EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 26.2.2025
COM(2025) 80 final
2025/0044(COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft de datums waarop lidstaten bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven moeten toepassen
(Voor de EER relevante tekst)
{SWD(2025) 80 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Algemene context en doelstellingen
Mario Draghi beklemtoonde in zijn rapport over de toekomst van het Europese concurrentievermogen dat Europa een omgeving moet creëren met regelgeving die het concurrentievermogen en de veerkracht bevordert. Daarbij vestigde hij de aandacht op de lasten en compliancekosten die de richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen (“CSRD”) en de richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (“CSDDD”) met zich brengen. In de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europees concurrentievermogen hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU opgeroepen tot “een vereenvoudigingsrevolutie [...], om te zorgen voor een duidelijk, eenvoudig en slim regelgevingskader voor bedrijven en om de administratieve, regelgevings-, en rapportagelasten drastisch te verminderen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen”. Zij riepen de Commissie op om met concrete voorstellen te komen om de rapportageverplichtingen in de eerste helft 2025 met ten minste 25 % te verminderen.
In haar mededeling over het EU-kompas voor concurrentievermogen heeft de Commissie bevestigd dat zij met een voorstel voor een eerste “omnibuspakket voor vereenvoudiging” zou komen dat verregaande vereenvoudigingen zou bevatten op het gebied van rapportage over duurzame financiering, zorgplicht (due-diligence) voor duurzaamheid en de taxonomie. In haar mededeling met als titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging” tekende de Commissie een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda uit die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen moet opleveren voor mensen en bedrijven, hetgeen meer dan een incrementele aanpak vergt en de noodzaak beklemtoont van gedurfde maatregelen om regels van de EU, lidstaten en regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen.
De CSRD is per 5 januari 2023 in werking getreden. Deze richtlijn versterkte en moderniseerde de eisen inzake duurzaamheidsrapportage voor bedrijven – via wijzigingen van de jaarrekeningrichtlijn, de transparantierichtlijn, de auditrichtlijn en de auditverordening. De CSRD is een belangrijk onderdeel van de Europese Green Deal en van het actieplan duurzame financiering. Zij wil ervoor zorgen dat beleggers over de informatie beschikken die deze nodig hebben om de risico’s te begrijpen en te beheersen waaraan ondernemingen waarin zij beleggen, zijn blootgesteld als gevolg van klimaatverandering en andere duurzaamheidsvraagstukken. Ook wil deze richtlijn verzekeren dat beleggers en andere stakeholders over de informatie beschikken die zij nodig hebben wat betreft de impact van ondernemingen op mens en milieu. Daarmee draagt zij bij aan de financiële stabiliteit en de milieu-integriteit. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om financiële middelen naar ondernemingen te laten stromen die op duurzaamheidsdoelen inzetten, en zorgt voor meer verantwoording en transparantie ten aanzien van alle stakeholders wat betreft duurzaamheidsprestaties van ondernemingen.
De CSDDD is op 13 juni 2024 vastgesteld. Het doel van deze richtlijn is bij te dragen aan het bereiken van de ruimere ambitie van de Europese Unie van een transitie naar een duurzame en klimaatneutrale economie, zoals uitgetekend in de Europese Green Deal. Hiervoor moeten ondernemingen negatieve effecten op mensenrechten en het milieu in kaart brengen en aanpakken in hun eigen activiteiten, maar ook in de activiteiten van hun dochterondernemingen en in hun activiteitenketens.
De CSRD en de CSDDD worden nu geïmplementeerd in een nieuwe en moeilijke context. De Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne heeft de energieprijzen voor ondernemingen in de EU opgedreven. Handelsspanningen ontstaan nu er verdere verschuivingen in het geopolitieke landschap optreden. De verschillende aanpak van sommige andere belangrijke jurisdicties ten aanzien van de wetgeving inzake duurzaamheidsrapportage en due-diligence van ondernemingen, doet twijfel rijzen over de effecten van die wetgevingshandelingen op de concurrentiepositie van ondernemingen uit de EU. De mogelijkheden van de Unie om haar waarden veilig te stellen en te beschermen, hangen onder meer af van het vermogen van haar economie om zich aan te passen en te concurreren in een onstabiele en soms vijandige geopolitieke context.
Met dit voorstel wordt dus het van toepassing worden van de CSDDD en van een aantal bepalingen van de CSRD uitgesteld.
Specifieke context en doelstellingen van dit voorstel wat betreft de CSRD
De CSRD is momenteel van toepassing op grote ondernemingen, mkb-bedrijven met op gereglementeerde EU-markten genoteerde effecten, moederondernemingen van grote groepen en emittenten die tot deze categorieën ondernemingen behoren. De rapportageverplichtingen die met de CSRD worden ingevoerd, worden gefaseerd van toepassing, afhankelijk van de verschillende categorieën ondernemingen. In de eerste golf moeten grote organisaties van openbaar belang met meer dan 500 werknemers in 2025 voor het eerst rapporteren over het boekjaar 2024. In de tweede golf moeten de overige grote ondernemingen in 2026 rapporteren over het boekjaar 2025. In de derde golf moeten mkb-bedrijven met op gereglementeerde EU-markten genoteerde effecten in 2027 rapporteren over het boekjaar 2026, ook al hebben zij de mogelijkheid van een opt-out voor de boekjaren 2026 en 2027. In de vierde golf moeten bepaalde niet-EU-ondernemingen met activiteiten op het grondgebied van de Unie die bepaalde drempels overschrijden, in 2029 rapporteren over het boekjaar 2028.
De CSRD schrijft voor dat ondernemingen die onder die richtlijn vallen, duurzaamheidsinformatie rapporteren overeenkomstig de European Sustainability Reporting Standards (“ESRS”), en vraagt dat de Commissie dergelijke standaarden vaststelt door middel van gedelegeerde handelingen. In juli 2023 heeft de Commissie een eerste reeks ESRS vastgesteld, die “sector-agnostisch” zijn, d.w.z. dat zij moeten worden toegepast door alle ondernemingen die onder die standaarden vallen, ongeacht de economische sector waarin een onderneming actief is. Voorts vraagt de CSRD dat de Commissie sectorspecifieke rapportagestandaarden vaststelt, waarbij een eerste reeks van dergelijke standaarden tegen juni 2026 zou moeten worden vastgesteld. De CSRD biedt beursgenoteerde mkb-bedrijven de mogelijkheid om een afzonderlijke en lichtere, evenredige reeks standaarden toe te passen – in plaats van de volledige reeks ESRS.
