EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023XC0317(01)

Mededeling van de Commissie Tijdelijk crisis- en transitiekader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne 2023/C 101/03

C/2023/1711

OJ C 101, 17.3.2023, p. 3–46 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

17.3.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 101/3


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Tijdelijk crisis- en transitiekader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne

(2023/C 101/03)

1.   DE RUSSISCHE AGRESSIE TEGEN OEKRAÏNE, HET EFFECT DAARVAN OP DE EU-ECONOMIE EN DE NOODZAAK VAN TIJDELIJKE STAATSSTEUNMAATREGELEN

(1)

Op 24 februari 2022 heeft Rusland, na de onrechtmatige erkenning van de niet onder regeringsgezag vallende gebieden van de regio’s Donetsk en Loehansk in Oekraïne, een niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie tegen Oekraïne gelanceerd. De Europese Unie (“EU”) en haar internationale partners hebben onmiddellijk op de ernstige schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne gereageerd door beperkende maatregelen (“sancties”) op te leggen. Ook zijn sancties opgelegd aan Belarus wegens zijn rol bij het faciliteren van de Russische militaire agressie. De weken en maanden nadien zijn verdere maatregelen goedgekeurd en andere maatregelen kunnen nog worden goedgekeurd naarmate de situatie verder evolueert. Rusland heeft besloten zelf een aantal beperkende economische tegenmaatregelen te nemen en de gasstromen naar de EU doelbewust aan te wenden als wapen.

(2)

De Russische militaire agressie tegen Oekraïne en de directe en indirecte effecten daarvan, inclusief de opgelegde sancties en de tegenmaatregelen van bijvoorbeeld Rusland, hebben economische gevolgen voor de volledige interne markt. Ondernemingen in de EU kunnen op uiteenlopende wijze worden geraakt – zowel direct als indirect. Daarbij kan het gaan om krimpende vraag, de opschorting van bestaande contracten en projecten (met het daarbij behorende omzetverlies), verstoringen van toeleveringsketens, met name van grondstoffen en voorproducten, of andere input die niet langer beschikbaar is of die onbetaalbaar is.

(3)

De waarschijnlijkheid van een Russische militaire agressie tegen Oekraïne had ook in de weken vóór de fysieke agressie al effecten op de energiemarkt. De Russische militaire agressie tegen Oekraïne heeft rechtstreeks geleid tot een verstoring van de toeleveringsketens voor bepaalde producten die de EU uit Oekraïne invoert, en met name granen en plantaardige oliën, en voor de uitvoer van de EU naar Oekraïne. De energiemarkt is sterk getroffen door stijgingen van de elektriciteits- en gasprijzen in de EU. Hoge energieprijzen hebben een impact op diverse economische sectoren, onder meer op een aantal sectoren dat zwaar van de COVID-19-pandemie te lijden heeft gehad, zoals het vervoer en het toerisme. Voor sommige kritieke producten zijn tekorten ontstaan vanwege de militaire agressie en de tegenmaatregelen van Rusland. Het gaat om specifieke gebieden waar een beperkt aanbod het risico van een aanzienlijke vermindering van de industriële productie meebrengt, ondanks de voortdurende substitutie van het aanbod. De gevolgen zijn ook voelbaar op de financiële markten, waarbij met name zorgen ontstaan over liquiditeit en marktvolatiliteit in de grondstoffenhandel. De Russische militaire agressie tegen Oekraïne heeft ook grote aantallen Oekraïense burgers ontheemd – zowel in eigen land als in buurlanden – met een ongeziene toestroom van vluchtelingen in de EU, met zware humanitaire en economische gevolgen.

(4)

De geopolitieke crisis die de Russische agressie tegen Oekraïne heeft veroorzaakt, heeft ook een bijzonder zware impact op de landbouw, de levensmiddelenindustrie en de visserij en aquacultuur in de EU. De hoge energieprijzen werken door in hoge prijzen voor meststoffen. Ook het aanbod van meststoffen in de EU wordt getroffen door deze beperkingen op de invoer van meststoffen vanuit Rusland en Belarus. De crisis heeft ernstige gevolgen gehad voor de levering van graan (en met name mais en tarwe) en oliehoudende zaden (zonnebloemen, koolzaad) of van zetmeel afgeleide producten vanuit Oekraïne en Rusland naar de EU, hetgeen tot een forse stijging van de prijzen voor veevoeder heeft geleid. Het gecombineerde effect van die kostenstijgingen voor energie, meststoffen, granen en oliën wordt het sterkst gevoeld door de veehouderij in de EU (1). Oekraïne is ook een belangrijke producent en exporteur van plantaardige oliën (en met name zonnebloemolie), zodat prijsstijgingen voor die producten bedrijven in de levensmiddelenindustrie raken en hen dwingen op zoek te gaan naar alternatieven.

(5)

Een tweede punt van zorg is de verstoring van de handel in EU-producten naar Oekraïne en ook naar Rusland en Belarus als gevolg van de oorlogssituatie of de directe of indirecte effecten daarvan. Een en ander zou vooral de sectoren wijnen en gedistilleerde dranken, bewerkte levensmiddelen (met inbegrip van bewerkte groenten en fruit), chocolade, suikerwerk, zuigelingenvoeding en huisdiervoeding raken in het geval van Rusland, de sectoren groenten en fruit in het geval van Belarus, en de meeste landbouwproducten in het geval van Oekraïne.

(6)

De situatie wordt nog verergerd door de scherpe toename van de productiekosten, voor een deel door de stijging van de kosten voor stikstofkunstmest als gevolg van de buitensporige stijging van de aardgasprijzen, maar ook door het directe energiegebruik bij productieprocessen in de landbouw, de visserij en de aquacultuur.

(7)

Door de geopolitieke crisis als gevolg van de Russische agressie tegen Oekraïne en het aanwenden van de energievoorziening als wapen wordt het voor de EU des te urgenter haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, door hernieuwbare energie uit te rollen, de industrie koolstofvrij te maken en capaciteiten in te zetten in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, ook rekening houdend met de mondiale uitdagingen die het risico inhouden dat investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de EER.

(8)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie besloten om deze mededeling aan te nemen. Het is de bedoeling vast te stellen volgens welke criteria de verenigbaarheid met de interne markt wordt beoordeeld in het geval van staatssteunmaatregelen die lidstaten kunnen nemen om de economische effecten te verhelpen die het gevolg zijn van de Russische agressie tegen Oekraïne en de directe en indirecte effecten daarvan, inclusief de tegenmaatregelen van bijvoorbeeld Rusland (2). Een gecoördineerde economische respons van de lidstaten en de EU-instellingen is van cruciaal belang om de onmiddellijke sociale en economische negatieve gevolgen voor de EU-economie te dempen, om economische activiteiten en banen veilig te stellen en om de structurele aanpassingen te ondersteunen die nodig zijn in reactie op de nieuwe economische situatie die de Russische militaire agressie tegen Oekraïne heeft doen ontstaan.

1.1.   Sancties die door de Europese Unie en internationale partners zijn opgelegd in reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne

(9)

Na de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Raad van de Europese Unie een akkoord bereikt over diverse pakketten beperkende maatregelen.

(10)

Op 23 februari 2022 heeft de Raad een akkoord bereikt over een pakket met i) gerichte sancties tegen de 351 leden van de Russische Doema en 27 andere personen, ii) beperkingen op de economische betrekkingen met de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de Oekraïense regio’s Donetsk en Loehansk, en iii) restricties op de toegang van Rusland tot de kapitaal- en financiële markten en diensten in de EU (3).

(11)

Op 25 februari 2022 is de Raad verdere sancties tegen Rusland overeengekomen die gericht zijn op: i) de financiële sector; ii) de energie-, ruimtevaart- en vervoerssector (luchtvaart); iii) goederen voor tweeërlei gebruik; iv) exportcontrole en exportfinanciering; v) visumbeleid, en vi) aanvullende sancties tegen Russische en andere (onder meer Belarussische) personen (4).

(12)

Op 28 februari 2022 heeft de Raad besloten om het Europese luchtruim te sluiten voor Russische vliegtuigen en heeft hij preventieve maatregelen genomen zodat de Russische Centrale Bank haar internationale reserves niet zodanig kan inzetten dat daarmee het effect van de getroffen maatregelen wordt ondergraven (5). De Raad heeft ook verdere sancties opgelegd aan Russische personen (6).

(13)

Op 1 maart 2022 heeft de Raad verdere maatregelen vastgesteld: i) de afschakeling van bepaalde Russische banken van het SWIFT-berichtensysteem (7), en ii) maatregelen tegen de verspreiding van desinformatie door de Russische staatsmedia Russia Today en Sputnik (8).

(14)

Op 2 maart 2022 heeft de Raad besloten om tegen Belarus, vanwege de faciliterende rol van het land bij de militaire agressie, verdere sancties in te stellen met betrekking tot de handel in goederen die worden gebruikt voor de productie of vervaardiging van tabaksproducten, minerale producten, kaliumchlorideproducten (“potas”), houtproducten, cementproducten, ijzer- en staalproducten en rubberproducten. Ook heeft de Raad een verbod ingesteld op de uitvoer naar Belarus of voor gebruik in Belarus van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik, op de uitvoer van goederen en technologie die zouden kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van Belarus op militair, technologisch, defensie- en veiligheidsgebied, alsmede beperkingen op de verlening van aanverwante diensten (9). De Raad heeft ook individuele maatregelen getroffen tegen 22 Belarussische personen (10).

(15)

Op 9 maart 2022 heeft de Raad verdere maatregelen genomen tegen de Belarussische financiële sector, met onder meer een uitsluiting van SWIFT voor drie Belarussische banken, een verbod op transacties met de Centrale Bank van Belarus, beperkingen op de financiële instromen van Belarus naar de EU en een verbod op het verstrekken van eurobankbiljetten aan Belarus (11). De Raad heeft ook verdere beperkende maatregelen ingesteld ten aanzien van de uitvoer van goederen voor de zeescheepvaart en radiocommunicatietechnologie naar Rusland. Daarnaast heeft de Raad beperkende maatregelen opgelegd aan nog eens 160 personen (12). Op 15 maart 2022 (13) heeft de Raad overeenstemming bereikt over verdere sectorale en individuele maatregelen tegen Rusland. De Raad heeft met name besloten: i) alle transacties met bepaalde staatsbedrijven te verbieden; ii) te verbieden dat aan enige Russische persoon of entiteit diensten inzake kredietwaardigheidsbeoordeling worden verstrekt of toegang tot abonnementsdiensten met betrekking tot kredietwaardigheidsbeoordelingen wordt geboden; iii) de lijst van personen die banden hebben met de Russische defensie- en industriebasis, uit te breiden en hun strengere uitvoerbeperkingen op te leggen met betrekking tot goederen en technologie voor tweeërlei gebruik, alsmede goederen en technologie die kunnen bijdragen tot de technologische verbetering van de Russische defensie- en veiligheidssector; iv) nieuwe investeringen in de Russische energiesector te verbieden en een uitgebreide uitvoerbeperking voor uitrusting, technologie en diensten voor de energiesector in Rusland in te stellen, en v) verdere handelsbeperkingen in te voeren voor zowel ijzer en staal als luxegoederen (14). Voorts heeft de Raad besloten om sancties op te leggen aan prominente Russische oligarchen, lobbyisten en propagandisten, alsmede aan essentiële ondernemingen in de sectoren luchtvaart, militair materieel en producten voor tweeërlei gebruik, scheepsbouw en machinebouw (15).

(16)

Op 3 juni 2022 heeft de Raad een zesde sanctiepakket (16) vastgesteld, in het licht van de aanhoudende aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, de steun van Belarus daarvoor, en de gemelde wreedheden van de Russische strijdkrachten. Het pakket omvat: 1) een verbod op de invoer vanuit Rusland van ruwe olie en geraffineerde aardolieproducten, met beperkte uitzonderingen; 2) een uitsluiting van SWIFT voor nog drie Russische banken en één Belarussische bank; en 3) een opschorting van uitzendingen in de Unie van drie andere Russische staatsmedia. De Unie heeft ook sancties ingesteld tegen nog eens 65 personen en 18 entiteiten. Hieronder zitten de personen die verantwoordelijk zijn voor de wreedheden die zijn begaan in Boetsja en Marioepol.

(17)

Op 21 juli 2022 heeft de Raad een zevende pakket aangenomen, het zogenoemde “onderhouds- en aanpassingspakket” (17), dat bestaat uit de volgende aanvullende maatregelen: 1) een verbod op de invoer van goud; 2) strengere rapporteringsvoorwaarden voor aan sancties onderworpen personen; 3) gerichte uitvoerverboden; 4) verbod op toegang tot havens; 5) financiële sancties; 6) voorkoming van voedsel- en energie-onzekerheid; 7) medische en farmaceutische vrijstellingen. De Unie heeft verder 54 personen en 10 entiteiten op de lijst voor bevriezing van tegoeden geplaatst.

(18)

Op 6 oktober 2022 heeft de Raad een achtste sanctiepakket aangenomen, bestaande uit de volgende aanvullende maatregelen (18): 1) toevoeging van personen en entiteiten aan de sanctielijst; 2) uitbreiding van de beperkingen tot de oblasten Cherson en Zaporizja; 3) nieuwe invoer- en uitvoerbeperkingen; 4) toepassing van het prijsplafond voor olie van de G7; 5) beperkingen ten aanzien van staatsbedrijven; 6) beperkingen ten aanzien van financiële, IT-advies- en andere zakelijke diensten; en 7) ontmoediging van omzeiling van sancties.

(19)

Op 16 december 2022 heeft de Raad een negende sanctiepakket (19) aangenomen naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraïne, waaronder een verbod op de uitvoer van dronemotoren, de uitvoer van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik, investeringen in de mijnbouwsector, transacties met de Russische regionale ontwikkelingsbank, en het aanbieden van diensten op het gebied van reclame, marktonderzoek en opinieonderzoek; daarnaast heeft de Raad besloten een uitgebreid pakket individuele maatregelen aan te nemen. Op 25 februari 2023 heeft de Raad een tiende sanctiepakket aangenomen, waarbij verder verbod is opgelegd op de uitvoer van kritieke technologie en industriële goederen, zoals elektronica, gespecialiseerde voertuigen, machineonderdelen, reserveonderdelen voor vrachtwagens en straalmotoren alsook goederen voor de bouwsector die kunnen worden bestemd voor het Russische leger, zoals antennes of kranen. De Raad heeft ook besloten restrictieve maatregelen op te leggen aan nog eens 87 personen en 34 entiteiten (20).

(20)

In nauwe samenwerking met de EU zijn ook sancties opgelegd door internationale partners, met name de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Canada, Noorwegen, Japan, Zuid-Korea, Zwitserland en Australië.

1.2.   Ondernemingen en huishoudens die worden geraakt door hoge gas- en elektriciteitsprijzen of door verstoringen van het energieaanbod

(21)

De huidige crisis heeft de prijzen voor gas en elektriciteit tot ongekende hoogten opgejaagd, nog veel hoger dan het reeds hoge prijspeil dat in de periode vóór de agressie viel waar te nemen. Doordat Rusland de gasvoorziening welbewust tot een wapen heeft gemaakt, is op de Europese en mondiale energiemarkten een aanzienlijke volatiliteit en onzekerheid ontstaan. De EU en haar lidstaten hebben talrijke maatregelen genomen om de hoge prijzen aan te pakken en de energievoorziening veilig te stellen. In dit verband verwijst de Commissie naar de toolbox die zij reeds in oktober 2021 heeft gepresenteerd (“de mededeling van oktober”) (21), en naar de REPowerEU-mededeling van 8 maart 2022 (“de REPowerEU-mededeling”) (22) (23) , het REPowerEU-plan (24) van 18 mei 2022, de gasopslagverordening (25), de mededeling “Gas besparen om de winter goed door te komen” (26) van 20 juli 2022, Verordening (EU) 2022/1369 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (27) en Verordening (EU) 2022/1854 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (28). Op 18 oktober 2022 heeft de Commissie de mededeling “Noodsituatie op energiegebied” (29) aangenomen, om samen voorbereidingen te treffen, aankopen te doen en de EU te beschermen. Samen met deze mededeling heeft de Commissie een nieuwe noodverordening (30) voorgesteld, om de hoge gasprijzen in de EU aan te pakken en de aankomende winter de voorzieningszekerheid te waarborgen. Dit gebeurt middels gezamenlijke aankoop van gas, prijsbeperkingsmechanismen op de TTF-gasbeurs, nieuwe maatregelen inzake transparant infrastructuurgebruik, solidariteit tussen de lidstaten en niet-aflatende inspanningen om de vraag naar gas te beperken.

(22)

Zeer hoge energieprijzen treffen niet alleen de economie, maar ook de koopkracht van EU-burgers, en met name van de meest kwetsbare mensen. De Europese Centrale Bank raamt dat het reële bbp in het laatste kwartaal van 2022 met 0,1 % zal krimpen en in het eerste kwartaal van 2023 stabiel zal blijven, voornamelijk als gevolg van verstoringen van de energievoorziening, hogere inflatie en de daarmee samenhangende daling van het vertrouwen (31). De aanhoudend hoge energieprijzen zullen naar verwachting de armoede doen toenemen en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven aantasten. Met name de energie-intensieve bedrijfstakken werden geconfronteerd met hogere productiekosten. Deze kostenstijgingen kunnen in bepaalde gevallen de voortzetting in het gedrang brengen van activiteiten van ondernemingen in de EU die anders winstgevend zouden zijn, hetgeen vervolgens waarschijnlijk een effect zal hebben op de werkgelegenheid.

(23)

De toolbox die de Commissie in oktober 2021 heeft bekendgemaakt, is nuttig gebleken en is op grote schaal toegepast door veel lidstaten, die op nationaal niveau talrijke maatregelen hebben genomen. De toolbox is in het voorjaar van 2022 uitgebreid met de mededeling over kortetermijnmaatregelen op de energiemarkt en verbeteringen op lange termijn in de opzet van de elektriciteitsmarkt (32).

(24)

In de REPowerEU-mededeling worden maatregelen uiteengezet om in te spelen op de stijgende energieprijzen en de gasvoorraden voor de winter aan te vullen, en het REPowerEU-plan (33) bevat maatregelen om de implementatie van hernieuwbare energie, energiebesparing en energie-efficiëntie te versnellen en de energievoorziening te diversifiëren. Het versnellen van de groene transitie zal de emissies verminderen, de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen verkleinen en bescherming tegen scherpe prijsstijgingen bieden. In de gasopslagverordening, (34) zijn nieuwe minimumverplichtingen voor gasopslag vastgesteld om de levering voor de komende winter veilig te stellen, waarbij de lidstaten worden verplicht hun gasopslaginstallaties uiterlijk op 1 november te vullen tot 80 % in 2022 en tot 90 % voor dezelfde datum in de volgende jaren.

(25)

Aangezien de crisis de risico’s van ontoereikende voorzieningszekerheid en verstoringen verder heeft vergroot, is de Unie begonnen zich op een langdurige vermindering en mogelijk een volledige stopzetting van gasleveringen uit Rusland voor te bereiden. Het nieuwe Europese plan om de vraag naar gas te verminderen (35) bevat maatregelen, beginselen en criteria voor een gecoördineerde vraagreductie en is verbonden met Verordening (EU) 2022/1369 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (36), waarin een vrijwillige doelstelling ter reductie van de gasvraag van 15 % in alle lidstaten is opgenomen en een proces wordt ingevoerd om, indien nodig, een bindend streefcijfer ter reductie van de vraag op te leggen.

(26)

Op 6 oktober 2022 heeft de Raad Verordening (EU) 2022/1854 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen vastgesteld om de energierekening voor Europese burgers en bedrijven te verlagen. Verordening (EU) 2022/1854 omvat onder meer maatregelen om de vraag naar elektriciteit te verminderen en zo de elektriciteitskosten voor consumenten te verlagen, en om de extra inkomsten van de energiesector onder eindafnemers te herverdelen.

(27)

Op 19 en 22 december 2022 heeft de Raad verdere verordeningen aangenomen om de hoge energieprijzen aan te pakken, namelijk: Verordening (EU) 2022/2576 van de Raad inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie van de aankoop van gas, betrouwbare prijsbenchmarks en de uitwisseling van gas over de grenzen heen (37), Verordening (EU) van de Raad tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen (38) en Verordening (EU) 2022/2578 van de Raad tot vaststelling van een marktcorrectiemechanisme om de burgers en de economie te beschermen tegen buitensporig hoge prijzen (39).

1.3.   De noodzaak van nauwe Europese coördinatie van nationale steunmaatregelen

(28)

Een gerichte en evenredige toepassing van het EU-staatssteuntoezicht helpt ervoor te zorgen dat nationale steunmaatregelen ondernemingen en werknemers die door de huidige crisis worden geraakt, ook daadwerkelijk helpen en de duurzaamheid van de nationale steunmaatregelen op lange termijn veiligstellen. Dankzij het EU-staatssteuntoezicht geraakt de interne markt van de EU niet gecompartimenteerd en blijft het gelijke speelveld intact. De integriteit van de interne markt is belangrijk om druk van buitenaf te kunnen weerstaan en om subsidiewedlopen tegen te gaan, waarbij lidstaten met ruimere financiële middelen meer kunnen uitgeven dan hun buurlanden – ten koste van de cohesie binnen de Unie.

(29)

De Commissie is van mening dat het vanwege de huidige crisis waarmee ondernemingen in alle lidstaten te kampen hebben, gerechtvaardigd is een berekening van de maximale steunplafonds in de toepasselijke afdelingen per lidstaat toe te staan, mits gewaarborgd blijft dat de in aanmerking komende kosten slechts één keer kunnen worden gedekt en dat de specifieke steunplafonds die op grond van deze mededeling van toepassing zijn, in acht worden genomen.

