EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023AE3281

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (COM(2023) 420 final — 2023/0234 (COD))

EESC 2023/03281

PB C, C/2024/888, 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/888/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/888/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie C


C/2024/888

6.2.2024

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen

(COM(2023) 420 final — 2023/0234 (COD))

(C/2024/888)

[Wetgevingsvoorstel van de Commissie en samenvatting van het effectbeoordelingsverslag]]

Rapporteur:

Zsolt KÜKEDI

Adviesaanvraag

Europees Parlement, 2.10.2023

Raad, 6.10.2023

Rechtsgrond

Artikelen 192, lid 1, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

2.10.2023

Goedkeuring door de voltallige vergadering

25.10.2023

Zitting nr.

582

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

169/13/17

I.   Beleidsaanbevelingen

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)

1.

is ingenomen met de ingrijpende wijziging van de kaderrichtlijn afvalstoffen en met de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt door middel van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Het EESC stelt voor om het stakeholdersplatform voor de circulaire economie te raadplegen om het beleid af te stemmen op de huidige agenda en doelstellingen die de EU voor haar lidstaten heeft vastgesteld.

2.

Het EESC steunt de verplichte invoering van een uitgebreide regeling voor de verantwoordelijkheid voor textielproducten, die ervoor zal zorgen dat de uniforme regeling voor producentenverantwoordelijkheid aanzienlijke gevolgen heeft voor het op de markt brengen van duurzaam en hoogwaardig textiel, reparatie en hergebruik. Een bijzonder belangrijk punt dat steun verdient is het feit dat de gemeenschappelijke regels ook van toepassing zullen zijn op verkopers die op onlineplatforms actief zijn.

3.

Wat betreft de verplichting om bijdragen te betalen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zou het standpunt dat de bescherming van de belangen van micro-ondernemingen voorrang heeft op het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten worden heroverwogen. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als grondbeginsel veronderstelt dat de producent verantwoordelijk is voor de gehele levenscyclus van zijn product en moet sociale voorwaarden omvatten.

4.

De herziening zou ervoor moeten zorgen dat de huidige wetgeving vanuit praktisch oogpunt ten uitvoer kan worden gelegd. Het is niet passend dat in de bepalingen van artikel 22 quinquies van het wetgevingsvoorstel gebruikte kleding (producten) en textielafval op gelijke wijze worden behandeld.

5.

Het EESC onderschrijft het voorstel om in het kader van de inzameling van textielafval op NUTS 2-niveau enquêtes uit te voeren (en stelt voor om een gemeenschappelijke methode vast te stellen, met dezelfde regels voor alle lidstaten) naar de samenstelling van gemengd stedelijk afval, zodat kan worden nagegaan hoe groot het aandeel textielafval en gebruikt schoeisel is, en stelt een geografische uitsplitsing van thans beschikbare gegevens voor.

6.

De wetgeving inzake de preventie van textielafval moet worden verduidelijkt, op grond waarvan de opbrengsten van de verkoop van secundaire grondstoffen afkomstig van dergelijk afval kunnen worden afgetrokken van de bijdragen voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

7.

Wat de preventie van voedselverspilling betreft, wordt erop gewezen dat het voorbarig lijkt om, naast de in de wetgeving voorgestelde bindende doelstellingen, een inbreukprocedure in te voeren voor huishoudens, waarvoor de lidstaten geen juridisch instrumentarium en sancties hebben, terwijl meer dan de helft van het afval huishoudelijk afval betreft. De Europese Commissie wordt verzocht haar voorstel voor een herziening van de wetgeving inzake voedselinformatie voor consumenten snel in te dienen, met inbegrip van bepalingen ter verbetering van datumaanduidingen en de kennis en het gebruik daarvan door consumenten. Voorts wordt gepleit voor erkenning van de rol en de bijdrage van consumentenorganisaties bij de bestrijding van voedselverspilling door middel van consumentenvoorlichting en -educatie.

8.

De begrippen en terminologie inzake de preventie van voedselverspilling moeten worden herzien om te zorgen voor een uniforme interpretatie van de wet. Ook moet de definitie van “voedselverspilling” worden herzien, waar rijp en ongeoogst voedsel niet onder hoeven te vallen. Deze zouden immers een circulair onderdeel en een efficiënte manier moeten zijn om de bodem organisch te composteren/bemesten. Landbouwers zouden minder perfecte, maar nog eetbare producten op de markt moeten kunnen brengen, in overeenstemming met aanbeveling nr. 16 van het Europees burgerpanel over voedselverspilling.

9.

Compostering moet als een natuurlijke cyclus worden beschouwd. Organisch afval ontstaat ook in onze huizen; gemiddeld vormt het een derde van het huishoudelijk afval. Het gebruik van organisch materiaal leidt onvermijdelijk tot organisch restafval (bv. groente- en fruitschillen, koffiedrab, thee, gras enz.). Bij een milieubewuste levensstijl hoort een goed beheer en compostering van dit afval. Dit is een voor de hand liggende mogelijkheid voor huishoudens met een tuin, maar er moet ook worden gewezen op het belang van gemeenschappelijke compostering in stedelijke omgevingen. Het eindproduct van compostering is geschikt voor het aanvullen van nutriënten en bemesting, en is een klimaatvriendelijke en kostenbesparende oplossing. Het EESC stelt voor dat de vermindering van voedselafval alleen betrekking heeft op vermijdbaar afval en dat afval dat niet voorkomen kan worden niet wordt opgenomen in de afvalmethodologie of in het reductiepercentage.