Op verzoek van de Commissie heeft EFRAG een standaard voor duurzaamheidsrapportage ingediend die vrijwillig kan worden gebruikt door mkb-bedrijven die niet binnen het toepassingsgebied van de rapportageverplichtingen vallen (“VSME-standaard”). Het doel van de VSME-standaard is het om mkb-bedrijven een eenvoudig, breed erkend instrument aan te reiken waarmee zij duurzaamheidsinformatie kunnen verschaffen aan banken, grote ondernemingen en andere stakeholders die eventueel om dit soort informatie vragen.
Andere belangrijke aspecten van de CSRD zijn de bepalingen inzake assurance en de rapportage van informatie over de waardeketen. Ondernemingen moeten hun duurzaamheidsinformatie publiceren samen met het oordeel van een wettelijke auditor of, indien de lidstaat dat toestaat, een onafhankelijke verlener van assurancediensten. Momenteel is voor de assurance een opdracht met een beperkte mate van zekerheid verplicht en de CSRD bepaalt dat dit in de toekomst, op bepaalde voorwaarden, een verplichting van een opdracht met een redelijke mate van zekerheid kan worden. Voorts schrijft de CSRD voor dat de Commissie standaarden voor duurzaamheidsassurance vaststelt door middel van gedelegeerde handelingen.
De CSRD schrijft voor dat ondernemingen informatie over de waardeketen rapporteren voor zover dat voor het begrip van hun duurzaamheidsimpacts, -risico’s en -kansen noodzakelijk is. De CSRD legt een zogenaamd “waardeketenplafond” vast, dat inhoudt dat de ESRS geen rapportagevereisten mogen bevatten die ondernemingen zouden verplichten om van mkb-bedrijven binnen hun waardeketen informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie die volgens de evenredige standaard voor beursgenoteerde mkb-bedrijven moet worden gerapporteerd.
Dit voorstel wil de rapportagedruk verminderen en het “doorsijpelen” (trickle-down) van verplichtingen naar kleinere ondernemingen beperken. In de eerste plaats zou het afzonderlijke wetgevingsvoorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, het raamwerk vereenvoudigen en de lasten op de volgende wijzen verminderen:
–Het aantal ondernemingen waarvoor verplichte eisen inzake duurzaamheidsrapportage gelden, zou met ongeveer 80 % worden verminderd, door grote ondernemingen met tot 1 000 werknemers (d.w.z. een aantal ondernemingen uit de tweede golf en een aantal ondernemingen uit de eerste golf) en beursgenoteerde mkb-bedrijven (d.w.z. alle ondernemingen uit de derde golf) van het toepassingsbereik uit te sluiten. De rapportageverplichtingen zouden alleen gelden voor grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR). Met deze herziene drempel zou de CSRD nauwer worden afgestemd op de CSDDD.
–Voor ondernemingen waarvoor geen verplichte duurzaamheidseisen gelden, stelt de Commissie een evenredige standaard voor vrijwillig gebruik voor. Deze zou worden gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard. Volgens het hier voorliggende voorstel zou de Commissie deze vrijwillige standaard vaststellen als een gedelegeerde handeling. In afwachting is de Commissie, om tegemoet te komen aan vragen vanuit de markt, voornemens om zo spoedig mogelijk een aanbeveling over vrijwillige duurzaamheidsrapportage te publiceren, die is gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard.
–Het “waardeketenplafond” zou worden verruimd en versterkt. Het zou rechtstreeks op de rapporterende onderneming van toepassing zijn – en niet slechts een beperking zijn op wat de ESRS kunnen specificeren. Het zou alle ondernemingen met tot 1 000 werknemers beschermen – in plaats van alleen mkb-bedrijven, zoals thans het geval is. En de beperking zou worden afgebakend door de vrijwillige standaard die de Commissie als gedelegeerde handeling zal vaststellen, op basis van de VSME-standaard die EFRAG heeft uitgewerkt. Een en ander zal het “doorsijpeleffect” substantieel verminderen.
–Er zouden geen sectorspecifieke rapportagestandaarden zijn, om te vermijden dat het aantal voorgeschreven datapunten dat ondernemingen moeten rapporteren, toeneemt.
–Ook de mogelijkheid om over te stappen van assurance met een beperkte mate van zekerheid naar assurance met een redelijke mate van zekerheid, zou worden geschrapt. Dit zal de nodige duidelijkheid bieden dat in de toekomst de assurancekosten voor de betrokken ondernemingen niet zullen stijgen.
–In plaats van een verplichting voor de Commissie om standaarden voor duurzaamheidsassurance vast te stellen tegen 2026, zal de Commissie tegen 2026 gerichte assurancerichtsnoeren publiceren. Zo zal de Commissie sneller kunnen ingaan op zich aandienende probleemkwesties op het gebied van duurzaamheidsassurance die voor ondernemingen die aan de rapportageverplichtingen onderworpen zijn, misschien onnodige lasten met zich brengen.
–Het voorstel komt met een “opt-in”-regeling waarbij grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR) en een netto-omzet van minder dan 450 miljoen EUR die aanvoeren dat hun activiteiten op de EU-taxonomie zijn afgestemd, of gedeeltelijk zijn afgestemd, hun omzet- en CapEx-KPI’s moeten rapporteren en ervoor kunnen kiezen om hun OpEx-KPI te rapporteren. Dankzij deze opt-in-aanpak zullen de kosten voor het naleven van de rapportageregels van de taxonomie volledig wegvallen voor grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR) en met een netto-omzet van minder dan 450 miljoen die niet aanvoeren dat hun activiteiten verband houden met economische activiteiten die op grond van de taxonomieverordening als ecologisch duurzaam kwalificeren. Daarnaast biedt dit voorstel meer flexibiliteit door deze ondernemingen de mogelijkheid te bieden om te rapporteren over activiteiten die aan bepaalde, maar niet alle technische screeningcriteria van de taxonomie voldoen. Dit soort rapportage over gedeeltelijke afstemming kan op termijn impulsen geven voor een geleidelijke milieutransitie van activiteiten – in lijn met de doelstelling om transitiefinanciering op te schalen.