(30)

De Commissie is voorts van mening dat aanvullende strategische investeringen noodzakelijk zijn om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen aan te pakken als belangrijk element dat de crisis verergert, en om de groene transitie te versnellen in overeenstemming met de REPowerEU-doelstellingen, terwijl tegelijkertijd de veerkracht van het toekomstige koolstofarme energiesysteem van de EU wordt gewaarborgd. Dit is met name relevant in de huidige mondiale context, waar het risico bestaat dat dergelijke investeringen worden verlegd naar gebieden buiten de EER. Terwijl de afdelingen 2.5 en 2.6 van deze mededeling relevante instrumenten bieden om projecten voor de opwekking van hernieuwbare energie uit te rollen en industriële decarbonisatiemaatregelen uit te voeren, hebben die instrumenten een aanzienlijk maar indirect effect op de productie van de uitrusting en onderdelen die nodig zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie. Tegen deze achtergrond biedt afdeling 2.8 van deze mededeling de lidstaten de aanvullende mogelijkheid om steun toe te kennen die rechtstreeks productieve investeringen ondersteunt in bepaalde strategische goederen die nodig zijn voor deze transitie. Als instrument van de Unie om particuliere investeringen in prioritaire gebieden van de EU te katalyseren, speelt InvestEU een centrale rol bij het mobiliseren van steun voor die prioritaire gebieden, met name wat betreft energie en het industrieel plan voor de Green Deal (40). Voor zover de door de uitvoerende partners en financiële intermediairs van InvestEU genomen maatregelen onderworpen zijn aan de staatssteunregels, kunnen die maatregelen gedekt worden door de regelingen die de Commissie in het kader van de afdelingen 2.5, 2.6 en 2.8 van deze mededeling heeft goedgekeurd. Aangezien steun voor investeringen in productiefaciliteiten kan leiden tot spanningen met de overkoepelende doelstellingen van integriteit van de interne markt en cohesie, moet deze steun duidelijk beperkt blijven tot de vastgestelde strategische gebieden, beperkt zijn in de tijd en wat nominale steunbedragen betreft, en voldoende stimulansen bieden om de cohesiedoelstellingen te verwezenlijken. In afdeling 2.8 van deze mededeling wordt uiteengezet onder welke specifieke voorwaarden steun voor investeringen in specifieke maatregelen voor de transitie naar een klimaatneutrale economie bij wijze van uitzondering als verenigbaar zal worden beschouwd. Voor zover deze afdeling de mogelijkheid biedt om buiten een regeling om individuele steun toe te kennen, zal deze zich ofwel beperken tot steungebieden zoals gedefinieerd in de regionale-steunkaarten, ofwel investeringen in ten minste drie EER-lidstaten moeten inhouden waarvan een aanzienlijk deel in ten minste twee steungebieden moet plaatsvinden. Dit vereiste zal bijdragen tot de verdere ontwikkeling van een breder ecosysteem in de desbetreffende waardeketen in heel Europa, waardoor de veerkracht van de waardeketen wordt versterkt.

1.4.   Passende steunmaatregelen

(31)

Rekening houdend met alle inspanningen van lidstaten om het hoofd te bieden aan de uitdagingen ten gevolge van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, schetst deze mededeling de mogelijkheden waarover lidstaten in het kader van de EU-staatssteunvoorschriften beschikken om te zorgen voor liquiditeit en toegang tot financiering voor ondernemingen, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, die in de huidige crisis economische moeilijkheden ondervinden, en om tot een lager energieverbruik aan te zetten.

(32)

Zoals uiteengezet in de mededeling van oktober 2021, vormen maatregelen ten behoeve van niet-commerciële energieverbruikers geen staatssteun, op voorwaarde dat zij niet indirect ten goede komen aan een specifieke bedrijfstak of onderneming. De lidstaten kunnen bijvoorbeeld specifieke sociale steun toekennen aan de meest kwetsbaren om hen op korte termijn te helpen hun energierekening te betalen, of steun verlenen voor verbeteringen van de energie-efficiëntie, rekening houdend met de doeltreffende werking van de markt.

(33)

Maatregelen voor commerciële energieverbruikers vormen geen staatssteun, op voorwaarde dat het om algemene maatregelen gaat. Bij dit soort niet-selectieve maatregelen kan het bijvoorbeeld gaan om algemene kortingen op belastingen of heffingen, een verlaagd tarief voor de levering van aardgas, elektriciteit of stadsverwarming, of een verlaging van de netwerkkosten. Voor zover nationale maatregelen als steun kunnen worden aangemerkt, kunnen zij als verenigbaar met de staatssteunregels worden beschouwd indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo kan door de lidstaten bijvoorbeeld steun worden opgezet in de vorm van verlagingen van geharmoniseerde milieubelastingen waarbij de minimumbelastingniveaus en de regels van de richtlijn energiebelastingen (41) in acht worden genomen, en voldaan wordt aan de voorwaarden van een groepsvrijstellingsverordening, zonder dat deze steun vooraf bij de Commissie hoeft te worden aangemeld.

(34)

Wat de afdelingen 2.1 en 2.4 van deze mededeling betreft, kan steun rechtstreeks of via een energieleverancier aan de eindbegunstigde worden toegekend. Indien de steun via een energieleverancier wordt verstrekt, moet de lidstaat aantonen dat een mechanisme wordt gebruikt dat de mededinging tussen leveranciers in stand houdt en waarborgt dat de steun aan de eindbegunstigde wordt doorgegeven.

(35)

De Commissie is van oordeel dat voor bepaalde financiële behoeften andere instrumenten dan die overeenkomstig de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.3 van deze mededeling nodig kunnen zijn. Dit kan met name het geval zijn als de huidige crisis niet alleen leidt tot liquiditeitsbehoeften, maar ook tot aanzienlijke verliezen die mogelijk het vermogen van de begunstigde om zijn schuld af te lossen ondermijnen en solvabiliteitsbehoeften aan het licht brengen. Indien grote steunbedragen aan individuele begunstigden worden toegekend en hun vermogen tot schuldaflossing op basis van hun vroegere verdiencapaciteit in gevaar dreigt te komen, kunnen de lidstaten overwegen aan de begunstigden inlichtingen te vragen over hun verwachte toekomstige verdiencapaciteit om verdere schulden af te lossen, en zo beoordelen of andere instrumenten, zoals solvabiliteitssteun, geschikter zijn of blijken om aan hun financiële behoeften te voldoen.

(36)

In specifieke omstandigheden (42) kunnen de lidstaten van oordeel zijn dat zwaar door de huidige crisis getroffen ondernemingen solvabiliteitssteun nodig hebben die niet op toereikende wijze via louter particuliere bronnen kan worden verstrekt. Indien ondernemingen hun activiteiten zonder dergelijke solvabiliteitssteun zouden verminderen of stopzetten, en als die vermindering of stopzetting van activiteiten een bedreiging zou vormen voor de energiemarkten of andere markten die systeemrelevant zijn voor de economie (of voor de veiligheid en de veerkracht van de interne markt), kan die solvabiliteitssteun overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt b), VWEU als verenigbaar worden beschouwd.

(37)

De Commissie acht de volgende algemene beginselen van bijzonder belang bij de vereiste beoordeling per geval, zoals vermeld in punt 36:

a.

de steun moet noodzakelijk, passend en evenredig zijn (43) om te voorkomen dat dergelijke ondernemingen de markt plotseling verlaten, en mag niet hoger zijn dan het minimum dat nodig is om hun levensvatbaarheid te waarborgen;

b.

een onderneming die deel uitmaakt van of wordt overgenomen door een concern, komt niet voor steun in aanmerking, behalve wanneer kan worden aangetoond dat de moeilijkheden van de onderneming niet een gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen het concern, en dat deze moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door het concern zelf te kunnen worden opgelost. In dergelijke gevallen is doorgaans een substantiële bijdrage van de groep in de kosten van de solvabiliteitsmaatregelen vereist;

c.

staatssteun moet worden toegekend onder voorwaarden die de staat een redelijke vergoeding bieden, zoals een passend aandeel in de toekomstige waardestijging van de begunstigde onderneming, met inachtneming van het bedrag van het eigen vermogen van de staat dat is betaald in vergelijking met het resterende eigen vermogen van de onderneming na verrekening van verliezen, met inbegrip van voorzienbare verliezen zonder de steunmaatregel;

d.

in geval van steun in de vorm van achtergestelde schuld of andere hybride kapitaalinstrumenten moet bij de algehele vergoeding van die instrumenten afdoende acht worden geslagen op de kenmerken van het gekozen instrument, met inbegrip van de mate van achterstelling en de betalingsvoorwaarden;

e.

passende mededingingsmaatregelen conform de beginselen van de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun van 2014 (44) zijn vereist. Op basis van de specifieke kenmerken van iedere potentiële zaak en het toepasselijke concurrentielandschap kunnen ook afstotingen van activa worden opgelegd als compenserende maatregel. Voorts zullen gedragsveranderingen nodig zijn, zoals verbintenissen die een feitelijk verbod op bonusbetalingen of andere variabele betalingen, dividenduitkeringen en overnames waarborgen;

f.

De Commissie kan van de lidstaat verlangen dat hij, ook op een later tijdstip dan het besluit van de Commissie, samen met de aanmelding een beoordeling van de levensvatbaarheid van de begunstigde op lange termijn indient. De lidstaat moet zich ertoe verbinden, indien de Commissie dit na onderzoek van een dergelijke beoordeling passend acht, binnen een door haar vast te stellen termijn een herstructureringsplan als bedoeld in de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun ter goedkeuring door de Commissie voor te leggen.

(38)

De lidstaten wordt verzocht na te gaan hoe zij, op een niet-discriminerende wijze, op het gebied van milieubescherming of voorzieningszekerheid voorwaarden kunnen bepalen om op grond van afdeling 2.4 van deze mededeling steun toe te kennen. Die kunnen bijvoorbeeld de volgende verplichtingen inhouden (45):

a.

de verplichting voor de begunstigde om een bepaald deel van zijn behoeften inzake energieverbruik te dekken met hernieuwbare energie, bijvoorbeeld via stroomafnameovereenkomsten of directe investeringen in de opwekking van energie uit hernieuwbare energiebronnen;

b.

investeringen in energie-efficiëntie, waardoor het energieverbruik ten opzichte van de economische output vermindert, door middel van bijvoorbeeld een lager verbruik bij productieprocessen, verwarming of vervoer; in het bijzonder via maatregelen tot uitvoering van de aanbevelingen van energieaudits overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 4, van en bijlage VI bij Richtlijn 2012/27/EU;

c.

investeringen om het verbruik van aardgas te verminderen of te diversifiëren, door middel van bijvoorbeeld elektrificatiemaatregelen waarbij wordt gebruikgemaakt van hernieuwbare energiebronnen of circulaire oplossingen zoals het hergebruik van restgassen;

d.

flexibilisering van investeringen, om de bedrijfsvoering beter te laten inspelen op prijssignalen vanuit elektriciteitsmarkten.

(39)

Ook kunnen de lidstaten op grond van artikel 107, lid 2, punt b), VWEU, steun toekennen voor het herstel van de schade veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen. Dit soort staatssteun om de schade te beperken die rechtstreeks wordt veroorzaakt door de huidige uitzonderlijke omstandigheden van de Russische agressie tegen Oekraïne, kan ook bepaalde gevolgen van de Russische agressie bestrijken, waaronder de opgelegde economische sancties of de tegenmaatregelen waarvan de begunstigde negatieve effecten ondervindt op de uitoefening van zijn economische activiteit of een specifiek en scheidbaar deel van zijn economische activiteit.

(40)

Schade die rechtstreeks voortvloeit uit verplichte verminderingen in aardgasverbruik of elektriciteit die door de lidstaten kunnen worden opgelegd, kunnen aan de hand van artikel 107, lid 2, punt b), VWEU worden beoordeeld, mits er geen overcompensatie plaatsvindt.

(41)

De lidstaten moeten die steunmaatregelen aanmelden en de Commissie zal die rechtstreeks aan artikel 107, lid 2, punt b), VWEU toetsen. Dit soort steun mag worden toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden.

(42)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2022/1369 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (46) kunnen de lidstaten passende maatregelen overwegen om vrijwillige verminderingen van de vraag naar aardgas te stimuleren. Indien de lidstaten in de context van de huidige crisis voornemens zijn dergelijke prikkels in te voeren, zal de Commissie die maatregelen rechtstreeks aan artikel 107, lid 3, punt b), VWEU toetsen. Dit vereist een beoordeling per geval, maar de Commissie acht de volgende elementen van specifiek belang:

a.

het gebruik van een openbare aanbesteding op basis van transparante criteria voor overeenkomsten inzake volumes voor vrijwillige vraagreductie;

b.

de afwezigheid van formele beperkingen voor grensoverschrijdende handel of stromen;

c.

een beperking van de betrokken prikkels tot vraagverminderingen in de toekomst, die verder gaan dan hetgeen waartoe de begunstigde zonder de maatregel zou hebben besloten;

d.

een onmiddellijke vermindering van het geaggregeerde gasverbruik in de betrokken lidstaat, waarbij een loutere verschuiving van de vraag naar aardgas wordt vermeden.

(43)

De lidstaten kunnen ook maatregelen overwegen om het vullen van de gasopslagplaatsen te bevorderen, voor zover van de markt geen prikkels uitgaan om dat op passende wijze te doen. Indien de lidstaten in de context van de huidige crisis voornemens zijn te voorzien in prikkels voor het vullen van de gasopslagplaatsen, zal de Commissie die rechtstreeks aan artikel 107, lid 3, punt b), VWEU toetsen (47). Dit vereist een beoordeling per geval, maar de Commissie acht de volgende elementen van specifiek belang:

a.

het gebruik van een openbare aanbesteding op basis van transparante criteria om de steun tot een minimum te beperken;

b.

de afwezigheid van beperkingen voor grensoverschrijdende handel of stromen;

c.

de aanwezigheid van waarborgen om overcompensatie te voorkomen;

d.

de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen voor het vullen van gasopslagplaatsen en het aanzetten tot gasopslag, zoals bepaald in de artikelen 6 bis tot en met 6 quinquies van Verordening (EU) 2017/1938 (48), met name de voorwaarden voor de steunmaatregelen van artikel 6 ter, leden 2 en 3.

(44)

De Commissie beoordeelt per geval of noodzakelijke, evenredige en passende steun mogelijk is, conform de mededeling van de Commissie “Gas besparen om de winter goed door te komen” (49) en de nationale noodplannen voor gasvoorzieningszekerheid, teneinde installaties aan te passen die ertoe bijdragen om, voor een beperkte termijn, gas te vervangen door een vervuilendere koolstofbrandstof. Dergelijke alternatieve koolstofbrandstof moet de laagst mogelijke emissies hebben, en de steun moet afhankelijk zijn van inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie en lock-ineffecten na de crisis vermijden, conform de EU-klimaatdoelstellingen. Deze maatregelen kunnen erop gericht zijn het gasverbruik preventief te verminderen of op verplichte beperkingen in de vraag naar aardgas te reageren, tenzij op andere wijze gecompenseerd (50).

(45)

Met het oog op de uitdagingen om goederen van en naar Oekraïne te vervoeren bekijkt de Commissie per geval of steun voor verzekering of herverzekering van vervoer van en naar Oekraïne mogelijk is. De lidstaten moeten onder meer aantonen dat de verzekering of herverzekering niet beschikbaar is, of alleen tegen tarieven die aanzienlijk hoger liggen dan vóór de Russische invasie van Oekraïne.

(46)

Het vervoer van vluchtelingen en humanitaire hulpgoederen valt in beginsel niet onder de EU-staatssteunregels, op voorwaarde dat de Staat handelt binnen zijn taken als overheid (en met ander woorden geen economische activiteit verricht) en dat de vervoersdiensten niet boven de marktprijs worden ingekocht.

(47)

Steun die de lidstaten op grond van deze mededeling via kredietinstellingen als financiële intermediairs aan ondernemingen toekennen, moet die ondernemingen rechtstreeks ten goede komen. Wel kan het zijn dat de steun een indirect voordeel oplevert voor de financiële intermediairs. Niettemin mogen die indirecte voordelen, volgens de garantiemechanismen van de afdelingen 2.2 en 2.3, niet dienen om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van de kredietinstellingen te vrijwaren of te herstellen. Dergelijke steun zou dan ook niet als buitengewone openbare financiële steun worden aangemerkt in het kader van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn herstel en afwikkeling van banken - BRRD) (51) of Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme – “GAM-verordening”) (52). Evenmin zou die steun worden getoetst aan de staatssteunregels die op de banksector van toepassing zijn (53).

(48)

Steun die lidstaten op grond van artikel 107, lid 2, punt b), VWEU aan kredietinstellingen of andere financiële instellingen toekennen tot herstel van directe schade geleden als gevolg van de huidige crisis, of steun die lidstaten in het kader van afdeling 2.4 van deze mededeling aan kredietinstellingen of andere financiële instellingen toekennen en die niet dient om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van een instelling of entiteit te vrijwaren of te herstellen, zou niet als buitengewone openbare financiële steun worden aangemerkt in de zin van de BRRD of de GAM-verordening. Evenmin zou die steun worden getoetst aan de staatssteunregels die op de banksector van toepassing zijn (54).

(49)

Indien kredietinstellingen als gevolg van de huidige crisis buitengewone openbare financiële steun (zie artikel 2, lid 1, punt 28, BRRD en artikel 3, lid 1, punt 29, GAM-verordening) nodig zouden hebben in de vorm van liquiditeit, een herkapitalisatie of een maatregel ten behoeve van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa, zal moeten worden nagegaan of de maatregel voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, lid 4, punt d), i), ii) of iii), BRRD en artikel 18, lid 4, punt d), i), ii) of iii), GAM-verordening. Indien deze laatste voorwaarden zijn vervuld, zou de kredietinstelling die deze buitengewone openbare financiële steun ontvangt, niet worden geacht te falen of waarschijnlijk te falen.

(50)

Voor zover dergelijke maatregelen een antwoord zijn op problemen in verband met de Russische agressie tegen Oekraïne en de directe en indirecte effecten daarvan, zouden zij worden geacht te vallen onder punt 45 van de bankenmededeling van 2013 (55), waarin een uitzondering is vastgesteld op het vereiste van lastendeling door aandeelhouders en achtergestelde crediteuren.

(51)

Steun die in het kader van deze mededeling wordt toegekend, mag niet afhankelijk worden gesteld van de verplaatsing van een productieactiviteit of van een andere activiteit van de begunstigde uit een ander land binnen de EER naar het grondgebied van de lidstaat die de steun toekent. Dit soort voorwaarde zou schadelijk zijn voor de interne markt. Onverminderd de specifieke garanties van afdeling 2.8 van deze mededeling staat een en ander los van het aantal banen dat daadwerkelijk verloren gaat in de initiële vestiging van de begunstigde in de EER.

(52)

Op grond van deze mededeling mag geen steun worden toegekend aan ondernemingen waaraan door de EU sancties zijn opgelegd, met inbegrip van, doch niet beperkt tot:

a.

personen, entiteiten of organen die specifiek worden genoemd in de wetgevingshandelingen waarbij die sancties worden opgelegd;

b.

ondernemingen die eigendom zijn of onder de zeggenschap staan van personen, entiteiten of organen waaraan door de EU sancties zijn opgelegd; of

c.

ondernemingen die actief zijn in bedrijfstakken waaraan door de EU sancties zijn opgelegd, voor zover de steun de doelstellingen van de betrokken sancties zou ondermijnen.

(53)

Staatssteunmaatregelen die, op zich, door de daaraan gekoppelde voorwaarden of door hun financieringsmethode leiden tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht, kunnen niet met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer voor de steun bepalingen gelden waardoor deze direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van de herkomst van producten of uitrusting, zoals voorwaarden voor de begunstigde om nationaal geproduceerde producten te kopen. De Commissie zal geen toestemming geven voor steun voor op derde landen of lidstaten gerichte uitvoergerelateerde activiteiten die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, noch voor steun die afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen, noch voor steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk of voor de financiering van andere uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten.

1.5.   Toepasselijkheid van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU

(54)

Krachtens artikel 107, lid 3, punt b), VWEU kan de Commissie steunmaatregelen “om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen” met de interne markt verenigbaar verklaren. De Europese rechtscolleges hebben ter zake geoordeeld dat de verstoring de economie van de betrokken lidstaat in haar geheel of voor een aanzienlijk deel moet aantasten, en niet louter de economie van een van de regio’s of delen van zijn grondgebied. Dit strookt overigens met de noodzaak om uitzonderingsbepalingen zoals artikel 107, lid 3, punt b), VWEU strikt te interpreteren (56). De Commissie heeft die uitlegging in haar besluitvormingspraktijk consistent toegepast (57).

(55)

De Commissie is van oordeel dat de Russische agressie tegen Oekraïne en de directe en indirecte effecten daarvan, inclusief de door de EU of haar internationale partners opgelegde sancties en de tegenmaatregelen van bijvoorbeeld Rusland, voor aanzienlijke economische onzekerheid hebben gezorgd, handelsstromen en toeleveringsketens hebben verstoord en hebben geleid tot uitzonderlijk grote en onverwachte prijsstijgingen, met name voor aardgas en elektriciteit, maar ook voor talrijke andere inputs en grondstoffen en primaire goederen. De combinatie van al die effecten heeft in alle lidstaten een ernstige verstoring in de economie veroorzaakt. Verstoringen van de toeleveringsketens en toegenomen onzekerheid hebben directe of indirecte effecten die talrijke bedrijfstakken raken. Daarbij komt dat stijgende energieprijzen nagenoeg alle economische activiteiten in alle lidstaten raken. Daarom is de Commissie van oordeel dat een brede groep economische sectoren in alle lidstaten door een ernstige economische verstoring wordt geraakt. Op grond daarvan acht de Commissie het passend om de criteria vast te stellen voor de beoordeling van staatssteunmaatregelen die lidstaten eventueel nemen om die ernstige verstoring op te heffen.

