie worden gedeeld en aan andere bevoegde autoriteiten in het CBAM-register beschikbaar worden gesteld.

— De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de correcte vaststelling en inning van de inkomsten die voortkomen uit de toepassing van deze verordening.

Daarom neemt het aantal aan de Commissie toegewezen taken in de definitieve periode drastisch toe, waardoor de personeelsbehoefte stijgt. De taken van dit team omvatten het toezicht op de toelating van CBAM-aangevers door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, het beheer van de centrale databank en het centrale register, de coördinatie en informatie-uitwisseling met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de beoordeling van aangiften en het toezicht op het externe platform, en tot slot taken waarvoor wettelijke bevoegdheden vereist zijn, zoals het voeren van gerechtelijke procedures, het terugvorderen van bedragen en het houden van toezicht op de financiële verantwoordelijkheid. De structuur van het team wordt hieronder nader omschreven.

In de definitieve periode is de Commissie verantwoordelijk voor het merendeel van de taken die voortvloeien uit de CBAM-verordening.

In het wijzigingsvoorstel worden nieuwe ontwijkingsbepalingen opgenomen, wat betekent dat de Commissie vanaf 2027 aanvullende taken zal moeten uitvoeren. Het betreft onder meer de ontwikkeling en uitvoering van en het toezicht op het operationeel maken van de nieuwe anti-ontwijkingsbepalingen. Deze maatregelen vereisen met name extra geldigheidscontroles van bewijsmateriaal dat is verstrekt door importeurs die verondersteld worden de geldigheid van de in de CBAM-aangifte verstrekte informatie te verifiëren.

Als gevolg van de wijzigingen in het wijzigingsvoorstel ontstaan voorts aanvullende financieringsbehoeften voor de bekostiging van analytische input voor de Commissie voor de uitvoering van belangrijke taken die vanaf 2027 moeten worden uitgevoerd. De Commissie moet met name standaardwaarden ontwikkelen (en jaarlijks bijwerken) voor de nieuwe goederen die aan bijlage I bij de verordening worden toegevoegd. Bovendien zijn haar verantwoordelijkheden op het gebied van het monitoren en opsporen van omzeilings- en ontwijkingspraktijken uitgebreid, hetgeen vraagt om de aanschaf van databanken en marktinformatie om te dienen als input in een robuust systeem voor risicoanalyse en -opsporing. Naar schatting zal hiervoor in 2027 2 miljoen EUR aan niet-IT-uitgaven nodig zijn, boven op de begrotingsbehoeften die in het financieel en digitaal memorandum bij het voorstel zijn geïdentificeerd voor het vereenvoudigen en versterken van het CBAM (+ 2 miljoen EUR op jaarbasis).

IT-begroting CBAM

De voor de periode 2023-2027 vast te leggen/toe te wijzen CBAM-begroting is geraamd op 120,69 miljoen EUR. De IT-begroting van het CBAM omvat analyse- en ontwikkelingsdiensten, implementatiediensten, operationele diensten, clouddiensten en/of lokale hardware- en softwarelicenties voor het overgangs- en het definitieve CBAM, zoals hieronder nader wordt beschreven:

— De CAPEX-kosten zijn geraamd op basis van de daadwerkelijk gebruikte begroting en de door de IT-corporate governance van de Europese Commissie goedgekeurde begroting in de vorm van goedgekeurde visiedocumenten voor de volgende oude IT-projecten van DG TAXUD, vanwege de gelijkenissen met het IT-architectuurmodel: CDS, CRMS2, SURV3, REX, CSRD2, EBTI, door DG TAXUD ontwikkelde en beheerde douanesystemen voor het beheer van trans-Europese aangiften.

— De OPEX-kosten zijn beoordeeld op basis van de huidige jaarlijkse infrastructuur- en operationele kosten van DG TAXUD en de voorzieningen voor IT-infrastructuur, IT-ondersteunings- en servicedeskactiviteiten voor de productiesystemen van bovengenoemde projecten.

— De prijsstelling is gebaseerd op de huidige prijsstelling van raamcontracten.

De begroting voor de gezamenlijke aanbesteding door de Europese Commissie en de lidstaten van het platform voor de aankoop en verkoop van certificaten voor het beheer van activiteiten is niet in het begrotingsonderdeel voor IT-beleid opgenomen.

In 2027 zal het CBAM-team bestaan uit 90 personeelsleden van de Europese Commissie (waaronder 15 personeelsleden voor IT).

De uitsplitsing van het totale personeelsbestand, met inbegrip van IT-personeel, van 2023 tot 2027 is als volgt:

Jaar

2023

2024

2025

2026

2027

Totale personele middelen

20

33

44

66

90

CBAM-team

12

21

29

50

74

IT-CBAM-team

8

12

15

16

16

Vanwege het strategische belang, de omvang en de complexiteit van het CBAM-IT-project moet een specifiek CBAM-IT-team worden gevormd voor het beheer van de gehele uitvoering en alle activiteiten.

Het CBAM-IT-team zal bestaan uit 16 leden met een gespecialiseerd IT-profiel, voor het vaststellen en beheren van de IT-systeemarchitectuur en de projectorganisatie en -planning van het CBAM, de activiteiten op het gebied van de ontwikkeling, uitrol, organisatie van het dienstenmodel, het beheer van activiteiten en ondersteuning van handel, diensten van de Commissie en klimaat- en douaneautoriteiten, naast de overgangs- en definitieve CBAM-IT-systemen.

Het voorgestelde plan voor de personeelsformatie van het CBAM-IT-team is als volgt:

Jaar

2023

2024

2025

2026

2027

Personele middelen

8

12

15

15

15

AD

4

5

5

5

5

CA

4

7

10

10

10

Extra extern personeel (PXE) wordt aangeworven uit de CBAM-IT-begroting, afhankelijk van de behoeften.

1.5.2.Meerwaarde van de betrokkenheid van de EU (dit kan volgen uit verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Ten behoeve van dit onderdeel wordt onder “meerwaarde van de betrokkenheid van de EU” verstaan de waarde die voortkomt uit het optreden van de EU, dus in aanvulling op de waarde die anders door de lidstaten alleen zou zijn gecreëerd.

Redenen voor maatregelen op EU-niveau (ex ante): het beperken van broeikasgasemissies is in wezen een grensoverschrijdend probleem dat doeltreffend optreden op zo groot mogelijke schaal vereist. Als supranationale organisatie is de EU de instantie bij uitstek om een doeltreffend klimaatbeleid in de EU tot stand te brengen, zoals zij eerder al met het EU-ETS heeft gedaan.

Er bestaat al een geharmoniseerde koolstofprijs op EU-niveau. Deze geharmoniseerde koolstofprijs is het resultaat van de prijs die voortvloeit uit het EU-ETS voor de sectoren die onder dat systeem vallen. De enige zinvolle manier om te waarborgen dat het koolstofbeprijzingsbeleid op de interne markt van de EU gelijkloopt met het koolstofbeprijzingsbeleid ten aanzien van ingevoerde goederen, is om op het niveau van de EU maatregelen te treffen.

Elk initiatief moet zodanig worden uitgevoerd dat de voorwaarden en stimulansen om broeikasgasemissies te verminderen dezelfde zijn voor importeurs — ongeacht land van oorsprong en plaats van binnenkomst of bestemming in de EU — en binnenlandse producenten. De enige doeltreffende manier om dit te doen is door op het niveau van de EU maatregelen te treffen.

De voorgestelde vereenvoudiging die met de wijzigingsverordening wordt ingevoerd, kan het best op EU-niveau worden doorgevoerd om rechtszekerheid en consistentie te waarborgen. Dit zal zorgen voor een gelijk speelveld voor ondernemingen en autoriteiten in de hele EU, die zal profiteren van de rationalisering van uit dit voorstel voortvloeiende rapportagevoorschriften.

Verwachte gegenereerde meerwaarde door de EU (ex-post): Zoals dat ook geldt voor het EU-ETS, kunnen de vermindering van de broeikasgasemissies en de bescherming tegen het risico op koolstoflekkage op de interne markt van de EU het best op EU-niveau worden verwezenlijkt. Daarbij komt dat de behoefte aan minimale administratieve kosten het best kan worden bereikt door het vaststellen van consistente regels voor de gehele interne markt, wat de meerwaarde van optreden op EU-niveau verder onderstreept.

In de openbare raadpleging is de meerwaarde van het op EU-niveau treffen van maatregelen ten aanzien van het CBAM bevestigd. Belanghebbenden zijn het er met name over eens dat een CBAM in de EU nodig is vanwege de bestaande verschillen in ambitie tussen de EU en de rest van de wereld en om mondiale klimaatinspanningen te ondersteunen. Als de EU, gezien haar positie in de internationale handel, een CBAM invoert, zal het milieueffect op de internationale klimaatambities het meest doel treffen als mogelijk voorbeeld om te volgen.

Omdat er geen vergelijkbare mondiale beleidsambities zijn, vraagt de doelstelling om emissies te verminderen en klimaatneutraliteit te realiseren derhalve om maatregelen van de Europese Unie.

1.5.3.Lessen uit soortgelijke ervaringen in het verleden

Het wijzigingsvoorstel is gebaseerd op de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van het CBAM sinds op 1 oktober 2023 de overgangsfase van het mechanisme van kracht is geworden.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en mogelijke synergiën met andere geschikte instrumenten

Op 16 juli 2025 heeft de Commissie haar voorstel voor een ambitieus en dynamisch meerjarig financieel kader (“MFK”) ten bedrage van bijna 2 biljoen EUR gepresenteerd. De Commissie heeft vijf nieuwe eigen middelen gepresenteerd om haar prioriteiten te financieren en tegelijkertijd het bedrag dat de EU in het kader van NextGenerationEU heeft geleend, terug te betalen en de nationale bijdragen aan de EU-begroting te beperken. Een van de voorgestelde nieuwe eigen middelen bestaat uit het CBAM, dat tussen 2028 en 2034 naar verwachting gemiddeld ongeveer 1,45 miljard EUR per jaar (huidige prijzen) zal genereren.

In het wijzigingsvoorstel worden de taken en verantwoordelijkheden van de Commissie verder uitgebreid om ervoor te zorgen dat het CBAM doeltreffend wordt uitgevoerd en niet zal worden omzeild/ontweken. Hiervoor is aanvullende begrotingssteun binnen het huidige MFK nodig. Daarnaast, en zonder vooruit te lopen op het resultaat van de onderhandelingen over het volgende MFK, moeten, aangezien voor de meeste taken geldt dat ze terugkerend zijn, in het kader van het volgende MFK passende financieringsmiddelen beschikbaar worden gesteld.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

De uitvoeringskosten voor het CBAM worden gefinancierd uit de EU-begroting.

1.6.Geldigheidsduur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen

 beperkte geldigheidsduur

   van kracht vanaf [DD/MM] JJJJ tot en met [DD/MM] JJJJ;

   financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte geldigheidsduur

uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ;

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Wijze(n) van uitvoering van de begroting

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de EU;

   door de uitvoerende agentschappen.

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

publiekrechtelijke organen

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het EU-recht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van fondsen of begrotingsgaranties van de EU, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en voldoende financiële garanties bieden in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die per actie tot het maximumbedrag van de steun van de EU kunnen worden beperkt

Opmerkingen

n.v.t.

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake toezicht en verslaglegging 

De Commissie zal ervoor zorgen dat er regelingen worden ingevoerd om toezicht te houden op de werking van het CBAM en om die werking te evalueren en te toetsen aan de belangrijkste beleidsdoelstellingen.

De Commissie zal eind 2025, d.w.z. vóór het einde van de overgangsperiode, en vervolgens om de twee jaar uitgebreide evaluaties van de werking van het CBAM, met inbegrip van de governance ervan, publiceren.