In de tweede plaats is de Commissie voornemens onverwijld een gedelegeerde handeling vast te stellen om de eerste reeks ESRS te herzien. Om de vereenvoudiging en stroomlijning van de ESRS snel te realiseren, en om ondernemingen duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden, is het de bedoeling van de Commissie om de vereiste gedelegeerde handeling zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn waarbij het rapportageraamwerk waarop het eerder genoemde wetgevingsvoorstel ziet, vast te stellen. De herziening van de delegeerde handeling zal het aantal verplichte ESRS-datapunten gevoelig verminderen door: i) de datapunten te schrappen die het minst belangrijk worden geacht voor de algemene doelstelling van duurzaamheidsrapportage; ii) prioriteit te geven aan kwantitatieve datapunten boven beschrijvende informatie, en iii) een verder onderscheid te maken tussen verplichte en vrijwillige datapunten, zonder de interoperabiliteit met internationale rapportagestandaarden aan te tasten en zonder dat een en ander ten koste gaat van de materialiteitsbeoordeling van elke onderneming. De herziening zal bepalingen verhelderen die onduidelijk worden gevonden. Zij zal de coherentie met andere EU‑wetgeving verbeteren. Deze herziening zal instructies geven die helderder zijn wat betreft de vraag hoe het materialiteitsbeginsel toe te passen, zodat ondernemingen alleen informatie van materieel belang rapporteren en het risico wordt verminderd dat verleners van assurancediensten ondernemingen onbedoeld ertoe aanzetten om informatie te rapporteren die niet noodzakelijk is of om buitensporige middelen in te zetten voor de materialiteitsbeoordeling. Zij zal de structuur en presentatie van de standaarden vereenvoudigen. Zij zal de reeds zeer hoge mate van interoperabiliteit met internationale standaarden voor duurzaamheidsrapportage verder vergroten. Ook zal deze herziening andere wijzigingen aanbrengen die noodzakelijk kunnen blijken in het licht van de ervaring met de eerste toepassing van de ESRS.
In de derde plaats zou dit voorstel de datum van toepassing van de rapportageverplichtingen met twee jaar uitstellen voor de tweede golf (grote ondernemingen niet zijnde entiteiten van openbaar belang en met meer dan 500 werknemers, alsmede grote ondernemingen met minder dan 500 werknemers) en de derde golf (beursgenoteerde mkb-bedrijven, kleine en niet-complexe kredietinstellingen, en (her)verzekeringscaptives). Dit uitstel moet vermijden dat een situatie ontstaat waarin bepaalde ondernemingen over het boekjaar 2025 (tweede golf) of 2026 (derde golf) moeten rapporteren, en nadien van die verplichting worden ontslagen. Dit soort situatie zou betekenen dat de betrokken ondernemingen onnodige en vermijdbare kosten moeten maken.
De Commissie nodigt de medewetgevers uit om snel overeenstemming te bereiken over het voorgestelde uitstel, en met name om de nodige juridische duidelijkheid te bieden aan ondernemingen uit de tweede golf die momenteel verplicht zijn om in 2026 voor het eerst te rapporteren over het boekjaar 2025.
Specifieke context en doelstellingen van dit voorstel wat betreft de CSDDD
Volgens de huidige regels moeten lidstaten de CSDDD tegen 26 juli 2026 hebben omgezet. De richtlijn zou in drie fasen van toepassing worden: vanaf juli 2027 zouden de regels alleen van toepassing beginnen te zijn voor de grootste EU-ondernemingen, d.w.z. ondernemingen met meer dan 5 000 werknemers en een gerapporteerde netto (wereldwijde) jaaromzet van meer dan 1,5 miljard EUR, alsmede ondernemingen van buiten de EU die binnen de EU een netto-omzet van meer dan 1,5 miljard EUR behalen. In de tweede golf zouden EU‑ondernemingen met meer dan 3 000 werknemers en meer dan 900 miljoen EUR netto-omzet, alsmede ondernemingen van buiten de EU die binnen de EU dit soort omzet behalen, vanaf juli 2028 aan het nieuwe raamwerk moeten voldoen. Ten slotte zouden in juli 2029 alle overige ondernemingen die onder de richtlijn vallen, de (nationale regels tot omzetting van de) richtlijn moeten beginnen toe te passen. Vanaf die datum zou de CSDDD naar schatting op zo’n 6 000 grote EU-ondernemingen en zo’n 900 ondernemingen van buiten de EU van toepassing zijn. Het soort ondernemingen dat onder de richtlijn valt, en de gefaseerde toepassing houden rekening met het feit dat ondernemingen van verschillende grootte andere mogelijkheden hebben om het nieuwe verplichte raamwerk toe te passen, en zijn dus een sleutelelement om een evenredige benadering te verzekeren.
Daarnaast zou het afzonderlijke wetgevingsvoorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, het raamwerk vereenvoudigen en de lasten op een aantal wijzen verminderen. Met dit voorstel zou de eerste fase van het van toepassing worden van de richtlijn met één jaar worden uitgesteld. Dit uitstel moet de eerste groep ondernemingen meer tijd geven om zich voor te voorbereiden op hun verplichtingen uit hoofde van de (gewijzigde) richtlijn, mede rekening houdende met de richtsnoeren die de Commissie zal hebben vastgesteld volgens het striktere tijdschema in het parallelle vereenvoudigingsvoorstel.
Voorts wordt met dit voorstel de omzettingstermijn voor de lidstaten met één jaar uitgesteld om rekening te houden met vertragingen die bij hun lopende inspanningen tot omzetting van de CSDDD mogelijk ontstaan als gevolg van eventuele wijzigingen van die richtlijn door het parallelle vereenvoudigingsvoorstel.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Ondernemingen waarvoor de CSRD-rapportageverplichtingen gelden, moeten automatisch ook bepaalde indicatoren uit hoofde van artikel 8 van de taxonomieverordening rapporteren. Door de toepassing van de rapportageverplichtingen voor ondernemingen uit de tweede en derde golf uit te stellen, zou dit voorstel dus automatisch ook de datum uitstellen tegen wanneer deze ondernemingen die indicatoren op grond van de taxonomieverordening moeten rapporteren.
De rapportage-eisen uit de CSDDD en de ESRS willen onder meer borgen dat financiële-marktdeelnemers, kredietinstellingen en benchmarkbeheerders toegang hebben tot de duurzaamheidsinformatie die zij van ondernemingen nodig hebben, om hun eigen rapportageverplichtingen uit hoofde van de verordening duurzaamheidsinformatie financiële sector (SFDR), de verordening kapitaalvereisten (VKV) en de benchmarkverordening te kunnen vervullen. Met het voorgestelde uitstel komt er ook vertraging in de betere beschikbaarheid van informatie voor financiële-marktdeelnemers, kredietinstellingen en benchmarkbeheerders.
