EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024DC0147

Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over een Europees systeem voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs

COM/2024/147 final

Brussel, 27.3.2024

COM(2024) 147 final

2024/0079(NLE)

Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over een Europees systeem voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs

{SWD(2024) 74 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Context en doel van het voorstel

In haar politieke beleidslijnen van 2019 1 heeft Commissievoorzitter Von der Leyen zich ertoe verbonden de Europese onderwijsruimte (EOR) 2 tegen 2025 tot stand te brengen. Het doel is een ruimte te creëren waar iedereen de kans heeft om in het buitenland te leren of te studeren.

Het hoger onderwijs speelt een sleutelrol voor de toekomst van Europa, zijn burgers, samenlevingen en economieën. Wij moeten transnationale samenwerking en leermobiliteit in het hoger onderwijs (d.w.z. naar het buitenland voor een universitaire studie) blijven aanmoedigen, zoals benadrukt in de Europese strategie voor universiteiten 3 van 2022.

Het doel van kwaliteitsborgingssystemen is ervoor te zorgen dat het hoger onderwijs voldoet aan de behoeften en verwachtingen van studenten, werkgevers, de samenleving en andere belanghebbenden. Ze leggen de basis voor vertrouwen tussen onderwijsstelsels, wat de voorwaarde is voor de automatische erkenning van kwalificaties en uiteindelijk voor leermobiliteit. Volgens een onderzoek 4 controleert een derde van de instellingen de kwaliteitsborgingsprocessen van andere instellingen wanneer zij een besluit nemen over de erkenning van een kwalificatie.

Kwaliteitsborging verwijst naar de processen die worden uitgevoerd door een instelling voor hoger onderwijs (intern) of een instantie voor kwaliteitsborging (extern) om de kwaliteit van een instelling voor hoger onderwijs te waarborgen. Kwaliteitsborgingsactiviteiten hebben een tweeledig doel:

verantwoording: het waarborgen van de kwaliteit van de activiteiten van de instelling voor hoger onderwijs en de naleving van een reeks normen; en

verbetering: het doen van aanbevelingen over hoe instellingen voor hoger onderwijs hun prestaties kunnen verbeteren.

Samen vormen verantwoording en verbetering de basis van vertrouwen. In de meeste gevallen maakt kwaliteitsborging deel uit van het proces waarbij de nationale hogeronderwijsstelsels universiteiten het recht verlenen om studenten in te schrijven, diploma’s toe te kennen of overheidsmiddelen te gebruiken.

Externe kwaliteitsborging kan verschillende vormen aannemen:

een institutionele benadering houdt in dat de instelling alleen op institutioneel niveau een periodieke externe kwaliteitsbeoordeling ondergaat. Het stelt de instelling in staat programma’s te ontwikkelen en aan te bieden zonder een aanvullende externe kwaliteitsbeoordeling;

een programmabenadering houdt in dat elk afzonderlijk programma (of een groep programma’s) van een of meer instellingen voor hoger onderwijs een periodieke externe kwaliteitsbeoordeling moet ondergaan;

een gecombineerde benadering heeft betrekking op een situatie waarin een hogeronderwijsstelsel zowel gebruikmaakt van een institutionele als van een programmabenadering. Dit is de in de EU meest gebruikte benadering 5 .

Automatische erkenning is het recht van een houder van een door een lidstaat afgegeven kwalificatie (bv. een bachelordiploma) om zonder afzonderlijke erkenningsprocedure deel te nemen aan een hogeronderwijsprogramma van het volgende niveau (bv. een masterdiploma) in een andere lidstaat 6 .

Het doel van dit voorstel is ervoor te zorgen dat de systemen voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs transparantie, mobiliteit en transnationale samenwerking ondersteunen, en dat hoge kwaliteit en wederzijds vertrouwen worden gehandhaafd. Dit zou ten goede komen aan de studenten die gebruikmaken van de mogelijkheden van leermobiliteit en aan de instellingen voor hoger onderwijs waar zij studeren.

Voortbouwend op de ervaringen met allianties van Europese universiteiten 7 zal dit initiatief partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs vergemakkelijken en bijdragen tot de ontwikkeling van meer gezamenlijke programma’s en andere gezamenlijke onderwijsvoorzieningen, met als doel tot een Europees diploma te komen 8 .

De evaluatie van de kwaliteitsborging op EU-niveau komt op een goed moment, aangezien de aanbeveling van de Raad en het Europees Parlement over verdere Europese samenwerking op het gebied van kwaliteitsborging in het hoger onderwijs 9 dateert van 2006. Hoewel dat initiatief vooruitgang heeft opgeleverd (met name het opzetten van het Europees register van instanties voor kwaliteitsborging, waardoor de lidstaten kunnen kiezen welke instantie zij gebruikten), blijven er verschillen in de uitvoering 10 . Sinds 2006 is het hoger onderwijs veranderd, met name door de oprichting van allianties van Europese universiteiten en de ontwikkeling van meer gezamenlijke programma’s en microcredentials.

Er zijn sterke argumenten voor vereenvoudiging. Europese universiteiten en andere allianties van instellingen voor hoger onderwijs ondervinden belemmeringen bij de ontwikkeling van de gezamenlijk onderwijsvoorzieningen. De kwaliteitsborgingsprocedures verschillen van lidstaat tot lidstaat (verschillen in regelgeving) of zijn lang en complex (dezelfde regelgeving, maar verschillen in administratieve benaderingen).

Kwaliteitsborgingssystemen kunnen beoordelen in hoeverre hogeronderwijsstelsels inspelen op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. De belanghebbenden zijn voorstander van meer aandacht op dit gebied met betrekking tot de autonomie van het hoger onderwijs en de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor hun eigen stelsels 11 .

Een herziening van de kwaliteitsborging biedt de gelegenheid om deze beter te koppelen aan de erkenning van kwalificaties en leerperioden in het buitenland, elementen die tot nu toe volledig gescheiden zijn geweest. Het uitvoeringsverslag van de aanbeveling van de Raad van 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 12 laat zien dat er ruimte is voor verbetering.

Het intergouvernementele Bolognaproces 13 , waarbij 49 landen, waaronder alle EU-lidstaten, betrokken zijn, heeft vooruitgang geboekt op het gebied van kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs. De instrumenten die hierbij zijn ontwikkeld, omvatten de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs 14 en de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s 15 , die tot doel hebben accreditatie te vergemakkelijken en dubbel werk te voorkomen. Dit laatste instrument is niet op grote schaal gebruikt vanwege een gebrek aan faciliterende kaders op nationaal en regionaal niveau. Dit initiatief bouwt voort op bestaande instrumenten en moedigt de volledige benutting daarvan aan. Ondanks deze vooruitgang is de visie van de Europese onderwijsruimte ambitieuzer.

Dit initiatief maakt deel uit van een pakket dat is aangekondigd in het werkprogramma van de Commissie voor 2024 16 in het kader van “Bevordering van onze Europese levenswijze”. Het pakket omvat een mededeling over een blauwdruk voor een Europees diploma en een aanbeveling van de Raad over aantrekkelijke en duurzame loopbanen in het hoger onderwijs. De twee aanbevelingen van de Raad ondersteunen de mededeling, maar hebben op meer betrekking dan alleen de ontwikkeling van een Europees diploma.

Structurele en operationele kwesties waarop de voorgestelde aanbeveling van de Raad betrekking heeft

Het initiatief is gebaseerd op raadplegingen van belanghebbenden en de lidstaten. Het is de bedoeling de volgende kwesties aan te pakken:

·Onzekerheid en omslachtige en langdurige procedures voor de erkenning van kwalificaties en leerperioden in het buitenland ontmoedigen studenten om onderwijs te volgen in een ander land.

·De huidige regelingen voor kwaliteitsborging zijn complex en kunnen de administratieve lasten verhogen. Het ongelijke gebruik van bestaande instrumenten, zoals de Europese benadering, vormt een belemmering voor transnationale samenwerking, aangezien het niet toestaan van het gebruik daarvan door één lidstaat een onevenredige impact kan hebben op de samenwerking binnen een alliantie.

·Kwaliteitsborging is soms te veel gericht op formele vereisten in plaats van dat er advies wordt gegeven over de verbetering van de onderwijsvoorzieningen, bijvoorbeeld door middel van thematische evaluaties van de wijze waarop instellingen voor hoger onderwijs horizontale kwesties zoals de groene en de digitale transitie, academische vrijheid of sociale inclusie integreren.

Daarom wordt in het initiatief voorgesteld om:

·waar mogelijk de procedures te vereenvoudigen om de Europese onderwijsruimte te helpen verwezenlijken, met name met gezamenlijke programma’s die zijn ontwikkeld door allianties van Europese universiteiten, gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus, gezamenlijke doctoraatsprogramma’s van Marie Skłodowska-Curie (MSCA), programma’s met het EIT-label (Europees Instituut voor innovatie en technologie) en gespecialiseerde onderwijsprogramma’s die worden gefinancierd via het programma Digitaal Europa 17 ;

·specifieke, op verrijking gerichte en thematische evaluaties te ontwikkelen om de kwaliteit van leren en onderwijs te verbeteren, met volledige inachtneming van de institutionele autonomie. Een goede follow-up van de aanbevelingen die instellingen voor hoger onderwijs in deze evaluaties hebben gedaan, kan ook de geschiktheid van het kwaliteitsborgingsproces voor het beoogde doel verbeteren;

·over te stappen naar een institutionele benadering van externe kwaliteitsborging. De aanbeveling zou helpen het probleem van bureaucratische, langdurige en dure procedures aan te pakken. Bovendien zou het bieden van kwaliteitsborging van allianties, zoals allianties van Europese universiteiten, de samenwerking vergemakkelijken en het mogelijk maken sneller te reageren op snel veranderende behoeften;

·de erkenningsprocedures te automatiseren. Dit hangt af van geloofwaardige en betrouwbare kwaliteitsborging. Dit initiatief voorziet in een nieuwe, geïntegreerde benadering, waarbij erkenning en kwaliteitsborging beter aan elkaar worden gekoppeld.