2.2.Beheers- en controlesystemen 

2.2.1.Motivering van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, de wijzen van uitvoering van de financiering, de betalingsvoorwaarden en de controlestrategie

Een sterk gecentraliseerde opzet maakt een uniforme en efficiënte uitvoering van het CBAM in de hele EU mogelijk, ook in lidstaten met een beperktere administratieve capaciteit op het gebied van klimaataangelegenheden. De meeste uitvoerings- en handhavingstaken zijn toegewezen aan de diensten van de Commissie. Daarbij hoort ook een groter aantal controletaken om een correcte uitvoering en een correct beheer van het CBAM te waarborgen. De Commissie heeft ook meer maatregelen voor fraudepreventie gepland.

Dit wijzigingsvoorstel bevat een aantal bepalingen om het risico op omzeiling en ontwijking te verminderen en zo de doeltreffendheid van het CBAM te vergroten. Dit zal aanvullende financieringsbehoeften voor de Commissie met zich meebrengen in verband met de uitvoering van deze aanvullende taken en de uitbreiding van het CBAM-register.

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en de interne controlesystemen die zijn opgezet om deze risico’s te beperken

Het CBAM is gebaseerd op een aangiftesysteem, wat een risico van niet-aangifte of onjuiste aangifte met zich meebrengt. Er zijn risico’s van niet-aangifte en onjuiste aangifte (bv. van emissie-intensiteiten, ingevoerde volumes, de plaats van productie van CBAM-goederen) vastgesteld.

Ook wordt een systeem voor interne controle opgezet, met verdedigingslinies waarin zowel geautomatiseerde, op het oordeel van deskundigen gebaseerde controles als risicobeoordelingen zullen worden toegepast. Om die risico’s op te sporen, is de uitrol van gegevensanalysetechnieken gepland.

Om het risico van niet-aangifte te ondervangen, vereist het systeem een toelating voordat goederen die onder het toepassingsgebied van de verordening vallen kunnen worden ingevoerd. De nationale douaneautoriteiten zijn belast met de handhaving van deze regel door deze goederen niet in het vrije verkeer te brengen zolang de aangever geen toelating heeft overeenkomstig deze verordening. Daarnaast houden de diensten van de Commissie in een bepaald jaar ook regelmatig in de gaten of het voorkomt dat er importeurs zijn die geen toelatingsprocedure zijn gestart, hoewel zij de CBAM-rapportagedrempel hebben bereikt of benaderen (ook in het geval van grensoverschrijdende invoer).

Om het risico van onjuiste aangifte te ondervangen, zal een op risico’s gebaseerde aanpak worden opgezet aan de hand van vooraf bepaalde criteria en steekproefsgewijze audits. Het huidige CBAM-voorstel voorziet in de verlening van bevoegdheden aan de diensten van de Commissie om te verzoeken om bewijs dat het gebruik van werkelijke emissies voor bepaalde GN-codes of landen van oorsprong mogelijk maakt. Het voorstel voorziet ook in aanvullende voorwaarden voor het gebruik van werkelijke emissies voor bepaalde GN-codes en/of landen van oorsprong.

Een ontmoedigende sanctieregeling dient ook als afschrikking voor mogelijke ontwijking. Controles vinden zowel plaats op het niveau van de CBAM-aangifte, door de nationale autoriteiten, als op het niveau van de invoeraangiften, door de douaneautoriteiten.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende beheerde middelen) en beoordeling van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting) 

De diensten van de Commissie zullen toezien op de correcte toepassing van het CBAM, met name op de inlevering van CBAM-certificaten en op de correcte toepassing van de de-minimis-drempel. Om kosteneffectieve controles te waarborgen en het risico op ontwijking aan te pakken, zal een sterk risicobeheersysteem worden toegepast.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

De financiële belangen van de EU moeten gedurende de hele uitgavencyclus worden beschermd met evenredige maatregelen, onder meer op het gebied van preventie, opsporing en onderzoek van onregelmatigheden, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en, voor zover van toepassing, van administratieve en financiële boetes.

Doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen vragen om actieve samenwerking, met inbegrip van het delen van kennis en het uitwisselen van informatie, tussen douaneautoriteiten en bevoegde autoriteiten, zowel op nationaal als op EU-niveau; samenwerking met derde landen kan ook nodig zijn. De huidige versie van de CBAM-verordening voorziet reeds in solide samenwerkingskanalen tussen de nationale bevoegde autoriteiten en de douaneautoriteiten. Er is een CBAM-netwerk voor risicobeheer opgezet, dat reeds is gestart met de werkzaamheden tegen ontwijking van het CBAM, hetgeen het huidige voorstel versterkt met operationele verbeteringen van de CBAM-verordening om het risico op ontwijking te beperken.

Het wijzigingsvoorstel versterkt verder de ontwijkingsrisico’s waaraan het CBAM wordt blootgesteld, met name door middel van 1) betere traceerbaarheidsmogelijkheden om het risico van onjuiste opgave van emissie-intensiteiten tegen te gaan; 2) een grotere mate van detail bij de rapportage van de materiële en chemische samenstelling van GN-codes om het risico van onjuiste opgave van emissie-intensiteit tegen te gaan; en tot slot door 3) maatregelen tegen onrechtmatige praktijken. Tot slot wordt voorgesteld om preconsumptieschroot op te nemen als CBAM-precursor. Preconsumptieschroot werd gebruikt als ontwijkingskanaal om de emissies van een productieproces en derhalve ook de financiële aansprakelijkheid in het kader van het CBAM kunstmatig te verminderen.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan onbetrouwbare marktdeelnemers (bv. lege vennootschappen, plof-bv’s) en grensoverschrijdende handel binnen de EU. Het bovengenoemde netwerk voor risicobeheer van het CBAM zal zich focussen op het aanpakken van dergelijke risico’s.

Fraudebestrijdingsmaatregelen moeten snel voorhanden zijn om te reageren op nieuwe/nieuw ontdekte frauderisico’s. Bevoegde autoriteiten moeten frauduleuze patronen melden en kennis erover delen. Het CBAM-register wordt uitgerold volgens de beginselen van kennisdeling, geautomatiseerde controles en controle en informatie-uitwisseling tussen belanghebbenden. Het CBAM-risicobeheersysteem is met name gebaseerd op gevestigde en functionerende communicatie-interfaces met de douaneautoriteiten (CRMS2) voor het meedelen van mogelijke gevallen van ontwijking.

Wanneer een toegelaten CBAM-aangever of een importeur de verplichtingen uit hoofde van de CBAM-verordening niet nakomt, worden boetes opgelegd. Bij herhaalde inbreuken kan de nationale bevoegde autoriteit besluiten de rekening van de aangever te schorsen.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven 

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Aantal  

GK/NGK 28 .

van EVA-landen 29

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten

uit andere derde landen

overige bestemmingsontvangsten

7

20 01 02 01

GK/NGK

NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3

09 20 04 01 (CBAM)

GK

NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

·Aangevraagde nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Aantal  

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten

uit andere derde landen

overige bestemmingsontvangsten

n.v.t.

n.v.t.

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel voor kredieten 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder wordt toegelicht

De bedragen voor de programmeringsperiode 2028-2034 zijn indicatief en lopen niet vooruit op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het volgende MFK.

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

In miljoen euro (tot op drie decimalen nauwkeurig)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

3

Natuurlijke hulpbronnen en milieu (IT)

DG: TAXUD

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel 09 20 04 01 (CBAM)

Toezeggingen

(1a)

28 090 

34 750 

33 700

35 150 

131 690

Betalingen

(2a)

17 530 

21 157 

32 090

34 067

104 844

Begrotingsonderdeel

Toezeggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

Begrotingsonderdeel

 

(3)

 

 

 

 

0,000

Totaal kredieten

voor DG TAXUD

Toezeggingen

=1a+1b+3

28 090

34 750

33 700

35 150 

131 690

Betalingen

=2a+2b+3

17 530

21 157

32 090

34 067

104 844

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Totaal beleidskredieten  

Toezeggingen

(4)

28 090

34 750

33 700

35 150 

131 690

Betalingen

(5)

17 530

21 157

32 090

34 067

104 844

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 3

Toezeggingen

=4+6

28 090

34 750

33 700

35 150 

131 690

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

17 530

21 157

32 090

34 067

104 844

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Toezeggingen

(4)

28 090

34 750

33 700

35 150 

131 690

Betalingen

(5)

17 530

21 157

32 090

34 067

104 844

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Toezeggingen

=4+6

28 090

34 750

33 700

35 150 

131 690

van het meerjarig financieel kader 
(Referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

17 530

21 157

32 090

34 067

104 844

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2028-2034

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Toezeggingen

29 100

24 823

25 568

26 335

27 125

27 939

28 777

189,667

Betalingen

18 042

15 142

15 852

16 064

25 769

26 542

31 367

148 778

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

 

 

 

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 3

Toezeggingen

29 100

24 823

25 568

26 335

27 125

27 939

28 777

189 667

van het meerjarig financieel kader 
(Referentiebedrag)

Betalingen

18 042

15 142

15 852

16 064

25 769

26 542

31 367

148 778

* De cijfers met betrekking tot het MFK 2028-2034 in bovenstaande tabel zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen, waarop niet kan worden vooruitgelopen.



Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 

DG TAXUD

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

8 572

6 271

8 740

11 700

35 283

 Andere administratieve uitgaven

0,600

0,300

0,306

0,312

1,518

TOTAAL DG TAXUD

Kredieten

9,172

6,571

9,046

12,012

36,801

Totaal kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(Totaal vastleggingen = totaal betalingen)

9,172

6,571

9,046

12,012

36,801

In miljoen euro (tot op drie decimalen nauwkeurig)

DG TAXUD

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2028-2034

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

 Personele middelen

13,293

13,293

13,293

13,293

13,293

13,293

13,293

93,051

 Andere administratieve uitgaven

0,310

0,319

0,329

0,339

0,349

0,359

0,370

2,375

TOTAAL DG TAXUD

Kredieten

Totaal kredieten onder RUBRIEK 4 van het meerjarig financieel kader

(Totaal vastleggingen = totaal betalingen)

* De cijfers met betrekking tot het MFK 2028-2034 in bovenstaande tabel zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen, waarop niet kan worden vooruitgelopen.

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar 
2024

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 2028

Jaar 2029

Jaar 2030

Jaar 2031

Jaar 2032

Jaar 2033

Jaar 2034

TOTAAL 

Rubriek 7 (programmeringsperiode 2021-2027); Rubriek 4 (programmeringsperiode 2028-2034)

Personele middelen

8,572

6,271

8,740

11,700

 13,293

13,293 

13,293 

13,293 

13,293 

13,293 

13,293 

128,334

Andere administratieve uitgaven — dienstreizen

0,600

0,300

0,306

0,312

0,310

0,319 

0,329 

0,339 

0,349 

0,359 

0,370 

3,893

Totaal RUBRIEK 7 (programmeringsperiode 2021-2027); Rubriek 4 (programmeringsperiode 2028-2034)

9,172

6,571

9,046

12,012

13,603

13,612

13,622

13,632

13,642

13,652

13,663

132,227

* De cijfers met betrekking tot het MFK 2028-2034 in bovenstaande tabel zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen, waarop niet kan worden vooruitgelopen.

In miljoen euro (tot op drie decimalen nauwkeurig)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Toezeggingen

37,262

41,321

42,746

47,162

168,491

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

26,702

27,728

41,136

46,079

141645

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2028-2034

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4

Toezeggingen

42,703

38,435

39,190

39,967

40,767

41,591

42,440

285,091

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

29.892 

26,904 

26,257 

26,778 

39,136 

39,928 

44,986 

233,881 

* De cijfers met betrekking tot het MFK 2028-2034 in bovenstaande tabel zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen, waarop niet kan worden vooruitgelopen.