Ondernemingen die onder zowel de CSRD als de CSDDD vallen, hoeven volgens de CSDDD niet meer informatie te rapporteren dan die welke zij op grond van de CSRD moeten rapporteren. Aangezien met dit voorstel zowel de maatregelen uit de CSDDD als de toepassingsdatum van de rapportageverplichtingen voor bepaalde ondernemingen op grond van de CSRD worden uitgesteld, betekent dit dat de coherentie tussen de beide wetgevingshandelingen behouden blijft.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit voorstel spoort met EU-beleid om het concurrentievermogen te versterken, het regelgevingsraamwerk te vereenvoudigen en de druk op het bedrijfsleven te verlichten, zonder evenwel afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen van de CSRD en de CSDDD. Daarbij gaat het onder meer om het behoud van de Green Deal, omdat het concurrentievermogen op middellange tot lange termijn afhangt van de vraag of ondernemingen duurzaamheidsoverwegingen voldoende laten meewegen in hun activiteiten.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van het voorstel wordt gevormd door de artikelen 50 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”). Artikel 50 VWEU is de rechtsgrondslag voor het vaststellen van EU-maatregelen die erop gericht zijn het recht van vestiging in de eengemaakte markt in het vennootschapsrecht op te nemen, en machtigt het Europees Parlement en de Raad om bij middel van richtlijnen te handelen. Artikel 114 VWEU is een algemene rechtsgrondslag die ertoe strekt de werking van de eengemaakte markt in te stellen of te verzekeren – in dit geval het vrije kapitaalverkeer. De artikelen 50 en 114 VWEU zijn de rechtsgrondslag voor Richtlijn (EU) 2022/2464 en Richtlijn (EU) 2024/1760.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Dit voorstel wijzigt de toepassingsdatums van een aantal bepalingen van EU-recht. Deze datums kunnen alleen worden gewijzigd door optreden op EU-niveau.
•Evenredigheid
De beleidsdoelstelling is het uitstellen van de toepassingsdatums van een aantal bepalingen van EU-recht. Het enige middel om die doelstelling te bereiken, is voor te stellen om die datums te wijzigen.
•Keuze van het instrument
Dit voorstel bestaat uit een richtlijn waarmee bepalingen worden gewijzigd van de richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen (CSRD) en de richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD). Een “omnibusrichtlijn” wordt als het meest geschikte rechtsinstrument beschouwd om bestaande richtlijnen te wijzigen op het punt van vereenvoudiging en vermindering van de lasten op het gebied van duurzaamheidsrapportage en due-diligence.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
De CSDDD is nog niet omgezet of toegepast door ondernemingen. De CSRD is toegepast door een eerste groep ondernemingen die hun eerste duurzaamheidsverslagen publiceren, de meeste in de eerste helft van 2025. Daarom kon er voor geen van deze beide wetgevingshandelingen geen ex-postevaluatie of fitnesscheck worden uitgevoerd.
•Raadpleging van belanghebbenden
De volgende consultatieactiviteiten hebben de inhoud van dit voorstel mee helpen vorm te geven.
-Europese Commissie, “Verzoek om input over de rationalisering van de rapportagevereisten”, van oktober tot en met december 2023.
-Europese Commissie, “Reality Check on Sustainability Reporting and Roundtable on Simplification”, begin februari 2025.
-De Europese Commissie heeft ook aparte activiteiten voor stakeholders georganiseerd, zoals twee grote hybride stakeholderforums over de CSRD in mei en november 2024 met meer dan 400 fysieke en meer dan 3 000 onlinedeelnemers.
-De Europese Commissie heeft een zeer aanzienlijk aantal brieven en gedetailleerde analyses ontvangen van alle soorten stakeholders (van ondernemingen over beleggers, banken, het maatschappelijke middenveld, ngo’s, kamers van koophandel tot en met nationale overheidsdiensten van de lidstaten).
Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD)
Met haar verzoek om input over de rationalisering van de rapportagevereisten vroeg de Europese Commissie om bewijsmateriaal en standpunten over regelgeving die wordt gezien als regelgeving die regeldruk creëert. Bijna 200 stakeholders antwoordden op dat verzoek en pleitten in hoofdzaak voor een vereenvoudiging van duurzaamheidsrapportage, due-diligence en de EU-taxonomie.
In de bijeenkomsten van de Europese Commissie met het Europese bedrijfsleven, sociale partners en het maatschappelijke middenveld begin februari 2025 spraken stakeholders hun steun uit voor de overkoepelende doelstellingen van de CSRD en de CSDDD, maar beklemtoonden zij de noodzaak van vereenvoudiging en harmonisatie bij de implementatie daarvan.
Sommige stakeholders, en met name groepen ondernemingen en brancheorganisaties, suggereerden om de toepassing van bestaande wetgeving te pauzeren en te focussen op vereenvoudiging. Volgens hen zou een uitstel van de CSRD-rapportageverplichtingen de Commissie de kans geven om het raamwerk te vereenvoudigen, terwijl ondernemingen meer tijd zouden krijgen om zich voor te bereiden op nakende wijzigingen.
Andere stakeholders, en met name groepen uit het maatschappelijke middenveld, zagen sterke voordelen in het behoud van de regels en pleitten voor het belang van rechtszekerheid en stabiele regelgeving voor ondernemingen, maar ook voor het behoud van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan duurzame financiering. Ook beklemtoonden zij dat van uitvoeringsrichtsnoeren gebruikgemaakt moest worden om bepaalde delen van het raamwerk duurzaamheidsrapportage te verduidelijken en te vereenvoudigen – in plaats van de bestaande voorschriften ingrijpend te wijzigen.
De behoefte aan vereenvoudiging klonk ook door in talrijke andere rapporten, aanbevelingen en stakeholderstandpunten van ondernemingen uit zowel de financiële als de niet-financiële sector. Vele daarvan beklemtoonden het belang van het terugdringen van de complexiteit en de regeldruk en zijn meegenomen in de maatregelen om de druk te verlichten zoals die in dit voorstel worden beschreven.
Richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD)
Consultaties van diverse stakeholders, zoals bedrijven, brancheorganisaties en organisaties uit het maatschappelijke middenveld, maar ook andere contacten met en input van stakeholders zijn in het onderhavige voorstel meegenomen. Daarbij ging het met name ook om een tweedaags stakeholderevent waar de Commissie van mensen in de praktijk te horen kreeg voor welke uitdagingen zij zich met het bestaande wetgevingskader geplaatst zien en wat mogelijke oplossingen kunnen zijn om op die uitdagingen een antwoord te bieden. Sommige stakeholders pleitten voor ingrijpende wijzigingen en verregaand uitstel, terwijl anderen de noodzaak beklemtoonden van zekerheid over de regelgeving en zich verzetten tegen het opnieuw openbreken van de richtlijn – en in plaats daarvan te focussen op de implementatie ervan. Dit voorstel wil, samen met het parallelle vereenvoudigingsvoorstel, een evenwicht bieden tussen deze zienswijzen door de integriteit van de CSDDD te behouden, maar wel veranderingen door te voeren om die richtlijn te vereenvoudigen en te stroomlijnen.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
•Effectbeoordeling
Dit voorstel gaat vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie dat een effectbeoordeling van de voorgestelde maatregelen bevat. Gezien de dringende noodzaak om voorstellen te doen om de geconstateerde problemen aan te pakken, was het niet mogelijk om een volledige effectbeoordeling op te stellen.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Dit voorstel is uitdrukkelijk bedoeld om een belangrijke vereenvoudiging van de regeling voor duurzaamheidsrapportage te faciliteren.
•Grondrechten
Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD)
Het voorstel eerbiedigt de grondrechten die zijn verankerd, en volgt de beginselen die zijn geformuleerd, in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD) heeft een indirecte positieve impact op grondrechten, omdat vereisten inzake duurzaamheidsrapportage het handelen van bedrijven ten goede kunnen beïnvloeden. De richtlijn dient om ondernemingen sterker bewust te maken van grondrechten en om positief te beïnvloeden hoe zij daadwerkelijke en potentiële negatieve effecten op grondrechten in kaart brengen en daarmee omgaan. Met het voorgestelde uitstel zouden ook deze positieve effecten worden uitgesteld voor ondernemingen die de rapportagevereisten op een later tijdstip zouden beginnen toe te passen. De vermindering van de druk op die ondernemingen, en met name de vermindering van de druk op ondernemingen die niet meer onder de CSRD zouden vallen als gevolg van het afzonderlijke voorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, moet echter andere maatschappelijke baten opleveren in termen van welvaartscreatie, werkgelegenheid en innovatie, waaronder innovatie wat betreft duurzaamheid.
Richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD)
Het voorstel eerbiedigt de grondrechten die zijn verankerd, en volgt de beginselen die zijn geformuleerd, in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tot de belangrijkste doelstellingen van de CSDDD behoren de bescherming en de bevordering van grondrechten. Hiervoor moeten zeer grote ondernemingen negatieve effecten op mensenrechten en het milieu in kaart brengen en aanpakken in hun eigen activiteiten, maar ook in de activiteiten van hun dochterondernemingen en in hun activiteitenketens. Met het voorgestelde uitstel zouden ook deze positieve effecten worden uitgesteld voor de eerste groep ondernemingen die onder de richtlijn vallen en de rapportagevereisten op een later tijdstip zouden beginnen toe te passen.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
•Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Toelichtende stukken worden niet nodig geacht.
•Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 wijzigt artikel 5, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2464 (richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen – “CSRD”) door voor de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage een uitstel met twee jaar in te voeren voor alle ondernemingen die onder de CSRD vallen en die deze richtlijn, afhankelijk van hun grootte, moeten naleven vanaf het boekjaar 2025 of 2026.
En meer bepaald als volgt:
–Lid 1, punt a), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de volgende ondernemingen over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 (in plaats van 1 januari 2025):
·grote ondernemingen met gemiddeld niet meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
·grote ondernemingen niet zijnde organisaties van openbaar belang met gemiddeld meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
·moederondernemingen van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
·moederondernemingen van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar, maar die geen organisaties van openbaar belang zijn;
–lid 1, punt b), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat mkb-bedrijven met effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, kleine en niet-complexe instellingen (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) en EU-(her)verzekeringscaptives (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028 (in plaats van 1 januari 2026);
–lid 2, punt a), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de volgende emittenten over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 (in plaats van 1 januari 2025):
·emittenten die grote ondernemingen zijn met gemiddeld niet meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
·emittenten die moederondernemingen zijn van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
–lid 2, punt b), schrijft voor dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat emittenten waarbij het gaat om mkb-bedrijven, kleine en niet-complexe instellingen (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) en EU‑(her)verzekeringscaptives (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn), over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028 (in plaats van 1 januari 2026).
Artikel 2 wijzigt artikel 37 van Richtlijn (EU) 2024/1760 (richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid – “CSDDD”) door de omzettingstermijn en de toepassingsdatum van de richtlijn met één jaar uit te stellen voor de eerste groep ondernemingen die onder de richtlijn vallen.
Artikel 3 schrijft voor dat lidstaten artikel 1 van deze richtlijn uiterlijk 31 december 2025 omzetten en de tekst van hun omzettingsmaatregelen aan de Commissie meedelen.
Artikel 4 specificeert dat deze richtlijn in werking treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2025/0044 (COD)
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft de datums waarop lidstaten bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven moeten toepassen
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 50 en 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)In haar mededeling van 11 februari 2025 met de titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging” tekende de Commissie een visie uit voor een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen oplevert voor mensen en bedrijven. Dat vereist meer dan een incrementele benadering en de Unie moet voortvarend handelen om die doelstelling te behalen. De Commissie, het Europees Parlement, de Raad, de autoriteiten van de lidstaten op alle niveaus en de belanghebbenden moeten samenwerken om de regelgeving van de Unie, de lidstaten en de regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen en het beleid doeltreffender uit te voeren.
(2)De Commissie heeft de vaste wil om rapportagedruk terug te dringen en het concurrentievermogen te versterken. In dat verband is het noodzakelijk om in de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad gerichte wijzigingen door te voeren, zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan duurzame financiering.