(56)

Staatssteun is met name gerechtvaardigd en kan op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU – voor een beperkte periode – met de interne markt verenigbaar worden verklaard indien deze dient om de liquiditeitskrapte te verhelpen waarmee ondernemingen te maken krijgen die direct of indirect worden geraakt door de ernstige verstoring in de economie ten gevolge van de Russische militaire agressie tegen Oekraïne en de direct en indirecte effecten daarvan, de door de EU of haar internationale partners opgelegde sancties alsmede de economische tegenmaatregelen van bijvoorbeeld Rusland.

(57)

De Commissie stelt in deze mededeling de criteria vast die zij bij de verenigbaarheidsbeoordeling in beginsel zal toepassen op steun die de lidstaten in deze context op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU toekennen. De lidstaten moeten daarom aantonen dat de staatssteunmaatregelen die zij bij de Commissie aanmelden en die onder deze mededeling vallen, noodzakelijk, passend en evenredig zijn om een ernstige verstoring in de economie van de betrokken lidstaat op te heffen, en dat aan alle vereisten van deze mededeling is voldaan.

(58)

Staatssteunmaatregelen die op grond van deze mededeling worden aangemeld en beoordeeld, dienen om in de EU actieve ondernemingen te ondersteunen die worden geraakt door de Russische militaire agressie en/of de gevolgen daarvan. De steunmaatregelen mogen op geen enkele wijze worden gebruikt om de beoogde effecten van door de EU of haar internationale partners opgelegde sancties te ondermijnen en moeten de anti-ontwijkingsregels van de toepasselijke verordeningen volledig in acht nemen (58). Met name moet worden vermeden dat onder de sancties vallende natuurlijke personen of entiteiten direct of indirect van een van deze maatregelen profiteren (59).

(59)

Staatssteunmaatregelen die onder deze mededeling vallen, mogen onderling worden gecumuleerd in overeenstemming met de voorwaarden uit de specifieke afdelingen van deze mededeling. Staatssteunmaatregelen die onder deze mededeling vallen, mogen worden gecumuleerd met steun op grond van de-minimisverordeningen (60) of met steun op grond van groepsvrijstellingsverordeningen (61), op voorwaarde dat de bepalingen en cumuleringsregels van die verordeningen in acht worden genomen. Staatssteunmaatregelen die onder deze mededeling vallen, mogen worden gecumuleerd met steun op grond van het tijdelijke COVID-19-steunkader (62), op voorwaarde dat de respectieve cumuleringsregels in acht worden genomen. Wanneer lidstaten aan dezelfde begunstigde leningen of garanties verstrekken op grond van zowel het tijdelijke COVID-19-steunkader als deze mededeling en wanneer het totale bedrag van de hoofdsom van de lening wordt berekend op basis van door de begunstigde zelf opgegeven liquiditeitsbehoeften, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat die liquiditeitsbehoeften slechts eenmaal met steun worden gedekt. Evenzo mag steun op grond van deze mededeling met steun op grond van artikel 107, lid 2, punt b), VWEU worden gecumuleerd, maar mag er geen overcompensatie zijn van de door de begunstigde geleden schade.

2.   TIJDELIJKE STEUNMAATREGELEN

2.1.   Beperkte steunbedragen

(60)

Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU kunnen tijdelijke beperkte steunbedragen voor ondernemingen die worden geraakt door de Russische agressie tegen Oekraïne en/of de directe of indirecte effecten daarvan, in de huidige crisis een geschikte, noodzakelijke en gerichte oplossing zijn.

(61)

De Commissie zal dit soort staatssteun als verenigbaar met de interne markt beschouwen op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan (de specifieke bepalingen voor de sectoren primaire landbouw en visserij en aquacultuur worden uiteengezet in punt 62):

a.

de totale steun bedraagt nooit meer dan 2 miljoen EUR per onderneming per lidstaat (63). De steun mag worden toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, belastingvoordelen en betalingsregelingen of in andere vormen, zoals terugbetaalbare voorschotten, garanties (64), leningen (65) en eigen vermogen, op voorwaarde dat de totale nominale waarde van dergelijke maatregelen het totale plafond van 2 miljoen EUR per onderneming per lidstaat niet overschrijdt; alle gebruikte bedragen moeten brutobedragen zijn, d.w.z. vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

b.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling met een geraamd budget;

c.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2023 toegekend (66);

d.

de steun wordt toegekend aan door de crisis geraakte ondernemingen;

e.

de steun aan ondernemingen die in de verwerking en de afzet van landbouwproducten actief zijn (67), wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat deze steun niet geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven en niet wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de producten die de betrokken ondernemingen op de markt brengen of van primaire producenten afnemen, tenzij, in laatstgenoemd geval, de producten niet op de markt werden gebracht of door de betrokken ondernemingen werden gebruikt voor niet-voedingsdoeleinden zoals distillatie, methanisering of compostering.

(62)

In afwijking van punt 61, a), zijn voor steun toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten, in de visserij- en de aquacultuursector, de volgende specifieke voorwaarden van toepassing, naast de voorwaarden van punt 61, b), c) en d):

a.

de totale steun bedraagt nooit meer dan 250 000 EUR per onderneming die actief is in de primaire productie van landbouwproducten, per lidstaat, en 300 000 EUR per onderneming die actief is in de visserij- en de aquacultuursector, per lidstaat (68); de steun mag worden toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, belastingvoordelen en betalingsregelingen of andere vormen van steun, zoals terugbetaalbare voorschotten, garanties (69), leningen (70) en eigen vermogen, op voorwaarde dat de totale nominale waarde van dergelijke maatregelen het totale toepasselijke plafond van EUR 250 000 of 300 000 EUR per onderneming per lidstaat niet overschrijdt; alle gebruikte bedragen moeten brutobedragen zijn, d.w.z. vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

b.

steun aan ondernemingen die in de primaire productie van landbouwproducten actief zijn, wordt niet vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de op de markt gebrachte goederen;

c.

steun aan ondernemingen die in de visserij- en aquacultuursector actief zijn, heeft geen betrekking op de in artikel 1, lid 1, punten a) tot en met k), van Verordening (EU) nr. 717/2014 (71) bedoelde categorieën steun.

(63)

Indien een onderneming actief is in verschillende sectoren waarvoor overeenkomstig punt 61, a), en punt 62, a), verschillende maximumbedragen gelden, moet de betrokken lidstaat met passende middelen, zoals een boekhoudkundige scheiding, ervoor zorgen dat voor elk van die activiteiten het desbetreffende plafond in acht wordt genomen en dat het totale maximumbedrag van 2 miljoen EUR per onderneming per lidstaat niet wordt overschreden. Indien een onderneming uitsluitend actief is in de sectoren die onder punt 62, a), vallen, mag het totale maximumbedrag van 300 000 EUR per onderneming per lidstaat niet worden overschreden.

(64)

Maatregelen die op grond van deze mededeling worden toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten, garanties, leningen of andere terugbetaalbare instrumenten, kunnen worden omgezet in andere vormen van steun zoals subsidies, op voorwaarde dat de omzetting uiterlijk op 30 juni 2024 plaatsvindt en de voorwaarden uit deze afdeling in acht worden genomen.

2.2.   Liquiditeitssteun in de vorm van garanties

(65)

Om voor ondernemingen die door de huidige crisis worden geraakt, de toegang tot liquiditeit te verzekeren, kunnen onder de huidige omstandigheden overheidsgaranties op leningen voor een beperkte periode en een beperkt kredietbedrag een passende, noodzakelijke en gerichte oplossing zijn (72).

(66)

Voor dezelfde onderliggende hoofdsom van een lening mogen garanties die op grond van deze afdeling worden afgegeven, niet worden gecumuleerd met op grond van afdeling 2.3 van deze mededeling toegekende steun, en omgekeerd, noch met steun toegekend op grond van de afdelingen 3.2 en 3.3 van het tijdelijke COVID-19-steunkader. Op grond van deze afdeling afgegeven garanties mogen worden gecumuleerd voor verschillende leningen, op voorwaarde dat het totale kredietbedrag per begunstigde de plafonds in punt 67, e), van deze mededeling niet overschrijdt. Een begunstigde kan parallel meerdere maatregelen op grond van deze afdeling genieten, op voorwaarde dat het totale kredietbedrag per begunstigde de plafonds in punt 67, e), niet overschrijdt.

(67)

De Commissie zal dergelijke staatssteun in de vorm van overheidsgaranties als op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU verenigbaar met de interne markt beschouwen, mits het volgende in acht wordt genomen:

a.

de overheidsgaranties worden afgegeven ten behoeve van nieuwe individuele leningen verstrekt aan ondernemingen (73);

b.

de garantiepremies worden per individuele lening vastgesteld op een minimumniveau, dat progressief moet stijgen naarmate de looptijd van de gegarandeerde lening toeneemt, zoals aangegeven in de volgende tabel:

Soort ontvanger

Voor jaar 1

Voor jaren 2 en 3

Voor jaren 4, 5 en 6

Kleine en middelgrote ondernemingen

25 bps

50 bps

100 bps

Grote ondernemingen

50 bps

100 bps

200 bps

c.

als alternatief mogen de lidstaten regelingen aanmelden waarbij de bovenstaande tabel als basis dient maar waarbij de looptijd van de garantie, de garantiepremies en garantiedekking mogen variëren voor de hoofdsom van elke onderliggende individuele lening (zo zou een lagere garantiedekking een langere looptijd kunnen compenseren of lagere garantiepremies mogelijk kunnen maken). Een vast premiebedrag voor de volledige looptijd van de garantie mag worden gebruikt als dat hoger is dan de minimumpremies voor het eerste jaar die in bovenstaande tabel voor elke soort begunstigde zijn opgenomen, zoals aangepast volgens looptijd van de garantie en de garantiedekking op grond van dit lid;

d.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2023 toegekend;

e.

het totale kredietbedrag per begunstigde, waarvoor op grond van deze afdeling een garantie wordt afgegeven, mag niet meer bedragen dan:

i.

15 % van de gemiddelde totale jaaromzet van de begunstigde over de laatste drie afgesloten boekhoudkundige perioden (74);

ii.

50 % van de energiekosten over de twaalf maanden vóór de maand waarin de steunaanvraag is ingediend (75); of

iii.

met een door de lidstaat aan de Commissie ter beoordeling te verstrekken passende motivering (met betrekking tot bijvoorbeeld de uitdagingen waarmee de begunstigde in de huidige crisis te kampen heeft) (76) mag het bedrag van de lening worden verhoogd:

om de liquiditeitsbehoeften vanaf het moment van toekenning voor de komende 12 maanden voor kleine en middelgrote ondernemingen (77) en voor de komende 6 maanden voor grote ondernemingen te dekken;

voor grote ondernemingen die financiële zekerheid voor handelsactiviteiten op energiemarkten moeten bieden, om de uit deze activiteiten voortvloeiende liquiditeitsbehoeften vanaf het moment van toekenning voor de komende 12 maanden te dekken;

de liquiditeitsbehoeften moeten door de begunstigde via zelfcertificering worden vastgesteld (78);

de liquiditeitsbehoeften die reeds door steunmaatregelen op grond van het tijdelijke COVID-19-steunkader worden gedekt, mogen niet worden gedekt door maatregelen die op grond van deze mededeling worden goedgekeurd;

f.

de looptijd van de garantie is beperkt tot maximaal zes jaar, tenzij die looptijd overeenkomstig punt 67, c), wordt aangepast, en de overheidsgarantie mag niet meer bedragen dan:

i.

90 % van de hoofdsom van de lening, indien verliezen evenredig en op dezelfde voorwaarden door de kredietinstelling en de Staat worden gedragen; of

ii.

35 % van de hoofdsom van de lening, indien verliezen eerst door de Staat worden gedragen en daarna pas door de kredietinstelling (d.w.z. een first-lossgarantie); alsmede

iii.

in beide bovenstaande gevallen moet, wanneer de omvang van de lening mettertijd afneemt (bijvoorbeeld omdat de terugbetaling van de lening is gestart), het gegarandeerde bedrag evenredig afnemen;

g.

indien de lidstaat daartoe een passende motivering verstrekt kan de overheidsgarantie, in afwijking van de punten 67, a), 67, e), 67, f), en 67, h), als niet-gefinancierde financiële zekerheid (79) aan centrale tegenpartijen of clearing members worden verstrekt ter dekking van nieuwe liquiditeitsbehoeften die voortvloeien uit de noodzaak om financiële zekerheid te stellen voor geclearde handelsactiviteiten op de energiemarkten. De dekking voor deze niet-gefinancierde garanties mag uitzonderlijk meer dan 90 % bedragen. Voor deze niet-gefinancierde garanties moet de lidstaat:

i.

indien de garantiedekking meer dan 90 % bedraagt, onderbouwd en gedetailleerd bewijzen dat die hogere dekking nodig is, en zich ertoe verbinden om te verifiëren en regelmatig te controleren dat eindbegunstigden niet via andere bronnen van interne of externe financiering, waaronder andere steun in het kader van deze mededeling, aan die liquiditeitsbehoeften kunnen voldoen;

ii.

motivering verschaffen voor het bedrag van de garanties, dat in geen geval hoger mag zijn dan het bedrag ter dekking van de liquiditeitsbehoeften voor de komende 12 maanden die voortvloeien uit de noodzaak om financiële zekerheden te stellen voor geclearde handelsactiviteiten op energiemarkten. De lidstaten moeten die noodzaak regelmatig controleren;

iii.

motivering verschaffen voor de periode waarvoor de garantie wordt verleend, die tot uiterlijk op 31 december 2023 moet worden beperkt en in geen geval langer mag zijn dan de periode waarin dergelijke garanties als zeer liquide zekerheden worden beschouwd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2311 van de Commissie tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft tijdelijke noodmaatregelen inzake zekerheidsvereisten (80);

iv.

aantonen op welke manier de voorwaarden voor het gebruik van de garantie in voldoende mate tegengewicht bieden voor moral hazards met betrekking tot de begunstigde en de financiële intermediair. Dit betreft met name de voorwaarde betreffende de terugvordering van de gegarandeerde bedragen bij de eindbegunstigde, waarbij de vordering van de lidstaat op de activa van de eindbegunstigde op hetzelfde of een hoger prioriteitsniveau als de overige uitstaande preferente schulden en leningen van de eindbegunstigde moet worden geplaatst;

v.

de premies vermelden die voor dergelijke garanties worden toegepast, en die ten minste gelijk moeten zijn aan de in de tabel van punt 67, b), bedoelde garantiepremies plus 200 basispunten en, indien de centrale tegenpartij of clearing member geen rente of vergoedingen aanrekent voor de niet-gefinancierde zekerheidspositie, moet de basisrente van punt 70, b) worden toegevoegd;

vi.

waarborgen dat ook punt 67, d), en punt 67, i), worden nageleefd. De optie van punt 67, c), is niet van toepassing en de garantie heeft alleen betrekking op liquiditeitsbehoeften in de zin van punt 67, g);

h.

de garantie moet investerings- en/of werkkapitaalleningen betreffen;

i.

garanties mogen worden afgegeven rechtstreeks aan eindbegunstigden of aan kredietinstellingen en andere financiële instellingen als financiële intermediairs. De kredietinstellingen of andere financiële instellingen moeten de voordelen van de overheidsgaranties maximaal doorgeven aan de eindbegunstigden. De financiële intermediair moet kunnen aantonen dat hij een mechanisme hanteert dat ervoor zorgt dat de voordelen maximaal aan de eindbegunstigden worden doorgegeven in de vorm van hogere volumes aan financiering, een hoger risicoprofiel van de portefeuille, lagere eisen inzake zekerheden, lagere garantiepremies of lagere rentepercentages dan zonder dergelijke overheidsgaranties het geval was geweest.

2.3.   Liquiditeitssteun in de vorm van gesubsidieerde leningen

(68)

Om ondernemingen die door de huidige crisis worden geraakt, toegang tot liquiditeit te verzekeren, kunnen rentesubsidies onder de huidige omstandigheden voor een beperkte periode en een beperkt kredietbedrag een passende, noodzakelijke en gerichte oplossing zijn.

(69)

Voor dezelfde onderliggende hoofdsom van een lening mogen leningen die op grond van deze afdeling worden verstrekt, niet worden gecumuleerd met steun toegekend op grond van afdeling 2.2 van deze mededeling, en omgekeerd. Op grond van deze mededeling verstrekte leningen en garanties mogen worden gecumuleerd voor verschillende leningen, op voorwaarde dat het totale kredietbedrag per begunstigde de drempels in punt 67, e), of in punt 70, e), niet overschrijdt. Een begunstigde kan parallel meerdere gesubsidieerde leningen op grond van deze afdeling genieten, op voorwaarde dat het totale kredietbedrag per begunstigde de plafonds in punt 70, e), niet overschrijdt.

(70)

De Commissie zal staatssteun in de vorm van subsidieerde leningen in reactie op de huidige crisis als op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU verenigbaar met de interne markt beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de leningen worden niet toegekend aan kredietinstellingen of andere financiële instellingen;

b.

de leningen mogen worden toegekend tegen verlaagde rentepercentages die ten minste gelijk zijn aan het basispercentage (eenjaars-IBOR of gelijkwaardig, zoals gepubliceerd door de Commissie (81)) dat ofwel op 1 oktober 2022 beschikbaar is (82), ofwel op het moment van de toekenning van de steun van toepassing is, vermeerderd met de kredietrisico-opslagen uit de onderstaande tabel (83):

Soort ontvanger

Kredietrisico-opslag voor jaar 1

Kredietrisico-opslag voor jaren 2 en 3

Kredietrisico-opslag voor jaren 4, 5 en 6

Kleine en middelgrote ondernemingen

25 bps (84)

50 bps (85)

100 bps

Grote ondernemingen

50 bps

100 bps

200 bps

c.

als alternatief mogen de lidstaten regelingen aanmelden waarbij de bovenstaande tabel als basis dient, maar waarbij de looptijd van de lening en de hoogte van de kredietrisico-opslagen mogen variëren: zo mag bijvoorbeeld een vaste kredietrisico-opslag voor de volledige looptijd van de lening worden gebruikt als die hoger is dan de minimale kredietrisico-opslag voor het eerste jaar voor elke soort begunstigde, zoals aangepast volgens de looptijd van de lening op grond van dit punt (86) (87);

d.

de leningsovereenkomsten worden uiterlijk op 31 december 2023 ondertekend en zijn beperkt tot maximaal zes jaar, tenzij de looptijd overeenkomstig punt 70, c), wordt aangepast;

e.

het totale kredietbedrag per begunstigde mag niet meer bedragen dan:

i.

15 % van de gemiddelde totale jaaromzet van de begunstigde over de laatste drie afgesloten boekhoudkundige perioden (88); of

ii.

50 % van de energiekosten over de twaalf maanden vóór de maand waarin de steunaanvraag is ingediend (89);

iii.

met een door de lidstaat aan de Commissie te verstrekken passende motivering (met betrekking tot bijvoorbeeld de uitdagingen waarmee de begunstigde in de huidige crisis te kampen heeft) (90) mag het bedrag van de lening worden verhoogd:

om de liquiditeitsbehoeften te dekken: vanaf het moment van toekenning voor de komende 12 maanden voor kleine en middelgrote ondernemingen (91) en voor de komende 6 maanden voor grote ondernemingen;

voor grote ondernemingen die financiële zekerheid voor handelsactiviteiten op energiemarkten moeten bieden, om de uit deze activiteiten voortvloeiende liquiditeitsbehoeften voor de komende 12 maanden te dekken;

de liquiditeitsbehoeften moeten door de begunstigde via zelfcertificering worden vastgesteld (92);

de liquiditeitsbehoeften die reeds door steunmaatregelen op grond van het tijdelijke COVID-steunkader worden gedekt, mogen niet worden gedekt door maatregelen op grond van deze mededeling;

f.

leningen moeten investerings- en/of werkkapitaalbehoeften betreffen;

g.

leningen mogen worden verstrekt rechtstreeks aan eindbegunstigden of aan kredietinstellingen en andere financiële instellingen als financiële intermediairs. In dat laatste geval moeten de kredietinstellingen of andere financiële instellingen de voordelen van de rentesubsidies voor leningen maximaal doorgeven aan de eindbegunstigden. De financiële intermediair moet kunnen aantonen dat hij een mechanisme hanteert dat ervoor zorgt dat de voordelen maximaal aan de eindbegunstigden worden doorgegeven zonder de toekenning van gesubsidieerde leningen op grond van deze afdeling afhankelijk te stellen van de herfinanciering van bestaande leningen.