10.

Goederen/verpakkingsmaterialen van biologisch afbreekbaar en composteerbaar plastic zijn van het grootste belang voor de duurzaamheid van een circulaire economie (1), aangezien de toepassing van plastic verpakkingen is toegenomen, evenals de hoeveelheid houtafval. Apart vermeld moet worden dat het vervoer van afvalstoffen van Europa naar niet-Europese stortplaatsen moet worden verboden. Hierbij kan het gaan om levensmiddelen of textielproducten, maar ook om doorgaans gebruikte verpakkingen.

11.

In verband met de preventie van voedselverspilling wordt erop gewezen dat bindende doelstellingen voor de primaire productie in de toekomst van belang zullen zijn.

II.   Onderbouwing van de beleidsaanbevelingen

12.   Toepassing van het beginsel “de vervuiler betaalt” in de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

13.

De regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het beginsel “de vervuiler betaalt” verplichten producenten en fabrikanten eindelijk de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de negatieve milieueffecten van hun producten. Producenten en fabrikanten kunnen ook verantwoordelijkheid nemen voor de terugwinning en recycling van producten. Zo kunnen milieukosten in de prijs van producten worden geïnternaliseerd, wat leidt tot een betere prijsregulering en consumenten in staat stelt beter geïnformeerde aankoopbeslissingen te nemen.

14.

Het EESC beveelt ook aan dat de EPR-vergoeding hergebruikactiviteiten in de textielsector ondersteunt, met het oog op het creëren van banen.

15.

Voorts zij de Commissie erop gewezen dat een aanzienlijk deel van het textielafval dat in Europa wordt geproduceerd of gedistribueerd, in Europa geen afval wordt. De EPR-regeling moet de kosten voor de uitvoer van textiel en de sanering van verontreiniging financieren (in landen van het zuidelijk halfrond) en de rol van het zuidelijk halfrond in de circulaire economie ondersteunen.

16.

Het principe “de vervuiler betaalt” verplicht producenten om producten en verpakkingen te ontwikkelen die gemakkelijk te recyclen of biologisch afbreekbaar zijn in het milieu. Dit zal ook gevolgen hebben voor duurzaam ontwerp en de ontwikkeling van innovatieve oplossingen in alle stadia van de levenscyclus van producten.

17.

In het kader van de voorgestelde regeling voor uitgebreide verantwoordelijkheid kunnen producenten en fabrikanten zich ertoe verbinden hun producten terug te winnen en te recycleren en afval op passende wijze te behandelen. Dit zal de hoeveelheid afval verminderen en het toenemende gebruik van hulpbronnen bij de productie van nieuwe producten helpen beperken.

18.

Het EESC roept beleidsmakers op om criteria voor ecomodulatie vast te stellen die ook rekening houden met bredere aspecten, met name de gebruiksfase van producten. De vergoedingen moeten zo worden opgezet dat zij zinvolle prikkels bieden om minder te produceren, en tegelijkertijd gemeenschappen ondersteunen die getroffen worden door textieluitvoer, zorgwekkende stoffen uit producten en productie verwijderen en informatie over de toeleveringsketen en productievolumes openbaar maken. Beloningssystemen die niet echt aanzetten tot verandering wijst het EESC af. Het stelt daarentegen voor om stimulerings-/boeteregelingen te ontwerpen die onvermijdelijk tot veranderingen in het ontwerp zullen leiden (bijv. een stimulans om de productiedatum te vermelden, een stimulans om teruggewonnen stoffen of garen van vezel-tot-vezelrecyclingprocessen te gebruiken, een boete voor het gebruik van synthetische stoffen of problematische mengsels, een boete voor producten die zorgwekkende stoffen bevatten).

19.

De herziene recycling- en afvalverwerkingsprocessen zullen nieuwe werkgelegenheidskansen creëren, onder meer in recyclings- en afvalverwerkingsinstallaties, alsook in de vorm van banen voor deskundigen op het gebied van duurzaamheid.

20.   Toepassingsgebied van de regelgeving

21.

Het is belangrijk dat voor alle producenten en distributeurs in de sector uniforme regels gaan gelden. Een bijzonder belangrijk punt dat steun verdient is het feit dat de uniforme regels ook van toepassing zullen zijn op verkopers die op onlineplatforms actief zijn.

22.

Het hoofddoel moet zijn afval en het einde van de levensduur van producten te behandelen op grond van de afvalhiërarchie.

23.   Uniforme toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt

24.

In de huidige formulering zou de voorgestelde wijziging 88 % van de fabrikanten niet tot duurzaamheid aanzetten, maar een financiële last opleggen aan de resterende 12 %, die bovendien niet alleen zouden betalen voor hun eigen producten, maar ook voor die van de 88 % van de fabrikanten die geen bijdrage betalen. Het voorstel is derhalve in strijd met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

25.