(3)Artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 specificeert de datums vanaf wanneer de lidstaten de in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportage moeten toepassen, waarbij die datums verschillen afhankelijk van de grootte van de betrokken onderneming. Grote ondernemingen die organisaties van openbaar belang zijn en gemiddeld meer dan 500 werknemers hebben over het boekjaar, en organisaties van openbaar belang die moederondernemingen zijn van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers, op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar, moeten in 2025 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2024 aanvangen. De overige grote ondernemingen en de overige moederondernemingen van een grote groep moeten in 2026 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2025 aanvangen. Kleine en middelgrote ondernemingen (mkb-bedrijven), met uitzondering van micro-ondernemingen, kleine en niet-complexe instellingen en (her)verzekeringscaptives, moeten in 2027 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2026 aanvangen. Gelet op de lopende initiatieven van de Commissie om een aantal bestaande verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage te vereenvoudigen en de daarmee samenhangende regeldruk voor ondernemingen terug te dringen, om rechtszekerheid te verschaffen en om te voorkomen dat ondernemingen die momenteel moeten rapporteren voor boekjaren die op of na 1 januari 2025 en op of na 1 januari 2026 aanvangen, nodeloze en vermijdbare kosten moeten maken, moeten de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage voor die ondernemingen in beide gevallen met twee jaar worden uitgesteld.
(4)Artikel 5, lid 2, derde alinea, van Richtlijn (EU) 2022/2464 specificeert de datums vanaf wanneer de lidstaten de in Richtlijn 2004/109/EU van het Europees Parlement en de Raad bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportage moeten toepassen, waarbij die datums verschillen afhankelijk van de grootte van de betrokken onderneming. Emittenten die grote ondernemingen zijn met gemiddeld meer dan 500 werknemers over het boekjaar en emittenten die moederondernemingen zijn van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers, op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar, moeten in 2025 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2024 aanvangen. De overige emittenten die grote ondernemingen zijn, en de overige emittenten die moederondernemingen van een grote groep zijn, moeten in 2026 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2025 aanvangen. Emittenten die kleine en middelgrote ondernemingen zijn, met uitzondering van micro-ondernemingen, kleine en niet-complexe instellingen en (her)verzekeringscaptives, moeten in 2027 rapporteren over boekjaren die op of na 1 januari 2026 aanvangen. Gelet op de lopende initiatieven van de Commissie om een aantal bestaande verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage te vereenvoudigen en de daarmee samenhangende regeldruk voor ondernemingen terug te dringen, om rechtszekerheid te verschaffen en om te voorkomen dat de emittenten die momenteel moeten rapporteren voor boekjaren die op of na 1 januari 2025 en op of na 1 januari 2026 aanvangen, nodeloze en vermijdbare kosten moeten maken, moeten de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage voor die ondernemingen in beide gevallen met twee jaar worden uitgesteld.
(5)De datum tegen wanneer de lidstaten Richtlijn (EU) 2024/1760 moeten toepassen, moet met één jaar worden uitgesteld voor de eerste groep ondernemingen die onder die richtlijn vallen, om ondernemingen meer tijd te geven zich voor te bereiden op de vereisten van die richtlijn en hun de kans te geven rekening te houden met de richtsnoeren die de Commissie zal publiceren over de vraag hoe zij hun due-diligenceverplichtingen praktisch moeten nakomen.
(6)Voorts moet, in het licht van het parallelle wetgevingsvoorstel dat inzet op het vereenvoudigen van het duurzaamheidsraamwerk en het verminderen van de druk voor ondernemingen, de termijn voor de lidstaten om Richtlijn (EU) 2024/1760 om te zetten, met één jaar worden verlengd om rekening te houden met mogelijke vertragingen bij lopende omzettingsinspanningen als gevolg van eventuele wijzigingen van die richtlijn.
(7)Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(8)De Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(9)Wegens de urgentie en om zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden, moet deze richtlijn in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2022/2464
In Richtlijn (EU) 2022/2464 wordt artikel 5, lid 2, als volgt gewijzigd:
(1)de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:
(a)in punt b) wordt de aanhef vervangen door:
“voor boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen:”;
(b)in punt b) wordt de aanhef vervangen door:
“voor boekjaren die op of na 1 januari 2028 beginnen:”;
(2)de derde alinea wordt als volgt gewijzigd:
(a)in punt b) wordt de aanhef vervangen door:
“voor boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen:”;
(b)in punt c) wordt de aanhef vervangen door:
“voor boekjaren die op of na 1 januari 2028 beginnen:”.
Artikel 2
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2024/1760
In artikel 37, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1760 worden de eerste en tweede alinea vervangen door:
“De lidstaten stellen uiterlijk op 26 juli 2027 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe:
(a)vanaf 26 juli 2028 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat en gemiddeld meer dan 3 000 werknemers hadden en een wereldwijde netto-omzet van meer dan 900 000 000EUR hebben gegenereerd in het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2028 waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden vastgesteld, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2029 beginnen;
(b)vanaf 26 juli 2028 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die in de Unie een netto-omzet van meer dan 900 000 000 EUR hebben gegenereerd in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2028, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2029 beginnen;
(c)vanaf 26 juli 2029 ten aanzien van alle overige ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punten a) en b), en artikel 2, lid 2, punten a) en b), en ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt c), en artikel 2, lid 2, punt c), met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2030 beginnen.”.
Artikel 3
Omzetting
1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2025 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3
1.2.Betrokken beleidsterreinen3
1.3.Doelstellingen3
1.3.1.Algemene doelstellingen3
1.3.2.Specifieke doelstellingen3
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen3
1.3.4.Prestatie-indicatoren3
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:4
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief4
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4
2.BEHEERSMAATREGELEN8
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen8
2.2.Beheers- en controlesystemen8
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).8
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9
4.Digitale dimensies29
4.1.Voorschriften met digitale relevantie30
4.2.Gegevens30
4.3.Digitale oplossingen31
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling31
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering32
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijzing van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven.
1.2.Betrokken beleidsterreinen
Kapitaalmarktenunie, spaar- en beleggingsunie, Europese Green Deal, EU-strategie voor duurzame financiering, vennootschapsrecht en corporate governance.
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
De algemene doelstellingen van dit wetgevingsvoorstel zijn het vereenvoudigen en beperken van bepaalde elementen van Richtlijn 2006/43/EG, Richtlijn 2013/34/EU, Richtlijn (EU) 2022/2464 en Richtlijn (EU) 2024/1760, om de rapportagedruk te verminderen voor ondernemingen waarvoor die verplichtingen gelden.
Door de regeldruk te verminderen die is verbonden aan rapportagevereisten en de compliancekosten van duurzaamheidsrapportage die uit die wetgeving voortvloeien, wil dit voorstel de evenredigheid van het raamwerk en het concurrentievermogen van Europese ondernemingen versterken, zonder dat een en ander ten koste gaat van de doelstellingen van de Europese Green Deal.