2.4.   Steun voor extra kosten als gevolg van de uitzonderlijk scherpe stijging van aardgas- en elektriciteitsprijzen

(71)

Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, en de in deze mededeling uiteengezette mogelijkheden, kan tijdelijke steun de gevolgen van uitzonderlijk scherpe prijsstijgingen voor aardgas en elektriciteit als gevolg van de Russische agressie tegen Oekraïne verlichten. Die steun kan aan ondernemingen worden verstrekt op basis van hun huidige of hun historische energieverbruik. In het eerste geval zou de steun de voortzetting van de economische activiteit van de zwaarst getroffen ondernemingen mogelijk maken, maar zou zij per definitie minder aanzetten tot energiebesparing. Tegen de achtergrond van schaarse gasleveringen in de EU, is het ook van belang om sterke prikkels te behouden om de vraag te verminderen en geleidelijk minder gas te verbruiken. Steun op basis van het historische energieverbruik zou de marktprikkels om het energieverbruik terug te dringen intact kunnen houden en ondernemingen kunnen helpen de gevolgen van de huidige crisis op te vangen, op voorwaarde dat de begunstigden hun productieactiviteiten niet substantieel verminderen tot minder dan wat nodig is om de beoogde energiebesparingen te realiseren en/of hun verbruik louter verplaatsen. De lidstaten wordt derhalve verzocht van de begunstigden te verlangen dat zij toezeggingen in die zin doen. Voor iedere in aanmerking komende periode kunnen de lidstaten een steunregeling op basis van het huidige of het historische energieverbruik invoeren.

(72)

De Commissie zal staatssteun op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU als verenigbaar met de interne markt beschouwen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2023 toegekend (93);

b.

de steun mag worden toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, belastingvoordelen (94) en betalingsregelingen of andere vormen van steun, zoals terugbetaalbare voorschotten, garanties (95), leningen (96) en eigen vermogen, op voorwaarde dat de totale nominale waarde van dergelijke maatregelen de toepasselijke steunintensiteiten en steunplafonds niet overschrijdt. Alle gebruikte bedragen moeten brutobedragen zijn, d.w.z. vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

c.

steun toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten, garanties, leningen of andere terugbetaalbare instrumenten, mag worden omgezet in andere vormen van steun, zoals subsidies, op voorwaarde dat de omzetting uiterlijk op 30 juni 2024 plaatsvindt;

d.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling met een geraamd budget. De lidstaten mogen de steun beperken tot activiteiten ter ondersteuning van specifieke economische sectoren die van bijzonder belang zijn voor de economie of voor de veiligheid en de veerkracht van de interne markt, met inachtneming van bijvoorbeeld de criteria voor het prioriteren van belangrijke niet-beschermde afnemers uit de mededeling “Gas besparen om de winter goed door te komen” (97). Dergelijke beperkingen moeten evenwel breed opgezet zijn en mogen niet leiden tot een kunstmatige beperking van potentiële begunstigden;

e.

Voor de toepassing van deze afdeling worden de in aanmerking komende kosten berekend op basis van het verbruik van aardgas (inclusief als grondstof), van elektriciteit, en van verwarming en koeling (98) die rechtstreeks uit door de begunstigde (99) verworven aardgas en elektriciteit worden geproduceerd.

De maximale subsidiabele kosten worden berekend aan de hand van de volgende formule:

(p(t) - p(ref) * 1.5) * q

waarbij:

t

een bepaalde maand, of een periode van verscheidene opeenvolgende maanden, tussen 1 februari 2022 en uiterlijk op 31 december 2023 (“in aanmerking komende periode”)

ref

de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 (“referentieperiode”)

p(t)

de gemiddelde prijs per eenheid die de begunstigde in de in aanmerking komende periode heeft verbruikt (bijvoorbeeld in EUR/MWh)

p(ref)

de gemiddelde prijs per eenheid die de begunstigde in de referentieperiode heeft verbruikt (bijvoorbeeld in EUR/MWh)

q

de hoeveelheid die bij externe leveranciers is aangekocht en die de begunstigde als eindverbruiker heeft verbruikt (100). q kan door een lidstaat worden vastgesteld als:

 

q(t), d.w.z. het verbruik van de begunstigde in de in aanmerking komende periode, of

 

q(ref), d.w.z. het verbruik van de begunstigde in de referentieperiode.

Met ingang van 1 september 2022 mag q niet hoger zijn dan 70 % van het verbruik van de begunstigde voor dezelfde periode in 2021;

f.

de totale steun per begunstigde is nooit meer dan 50 % van de in aanmerking komende kosten, en de totale steun per onderneming per lidstaat is nooit meer dan 4 miljoen EUR;

g.

steun die op grond van deze afdeling wordt toegekend, mag worden gecumuleerd met steun die op grond van afdeling 2.1 wordt toegekend, op voorwaarde dat de toepasselijke steunplafonds per onderneming krachtens deze afdeling niet worden overschreden. Voor hetzelfde verbruiksvolume mag de steun die conform deze afdeling wordt toegekend en die wordt berekend op basis van het historische verbruik (q(ref)), niet worden gecumuleerd met steun uit hoofde van afdeling 2.7.

(73)

Onder bepaalde omstandigheden kan het nodig zijn begunstigden die er tijdens de crisis economisch op achteruit zijn gegaan, verder te steunen. De lidstaten kunnen steun toekennen die de overeenkomstig punt 72, f), berekende waarden overschrijdt, wanneer niet alleen aan de voorwaarden van punt 72, a) tot en met e), en g), is voldaan, maar ook aan de volgende voorwaarden:

a.

de totale steun per begunstigde is nooit meer dan 40 % van de in aanmerking komende kosten, en de totale steun per onderneming per lidstaat is nooit meer dan 100 miljoen EUR;

b.

voor begunstigden die als “energie-intensief bedrijf” (101) worden aangemerkt, mag de totale steun per begunstigde worden verhoogd tot een maximum van 65 % van de in aanmerking komende kosten, en mag de totale steun per onderneming per lidstaat nooit meer dan 50 miljoen EUR zijn. De begunstigde moet bovendien aantonen dat zijn EBITDA (102) (exclusief de steun) in de in aanmerking komende periode met ten minste 40 % ten opzichte van de referentieperiode is verlaagd, of dat zijn EBITDA (behoudens de steun) in de in aanmerking komende periode negatief was;

c.

voor begunstigden die worden aangemerkt als “energie-intensief bedrijf” dat actief is in een of meer van de in bijlage I (103) vermelde bedrijfstakken en deeltakken, wordt de totale steun per begunstigde verhoogd tot een maximum van 80 % van de in aanmerking komende kosten, en mag de totale steun per onderneming per lidstaat nooit meer dan 150 miljoen EUR zijn. De begunstigde moet bovendien aantonen dat zijn EBITDA (exclusief de steun) in de in aanmerking komende periode met ten minste 40 % ten opzichte van de referentieperiode is verlaagd, of dat zijn EBITDA (behoudens de steun) in de in aanmerking komende periode negatief was;

d.

voor steun die krachtens de punten 73, a), 73, b), en 73, c), is toegekend, mag de EBITDA van de begunstigde in de in aanmerking komende periode, met inbegrip van de totale steun, niet meer bedragen dan 70 % van zijn EBITDA in de referentieperiode. Indien de EBITDA in de referentieperiode negatief was, mag de steun niet leiden tot een stijging van de EBITDA in de referentieperiode tot boven 0.

(74)

De steuntoekennende autoriteit kan op grond van deze afdeling een voorschot aan de begunstigde betalen. Daarbij mag de steuntoekennende autoriteit gebruikmaken van ramingen van de subsidiabiliteitscriteria in deze afdeling, op voorwaarde dat de steunplafonds van deze afdeling in acht worden genomen. De steuntoekennende autoriteit stelt een proces op om de subsidiabiliteitsvoorwaarden en steunplafonds achteraf te verifiëren op basis van feitelijke gegevens en om alle steunbetalingen die niet aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen of de steunplafonds overschrijden, uiterlijk zes maanden na afloop van de in aanmerking komende periode terug te vorderen.

2.5.   Steun om de implementatie van voor het REPowerEU-plan relevante hernieuwbare energie en energieopslag te versnellen

(75)

Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, is het in de context van de huidige crisis en het REPowerEU-plan (104) van essentieel belang de kosteneffectieve beschikbaarheid van hernieuwbare energie te versnellen en uit te breiden om de afhankelijkheid van invoer van fossiele brandstoffen te verminderen, de energietransitie te versnellen en lagere en minder volatiele energieprijzen te verkrijgen. Staatssteun om de uitrol van hernieuwbare energie en energieopslagcapaciteit te versnellen, maakt deel uit van een passende, noodzakelijke en gerichte oplossing om de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen in de huidige context te verminderen. Gezien de dringende noodzaak om te zorgen voor een vlotte uitvoering van projecten die de implementatie van hernieuwbare energie en energieopslag versnellen, zijn bepaalde vereenvoudigingen voor de invoering van steunmaatregelen op tijdelijke basis gerechtvaardigd om de realisatie van REPowerEU te kunnen bewerkstelligen.

(76)

Om te komen tot een snellere implementatie van hernieuwbare energie en energieopslag kunnen aanvullende investeringen in energie-infrastructuur, met inbegrip van de uitbreiding van het net, noodzakelijk zijn. Overeenkomstig de mededeling betreffende het begrip “staatssteun” (105) valt steun voor energie-infrastructuur in het kader van een wettelijk monopolie niet onder de staatssteunvoorschriften. In de energiesector is dit met name relevant voor die lidstaten waar de aanleg en exploitatie van bepaalde infrastructuur bij wet uitsluitend is voorbehouden aan de transmissiesysteembeheerder of distributiesysteembeheerder.

2.5.1.   Investeringssteun voor het versnellen van de implementatie van hernieuwbare energie en voor energieopslag

(77)

De Commissie zal investeringssteun voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en voor energieopslag als verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun wordt toegekend voor een van de volgende methoden:

(i)

investeringen voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2018/2001 (106), met inbegrip van de productie van hernieuwbare waterstof en van waterstof afgeleide brandstoffen, maar met uitzondering van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof;

(ii)

investeringen in opslag van elektriciteit (107) en thermische opslag (108) (ook in combinatie met een van de andere soorten investeringen overeenkomstig deze afdeling);

(iii)

investeringen in de opslag voor hernieuwbare waterstof, biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen, die ten minste 75 % van de inhoud ervan verkrijgt uit een rechtstreeks verbonden faciliteit voor de productie van hernieuwbare waterstof, biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas of biomassabrandstoffen, op jaarbasis;

b.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling met een geraamd capaciteitsvolume en budget;

c.

de steunregelingen kunnen beperkt blijven tot een of meer technologieën die onder punt 77, a), vallen, maar mogen geen kunstmatige beperking of discriminatie omvatten (ook bij de toekenning van licenties, vergunningen of concessies wanneer deze nodig zijn);

d.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2025 toegekend; Met uitzondering van offshorewindtechnologieën moeten de installaties voltooid zijn en in bedrijf zijn binnen 36 maanden na de datum van toekenning. De regeling moet voorzien in een doeltreffend sanctiesysteem voor het geval deze termijn niet wordt gehaald;

e.

de steun wordt toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten, leningen (109), garanties (110) of belastingvoordelen, met inbegrip van belastingkredieten;

f.

het steunbedrag wordt als volgt vastgesteld:

(i)

ofwel wordt de steun toegekend door middel van een openbare aanbesteding die open, duidelijk, transparant en niet-discriminatoir is, op basis van objectieve criteria die vooraf zijn vastgesteld en die het risico op strategische inschrijvingen en een te laag aantal inschrijvers beperken (111). Ten minste 70 % van alle selectiecriteria voor de rangschikking van de inschrijvingen moet zijn vastgesteld in de vorm van steun per eenheid milieubescherming (zoals EUR per ton CO2-reductie) of steun per eenheid geïnstalleerde energieoutput of -capaciteit; ofwel

(ii)

wordt de steun administratief door de lidstaat vastgesteld op basis van gegevens over de investeringskosten van elk ondersteund project;

g.

steun voor fotovoltaïsche zonne-energie-, onshore- en offshorewind- en waterkrachtinstallaties mag uitsluitend worden toegekend in het kader van een concurrerende biedprocedure overeenkomstig punt 77, f), i).

h.

in afwijking van punt 77, g), is een concurrerende biedprocedure niet verplicht voor fotovoltaïsche zonne-energie, onshore- en offshorewind- en waterkrachtinstallaties wanneer de steun per onderneming per project niet meer dan 30 miljoen EUR bedraagt en de ondersteunde projecten kleine projecten zijn die worden gedefinieerd als:

(i)

projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 1 MW of minder; of

(ii)

projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 6 MW of minder, indien zij voor 100 % eigendom zijn van kmo’s of hernieuwbare-energiegemeenschappen; of

(iii)

alleen voor windenergie: projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 18 MW of minder, indien zij voor 100 % eigendom zijn van kleine en micro-ondernemingen of van hernieuwbare-energiegemeenschappen;

In een dergelijke situatie wordt de steun administratief vastgesteld op basis van punt 77, f), ii);

i.

de steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

(i)

100 % van de totale investeringskosten wanneer de steun wordt vastgesteld in een concurrerende biedprocedure op basis van punt 77, f), i); of

(ii)

45 % van de totale investeringskosten wanneer de steun administratief is vastgesteld op basis van punt 77, f), ii); De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen;

j.

indien de steun is toegekend voor de productie van hernieuwbare waterstof of voor de productie van van waterstof afgeleide brandstoffen (112), moet de lidstaat waarborgen dat de waterstof en de van waterstof afgeleide brandstoffen worden geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn (EU) 2018/2001 en de bijbehorende uitvoerings- of gedelegeerde handelingen;

k.

indien de steun is toegekend voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen, moet de lidstaat waarborgen dat de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de bijbehorende uitvoerings- of gedelegeerde handelingen;

l.

de steun wordt toegekend voor nieuw geïnstalleerde of gerepowerde capaciteiten (113). Het steunbedrag staat los van de energie-output. In het geval van gerepowerde capaciteiten komen alleen de extra kosten in verband met de gerepowerde capaciteit voor steun in aanmerking;

m.

steun in het kader van deze afdeling mag worden gecumuleerd met andere staatssteun, met uitzondering van steun in het kader van afdeling 2.5.2 van deze mededeling, of met centraal beheerde fondsen, mits die maatregelen betrekking hebben op verschillende aanwijsbare in aanmerking komende kosten. Steun mag alleen met staatssteun, met uitzondering van steun in het kader van afdeling 2.5.2 van deze mededeling, of met centraal beheerde fondsen, met betrekking tot dezelfde, geheel of gedeeltelijk overlappende in aanmerking komende kosten, worden gecumuleerd indien een dergelijke cumulering er niet toe leidt dat de in punt 77, i), vastgestelde toepasselijke steunintensiteit wordt overschreden (114);

n.

steun in het kader van deze afdeling mag alleen met steun in het kader van afdeling 2.5.2 van deze mededeling worden gecumuleerd wanneer de aangemelde steunregeling in die mogelijkheid voorziet op het moment van de eerste aanmelding ervan;

o.

er mag steun worden toegekend voor investeringen waarvoor vanaf 9 maart 2023 de werkzaamheden van start zijn gegaan, met uitzondering van investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, waarvoor de werkzaamheden vanaf 20 juli 2022 van start kunnen zijn gegaan; voor projecten die van start zijn gegaan vóór 9 maart 2023, of vóór 20 juli 2022 voor investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, mag steun worden toegekend indien deze noodzakelijk is om de reikwijdte van de investering aanzienlijk te versnellen of uit te breiden. In dergelijke gevallen komen alleen de extra kosten met betrekking tot die versnelling of uitbreiding in aanmerking voor steun;

p.

de steun moet de begunstigde ertoe aanzetten om een investering te doen die hij zonder die steun niet of op een beperkte of andere wijze zou doen. Gezien de uitzonderlijke economische uitdagingen waaraan ondernemingen door de huidige crisis het hoofd moeten bieden, geldt naar het oordeel van de Commissie over het algemeen dat begunstigden zonder de steun hun activiteiten onveranderd zouden voortzetten, mits de onveranderde voortzetting van hun activiteiten geen inbreuk op het Unierecht zou vormen;

q.

de lidstaat moet waarborgen dat het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in acht wordt genomen.

2.5.2.   Exploitatiesteun voor het versnellen van de implementatie van hernieuwbare energie en voor energieopslag

(78)

De Commissie zal exploitatiesteun voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en voor energieopslag als verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun wordt toegekend voor een van de volgende methoden:

(i)

productie van energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2018/2001, met inbegrip van de productie van hernieuwbare waterstof en van hernieuwbare waterstof afgeleide brandstoffen, maar met uitzondering van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof;

(ii)

exploitatie van de opslag van elektriciteit (115) en thermische opslag (116) (ook in combinatie met een van de andere soorten investeringen overeenkomstig deze afdeling);

(iii)

exploitatie van de opslag voor hernieuwbare waterstof, biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen, die ten minste 75 % van de inhoud ervan verkrijgt uit een rechtstreeks verbonden faciliteit voor de productie van hernieuwbare waterstof, biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas of biomassabrandstoffen, op jaarbasis;

b.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling met een geraamd capaciteits of outputvolume en budget;

c.

de steunregelingen kunnen beperkt blijven tot een of meer technologieën die onder punt 78, a), vallen, maar mogen geen kunstmatige beperking of discriminatie omvatten (ook bij de toekenning van licenties, vergunningen of concessies wanneer deze nodig zijn);

d.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2025 toegekend; Met uitzondering van offshorewindtechnologieën moeten de installaties voltooid zijn en in bedrijf zijn binnen 36 maanden na de datum van toekenning. De regeling moet voorzien in een doeltreffend sanctiesysteem voor het geval deze termijn niet wordt gehaald;

e.

de steun wordt toegekend in de vorm van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (117), met betrekking tot de energie-output van de installatie en met een contractduur van maximaal 20 jaar nadat de gesteunde installatie in bedrijf is gesteld (118);

f.

het steunbedrag wordt als volgt vastgesteld:

(i)

ofwel wordt de steun toegekend door middel van een openbare aanbesteding die open, duidelijk, transparant en niet-discriminatoir is, op basis van objectieve criteria die vooraf zijn vastgesteld en die het risico op strategische inschrijvingen en een te laag aantal inschrijvers beperken (119). Ten minste 70 % van alle selectiecriteria voor de rangschikking van de inschrijvingen moet zijn vastgesteld in de vorm van steun per eenheid milieubescherming (zoals EUR per ton CO2-reductie) of steun per eenheid energie-output of -capaciteit; ofwel

(ii)

met de uitoefenprijs die de bevoegde regulerende instantie (120) voor energie administratief vaststelt om de verwachte nettokosten te dekken, met inbegrip van de geraamde WACC, en rekening houdend met alle belangrijkste inkomsten en alle reeds ontvangen steun;

g.

de steun voor de productie van elektriciteit uit fotovoltaïsche zonne-energie, onshore- en offshorewindenergie en waterkracht mag uitsluitend worden toegekend in het kader van een concurrerende biedprocedure overeenkomstig punt 78, f), i);

h.

in afwijking van punt 78, g), is een concurrerende biedprocedure niet verplicht voor de productie van elektriciteit uit fotovoltaïsche zonne-energie, onshore- en offshorewindenergie en waterkracht wanneer de steun per onderneming per project niet meer dan 30 miljoen EUR bedraagt en de ondersteunde projecten kleine projecten zijn die worden gedefinieerd als:

(i)

projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 1 MW of minder; ofwel

(ii)

projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 6 MW of minder, indien zij voor 100 % eigendom zijn van kmo’s of hernieuwbare-energiegemeenschappen; of

(iii)

alleen voor windenergie: projecten met een geïnstalleerde capaciteit van 18 MW of minder, indien zij voor 100 % eigendom zijn van kleine en micro-ondernemingen of van hernieuwbare-energiegemeenschappen;

In een dergelijke situatie wordt de steun administratief vastgesteld op basis van punt 78, f), ii);

i.

de steun moet zodanig worden vormgegeven dat buitensporige verstoring van het efficiënte functioneren van markt en, met name, van doeltreffende prikkels voor de exploitatie en prijssignalen wordt vermeden. Meer bepaald mogen begunstigden niet worden gestimuleerd om hun output onder hun marginale kosten aan te bieden en mogen zij geen steun ontvangen voor productie in perioden waarin de marktwaarde van die productie negatief is (121);

j.

indien de steun is toegekend voor de productie van hernieuwbare waterstof of voor de productie van van waterstof afgeleide brandstoffen (122), moet de lidstaat waarborgen dat de waterstof en de van waterstof afgeleide brandstoffen worden geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoerings- of gedelegeerde handelingen daarvan;

k.

indien de steun is toegekend voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen, moet de lidstaat waarborgen dat de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoerings- of gedelegeerde handelingen daarvan;

l.

de steun wordt toegekend voor nieuw geïnstalleerde of gerepowerde capaciteiten (123);

m.

steun in het kader van deze afdeling mag worden gecumuleerd met andere staatssteun of met centraal beheerde fondsen, mits die maatregelen betrekking hebben op verschillende aanwijsbare in aanmerking komende kosten. Steun mag alleen met staatssteun of met centraal beheerde fondsen met betrekking tot dezelfde, geheel of gedeeltelijk overlappende in aanmerking komende kosten, worden gecumuleerd indien een dergelijke cumulering er niet toe leidt dat 10 % van de in punt 78, f), ii), vastgestelde verwachte nettokosten wordt overschreden (124);

n.

er mag steun worden toegekend voor installaties waarvoor de werkzaamheden vanaf 9 maart 2023 van start zijn gegaan, met uitzondering van investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, waarvoor de werkzaamheden vanaf 20 juli 2022 van start kunnen zijn gegaan; voor projecten die van start zijn gegaan vóór 9 maart 2023, of vóór 20 juli 2022 voor investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, mag steun worden verleend indien deze noodzakelijk is om de reikwijdte van de investering aanzienlijk te versnellen of uit te breiden. In dergelijke gevallen komen alleen de extra kosten met betrekking tot die versnelling of uitbreiding in aanmerking voor steun;

o.

de steun moet de begunstigde ertoe aanzetten om een activiteit uit te oefenen die hij zonder die steun niet of op een beperkte of andere wijze zou uitoefenen. Gezien de uitzonderlijke economische uitdagingen waaraan ondernemingen door de huidige crisis het hoofd moeten bieden, geldt volgens de Commissie over het algemeen dat begunstigden zonder de steun hun activiteiten onveranderd zouden voortzetten, mits de onveranderde voortzetting van hun activiteiten geen inbreuk op het Unierecht zou vormen;

p.

de lidstaat moet waarborgen dat het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in acht wordt genomen.