De uitsluiting van micro-ondernemingen (bijv. kleermakers) van het toepassingsgebied kan aanleiding geven tot mededingingsbezwaren, die de sector naar de schaduweconomie kunnen duwen (herstructurering van ondernemingen).

26.

Het risico bestaat dat in de toekomst voorstellen zullen worden gedaan, ook in het kader van andere regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, om mazen in de wetgeving te vinden die bepaalde producenten ten goede komen.

27.   Evaluatie van het einde van de levensduur van textielafval

28.

In het geval van textielafval is voor de voorbereiding voor hergebruik (terugwinning uit afval) een vergunning vereist en moet aan de einde-afvalcriteria worden voldaan. Het doel, dat erin bestaat om, met behoud en benutting van de capaciteit van bestaande liefdadigheidsinstellingen, prioriteit te geven aan preventie en ervoor te zorgen dat textielproducten die kunnen worden hergebruikt, in omloop blijven en geen afval worden, verdient bijzondere steun.

29.

De wetgevingstekst moet worden verduidelijkt om er in de eerste plaats voor te zorgen dat kledingstukken van textiel en schoeisel geen afval worden, maar als producten in de cyclus blijven. Zodra zij afval worden, vallen zij onder een strikt gereguleerde en complexe wettelijke regeling voor de verwerking van afvalstoffen, waarbij de voorbereiding voor hergebruik (bijvoorbeeld door middel van herstellen, wassen en strijken) alleen kan worden uitgevoerd met vergunningen voor afvalbeheer, hetgeen onrealistisch is.

30.   Voorstel om af te stappen van de geografische indeling van NUTS 2 in het kader van enquêtes

31.

In verschillende EU-landen werken afvalbeheersystemen op nationaal niveau of op het niveau van afvalbeheergebieden, zodat er geen regionale NUTS 2-gegevens beschikbaar zijn.

32.

Het EESC dringt erop aan dat de geografische indeling voor de gegevensverzameling op lidstaatniveau wordt vastgesteld.

33.   Zorgen voor het voortbestaan van liefdadigheidsinstellingen

34.

Momenteel verkopen liefdadigheidsorganisaties in de praktijk vaak kleding die is voorbereid voor hergebruik en financieren zij hun eigen activiteiten met de inkomsten uit deze verkoop. Op grond van de voorgestelde verordening zouden zij niet langer profiteren van deze inkomsten, die opnieuw in de EPR-regeling zouden moeten worden geïnvesteerd. Dit zou het voortbestaan van deze organisaties in het gedrang kunnen brengen.

35.

Het regelgevingsvoorstel voorziet in het sluiten van een financiële regeling tussen liefdadigheidsorganisaties en regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingeval kosteloos aan deze organisaties geschonken textiel en schoeisel door laatstgenoemde niet kosteloos worden overgedragen. Het EESC dringt aan op duidelijke criteria voor de governance van organisaties voor producentenverantwoordelijkheid en de betrokkenheid van sociale ondernemingen.

36.   Middelen van de lidstaten om de doelstellingen tijdig te verwezenlijken en inbreukprocedures te vermijden

37.

Bewustmaking en andere niet-bindende instrumenten bieden de lidstaten onvoldoende garanties dat zij het voor de bevolking/huishoudens bepaalde streefdoel zullen halen en inbreukprocedures zullen vermijden.

38.

Pas wanneer de gemeenschappelijke methodologie en de minimale kwaliteitseisen voor uniforme metingen van de hoeveelheden voedselafval op lidstaatniveau bekend zijn en een afwijkingsbesluit van de Commissie met betrekking tot het referentiejaar 2020 is verkregen, kan een lidstaat kennis nemen van de feitelijke kwantitatieve referentiegegevens en de maatregelen vaststellen die nodig zijn om een vermindering van 30 % te bereiken ten opzichte van deze referentiegegevens op het niveau van de huishoudens.

39.

Het lijkt voorbarig om een inbreukprocedure in te stellen en het Comité stelt voor om deze kwestie opnieuw te bekijken in het kader van de herziening die gepland is voor 2027.

40.   Herziening van begrippen en terminologie met het oog op een uniforme interpretatie van de wetgeving

41.

Een deel van het voedselafval (soep, yoghurt enz.) wordt verwijderd in toiletten of huishoudelijk afvalwater en ontbreekt in de afvalgegevens aangezien het in afvalwater wordt geloosd. Kennis van de methodologie is van essentieel belang om op het niveau van de lidstaten afspraken te maken.

42.

Het is van belang om te benadrukken dat de referentiegegevens voor het jaar 2020 afkomstig zijn van gegevensverzameling in de lidstaten en rekening houden met de hoeveelheid afval die wordt gecomposteerd (huishoudelijk en collectief) of in afvalwater wordt geloosd, d.w.z. ze weerspiegelen geenszins de structuur van de gegevens die op basis van de toekomstige methodologie zullen worden verzameld, aangezien een deel van het afval de huishoudens niet verlaat (huishoudelijk composteren) of op een andere manier wordt verwijderd.

43.

Kennis van de methodologie is van essentieel belang om op het niveau van de lidstaten afspraken te maken. Het Comité beveelt aan om in de methodologie alleen rekening te houden met vast stedelijk afval en compostering te definiëren als een essentieel instrument om bij te dragen aan de circulaire economie. Het Comité beschouwt dit als een correctief methodologisch element ten behoeve van de lidstaten.