1.3.2.Specifieke doelstellingen
De specifieke doelstellingen van de in dit voorstel opgenomen wijzigingen van Richtlijn (EU) 2022/2464 moeten de volgende resultaten opleveren:
–De vereisten inzake duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen uit de tweede en derde golf met twee jaar uitstellen.
De specifieke doelstellingen van de in dit voorstel opgenomen wijzigingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 moeten de volgende resultaten opleveren:
–De omzettingstermijn en de toepassing van de due-diligencevereisten voor duurzaamheid voor ondernemingen uit de eerste golf met één jaar uitstellen.
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
De verwachte resultaten en gevolgen van de voorgestelde wijzigingen zijn het vereenvoudigen van de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage, en daardoor het verminderen van de regeldruk voor ondernemingen op dit punt, zonder dat een en ander ten koste gaat van de Europese Green Deal en het actieplan duurzame financiering. De voorgestelde wijzigingen zouden bij het uitvoeren van de duurzaamheidsrapportage ook aanzienlijke kostenbesparingen moeten opleveren voor ondernemingen waarvoor de betrokken verplichtingen gelden.
De wijzigingen van Richtlijn (EU) 2024/1760 in dit voorstel moeten de compliancelasten van ondernemingen verlichten omdat zij meer tijd zullen hebben om zich voor te bereiden op compliance, hun beleidslijnen, processen en procedures kunnen aanpassen, mede rekening houdende met de richtsnoeren die de Commissie zal publiceren, waardoor zij op goede praktijken zullen kunnen voortbouwen en minder een beroep hoeven te doen op juridisch advies en consultancydiensten.
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
De CSRD is toegepast door een eerste groep ondernemingen die hun eerste duurzaamheidsverslagen publiceren, vooral in de eerste helft van 2025. Daarom kon er voor geen van deze beide wetgevingshandelingen al een ex-postevaluatie of fitness-check worden uitgevoerd.
Om de progressie te monitoren die bij het bereiken van de specifieke doelstellingen van het voorstel is gemaakt, zal de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om, afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen, in verschillende vormen met stakeholders van gedachten te wisselen en om surveys te houden bij gebruikers van duurzaamheidsinformatie en ondernemingen die dit soort informatie rapporteren, Artikel 6 CSRD schrijft voor dat de Commissie tegen april 2029 met een verslag moet komen over de uitvoering van de richtlijn.
In dit voorstel zegt de Commissie ook toe om de eerste reeks ESRS te herzien. Op grond van Richtlijn 2013/34/EU moet de Commissie die standaarden voor duurzaamheidsrapportage, met inbegrip van de standaarden voor duurzaamheidsrapportage voor het midden- en kleinbedrijf, om de drie jaar evalueren om rekening te houden met relevante ontwikkelingen, waaronder de ontwikkeling van internationale standaarden.
Ook de uitvoering van de (gewijzigde) CSDDD, en de mate waarin deze richtlijn erin slaagt haar doelstellingen – en met name het tegengaan van negatieve effecten – waar te maken, zal regelmatig worden geëvalueerd overeenkomstig artikel 36 van die richtlijn.
Een aantal indicatoren zal worden gebruikt voor het monitoren van de vooruitgang die met deze voorstellen is geboekt, zoals de doeltreffendheid en tijdigheid van de voorgestelde acties, de doelmatigheid van processen voor het verzamelen en verwerken van data overeenkomstig de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage, en doelstelling om regeldruk terug te dringen en onnodige of overlappende rapportagevereisten te vermijden.
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Met dit voorstel komt de Commissie met een voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760. Zodra de medewetgevers overeenstemming bereikt zullen hebben over de inhoud van het voorstel, zullen lidstaten een bepaalde termijn krijgen voor de omzetting in hun interne recht van de met deze richtlijn ingevoerde wijzigingen wat betreft het uitstel van de datum vanaf wanneer bepaalde groepen ondernemingen deze richtlijnen moeten toepassen. Op grond van dit voorstel wordt de omzettingstermijn bepaald op 31 december 2025. Ook wil dit voorstel de omzettingstermijn van Richtlijn (EU) 2024/1760 met één jaar uitstellen. Dit betekent dat lidstaten de CSDDD uiterlijk 26 juli 2027 moeten hebben omgezet.
In een afzonderlijk wetgevingsvoorstel komt de Commissie met een voorstel om een aantal bepalingen van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 te wijzigen. Ook stelt de Commissie voor om Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772 (European Sustainability Reporting Standards – ESRS) te herzien. De Commissie zal de gelegeerde handeling tot herziening van de ESRS tijdig vaststellen zodat de ondernemingen uit de tweede golf die op grond van de CSRD in 2028 zouden moeten beginnen te rapporteren over het boekjaar 2027, de herziene standaarden kunnen toepassen.
Om de progressie te monitoren die bij het bereiken van de specifieke doelstellingen van het voorstel is gemaakt, zal de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om, afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen, in verschillende vormen met stakeholders van gedachten te wisselen en om surveys te houden bij gebruikers van duurzaamheidsinformatie en ondernemingen die dit soort informatie rapporteren. Artikel 6 CSRD schrijft voor dat de Commissie tegen april 2029 met een verslag moet komen over de uitvoering van de richtlijn. Ook de uitvoering van de (gewijzigde) CSDDD, en de mate waarin deze richtlijn erin slaagt haar doelstellingen – en met name het tegengaan van negatieve effecten – waar te maken, zal regelmatig worden geëvalueerd overeenkomstig artikel 36 van die richtlijn. Dit voorstel vergt geen uitvoeringsplan.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
In de jaarrekeningrichtlijn, gewijzigd door de CSRD, wordt de rapportage van duurzaamheidsinformatie in de EU al beregeld. Gezamenlijke regels over duurzaamheidsrapportage en de assurance daarvan zorgen voor een gelijk speelveld voor ondernemingen die in de verschillende lidstaten zijn gevestigd. Aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten wat betreft de eisen inzake duurzaamheidsrapportage en -assurance zouden voor ondernemingen die over de grenzen heen actief zijn, extra kosten en complexiteit met zich brengen, hetgeen schadelijk zou zijn voor de eengemaakte markt. Lidstaten die alleen handelen, kunnen bestaande EU-wetgeving niet wijzigen om de druk op ondernemingen te verminderen.