Jaar 
2024

Jaar 
2025

Jaar 
2026

Jaar 
2027

Jaar 2028

Jaar 2029

Jaar 2030

Jaar 2031

Jaar 2032

Jaar 2033

Jaar 2034

TOTAAL FDM

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7 van het meerjarig financieel kader

Toezeggingen

37,262

41,321

42,746

47,162

42,703

38,435

39,190

39,967

40,767

41,591

 42,440

453 584

Betalingen

26,702

27,728

41,136

46,079

29,892 

26,904 

26,257 

26,778 

39,136 

39,928 

44,986

375,526

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet in te vullen voor gedecentraliseerde agentschappen)

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar  
2024

Jaar  
2025

Jaar  
2026

Jaar  
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie onderdeel1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 30

Gemiddelde kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1 31 ...

— Output

— Output

— Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

SPECIFIEKE DOELSTELLING Nr. 2 …

— Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

TOTALEN

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder wordt toegelicht

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

8,572

6,271

8,740

11,700

35,283

Andere administratieve uitgaven

0,600

0,300

0,306

0,312

1 518

Subtotaal RUBRIEK 7

9,172

6,571

9,046

12,012

36,801

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

9,172

6,571

9,046

12,012

36,801

3.2.4.Geraamde behoefte aan personele middelen 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder wordt toegelicht

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting

Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 32

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

MFK

2028-34

2024

2025

2026

2027

 Posten in de personeelsformatie (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (Hoofdkantoor en vertegenwoordigingen van de Commissie)

21

21

25

30

30 per jaar

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (Onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (specificeren)

0

0

0

0

• Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END uit de „totale financiële middelen”)

12

23

40

60

60 per jaar

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuningsonderdeel 
[DD.01.JJ.JJ]

— op het hoofdkantoor

0

0

0

0

— in EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END — Onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END — Eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — Rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) — buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

33

44

65

90

90 per jaar

Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):

Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie

Uitzonderlijk extra personeel *

Te financieren uit Rubriek 7 of Onderzoek

Te financieren uit het BA-onderdeel

Te financieren uit vergoedingen

Posten in de personeelsformatie

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Extern personeel (AC, GND’s, INT)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Beschrijving van de taken die moeten worden uitgevoerd door:

Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

De CBAM-verordening verplicht de Commissie om na de vaststelling van de CBAM-verordening een aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Ook is personeel van de Commissie nodig om de werking van het CBAM-systeem te evalueren en te beoordelen en om het IT-systeem in te voeren.

In het wijzigingsvoorstel worden nieuwe ontwijkingsbepalingen opgenomen, wat betekent dat er extra taken komen die vanaf 2027 door de Commissie moeten worden uitgevoerd. Deze maatregelen vereisen met name extra geldigheidscontroles van bewijs dat is verstrekt door importeurs die verondersteld worden de geldigheid van de in de CBAM-aangifte verstrekte informatie te verifiëren.

Extern personeel

Veel taken kunnen door externe medewerkers worden uitgevoerd.

In het wijzigingsvoorstel worden nieuwe ontwijkingsbepalingen opgenomen, wat betekent dat de Commissie vanaf 2027 extra taken zal moeten uitvoeren. Deze maatregelen vereisen met name extra geldigheidscontroles van bewijs dat is verstrekt door importeurs die verondersteld worden de geldigheid van de in de CBAM-aangifte verstrekte informatie te verifiëren.

3.2.5.Overzicht van de geraamde gevolgen voor investeringen in verband met digitale technologie

Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden opgegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.

Wanneer dit voor de uitvoering van het voorstel/initiatief nodig is, moeten de kredieten onder rubriek 7 bij wijze van uitzondering in het daartoe bestemde begrotingsonderdeel worden opgenomen.

De kredieten onder de rubrieken 1-6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven voor operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen de operationele begroting die zal worden ingezet voor hergebruik, de aanschaf of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks gekoppeld zijn aan de uitvoering van het initiatief en de daarmee verband houdende investeringen (bijvoorbeeld licenties, onderzoeken, gegevensopslag enz.). De informatie in deze tabel moet in overeenstemming zijn met de details in deel 4 “Digitale dimensies”.

TOTAAL kredieten voor digitalisering en IT

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven voor operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

5 000

5 000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

5 000

5 000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

5 000

5 000

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

   kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

     vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals omschreven in de MFK-verordening

Extra IT-uitgaven ten bedrage van 3 miljoen EUR voor 2027 zijn nodig voor het IT-ontwerp en de ontwikkeling die nodig is om het CBAM-register aan te passen aan het nieuwe toepassingsgebied en de nieuwe modellen, de instrumenten voor risicoanalyse te verbeteren, de aanvullende downstreamproducten en diensten ter bestrijding van ontwijking/omzeiling te integreren, de IT-diensten te versterken en de vereiste capaciteit, de downstream-uitbreiding en functionaliteiten ter ondersteuning van risicobeheer en opsporing van ontwijking en omzeiling te ondersteunen, als onderdeel van het CBAM-register en/of het CBAM-gegevenslab.

Daarnaast is vanaf 2027 jaarlijks 2 miljoen EUR extra nodig, los van de resultaten van de onderhandelingen over het volgende MFK, om analytische expertise aan te trekken waarmee de in het wijzigingsvoorstel aan de Commissie toegewezen taken kunnen worden uitgevoerd. De Commissie moet met name standaardwaarden ontwikkelen (en jaarlijks bijwerken) voor de nieuwe goederen die aan bijlage I bij de verordening zullen worden toegevoegd. Bovendien zijn haar verantwoordelijkheden op het gebied van het houden van toezicht op en het opsporen van ontwijkings- en omzeilingspraktijken uitgebreid, waardoor databanken en marktinformatie moeten worden aangeschaft om te dienen als input in een robuust systeem voor risicoanalyse en -opsporing. Deze kosten zijn niet gedekt in het vorige financieel memorandum en zullen vanaf 2027 daadwerkelijk ontstaan.

   vereist een herziening van het MFK

3.2.7.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar  
2024

Jaar  
2025

Jaar  
2026

Jaar  
2027

Totaal

Vermeld de medefinancieringsbron 

Totaal medegefinancierde kredieten

 
3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor de overige ontvangsten

   geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

In miljoen euro (tot op drie decimalen nauwkeurig)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 33

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar 2028

Jaar 2029

Jaar 2030

Artikel

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Vermeld voor toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.

09 20 04 01

Andere opmerkingen (bijvoorbeeld over de methode/formule voor het berekenen van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

Voor de gevolgen voor eigen middelen is een “p.m.”-post opgenomen in verband met voorstel COM(2025) 574 final van de Commissie tot wijziging van het besluit betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie.

Voor de gevolgen voor andere ontvangsten is een “p.m.”-post opgenomen in verband met de inning van de inkomsten uit de vergoedingen (artikel 20) voor de financiering van het gemeenschappelijk CBAM-platform, waarvan de raming pas bekend zal worden na de vaststelling van de vergoedingsmodaliteiten.

4.Digitale dimensies

Er zijn geen wijzigingen in de digitale concepten en architectuur die zijn goedgekeurd in het projecthandvest van het definitieve CBAM-systeem, wat betreft digitale vereisten, gebruikte gegevens, digitale oplossingen, beoordeling van de herbruikbaarheid en maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering.

De opneming van een groter aantal CBAM-goederen (180 aanvullende GN-goederen) als gevolg van de uitbreiding tot downstreamproducten zal leiden tot ongeveer 7 500 nieuwe importeurs. Het risicobeheer, het toezicht op ontwijking dat is geanalyseerd, beoordeeld en opgenomen in het projecthandvest, zal nu worden uitgebreid met extra goederen en aanverwante kenmerken. De belangrijkste doelstelling van de component risicobeheer is het ondersteunen van de opsporing van onregelmatigheden en het beperken van het frauderisico.

Daarnaast moeten aanvullende kenmerken/processen worden toegevoegd voor het beheer van elektriciteit als CBAM-goed; deze veranderen het CBAM-ontwerp echter niet.

De vereenvoudigingswijzigingen leiden ook niet tot een wijziging van de architectuur van de digitale oplossing, maar vereisen extra middelen om bestaande CBAM-bedrijfsprocessen te wijzigen en uit te breiden.

4.1.Voorschriften met digitale relevantie

Zoals blijkt uit bovenstaand diagram, ontvangt het CBAM-register invoerinformatie voor de CBAM-goederen uit de EU-douanesystemen, hetzij van de lidstaat, hetzij via DG TAXUD, samen met het douane-identificatienummer van de importeurs en de tariefindeling van de ingevoerde goederen. In het CBAM-systeem worden in ruil daarvoor de CBAM-toelatingen van de CBAM-aangevers beschikbaar gesteld aan de nationale douane-invoersystemen om de CBAM-verordening te handhaven bij de inklaring van de CBAM-goederen. Ook wordt in het CBAM-informatiesysteem informatie over risicobeheer uitgewisseld met de douanesystemen van de EU. De interface met de douanesystemen van de EU is een cruciale toevoeging voor de werking van het CBAM, aangezien het hele concept van het CBAM draait om het voorkomen van dubbele vastlegging van informatie, door de CBAM-aangevers te verzoeken hun invoer aan te vullen met een verslag van de emissies tijdens hun productie in derde landen. Het idee van “eenmaal gegevens verstrekken” is een basisbeginsel van het CBAM.

Het CBAM communiceert ook met het nieuwe CBAM-mechanisme (IT-systemen of andere middelen) van de nationale bevoegde autoriteiten om de integratie van de nationale CBAM-handhavingsprocessen in de lidstaten en de nationale processen voor de inning van boetes en het vergaren van invorderingsinformatie te ondersteunen.

Een ander belangrijk nieuw extern systeem voor het CBAM is het gemeenschappelijke centrale platform (GCP), het informatiesysteem dat de CBAM-aangevers zullen gebruiken om de CBAM-certificaten van de lidstaten te kopen. De prijs van de certificaten zal worden bepaald aan de hand van de in het ETS-systeem vastgestelde emissieprijs. De CBAM-aangevers moeten hun CBAM-rekeningen op kwartaalbasis op een saldo van 50 % houden zodat zij het vereiste aantal certificaten kunnen inleveren ter compensatie van hun aangegeven emissies en emissieprijzen die reeds in derde landen zijn betaald. De Commissie zal de overtollige certificaten van de CBAM-aangevers namens de lidstaten terugkopen. De Commissie en de lidstaten moeten dit platform, dat echter buiten het toepassingsgebied van het CBAM-register valt, gezamenlijk oprichten en beheren. De interface met het GCP is van wezenlijk belang voor de CBAM-aangevers voor het bijschrijven van de nodige certificaten op hun CBAM-rekening. De rekeningen en de certificaten betreffen zeer gevoelige informatie.

De verkoopprijs van de certificaten wordt eenvoudigweg door het ETS-systeem bepaald.

De belangrijkste gebruikers van het CBAM-register zijn de CBAM-aangevers. DG TAXUD verwacht ongeveer 20 000 aangevers in 2026 na goedkeuring van de vereenvoudiging, maar ver worden 40 000 aangevers voorzien na de toename als gevolg van de uitbreiding van het CBAM tot downstreamgoederen. Zij zullen gebruikmaken van het CBAM-register om de emissies uit de productie van hun ingevoerde goederen jaarlijks (mei van elk jaar) aan te geven, om het kwartaalsaldo van hun CBAM-rekeningen wat betreft certificaten versus aangegeven invoer te monitoren, en om met de nationale douaneautoriteiten te interacteren tijdens de beoordeling van hun CBAM-aangiften. De CBAM-aangevers worden eerst via het CBAM-register door de nationale bevoegde autoriteiten doorgelicht en krijgen vervolgens een toelating om CBAM-goederen in te voeren en een CBAM-rekening te openen. De CBAM-aangevers kunnen hun emissies dan jaarlijks in het CBAM-register aangeven en de vereiste certificaten inleveren.