Doelstellingen van de voorgestelde aanbeveling van de Raad

In dit initiatief worden de lidstaten en hun instellingen voor hoger onderwijs uitgenodigd om de bestaande instrumenten en praktijken te onderzoeken om deze geschikt te maken voor het beoogde doel.

Wat externe kwaliteitsborging betreft, zouden gezamenlijke transnationale programma’s er baat bij hebben om over te stappen van programmabenaderingen op externe kwaliteitsborging, om meervoudige (nationale) kwaliteitsborgingsprocedures te voorkomen. Een efficiëntere oplossing zou zijn dat de nationale kwaliteitsborgingsprocedures in plaats daarvan één enkele kwaliteitsborgingsprocedure gebruiken. Dit zou de administratieve rompslomp verminderen, dubbel werk voorkomen en het hoofd bieden aan de uitdagingen van meer internationale samenwerking. Voor de landen die nog steeds een programmabenadering hanteren, wordt in de aanbeveling echter voorgesteld optimaal gebruik te maken van de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s.

Ter ondersteuning van de overgang naar een institutionele benadering beoogt het voorstel instellingen voor hoger onderwijs de mogelijkheid te bieden de betrouwbaarheid van hun interne kwaliteitsborgingsregelingen aan te tonen door middel van een institutionele externe kwaliteitsborging. Dit zou hun vervolgens de mogelijkheid geven om programma’s zelf te accrediteren, in overeenstemming met de normen en richtsnoeren inzake kwaliteitsborging, en te worden vrijgesteld van (externe) accreditatie van hun programma’s.

Op de middellange tot lange termijn moeten allianties zoals Europese universiteiten, zodra deze over een goed opgezet gemeenschappelijk/gezamenlijk intern systeem voor kwaliteitsborging beschikken, het kwaliteitsborgingssysteem extern op interinstitutioneel niveau in een Europees kader betreffende hun gezamenlijke onderwijsvoorzieningen moeten kunnen evalueren. Dit zou een grote stap voorwaarts betekenen op het gebied van vereenvoudiging en een belangrijke stimulans om meer gezamenlijke programma’s te ontwikkelen en te komen tot een Europees diploma. In bijlage I bij dit voorstel worden de voorgestelde bouwstenen van dit Europese kader uiteengezet als een eerste stap in de richting van de gezamenlijke totstandbrenging (cocreatie) van een gemeenschappelijk kader tussen de Commissie, de lidstaten, de autoriteiten voor kwaliteitsborging en erkenning, en belanghebbenden uit het hoger onderwijs. De Commissie is voornemens een beleidslaboratorium voor het Europese diploma op te zetten als platform voor dit cocreatieproces.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel is een belangrijk te behalen resultaat van de Europese strategie voor universiteiten. Het bouwt voort op de aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs 18 , waarin werd opgeroepen tot versterking van het “wederzijds vertrouwen […] door externe kwaliteitsborging en de accreditatie van gezamenlijke onderwijsprogramma’s en andere vormen van gezamenlijke onderwijsmogelijkheden die zijn ontwikkeld door institutionele transnationale samenwerkingsmodellen, waaronder “Europese Universiteiten””. In de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs, hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 19 wordt er daarnaast voor gepleit de systemen voor kwaliteitsborging op basis van vertrouwen te versterken.

In de conclusies van de Raad over verdere stappen om automatische wederzijdse erkenning op het gebied van onderwijs en opleiding te bewerkstelligen 20 , worden de lidstaten opgeroepen hun inspanningen voor automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties op te voeren en wordt gewezen op de sleutelrol die kwaliteitsborging speelt bij het opbouwen van vertrouwen door de nadruk te leggen op methoden en de transparantie te verbeteren.

Het voorstel steunt ook het voorstel van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad “Europa in beweging” — mogelijkheden voor leermobiliteit voor iedereen 21 .

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Deze aanbeveling bevordert doeltreffende transnationale samenwerking en ondersteunt instellingen voor hoger onderwijs bij de uitvoering van de Europese Green Deal 22 , het digitale decennium 23 en de Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht 24 door procedures voor kwaliteitsborging voor deze aspecten en het pakket Vaardigheden en talentmobiliteit 25 te bevorderen door automatische erkenning te stimuleren.

Als onderdeel van Global Gateway ondersteunt de EU partnerlanden bij de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem voor kwaliteitsborging en accreditatie op institutioneel, nationaal, regionaal en continentaal niveau, bijvoorbeeld met het initiatief voor de harmonisatie van de kwaliteit en accreditatie van het Afrikaanse hoger onderwijs.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De voorgestelde aanbeveling van de Raad is gebaseerd op artikel 165, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Volgens artikel 165, lid 1, VWEU draagt de EU bij “tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel […]”. Artikel 165, lid 2, VWEU bepaalt voorts dat het optreden van de Unie op het gebied van onderwijs erop gericht is “de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen”, “de samenwerking tussen onderwijsinstellingen te bevorderen” en “de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, mede door de academische erkenning van diploma’s en studietijdvakken aan te moedigen”. Dit voorstel eerbiedigt de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de opzet van de onderwijsstelsels (met inbegrip van de inhoud van het onderwijs en de culturele en taalkundige verscheidenheid) – waarbij de EU een aanvullende en ondersteunende rol speelt – en het vrijwillige karakter van de Europese samenwerking. Het initiatief voorziet niet in meer regelgevende bevoegdheden voor de EU noch in verbintenissen voor de lidstaten: het is aan de lidstaten om – afhankelijk van hun nationale omstandigheden – te beslissen hoe die deze aanbeveling van de Raad uitvoeren.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en eerbiedigt de bevoegdheid van de lidstaten inzake de opzet van de onderwijsstelsels en de inhoud van onderwijs en leren. Het vergemakkelijken van leermobiliteit en het bevorderen van transnationale samenwerking kunnen beter worden verwezenlijkt door gezamenlijk optreden op EU-niveau.

Evenredigheid

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, VEU. Noch de inhoud noch de vorm van deze voorgestelde aanbeveling van de Raad gaat verder dan wat nodig is om de doelstellingen daarvan te verwezenlijken. De voorgestelde maatregelen eerbiedigen de praktijken van de lidstaten en de diversiteit van de stelsels in de EU. Alle toezeggingen van de lidstaten zijn vrijwillig van aard en elke lidstaat kan vrij beslissen over de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Met dit initiatief wordt uitvoering gegeven aan de verbintenis van het VWEU, dat bepaalt dat de Unie bijdraagt “tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen” (artikel 165, lid 1). Maatregelen op EU-niveau leveren een meerwaarde op door diepgaandere transnationale samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs uit verschillende lidstaten te vergemakkelijken en te bevorderen, de werking van het hoger onderwijs in de hele EU te verbeteren, en de aantrekkelijkheid en het concurrentievermogen daarvan wereldwijd te vergroten.

Keuze van het instrument

Om de bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken, voorziet artikel 165, lid 4, VWEU erin dat de Raad, op voorstel van de Commissie, aanbevelingen aanneemt. Een aanbeveling van de Raad is een geschikt instrument op het gebied van onderwijs, waarvoor de Unie een ondersteunende verantwoordelijkheid draagt. Het is een veelgebruikt instrument voor EU-optreden op dit gebied. Een aanbeveling van de Raad geeft als rechtsinstrument uitdrukking aan het grote belang dat de lidstaten aan de betrokken maatregelen hechten en biedt een sterke politieke basis voor samenwerking op dit gebied, met volledige eerbiediging van de bevoegdheid van de lidstaten.

3.EVALUATIE ACHTERAF, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

Dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad is besproken met relevante belanghebbenden, zowel ten tijde van de vaststelling van de Europese strategie voor universiteiten als meer recentelijk over de specifieke onderdelen daarvan. De feedback van deze besprekingen is terug te vinden in het voorstel.

Het voorstel is sinds het najaar van 2022 tijdens vier bijeenkomsten besproken met vertegenwoordigers van de lidstaten en belangrijke belanghebbenden uit het hoger onderwijs in de werkgroep hoger onderwijs van de Europese onderwijsruimte, en tijdens drie bijeenkomsten met directeuren-generaal voor hoger onderwijs 26 .

Raadplegingen vonden plaats tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten van de nationale informatiecentra voor academische erkenning (NARIC) in november 2023, en voor het Europees netwerk van nationale informatiecentra voor academische erkenning en mobiliteit en de nationale informatiecentra voor academische erkenning 27 (ENIC-NARIC-netwerk) in juni 2023.

In september 2023 vond in Barcelona een gerichte sessie plaats tijdens het tweede forum van Europese universiteiten, waaraan vertegenwoordigers van allianties van Europese universiteiten, kwaliteitsborgingsinstanties en lidstaten deelnamen.

De regelingen voor kwaliteitsborging voor het Europese diploma zijn in november 2023 besproken tijdens de Europese onderwijstop en tijdens de conferentie Erasmus Mundus. In november 2023 en januari 2024 vonden ook workshops met belanghebbenden op het gebied van kwaliteitsborging plaats.