Evenzo tekent de CSDDD een geharmoniseerd regelgevingsraamwerk uit voor de zorgplicht van ondernemingen voor duurzaamheid, en geldt dit ook voor bepaalde ondernemingen uit derde landen die op de EU-markt actief zijn, hetgeen op dit beleidsterrein een gelijk speelveld moet borgen.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
4.Digitale dimensies
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
|
De rapportagevereisten die met Richtlijn 2013/34/EU zijn ingevoerd, verplichten ondernemingen om data te verzamelen en te rapporteren over hun impacts, risico’s en kansen wat betreft materiële duurzaamheidsthema’s. Deze exercitie vergt aanzienlijke identificatie, verzameling, verwerking, verificatie en publicatie van data. Om de nodige data te verzamelen, maken ondernemingen vaak gebruik van digitale platformen voor het verzamelen en delen van data. Daarnaast maken ondernemingen voor het opslaan en verwerken van de data ten behoeve van duurzaamheidsrapportage vaak gebruik van digitale tools voor datamanagement.
Gebruikers van duurzaamheidsinformatie verwachten steeds vaker dat deze informatie toegankelijk, vergelijkbaar en machinaal leesbaar is in digitale formaten. De lidstaten moeten van ondernemingen waarop de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage van Richtlijn 2013/34/EU van toepassing zijn, verlangen dat zij hun bestuursverslagen op hun websites kosteloos publiek toegankelijk maken. Digitalisering biedt mogelijkheden om informatie efficiënter te benutten en levert aanzienlijke kostenbesparingen op voor zowel gebruikers als ondernemingen. Dankzij digitalisering kunnen data op Unieniveau en op niveau van de lidstaten centraal beschikbaar worden gesteld in een open en toegankelijk formaat dat makkelijk leesbaar is en dat het mogelijk maakt data te vergelijken. Deze vereisten vormen ook een aanvulling op de totstandbrenging van een Europees centraal toegangspunt (ESAP) voor publieke ondernemingsinformatie.
Zie verderop, voor specifieke vereisten in de richtlijn die digitaal relevant zijn.
Richtlijn 2013/34/EU verplicht ondernemingen waarvoor duurzaamheidsrapportage verplicht is, om hun bestuursverslag op te stellen in het in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/815 (gedelegeerde ESEF-verordening) gespecificeerde elektronische verslagleggingsformaat. Ook verplicht zij die ondernemingen hun duurzaamheidsrapportage van markup te voorzien, met inbegrip van de door artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 verplichte openbaarmakingen, overeenkomstig de digitale taxonomie die de Commissie zal vaststellen door een wijziging van de gedelegeerde ESEF-verordening.
Dankzij een digitale taxonomie voor de Uniestandaarden voor duurzaamheidsrapportage zal duurzaamheidsrapportage van tags kunnen worden voorzien en machinaal leesbaar zijn. Zolang deze digitale taxonomie nog niet is vastgesteld, hoeven ondernemingen hun duurzaamheidsverslagen niet van markup te voorzien. Aangezien het duurzaamheidsverslag pas machinaal leesbaar zal worden zodra dit is opgenomen in een XHTML-document en voorzien is van een markup met een digitale taxonomie, hoeven ondernemingen, in afwachting van de vaststelling van de digitale taxonomie, het bestuursverslag ook niet in XHTML op te stellen.
Stakeholders waarvoor deze vereisten gelden, zijn onder meer ondernemingen die een duurzaamheidsverslag moeten opstellen en publiceren dat digitaal is getagged en in een XHTML-formaat wordt aangeleverd, alsmede assuranceverleners die moeten nagaan of de duurzaamheidsverklaring aan de nodige voorwaarden voldoet.
Het huidige voorstel houdt geen verandering in van de bestaande regels inzake digitale tagging of formaten die met de CSRD zijn ingevoerd, die digitale rapportage zullen versterken en het mogelijk zullen maken om artificiële intelligentie te gebruiken bij de informatie die ondernemingen rapporteren.
Wat CSDDD betreft, digitale tools en technologieën kunnen het verzamelen van data en de beoordeling daarvan ondersteunen en de kosten daarvan verminderen. Met dit voorstel worden de betrokken CSDDD-bepalingen niet gewijzigd.
|
4.2.Gegevens
4.3.Digitale oplossingen
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
Om de soepele implementatie van de in afdeling 4.1 geïdentificeerde vereisten die digitaal relevant zijn, te faciliteren, is de Commissie betrokken bij een aantal initiatieven.
In de eerste plaats zal een digitale taxonomie voor de Uniestandaarden voor duurzaamheidsrapportage nodig zijn, zodat de gerapporteerde informatie overeenkomstig die standaarden voor duurzaamheidsrapportage kan worden getagged. De Commissie zal een digitale taxonomie voor het taggen van duurzaamheidsinformatie vaststellen via een gedelegeerde handeling, nadat zij technisch advies van de ESMA heeft ontvangen.
In de tweede plaats, is de Commissie voornemens om in het kader van de ronde van 2025 van het instrument voor technische ondersteuning (TSI) een vlaggenschipproject met meerdere landen op te zetten onder de titel “Improving Sustainability Reporting for Businesses”. Dit initiatief moet de capaciteit van lidstaten versterken om ondernemingen, en met name het mkb, te ondersteunen bij de implementering van de rapportagevereisten van de CSRD en de EU-taxonomie. De ondersteuning in het kader van dit initiatief zal rekening houden met de evolutie van de rapportagevereisten. Deze zal ook relevant zijn voor niet-beursgenoteerde mkb-bedrijven die niet verplicht zijn te rapporteren, maar in toenemende mate van hun financiële partners en partners in de waardeketen vragen om duurzaamheidsinformatie krijgen.
In de derde plaats heeft EFRAG een mkb-forum opgezet waarin zij relevante stakeholders uit de mkb-gemeenschap zullen samenbrengen om te overleggen over de implementatie van de vereisten inzake duurzaamheidsrapportage en hoe digitale oplossingen en tools kunnen worden gebruikt om de duurzaamheidsrapportage voor het mkb te faciliteren.
Wat de CSDDD betreft, is het zo dat, om ondernemingen te helpen hun due-diligenceverplichtingen binnen hun waardeketen te vervullen, de richtlijn het gebruik van digitale tools en technologieën aanmoedigt en de Commissie vraagt om te komen met richtsnoeren met nuttige informatie en verwijzingen naar de nodige bronnen. Met dit voorstel worden de betrokken bepalingen niet gewijzigd.
|