De exploitanten van de installaties die de CBAM-goederen in de derde landen produceren, registreren zich in het CBAM-register voordat zij de emissiegegevens van hun producten invoeren. De CBAM-aangevers kunnen naar de gegevens van de exploitanten verwijzen om hun gerapporteerde emissies te onderbouwen. Het is een belangrijke maatregel om de nalevingslasten van de CBAM-aangevers te verminderen en de kwaliteit van de CBAM-gegevens te verbeteren. Hoewel er in dit stadium geen bewijs beschikbaar is om een raming te onderbouwen, schat DG TAXUD het aantal exploitanten in op 20 000 tot 50 000 in 2026.

De nationale bevoegde autoriteiten van het CBAM zullen het CBAM-register gebruiken om de CBAM-aangevers toegang te verlenen, de CBAM-toelatingen te beheren, de CBAM-rekeningen en -aangiften te monitoren en met de CBAM-aangevers te interacteren om ervoor te zorgen dat zij de CBAM-verordening naleven. Zij zijn het enige contactpunt voor de CBAM-aangevers.

Andere autoriteiten krijgen toegang tot het CBAM-register om bij te dragen aan het risicobeheer en de handhaving op hun respectieve bevoegdheidsgebieden. Het CBAM-register coördineert en ondersteunt de samenwerking tussen de agentschappen bij het bevorderen van de naleving. De nationale douanediensten zullen de CBAM-toelating valideren tijdens de controle van de invoeraangiften met behulp van de replicatie- en valideringsdiensten van het CBAM-register via het douane-éénloketsysteem van de Europese Unie voor de uitwisseling van certificaten (EU-CSW-CERTEX).

De Commissie wijst de CBAM-rekeningen van de CBAM-aangevers toe en houdt ze actueel in het CBAM-register, waarbij de informatie over de invoer die van de nationale douanediensten is ontvangen wordt gecombineerd met die over de emissies van de jaarlijkse aangiften, de hoeveelheid certificaten, de door het GCP gerapporteerde aankoop ervan, de jaarlijkse inlevering ervan die door de CBAM-aangever is bevestigd, en de terugkoop van ongebruikte certificaten. De Commissie gebruikt het CBAM-register voor het houden van toezicht op de ingevoerde goederen en de daarmee samenhangende emissies met het oog op het risicobeheer en met name het beheer van ontwijkingsrisico’s. Het CBAM-register omvat ook een speciale interface voor het risicobeheerssysteem CRMS2 om CBAM-gerelateerde risico’s te delen met het douanedomein. Het CBAM-register beschikt ook over een dossierbeheercomponent waarmee autoriteiten zaken kunnen aanmaken, verrijken, volgen en oplossen, kennisgevingen en resultaten kunnen uitwisselen en toezicht kunnen houden op een actuele lijst van alle zaken in het hele systeem.

De toegang van alle actoren tot het CBAM-register via speciale portalen zal worden ondersteund door een toegangsbeheer dat is verdeeld tussen de belanghebbenden:

·De nationale bevoegde autoriteit beheert de toegang van de CBAM-aangevers tot het portaal voor CBAM-aangevers door gebruik te maken van nationale inloggegevens die reeds door de nationale douanediensten zijn toegekend, of van een EU-login-account;

·De Commissie beheert de toegang van de exploitanten van de installaties uit derde landen tot datzelfde portaal met behulp van door EU-login toegekende inloggegevens. Het moet nog duidelijk worden of de Commissie een beroep zal doen op externe betrouwbare partijen aan wie het verlenen van toegang tot het CBAM-register zal worden gedelegeerd;

·De nationale mededingingsautoriteit, de Commissie en andere autoriteiten zullen elk de toegang voor hun gebruikers beheren.

In het CBAM-kernregister worden de geautomatiseerde processen die de Commissie toepast om haar verplichtingen uit hoofde van de CBAM-verordening na te komen, zoals hierboven samengevat, beschreven. Het beheer van referentiegegevens is een belangrijk kantoorproces waarmee de consistentie en integriteit van alle geautomatiseerde processen wordt gewaarborgd ten dienste van de samenwerking tussen alle belanghebbenden. Naast de “eenvoudige” lijst van goederen, van nationale bevoegde autoriteiten, en van de emissieprijs, zullen ook de specifieke parameters worden vermeld die worden gebruikt om emissies te rapporteren volgens specifieke methoden en de standaardwaarde voor de emissies zoals vastgesteld. De standaardwaarde is belangrijk voor de aannemelijkheidsvalidering van de aangegeven emissies.

4.2.Gegevens

CBAM verwerkt de volgende gegevens:

·CBAM-aangiftegegevens. (Fase 2)

·Exploitanten van derde landen en hun installatiegegevens. (Fase 2)

·CBAM-referentiegegevens. (Fase 2)

·CBAM-gegevens over toegangsbeheer van gebruikers. (Fase 2)

·Taken van CBAM-aangever/importeur. (Fase 2)

·Taken van de CBAM-autoriteiten van de Europese Commissie. (Fase 2)

·Taken van exploitanten van installaties uit derde landen (O3CI’s) voor fase 2 en van geaccrediteerde verificateurs. (n.t.b. Fase 3)

·CBAM-gegevens aangifte, beoordeling en levenscyclus aangifte. (Fase 3)

·CBAM-gegevens van ingevoerde goederen. (Fase 3)

·CBAM-gegevens voor emissies en berekeningen. (Fase 3)

·CBAM-grootboekgegevens (register). (Fase 3)

·CBAM-gegevens voor certificaatbeheer. (Fase 3)

·CBAM-gegevens over toezicht op niet-naleving, onderzoek naar ontwijking en risicobeheer. (Fase 3)

·CBAM-gegevens over rapportage, dashboards, kennisgevingen en documentbeheer. (Fase 3)

·CBAM-portaal voor risico-uitwisseling. (Fase 3)

·Taken van nationale bevoegde autoriteiten. (Fase 3)

Nadere bijzonderheden over specifieke gegevens zijn te vinden in de onderstaande tabel:

CBAM-beschrijving definitieve primaire middelen

Beschrijving relevante bedrijfscomponent/processen

CBAM-gegevens voor certificaatbeheer

CBAM-beheer van de levenscyclus van certificaten, bevat informatie over certificaten en aantal verwerkte certificaten en de waarde ervan en beheert de levenscyclus van het certificaat. Ook is informatie beschikbaar over risico's en niet-naleving.

CBAM-aangiftegegevens.

Toelating van de aangever en replicatie- en validatiegegevens voor de aangever.

Gegevens over de rekening en het beheer van de rekening van de aangever.

CBAM-toelatingsbeheer is belast met het levenscyclusbeheer van de door de nationale bevoegde autoriteit aan importeurs of indirecte vertegenwoordigers verleende CBAM-toelating.

Communiceert de vereiste informatie van de CBAM-rekening van de aangever aan de replicatie- en valideringsdiensten voor CBAM-toelatingen, waar de informatie over de toegelaten CBAM-aangevers die moet worden verstrekt aan de nationale bevoegde autoriteiten en de nationale bevoegde douanediensten die zijn belast met de beoordeling van toelatingen van importeurs, wordt onderhouden.

CBAM-gegevens van aangifte, beoordeling en levenscyclus van de aangifte.

Gegevens aangifte levenscyclusbeheer en aangifterapportages. 
  
CBAM-beheer en -rapportage levenscyclus aangifte (aanmaak aangifte, ingevoerde goederen, emissies, beoordeling, voltooiing of afwijzing).

CBAM-gegevens emissies en berekeningen.

Berekening van de emissies van ingevoerde goederen van de CBAM-aangever op basis van per aangever verkregen gegevens, referentiegegevens, registergegevens (eigen waarden van de aangever), exploitanten en derde landen (verificatieverslag) enz.

CBAM-gegevens van ingevoerde goederen.

De nationale bevoegde autoriteit en de portaalsites van de Commissie hebben interfaces voor het monitoren van de binnenkomst van SURV3-gegevens (waaronder vaststellen van problemen) en waarmee gebruikers de mogelijkheid hebben om handmatig gegevens in te voeren, via het uploaden van bestandsbatches, voor ingevoerde goederen en voor goederen die vallen onder actieve veredeling. Deze gegevens worden eerst verwerkt, opgeslagen in de portalen en vervolgens voor consolidatie doorgestuurd naar de backend van het register.

CBAM-grootboekgegevens (register).

 

Opmerking: Welke gegevens precies in de administratie moeten worden opgeslagen, is nog niet definitief vastgesteld. Het basisidee is dat de administratie een onveranderbaar logboek is en dat passende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit onderwerp wordt tijdens fase 3 opnieuw beoordeeld.

Gegevens over verwerking en transacties van grootboeken.  

In het grootboek van het CBAM-register worden de journaalposten van de gegevens van de aangever (inclusief rekeningnummer) en transacties tussen gerelateerde CBAM-onderdelen via een specifiek gegevensproces van “alleen toevoegen” en onveranderbare gegevensopslag (waaronder voor het beheer van de levenscyclus van de aangifte, het beheer van toelatingen en rekeningen, certificatenbeheer, toezicht op risico’s en niet-naleving, navolgings- en valideringsdiensten van toelatingen enz.) beheerd, verantwoord en geregistreerd.

CBAM-gegevens over toezicht op niet-naleving, onderzoek naar ontwijking en risicobeheer.

CBAM-informatiesysteem dat wordt gebruikt voor het volgen van, toezicht houden op en verbeteren van potentiële of bevestigde gevallen van onregelmatigheid en niet-naleving in het kader van de CBAM-regeling.

Het opsporen van, toezichthouden op, onderzoeken van en rapporteren van ontwijking en andere illegale praktijken die niet aan de CBAM-verordening voldoen.

Component voor risicobeoordeling (met inbegrip van resultaten van aangiftebeoordelingen) en beheer om risico’s in kaart te brengen en te beoordelen (bijvoorbeeld analyse van risicogebeurtenissen, verificatieverslagen, uitkomsten van risicocontroles enz.) met betrekking tot het proces van aangiftebeoordeling en potentiële onregelmatigheden en ontwijkingen in het CBAM-register (nader onderzoek).

Integreert informatie en functionaliteit tussen onderzoeken, risicobeheer en een veilig forum voor de respectieve activiteiten.

CBAM-referentiegegevens.

Belangrijkste bron voor alle CBAM-referentiegegevens en waarborgt de consistentie en integriteit van de gegevens voor alle CBAM-componenten (direct of indirect).

CBAM-gegevens over rapportage, dashboards, kennisgevingen en documentbeheer.

Essentieel instrument voor het volgen van en het toezicht houden op de CBAM-regeling en KPI’s en voor het verzamelen en analyseren van relevante bedrijfsmeeteenheden.

Wordt gebruikt om bedrijfsinformatie door te geven aan relevante gebruikers van het CBAM-systeem en de CBAM-regeling; dit omvat de mogelijkheid om waar nodig/vereist te reageren op kennisgevingen.

Wordt gebruikt voor de opslag, het opvragen en het beheer van documenten die van invloed zijn op diverse compartimenten in het CBAM-systeem.

CBAM-portaal voor risico-uitwisseling.

Een brug tussen het CBAM-beleid en het douanebeleid, waarbij aan het CBAM gerelateerde risico’s worden gedeeld met de douane. Op dit portaal, dat deel uitmaakt van het CBAM-register, worden de risico’s van het CBAM-register met het douanerisicobeheersysteem 2, via een syteem-naar-systeem-interface, gedeeld. .

Alle andere gestructureerde en/of ongestructureerde informatie/gegevens die afkomstig zijn van het CBAM en/of uit het CBAM zijn gehaald en die worden opgeslagen en/of verwerkt op opslag- en medialocaties buiten het CBAM.