(79)

De Commissie zal steun voor het verhogen van de maximale elektriciteitsproductiecapaciteit van bestaande installaties terwijl geen verdere investeringen worden gedaan, als verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU beschouwen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de bestaande installatie is vóór 1 oktober 2022 op het net aangesloten en heeft steun ontvangen die door de Commissie is goedgekeurd op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, of van aanmelding is vrijgesteld;

b.

de steun is noodzakelijk om de maximumcapaciteit van bestaande installaties te verhogen zodat hun capaciteit zonder verdere investeringen tot maximaal 1 MW per installatie of gelijkwaardig wordt verhoogd;

c.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2023 toegekend en de in aanmerking komende periode voor steun in het kader van de steunmaatregel eindigt uiterlijk op 31 december 2024;

d.

de steun voldoet aan de voorwaarden van de punten 78, a), 78, b), 78, c), 78, e), 78, i), en 78, j);

e.

de steun op grond van deze maatregel mag niet worden gecumuleerd met andere steun ter ondersteuning van dezelfde extra capaciteit.

2.6.   Steun om de industriële productieprocessen middels elektrificatie en/of het gebruik van hernieuwbare waterstof en waterstof op basis van elektriciteit die aan bepaalde voorwaarden voldoet, te decarboniseren, en voor energie-efficiëntiemaatregelen

(80)

Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, is het in de context van de huidige crisis en van het REPowerEU-plan van essentieel belang om de investeringen in de decarbonisatie van industriële activiteiten te vergemakkelijken, om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Snellere elektrificatie- en energie-efficiëntiemaatregelen in de industrie en de invoering van technologieën op basis van hernieuwbare en op elektriciteit gebaseerde waterstof die voldoen aan de voorwaarden van punt 81, i), of op basis van van hernieuwbare waterstof afgeleide brandstoffen die voldoen aan de voorwaarden van punt 81, onder h), maken deel uit van een passende, noodzakelijke en gerichte oplossing om de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen te verminderen.

(81)

Steun voor investeringen die leiden tot i) een substantiële vermindering van broeikasgasemissies uit industriële activiteiten die momenteel fossiele brandstoffen gebruiken als energiebron of grondstof, of ii) een substantiële vermindering van het energieverbruik in industriële activiteiten en procedés, wordt door de Commissie als verenigbaar met de interne markt beschouwd overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt c), VWEU, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling met een geraamd budget;

b.

het maximale individuele steunbedrag dat per onderneming kan worden toegekend, mag in beginsel niet meer zijn dan hetzij 10 % van het totale budget dat voor een regeling beschikbaar is, hetzij 200 miljoen EUR. Nadat de lidstaat aan de Commissie voor haar beoordeling een passende motivering heeft verstrekt, kan de Commissie regelingen aanvaarden die individuele steunbedragen toekennen van meer dan 10 % van het totale budget dat voor die regeling beschikbaar is;

c.

de steun wordt toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten, leningen (125), garanties (126) of belastingvoordelen, met inbegrip van belastingkredieten;

d.

met de investering (127) moet de begunstigde in staat zijn een of beide van de volgende activiteiten te verrichten:

(i)

de rechtstreekse broeikasgasemissies van zijn industriële installatie die momenteel fossiele brandstoffen gebruikt als energiebron of grondstof, met minstens 40 % verminderen ten opzichte van de toestand voorafgaand aan de steun, door middel van elektrificatie van de productieprocessen, of omschakeling op het gebruik van hernieuwbare waterstof en waterstof op basis van elektriciteit die aan de voorwaarden van punt 81, g) en i), voldoet, of van brandstoffen afkomstig van hernieuwbare waterstof die aan de voorwaarden van punt 81, h), voldoen, ter vervanging van fossiele brandstoffen; met het oog op de verificatie van de vermindering van de broeikasgasemissies moeten ook de huidige emissies uit de verbranding van biomassa in aanmerking worden genomen (128);

(ii)

het energieverbruik in industriële installaties met betrekking tot de gesteunde activiteiten met minstens 20 % verminderen ten opzichte van de toestand voorafgaand aan de steun (129);

e.

voor investeringen in activiteiten die onder het emissiehandelssysteem vallen, moet de steun leiden tot een vermindering in broeikasgasemissies van de installatie van de begunstigde tot onder de toepasselijke benchmarks voor kosteloze toewijzing zoals bepaald in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 van de Commissie (130);

f.

de steun mag niet tot doel hebben een stijging van de algehele productiecapaciteit van de begunstigde te financieren; Dit laat de beperkte capaciteitsuitbreiding als gevolg van technische noodzaak onverlet. Dit wordt geacht het geval te zijn voor capaciteitsuitbreidingen met niet meer dan 2 % ten opzichte van de situatie vóór de steun;

g.

indien de steun is toegekend voor een industriële decarboniseringsinvestering waarvoor hernieuwbare waterstof wordt gebruikt, moet de lidstaat waarborgen dat de waterstof wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoerings- of gedelegeerde handelingen daarvan;

h.

wanneer de steun wordt toegekend voor een investering in het koolstofvrij maken van de industrie die gepaard gaat met het gebruik van hernieuwbare brandstoffen op basis van waterstof, voldoen die brandstoffen aan de volgende cumulatieve vereisten:

(i)

het gaat om vloeibare en gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn van hernieuwbare waterstof, waarvan de energie-inhoud afgeleid is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa;

(ii)

zij zorgen voor een broeikasgasemissiereductie gedurende de levenscyclus van ten minste 70 % ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ, en

(iii)

zij zijn geproduceerd overeenkomstig de methodologieën voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn (EU) 2018/2001 en de bijbehorende uitvoerings- of gedelegeerde handelingen.

i.

de steun kan ook worden toegekend voor een industriële decarboniseringsinvestering waarvoor waterstof wordt gebruikt die wordt geproduceerd uit elektriciteit in een van de volgende gevallen:

(i)

de waterstof wordt uitsluitend geproduceerd tijdens uren waarin de marginale elektriciteitsproductie-eenheid in de biedzone waar de elektrolyse-installatie is gevestigd, tijdens onbalansverrekeningsperioden waarin de elektriciteit is verbruikt, een fossielvrije elektriciteitscentrale is. Waterstof die in die uren is geproduceerd en die reeds is meegeteld als hernieuwbare waterstof in de zin van punt 81, g), kan niet een tweede keer worden meegeteld in het kader van deze afdeling;

(ii)

ofwel wordt waterstof geproduceerd uit elektriciteit die van het elektriciteitsnet wordt afgenomen, en de elektrolyse-installatie produceert waterstof voor een aantal uren dat gelijk is aan of kleiner is dan het aantal uur waarin de marginale prijs van elektriciteit in de biedzone was bepaald door installaties die fossielvrije elektriciteit produceren; waterstof die wordt geproduceerd voor een aantal uren dat gelijk is aan of lager is dan het aantal uren waarin de marginale elektriciteitsprijs in de biedzone is vastgesteld door installaties die hernieuwbare elektriciteit produceren, en die al als hernieuwbare waterstof in de zin van punt 81, g), is geteld, kan niet voor een tweede keer conform deze afdeling worden meegeteld;

(iii)

ofwel moet de lidstaat waarborgen dat de waterstof op basis van elektriciteit over de levenscyclus broeikasgasemissiereducties behaalt van ten minste 70 % in vergelijking met een fossiele referentiebrandstof van 94g CO2eq/MJ en dat die van fossielvrije bronnen afkomstig is. De methode om aan elektriciteit toegekende broeikasgasemissies te berekenen, mag niet leiden tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen conform de REPowerEU-doelstellingen. Uitsluitend het deel van de geproduceerde waterstof dat overeenkomt met het gemiddelde aandeel elektriciteit van fossielvrije elektriciteitscentrales, in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, kan voor de toepassing van deze afdeling worden gebruikt. Het aandeel waterstof dat overeenkomstig dit punt wordt geproduceerd en dat overeenkomt met het gemiddelde aandeel elektriciteit uit installaties voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, kan niet voor een tweede keer conform deze afdeling worden meegeteld voor zover dat aandeel al als hernieuwbare waterstof in de zin van punt 81, g), is meegeteld;

j.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2025 toegekend en is onderworpen aan de voorwaarde dat de met de investering te financieren installatie of uitrusting voltooid en operationeel moet zijn binnen 36 maanden na de datum van toekenning. De regeling moet voorzien in een doeltreffend sanctiesysteem voor het geval deze termijn niet wordt gehaald;

k.

de steun mag worden toegekend voor investeringen waarvoor de werkzaamheden vanaf 9 maart 2023 van start zijn gegaan, met uitzondering van investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, waarvoor de werkzaamheden vanaf 20 juli 2022 van start kunnen zijn gegaan; voor projecten die van start zijn gegaan vóór 9 maart 2023, of vóór 20 juli 2022 voor investeringen die in aanmerking komen op grond van het vorige tijdelijke crisiskader, mag steun worden verleend indien deze noodzakelijk is om de reikwijdte van de investering aanzienlijk te versnellen of uit te breiden. In dergelijke gevallen komen alleen de extra kosten met betrekking tot die versnelling of uitbreiding in aanmerking voor steun;

l.

de steun mag niet worden toegekend om louter aan de toepasselijke Unienormen te voldoen (131);

m.

de steun moet de begunstigde ertoe aanzetten om een investering te doen die hij zonder die steun niet of op een beperkte of andere wijze zou doen. Gezien de uitzonderlijke economische uitdagingen waaraan ondernemingen door de huidige crisis het hoofd moeten bieden, geldt naar het oordeel van de Commissie over het algemeen dat begunstigden zonder de steun hun activiteiten onveranderd zouden voortzetten, mits de onveranderde voortzetting van hun activiteiten geen inbreuk op het Unierecht zou vormen; de begunstigden worden geacht hun activiteiten zonder wijzigingen voort te zetten voor de in punt 81, d), i), bedoelde investeringen;

n.

de in aanmerking komende kosten zijn het verschil tussen de kosten van het project als bedoeld in punt 81, d), en de kostenbesparingen of extra omzet ten opzichte van de toestand zonder steun, gedurende de looptijd van de investering. De regeling moet zo zijn ontworpen dat uitzonderlijke meevallers kunnen worden aangepakt, onder meer in tijden van extreem hoge elektriciteits- of aardgasprijzen, door een vooraf bepaald terugvorderingsmechanisme in te voeren. De steunintensiteit mag nooit meer dan 40 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. De steunintensiteit kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor steun aan middelgrote ondernemingen en met 20 % voor steun aan kleine ondernemingen. De steunintensiteit kan ook met 15 procentpunten worden verhoogd voor investeringen die leiden tot een verlaging van de rechtstreekse broeikasgasemissies met ten minste 55 % of van het energieverbruik met ten minste 25 % ten opzichte van de toestand van vóór de investering (132);

o.

als alternatief voor punt 81, n), wordt het steunbedrag vastgesteld middels een openbare aanbesteding die open, duidelijk, transparant en niet-discriminatoir is, op basis van objectieve criteria die van te voren zijn vastgesteld en die het risico van strategische inschrijvingen minimaliseren. Ten minste 70 % van alle selectiecriteria om de inschrijvingen te rangschikken, moet zijn vastgesteld in de vorm van steun per eenheid milieubescherming of steun per eenheid energie (zoals EUR per ton CO2-reductie of EUR per eenheid bespaarde energie). Het budget van de biedprocedure moet een bindende beperking zijn, omdat kan worden verwacht dat niet alle bieders steun zullen krijgen;

p.

als verder alternatief voor punt 81, n) en o), kunnen de in aanmerking komende kosten overeenkomen met de investeringskosten in verband met het in punt 81, d), bedoelde project, met name de kosten van uitrusting, machines of installaties die nodig zijn voor de elektrificatie, de overschakeling op waterstof of op brandstoffen uit waterstof of de verbetering van de energie-efficiëntie. In een dergelijke situatie mag de steunintensiteit niet meer bedragen dan 60 % van de in aanmerking komende kosten voor andere in punt 81, d), i), bedoelde investeringen dan elektrificatieprojecten. Voor elektrificatieprojecten en voor de in punt 81, d), ii), bedoelde investeringen mag de steunintensiteit niet meer bedragen dan 30 % van de in aanmerking komende kosten;

q.

de steun in het kader van deze afdeling mag worden gecumuleerd met andere staatssteun, met uitzondering van steun in het kader van afdeling 2.5.2 van deze mededeling, of met centraal beheerde fondsen, mits die maatregelen betrekking hebben op verschillende aanwijsbare in aanmerking komende kosten;

r.

de overeenkomstig punt 81, n) en o), toegekende steun mag worden gecumuleerd met andere steun of met centraal beheerde middelen in verband met overlappende in aanmerking komende kosten, mits het op grond van punt 81, n) en o), toegestane maximale steunbedrag niet wordt overschreden;

s.

de overeenkomstig punt 81, p), toegekende steun mag worden gecumuleerd met andere steun of met centraal beheerde Uniefondsen in verband met overlappende in aanmerking komende kosten, op voorwaarde dat de hoogste steunintensiteit en/of het hoogste steunbedrag die op grond van een van de desbetreffende voorschriften gelden, niet worden overschreden. In geen geval mag het totale steunbedrag meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.7.   Steun voor extra vermindering van elektriciteitsverbruik

(82)

Naast de bestaande mogelijkheden overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt c), VWEU en de in deze mededeling opgenomen mogelijkheden kan tijdelijke steun nodig zijn om de vermindering van het elektriciteitsverbruik in de zin van de artikelen 3 en 4 van Verordening (EU) 2022/1854 (133) te verwezenlijken. Die steun kan de uitzonderlijke stijging van de elektriciteitsprijzen helpen verlichten door het verbruik van duurdere technologieën voor elektriciteitsopwekking (momenteel op basis van gas) te verminderen. Daarom is het handhaven van stimulansen voor bestaande reducties van het elektriciteitsverbruik net zo belangrijk als de zorg voor samenhang met de in Verordening (EU) 2022/1369 (134) vastgestelde streefcijfers ter reductie van de gasvraag. Gezien de verschillen tussen de lidstaten zijn richtsnoeren nodig om te waarborgen dat flexibiliteit wordt ingebed in de criteria die een gelijk speelveld en het behoud van de integriteit van de eengemaakte markt moeten garanderen.

(83)

De Commissie zal steun voor vermindering van elektriciteitsverbruik op grond van artikel 107, lid 3, punt b), VWEU als verenigbaar met de interne markt beschouwen, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun mag alleen financiële compensatie bieden indien die compensatie wordt betaald voor extra niet verbruikte elektriciteit ten opzichte van het op dat tijdstip verwachte verbruik (“contrafeitelijk”) zonder de in punt 83, e) bedoelde openbare aanbesteding (“extra vermindering van het verbruik”). Er bestaan verschillende methoden om de extra vermindering van het verbruik te bepalen. Om te waarborgen dat steun alleen wordt toegekend voor een extra vermindering van de vraag, moeten de lidstaten in het algemeen uit hogere energieprijzen voortvloeiende stimulansen, stimulansen uit andere steunbetalingen en regelingen, weersomstandigheden en speculatierisico’s in aanmerking nemen;

b.

de steun moet in de eerste plaats bedoeld zijn om een in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EU) 2022/1854 (135) vastgesteld streefcijfer voor de vermindering van het elektriciteitsverbruik te helpen behalen. Indien de steun is ontworpen om verder te gaan dan die streefcijfers, moet de lidstaat aantonen dat de steun extra voordelen biedt (bijvoorbeeld lagere energiesysteemkosten of een lager gasverbruik), die noodzakelijk (136) en evenredig zijn om de ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de interne markt in stand te houden;

c.

de steun moet worden toegekend op grond van een regeling met een geraamd volume en budget;

d.

de steun kan in verschillende vormen worden toegekend, zoals rechtstreekse subsidies, leningen (137) en garanties (138);

e.

de steun moet worden toegekend middels een openbare aanbesteding die open, duidelijk, transparant en niet-discriminatoir is, op basis van objectieve criteria die van te voren zijn vastgesteld en het risico van strategische inschrijvingen minimaliseren. Indien een risico op overcompensatie aan het licht komt, moet de steun zo worden opgezet dat uitzonderlijke meevallers kunnen worden aangepakt, bijvoorbeeld via een van te voren bepaald terugvorderingsmechanisme;

f.

de openbare aanbesteding(en) moet(en) in beginsel ontvankelijk zijn voor alle mogelijke manieren om het verbruik verder terug te dringen, met name:

i.

consumenten die elektriciteitsverbruik vervangen of vermijden;

ii.

opslag achter de meter om het verbruik tijdens piekuren te verminderen (tenzij de steun niet tot een extra vermindering van het verbruik zou leiden); alsmede

iii.

inrichtingen voor elektriciteitsopwekking achter de meter die geen gas als brandstof gebruiken. De lidstaten kunnen ervoor kiezen opwekking op basis van andere fossiele brandstoffen uit te sluiten;

g.

wat punt 83, f), betreft, kunnen regelingen in een van de volgende omstandigheden tot een of meer categorieën begunstigden worden beperkt:

i.

indien de verschillen in de kenmerken (bv. duur, frequentie van activering) van de diensten die door potentiële begunstigden kunnen worden aangeboden, zodanig zijn dat aanbiedingen per MWh niet als vergelijkbaar kunnen worden beschouwd;

ii.

indien de lidstaten aan de Commissie kunnen aantonen dat de mededinging niet onnodig zou worden verstoord; ofwel

iii.

om tijdige uitvoering te waarborgen (bv. door bestaande regelingen voort te zetten).

De regelingen mogen in geen geval een kunstmatige beperking of discriminatie bevatten. Overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn (EU) 2019/944 (139) mogen regelingen niet onnodig worden beperkt tot specifieke afnemers of groepen afnemers, met inbegrip van aankoopgroeperingen;

h.

de criteria om aan de openbare aanbesteding(en) te mogen deelnemen, moeten transparant, objectief en niet-discriminerend zijn. De begunstigden moeten reeds over passende elektriciteitsmeters (140) beschikken of zich ertoe verbinden die te installeren voordat de extra verbruiksvermindering wordt gerealiseerd. Om redenen van administratieve vereenvoudiging kan aan begunstigden een vereiste inzake de minimumomvang van de offerte worden opgelegd; in dat geval mag de minimumomvang van de offerte niet groter zijn dan 10 MW en moet aggregatie worden toegestaan om de drempel te bereiken;

i.

om de begunstigden in staat te stellen hun offertes nauwkeurig te beprijzen, moeten duidelijke en objectieve criteria worden vastgesteld die beschrijven wanneer de extra verbruiksvermindering van de begunstigde wordt geactiveerd. Het kan echter nodig zijn voldoende waarborgen in te bouwen — bijvoorbeeld een mate van toeval bij de activering — om te voorkomen dat er speculatiestimulansen worden gecreëerd, zoals een kunstmatige vergroting van in het basisscenario verwachte omstandigheden;

j.

om negatieve gevolgen voor het gasverbruik te voorkomen, moeten begunstigden zich ertoe verbinden dat hun extra vermindering van het elektriciteitsverbruik hun totale gasverbruik niet zal doen stijgen. Om van de voordelen van de verschuiving van het elektriciteitsverbruik van piekuren naar daluren (141) te profiteren en de doelstelling inzake een lager totaal elektriciteitsverbruik niet in gevaar te brengen, moeten de begunstigden, met het oog op steun ter vermindering van het elektriciteitsverbruik tijdens piekuren, zich er bovendien toe verbinden om tijdens de daluren niet meer dan 150 % te verbruiken van de gecompenseerde vermindering van het elektriciteitsverbruik tijdens de piekuren;

k.

binnen openbare aanbestedingen moeten de begunstigden worden geselecteerd op basis van de laagste kosten per eenheid van de extra verbruiksvermindering (in EUR/MWh of equivalent (142)). De lidstaten mogen extra objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria toevoegen ter bevordering van groenere technologieën die noodzakelijk zijn om de milieubeschermingsdoelstellingen van de Unie te helpen verwezenlijken;

l.

de vergoeding moet aan begunstigden worden toegekend op basis van de daadwerkelijk verwezenlijkte extra verbruiksvermindering (en niet op basis van de extra verbruiksvermindering waartoe de begunstigde zich heeft verbonden);

m.

de steun mag de goede werking van de interne markt voor elektriciteit niet onnodig verstoren. De lidstaten kunnen de steun openstellen voor grensoverschrijdende deelname;

n.

de extra consumptievermindering die wordt gecompenseerd, moet plaatsvinden binnen de periode van toepassing van het (de) desbetreffende artikel(en) van Verordening (EU) 2022/1854 (143), of, indien de steun verder gaat dan die doelstellingen, uiterlijk op 31 december 2023;

o.

cumulatie met andere staatssteunmaatregelen is mogelijk, zolang overcompensatie wordt vermeden door bijvoorbeeld te waarborgen dat steun wordt toegekend via een openbare aanbesteding. Steun kan in geen geval worden toegekend indien deze betrekking heeft op in aanmerking komende kosten die reeds door andere staatssteunmaatregelen worden gedekt.