44.   Het verminderen van voedselverspilling mag alleen betrekking hebben op vermijdbaar afval. Met de hoeveelheid afval die niet vermeden kan worden, zou geen rekening moeten worden gehouden.

45.

Als onderdeel van eerdere gegevensverzamelingen is niet vermijdbaar voedselafval opgenomen in de statistische verslagen van de lidstaten over afval.

46.

Het is belangrijk om in de richtlijn te verduidelijken dat een deel van de voedselverspilling niet te vermijden valt (bv. koffiedrab, vruchtenschillen of kippenbotten). Het is niet mogelijk dit te verminderen: het gaat hoe dan ook om afval.

47.

Het Comité stelt voor dat bij het bepalen van de uitgangswaarde zowel het referentieniveau als de reductiedoelstelling alleen vermijdbare voedselverspilling omvat. De voorgestelde wijzigingen op het huidige voorstel dienen ervoor te zorgen dat de nieuwe wetgeving lidstaten met afzonderlijke meetgegevens voor vermijdbare en niet vermijdbare voedselverspilling in staat stelt alleen vermijdbare verspilling als referentieniveau te beschouwen. Uit enquêtes van de lidstaten blijkt dat de reductiedoelstelling van 30 % tegen 2030 voor de categorie niet-vermijdbare afvalstoffen veel moeilijker te bereiken zal zijn en nog veel vragen opwerpt.

48.

Het Comité stelt ook voor om de hoeveelheid thuis gecomposteerd voedselafval in kaart te brengen die wordt gebruikt om dieren te voeren of in het rioolstelsel wordt geloosd. Zonder deze gegevens is het onmogelijk om een volledig beeld te krijgen van de hoeveelheid huishoudelijk geproduceerd voedselafval en de middelen om dit terug te winnen of te verwijderen.

49.

Het EESC merkt op dat een van de oorzaken van voedselverspilling door consumenten is dat het verschil tussen de uiterste houdbaarheidsdatum (“te gebruiken tot”) en de minimale houdbaarheidsdatum (“ten minste houdbaar tot”) niet goed begrepen wordt. De Commissie zou tegen december 2022 een voorstel publiceren voor een herziening van de wetgeving inzake voedselinformatie aan consumenten. Verwacht werd dat dit voorstel de regels voor de vermelding van de datum zou wijzigen om de expressie en presentatie ervan te verbeteren en om zo het inzicht van de consument en het gebruik van deze informatie te verbeteren. Helaas is dit initiatief, dat zou kunnen bijdragen aan de doelstelling om voedselverspilling door de consument terug te dringen, nog niet gepubliceerd.

50.

Consumentenorganisaties kunnen een belangrijke rol spelen bij de bestrijding van voedselverspilling door consumenten bewuster te maken en praktische tips te geven om hen te helpen hun gedrag te veranderen en thuis minder voedsel weg te gooien. Het EESC beveelt aan dat de deskundigheid en de rol van consumentenorganisaties bij het voorlichten van consumenten over voedselverspilling en de manier waarop dit kan worden tegengegaan, worden erkend, onder meer door de in artikel 9 bis, lid 1, onder d), bedoelde “toegang tot financieringsmogelijkheden” te vergemakkelijken.

III.   Wijzigingen van het wetgevingsvoorstel

Wijzigingsvoorstel 1

Overweging 17 wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die bepaalde textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan op zich nemen aan het einde van de levensduur en de levensduur verlengen door gebruikte textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel op de markt voor hergebruik aan te bieden. Voor de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de verplichtingen voor het beheer van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel rusten op producenten, met inbegrip van fabrikanten, importeurs of distributeurs die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (11), die producten onder hun eigen naam of handelsmerk voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.

Micro-ondernemingen en zelfstandige kleermakers die op maat gemaakte producten vervaardigen, moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, gezien hun beperkte rol op de textielmarkt, alsook ondernemingen die gebruikt(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel of dergelijke producten die van gebruikte of afgedankte producten zijn afgeleid, binnen de Unie in de handel brengen, met het oog op de bevordering van hergebruik, onder meer door reparatie, renovatie en upcycling waarbij bepaalde functionele kenmerken van het oorspronkelijke product worden gewijzigd.

In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die bepaalde textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan op zich nemen aan het einde van de levensduur en de levensduur verlengen door gebruikte textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel op de markt voor hergebruik aan te bieden. Voor de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de verplichtingen voor het beheer van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel rusten op producenten, met inbegrip van fabrikanten, importeurs of distributeurs die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (11), die producten onder hun eigen naam of handelsmerk voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.