CBAM-gegevens over toegangsbeheer van gebruikers.

Toegang, inloggen en toegangsbeheergegevens van gebruikers (bijvoorbeeld aangevers, douaneautoriteiten van de lidstaten, autoriteiten van de Europese Commissie enz.) voor het CBAM-systeem.

Exploitanten van derde landen en hun installatiegegevens.

Stelt exploitanten van installaties uit derde landen die voor het CBAM bestemde goederen produceren, in staat zich als CBAM-exploitant te registreren/uit te schrijven (bijvoorbeeld in geval van bedrijfsbeëindiging) en verstrekt relevante informatie over productieprocessen/-methoden, kwalificerende parameters, emissiegegevens en verificatieverslagen enz. 

Het desbetreffende verificatieverslag kan beschikbaar worden gesteld voor gebruik door CBAM-aangevers (deze informatie bevat vertrouwelijke productie- en kwalificerende parametergegevens die mogelijk alleen beschikbaar zijn voor de Europese Commissie en de nationale bevoegde autoriteiten en niet voor aangevers).

CBAM-taken van de aangever/importeur

Primaire bedrijfstaken die door de aangever/handelaar worden uitgevoerd op basis van processen die via het CBAM-aangeversportaal worden uitgevoerd/geïnitieerd

 

CBAM-taken van de Europese Commissie

Primaire bedrijfstaken die door de Europese Commissie worden uitgevoerd op basis van processen die via het CBAM-commissieportaal worden uitgevoerd/geïnitieerd.

CBAM-taken in verband met toezicht op niet-naleving, onderzoek naar ontwijking en risicobeheer

CBAM-informatiesysteem dat wordt gebruikt voor het volgen van, toezicht houden op en verbeteren van potentiële of bevestigde gevallen van onregelmatigheid en niet-naleving in het kader van de CBAM-regeling.

Taken van de nationale bevoegde autoriteiten

Primaire bedrijfstaken die worden uitgevoerd door de nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s/NDA’s) van de lidstaten op basis van processen die via het CBAM-NDA-portaal worden uitgevoerd/geïnitieerd.

Taken van exploitanten van installaties en geaccrediteerde verificateurs uit derde landen

Primaire bedrijfstaken die door exploitanten en installaties van derde landen en geaccrediteerde verificateurs op basis van processen die via het CBAM-portaal voor exploitanten en installaties van derde landen worden uitgevoerd/geïnitieerd.

4.3.Digitale oplossingen

 

De high-levelarchitectuur van het CBAM-register bestaat uit drie lagen:

·De portaallaag met verschillende portalen voor elk van de gebruikersgemeenschappen van het CBAM-register: CBAM-aangevers, exploitanten van installaties in derde landen, nationale bevoegde CBAM-autoriteiten, de Commissie, de nationale douanediensten, OLAF, andere diensten van de Europese Commissie.

·De laag voor gebruikerstoegangsbeheer: voor het beheer van de authenticatie en autorisatie van de gebruikers van het CBAM-register. De nationale bevoegde autoriteiten moeten de CBAM-aangevers (in 2026 naar verwachting meer dan 20 000 partijen) toegang verlenen en moeten die toegang beheren, en de Commissie doet hetzelfde voor de exploitanten uit derde landen (in 2026 naar schatting 50 000 partijen), waarbij elke lidstaat en elke EU-instantie verantwoordelijk is voor de toegang van de eigen gebruikers.

·De backend: voor de ondersteuning van al het gegevens- en regelbeheer dat nodig is voor het CBAM en ook van alle koppelingen met externe systemen. Opmerking: voor de ondersteuning van al het gegevens- en regelbeheer dat nodig is voor het CBAM en ook van alle koppelingen met externe systemen. Opmerking:

oHet CBAM is de uitvoerder van vele werkstromen, kennisgevingen en informatie-uitwisseling tussen de Commissie, de nationale bevoegde autoriteiten en de CBAM-aangevers, met name op het gebied van de indiening van aangiften en de beoordeling (met inbegrip van risicobeoordeling);

oVoor het beheer van rekeningen van aangevers, het beheer van CBAM-certificaten (mogelijk financiële middelen), het risicobeheer en de veilige uitwisseling van informatie gelden hoge beveiligingseisen.

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling

Het CBAM is door het ontwerp ervan grensoverschrijdend, aangezien het de levenscyclus van het CBAM in de hele EU ondersteunt, en met name de orkestratie van de risicobeoordeling en de beoordeling van de CBAM-aangiften tussen alle nationale bevoegde autoriteiten en de Commissie.

De samenwerking tussen nationale douanesystemen zal plaatsvinden via de IT-diensten en interfaces van de Commissie (zoals SURV3, EU CSW — CERTEX, CRMS2) en met behulp van nieuwe componenten die specifiek voor CBAM-doeleinden zijn ontworpen.

Het CBAM-register is ontworpen voor de ondersteuning van interoperabiliteit door nadruk te leggen op openheid, modulariteit, ontkoppeling en robuuste interfaces. Het CBAM-register communiceert via open interfaces met de nationale CBAM-systemen, met het gemeenschappelijke centrale platform, de EU-douanesystemen van DG TAXUD en de nationale douanediensten en met de systemen van de andere DG’s.

Het centrale CBAM-register maakt gebruik van de bestaande interfaces van de door DG TAXUD beheerde douanesystemen van de EU en stelt specifieke formaten vast voor de door de nationale douaneadministraties te verstrekken gegevens over invoer en actieve veredeling. De nieuwe interfaces met de nationale douanesystemen worden begin 2024 bekend gemaakt om de nationale douanediensten voldoende aanlooptijd te geven om hun systemen erop voor te bereiden.

De S2S-interface tussen het CBAM-register en het GCP is gebaseerd op de uitwisseling van gestructureerde berichten en is sinds begin 2024 beschikbaar, zodat zowel het CBAM-register als het GCP voldoende aanlooptijd hebben voor het integreren van hun respectieve interfaces tegen medio 2025.

Al deze interfaces zijn gebaseerd op gestructureerde berichten en voldoen zoveel mogelijk aan het EU-model voor douanegegevens (EUCDM) en bijlage B bij het DWU. De A2B- en B2B-specificaties worden vermeld in een CBAM-uitvoeringshandeling.

Beperkingen voor herbruikbaarheid

In de architectuurbeginselen die zijn vastgesteld voor het centrale CBAM-register staat herbruikbaarheid centraal. De herbruikbaarheid heeft twee kanten: gebruik van externe diensten door het CBAM-register en hergebruikcomponenten bij de bouw van het CBAM-register.

Herbruikbaarheid van de diensten en componenten van DG TAXUD

Het CBAM-register gebruikt de EU-douanediensten van DG TAXUD zonder aanpassingen om:

·de EORI-informatie van de handelaar op te vragen;

·de invoergegevens van de douane te verkrijgen die bij Surveillance 3 beschikbaar zijn;

·de CBAM-goederen uit het TARIC-systeem op te halen;

·de replicatie- en valideringsdienst voor CBAM-toelatingen aan nationale douanesystemen aan te bieden via het EU-CSW-CERTEX; en

·veilig informatie uit te wisselen met het CRMS2-systeem.

Het gebruikerstoegangsbeheer van de portalen van het CBAM-register wordt toevertrouwd aan het UUM&DS, zodat lidstaten die dat willen de douanegegevens van de CBAM-aangevers kunnen hergebruiken om CBAM-aangevers toegang te verlenen tot het CBAM-aangeversportaal en aan de Commissie (of vertrouwde derden) om de exploitanten van installaties uit derde landen toegangsrechten tot hun EU-login-authenticatiegegevens te verlenen. De exploitanten van het portaal voor installaties in derde landen profiteren van het gebruik van EU-toegang voor gebruikersautorisatie en vertrouwen op EU-login voor gebruikersauthenticatie.

In het CBAM-register worden verschillende technologiecomponenten van DG TAXUD en het institutionele IT-landschap hergebruikt zonder af te doen aan de wet van Archimedes zoals beschreven in het architectuuroverzicht in bijlage 2, namelijk:

·de TSOAP-middleware-architectuur van DG TAXUD, die in elk van de CBAM-registercompartimenten wordt hergebruikt;

·het toezicht op en de controle van COTS ELK en Kafka;

·de bronnen van het beheer van het applicatiekader voor de douane van DG TAXUD;

·de documentatie en broncode van het beheersysteem voor douanebeslissingen van DG TAXUD voor de bouw van het CBAM-toelatingssysteem;

·de documentatie en broncode van het klantreferentiesysteem van DG TAXUD om de CBAM-vergunningen aan de nationale douanesystemen te verstrekken voor controle tijdens het inklaren;

·de documentatie en broncode van het douanerisicobeheersysteem 2 (CRMS2) van DG TAXUD om het portaal voor risico-uitwisseling te voeden; de documentatie en broncode van het douanerisicobeheersysteem2 (CRMS2) van DG TAXUD om het portaal voor risico-uitwisseling te voeden;

·de TEMPO-methodologie van DG TAXUD, waaronder PM²;

·de twee datacentra van DG TAXUD voor het testen en integreren, en zolang de uitvoering van het CBAM-register aan DG TAXUD is toevertrouwd, samen met hun firewalling, Active-Active-clustering, load balancing en de 2 DC Active-Passive om schaalbaarheid te garanderen, High Availability en Disaster Recovery en een deel van de beveiliging die nodig is voor het CBAM-register.

Opgemerkt zij dat DG TAXUD sinds 2014 alle aanbevelingen van DIGIT heeft opgevolgd bij het ontwerpen van Business Application Services, Data Services en Utility Services voor de ontwikkeling van SOA-toepassingen.

Herbruikbaarheid van bedrijfsdiensten en componenten van de EU

Het CBAM-register gebruikt EU-login voor de authenticatie van de CBAM-aangevers van de lidstaten die UUM&DS-type D zijn, de exploitanten van installaties in derde landen en alle medewerkers van de nationale bevoegde autoriteiten, de Commissie, de nationale douanedienst en andere diensten van de Commissie. Het CBAM-register maakt gebruik van het eIDAS-eID-netwerk van de douane voor de authenticatie van de CBAM-aangevers van de lidstaten die gebruik maken van UUM&DS-type A, B en C.

Het CBAM-register gebruikt UUM&DS en EU-toegang voor de toelating van al zijn gebruikers.

Een volledige migratie van UUM&DS naar EU-toegang zal worden overwogen wanneer alle functionaliteiten van UUM&DS worden aangeboden door EU-toegang, met inbegrip van de ondersteuning van het eIDAS-eID-netwerk van de douane. Momenteel maken de exploitanten van het portaal voor installaties in derde landen voor gebruikerstoelating gebruik van EU-toegang.

Het CBAM-register maakt gebruik van EU Sign, een door de Commissie beheerde dienst die verantwoordelijk is voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen, om de oorsprong en integriteit van elektronische documenten te waarborgen ter verbetering van de algemene veiligheid en authenticiteit binnen het CBAM-kader.

In het CBAM-register wordt de openbare informatie van het CBAM over Europa beschikbaar gemaakt.

Daarnaast wil DG TAXUD het hergebruik van bedrijfsdiensten en -componenten die aan een aantal CBAM-vereisten voldoen tot het uiterste benutten, de risico’s van tijdige invoering ervan verminderen en de kwaliteit van de werking ervan waarborgen, en tegelijkertijd haar CAPEX en OPEX verlagen.