De Commissie heeft ook gebruikgemaakt van de mogelijkheid om deel te nemen aan evenementen voor externe belanghebbenden om hen over het voorstel te raadplegen. Hierbij ging het onder meer om evenementen die werden georganiseerd door het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR), de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA) en de Europese Vereniging van instellingen in het hoger onderwijs (EURASHE).

Bijeenbrengen en benutten van expertise

Het voorstel voor een aanbeveling van de Raad is gebaseerd op verschillende studies, verslagen, resultaten van Erasmus+-projecten en bijdragen van organisaties van belanghebbenden, namelijk:

een studie in opdracht van de Commissie 28 over de stand van zaken met betrekking tot automatische erkenning en kwaliteitsborging in de EU en de haalbaarheid van een systeem voor kwaliteitsborging en erkenning;

een enquête van de Commissie om de eerste ontwikkelingen na de vaststelling van de aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs te analyseren. De resultaten werden vervolgens besproken met vertegenwoordigers van de ministeries;

een studie uitgevoerd door het netwerk van deskundigen op het gebied van de sociale dimensie van onderwijs en opleiding (NESET, Network of Experts working on the social dimension of Education and Training) over de integratie van een sociale dimensie in de kwaliteitsborgingssystemen 29 ;

een online peer-learningactiviteit over kwaliteitsborging in het hoger onderwijs in mei 2023, georganiseerd door Oostenrijk, en een andere activiteit in november 2023 in Madrid, georganiseerd onder het Spaanse EU-voorzitterschap, in het kader van de activiteiten van het Europees netwerk voor het volgen van afgestudeerden, over hoe doeltreffend gebruik kan worden gemaakt van de gegevens en inlichtingen die zijn verzameld bij het volgen van afgestudeerden om beleidsontwikkelingen en kwaliteitsborging te onderbouwen;

de resultaten van het door Erasmus+ gefinancierde EUniQ-project, waarbij verschillende kwaliteitsborgingsinstanties in heel Europa betrokken waren, op basis waarvan een voorstel is ontwikkeld voor een kader voor kwaliteitsborging voor allianties van Europese universiteiten;

de vorderingen van het door Erasmus+ gefinancierde IMINQA-project ter ondersteuning van de ontwikkeling van kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs, met name wat betreft hun werkzaamheden op het gebied van kwaliteitsborging voor allianties van Europese universiteiten, de uitvoering van de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s en de kwaliteitsborging van microcredentials;

de vorderingen van het door Erasmus+ gefinancierde QA-FIT-project, waarbij de belangrijkste organisaties van belanghebbenden op het gebied van kwaliteitsborging zijn betrokken en dat bedoeld is om uitgebreid bewijs te verzamelen over de stand van zaken met betrekking tot kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de noodzaak van hervormingen van de huidige instrumenten;

de resultaten van zes proefprojecten in het kader van de beleidsexperimenten voor het gezamenlijke Europese diploma van Erasmus+.

Deze studies zijn aangevuld met verschillende bijdragen van organisaties van belanghebbenden, zowel voor als tijdens de periode van het verzoek om input.

Effectbeoordeling

Er is geen effectbeoordeling uitgevoerd, gezien de vrijwillige aard van de voorgestelde activiteiten, het toepassingsgebied van de verwachte effecten en het feit dat de activiteiten de initiatieven van de lidstaten aanvullen. Bij de ontwikkeling van het voorstel is gebruikgemaakt van specifieke studies en van de resultaten van de raadpleging van de lidstaten, de openbare raadpleging en talrijke specifieke raadplegingen van belanghebbenden.

Grondrechten

Deze voorgestelde aanbeveling van de Raad eerbiedigt de grondrechten van de EU. Het voorstel bevordert de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 30 erkende beginselen, namelijk het recht op onderwijs (uit hoofde van artikel 14), het recht op academische vrijheid (uit hoofde van artikel 13) en het recht op bescherming van persoonsgegevens (uit hoofde van artikel 8).

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Hoewel voor dit initiatief geen extra middelen uit de EU-begroting nodig zijn, zullen de in deze aanbeveling vervatte maatregelen financieringsbronnen op regionaal, nationaal en EU-niveau mobiliseren.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Om de uitvoering te ondersteunen, stelt de Commissie voor om in samenwerking met de lidstaten specifieke richtsnoeren, handboeken of andere concrete hulpmiddelen te ontwikkelen op basis van feitelijke gegevens, peer-learningactiviteiten en het in kaart brengen van goede praktijken. De Commissie is voornemens over het gebruik van de aanbeveling verslag uit te brengen via relevante monitoring- en rapportagekaders van de EU.

Overzicht van de specifieke bepalingen van het voorstel

In de voorgestelde aanbeveling van de Raad wordt een gedifferentieerde benadering voorgesteld waarbij rekening wordt gehouden met de veelzijdigheid van de systemen voor kwaliteitsborging en erkenning die in de Europese onderwijsruimte bestaan. De aanbevelingen ondersteunen een geleidelijke overstap naar sterkere institutionele externe kwaliteitsborging en verdere stappen om automatische erkenning op basis van vertrouwen te waarborgen. Zij bouwen voort op wat reeds in het hoger onderwijs is verwezenlijkt, maar dan met een ambitieuzere en door de EU aangestuurde benadering.

In de aanbeveling van de Raad worden maatregelen voorgesteld die de lidstaten kunnen nemen om de stelsels voor hoger onderwijs te verbeteren. In de aanbeveling zegt de Commissie toe de maatregelen van de lidstaten op dit gebied te ondersteunen en aan te vullen. Ter ondersteuning van de voorgestelde aanbeveling van de Raad bevat het bijgevoegde werkdocument van de diensten van de Commissie tal van recente onderzoeksgegevens en de standpunten en ervaringen van Europese belanghebbenden.

2024/0079 (NLE)

Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over een Europees systeem voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Kwaliteitsborgingssystemen zijn van groot belang om hoge kwaliteitsnormen voor onderwijs vast te stellen en vertrouwen op te bouwen tussen stelsels en instellingen voor hoger onderwijs in de hele Europese onderwijsruimte en daarbuiten. Zij vormen een belangrijke bouwsteen van transnationale samenwerking. Kwaliteitsborging is de basis voor wederzijds vertrouwen waardoor transnationale samenwerking en naadloze leermobiliteit mogelijk worden.

(2)De hoofdverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun onderwijsvoorzieningen ligt bij de instellingen voor hoger onderwijs, die van het bereiken van de hoogste normen een belangrijke institutionele prioriteit moeten maken en strategieën en processen voor kwaliteitsborging moeten ontwikkelen om de verwezenlijking van die doelstelling te waarborgen.

(3)De uitvoering van de normen en richtsnoeren inzake kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs 31 is een fundamentele stap geweest in de consolidatie van de Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR), ter ondersteuning van de totstandbrenging van een kwaliteitscultuur in stelsels en instellingen voor hoger onderwijs in heel Europa; de uitvoering daarvan is echter nog niet volledig afgerond.

(4)Samenlevingen in heel Europa maken een dynamische transformatie door, zoals de groene en de digitale transitie, die nog wordt versterkt door kunstmatige intelligentie. De stelsels voor hoger onderwijs moeten op deze transformatie kunnen reageren. Kwaliteitsborgingsprocessen moeten instellingen voor hoger onderwijs ondersteunen bij dit transformatietraject door middel van beoordelingen door deskundigen, zodat zij hun onderwijsaanbod kunnen versterken.

(5)Het is noodzakelijk om kwaliteitsborgingsprocessen flexibeler, internationaler en geschikter te maken voor het beoogde doel, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat het waarborgen van de hoogste kwaliteitsnormen centraal blijft staan in deze processen. Het verkrijgen van feedback van afgestudeerden over hun studie- en loopbaantrajecten en de relevantie van de vaardigheden die zij tijdens hun studie hebben verworven, is een waardevol monitoringinstrument om de kwaliteit en relevantie op institutioneel en systeemniveau te waarborgen. Het Europees initiatief voor het volgen van afgestudeerden 32 heeft ertoe bijgedragen dat zij systematischer kunnen worden gevolgd en de resulterende gegevens beter vergelijkbaar zijn.

(6)Uiteenlopende nationale regelingen voor kwaliteitsborging zorgen nog steeds voor complexiteit voor transnationale samenwerking in het hoger onderwijs, waardoor de ontwikkeling van gezamenlijke onderwijsprogramma’s door allianties van instellingen voor hoger onderwijs wordt belemmerd en de onderwijsmogelijkheden voor instellingen voor hoger onderwijs en studenten worden beperkt. Specifieke eisen of normen zijn soms meer gericht op het proces en houden niet duidelijk verband met de leerresultaten, waardoor het effect van kwaliteitsverbetering wordt beperkt.

(7)Nationale externe vereisten voor kwaliteitsborging op het niveau van studieprogramma’s in het hoger onderwijs vormen doorgaans een uitdaging bij het ontwikkelen van gezamenlijke onderwijsmogelijkheden tussen verschillende landen. Deze kwaliteitsborgingsprocessen kunnen te duur, te langdurig en soms tegenstrijdig zijn, waardoor instellingen voor hoger onderwijs niet snel genoeg op opkomende behoeften kunnen inspelen en nieuwe onderwijsmogelijkheden voor studenten kunnen ontwikkelen.

(8)Bestaande instrumenten, zoals de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s (Europese benadering) 33 , worden door de hogeronderwijsgemeenschap en de lidstaten zeer gewaardeerd, maar worden als gevolg van uiteenlopende nationale benaderingen zelden toegepast.