Wijzigingsvoorstel 2

In artikel 1 wordt punt 2 als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

(2)

in artikel 3 worden de volgende punten ingevoegd:

4 ter.   “producent van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater”:

een fabrikant, importeur of distributeur , of een andere natuurlijke of rechtspersoon , met uitzondering van degenen die gebruikt textiel en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater en textiel, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater dat is of die zijn verkregen uit gebruikte of afgedankte producten of delen daarvan, op de markt brengen, ondernemingen waar minder dan tien personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet en het balanstotaal niet meer dan 2 miljoen EUR bedragen en zelfstandige kleermakers die op maat gemaakte producten vervaardigen, die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek , met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad*, hetzij: […]

(2)

in artikel 3 worden de volgende punten ingevoegd:

4 ter.   “producent van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater”:

een fabrikant, importeur of distributeur , of een andere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad*, hetzij: […]

Motivering van de wijzigingsvoorstellen 1 en 2

In verband met aanbeveling 2 In de huidige formulering zou de voorgestelde wijziging 88 % van de fabrikanten niet tot duurzaamheid aanzetten, maar een financiële last opleggen aan de resterende 12 %, die bovendien niet alleen zouden betalen voor hun eigen producten, maar ook voor die van de 88 % van de fabrikanten die geen bijdrage betalen. Het voorstel is derhalve in strijd met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De uitsluiting van micro-ondernemingen (bijv. kleermakers) van het toepassingsgebied kan aanleiding geven tot mededingingsbezwaren, die de sector naar de schaduweconomie kunnen duwen (herstructurering van ondernemingen).

Het risico bestaat dat in de toekomst voorstellen zullen worden gedaan, ook in het kader van andere regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, om mazen in de wetgeving te vinden die bepaalde producenten ten goede komen.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 22 quinquies wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

3.

De lidstaten zorgen ervoor dat gebruikt(e) en afgedankt(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel die of dat overeenkomstig artikel 22 quater, lid 5, gescheiden worden of wordt ingezameld, bij inzameling als afval worden beschouwd.

3.

De lidstaten zorgen ervoor dat afgedankt(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel die of dat overeenkomstig artikel 22 quater, lid 5, gescheiden worden of wordt ingezameld, bij inzameling als afval worden beschouwd.

 

Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat gebruikte textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel niet als afval worden beschouwd; de registratie- en vergunningsvereisten van deze richtlijn zijn niet van toepassing tijdens de voorbereiding van deze producten voor hergebruik.

Met betrekking textielproducten die niet zijn opgenomen in bijlage IV quater en in bijlage IV quater opgenomen, niet-verkocht(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel, zorgen de lidstaten ervoor dat de verschillende fracties van textielmaterialen en textielartikelen gescheiden worden gehouden op de plaats waar het afval ontstaat, indien die scheiding later hergebruik, voorbereiding voor hergebruik of recycling, met inbegrip van “fibre-to-fibre”-recycling, vergemakkelijkt, mits de technologische vooruitgang dit toelaat.

Met betrekking textielproducten die niet zijn opgenomen in bijlage IV quater en in bijlage IV quater opgenomen, niet-verkocht(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel, zorgen de lidstaten ervoor dat de verschillende fracties van textielmaterialen en textielartikelen gescheiden worden gehouden op de plaats waar het afval ontstaat, indien die scheiding later hergebruik, voorbereiding voor hergebruik of recycling, met inbegrip van “fibre-to-fibre”-recycling, vergemakkelijkt, mits de technologische vooruitgang dit toelaat.

Motivering

In verband met aanbeveling 3 In het geval van textielafval is voor de voorbereiding voor hergebruik (terugwinning uit afval) een vergunning vereist en moet aan de einde-afvalcriteria worden voldaan. Het doel, dat erin bestaat om, met behoud en benutting van de capaciteit van bestaande liefdadigheidsinstellingen, prioriteit te geven aan preventie en ervoor te zorgen dat textielproducten die kunnen worden hergebruikt, in omloop blijven en geen afval worden, verdient bijzondere steun.

De wetgevingstekst moet worden verduidelijkt om er in de eerste plaats voor te zorgen dat kledingstukken van textiel en schoeisel geen afval worden, maar als producten in de cyclus blijven. Zodra zij afval worden, vallen zij onder een strikt gereguleerde en complexe wettelijke regeling voor de verwerking van afvalstoffen, waarbij de voorbereiding voor hergebruik (bijvoorbeeld door middel van herstellen, wassen en strijken) alleen kan worden uitgevoerd met vergunningen voor afvalbeheer, hetgeen onrealistisch is.

Wijzigingsvoorstel 4

Overweging 24 wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

[…] Om de doeltreffendheid van het inzamelingsnetwerk en de voorlichtingscampagnes te controleren en te verbeteren, moet de samenstelling van ingezameld gemengd stedelijk afval regelmatig worden geëvalueerd, ten minste op NUTS 2-niveau, om de hoeveelheid afval van textiel en schoeisel vast te stellen. Daarnaast moeten de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid jaarlijks informatie over de prestaties van de regelingen voor gescheiden inzameling en het behaalde jaarlijkse percentage gescheiden inzameling verzamelen en openbaar maken.

[…] Om de doeltreffendheid van het inzamelingsnetwerk en de voorlichtingscampagnes te controleren en te verbeteren, moet de samenstelling van ingezameld gemengd stedelijk afval regelmatig worden geëvalueerd, ten minste op NUTS 2-niveau (met een gemeenschappelijke methode, zodat dezelfde regels gelden op het niveau van de lidstaten) , om de hoeveelheid afval van textiel en schoeisel vast te stellen. Daarnaast moeten de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid jaarlijks informatie over de prestaties van de regelingen voor gescheiden inzameling en het behaalde jaarlijkse percentage gescheiden inzameling verzamelen en openbaar maken.