2.8.   Steun voor versnelde investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie

(84)

Gezien de noodzaak om de economische transitie te versnellen en de huidige crisis te boven te komen, kunnen de lidstaten overwegen particuliere investeringen te ondersteunen om het tekort aan productieve investeringen aan te pakken in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, en stimulansen te bieden voor een snelle uitrol ervan, mede gelet op mondiale uitdagingen die het risico inhouden dat nieuwe investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de EER.

(85)

De Commissie zal steun voor investeringsprojecten die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, als verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU aanmerken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun wordt toegekend ter bevordering van:

i.

de productie van relevante uitrusting voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, namelijk batterijen, zonnepanelen, windturbines, warmtepompen, elektrolyse-installaties en uitrusting voor koolstofafvang en -opslag (CCUS); ofwel

ii.

de productie van essentiële onderdelen die zijn ontworpen en voornamelijk worden gebruikt als directe input voor de productie van de onder i) bedoelde uitrusting; ofwel

iii.

de productie of terugwinning van gerelateerde kritieke grondstoffen die nodig zijn voor de productie van de onder i) en ii) bedoelde uitrusting en essentiële onderdelen;

b.

de steun wordt toegekend op grond van een regeling (144) met een geraamd budget;

c.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2025 toegekend;

d.

de begunstigde moet vóór de aanvang van de werkzaamheden (145) steun aanvragen en de in bijlage II bij deze mededeling vereiste informatie aan de lidstaat verstrekken (146);

e.

de steun kan worden verleend in de vorm van rechtstreekse subsidies of in andere vormen zoals belastingvoordelen, rentesubsidies op nieuwe leningen of garanties op nieuwe leningen, mits het nominale bedrag van het belastingvoordeel of het nominale bedrag van de onderliggende nieuwe lening de toepasselijke steunintensiteit en de totale steunbedragen op grond van dit punt niet overschrijdt. Wanneer de garanties of leningen worden verstrekt via krediet- en andere financiële instellingen als financiële intermediairs, worden de voorwaarden van punt 67, i), en punt 70, g), in acht genomen om ervoor te zorgen dat de op grond van deze afdeling toegekende steun zoveel mogelijk rechtstreeks aan de eindbegunstigden wordt doorgegeven;

f.

de in aanmerking komende kosten hebben betrekking op alle investeringskosten in materiële (zoals grond, gebouwen, installaties, uitrusting, machines) en immateriële activa (zoals octrooirechten, licenties, knowhow of andere intellectuele eigendom) die nodig zijn voor de productie of terugwinning van de in punt 85, a), opgenomen goederen. Immateriële activa moeten: 1) verbonden blijven met het betrokken gebied en mogen niet naar andere gebieden worden overgebracht; 2) voornamelijk worden gebruikt in de relevante productievestiging die de steun ontvangt; 3) afschrijfbaar zijn; 4) op marktvoorwaarden worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; 5) worden opgenomen in de activa van de onderneming die de steun ontvangt; en 6) moeten gedurende ten minste vijf jaar (of drie jaar voor kmo’s) verbonden blijven met het project waarvoor de steun wordt toegekend;

g.

de steunintensiteit mag nooit meer dan 15 % van de in aanmerking komende kosten bedragen, en het totale steunbedrag nooit meer dan 150 miljoen EUR per onderneming per lidstaat. Hierbij geldt evenwel het volgende:

i.

voor investeringen in steungebieden die overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt c), VWEU op de toepasselijke regionale-steunkaart voor de betrokken lidstaat zijn aangewezen (steungebieden onder c)), kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 20 % van de in aanmerking komende kosten en mag het totale steunbedrag niet meer bedragen dan 200 miljoen EUR per onderneming per lidstaat;

ii.

voor investeringen in steungebieden die overeenkomstig artikel 107, lid 3, punt a), VWEU op de toepasselijke regionale-steunkaart voor de betrokken lidstaat zijn aangewezen (steungebieden onder a)), kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 35 % van de in aanmerking komende kosten en mag het totale steunbedrag niet meer bedragen dan 350 miljoen EUR per onderneming per lidstaat;

h.

wanneer de steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, leningen of garanties, kunnen de in punt 85, g), vastgestelde steunintensiteiten met 5 procentpunten worden verhoogd. Voor investeringen door kleine ondernemingen kunnen de steunintensiteiten met 20 procentpunten worden verhoogd en voor investeringen door middelgrote ondernemingen kunnen de steunintensiteiten met 10 procentpunten worden verhoogd;

i.

de begunstigde moet zich ertoe verbinden de investeringen in het betrokken gebied gedurende ten minste vijf jaar, (of drie jaar voor kmo’s) na de voltooiing van de investering te handhaven. Een dergelijke verbintenis belet niet dat installaties of uitrusting die in deze periode verouderd of defect raken, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de minimumperiode in het bewuste gebied behouden blijven. Voor het vervangen van die installaties of uitrusting mag echter geen verdere steun worden verleend;

j.

alvorens de steun toe te kennen en op basis van de door de begunstigde in bijlage II bij deze mededeling verstrekte informatie en de in punt 85, k), bedoelde verbintenissen, moet de steunverlenende autoriteit verifiëren of er concrete risico’s bestaan dat de productieve investering niet binnen de EER plaatsvindt en of er geen risico van verplaatsing binnen de EER bestaat in de zin van punt 85, k);

k.

de steun mag niet worden verleend om de verplaatsing (147) van productieactiviteiten tussen lidstaten te vergemakkelijken. Daartoe moet de begunstigde:

i.

bevestigen dat hij in de twee jaar voorafgaand aan de steunaanvraag geen verplaatsing heeft uitgevoerd naar de vestiging waar de initiële investering moet plaatsvinden; en

ii.

zich ertoe verbinden die verplaatsing niet te doen gedurende een periode van maximaal twee jaar na de voltooiing van de initiële investering;

l.

de steun mag niet worden toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden (148);

m.

de steun mag worden gecumuleerd met staatssteun ten behoeve van dezelfde – geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten, mits deze cumulatie er niet toe leidt dat de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag die op grond van een van de desbetreffende voorschriften gelden, niet worden overschreden. In geen geval mag het totale steunbedrag meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten;

n.

wanneer de lidstaten regelingen in het kader van dit punt aanmelden, kunnen zij overwegen op niet-discriminerende wijze eisen met betrekking tot milieubescherming op te nemen, zoals die welke zijn vermeld in punt 37 van deze mededeling of met betrekking tot sociale bescherming of arbeidsomstandigheden;

o.

de lidstaten moeten de Commissie op basis van de door de begunstigde in bijlage II bij deze mededeling verstrekte informatie binnen 60 dagen na de toekenning van de steun in kennis stellen van de datum van toekenning, het steunbedrag, de in aanmerking komende kosten, de identiteit van de begunstigde, het soort en de locatie van de gesteunde investering;

(86)

Uitzonderlijk kan de Commissie in afwijking van punt 85, b), en op basis van individuele aanmeldingen voor de productie van de betrokken goederen voor de transitie naar een klimaatneutrale economie in de zin van punt 85, a), van deze mededeling op grond van artikel 107, lid 3, punt c), VWEU individuele steun goedkeuren tot het bedrag van de subsidie (149) die de begunstigde aantoonbaar zou kunnen ontvangen voor een gelijkwaardige investering in een rechtsgebied van een derde land buiten de EER, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.

de steun stimuleert de begunstigde om het investeringsproject op een bepaalde plaats te vestigen of om gekoppelde investeringsprojecten (150) op gang te brengen die nodig zijn voor de productie van de desbetreffende goederen zoals gedefinieerd in punt 85, a):

i.

volledig in een steungebied als omschreven in de toepasselijke regionale-steunkaart; ofwel

ii.

in ten minste drie EER-lidstaten waar een aanzienlijk deel van de kapitaalinvestering plaatsvindt in ten minste twee steungebieden. Een groot deel van een dergelijke aanzienlijke investering moet plaatsvinden in een steungebied onder a) zoals gedefinieerd in de toepasselijke regionale-steunkaart(en);

b.

de steun wordt uiterlijk op 31 december 2025 toegekend;

c.

de begunstigde moet zich ertoe verbinden voor de productie van de in punt 85, a), van deze mededeling bedoelde goederen gebruik te maken van de meest recente in de handel verkrijgbare geavanceerde productietechnologie vanuit het oogpunt van milieuemissies;

d.

de begunstigde moet vóór de aanvang van de werkzaamheden (151) steun aanvragen en de lidstaat de in bijlage II bij deze mededeling vereiste informatie en bewijsstukken verstrekken (152). De begunstigde moet solide bewijzen verstrekken van de subsidies die hij voor een soortgelijk project op geloofwaardige wijze in een rechtsgebied buiten de EER zou ontvangen, en moet aantonen dat de voorgenomen investering zonder de steun niet in de EER (153) zou plaatsvinden (154). Bovendien moet de begunstigde aantonen dat de steun geen effecten teweegbrengt die tegen de cohesie indruisen (155);

e.

de steun mag niet hoger zijn dan het minimumbedrag dat nodig is om de begunstigde van de steun ertoe aan te zetten de investering in het betrokken gebied in de EER te vestigen (financieringskloof) (156);

f.

de steun mag niet worden verleend om de verplaatsing (157) van productieactiviteiten tussen lidstaten te vergemakkelijken. Wanneer de Commissie aan te melden maatregelen beoordeelt, zal zij om alle nodige informatie verzoeken, om te kunnen vaststellen of de staatssteun op bestaande locaties binnen de EER waarschijnlijk tot een substantieel verlies aan banen zou leiden. In deze situatie en als de investering de begunstigde van de steun in staat stelt een activiteit naar het doelgebied te verplaatsen, zal, indien er een oorzakelijk verband tussen de steun en de verplaatsing van activiteiten bestaat, een en ander een negatief effect zijn dat waarschijnlijk niet door positieve effecten kan worden gecompenseerd;

g.

de begunstigde moet zich ertoe verbinden de investering in het betrokken gebied gedurende ten minste vijf jaar(of drie jaar voor kmo’s) na de voltooiing van de investering te handhaven. Een dergelijke verbintenis belet niet dat installaties of uitrusting die in deze periode verouderd of defect raken, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de minimumperiode in het bewuste gebied behouden blijven. Voor het vervangen van die installaties of uitrusting mag echter geen verdere steun worden verleend;

h.

de steun op grond van deze afdeling mag niet worden toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden (158).

3.   MONITORING EN VERSLAGLEGGING

(87)

De lidstaten moeten de nodige informatie over elke in het kader van deze mededeling toegekende individuele steunmaatregel boven 100 000 EUR (159), en boven 10 000 EUR (160) in de sectoren primaire landbouw en visserij, bekendmaken op de uitgebreide staatssteunwebsite of via het IT-instrument van de Commissie (161) binnen twaalf maanden na de toekenning ervan, met uitzondering van op grond van afdeling 2.8 toegekende steun, waarvoor de lidstaten de relevante informatie binnen zes maanden na de toekenning ervan moeten bekendmaken.

(88)

Voor steunmaatregelen in de zin van afdeling 2.4 van deze mededeling moeten de lidstaten, indien de totale steun per onderneming per lidstaat meer dan 50 miljoen EUR bedraagt, in hun regelingen als voorwaarde opnemen dat de begunstigde binnen een jaar na de toekenning van de steun bij de steuntoekennende autoriteit een plan indient waarin wordt uiteengezet hoe de begunstigde de koolstofvoetafdruk van zijn energieverbruik zal verkleinen of hoe hij de eisen van punt 37 met betrekking tot milieubescherming of voorzieningszekerheid zal uitvoeren. Deze voorwaarde geldt vanaf 1 januari 2023.

(89)

De lidstaten moeten jaarlijks een verslag indienen bij de Commissie (162).

(90)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat gedetailleerde dossiers worden bijgehouden over de toekenning van steun op grond van deze mededeling. Deze dossiers, die alle gegevens moeten bevatten die nodig zijn om te kunnen nagaan of aan de vastgestelde voorwaarden is voldaan, moeten tien jaar worden bewaard en op verzoek aan de Commissie worden meegedeeld.

(91)

De Commissie kan met betrekking tot de toegekende steun om aanvullende informatie verzoeken, met name om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden van het besluit van de Commissie waarbij de steunmaatregel is goedgekeurd.

(92)

Om de uitvoering van deze mededeling te kunnen monitoren, kan de Commissie de lidstaten vragen geaggregeerde informatie te verschaffen over het gebruik van staatssteunmaatregelen voor het opheffen van de ernstige verstoring in de economie als gevolg van de huidige crisis.

4.   SLOTBEPALINGEN

(93)

De Commissie past deze mededeling toe vanaf 9 maart 2023. De Commissie past de bepalingen van deze mededeling toe op alle maatregelen die vanaf 9 maart 2023 zijn aangemeld en op maatregelen die reeds vóór die datum waren aangemeld.

(94)

Deze mededeling vervangt het tijdelijke crisiskader dat op 28 oktober 2022 (163) is vastgesteld (“het vorige tijdelijke crisiskader”). Dit vorige tijdelijke crisiskader wordt met ingang van 9 maart 2023 ingetrokken. Het vorige tijdelijke crisiskader verving reeds het tijdelijke crisiskader dat op 23 maart 2022 (164) werd vastgesteld, zoals gewijzigd op 20 juli 2022 (165).

(95)

Over het geheel genomen mag steun die is toegekend op grond van de afdelingen 2.1 tot en met 2.3 van de vorige tijdelijke crisiskaders en steun die op grond van dezelfde respectieve afdelingen van deze mededeling is toegekend, nooit de in de respectieve afdelingen van deze mededeling vastgestelde steunplafonds overschrijden. Steun die is toegekend op grond van afdeling 2.4 van de vorige tijdelijke crisiskaders en steun die op grond van deze mededeling is toegekend, mag de in deze mededeling voor dezelfde in aanmerking komende periode vastgestelde steunplafonds niet overschrijden. Steun die is toegekend op grond van afdelingen 2.5 en 2.6 van de vorige tijdelijke crisiskaders, mag niet worden gecumuleerd met steun die op grond van dezelfde respectieve afdelingen van deze mededeling is toegekend voor dezelfde in aanmerking komende kosten.

(96)

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (166) past de Commissie deze richtsnoeren toe op niet-aangemelde steun indien de steun na 9 maart 2023 is toegekend.

(97)

In alle andere gevallen past de Commissie de regels toe van het kader dat van kracht was toen de steun werd toegekend.

(98)

De Commissie zal alle afdelingen van deze mededeling vóór 31 december 2023 herzien op basis van belangrijke overwegingen op het gebied van het mededingingsbeleid of op economisch gebied, alsmede de internationale ontwikkelingen. Waar nuttig kan de Commissie ook de door haar gevolgde benadering van bepaalde vraagstukken verder verduidelijken.

(99)

De Commissie zorgt, in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaten, voor een snelle beoordeling na een heldere en volledige aanmelding van maatregelen die onder deze mededeling vallen. De lidstaten moeten de Commissie van hun voornemens in kennis stellen en hun plannen om dergelijke maatregelen in te voeren zo snel en volledig mogelijk aanmelden. De Commissie zal de lidstaten in dit proces advies en bijstand verstrekken.

(1)  Oekraïne is de op de drie na grootste externe leverancier van levensmiddelen van de EU en een cruciale leverancier van granen (52 % van de EU-maisimport, 19 % van de zachte tarwe), plantaardige oliën (23 %) en oliehoudende zaden (22 %, en met name koolzaad: 72 %). Wereldwijd zijn de voedingsprijzen reeds hoog en zij zouden, gezien de situatie, nog verder kunnen stijgen.

(2)  Zo heeft de regering van de Russische Federatie op 6 maart 2022 decreet nr. 299 aangenomen tot wijziging van lid 2 van de methode voor het bepalen van het bedrag van de aan de octrooihouder verschuldigde vergoeding bij de beslissing over het gebruik van de uitvinding of het gebruiksmodel, de beslissing over het gebruik van de uitvinding zonder toestemming van de octrooihouder, en de procedure voor het voldoen van die vergoeding. Volgens deze wijziging is geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik van een uitvinding, gebruiksmodel of industrieel ontwerp van de “octrooihouders” uit buitenlandse staten die “onvriendelijke daden” verrichten. Volgens respectievelijk WIPO Global Brand Database, WIPO Global Designs Database en de PatentSight-database waren er in maart 2022 in Rusland rond 150 000 handelsmerken, 2000 industriële ontwerpen en 44 000 octrooien van EU-bedrijven van kracht. Bij de beschermde handelsmerken van EU-bedrijven in Rusland ging het vooral om de volgende sectoren: farma, cosmetica, automobielindustrie, chemie en consumentengoederen, mode en luxegoederen. Gezien de vage bewoordingen van de wijziging van de methode voor de aan octrooihouders verschuldigde vergoeding die de Russische regering bij decreet nr. 299 van 6 maart 2022 heeft aangenomen, en gezien de economische blootstelling van EU-ondernemingen en hun in Rusland aangehouden immateriële activa, kan een dergelijke tegenmaatregel potentieel een breed en schadelijk effect op EU-ondernemingen hebben.

(3)  Verordening (EU) 2022/259 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 1); Uitvoeringsverordeningen (EU) 2022/261 en 2022/261 van de Raad van 23 februari 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 3; PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 15); Verordening (EU) 2022/262 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 74); Verordening (EU) 2022/263 van de Raad van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder het gezag van de regering vallende gebieden in de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevel aan de Russische strijdkrachten om die gebieden binnen te trekken (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 77); Besluit (GBVB) 2022/264 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 95); Besluiten (GBVB) 2022/267 en 2022/267 van de Raad van 23 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 98; PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 114); en Besluit (GBVB) 2022/266 van de Raad van 23 februari 2022 betreffende beperkende maatregelen in antwoord op de erkenning van de niet onder regeringsgezag vallende gebieden van de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het sturen van Russische strijdkrachten naar die gebieden (PB L 42 I van 23.2.2022, blz. 109).

(4)  Besluit (GBVB) 2022/327 van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 48 van 25.2.2022, blz. 1); Verordening (EU) 2022/328 van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 49 van 25.2.2022, blz. 1); Besluit (GBVB) 2022/329 van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 50 van 25.2.2022, blz. 1); Verordening (EU) 2022/330 van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 51 van 25.2.2022, blz. 1); Besluit (GBVB) 2022/331 van de Raad van 25 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 52 van 25.2.2022, blz. 1); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/332 van de Raad van 25 februari 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 53 van 25.2.2022, blz. 1); Besluit (EU) 2022/333 van de Raad van 25 februari 2022 betreffende de gedeeltelijke opschorting van de toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische Federatie (PB L 54 van 25.2.2022, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2022/334 van de Raad van 28 februari 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 57 van 28.2.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/335 van de Raad van 28 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 57 van 28.2.2022, blz. 4).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/336 van de Raad van 28 februari 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 58 van 28.2.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/337 van de Raad van 28 februari 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 59 van 28.2.2022, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2022/345 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 63 van 2.3.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/346 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 63 van 2.3.2022, blz. 5).

(8)  Verordening (EU) 2022/350 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 65 van 2.3.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/351 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 65 van 2.3.2022, blz. 5).

(9)  Verordening (EU) 2022/355 van de Raad van 2 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus (PB L 67 van 2.3.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/356 van de Raad van 2 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus (PB L 67 van 2.3.2022, blz. 103).

(10)  Verordening (EU) 2022/345 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 63 van 2.3.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/354 van de Raad van 2 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 63 van 2.3.2022, blz. 5).

(11)  Verordening (EU) 2022/398 van de Raad van 9 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB L 82 van 9.3.2022, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) 2022/394 van de Raad van 9 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 81 van 9.3.2022, blz. 1).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/427 van de Raad van 15 maart 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 87 Ivan 15.3.2022, blz. 1); Verordening (EU) 2022/428 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 87I van 15.3.2022, blz. 13).

(14)  Verordening (EU) 2022/428 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 87 I van 15.3.2022, blz. 13), en Besluit (GBVB) 2022/430 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 87 I van 15.3.2022, blz. 56).

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/427 van de Raad van 15 maart 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 87 I van 15.3.2022, blz. 1), en Besluit (GBVB) 2022/429 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 87 I van 15.3.2022, blz. 44).

(16)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/876 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 1); Verordening (EU) 2022/877 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 11); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/878 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 15); Verordening (EU) 2022/879 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 53); Verordening (EU) 2022/880 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 75); Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/881 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en in het licht van de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 77); Besluit (GBVB) 2022/882 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen met het oog op de situatie in Belarus en de betrokkenheid van Belarus bij de Russische agressie tegen Oekraïne (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 88); Besluit (GBVB) 2022/883 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 92); Besluit (GBVB) 2022/884 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 128); Besluit (GBVB) 2022/885 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 153 van 3.6.2022, blz. 139).

(17)  Verordening (EU) 2022/1269 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 193 van 21.7.2022, blz. 1), Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1270 van de Raad van 21 juli 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 193 van 21.7.2022, blz. 133), Besluit (GBVB) 2022/1271 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 193 van 21.7.2022, blz. 196), Besluit (GBVB) 2022/1272 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 193 van 21.7.2022, blz. 219).

(18)  Verordening (EU) 2022/1903 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2022/263 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder regeringsgezag vallende gebieden van de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het sturen van Russische strijdkrachten naar die gebieden (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 1), Verordening (EU) 2022/1904 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 3), Verordening (EU) 2022/1905 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 76), Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1906 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 79), Besluit (GBVB) 2022/1907 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 98), Besluit (GBVB) 2022/1908 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2022/266 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de erkenning van de niet onder regeringsgezag vallende gebieden van de oblasten Donetsk en Loehansk van Oekraïne en het bevelen van Russische strijdkrachten naar die gebieden (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 118), Besluit (GBVB) 2022/1909 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 259 I van 6.10.2022, blz. 122).