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

In de CBAM-verordening wordt de uitrol van het CBAM-register omschreven in twee perioden die zijn onderverdeeld in drie opeenvolgende fasen:

·Perspectief per periode: een geleidelijke uitrol tijdens een overgangsperiode van het vierde kwartaal van 2023 tot en met het vierde kwartaal van 2025, gevolgd door een definitieve periode vanaf het eerste kwartaal van 2026.

oTijdens de overgangsperiode rapporteren de CBAM-importeurs elk kwartaal de emissies van hun ingevoerde goederen, maar hoeven zij geen certificaten aan te kopen en in te leveren. Het is de aanloopperiode van de CBAM-regeling.

oTijdens de definitieve periode, die op 1 januari 2026 begint, moeten de CBAM-aangevers worden toegelaten, geven zij hun emissies één keer per jaar aan, kopen zij certificaten om op hun CBAM-rekening een balans van ten minste 50 % tussen hun emissies en de aangekochte certificaten te houden, en leveren zij bij hun jaarlijkse aangiften hun certificaten in.

·Perspectief per fase en deel:

oCBAM-fase 1: de „CBAM-verslagen” van de importeurs van CBAM-goederen (het zogenoemde deel 1), die vanaf het vierde kwartaal van 2023 gedurende de gehele overgangsperiode moeten worden gebruikt (buiten het toepassingsgebied van het projecthandvest);

oCBAM-fase 2: de “CBAM-verslagen” van de importeurs van CBAM-goederen (deel 1), de CBAM-toelating van de aangever en de registratie van de exploitanten van installaties uit derde landen (het zogenoemde deel 2) vanaf 31 december 2024, vooruitlopend op de definitieve periode;

CBAM-fase 3: deel 2 aangevuld met de CBAM-aangiften en -certificaten, samen met het volledige beheer van de CBAM-rekening (het zogenoemde deel 3) vanaf het begin van de definitieve periode, maar zonder deel 1 “CBAM-verslagen” vanaf het einde van de overgangsperiode op 31 december 2025.

Uitrol van het CBAM-register in twee fasen/delen

CBAM-fase 1 (uitvoering van deel 1 van het CBAM en de exploitatie ervan vanaf het vierde kwartaal van 2023 tot eind 2025) valt volledig onder het projecthandvest van de overgangsperiode)

In de twee onderstaande afbeeldingen wordt de aanpak geschetst om de volledige reikwijdte van het definitieve systeem in twee fasen te realiseren, met de gebruikersgemeenschappen, de desbetreffende externe systemen en de belangrijkste entiteiten die in het kader van de respectieve fasen worden beheerd. Zie het volgende deel voor de beschrijving van de externe systemen en entiteiten.

CBAM-deel 2 reikwijdte: naast deel 1, de “CBAM-verslagen” van de importeurs van CBAM-goederen, komt deel 2, “CBAM-toelating en -installatie” (beide groen in de volgende diagrammen), dat op 31 december 2024 in werking zal treden zoals voorgeschreven in de CBAM-verordening. Deel 1 en deel 2 worden vervolgens gedurende de rest van de overgangsperiode verder gehandhaafd en ontwikkeld. De “CBAM-toelating en installatie” wordt geïntegreerd in het definitieve CBAM-systeem en aan het einde van de overgangsperiode verdwijnen de “CBAM-verslagen” geleidelijk. Deel 1 en deel 2 verbinden het CBAM-register met de nationale douane-invoersystemen, de nationale douanesystemen voor actieve veredeling en de ondersteunende EU-douanesystemen van DG TAXUD, om de naleving te bevorderen met zo min mogelijke belasting voor de handel. CBAM-deel 2 loopt vooruit op het definitieve systeem door de eerste component ervan te leveren.

Tijdlijn CBAM-fase 2: Deze fase begint op 31 december 2024 en eindigt op 31 december 2025 met de aanvang van de definitieve periode. De gebruikersgemeenschap wordt uitgebreid tot de exploitanten van installaties in derde landen en de CBAM-aangevers moeten de vereiste toelatingen voor de definitieve periode verkrijgen.

CBAM-deel 3 reikwijdte: Het deel “CBAM-aangiften, rekeningen en risicobeheer” (in het paars in het volgende diagram) treedt in werking aan het begin van de voor 1 januari 2026 geplande definitieve periode. Het vormt de kern van het definitieve CBAM-systeem. CBAM-deel 3 omvat ook de interfaces met de nationale invoersystemen voor CBAM-toelatingen via het EU-CSW-CERTEX, het gemeenschappelijke centrale platform voor de aankoop van CBAM-certificaten, het ETS, OLAF en de systemen van de nationale bevoegde autoriteiten. Daarnaast worden de mogelijkheden van de CBAM-certificaten toegevoegd aan het CBAM-register, evenals die voor het risicobeheer. Aangezien in de modules voor CBAM-certificaten en risicobeheer vertrouwelijke informatie wordt behandeld en toezicht wordt gehouden op gevallen van ontwijking en niet-naleving, wordt in CBAM-deel 3 gevoelige informatie beheerd en daarvoor zijn zwaar beveiligde processen nodig. Dit deel wordt tijdens de definitieve periode verder onderhouden en ontwikkeld.

Tijdlijn CBAM-fase 3: Deze fase begint op 1 januari 2026 en valt samen met de definitieve periode. In deze fase zijn alleen de delen 2 en 3 van het CBAM gelijktijdig en in nauwe wisselwerking met elkaar actief, aangezien deel 1 specifiek voor de overgangsperiode was en geleidelijk wordt beëindigd. De gebruikersgemeenschap wordt uitgebreid tot de nationale douanediensten

CBAM-deel 3 reikwijdte: Het deel “CBAM-aangiften, rekeningen en risicobeheer” (in het paars in het volgende diagram) treedt in werking aan het begin van de voor 1 januari 2026 geplande definitieve periode. Het vormt de kern van het definitieve CBAM-systeem. CBAM-deel 3 omvat ook de interfaces met de nationale invoersystemen voor CBAM-toelatingen via het EU-CSW-CERTEX, het gemeenschappelijke centrale platform voor de aankoop van CBAM-certificaten, CRMS2 voor de uitwisseling van informatie met betrekking tot EU-douanerisicobeheer, het ETS, OLAF en de systemen van de nationale bevoegde autoriteiten. Daarnaast worden de mogelijkheden van de CBAM-certificaten toegevoegd aan het CBAM-register, evenals die voor het risicobeheer. Aangezien in de modules voor CBAM-certificaten en risicobeheer vertrouwelijke informatie wordt behandeld en toezicht wordt gehouden op gevallen van ontwijking en niet-naleving, wordt in CBAM-deel 3 gevoelige informatie beheerd en daarvoor zijn zwaar beveiligde processen nodig. Dit deel wordt tijdens de definitieve periode verder onderhouden en ontwikkeld.

Tijdlijn CBAM-fase 3: Deze fase begint op 1 januari 2026 en valt samen met de definitieve periode. In deze fase zijn alleen de delen 2 en 3 van het CBAM gelijktijdig en in nauwe wisselwerking met elkaar actief, aangezien deel 1 specifiek voor de overgangsperiode was en geleidelijk wordt beëindigd. De gebruikersgemeenschap wordt uitgebreid tot de nationale douanediensten.

CBAM-fase 3 — Architectuur op hoog niveau

(1)    Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI:   http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj ).
(2)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj ).
(3)    De uitfasering van gratis ETS-emissierechten zal leiden tot een grotere vraag naar geveilde emissierechten, waardoor de in de EU betaalde koolstofprijs naar verwachting zal stijgen.
(4)    Mededeling “Een Europees actieplan voor staal en metaal”, COM(2025) 125.
(5)    In het geval van ingevoerde elektriciteit vereist Verordening (EU) 2023/956 het gebruik van standaardwaarden voor het berekenen van de ingebedde emissies. Alleen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kunnen de werkelijke emissies van de elektriciteitsproductie worden aangegeven.
(6)    Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj ).
(7)    Verordening (EU) 2025/2083 van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 2025/2083 van 17.10.2025, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2083/oj ).
(8)    In deze beoordeling worden de effecten van het huidige toepassingsgebied van het CBAM op een kleinere groep landen gedetailleerd beschreven. In deel 6 van deze effectbeoordeling worden ook de effecten op derde landen onder de loep genomen.
(9)    Downstreamproducten van elektriciteit worden niet in aanmerking genomen, aangezien elektriciteit in het productieproces van vrijwel alle goederen wordt gebruikt, waardoor het niet haalbaar is om het inputaandeel en de ingebedde emissies van elektriciteit in alle mogelijke ingevoerde goederen te bepalen.
(10)    Belangrijke aspecten die worden geregeld, zijn onder meer de monitoring, berekening en verificatie van ingebedde emissies voor goederen die onder het toepassingsgebied van het mechanisme vallen, de verplichting om het CBAM aan te passen teneinde rekening te houden met de niveaus van gratis toewijzing in de EU-ETS-sectoren die onder het CBAM vallen, en de boekhouding van daadwerkelijk in derde landen betaalde koolstofprijzen.
(11)    Mededeling “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie”, COM(2025) 85 final .
(12)    Voor een bepaald product, de waarde van de handel (uitvoer plus invoer) in een product gedeeld door de waarde van het totale verbruik van dat product in de EU.
(13)    PB L 2025/2083.
(14)    Effectbeoordeling bij het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de vereenvoudiging en versterking van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie, COM(2025) 87 final.
(15)    PB C, [...], blz. [...] .
(16)    PB C, [...], blz. [...] .
(17)    Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj).
(18)    Mededeling “Een Europees actieplan voor staal en metaal”, COM/2025/125 final https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:52025DC0085 .
(19)    Mededeling: De Europese Green Deal, COM/2019/640 final .
(20)    PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(21)    Gezamenlijke mededeling: Mondiale klimaat- en energievisie van de EU: de concurrerende rol van Europa op de wereldmarkten veiligstellen en de schone transitie versnellen, JOIN(2025) 25 final .
(22)    Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking) (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/943/oj ).
(23)    Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/1222/oj ).
(24)    Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1987/2658/oj ).
(25)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).
(26)    Lekkagepercentages worden omschreven als een toename van de emissies in downstreamsectoren buiten de EU ten opzichte van een daling van de emissies in die sectoren binnen de EU.
(27)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de EU.
(28)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(29)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(30)    Outputs zijn de te leveren producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(31)    Zoals beschreven in onderdeel 1.3.2. „Specifieke doelstellingen”.
(32)    Specificeer onder de tabel hoeveel vte’s binnen het aangegeven aantal reeds zijn toegewezen voor het beheer van de actie en/of binnen uw DG kunnen worden heringezet en wat uw nettobehoeften zijn.
(33)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25 % voor inningskosten.
Top

Brussel, 17.12.2025

COM(2025) 989 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad

tot wijziging van Verordening (EU) 2023/956 wat betreft de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot downstreamgoederen en antiontwijkingsmaatregelen

{SEC(2025) 989 final} - {SWD(2025) 987 final} - {SWD(2025) 988 final} - {SWD(2025) 989 final}


BIJLAGE I

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

(1)In punt 2 wordt de tabel “Gietijzer, ijzer en staal” vervangen door:

“[Gietijzer, ijzer en staal

GN-code

Broeikasgas

72 — Gietijzer, ijzer en staal

Met uitzondering van:

7202 21 00, 7202 29 — Ferrosilicium

7202 30 00 — Ferrosilicomangaan

7202 50 00 — Ferrosilicochroom

7202 70 00 — Ferromolybdeen

7202 80 00 — Ferrowolfraam en ferrosilicowolfraam

7202 91 00 — Ferrotitaan en ferrosilicotitaan

7202 92 00 — Ferrovanadium

7202 93 00 — Ferroniobium

7202 99 — Andere:

7202 99 10 — Ferrofosfor

7202 99 30 — Ferrosilicomagnesium

7202 99 80 — Andere

7204 — Resten en afval, van gietijzer, van ijzer of van staal (schroot); afvalingots van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

2601 12 00 — IJzererts en concentraten daarvan, geagglomereerd, m.u.v. geroost ijzerkies (pyrietas)