Motivering

In verband met aanbeveling 5 In verschillende EU-landen werken afvalbeheersystemen op nationaal niveau of op het niveau van afvalbeheergebieden, zodat er geen regionale NUTS 2-gegevens beschikbaar zijn.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 22 quater wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het EESC

3.

De lidstaten vereisen dat de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid ervoor zorgen dat de financiële bijdragen die aan hen worden betaald door producenten van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater:

3.

De lidstaten vereisen dat de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid ervoor zorgen dat de financiële bijdragen die aan hen worden betaald door producenten van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater:

[…]

[…]

b)

worden aangepast om rekening te houden met eventuele inkomsten van de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid uit het hergebruik, de voorbereiding voor hergebruik of uit de waarde van secundaire grondstoffen uit gerecycled textiel;

b)

worden aangepast om rekening te houden met eventuele inkomsten van de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid uit het hergebruik, de voorbereiding voor hergebruik of uit de waarde van secundaire grondstoffen uit gerecycled textiel; de uitzondering vormen sociale ondernemingen die daaruit inkomsten genereren.

[…]

[…]

Motivering

In verband met aanbeveling 5 Momenteel verkopen liefdadigheidsorganisaties in de praktijk vaak kleding die is voorbereid voor hergebruik en financieren zij hun eigen activiteiten met de inkomsten uit deze verkoop. Op grond van de voorgestelde verordening zouden deze inkomsten opnieuw in de EPR-regeling moeten worden geïnvesteerd. Dit zou het voortbestaan van deze organisaties in het gedrang kunnen brengen.

Voorgesteld wordt om een uitzondering te maken voor de inkomsten van liefdadigheidsorganisaties (zonder winstoogmerk). Er hoeft dus geen financiële regeling te worden getroffen tussen regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en liefdadigheidsorganisaties als textiel en schoeisel die gratis aan deze organisaties worden geschonken, niet gratis door hen worden doorgegeven.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 9 bis wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

3.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door een gemeenschappelijke methode en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden voedselafval vast te stellen.

3.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door een gemeenschappelijke methode en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden voedselafval vast te stellen. Om het uniforme niveau van voedselverspilling te meten, moet de Commissie tijdens de ontwikkeling van de methode aandacht besteden aan het kader van het materiële toepassingsgebied van de richtlijn. Compostering als afvalgebruikshandeling wordt gedefinieerd als een correctief methodologisch element ten behoeve van de lidstaten.

Motivering

In verband met aanbeveling 7 Kennis van de methodologie is van essentieel belang om op het niveau van de lidstaten afspraken te maken. Het Comité beveelt aan om in de methodologie alleen rekening te houden met vast stedelijk afval en compostering te definiëren als een essentieel instrument om bij te dragen aan de circulaire economie. Het Comité beschouwt dit als een correctief methodologisch element ten behoeve van de lidstaten.

Wijzigingsvoorstel 7

Overweging 9 wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

(9)

Om op korte termijn resultaten te boeken en exploitanten van levensmiddelenbedrijven, consumenten en overheidsinstanties het nodige perspectief op lange termijn te bieden, moeten gekwantificeerde streefdoelen voor de vermindering van de productie van voedselafval worden vastgesteld die de lidstaten tegen 2030 moeten bereiken.

(9)

Om op korte termijn resultaten te boeken en exploitanten van levensmiddelenbedrijven, consumenten en overheidsinstanties het nodige perspectief op lange termijn te bieden, moeten gekwantificeerde streefdoelen voor de vermindering van de productie van vermijdbaar voedselafval worden vastgesteld die de lidstaten tegen 2030 moeten bereiken.

Wijzigingsvoorstel 8

Overweging 13 wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

(13)

Demografische veranderingen hebben aanzienlijke gevolgen voor de hoeveelheid geconsumeerd voedsel en de hoeveelheid geproduceerd voedselafval. Daarom moet een gezamenlijk streefdoel voor de vermindering van voedselafval — dat van toepassing is op de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens — worden uitgedrukt als een procentuele verandering in de niveaus van voedselafval per hoofd van de bevolking, teneinde rekening te houden met demografische veranderingen.

(13)

Demografische veranderingen hebben aanzienlijke gevolgen voor de hoeveelheid geconsumeerd voedsel en de hoeveelheid vermijdbaar geproduceerd voedselafval. Daarom moet een gezamenlijk streefdoel voor de vermindering van voedselafval — dat van toepassing is op de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens — worden uitgedrukt als een procentuele verandering in de niveaus van vermijdbaar voedselafval per hoofd van de bevolking, teneinde rekening te houden met demografische veranderingen.

Wijzigingsvoorstel 9

Overweging 36 wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

(36)

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 9, lid 8, van Richtlijn 2008/98/EG met betrekking tot een gemeenschappelijke methodologie en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden voedselafval moet, met kleine aanpassingen, worden verplaatst naar een nieuw artikel dat specifiek betrekking heeft op de preventie van voedselafval.