(9)De aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs 34 moedigt het gebruik van de Europese benadering aan als een belangrijke stap in de richting van de ondersteuning van de overgang naar een sterkere rol voor de externe kwaliteitsborging van instellingen in plaats van individuele studieprogramma’s.

(10)Gezamenlijke programma’s zijn een kenmerk geworden van de Europese onderwijsruimte en worden door alle belanghebbenden in het hoger onderwijs zeer gewaardeerd. Adequate regelingen voor kwaliteitsborging zijn een eerste vereiste om ervoor te zorgen dat deze gezamenlijke programma’s in de hele Unie op grote schaal kunnen worden uitgevoerd. De instelling van een Europees diploma, op basis van gezamenlijk tot stand gebrachte Europese criteria en op nationaal, regionaal of institutioneel niveau aangeboden, zou de bestaande problemen in verband met kwaliteitsborging en accreditatie van gezamenlijke programma’s kunnen aanpakken door een kader te bieden dat in de wetgeving van de lidstaten kan worden opgenomen.

(11)Overeenkomstig de aanbeveling over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs, maken verscheidene lidstaten geleidelijk de stap in de richting van meer institutionele externe kwaliteitsborgingssystemen. Belanghebbenden hebben opgeroepen tot snellere oplossingen ter ondersteuning van hun verbintenissen in het kader van hun allianties voor hoger onderwijs en andere samenwerkingsmodellen. Versterking van de interne kwaliteitsborgingssystemen zou een belangrijke stap kunnen zijn in de richting van snellere processen terwijl tegelijkertijd de hoogste kwaliteitsnormen gewaarborgd blijven.

(12)Allianties van instellingen voor hoger onderwijs, zoals allianties van Europese universiteiten 35 , zijn voorlopers op het gebied van transnationale samenwerking. Deze allianties verbinden zich ertoe hun samenwerking naar een hoger niveau te tillen door Europese interuniversitaire campussen op te zetten waar gezamenlijk onderwijs de norm wordt. Als belangrijke stap bij de oprichting van deze campussen zetten allianties interne kwaliteitsborgingssystemen op die ervoor zorgen dat de kwaliteit van hun gezamenlijke onderwijsvoorzieningen aan de hoogste normen voldoet. Er moet een kader voor kwaliteitsborging tot stand worden gebracht dat hen in staat stelt hun kwaliteitsborgingssysteem op interinstitutioneel niveau te laten evalueren, bij alle gezamenlijke onderwijsactiviteiten van de allianties, om zo de identiteit van deze allianties te consolideren, zekerheid te bieden aan hun belanghebbenden en het gezamenlijk aanbieden van onderwijs te vergemakkelijken. Er zijn belangrijke bouwstenen vastgesteld die de eerste stappen vormen voor het ontwikkelen van een dergelijk kader.

(13)Automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en leerperioden in het buitenland is noodzakelijk om leermobiliteit voor iedereen te verwezenlijken, braincirculation te ondersteunen en het concurrentievermogen te bevorderen. De lidstaten zijn in de aanbeveling van de Raad van 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland 36 overeengekomen dat houders van een door een lidstaat afgegeven kwalificatie van een bepaald niveau het recht hebben om in aanmerking te komen voor deelname aan een hogeronderwijsprogramma op het volgende niveau in een andere lidstaat, zonder dat een afzonderlijke erkenningsprocedure nodig is. Robuuste kwaliteitsborgingssystemen vormen de basis voor het opbouwen van het nodige vertrouwen om automatische erkenning te waarborgen.

(14)Ter ondersteuning van deze aanbeveling is de Commissie voornemens een beleidslaboratorium voor het Europese diploma op te richten, een deskundigengroep waarbij de lidstaten, instellingen voor hoger onderwijs, instanties voor kwaliteitsborging en accreditatie, vertegenwoordigers van studenten, en economische en sociale partners betrokken zijn, om sneller actie te kunnen ondernemen en de nodige nationale hervormingen door te kunnen voeren. Het doel van het initiatief is de Commissie en de belanghebbenden richtsnoeren te verstrekken over de overgang naar een Europees diploma en over de uitvoering van een interinstitutioneel kader van allianties van instellingen voor hoger onderwijs. Het beleidslaboratorium zou nauw samenwerken met de teams van Erasmus+ voor de versnelling van erkenning om het proces te ondersteunen en te begeleiden.

(15)De Commissie is voornemens jaarlijks een forum voor het Europese diploma 37  te organiseren, in synergie met de Europese ruimte voor hoger onderwijs en in samenwerking met belanghebbenden op het gebied van kwaliteitsborging en erkenning, waaronder de lidstaten, het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR) 38 , de organisaties die samen de E4-groep 39 vormen, het netwerk van Europese nationale informatiecentra en de nationale informatiecentra voor academische erkenning 40 , vertegenwoordigers van de nationale kwalificatiekaders, en de economische en sociale partners, om sturing te geven aan en toezicht te houden op de vooruitgang op politiek niveau bij de overgang naar een Europees diploma, onder meer via het beleidslaboratorium voor het Europese diploma, en bij de follow-up van de uitvoering van deze aanbeveling.

(16)De Commissie is voornemens de verdere ontwikkeling van de door EQAR beheerde databank van externe kwaliteitsborgingsresultaten (DEQAR) 41 te ondersteunen, voortbouwend op goede praktijken van informatiecentra voor erkenning die deze databank gebruiken voor automatische erkenning.

(17)De Commissie is voornemens steun te blijven verlenen aan de ontwikkeling en bevordering van praktijken voor het volgen van afgestudeerden om de kwaliteit en relevantie van het hoger onderwijs te versterken en de vergelijking en benchmarking tussen landen en instellingen te verbeteren.

(18)De Commissie is voornemens de opgebouwde ervaring met transnationale samenwerkingsinitiatieven, zoals allianties van Europese universiteiten, en programma’s, zoals gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus, de gezamenlijke doctoraten van MSCA of gespecialiseerde onderwijsprogramma’s die via het programma Digitaal Europa 42 worden gefinancierd, te blijven delen met de lidstaten en de brede hogeronderwijsgemeenschap.

(19)De Commissie is voornemens de lidstaten aan te moedigen gebruik te maken van het instrument voor technische ondersteuning om technische expertise op maat te krijgen om de nodige hervormingen op het gebied van hoger onderwijs te ontwikkelen en toe te passen, onder meer door de mechanismen voor governance en kwaliteitsborging voor instellingen voor hoger onderwijs te verbeteren.

(20)De Commissie is voornemens benchlearning tussen instanties voor kwaliteitsborging te ondersteunen.

(21)Deze aanbeveling eerbiedigt het subsidiariteitsbeginsel, de institutionele autonomie en de academische vrijheid ten volle, en wordt uitgevoerd in overeenstemming met de nationale omstandigheden en in nauwe samenwerking met de lidstaten en alle relevante belanghebbenden.

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

Verbetering van alle kwaliteitsborgingssystemen

1)Beveelt de lidstaten aan:

a)de verbeteringsdimensie van kwaliteitsborging te ontwikkelen om voortdurende verbetering te bevorderen en een hoog niveau van transnationaal vertrouwen en verantwoording binnen instellingen voor hoger onderwijs te handhaven;

b)ervoor te zorgen dat kwaliteitsborgingssystemen geschikt zijn om in te spelen op belangrijke maatschappelijke en economische ontwikkelingen die van invloed zijn op het hoger onderwijs. Hogeronderwijsstelsels kunnen deze aspecten op verschillende manieren aanpakken, bijvoorbeeld door instellingen voor hoger onderwijs aan te moedigen deze op te nemen in hun interne kwaliteitsborgingsprocedures, specifieke doelstellingen op te nemen in hun reguliere externe kwaliteitsborging of door middel van gerichte of thematische kwaliteitsbeoordelingen op systeemniveau. Een dergelijke benadering moet volledig in overeenstemming met de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs worden uitgevoerd en kan betrekking hebben op onderwerpen als:

i)de bevordering en bescherming van fundamentele academische waarden, zoals gedefinieerd in het Bolognaproces 43 ;

ii)de relevantie van onderwijs- en leerresultaten voor de inzetbaarheid en persoonlijke ontwikkeling, bijvoorbeeld door voort te bouwen op informatie afkomstig van het volgen van afgestudeerden of op de nauwere samenwerking met de sociale partners, met inbegrip van het ontwerpen van leerplannen en het aanbieden van stagemogelijkheden 44 ;

iii)de vraag of programma’s (die leiden tot een volledig diploma of microcredentials) de competenties (d.w.z. kennis, vaardigheden en attitudes) van studenten en personen die een leven lange leren op het gebied van belangrijke maatschappelijke en economische prioriteiten, zoals de groene en de digitale transitie, vergroten;

iv)relevante synergieën tussen onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding, onderzoek, innovatie en dienstverlening aan de samenleving;

v)inclusief hoger onderwijs, zoals gedefinieerd in het Bolognaproces, ter bevordering van onder andere toegankelijkheid en gendergelijkheid, alsook studentgericht leren en welzijn;

vi)aantrekkelijke en duurzame academische loopbanen en arbeidsomstandigheden 45 ;

vii)strategieën ter versterking van de internationale samenwerking;

c)de werklast, de bureaucratie en de kosten in verband met externe kwaliteitsborgingsprocessen voor instellingen voor hoger onderwijs te verminderen, op basis van een kosten-batenanalyse van kwaliteitsborgingsprocedures;