Koolstofdioxide

7301 — Damwandprofielen van ijzer of van staal, ook indien van gaten voorzien of bestaande uit aaneengezette delen; gelaste profielen van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7302 — Bestanddelen van spoorbanen, van gietijzer, van ijzer of van staal: spoorstaven (rails), contrarails en heugels voor tandradbanen, wisseltongen, puntstukken, wisselstangen en andere bestanddelen van kruisingen en wissels, dwarsliggers, lasplaten, spoorstoelen, wiggen, onderlegplaten, klemplaten, dwarsplaten en dwarsstangen en andere bestanddelen, voor het leggen, het verbinden of het bevestigen van rails

Koolstofdioxide

7303 00 — Buizen, pijpen en holle profielen, van gietijzer

Koolstofdioxide

7304 — Buizen, pijpen en holle profielen, naadloos, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7305 — Andere buizen en pijpen (bijvoorbeeld gelast, geklonken, genageld, gefelst), met een rond profiel en met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7306 — Andere buizen, pijpen en holle profielen (bijvoorbeeld gelast, geklonken, genageld, gefelst of met enkel tegen elkaar liggende randen), van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7307 — Hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bijvoorbeeld verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van gietijzer, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7308 — Constructiewerken en delen van constructiewerken (bijvoorbeeld bruggen, brugdelen, sluisdeuren, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor, drempels, luiken, balustrades), van gietijzer, van ijzer of van staal, andere dan de geprefabriceerde bouwwerken bedoeld bij post 9406; platen, staven, profielen, buizen en dergelijke, van gietijzer, van ijzer of van staal, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken

Koolstofdioxide

7309 00— Reservoirs, voeders, kuipen en dergelijke bergingsmiddelen, voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van gietijzer, van ijzer of van staal, met een inhoudsruimte van meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding

Koolstofdioxide

7310 — Reservoirs, fusten, trommels, bussen, blikken en dergelijke bergingsmiddelen, voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van gietijzer, van ijzer of van staal, met een inhoudsruimte van niet meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding

Koolstofdioxide

7311 00 — Bergingsmiddelen voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas, van gietijzer, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7312 10 — Kabels en strengen, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7314 39 00 — Ander metaalgaas en traliewerk, van ijzerdraad of van staaldraad, op de kruispunten gelast

Koolstofdioxide

7318 — Schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, schroefhaken, massieve klinknagels en klinkbouten, splitpennen en splitbouten, stelpennen en stelbouten, spieën, sluitringen (veerringen en andere verende sluitringen daaronder begrepen) en dergelijke artikelen, van gietijzer, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7320 20 89 — Andere schroefveren, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7320 90 90 — Andere veren en veerbladen, van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7323 94 00 — Keukengerei en huishoudelijke artikelen, alsmede delen daarvan, van ijzer of van staal (m.u.v. die van gietijzer), geëmailleerd

Koolstofdioxide

7323 99 00 — Ander(e) keukengerei en huishoudelijke artikelen, alsmede delen daarvan

Koolstofdioxide

7325 — Andere gegoten werken van ijzer of van staal

Koolstofdioxide

7326 — Andere werken van ijzer of staal

Koolstofdioxide

(2)De volgende tabel wordt toegevoegd:

“[Gecombineerde producten van metaal

GN-code

Broeikasgas

7314 31 00 — Ander metaalgaas en traliewerk, van ijzerdraad of van staaldraad, op de kruispunten gelast, verzinkt

Koolstofdioxide

7314 41 00 — Metaalgaas en traliewerk, van ijzerdraad of van staaldraad, niet op de kruispunten gelast, verzinkt

Koolstofdioxide

7314 49 00 — Metaalgaas en traliewerk, van ijzerdraad of van staaldraad (niet verzinkt, bekleed met kunststof of op de kruispunten gelast)

Koolstofdioxide

7317 00 — Draadnagels, spijkers, punaises, aangepunte krammen, gegolfde krambanden en dergelijke artikelen, van gietijzer, van ijzer of van staal, ook indien met een kop van andere stoffen, doch met uitzondering van die met een koperen kop

Koolstofdioxide

ex- 7415 10 00 — Draadnagels, spijkers, punaises, aangepunte krammen en dergelijke artikelen, van koper of met schacht van ijzer of van staal en een koperen kop, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide

ex- 8302 42 00 — Andere garnituren, beslag en dergelijke artikelen, van onedel metaal, voor meubelen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8302 49 00 — Andere garnituren, beslag en dergelijke artikelen, van onedel metaal, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8309 90 90 — Andere stoppen (schroefstoppen en schenkkurken daaronder begrepen), deksels, flessencapsules, schroefsponnen, sponblikjes, plombeerblikjes en -loodjes en andere benodigdheden voor verpakkingen, van onedel metaal, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 20 10 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), bestemd voor de industriële montage: van motoculteurs van onderverdeling 8701 10, van motorvoertuigen van post 8703, van motorvoertuigen van post 8704 met een motor met een cilinderinhoud van minder dan 2 500 cm³, van motorvoertuigen van post 8705

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 20 51 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), voor de voortbeweging van voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87, met een vermogen van niet meer dan 50 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 20 55 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), voor de voortbeweging van voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87, met een vermogen van meer dan 50 kW, doch niet meer dan 100 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 20 57 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), voor de voortbeweging van voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87, met een vermogen van meer dan 100 kW, doch niet meer dan 200 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 20 99 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), voor de voortbeweging van voertuigen bedoeld bij hoofdstuk 87, met een vermogen van meer dan 200 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 90 65 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), nieuw, met een vermogen van meer dan 200 kW, doch niet meer dan 300 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8408 90 67 — Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel en semi-dieselmotoren), nieuw, met een vermogen van meer dan 300 kW, doch niet meer dan 500 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8413 30 — Brandstof-, olie- en koelvloeistofpompen voor explosiemotoren of voor verbrandingsmotoren

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8413 70 35 — Andere centrifugaalpompen met een uitlaatopening met een doorsnede van niet meer dan 15 mm

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8416 10 — Branders voor vloeibare brandstof

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8416 20 — Andere branders, branders voor meer dan een soort brandstof daaronder begrepen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8416 90 00 — Delen van branders, automatische stookinrichtingen, alsmede daarvoor bestemde werp- en schroefstokers, mechanische roosters, mechanische toestellen voor het verwijderen van as en dergelijke inrichtingen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8418 10 — Koelkast-vrieskastcombinaties, voorzien van afzonderlijke buitendeuren of buitenladen, of combinaties daarvan

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8418 99 90 — Delen van machines, apparaten en toestellen voor de koel- en vriestechniek en warmtepompen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8419 89 10 — Koelapparaten en -inrichtingen met circulatie van eigen water, waarbij de warmte-uitwisseling niet plaatsvindt via een scheidingswand

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8419 89 98 — Andere toestellen, apparaten en inrichtingen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8419 90 85 — Delen van toestellen, apparaten en inrichtingen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8420 91 — Cilinders voor kalanders en andere walsmachines (m.u.v. die voor kalanders en walsmachines voor metalen of voor glas)

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8421 23 00 — Smeerolie- en brandstoffilters voor explosiemotoren of voor verbrandingsmotoren, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8424 30 — Zandstraaltoestellen, stoomstraaltoestellen en dergelijke straaltoestellen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8424 82 10 — Watersproeitoestellen voor de land- of tuinbouw, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8424 89 — Andere mechanische toestellen (ook indien voor handkracht) voor het spuiten, verspreiden of verstuiven van vloeistoffen of van poeder, n.e.g., staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8424 90 — Delen van mechanische toestellen, blusapparaten, spuitpistolen en dergelijke toestellen; zandstraaltoestellen, stoomstraaltoestellen en dergelijke straaltoestellen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8425 31 00 — Lieren en kaapstanders, met elektromotor

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8425 39 00 — Andere lieren en kaapstanders

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8425 42 00 — Andere dommekrachten en vijzels, hydraulisch werkend, van de soort gebruikt voor het heffen van voertuigen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8426 19 00 — Andere loopkranen, laadbruggen, bokkranen en hefportalen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8426 99 00 — Andere dirkkranen; hijskranen, vervoerkabels daaronder begrepen; hefportalen, portaalwagens en transportwagens met kraan:

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8427 90 00 — Andere transportwagentjes met hef- of hanteerinrichting, zonder eigen beweegkracht

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8428 20 — Pneumatische transportinrichtingen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8428 33 00 — Continuwerkende transportinrichtingen voor goederen, werkend met banden

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8428 39 90 — Andere continuwerkende transportinrichtingen voor goederen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8428 70 00 — Industriële robots

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8428 90 — Andere hef-, hijs-, laad- en losmachines en toestellen, alsmede machines en toestellen voor het hanteren van goederen, n.e.g.

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8430 61 00 — Machines en toestellen voor het aanstampen, zonder eigen beweegkracht

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8430 69 00 — Andere machines en toestellen, zonder eigen beweegkracht

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8431 10 00 — Delen van machines en toestellen bedoeld bij post 8425 (takels, van lieren (windassen) en kaapstanders en van dommekrachten en vijzels), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8431 20 00 — Delen van machines en toestellen bedoeld bij post 8427 (vorkheftrucks en andere transportwagentjes met hef- of hanteerinrichting), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8431 31 00 — Delen van personen- en goederenliften, (bakkenliften daaronder begrepen), dan wel van roltrappen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8431 39 00 — Andere delen van machines en toestellen bedoeld bij post 8428, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8431 49 — Andere delen van machines en toestellen bedoeld bij post 8426, 8429 of 8430

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8432 80 00 — Andere machines, toestellen en werktuigen voor land-, tuin- of bosbouw, voor de voorbereiding, bewerking of bebouwing van de bodem; rollers voor gras- en sportvelden

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8432 90 00 — Delen van machines, toestellen en werktuigen, voor land-, tuin- of bosbouw, of voor de voorbereiding, bewerking of bebouwing van de bodem, en van rollers voor gras- en sportvelden

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8450 11 — Volautomatische wasmachines voor wasgoed

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8450 12 00 — Andere wasmachines voor wasgoed, met ingebouwde centrifuge

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8450 19 00 — Andere wasmachines voor wasgoed, met een capaciteit van niet meer dan 10 kg droog wasgoed

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8451 21 00 — Droogmachines; met een capaciteit van niet meer dan 10 kg droog wasgoed

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8454 10 00 — Convertors voor ijzer- of staalfabrieken en voor gieterijen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8454 20 00 — Gietvormen voor ingots (blokvormen) en gietkommen voor ijzer- of staalfabrieken en voor gieterijen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8454 30 — Gietmachines, voor ijzer- of staalfabrieken en voor gieterijen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8464 10 00 — Zaagmachines

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8464 90 00 — Andere gereedschapswerktuigen voor het bewerken van steen, van keramische producten, van beton, van asbestcement en van dergelijke minerale stoffen, alsmede voor het koud bewerken van glas

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8474 10 00 — Machines en toestellen voor het sorteren, het ziften, het scheiden of het wassen van aarde, van steen, van ertsen of van andere vaste minerale stoffen (poeders en pasta’s daaronder begrepen)

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8474 20 00 — Machines en toestellen voor het breken, het malen of het verpulveren van aarde, van steen, van ertsen of van andere vaste minerale stoffen (poeders en pasta's daaronder begrepen)

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8474 39 00 — Andere machines voor het mengen of het kneden van aarde, van steen, van ertsen of van andere vaste minerale stoffen (poeders en pasta's daaronder begrepen)

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8479 10 00 — Machines en toestellen voor het uitvoeren van openbare werken, van bouwwerken en van dergelijke werken

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8480 50 00 — Vormen voor glas, ijzer bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8501 32 00 — Gelijkstroommotoren en -generatoren met een vermogen van meer dan 750 W doch niet meer dan 75 kW (m.u.v. fotovoltaïsche generatoren)