(36)

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 9, lid 8, van Richtlijn 2008/98/EG met betrekking tot een gemeenschappelijke methodologie en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden vermijdbaar voedselafval moet, met kleine aanpassingen, worden verplaatst naar een nieuw artikel dat specifiek betrekking heeft op de preventie van vermijdbaar voedselafval.

Wijzigingsvoorstel 10

In verband met aanbeveling 9

Artikel 9 bis wordt als volgt gewijzigd:

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel

Preventie van voedselafval

Preventie van voedselafval

1.

De lidstaten nemen passende maatregelen op het gebied van de preventie van voedselafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens. Het gaat onder meer om de volgende maatregelen:

1.

De lidstaten nemen passende maatregelen op het gebied van de preventie van vermijdbaar voedselafval in de primaire productie, de verwerkende industrie, de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens. Het gaat onder meer om de volgende maatregelen:

a)

het ontwikkelen en ondersteunen van maatregelen op het gebied van gedragsverandering om voedselverspilling terug te dringen, en voorlichtingscampagnes om het bewustzijn over de preventie van voedselverspilling te vergroten;

a)

het ontwikkelen en ondersteunen van maatregelen op het gebied van gedragsverandering om voedselverspilling terug te dringen, en voorlichtingscampagnes om het bewustzijn over de preventie van voedselverspilling te vergroten;

b)

het opsporen en aanpakken van inefficiënties in de werking van de voedselvoorzieningsketen, en het ondersteunen van samenwerking tussen alle actoren, waarbij wordt gezorgd voor een eerlijke verdeling van de kosten en baten van preventiemaatregelen;

b)

het opsporen en aanpakken van inefficiënties in de werking van de voedselvoorzieningsketen, en het ondersteunen van samenwerking tussen alle actoren, waarbij wordt gezorgd voor een eerlijke verdeling van de kosten en baten van preventiemaatregelen;

c)

het aanmoedigen voedselschenkingen en andere herverdeling voor menselijke consumptie, waarbij het menselijk gebruik voorrang heeft op diervoeding en herverwerking tot niet voor de voeding bestemde producten;

c)

het aanmoedigen voedselschenkingen en andere herverdeling voor menselijke consumptie, waarbij het menselijk gebruik voorrang heeft op diervoeding en herverwerking tot niet voor de voeding bestemde producten;

d)

het ondersteunen van opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden en het vergemakkelijken van de toegang tot financieringsmogelijkheden, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen en actoren in de sociale economie.

d)

het ondersteunen van opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden en het vergemakkelijken van de toegang tot financieringsmogelijkheden, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen en actoren in de sociale economie.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante actoren in de toeleveringsketen naar evenredigheid van hun capaciteit en rol worden betrokken bij de preventie van voedselafval in de hele voedselvoorzieningsketen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het voorkomen van onevenredige gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante actoren in de toeleveringsketen naar evenredigheid van hun capaciteit en rol worden betrokken bij de preventie van vermijdbaar voedselafval in de hele voedselvoorzieningsketen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan het voorkomen van onevenredige gevolgen voor kleine en middelgrote ondernemingen.

2.

De lidstaten monitoren en beoordelen de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van voedselafval, met inbegrip van de naleving van de in lid 4 bedoelde streefdoelen voor de vermindering van voedselafval, door de hoeveelheden voedselafval te meten op basis van de overeenkomstig lid 3 vastgestelde methode.

2.

De lidstaten monitoren en beoordelen de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van voedselafval, met inbegrip van de naleving van de in lid 4 bedoelde streefdoelen voor de vermindering van voedselafval, door de hoeveelheden vermijdbaar voedselafval te meten op basis van de overeenkomstig lid 3 vastgestelde methode.

3.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door een gemeenschappelijke methode en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden voedselafval vast te stellen.

3.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 38 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door een gemeenschappelijke methode en minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden vermijdbaar voedselafval vast te stellen.

4.

De lidstaten nemen de nodige en passende maatregelen om uiterlijk op 31 december 2030 de volgende streefdoelen voor de vermindering van voedselafval op nationaal niveau te bereiken:

4.

De lidstaten nemen de nodige en passende maatregelen om uiterlijk op 31 december 2030 de volgende streefdoelen voor de vermindering van voedselafval op nationaal niveau te bereiken:

a)

verminderen van de productie van voedselafval in de verwerkende industrie met 10 % ten opzichte van de in 2020 geproduceerde hoeveelheid;

a)

verminderen van de productie van vermijdbaar voedselafval in de verwerkende industrie met 10 % ten opzichte van de in 2020 geproduceerde hoeveelheid;

b)

verminderen van de productie van voedselafval per hoofd van de bevolking in de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens, met 30 % ten opzichte van de in 2020 geproduceerde hoeveelheid;

b)

verminderen van de productie van vermijdbaar voedselafval per hoofd van de bevolking in de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants en cateringdiensten en in huishoudens, met 30 % ten opzichte van de in 2020 geproduceerde hoeveelheid;

5.