(19)  Verordening (EU) 2022/2474 van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 1), Verordening (EU) van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 315), Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2476 van de Raad van 16 december 2022 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 318), Besluit (GBVB) 2022/2477 van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 466), Besluit (GBVB) 2022/2478 van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 614), Besluit (GBVB) 2022/2479 van de Raad van 16 december 2022 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 322 I van 16.12.2022, blz. 687).

(20)  Verordening (EU) 2023/426 van de Raad van 25 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 59 I van 25.2.2023, blz. 1); Verordening (EU) 2023/427 van de Raad van 25 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 59 I van 25.2.2023, blz. 6); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/429 van de Raad van 25 februari 2023 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 59 I van 25.2.2023, blz. 278); Besluit (GBVB) 2023/432 van de Raad van 25 februari 2023 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB L 59 I van 25.2.2023, blz. 437); en Besluit (GBVB) 2023/434 van de Raad van 25 februari 2023 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 59 I van 25.2.2023, blz. 593).

(21)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (COM(2021) 660 final van 13 oktober 2021) – De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen.

(22)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (COM(2022) 108 final van 8 maart 2022) – REPowerEU: een gemeenschappelijk Europees optreden voor betaalbaardere, veiligere en duurzamere energie.

(23)  Via het bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1) ingestelde instrument voor technische ondersteuning biedt de Commissie lidstaten op verzoek ondersteuning bij de vormgeving en uitvoering van hervormingen die voor betaalbaardere, zekerdere en duurzamere energie moeten zorgen.

(24)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (COM(2022) 230 final van 18 mei 2022) – REPowerEU-plan.

(25)  Verordening (EU) 2022/1032 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) 2017/1938 en (EG) nr. 715/2009 wat betreft gasopslag (PB L 173 van 30.6.2022, blz. 17).

(26)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's COM(2022) 360 final van 20 juli 2022 – Gas besparen om de winter goed door te komen.

(27)  Verordening (EU) 2022/1369 van de Raad van 5 augustus 2022 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (PB L 206 van 8.8.2022, blz. 1).

(28)  Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB L 261I van 7.10.2022, blz. 1).

(29)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (COM(2022) 553 final van 18 oktober 2022) – Noodsituatie op energiegebied – samen voorbereidingen treffen, aankopen doen en de EU beschermen.

(30)  Voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie bij de aankoop van gas, de uitwisseling van gas tussen landen en betrouwbare prijsbenchmarks (COM/2022/549 final van 18 oktober 2022).

(31)  Macro-economische prognoses voor de eurozone van het personeel van de ECB van september 2022.

(32)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's COM(2022) 236 final van 18 mei 2022 – Kortetermijnmaatregelen op de energiemarkt en verbeteringen op lange termijn in de opzet van de elektriciteitsmarkt – een gedragslijn.

(33)  COM(2022) 230 final van 18 mei 2022.

(34)  Verordening (EU) 2022/1032 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) 2017/1938 en (EG) nr. 715/2009 wat betreft gasopslag (PB L 173 van 30.6.2022, blz. 17).

(35)  Europese Commissie, directoraat-generaal Communicatie, Een Europees plan om de vraag naar gas te beperken, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2022, https://data.europa.eu/doi/10.2775/705563.

(36)  Verordening (EU) 2022/1369 van de Raad van 5 augustus 2022 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (PB L 206 van 8.8.2022, blz. 1).

(37)  Verordening (EU) 2022/2576 van de Raad van 19 december 2022 inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie van de aankoop van gas, betrouwbare prijsbenchmarks en de uitwisseling van gas over de grenzen heen (PB L 335 van 29.12.2022, blz. 1).

(38)  Verordening (EU) 2022/2577 van de Raad van 22 december 2022 tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen (PB L 335 van 29.12.2022, blz. 36).

(39)  Verordening (EU) 2022/2578 van de Raad van 22 december 2022 tot vaststelling van een marktcorrectiemechanisme om de burgers van de Unie en de economie te beschermen tegen buitensporig hoge prijzen (PB L 335 van 29.12.2022, blz. 45).

(40)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk, COM(2023) 62 final van 1.2.2023.

(41)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).

(42)  De interventie moet beperkt blijven tot situaties waarin het van gemeenschappelijk belang is om in te grijpen.

(43)  In beginsel is steun evenredig indien die beperkt blijft tot het herstel van de kapitaalstructuur van de begunstigde onderneming naar de toestand van vóór de door de Russische agressie tegen Oekraïne veroorzaakte crisis. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de steun moet rekening worden gehouden met staatssteun die in de context van de huidige crisis ontvangen of gepland is, en met name de steun die in het kader van deze mededeling wordt toegekend.

(44)  Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(45)  De lidstaten wordt verzocht gebruik te maken van de mogelijkheden voor het toekennen van op grond van de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie (CEEAG 2022) goedgekeurde steun, met name wat betreft hernieuwbare energie, energie-efficiëntie of andere decarbonisatiemaatregelen.

(46)  Verordening (EU) 2022/1369 van de Raad van 5 augustus 2022 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (PB L 206 van 8.8.2022, blz. 1).

(47)  Zie besluit van de Commissie van 12 juli 2022 inzake SA.103012 (2022/NN) - Stimuleringsmaatregel voor de opslag van aardgas in de Bergermeer-opslagplaats voor het komende stookseizoen.

(48)  Zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2022/1032 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2022 (PB L 173 van 30.6.2022, blz. 17).

(49)  COM(2022) 360 final van 20.7.2022.

(50)  Een voorbeeld in geval van elektriciteitsopwekking is het besluit van de Commissie van 30 september 2022 inzake steunmaatregel SA.103662 (2022/N) – Duitsland – Tijdelijke reserve voor de levering van bruinkool om gas te besparen.

(51)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190; zie artikel 2, lid 1, punt 28, BRRD.

(52)  PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1; zie artikel 3, lid 1, punt 29, GAM-verordening.

(53)  Mededeling betreffende de herkapitalisatie van financiële instellingen in de huidige financiële crisis: beperking van steun tot het noodzakelijke minimum en bescherming tegen buitensporige mededingingverstoringen (PB C 10 van 15.1.2009, blz. 2); mededeling van de Commissie betreffende de behandeling van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in de communautaire banksector (PB C 72 van 26.3.2009, blz. 1); mededeling van de Commissie betreffende het herstel van de levensvatbaarheid en de beoordeling van de herstructureringsmaatregelen in de financiële sector in de huidige crisis met inachtneming van de staatssteunregels (PB C 195 van 19.8.2009, blz. 9); mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 januari 2011 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB C 329 van 7.12.2010, blz. 7); mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 januari 2012 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB C 356 van 6.12.2011, blz. 7); en mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (“bankenmededeling van 2013”) (PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1).

(54)  Maatregelen ter ondersteuning van kredietinstellingen of andere financiële instellingen die staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en niet onder deze mededeling vallen, moeten bij de Commissie worden aangemeld en zullen aan de betrokken staatssteunvoorschriften worden getoetst.

(55)  Zoals omschreven in voetnoot 53.

(56)  Gevoegde zaken T-132/96 en T-143/96, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, ECLI:EU:T:1999:326, punt 167.

(57)  Beschikking 98/490/EG van de Commissie betreffende de door Frankrijk aan de groep Crédit Lyonnais verleende steun (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 28), punt 10.1; Beschikking 2005/345/EG van de Commissie in zaak C 28/02, Bankgesellschaft Berlin (PB L 116 van 4.5.2005, blz. 1), punten 153 en volgende; en Beschikking 2008/263/EG van de Commissie in zaak C 50/06, BAWAG (PB L 83 van 26.3.2008, blz. 7), punt 166. Zie beschikking van de Commissie betreffende steunmaatregel NN 70/07 – Reddingssteun voor Northern Rock (PB C 43 van 16.2.2008, blz. 1); Beschikking van de Commissie betreffende steunmaatregel NN 25/08 – Risikoabschirmung WestLB (PB C 189 van 26.7.2008, blz. 3); Beschikking 2009/341/EG van de Commissie van 4 juni 2008 betreffende een steunmaatregel C 9/08 (ex NN 8/08, CP 244/07) van Duitsland ten gunste van Sachsen LB (PB L 104 van 24.4.2009, blz. 34); en Besluit (EU) 2018/1040 van de Commissie van 16 juni 2017 betreffende de door Griekenland ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.32544 (2011/C) ten gunste van de Griekse spoorwegmaatschappij TRAINOSE S.A. (PB L 186 van 24.7.2018, blz. 25).

(58)  Zie bijvoorbeeld artikel 12 van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 229 van 31.7.2014, blz. 1).

(59)  Gezien de specifieke situatie van twee opeenvolgende crises die ondernemingen op meerdere manieren hebben getroffen, kunnen lidstaten ervoor opteren om op grond van deze mededeling ook steun toe te kennen aan ondernemingen in moeilijkheden.

(60)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1); Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45); en Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PB L 114 van 26.4.2012, blz. 8).

(61)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (algemene groepsvrijstellingsverordening) (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1); Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 193 van 1.7.2014, blz. 1); en Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 369 van 24.12.2014, blz. 37).

(62)  Mededeling van de Commissie – Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PB C 91 I van 20.3.2020, blz. 1), gewijzigd bij de mededelingen van de Commissie C(2020) 2215 (PB C 112 I van 4.4.2020, blz. 1), C(2020) 3156 (PB C 164 van 13.5.2020, blz. 3), C(2020) 4509 (PB C 218 van 2.7.2020, blz. 3), C(2020) 7127 (PB C 340 I van 13.10.2020, blz. 1), C(2021) 564 (PB C 34 van 1.2.2021, blz. 6) en C(2021) 8442 (PB C 473 van 24.11.2021, blz. 1).

(63)  Steun toegekend op grond van regelingen die op basis van deze afdeling zijn goedgekeurd en die is terugbetaald voordat nieuwe steun op basis van deze afdeling wordt toegekend, zal niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of het desbetreffende plafond is overschreden.

(64)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(65)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(66)  Indien de steun in de vorm van een belastingvoordeel wordt toegekend, moet de belastingverplichting waarvoor dat voordeel wordt toegekend, uiterlijk op 31 december 2023 zijn ontstaan.

(67)  In de zin van artikel 2, punten 6) en 7), van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 193 van 1.7.2014, blz. 1).

(68)  Steun op grond van in het kader van deze afdeling goedgekeurde regelingen die is terugbetaald voordat nieuwe steun in het kader van deze afdeling wordt toegekend, mag niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of het desbetreffende plafond is overschreden.

(69)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(70)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(71)  Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PB L 90 van 28.6.2014, blz. 45).

(72)  Voor de toepassing van deze afdeling omvat de term “overheidsgaranties op leningen” ook garanties op bepaalde factoringproducten, namelijk garanties op recourse factoring en reverse factoring waarbij de factor een regresrecht heeft op de factoree. In aanmerking komende reverse-factoringproducten moeten beperkt blijven tot producten die alleen worden gebruikt nadat de verkoper zijn deel van de transactie reeds heeft geleverd, d.w.z. het product of de dienst is geleverd. Financial lease valt ook onder de term “overheidsgaranties op leningen”. Indien overheidsgaranties gericht zijn op liquiditeitsbehoeften van ondernemingen die financiële zekerheden moeten stellen voor handelsactiviteiten op de energiemarkten, kunnen die overheidsgaranties uitzonderlijk ook bankgaranties omvatten of als financiële zekerheid aan centrale tegenpartijen of clearing members worden verstrekt.

(73)  Deze individuele leningen kunnen niet worden toegekend aan kredietinstellingen of andere financiële instellingen;

(74)  Indien de begunstigden van de maatregel pas opgerichte ondernemingen zijn die geen drie afgesloten jaarrekeningen hebben, wordt het in punt 67, e), i) vermelde toepasselijke plafond berekend op basis van de bestaansduur van de onderneming op het moment van de steunaanvraag door de onderneming.

(75)  Indien de begunstigden van de maatregel pas opgerichte ondernemingen zijn die geen cijfers hebben voor het geheel van de voorgaande twaalf maanden, wordt het in punt 67, e), ii) vermelde toepasselijke plafond berekend op basis van de bestaansduur van de onderneming op het moment van de steunaanvraag door de onderneming.

(76)  De passende motivering kan verband houden met het feit dat begunstigden actief zijn in sectoren die bijzonder worden getroffen door directe of indirecte effecten van de agressie, met inbegrip van door de EU of haar internationale partners opgelegde sancties, maar ook tegenmaatregelen van bijvoorbeeld Rusland. Bij die effecten kan het onder meer gaan om verstoringen van toeleveringsketens of openstaande betalingen vanuit Rusland of Oekraïne, verhoogde risico’s op cyberaanvallen of prijsstijgingen voor specifieke inputs of grondstoffen die door de huidige crisis worden geraakt.

(77)  In de zin van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening.

(78)  Het liquiditeitsplan kan zowel werkkapitaal als investeringskosten omvatten. De Commissie verklaart dat de lidstaten, zolang deze mededeling van kracht is, in het kader van deze afdeling aanvullende overheidsgaranties kunnen verstrekken aan begunstigden die dergelijke steun reeds hebben ontvangen, om tegemoet te komen aan nieuwe liquiditeitsbehoeften die niet in de oorspronkelijke liquiditeitsbehoeftenbeoordeling waren opgenomen. Die steun moet aan de voorwaarden van deze mededeling voldoen, en er moet worden gewaarborgd dat dezelfde liquiditeitsbehoeften slechts eenmaal worden gedekt.

(79)  Zoals toegelicht in voetnoot 72 en in tegenstelling tot de overheidsgarantie voor leningen conform deze afdeling die worden gebruikt om ondernemingen gemakkelijker rechtstreeks van liquiditeit te voorzien, zijn de als financiële zekerheid conform dit punt 67, g), verstrekte overheidsgaranties niet-gefinancierd en worden zij rechtstreeks aan de centrale tegenpartij of clearing member verstrekt zonder enig onderliggend instrument.

(80)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2311 van de Commissie van 21 oktober 2022 tot wijziging van de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 vastgestelde technische reguleringsnormen wat betreft tijdelijke noodmaatregelen inzake zekerheidsvereisten (PB L 307 van 28.11.2022, blz. 31).

(81)  Basispercentages berekend overeenkomstig de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6) en gepubliceerd op de website van DG Concurrentie op: https://ec.europa.eu/competition-policy/state-aid/legislation/reference-discount-rates-and-recovery-interest-rates_en

(82)  Voor leningen die tot en met 31 december 2022 zijn verstrekt, mag het basispercentage van 1 februari 2022 worden gebruikt.

(83)  Indien voor rentebetalingen een aflossingsvrije periode wordt toegepast, moeten de minimale rentepercentages van punt 70, b), in aanmerking worden genomen en moet de rente vanaf de eerste dag van de aflossingsvrije periode worden berekend en ten minste op jaarbasis worden gekapitaliseerd. De looptijd van de leningsovereenkomsten blijft beperkt tot maximaal zes jaar vanaf het moment van toekenning ervan, tenzij de looptijd overeenkomstig punt 70, c), wordt aangepast en het in punt 70, e), bedoelde totale kredietbedrag per begunstigde niet wordt overschreden.

(84)  Het minimale all-in rentepercentage (basispercentage vermeerderd met de kredietrisico-opslagen) moet ten minste 10 basispunten per jaar bedragen.

(85)  Het minimale all-in rentepercentage (basispercentage vermeerderd met de kredietrisico-opslagen) moet ten minste 10 basispunten per jaar bedragen.

(86)  Het minimale all-in rentepercentage (basispercentage vermeerderd met de kredietrisico-opslagen) moet ten minste 10 basispunten per jaar bedragen.

(87)  Zie de samenvatting van de besluitvormingspraktijk inzake modulatie op grond van punt 70, c), zoals gepubliceerd op de website van DG Concurrentie: https://ec.europa.eu/competition-policy/state-aid/ukraine_en

(88)  Indien de begunstigden van de maatregel pas opgerichte ondernemingen zijn die geen drie afgesloten jaarrekeningen hebben, wordt het in punt 70, e, i) vermelde toepasselijke plafond berekend op basis van de bestaansduur van de onderneming op het moment van de steunaanvraag door de onderneming.

(89)  Indien de begunstigden van de maatregel pas opgerichte ondernemingen zijn die geen cijfers hebben voor het geheel van de voorgaande twaalf maanden, wordt het in punt 70, e, ii) vermelde toepasselijke plafond berekend op basis van de bestaansduur van de onderneming op het moment van de steunaanvraag door de onderneming.

(90)  De passende motivering kan verband houden met het feit dat begunstigden actief zijn in sectoren die bijzonder worden getroffen door directe of indirecte effecten van de Russische agressie, met inbegrip van beperkende economische maatregelen door de Unie en haar internationale partners, maar ook tegenmaatregelen van Rusland. Bij die effecten kan het onder meer gaan om verstoringen van toeleveringsketens of openstaande betalingen vanuit Rusland of Oekraïne, verhoogde prijsvolatiliteit op de energiemarkten en gerelateerde zekerheidsbehoeften, verhoogde risico’s op cyberaanvallen of prijsstijgingen voor specifieke inputs of grondstoffen die door de huidige crisis worden geraakt.

(91)  In de zin van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening.

(92)  Het liquiditeitsplan kan zowel werkkapitaal als investeringskosten omvatten. De Commissie verduidelijkt dat de lidstaten, zolang deze mededeling van kracht is, in het kader van deze afdeling aanvullende gesubsidieerde leningen kunnen toekennen aan begunstigden die dergelijke steun reeds hebben ontvangen om nieuwe liquiditeitsbehoeften in aanmerking te nemen die niet in de oorspronkelijke liquiditeitsbehoeftenbeoordeling waren opgenomen. Die steun moet aan de voorwaarden van deze mededeling voldoen, en er moet worden gewaarborgd dat dezelfde liquiditeitsbehoeften slechts eenmaal worden gedekt.

(93)  In afwijking van het bovenstaande kan, mits de in aanmerking komende periode in de zin van punt 72, e), in acht wordt genomen, tot en met 31 maart 2024 steun worden toegekend, indien de steun pas wordt toegekend na een controle achteraf van de bewijsstukken van de begunstigde, en de lidstaat besluit de mogelijkheid om overeenkomstig punt 74 voorschotten toe te kennen niet op te nemen.

(94)  Indien de steun in de vorm van een belastingvoordeel wordt toegekend, moet de belastingverplichting waarvoor dat voordeel wordt toegekend, uiterlijk op 31 december 2023 zijn ontstaan.

(95)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(96)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(97)  COM(2022) 360 final van 20.7.2022.

(98)  In het geval van stadsverwarmings- of stadskoelingsnetwerken is het soms niet mogelijk om nauwkeurig te bepalen welke brandstof door de centrale bron wordt gebruikt. In dergelijke situaties kunnen de lidstaten zich baseren op certificeringen van de beheerders van stadsverwarming of ramingen van de energiemix van de respectieve netwerken en kunnen zij die informatie gebruiken om het aandeel van het verbruik van verwarming/koeling te berekenen dat voor compensatie krachtens deze afdeling in aanmerking kan komen.

(99)  Uitsluitend voor de toepassing van afdeling 2.4 wordt “begunstigde” gedefinieerd als een onderneming of een rechtspersoon die deel uitmaakt van een onderneming.

(100)  Zoals door de begunstigde aangetoond op basis van bijvoorbeeld de betrokken factuur. Alleen het energieverbruik door eindgebruikers zal worden meegerekend; verkoop en eigen productie zijn uitgesloten. Het energieverbruik van de energiesector zelf en verliezen tijdens de omzetting en de distributie van energie zijn uitgesloten.

(101)  Een “energie-intensief bedrijf” is een rechtspersoon waarvan de aankoop van energieproducten (met inbegrip van energieproducten niet zijnde aardgas en elektriciteit) ten minste 3,0 % van de productiewaarde of de omzet uitmaakt, op basis van het financiële jaarverslag over 2021. Als alternatief mogen de gegevens voor de eerste helft van 2022 worden gebruikt, in welk geval de begunstigde als “energie-intensief bedrijf” kan worden aangemerkt indien de aankoop van energieproducten (met inbegrip van andere energieproducten niet zijnde aardgas en elektriciteit) ten minste 6,0 % van de productiewaarde of de omzet uitmaakt.

(102)  EBITDA betekent inkomsten vóór aftrek van rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie, ongerekend eenmalige bijzondere waardeverminderingen.

(103)  In bijlage I staan de bedrijfstakken en deeltakken waarvan het concurrentievermogen vanwege de energiecrisis als bijzonder getroffen wordt beschouwd, zoals objectief aangetoond door de handelsintensiteit met derde landen en de emissie-intensiteit van die bedrijfstakken en deeltakken. Een begunstigde wordt geacht actief te zijn in een in bijlage I vermelde bedrijfstak en deeltak op grond van de classificatie van de begunstigde in de sectorale nationale rekeningen of indien een of meer van de activiteiten die hij uitoefent en die in bijlage I zijn opgenomen, in 2021 meer dan 50 % van zijn omzet of productiewaarde heeft gegenereerd.

(104)  COM(2022) 230 final van 18 mei 2022.