d)ervoor te zorgen dat besluiten over de accreditatie en registratie van instellingen en programma’s voor hoger onderwijs op transparante en objectieve wijze worden genomen, in overeenstemming met de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs, met betrokkenheid van adequate deskundige input en de deelname van de hogeronderwijsgemeenschap, met inbegrip van studenten en personeel, aan de bevordering van een kwaliteitscultuur;

e)toezicht te houden op de mate waarin kwaliteitsborgingsprocedures leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de onderwijsvoorzieningen, en de publicatie, in een gangbare taal, van kwaliteitsbeoordelingen (op institutioneel of programmaniveau) in DEQAR aan te moedigen om de transnationale transparantie van de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren;

f)ervoor te zorgen dat institutionele interne kwaliteitsborgingssystemen alle onderwijsvoorzieningen van een instelling voor hoger onderwijs bestrijken. Voor onderwijsvoorzieningen die leiden tot microcredentials, kunnen de Europese benadering van microcredentials voor een leven lang leren en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de beginselen van de Unie voor het ontwerp en de afgifte van microcredentials 46  als referentie worden gebruikt;

g)instanties voor kwaliteitsborging te ondersteunen en aan te moedigen om activiteiten op het gebied van wederzijds leren te organiseren, zodat nationale instellingen voor hoger onderwijs en instanties voor kwaliteitsborging hun praktijken kunnen benchmarken met die van elders in de Europese onderwijsruimte. Dit kan worden gedaan door middel van benchlearning 47 , waarbij instellingen voor hoger onderwijs en kwaliteitsborgingsinstanties kunnen leren van andere toonaangevende instellingen voor hoger onderwijs, of door de analyse van het volgen van Europese afgestudeerden.

Ontwikkeling van een interinstitutionele benadering van kwaliteitsborging voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs

2)Aanbevolen wordt dat de lidstaten een Europees kader ontwikkelen om alle soorten allianties van instellingen voor hoger onderwijs die betrokken zijn bij duurzame samenwerking op lange termijn, die verder gaat dan ad-hocsamenwerking of projectgebaseerde samenwerking, zoals allianties van Europese universiteiten, in staat te stellen een gezamenlijke externe evaluatie te ondergaan van hun gezamenlijke interne kwaliteitsborgingsregelingen die betrekking heeft op alle gezamenlijke maatregelen of ten minste hun eigen gezamenlijke onderwijsvoorzieningen, zoals gezamenlijke programma’s of gezamenlijke microcredentials. Deze werkzaamheden moeten de volgende maatregelen omvatten:

a)samenwerken met belanghebbenden op het gebied van kwaliteitsborging om dit interinstitutionele kwaliteitsborgingskader te ontwikkelen en te testen op basis van de bouwstenen in bijlage I bij deze aanbeveling en op basis van de resultaten van de door Erasmus+ gefinancierde EUniQ 48 - en IMINQA 49 -projecten;

b)in EQAR geregistreerde instanties voor kwaliteitsborging toestaan en aanmoedigen om een dergelijke externe evaluatie van de kwaliteitsborging uit te voeren, op basis van dit interinstitutionele kwaliteitsborgingskader;

c)erkenning van de resultaten van de kwaliteitsborgingsevaluatie op basis van een dergelijk interinstitutioneel kwaliteitsborgingskader in de nationale kwaliteitsborgingssystemen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle gezamenlijke onderwijsvoorzieningen die onder de alliantie vallen, worden beschouwd als kwaliteitsgeborgd en geaccrediteerd, zonder dat aan aanvullende kwaliteitsborgingsvereisten hoeft te worden voldaan.

Programma’s of gecombineerde benaderingen van externe kwaliteitsborging flexibeler maken

3)Beveelt de lidstaten aan:

a)de transnationale samenwerking en de flexibiliteit van de hogeronderwijsstelsels te bevorderen door:

i)instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen om een robuust intern kwaliteitsborgingsproces in te voeren of te verbeteren, en een sterke institutionele kwaliteitscultuur te ontwikkelen, waardoor de overgang naar een institutionele benadering van externe kwaliteitsborging mogelijk wordt;

ii)zodra de instellingen voor hoger onderwijs over een solide interne kwaliteitsborging beschikken, over te stappen naar een institutionele benadering van kwaliteitsborging, bijvoorbeeld door de verplichte accreditatie van programma’s door instanties voor kwaliteitsborging te beperken tot de initiële accreditatie voor nieuwe programma’s en door procedures voor zelfaccreditatie in te voeren als onderdeel van het interne kwaliteitsborgingsproces;

iii)een empirisch onderbouwde benadering van kwaliteitsborging te versterken, waarbij gebruik wordt gemaakt van een reeks gegevens, waaronder het volgen van afgestudeerden; en

iv)intercollegiaal leren en capaciteitsopbouw van instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen om hun kwaliteitscultuur te versterken in het overgangsproces naar een institutionele benadering van externe kwaliteitsborging;

b)het gebruik van de Europese benadering mogelijk te maken en aan te moedigen door:

i)op nationaal niveau toegevoegde kwaliteitsborgingscriteria of andere ongerechtvaardigde mogelijke administratieve of regelgevende belemmeringen weg te nemen;

ii)een gunstig klimaat te creëren dat begeleiding en ondersteuning biedt aan mensen die werkzaam zijn op het gebied van kwaliteitsborging;

iii)ervoor te zorgen dat het gebruik daarvan niet financieel nadelig is ten opzichte van procedures die op nationaal niveau worden uitgevoerd.

De basis leggen voor een Europees diploma

4)Beveelt de lidstaten aan:

a)in EQAR geregistreerde instanties voor kwaliteitsborging in staat te stellen om:

i)het label voor een Europees diploma 50 toe te kennen aan programma’s voor een gezamenlijk diploma die voldoen aan de Europese criteria van bijlage II, wanneer een programma of een gecombineerde benadering van externe kwaliteitsborging vereist is;

ii)instellingen voor hoger onderwijs die onderworpen zijn aan externe kwaliteitsborging op institutioneel niveau, de mogelijkheid te bieden het label voor een Europees diploma toe te kennen aan programma’s voor een gezamenlijk diploma op basis van interne kwaliteitsborging en naleving van de Europese criteria;

iii)allianties van instellingen voor hoger onderwijs die onderworpen zijn aan externe kwaliteitsborging op interinstitutioneel niveau, de mogelijkheid te bieden het label voor een Europees diploma toe te kennen aan hun programma’s voor een gezamenlijk diploma op basis van een interinstitutionele evaluatie die wordt uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van bijlage I en de naleving van de Europese criteria;

b)samen te werken met EQAR om manieren te vinden om de regelmatige evaluatie op grond van de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs van de werkzaamheden van nationale kwaliteitsborgingsinstanties aan te vullen door ervoor te zorgen dat gezamenlijke programma’s voldoen aan de Europese criteria, en om een register op te zetten van programma’s die aan de Europese criteria voldoen en die in aanmerking komen voor de toekenning van een Europees diploma.

Uitvoering van automatische erkenning

5)Beveelt de lidstaten aan:

a)de evaluatie van de uitvoering van automatische erkenning 51 aan te moedigen en te ondersteunen door middel van interne en externe kwaliteitsborgingsprocessen van instellingen voor hoger onderwijs;

b)in nauwe samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs en andere betrokken belanghebbenden duidelijke richtsnoeren te verstrekken aan instellingen voor hoger onderwijs over hoe een onderscheid kan worden gemaakt tussen automatische erkenning van een kwalificatie voor toegang en het recht van instellingen voor hoger onderwijs om besluiten te nemen over de toelating tot een specifiek programma. Deze richtsnoeren moeten regelmatig worden herzien, voortbouwend op de resultaten van de evaluaties van het Erasmus+-team voor de versnelling van erkenning 52 voor de uitvoering van automatische erkenning;

c)instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen bij het hanteren van een benadering op basis van de leerresultaten met betrekking tot toelatingsprocedures, waarbij de nadruk ligt op competenties die verband houden met het kwalificatieniveau, in plaats van op de specifieke inhoud van het curriculum;

d)samen te werken met instellingen voor hoger onderwijs en nationale erkenningsinstanties om erkenningsbesluiten te monitoren en de gegevensverzameling en empirisch onderbouwde benaderingen op institutioneel, nationaal en Europees niveau te verbeteren;

e)instellingen voor hoger onderwijs te ondersteunen bij de afgifte van alle diploma’s en microcredentials in een formaat dat compatibel is met de Europese normen voor digitale credentials voor leerprestaties 53 , met inbegrip van het Europees leermodel 54 , als belangrijke factor voor automatische erkenning, door middel van ingebouwde controles van de digitale credentials voor leerprestaties van authenticiteit en het bewijs van kwaliteitsborging en accreditatie;

f)de capaciteitsopbouw en netwerkvorming van personeel in ENIC-NARIC 55 -centra en instellingen voor hoger onderwijs aan te moedigen en te ondersteunen door middel van opleiding en digitale instrumenten, onder meer op het gebied van kunstmatige intelligentie, en te zorgen voor nauwe samenwerking met autoriteiten voor erkenning en kwaliteitsborging;

g)nauwe samenwerking tussen personeel dat werkzaam is op het gebied van erkenning en kwaliteitsborging, in samenwerking met het ENIC-NARIC-netwerk en de Europese Vereniging voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (ENQA) te ondersteunen.