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8501 53 81 — Meerfasenwisselstroommotoren met een vermogen van meer dan 75 kW doch niet meer dan 375 kW

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8504 31 80 — Andere transformatoren met een vermogen van niet meer dan 1 kVA

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8504 33 00 — Andere transformatoren met een vermogen van meer dan 16 kVA doch niet meer dan 500 kVA

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8504 50 00 — Smoorspoelen en andere zelfinductiespoelen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8515 39 90 — Andere machines en toestellen werkend met lichtboog of met plasmastraal, voor het lassen van metalen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 11 10 — Wikkeldraad voor elektrotechnische doeleinden, van koper, gevernist of gelakt, zogenaamde emaildraad, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 11 90 — Geïsoleerd wikkeldraad voor elektrotechnische doeleinden, van koper (m.u.v. gevernist of gelakt wikkeldraad), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 19 00 — Geïsoleerd wikkeldraad voor elektrotechnische doeleinden (m.u.v. dat van koper), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 49 20 — Geleiders van elektriciteit, voor spanningen van ≤ 80 V, geïsoleerd, zonder verbindingsstukken, van de soort gebruikt voor telecommunicatie, n.e.g., staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 49 91 — Draad en kabels voor elektrotechnische doeleinden, voor spanningen van <= 1 000 V, geïsoleerd, zonder verbindingsstukken, waarvan de diameter van de enkelvoudige geleiderdraad > 0,51 mm bedraagt, n.e.g., staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 49 93 — Geleiders van elektriciteit, voor spanningen van ≤ 80 V, geïsoleerd, zonder verbindingsstukken, n.e.g. (m.u.v. wikkeldraad, coaxiale geleiders, kabelbundels van de soort gebruikt in vervoermiddelen, en draad en kabel waarvan de diameter van de enkelvoudige geleiderdraad > 0,51 mm bedraagt), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 49 95 — Geleiders van elektriciteit voor spanningen van > 80 doch < 1 000 V, geïsoleerd, zonder verbindingsstukken, n.e.g. (m.u.v. wikkeldraad, coaxiale geleiders, kabelbundels van de soort gebruikt in vervoermiddelen, en draad en kabel waarvan de diameter van de enkelvoudige geleiderdraad > 0,51 mm bedraagt), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 49 99 — Geleiders van elektriciteit voor een spanning van 1 000 V, geïsoleerd, zonder verbindingsstukken, n.e.g. (m.u.v. coaxiale geleiders, kabelbundels van de soort gebruikt in vervoermiddelen, en draad en kabel waarvan de diameter van de enkelvoudige geleiderdraad > 0,51 mm bedraagt), staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 60 10 — Geleiders van elektriciteit, voor spanningen van > 1 000 V, met een kern van koper, geïsoleerd, n.e.g., staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8544 60 90 — Geleiders van elektriciteit, voor spanningen van > 1 000 V, zonder kern van koper, geïsoleerd, n.e.g., staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 21 — Automobielen met een maximaal toegelaten gewicht van niet meer dan 5 ton, met uitzondering van de posten 8704 21 39 en 8704 21 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 22 — Automobielen met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 5 doch niet meer dan 20 ton met uitzondering van post 8704 22 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 23 10 — Automobielen met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 20 ton, met uitzondering van post 8704 23 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 31 — Automobielen, met enkel een motor met vonkontsteking, met een maximaal toegelaten gewicht van niet meer dan 5 ton, met uitzondering van de posten 8704 31 39 en 8704 31 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 32 10 — Automobielen, met enkel een motor met vonkontsteking, met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 5 ton, met uitzondering van post 8704 32 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 41 — Automobielen met zowel een zuigermotor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) als een elektromotor als motoren voor voortbeweging, met een maximaal toegelaten gewicht van niet meer dan 5 ton, met uitzondering van de posten 8704 41 39 en 8704 41 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 42 — Automobielen met zowel een zuigermotor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) als een elektromotor als motoren voor voortbeweging, met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 5 ton doch niet meer dan 20 ton, met uitzondering van post 8704 42 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8704 43 — Automobielen met zowel een zuigermotor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) als een elektromotor als motoren voor voortbeweging, met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 20 ton, met uitzondering van post 8704 43 99

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8704 60 00 — Automobielen voor het vervoer van goederen, met enkel een elektromotor voor voortbeweging

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8704 90 00 — Andere automobielen voor goederenvervoer

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8706 00 — Chassis met motor, voor motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8707 10 — Carrosserieën voor motorvoertuigen bedoeld bij post 8703

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8708 40 — Versnellingsbakken, alsmede delen daarvan, van motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8708 70 — Wielen, alsmede delen en toebehoren daarvan, van motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8708 80 — Ophanginrichtingen, alsmede delen daarvan (schokdempers daaronder begrepen), van motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 8708 91 — Radiatoren, alsmede delen daarvan, bestemd voor de industriële montage: van motoculteurs van onderverdeling 8701 10, automobielen van onderverdeling 8703, automobielen van onderverdeling 8704, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex 8716 80 00 — Andere voertuigen, met de hand voortbewogen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

8716 90 90 — Andere delen van aanhangwagens, van opleggers en van andere voertuigen

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

9018 32 10 — Buisvormige metalen naalden

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 9018 90 75 — Apparaten voor zenuwprikkeling, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 9018 90 84 — Andere instrumenten, apparaten en toestellen, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 9027 10 90 — Andere analysetoestellen voor gassen of voor rook, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

9401 79 00 — Zitmeubelen, met onderstel van metaal

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

9403 10 — Meubelen van metaal, van de soort gebruikt in kantoren

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 9403 20 — Andere meubelen van metaal, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

ex- 9406 90 90 — Geprefabriceerde bouwwerken, staal of aluminium bevattend

Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen

]”

BIJLAGE II

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

(1)in punt 1, worden e) en f) vervangen door:

“e) “emissiefactor voor elektriciteit”: het gewogen gemiddelde van de CO2-intensiteit van de opgewekte elektriciteit in een geografisch gebied;

f) “stroomafnameovereenkomst”: een contract waarbij een persoon zich ertoe verbindt elektriciteit rechtstreeks van een elektriciteitsproducent af te nemen en dat de fysieke levering van elektriciteit omvat;”;

(2)punt 3 wordt vervangen door:

“Om de specifieke werkelijke ingebedde emissies van samengestelde goederen te bepalen die in een gegeven installatie zijn geproduceerd, wordt de volgende vergelijking toegepast:

waarbij:

   AttrEmg = de toegekende emissies van de goederen g;

   ALg = het activiteitsniveau van de goederen, dat wil zeggen de hoeveelheid goederen die in de verslagperiode in die installatie geproduceerd is; en

   EEInpMat = de ingebedde emissies van de inputmaterialen (precursoren) die in het productieproces zijn verbruikt. Alleen inputmaterialen (precursoren) die zijn opgenomen in de bijlagen I en VIII en van oorsprong zijn uit derde landen en gebieden die niet zijn vrijgesteld op grond van bijlage III, deel 1, worden in aanmerking genomen. De relevante EEInpMat worden als volgt berekend:

waarbij:

   Mi = de massa van het in het productieproces gebruikte inputmateriaal (precursor) i; en

   SEEi = de specifieke ingebedde emissies voor het inputmateriaal (precursor) i. Voor SEEi gebruikt de exploitant van de installatie de waarde van de emissies voor de installatie waar het inputmateriaal (precursor) is geproduceerd, mits de gegevens van die installatie voldoende nauwkeurig kunnen worden gemeten.

Voor goederen die zijn opgenomen onder de delen “Gietijzer, ijzer en staal”, “Aluminium” en “Gecombineerde goederen van metaal” van bijlage I is Mi echter een functie van de inhoud van goederen die in het productieproces voor het goed als inputmateriaal (precursor) worden gebruikt.”;

(3)punt 4.2.1 komt als volgt te luiden:

“4.2.1. Specifieke standaardwaarden voor een derde land, een groep van derde landen of een regio in een derde land

Specifieke standaardwaarden worden vastgesteld op de emissiefactor voor elektriciteit in het derde land, de groep van derde landen of de regio in een derde land, op basis van de beste gegevens waarover de Commissie beschikt.”;

(4)punt 4.2.2 komt als volgt te luiden:

“4.2.2. Alternatieve standaardwaarden

Wanneer er geen specifieke standaardwaarde beschikbaar is voor een derde land, een groep van derde landen of een regio in een derde land, wordt de alternatieve standaardwaarde voor elektriciteit vastgesteld op de emissiefactor voor elektriciteit in de Unie.

Wanneer op basis van betrouwbare gegevens kan worden aangetoond dat de emissiefactor voor elektriciteit in een derde land, een groep van derde landen of een regio in een derde land lager is dan de door de Commissie bepaalde specifieke standaardwaarde of lager is dan de emissiefactor voor elektriciteit in de Unie, mag voor dat derde land, die groep van derde landen of die regio in een derde land een alternatieve standaardwaarde op basis van die emissiefactor voor elektriciteit worden gebruikt.”;

(5)in punt 4.3 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Wanneer een derde land, of een groep van derde landen, aan de Commissie op basis van betrouwbare gegevens aantoont dat de gemiddelde elektriciteitsmix-emissiefactor of de CO2-emissiefactor van prijsbepalende bronnen in het derde land of de groep van derde landen lager is dan de standaardwaarde voor indirecte emissies, wordt voor dat land of die groep van landen een alternatieve standaardwaarde vastgesteld op basis van die gemiddelde elektriciteitsmix-emissiefactor of die gemiddelde CO2-emissiefactor.”;

(6)punt 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)    punt a) wordt vervangen door:

“a) de hoeveelheid elektriciteit waarvoor het gebruik van werkelijke ingebedde emissies wordt gevraagd, valt onder een stroomafnameovereenkomst tussen de importeur of toegelaten CBAM-aangever en een elektriciteitsproducent die zich in een derde land bevindt. Stroomafnameovereenkomsten waarbij tussenpersonen betrokken zijn, zijn ook toegestaan, mits kan worden aangetoond dat sprake is van een verifieerbare contractuele verhouding tussen de elektriciteitsproducent, de tussenpersonen en de importeur of CBAM-aangever met betrekking tot de elektriciteit waarvoor het gebruik van werkelijke ingebedde emissies wordt gevraagd;”;

b)    punt b) wordt geschrapt;

c)    punt d) wordt vervangen door:

“d) alle verantwoordelijke transmissiesysteembeheerders in het land van oorsprong, het land van bestemming en, in voorkomend geval, elk land van doorvoer hebben aan de toegewezen interconnectiecapaciteit definitief de hoeveelheid elektriciteit genomineerd waarvoor het gebruik van werkelijke ingebedde emissies wordt gevraagd, en de genomineerde capaciteit en de elektriciteitsproductie door de installatie hebben betrekking op dezelfde periode van maximaal één uur. Dit criterium wordt niet geacht te zijn vervuld in gevallen waarin de transmissiecapaciteit voor de invoer van elektriciteit wordt toegewezen middels impliciete capaciteitstoewijzing;”.

BIJLAGE III

De volgende bijlage VIII wordt toegevoegd:

BIJLAGE VIII

Lijst van niet-CBAM-goederen en broeikasgassen die als inputmaterialen (precursors) worden beschouwd

Gietijzer, ijzer en staal

GN-code

Broeikasgas

ex 7204 Resten en afval, van gietijzer, van ijzer of van staal (schroot); afvalingots van ijzer of van staal, met uitzondering van schroot na consumptie 

Koolstofdioxide

Aluminium

GN-code

Broeikasgas

ex 7602 Resten en afval, van aluminium, met uitzondering van schroot na consumptie 

Koolstofdioxide

Top