(105)  Zie de mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1). Aangezien het begrip staatssteun een objectief en juridisch begrip is dat rechtstreeks door het Verdrag wordt gedefinieerd (arrest van het Hof van Justitie van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C-487/06 P, ECLI:EU:C:2008: 757, punt 111), doen de in de punten 373, 374 en 375 uiteengezette standpunten niet af aan de uitlegging van het begrip staatssteun door de rechterlijke instanties van de Unie (arrest van het Hof van Justitie van 21 juli 2011, Alcoa Trasformazioni/Commissie, C-194/09 P, ECLI:EU:C:2011:497, punt 125); de belangrijkste referentie voor de uitlegging van het Verdrag is steeds de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie.

(106)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(107)  Onder “opslag van elektriciteit” wordt verstaan het uitstellen van het eindgebruik van elektriciteit tot een later tijdstip dan waarop deze is opgewekt, of de omzetting van elektrische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, de opslag van die energie en de daaropvolgende omzetting van die energie in elektrische energie.

(108)  Onder “thermische opslag” wordt verstaan het uitstellen van het eindgebruik van thermische energie tot een later tijdstip dan waarop deze werd opgewekt, of de omzetting van elektrische of thermische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, de opslag van dergelijke energie en, in voorkomend geval, de daaropvolgende omzetting of heromzetting van die energie in thermische energie voor eindgebruik (d.w.z. verwarming of koeling).

(109)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(110)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(111)  De aanbestede capaciteit moet zo worden gesteld dat de biedingsprocedure daadwerkelijk concurrentieel is. De lidstaat moet aantonen dat het aanbestede volume waarschijnlijk met het potentiële aanbod van projecten overeenstemt. Dit kan geschieden onder verwijzing naar vorige aanbestedingen of naar technologiedoelstellingen in het nationaal energie- en klimaatplan, of door een vrijwaringsmechanisme in te voeren indien het risico bestaat dat er voor de aanbestedingen onvoldoende belangstelling bestaat. Indien er herhaaldelijk te weinig inschrijvers zijn voor een concurrerende biedprocedure, moet de lidstaat verbeteringen invoeren voor toekomstige regelingen die hij voor dezelfde technologie bij de Commissie aanmeldt.

(112)  Vloeibare en gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn van hernieuwbare waterstof, waarvan de energie-inhoud afgeleid is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa.

(113)  Onder “repowering” wordt verstaan het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en uitrusting met het oog op het vervangen van de capaciteit of het verhogen van de efficiëntie of de capaciteit van de installatie.

(114)  Indien de lidstaat een dergelijke cumulering toestaat, moet hij voor elke maatregel aangeven welke methode wordt gebruikt om de naleving van de in dit punt gestelde voorwaarden te verzekeren.

(115)  Zoals omschreven in voetnoot 107.

(116)  Zoals omschreven in voetnoot 108.

(117)  Onder “tweerichtingscontract ter verrekening van verschillen” wordt verstaan een contract dat wordt ondertekend tussen een exploitant van een installatie voor elektriciteitsopwekking en een tegenpartij, gewoonlijk een overheidsinstantie, dat niet alleen voorziet in een minimumvergoeding maar ook in een beperking van te hoge vergoedingen. Het contract is bedoeld om prikkels voor de productie-installatie te behouden om efficiënt te functioneren en deel te nemen aan de energiemarkten.

(118)  De steunbetalingen in het kader van het contract moeten beperkt zijn tot 20 jaar, maar het staat de lidstaten vrij om van installaties te eisen dat zij in het kader van de contracten betalingen blijven doen zolang de gesteunde faciliteit in bedrijf blijft.

(119)  De aanbestede capaciteit of productie moet zo worden gesteld dat de biedingsprocedure daadwerkelijk concurrentieel is. De lidstaat moet aantonen dat het aanbestede volume waarschijnlijk met het potentiële aanbod van projecten overeenstemt. Dit kan geschieden onder verwijzing naar vorige aanbestedingen of naar technologiedoelstellingen in het nationaal energie- en klimaatplan, of door een vrijwaringsmechanisme in te voeren indien het risico bestaat dat er voor de aanbestedingen onvoldoende belangstelling bestaat. Indien er herhaaldelijk te weinig inschrijvers zijn voor een concurrerende biedprocedure, moet de lidstaat verbeteringen invoeren voor toekomstige regelingen die hij voor dezelfde technologie bij de Commissie aanmeldt.

(120)  Onder “regulerende instantie” wordt verstaan de door elke lidstaat krachtens artikel 57, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944 aangewezen regulerende instantie (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

(121)  Kleinschalige installaties voor elektriciteit uit hernieuwbare energie kunnen directe prijssteun krijgen die de volledige exploitatiekosten dekt, zonder dat zij verplicht zijn hun elektriciteit op de markt te verkopen, overeenkomstig de vrijstelling van artikel 4, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Installaties worden als kleinschalig beschouwd indien hun capaciteit lager is dan de toepasselijke drempel in artikel 5 van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking), (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).

(122)  Vloeibare en gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn van hernieuwbare waterstof, waarvan de energie-inhoud afgeleid is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa.

(123)  Zoals omschreven in voetnoot 113.

(124)  Indien de lidstaat dergelijke cumulering toestaat, moet hij voor elke maatregel specificeren welke methode is gebruikt om ervoor te zorgen dat de bepalingen van dit punt worden nageleefd.

(125)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(126)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(127)  Steun voor investeringen ter vermindering van rechtstreekse broeikasgasemissies of van het energieverbruik, inclusief tot onder de drempelwaarden van punt 81, d), hoeft niet te worden aangemeld, mits aan de voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening is voldaan.

(128)  De vermindering in rechtstreekse broeikasgasemissies moet worden gemeten op basis van de gemiddelde rechtstreekse broeikasgasemissies over de vijf jaar voorafgaand aan de steunaanvraag (gemiddelde emissie op jaarbasis).

(129)  De vermindering in energieverbruik moet worden gemeten op basis van het energieverbruik over de vijf jaar voorafgaand aan de steunaanvraag (gemiddeld verbruik op jaarbasis).

(130)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/447 van de Commissie van 12 maart 2021 tot vaststelling van herziene benchmarkwaarden voor de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode van 2021 tot en met 2025 overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 87 van 15.3.2021, blz. 29).

(131)  Onder “Unienorm” wordt verstaan a) een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen; b) de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU, en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze mededeling; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn.

(132)  De vermindering in rechtstreekse broeikasgasemissies of energieverbruik moet worden gemeten op basis van de gemiddelde rechtstreekse broeikasgasemissies of het gemiddelde energieverbruik over de vijf jaar voorafgaand aan de steunaanvraag (gemiddelde emissie/energieverbruik op jaarbasis).

(133)  Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB L 261I van 7.10.2022, blz. 1).

(134)  Verordening (EU) 2022/1369 van de Raad van 5 augustus 2022 inzake gecoördineerde maatregelen ter reductie van de gasvraag (PB L 206 van 8.8.2022, blz. 1).

(135)  Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB L 261I van 7.10.2022, blz. 1).

(136)  Dergelijke steun zal doorgaans noodzakelijk worden geacht indien daardoor het gasverbruik afneemt.

(137)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van leningen wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 70, g), van toepassing.

(138)  Indien op grond van deze afdeling steun in de vorm van garanties wordt toegekend, zijn de aanvullende voorwaarden van punt 67, i), van toepassing.

(139)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

(140)  D.w.z. een meter die het verbruik afzonderlijk meet wanneer extra vraagreductie vereist is en wanneer dat niet het geval is.

(141)  Daluren moeten worden gedefinieerd om elektriciteitsverbruik in het algemeen te vermijden wanneer gas wordt gebruikt voor elektriciteitsopwekking.

(142)  Bijvoorbeeld als begunstigden worden geselecteerd op basis van capaciteitsprijs (EUR/MWh), voor verbruiksvermindering gedurende een vast aantal uren. In dat geval moet het aantal uren vooraf worden bepaald.

(143)  Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB L 261I van 7.10.2022, blz. 1).

(144)  Een dergelijke regeling kan betrekking hebben op projecten die in het kader van het Innovatiefonds zijn ingediend en geselecteerd, voor zover aan de toepasselijke voorwaarden van punt 85 is voldaan.

(145)  Onder “aanvang van de werkzaamheden” wordt verstaan hetzij de aanvang van de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de investering, hetzij de eerste juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, als dat eerder is. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd.

(146)  Dergelijke steunaanvragen kunnen op om het even welke rechtsgrondslag worden gebaseerd, mits het bedrag van de op grond van deel 2.8 van deze mededeling toe te kennen steun niet hoger is dan het oorspronkelijk aangevraagde bedrag.

(147)  Onder “verplaatsing” wordt verstaan een overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit (of een deel daarvan) van een vestiging in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-Overeenkomst (initiële vestiging) naar de vestiging in een andere overeenkomstsluitende partij bij de EER-Overeenkomst waar de gesteunde investering plaatsvindt (gesteunde vestiging). Van een overbrenging is sprake indien het product in de initiële en in de gesteunde vestiging ten minste ten dele voor dezelfde doeleinden dient en aan de vragen of behoeften van hetzelfde type afnemers voldoet en voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit in een van de initiële vestigingen van de begunstigde van de steun in de EER banen verloren gaan.

(148)  Zoals gedefinieerd in de mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(149)  De aangemelde steun en de subsidie die de begunstigde aantoonbaar zou kunnen ontvangen in een rechtsgebied van een derde land buiten de EER, zullen in gedisconteerde termen worden vergeleken.

(150)  Ondernemingen uit alle lidstaten die actief zijn in de relevante waardeketen, moeten een reële kans krijgen om deel te nemen aan een nieuw project. De aanmeldende lidstaten moeten aantonen dat dergelijke ondernemingen op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke komst van een nieuw project en van de commerciële mogelijkheden die het zou kunnen bieden, bijvoorbeeld via contacten, allianties, bijeenkomsten of matchmakingevenementen, ook voor kmo’s en start-ups, met inachtneming van het bedrijfsgeheim.

(151)  Zoals omschreven in voetnoot 145.

(152)  Dergelijke steunaanvragen kunnen op om het even welke rechtsgrondslag worden gebaseerd, mits het bedrag van de op grond van deel 2.8 van deze mededeling toe te kennen steun niet hoger is dan het oorspronkelijk aangevraagde bedrag.

(153)  De relevante bewijsstukken ter onderbouwing van het in bijlage II bij deze mededeling beschreven basisscenario moeten geloofwaardig zijn, d.w.z. reëel en relevant voor de heersende besluitvormingsfactoren ten tijde van het besluit van de begunstigde van de steun met betrekking tot de investering. De lidstaten wordt gevraagd om zich te baseren op echte en officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen (onder meer een beoordeling van de locatiegebonden risico’s), financiële rapporten, interne businessplannen, adviezen van deskundigen en andere studies met betrekking tot het investeringsproject dat ter beoordeling voorligt. Deze documenten moeten betrekking hebben op de periode waarin het besluitvormingsproces met betrekking tot de investering of de locatie ervan plaatsvond. Documenten die informatie bevatten over vraagprognoses, kostenprognoses en financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité zijn overgelegd en waarin verschillende investeringsscenario’s zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen zijn verstrekt, kunnen de lidstaten helpen om het stimulerende effect aan te tonen.

(154)  In beginsel lijkt het onwaarschijnlijk dat steunbedragen die hoger liggen dan de kapitaalinvesteringskosten, gerechtvaardigd zijn, aangezien de investeringen in dergelijke gevallen waarschijnlijk ook met lagere steunbedragen in de EER zullen plaatsvinden.

(155)  Wanneer voor de investering verschillende locaties in de EER in aanmerking worden genomen, mag op grond van dit punt geen staatssteun worden verleend om de investering aan te trekken naar een gebied met een regionale steunintensiteit zoals aangegeven in de toepasselijke regionale-steunkaart die lager is dan in alternatieve EER-gebieden in kwestie, aangezien dit een negatief effect voor de mededinging en de cohesie zou zijn dat waarschijnlijk niet zal worden gecompenseerd door enig positief effect. Dit zou niet gelden indien de begunstigde kan aantonen dat de investering anders niet in dergelijke alternatieve EER-gebieden zou plaatsvinden en in plaats daarvan naar een derde land zou worden verlegd. In gevallen waarin de alternatieve EER-locaties dezelfde regionale-steunintensiteit hebben, mag op grond van dit punt staatssteun worden toegekend indien de begunstigde aantoont dat de locatie is gekozen op basis van objectieve criteria, ongeacht de staatssteun.

(156)  Deze financieringskloof wordt bepaald door het verschil tussen de netto contante waarde van de verwachte kasstromen (met inbegrip van de investering en exploitatie) van de gesteunde investering en de netto contante waarde van de verwachte kasstromen van de contrafeitelijke investering in een niet-EER-rechtsgebied die de begunstigde van de steun op geloofwaardige wijze zou uitvoeren zonder steun in de EER (met name met inbegrip van de steun die de begunstigde in het niet-EER-rechtsgebied op geloofwaardige wijze zou ontvangen in het nulscenario). Beide scenario’s moeten voldoende bewezen zijn, d.w.z. aan de hand van realistische veronderstellingen als onderdeel van een geloofwaardig businessplan. In beginsel is het onwaarschijnlijk dat de Commissie steunbedragen die hoger zijn dan de kapitaalinvesteringskosten die nodig zijn om de projecten in het betrokken gebied te vestigen, als verenigbaar met artikel 107, lid 3, punt c), VWEU zal beschouwen, aangezien het onwaarschijnlijk is dat dergelijke steun een stimulerend effect zal hebben.

(157)  Zoals omschreven in voetnoot 147.

(158)  Zoals gedefinieerd in de mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(159)  Hiermee wordt de informatie bedoeld die wordt gevraagd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 en in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie. Voor terugbetaalbare voorschotten, garanties, leningen, achtergestelde leningen en andere vormen van steun moet de nominale waarde van het onderliggende instrument per begunstigde worden opgegeven. Voor belastingvoordelen en betalingsregelingen mag het steunbedrag van de individuele steunmaatregel binnen bandbreedtes worden gegeven.

(160)  Hiermee wordt de informatie bedoeld die wordt gevraagd in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie en in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014. Voor terugbetaalbare voorschotten, garanties, leningen, achtergestelde leningen en andere vormen van steun moet de nominale waarde van het onderliggende instrument per begunstigde worden opgegeven. Voor belastingvoordelen en betalingsregelingen mag het steunbedrag van de individuele steunmaatregel binnen bandbreedtes worden gegeven.

(161)  De publieke zoekpagina “State Aid Transparency” geeft toegang tot gegevens over individuele steunverleningen die lidstaten overeenkomstig de Europese voorwaarden inzake transparantie over staatssteun hebben verstrekt. Deze pagina is te vinden op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public

(162)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(163)  PB C 426 van 9.11.2022, blz. 1.

(164)  PB C 131I van 24.3.2022, blz. 1.

(165)  PB C 280 van 21.7.2022, blz. 1.

(166)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.


BIJLAGE I

Bijzonder getroffen bedrijfstakken en deeltakken (1)

 

NACE-code

Omschrijving

1

0510

Winning van steenkool

2

0610

Winning van aardolie

3

0710

Winning van ijzererts

4

0729

Winning van andere non-ferrometaalertsen

5

0891

Winning van mineralen voor de chemische en de kunstmestindustrie

6

0893

Zoutwinning

7

0899

Overige winning van delfstoffen, n.e.g.

8

1041

Vervaardiging van oliën en vetten

9

1062

Vervaardiging van zetmeel en zetmeelproducten

10

1081

Vervaardiging van suiker

11

1106

Vervaardiging van mout

12

1310

Bewerken en spinnen van textielvezels

13

1330

Textielveredeling

14

1395

Vervaardiging van gebonden textielvlies en van artikelen van gebonden textielvlies, exclusief kleding

15

1411

Vervaardiging van kleding van leer

16

1621

Vervaardiging van fineer en van panelen op basis van hout

17

1711

Vervaardiging van pulp

18

1712

Vervaardiging van papier en karton

19

1910

Vervaardiging van cokesovenproducten

20

1920

Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten

21

2011

Vervaardiging van industriële gassen

22

2012

Vervaardiging van kleurstoffen en pigmenten

23

2013

Vervaardiging van overige anorganische chemische basisproducten

24

2014

Vervaardiging van andere organische chemische basisproducten

25

2015

Vervaardiging van kunstmeststoffen en stikstofverbindingen

26

2016

Vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen

27

2017

Vervaardiging van synthetische rubber in primaire vormen

28

2060

Vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels

29

2110

Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen

30

2311

Vervaardiging van vlakglas

31

2313

Vervaardiging van holglas

32

2314

Vervaardiging van glasvezels

33

2319

Vervaardiging en bewerking van ander glas (inclusief technisch glaswerk)

34

2320

Vervaardiging van vuurvaste producten

35

2331

Vervaardiging van keramische tegels en plavuizen

36

2332

Vervaardiging van bakstenen, tegels en producten voor de bouw, van gebakken klei

37

2341

Vervaardiging van huishoudelijk en sieraardewerk

38

2342

Vervaardiging van sanitair aardewerk

39

2351

Vervaardiging van cement

40

2352

Vervaardiging van kalk en gips

41

2399

Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten, n.e.g.

42

2410

Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen

43

2420

Vervaardiging van buizen, pijpen, holle profielen en fittings daarvoor, van staal

44

2431

Koudtrekken van staven

45

2442

Productie van aluminium

46

2443

Productie van lood, zink en tin

47

2444

Productie van koper

48

2445

Productie van overige non-ferrometalen

49

2446

Bewerking van splijt- en kweekstoffen

50

2451

Gieten van ijzer


 

Prodcom-code

Omschrijving

1

81221

Kaolien en andere kaolienhoudende klei

2

10311130

Aardappelen, bereid of verduurzaamd, bevroren (incl. aardappelen, voorgebakken of gebakken in olie en vervolgens bevroren (excl. bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur)

3

10311300

Meel, gries, vlokken, korrels en pellets van gedroogde aardappelen

4

10391725

Tomatenpuree en tomatenpasta, geconcentreerd

5

105122

Vollemelkpoeder

6

105121

Mageremelkpoeder

7

105153

Caseïne

8

105154

Lactose (melksuiker) en melksuikerstroop

9

10515530

Wei en gewijzigde wei, in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, ook indien ingedikt of met toegevoegde zoetstoffen

10

10891334

Bakkersgist

11

20302150

Verglaasbare samenstellingen, engobes (slips) en dergelijke preparaten, voor keramiek, voor het emailleren of voor glaswerk

12

20302170

Vloeibare glansmiddelen en dergelijke preparaten; glasfritten en ander glas, in de vorm van poeder; van korreltjes, van schilfers of van vlokken

13

25501134

Gesmede delen van ijzer of van staal, voor drijfwerkassen, nokkenassen, krukassen en krukken enz.


(1)  De bedrijfstakken en deeltakken die worden vermeld onder verwijzing naar hun emissie-intensiteit en handelsintensiteit komen overeen met die zoals vermeld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/708 van de Commissie van 15 februari 2019 tot aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de vaststelling van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen voor de periode 2021-2030 (PB L 120 van 8.5.2019, blz. 20).


BIJLAGE II

Informatie die in het aanvraagformulier voor steun in deel 2.8 van deze mededeling moet worden opgenomen

1.   Informatie over de begunstigde van de steun:

Naam, statutaire zetel, belangrijkste activiteitensector (NACE-code).

Verklaring dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is in de zin van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun.

Voor steun die in het kader van een regeling op grond van punt 85 is toegekend: verklaring dat er geen verplaatsing zal gebeuren en toezeggingen opgenomen in punt 85, k).

2.   Informatie over de te steunen investering:

Korte beschrijving van de investering.

Korte beschrijving van de voor het betrokken gebied verwachte positieve effecten (bv. aantal gecreëerde of behouden banen, O&O&I-activiteiten, opleiding, clustervorming en mogelijke bijdrage van het project aan de groene en de digitale transitie van de regionale economie).

Toepasselijke rechtsgrondslag (nationaal, EU, of beide).

Geplande start van de werken en voltooiing van de investering.

Locatie(s) van de investering.

Voor steun op grond van punt 86: informatie over de op gang gebrachte gekoppelde investeringsprojecten in andere lidstaten in overeenstemming met punt 86, a): locatie en bedragen van de op gang gebrachte investeringen. Verstrek informatie over de verbanden tussen de te steunen investering en de op gang gebrachte investeringen.

3.   Informatie over de financiering van de investering:

Investeringskosten en andere gerelateerde kosten.

Totale in aanmerking komende kosten.

Steunbedrag dat nodig is om de investering in het betrokken gebied uit te voeren.

Steunintensiteit.

Voor steun op grond van punt 86: een analyse van de financieringskloof, met inbegrip van het businessplan en de berekeningen van de netto contante waarde voor de feitelijke en nulscenario’s, met geraamde investeringskosten, exploitatiekosten, inkomsten en eindwaarde in beide scenario’s (in Excel-formaat), met ondersteunend bewijsmateriaal.

4.   Informatie over de behoefte aan steun en de daarvan verwachte impact:

Korte toelichting bij de behoefte aan steun en de impact ervan op het investeringsbesluit of het vestigingsbesluit. Deze moet een toelichting bevatten over het besluit over een alternatieve investering of vestiging als de steun niet wordt verleend.

Voor steun op grond van punt 86 verstrekt de begunstigde:

solide bewijs van subsidies die hij op geloofwaardige wijze zou ontvangen in een niet-EER-rechtsgebied voor een soortgelijk project dat in het nulscenario is opgenomen

bewijs dat de voorgenomen investering zonder de steun niet in de EER zou plaatsvinden

bewijs dat de steun geen effecten teweegbrengt die tegen de cohesie indruisen in de zin van punt 86, d).


Top