6)Aanbevolen wordt dat de lidstaten deze aanbevelingen zo spoedig mogelijk opvolgen om een soepel traject richting een Europees diploma mogelijk te maken. Zij worden verzocht om in het kader van de werkstructuren van het kader voor de Europese onderwijsruimte 56 de Commissie regelmatig in kennis te stellen van de maatregelen die op het passende niveau zijn genomen ter ondersteuning van de doelstellingen van deze aanbeveling, als essentiële stappen richting de verwezenlijking en verdere ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024 (https://commission.europa.eu/system/files/2020-04/political-guidelines-next-commission_nl.pdf).
(2)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het tot stand brengen van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 (COM(2020625 final van 30.9.2020).
(3)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een Europese strategie voor universiteiten (COM(202216 final van 18.1.2022).
(4)    Verslag van de Commissie aan de Raad betreffende de uitvoering van de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (COM(2023) 91 final van 23.2.2023).
(5)    Volgens de antwoorden op een (nog lopende) enquête van de Commissie uit 2023 over de uitvoering van de aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs, meldden 14 ministeries van de lidstaten dat zij een gecombineerde benadering hanteren voor externe kwaliteitsborging.
(6)    Aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB 444 van 10.12.2018, blz. 1).
(7)     Initiatief “Europese universiteiten” | Europese onderwijsruimte (europa.eu) .
(8)    Zie de begeleidende mededeling van de Commissie over een blauwdruk voor een Europees diploma.
(9)    Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking op het gebied van de kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (PB 64 van 4.3.2006, blz. 60).
(10)    Voorlopige gegevens van een lopende studie van de Commissie.
(11)    Zie de resultaten van het door Erasmus gefinancierde project “Quality Assurance Fit for the Future” (QA-Fit) .
(12)    Verslag van de Commissie aan de Raad betreffende de uitvoering van de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (COM(2023) 91 final van 23.2.2023).
(13)     Europese ruimte voor hoger onderwijs en het Bolognaproces. (ehea.info) .
(14)     De normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs die in mei 2015 zijn vastgesteld door de ministers die verantwoordelijk zijn voor het hoger onderwijs in de Europese ruimte voor hoger onderwijs.
(15)     De Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s die in mei 2015 is vastgesteld door de ministers die verantwoordelijk zijn voor het hoger onderwijs.
(16)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Werkprogramma van de Commissie voor 2024. Vandaag resultaten boeken om klaar te zijn voor morgen (COM(2023638 final van 17.10.2023).
(17)    Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Beschikking (EU) 2015/2240 (Voor de EER relevante tekst) (PB 166 van 11.5.2021, blz. 1).
(18)    Aanbeveling van de Raad van 5 april 2022 over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs (Voor de EER relevante tekst) (PB 160 van 13.4.2022, blz. 1).
(19)    Aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB 444 van 10.12.2018, blz. 1).
(20)    Conclusies van de Raad over verdere stappen om automatische wederzijdse erkenning op het gebied van onderwijs en opleiding te bewerkstelligen (PB 185 van 26.5.2023, blz. 44).
(21)    Voorstel voor een aanbeveling van de Raad, “Europa in beweging” — mogelijkheden voor leermobiliteit voor iedereen (COM(2023719 final van 15.11.2023).
(22)    https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/priorities-2019-2024/european-green-deal_nl.
(23)     Europa’s digitaal decennium: Streefcijfer voor 2030 | Europese Commissie (europa.eu) .
(24)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (COM(2020274 final van 1.7.2020).
(25)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over vaardigheden en talentmobiliteit (COM(2023715 final van 15.11.2023).
(26)    Een groep hoge ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het hoger onderwijs en halfjaarlijks bijeenkomen. De bijeenkomsten worden georganiseerd door de lidstaat die het voorzitterschap van de EU bekleedt.
(27)    Het ENIC-netwerk (Europees netwerk van nationale informatiecentra voor academische erkenning en mobiliteit) en het NARIC-netwerk (nationale informatiecentra voor academische erkenning) werken nauw samen en staan bekend als het ENIC-NARIC-netwerk. ENIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die partij zijn bij het Erkenningsverdrag van Lissabon, waarvan het secretariaat wordt waargenomen door de Raad van Europa en Unesco, en NARIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die aan het programma Erasmus+ deelnemen. De twee netwerken hebben een gezamenlijk werkprogramma en handvest en een gemeenschappelijke raad van bestuur.
(28)    Lopende studie.
(29)    Linking quality assurance and the social dimension of higher education: literature review and mapping national practices, NESET (nesetweb.eu) .
(30)    Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 326 van 26.10.2012, blz. 391).
(31)     Normen en richtsnoeren inzake kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs .
(32)

   Aanbeveling van de Raad van 20 november 2017 over het volgen van afgestudeerden (PB 423 van 9.12.2017, blz. 1).

(33)    Deze benadering, die in mei 2015 werd goedgekeurd door de ministers voor de EHOR, is erop gericht “een belangrijk obstakel voor de ontwikkeling van gezamenlijke programma’s weg te nemen door voor deze programma’s normen vast te stellen op basis van de overeengekomen instrumenten van de EHOR, zonder aanvullende nationale criteria”, Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s .
(34)    Aanbeveling van de Raad van 5 april 2022 over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs (PB 160 van 13.4.2022, blz. 1).
(35)    https://education.ec.europa.eu/education-levels/higher-education/european-universities-initiative.
(36)    Aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB 444 van 10.12.2018, blz. 1).
(37)    Zoals voorgesteld in de mededeling over een blauwdruk voor een Europees diploma.
(38)    Het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR) is het officiële register van instanties voor kwaliteitsborging die in aanzienlijke mate voldoen aan de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR).
(39)    De E4-groep bestaat uit de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA), de Europese Vereniging van universiteiten (EUA), de Europese Vereniging van instellingen in het hoger onderwijs (EURASHE) en de Europese unie van studenten (ESU). De leden van de E4-groep waren medeoprichters van EQAR.
(40)    Het ENIC-netwerk (Europees netwerk van nationale informatiecentra voor academische erkenning en mobiliteit) en het NARIC-netwerk (nationale informatiecentra voor academische erkenning) werken nauw samen en staan bekend als het ENIC-NARIC-netwerk. ENIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die partij zijn bij het Erkenningsverdrag van Lissabon, waarvan het secretariaat wordt waargenomen door de Raad van Europa en Unesco, en NARIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die aan het programma Erasmus+ deelnemen. De twee netwerken hebben een gezamenlijk werkprogramma en handvest en een gemeenschappelijke raad van bestuur.
(41)    DEQAR is de databank van externe kwaliteitsborgingsresultaten voor instanties voor kwaliteitsborging die zijn opgenomen in het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR). Alle in het EQAR-register geregistreerde instanties kunnen hun verslagen in de databank publiceren. Deelname aan DEQAR is vrijwillig (https://www.eqar.eu/qa-results/search/).
(42)    Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Beschikking (EU) 2015/2240 (Voor de EER relevante tekst) (PB 166 van 11.5.2021, blz. 1).
(43)    www.ehea.info.
(44)    Aanbeveling van de Raad van 20 november 2017 over het volgen van afgestudeerden (PB 423 van 9.12.2017, blz. 1).
(45)    Zoals gedefinieerd in het voorstel voor een aanbeveling van de Raad voor aantrekkelijke en duurzame loopbanen in het hoger onderwijs die de Commissie samen met het voorstel voor deze aanbeveling heeft vastgesteld.
(46)    Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 betreffende een Europese benadering van microcredentials voor een leven lang leren en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt (PB 243 van 27.6.2022, blz. 10).
(47)    Benchlearning wordt gedefinieerd als een proces om een systemische en geïntegreerde koppeling tot stand te brengen tussen benchmarking en activiteiten voor wederzijds leren op alle gebieden die verband houden met kwaliteitsborging in het hoger onderwijs.
(48)    Het EUniQ-project heeft een benadering ontwikkeld voor alomvattende kwaliteitsborging van Europese universiteiten (https://www.nvao.net/nl/euniq).
(49)    IMINQA is het overkoepelende project ter ondersteuning van de thematische Bolognagroep van gelijken voor kwaliteitsborging (https://ehea.info/page-TPG-C-on-QA-Meetings-2021-2024#h61slbqps7o9t9ay8p1ys562l19y8x9j).
(50)    Zoals vermeld in artikel 12 van de aanbeveling van de Raad van 5 april 2022 over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs (Voor de EER relevante tekst) 2022/C 160/01 (PB 160 van 13.4.2022, blz. 1).
(51)    Zoals gedefinieerd in de aanbeveling van de Raad van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (PB 444 van 10.12.2018, blz. 1).
(52)    Als aanbevolen in het verslag van de Commissie aan de Raad betreffende de uitvoering van de aanbeveling van de Raad betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (COM(202391 final van 23.2.2023).
(53)     Europese digitale credentials voor leerprestaties — Inleiding tot digitale credentials | Europass .
(54)     Europees leermodel voor belanghebbenden | Europass .
(55)    Het ENIC-netwerk (Europees netwerk van nationale informatiecentra voor academische erkenning en mobiliteit) en het NARIC-netwerk (nationale informatiecentra voor academische erkenning) werken nauw samen en staan bekend als het ENIC-NARIC-netwerk. ENIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die partij zijn bij het Erkenningsverdrag van Lissabon, waarvan het secretariaat wordt waargenomen door de Raad van Europa en Unesco, en NARIC’s zijn erkenningsinstanties in de landen die aan het programma Erasmus+ deelnemen. De twee netwerken hebben een gezamenlijk werkprogramma en handvest en een gemeenschappelijke raad van bestuur.
(56)    Zoals beschreven in de resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021-2030) (PB 66 van 26.2.2021, blz. 1).
Top

Brussel, 27.3.2024

COM(2024) 147 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een aanbeveling van de Raad

over een Europees systeem voor kwaliteitsborging en erkenning in het hoger onderwijs

{SWD(2024) 74 final}


BIJLAGE I

Ontwikkeling van een interinstitutionele benadering van kwaliteitsborging voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs

1.Inleiding

De volgende bouwstenen worden geformuleerd als basis voor de ontwikkeling van een volledig kader voor een nieuwe interinstitutionele benadering van kwaliteitsborging voor allianties van instellingen voor hoger onderwijs. Zij bouwen voort op de resultaten van de door Erasmus+ gefinancierde QA-FIT- en IMINQA-projecten. Deze bouwstenen zijn samen met belanghebbenden op het gebied van kwaliteitsborging ontwikkeld en zijn niet bedoeld om andere kwaliteitsborgingsprocessen te dupliceren. Zij zullen gezamenlijk met de lidstaten en belanghebbenden uit het hoger onderwijs verder worden ontwikkeld. Zij zullen dienen als een vrijwillig instrument dat allianties van instellingen voor hoger onderwijs kunnen gebruiken om de kwaliteit en de doeltreffendheid van hun gezamenlijk beheerde activiteiten te waarborgen.

2.Doelstelling

In overeenstemming met de beginselen van de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs 1 moet een evaluatie van de kwaliteitsborging de dubbele doelstelling van verantwoording en verbetering combineren, namelijk:

a)bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van de alliantie en de alliantie ondersteunen bij het verwezenlijken van haar doelstellingen; en

b)de alliantie in staat stellen de kwaliteit van haar gezamenlijk beheerde activiteiten aan te tonen.

De evaluatie, die moet worden uitgevoerd door een door de alliantie geselecteerde kwaliteitsborgingsinstantie, zou bijgevolg:

a)moeten erkennen dat de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs een alliantie is in de zin van deze aanbeveling;

b)moeten leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor de alliantie doordat de externe kwaliteitsborging van gezamenlijk beheerde activiteiten gedurende een bepaalde geldigheidsduur eenmaal kan plaatsvinden, in plaats van te worden onderworpen aan meerdere nationale externe kwaliteitsborgingssystemen; en

c)de kwaliteitsborging van gezamenlijke onderwijsvoorzieningen door allianties, bijvoorbeeld gezamenlijke programma’s of microcredentials, moeten vergemakkelijken.

3.Beginselen

De door de kwaliteitsborgingsinstanties ontwikkelde evaluatiemethode moet:

a)de autonomie en diversiteit van allianties weerspiegelen;

b)een alliantie aanmoedigen om een gezamenlijk intern kwaliteitsborgingssysteem op te zetten dat al haar gezamenlijke onderwijsvoorzieningen bestrijkt;

c)het eenmaligheidsbeginsel toepassen: de kwaliteitsborging van gezamenlijke onderwijsvoorzieningen hoeft binnen dezelfde geldigheidsduur slechts eenmaal extern plaats te vinden; en

d)alle relevante onderdelen van de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs, de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s en, in voorkomend geval, de Europese criteria voor een Europees diploma in bijlage II bij deze aanbeveling integreren.

4.Subsidiabiliteit

De evaluatie moet openstaan voor elke alliantie van instellingen voor hoger onderwijs in de Europese ruimte voor hoger onderwijs.

De alliantie moet een vorm van interne kwaliteitsborging op alliantieniveau hebben, die bepaalde gezamenlijk beheerde activiteiten omvat.

5.Toepassingsgebied

De evaluatie moet gericht zijn op de doeltreffendheid van de interne methoden voor kwaliteitsborging en kwaliteitsverbetering van de alliantie.

6.De alliantie moet bepalen en transparant maken voor welke gezamenlijke onderwijsvoorzieningen en -activiteiten de gemeenschappelijke interne kwaliteitsborging op alliantieniveau geldt. Voornaamste kenmerken

De evaluatie moet gebaseerd zijn op normen die deel 1 van de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs volledig omvatten.

De normen moeten ook een bevestiging bevatten dat de interne kwaliteitsborging van de alliantie waarborgt dat:

a)de gezamenlijke onderwijsprogramma’ s die door de alliantie worden aangeboden, voldoen aan de normen van de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s; en

b)gezamenlijke onderwijsprogramma’s voldoen aan de Europese criteria voor het behalen van het Europese label of, in voorkomend geval, het Europese diploma, indien de alliantie besluit dit aan te bieden.

De evaluatie moet worden uitgevoerd door één door EQAR geregistreerde instantie, die door de alliantie wordt gekozen.

De evaluatie moet een consistente methode en procedure hebben, die moeten worden vastgesteld in een volledig kader dat moet worden ontwikkeld op basis van deze bouwstenen, die worden toegepast ongeacht de door EQAR geregistreerde instantie die de evaluatie uitvoert.

De methode moet ervoor zorgen dat elke procedure is afgestemd op de individuele alliantie, rekening houdend met de opdracht, de samenstelling (bv. omvang en geografische spreiding) van de alliantie en het toepassingsgebied van gezamenlijk beheerde activiteiten.

7. Resultaten en gevolgen

De evaluatie moet resulteren in een besluit van de in het EQAR-register geregistreerde instantie, dat positief, positief met voorwaarden of negatief kan zijn.

Een positief beoordelingsbesluit moet de alliantie het recht geven om:

a)haar gezamenlijke onderwijsvoorzieningen die onder de evaluatie vallen, zelf te accrediteren aan de hand van de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s; en

b)het Europese label te gebruiken voor programma’s die voldoen aan de criteria voor het Europese diploma (label) en, waar mogelijk en op vrijwillige basis, een Europees diploma aan te bieden.

De lidstaten moeten een positief beoordelingsbesluit als volgt erkennen:

a)voor nationale externe kwaliteitsborging op institutioneel niveau: alle gezamenlijke onderwijsvoorzieningen die onder een gezamenlijke interne kwaliteitsborging vallen en de evaluatie hebben doorstaan, vrijstellen van aanvullende nationale kwaliteitsborgingsprocedures; en

b)voor nationale externe kwaliteitsborging op programmaniveau: alle programma’s die onder een gezamenlijke interne kwaliteitsborging vallen en de evaluatie hebben doorstaan, vrijstellen van aanvullende nationale kwaliteitsborgingsprocedures.

BIJLAGE II

In de Europese criteria worden de voornaamste kenmerken van het Europese diploma en het label voor een Europees diploma uiteengezet. Hierin wordt de naleving van de hoogste normen om transnationale programma’s en transnationale diploma’s aan te bieden, gegarandeerd en wordt uitgelegd waarom er een verschil is met de diploma’s die in andere delen van de wereld worden toegekend.

Instellingen voor hoger onderwijs zouden het Europese diploma kunnen toekennen op basis van een beoordeling door bestaande nationale structuren (bv. nationale instanties voor kwaliteitsborging) van het feit of het gezamenlijke programma aan al deze Europese criteria voldoet.

De hieronder voorgestelde Europese criteria zijn het resultaat van een uitgebreide samenwerking en toetsing waarbij meer dan 140 instellingen voor hoger onderwijs in alle lidstaten, 17 ministeries en 20 nationale instanties voor kwaliteitsborging, studentenorganisaties, en economische en sociale partners betrokken waren.

Europese criteria voor een Europees diploma (label)

EKK-niveau

Transnationale organisatie en beheer van het programma

Hogeronderwijsinstellingen

die erbij betrokken zijn

Het gezamenlijke programma wordt aangeboden door ten minste twee instellingen voor hoger onderwijs uit ten minste twee verschillende lidstaten.

6, 7, 8

Transnationaal aanbod van een gezamenlijk diploma

Het gezamenlijke programma wordt gezamenlijk opgezet en gezamenlijk aangeboden door alle betrokken instellingen voor hoger onderwijs.

6, 7, 8

Het gezamenlijke programma leidt tot de toekenning van een gezamenlijk diploma.

6, 7, 8

Studenten krijgen een gezamenlijk diplomasupplement 2 .

6, 7

Het gezamenlijke programma beschrijft de leerresultaten en studiepunten in overeenstemming met de ECTS-gebruikershandleiding.

6, 7

Gezamenlijke regelingen voor het gezamenlijke programma

Het gezamenlijke programma bevat gezamenlijke beleidslijnen, procedures en/of regelingen voor de planning en uitvoering van het curriculum, alsook alle organisatorische en administratieve aangelegenheden.

De vertegenwoordigers van de studenten worden betrokken bij het besluitvormingsproces om het gezamenlijke beleid en de gezamenlijke procedures en/of regelingen vast te stellen.

6, 7, 8

Kwaliteitsborgingsregelingen

De interne en externe kwaliteitsborging vindt plaats in overeenstemming met de normen en richtsnoeren voor kwaliteitsborging in de Europese ruimte voor hoger onderwijs. De instellingen voor hoger onderwijs, het studiegebied of het programma worden geëvalueerd door een in het EQAR geregistreerde instantie.

6, 7, 8

Het gezamenlijke programma wordt geëvalueerd aan de hand van de normen van de Europese benadering voor kwaliteitsborging van gezamenlijke programma’s (Europese benadering).

6, 7, 8

Volgen van afgestudeerden

Het gezamenlijke programma monitort afgestudeerden via een systeem voor het volgen van afgestudeerden.

6, 7, 8

Leerervaringen

Studentgericht leren

Het gezamenlijke programma wordt zo opgezet en voortdurend verbeterd en uitgevoerd dat studenten worden aangemoedigd om een actieve rol te spelen in het leerproces. De beoordeling van de leerlingen weerspiegelt deze benadering.

6, 7, 8

Interdisciplinaire benadering

Het gezamenlijke programma omvat geïntegreerde interdisciplinaire componenten.

6, 7, 8

Arbeidsmarktrelevantie

Het gezamenlijke programma sluit aan bij de behoeften van de arbeidsmarkt door intersectorale componenten of activiteiten 3 op te nemen en transversale vaardigheden te ontwikkelen.

6, 7, 8

Digitale vaardigheden

Het gezamenlijke programma omvat componenten en maatregelen in verband met de ontwikkeling van geavanceerde digitale vaardigheden van studenten, afgestemd op de capaciteiten en voorwaarden van het gezamenlijke programma, waarbij wordt gezorgd voor afstemming op het toepassingsgebied en de academische focus daarvan.

6, 7, 8

Transnationale campus — toegang tot diensten

Het programma heeft een gezamenlijk beleid om studenten en personeel toegang te geven tot relevante diensten in alle deelnemende instellingen voor hoger onderwijs onder gelijkwaardige voorwaarden als alle ingeschreven studenten en alle lokale personeelsleden.

6, 7, 8

Flexibele en geïntegreerde studentenmobiliteit

Het gezamenlijke programma biedt een diepgaande interculturele ervaring, waaronder ten minste één periode van fysieke mobiliteit van studenten (die kan worden opgesplitst in meerdere verblijven) bij een of meer partnerinstellingen van in totaal ten minste 60 ECTS op EKK-niveau 6 en 30 ECTS op EQF-niveau 7. Het gezamenlijke programma heeft een beleid dat alternatieven biedt voor studenten die niet in staat zijn om te reizen.

6, 7

Het gezamenlijke programma biedt een diepgaande interculturele ervaring, waaronder in totaal ten minste zes maanden fysieke mobiliteit bij een of meer partnerinstellingen.

Het gezamenlijke programma heeft een beleid dat alternatieven biedt voor studenten die niet in staat zijn om te reizen.

8

Gezamenlijke evaluatie van en begeleiding bij scripties

De scripties worden begeleid door ten minste twee scriptiebegeleiders en worden gezamenlijk geëvalueerd door de begeleiders of een comité dat bestaat uit leden van ten minste twee verschillende instellingen in twee verschillende landen.

8

Europese waarden

Democratische waarden

Het gezamenlijke beleid van het gezamenlijke programma bevordert en eerbiedigt democratische waarden.

6, 7, 8

Meertaligheid

Tijdens het gezamenlijke programma wordt elke student blootgesteld aan ten minste twee verschillende EU-talen.

6, 7, 8

Inclusiviteit

Het gezamenlijke programma verbindt zich tot brede participatie door diversiteit, gelijkheid en inclusie te bevorderen en door op maat gesneden maatregelen te nemen om studenten en personeel met minder kansen te ondersteunen.

6, 7, 8

Het gezamenlijke programma verbindt zich ertoe de beginselen van het Europees Handvest voor onderzoekers te eerbiedigen.

8

Groene transitie

Het gezamenlijke programma bevat beleid en maatregelen met betrekking tot milieuduurzaamheid en voert maatregelen uit om de milieuvoetafdruk van zijn activiteiten tot een minimum te beperken.

6,7, 8



BIJLAGE III

Verklarende woordenlijst

Alliantie: een groep Europese instellingen voor hoger onderwijs die een transnationale structurele samenwerking voor de lange termijn zijn aangegaan die wordt bevestigd in een gezamenlijke missieverklaring die op institutioneel niveau door de relevante besluitvormingsorganen van elk lid van de alliantie is goedgekeurd. Deze samenwerking omvat gezamenlijke besluitvorming op het gebied van governanceaspecten en omvat het aanbieden van gezamenlijk onderwijsvoorzieningen als kerntaak. Dit omvat bijvoorbeeld de allianties van instellingen voor hoger onderwijs die in het kader van het initiatief “Europese universiteiten 4 ” worden gefinancierd.

Onderwijsvoorzieningen: hoger onderwijs in de ruimste zin van het woord, met inbegrip van programma’s die leiden tot een volledig diploma, cursussen die leiden tot een microcredential, en voorzieningen die geen deel uitmaken van een programma dat tot een formeel diploma leidt.

Evaluatie: een evaluatie van de kwaliteitsborging van een instelling voor hoger onderwijs of van onderwijsvoorzieningen, die intern of extern wordt uitgevoerd.

Gezamenlijk programma: een geïntegreerd curriculum dat door verschillende instellingen voor hoger onderwijs gezamenlijk wordt gecoördineerd en aangeboden, wat leidt tot dubbele/meervoudige diploma’s of een gezamenlijk diploma.

Programma voor een gezamenlijk diploma: een gezamenlijk programma dat leidt tot een gezamenlijk diploma.

Gezamenlijk beheerde activiteiten: de activiteiten van de alliantie en de instellingen voor hoger onderwijs die bij de alliantie zijn aangesloten, die de alliantie wil onderwerpen aan het gezamenlijke interne kwaliteitsborgingssysteem van de alliantie.

Kwaliteitsborging: de processen, zowel intern als extern, die worden uitgevoerd door een instelling voor hoger onderwijs of een instantie voor kwaliteitsborging, om een leeromgeving te waarborgen waarin de inhoud van de programma’s, leermogelijkheden en voorzieningen billijk zijn en geschikt zijn voor het beoogde doel. Kwaliteitsborgingsactiviteiten hebben een tweeledig doel:

·Verantwoording: een kwaliteitsborgingssysteem waarborgt de kwaliteit van de activiteiten van de instelling voor hoger onderwijs door de naleving van een reeks normen voor de hogeronderwijsgemeenschap en de maatschappij. Dit systeem kan de basis vormen voor het verlenen van bepaalde rechten aan de instelling: het aanwerven van studenten, het toekennen van diploma’s, het verkrijgen van overheidsfinanciering;

·Verbetering: kwaliteitsborgingssystemen bieden ook advies en aanbevelingen aan en binnen instellingen voor hoger onderwijs over hoe zij hun activiteiten kunnen verbeteren.

Samen zorgen de verantwoording en versterking van een kwaliteitsborgingssysteem voor vertrouwen in de prestaties van de instelling voor hoger onderwijs. Zij zijn van cruciaal belang voor het ondersteunen van de ontwikkeling van een kwaliteitscultuur die door iedereen wordt omarmd: van de studenten en het personeel tot het institutionele leiderschap en het management. De term “kwaliteitsborging” wordt in dit document gebruikt om alle activiteiten binnen de cyclus van voortdurende verbetering te beschrijven, d.w.z. zowel verantwoordings- als versterkingsactiviteiten.

a)Interne kwaliteitsborging: de processen die intern door de instellingen voor hoger onderwijs zelf worden uitgevoerd. Zij worden gewoonlijk ontwikkeld als onderdeel van de kwaliteitsborgingsstrategie van instellingen voor hoger onderwijs, waarbij hun primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun voorzieningen en de waarborging daarvan wordt erkend.

b)Externe kwaliteitsborging: de processen die worden uitgevoerd door instanties voor kwaliteitsborging.

c)Institutionele benadering voor externe kwaliteitsborging: de instelling hoeft alleen op institutioneel niveau een extern kwaliteitsborgingsproces te doorlopen om de doeltreffendheid van de interne kwaliteitsborgingsprocessen van de instelling te beoordelen en te bepalen of de instelling over een voldoende volwassen kwaliteitscultuur beschikt om de hoge kwaliteit van haar leervoorzieningen te waarborgen. Het stelt de instelling in staat programma’s te ontwikkelen en aan te bieden zonder dat een aanvullende externe kwaliteitsbeoordeling op programmaniveau nodig is (dit wordt in veel landen zelfaccreditatie genoemd).

d)Programmabenadering voor externe kwaliteitsborging: elk afzonderlijk programma (of elke groep programma’s) van een of meer instellingen voor hoger onderwijs moet een externe kwaliteitsbeoordeling ondergaan.

e)Gecombineerde benadering voor externe kwaliteitsborging: situatie waarin een hogeronderwijsstelsel zowel gebruikmaakt van institutionele als van programmabenaderingen van externe kwaliteitsborging. Dit is de meest gebruikte benadering bij instellingen voor hoger onderwijs in de EU 5 .

(1)     European_Standards_and_Guidelines_for_Quality_Assurance_in_the_EHEA_2015_MC_613727.pdf (niet-officiële vertaling op: https://www.enqa.eu/esg-standards-and-guidelines-for-quality-assurance-in-the-european-higher-education-area/ ).
(2)     Het diplomasupplement | Europass .
(3)    Intersectorale componenten en activiteiten omvatten, maar zijn niet beperkt tot, elementen zoals samenwerking met economische en sociale sectoren bij het opzetten en uitvoeren van leerplannen, stages, werkplekleren, detachering/praktijkstages, vrijwilligerswerk, dienstverlenend leren en op uitdagingen gebaseerde benaderingen.
(4)

    Initiatief “Europese universiteiten” | Europese onderwijsruimte (europa.eu) .

(5)    Volgens de antwoorden op een enquête van de Commissie uit 2023 over de uitvoering van de aanbeveling van de Raad over bruggen bouwen voor een doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs, meldden 14 ministeries dat zij een gecombineerde benadering van externe kwaliteitsborging hanteren.
Top