Wanneer een lidstaat gegevens kan verstrekken voor een eerder referentiejaar dan 2020, die zijn verzameld met behulp van methoden die vergelijkbaar zijn met de methode en de minimale kwaliteitseisen voor de uniforme meting van de hoeveelheden voedselafval zoals vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/1597 van de Commissie, kan een eerder referentiejaar worden gebruikt. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn in kennis van zijn voornemen om een eerder referentiejaar te gebruiken en verstrekt de Commissie de gegevens en de voor de verzameling daarvan gebruikte meetmethoden.

5.

Voedselafval kan bestaan uit delen van levensmiddelen die al dan niet bestemd zijn om door mensen te worden geconsumeerd. Voedselafval dat afkomstig is van voedsel dat bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd, wordt vermijdbare voedselverspilling genoemd. Voedselafval dat afkomstig is van voedsel dat niet bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd, wordt onvermijdbaar voedselafval genoemd.

Voor lidstaten die kunnen aantonen dat zij een onderscheidende meting van voedselafval hebben uitgevoerd met betrekking tot het vermijdbare en het onvermijdbare deel van voedselafval, moet het gebruik van vermijdbaar voedselafval als meeteenheid worden toegestaan voor de monitoring van de streefwaarde voor de vermindering van voedselafval, mits de gegevens zijn verzameld aan de hand van methoden die vergelijkbaar zijn met de methodologie en de minimumkwaliteitseisen voor de uniforme meting van de niveaus van voedselafval, zoals vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/1597 van de Commissie. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten binnen 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn in kennis van zijn voornemen om vermijdbaar voedselafval als meeteenheid te gebruiken en verstrekt de Commissie de gegevens en de voor de verzameling daarvan gebruikte meetmethoden.

De lidstaten moeten de hoeveelheid voedselafval die in huishoudens wordt gecomposteerd, de hoeveelheid voedselafval die aan huisdieren wordt gegeven en de hoeveelheid voedsel die als afvalwater of met afvalwater wordt weggegooid, evalueren met een geschikte methodologie in overeenstemming met de uniforme meetmethoden die zijn vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2019/1597 van de Commissie.

6.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de gegevens niet voldoen aan de voorwaarden van lid 5, stelt zij binnen zes maanden na ontvangst van een overeenkomstig lid 5 gedane kennisgeving een besluit vast waarbij de lidstaat wordt verzocht 2020 of een ander jaar dan het door de lidstaat voorgestelde jaar als referentiejaar te gebruiken.

6.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de gegevens niet voldoen aan de voorwaarden van lid 5, stelt zij binnen zes maanden na ontvangst van een overeenkomstig lid 5 gedane kennisgeving een besluit vast waarbij de lidstaat wordt verzocht 2020 of een ander jaar dan het door de lidstaat voorgestelde jaar als referentiejaar te gebruiken.

7.

Uiterlijk op 31 december 2027 herziet de Commissie de in lid 4 vastgestelde streefdoelen die uiterlijk in 2030 moeten zijn bereikt, teneinde deze zo nodig aan te passen en/of uit te breiden tot andere stadia van de voedselvoorzieningsketen, en om te overwegen nieuwe streefdoelen vast te stellen voor de periode na 2030. Hiertoe dient de Commissie een verslag, dat indien nodig vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, in bij het Europees Parlement en de Raad.“; 5) In artikel 11, lid 1, wordt de derde zin vervangen door: Onder voorbehoud van artikel 10, leden 2 en 3, voeren de lidstaten een gescheiden inzameling in voor ten minste papier, metaal, plastic en glas.”. 6) In artikel 11 ter wordt lid 1 vervangen door: “1. De Commissie stelt in samenwerking met het Europees Milieuagentschap uiterlijk drie jaar vóór elk van de in artikel 9 bis, lid 4, artikel 11, lid 2, punten c), d) en e), en artikel 11, lid 3, vastgestelde termijnen verslagen op over de voortgang met betrekking tot het behalen van de in die bepalingen vastgelegde doelstellingen.”

7.

Uiterlijk op 31 december 2027 herziet de Commissie de in lid 4 vastgestelde streefdoelen die uiterlijk in 2030 moeten zijn bereikt, teneinde deze zo nodig aan te passen en/of uit te breiden tot andere stadia van de voedselvoorzieningsketen, en om te overwegen nieuwe streefdoelen vast te stellen voor de periode na 2030. Hiertoe dient de Commissie een verslag, dat indien nodig vergezeld gaat van een wetgevingsvoorstel, in bij het Europees Parlement en de Raad.“; 5) In artikel 11, lid 1, wordt de derde zin vervangen door: Onder voorbehoud van artikel 10, leden 2 en 3, voeren de lidstaten een gescheiden inzameling in voor ten minste papier, metaal, plastic en glas.”. 6) In artikel 11 ter wordt lid 1 vervangen door: “1. De Commissie stelt in samenwerking met het Europees Milieuagentschap uiterlijk drie jaar vóór elk van de in artikel 9 bis, lid 4, artikel 11, lid 2, punten c), d) en e), en artikel 11, lid 3, vastgestelde termijnen verslagen op over de voortgang met betrekking tot het behalen van de in die bepalingen vastgelegde doelstellingen.”

Motivering van de wijzigingsvoorstellen 7, 8, 9 en 10

In verband met aanbeveling 8 en 9 Op basis van eerdere gegevensverzameling is onvermijdbare voedselverspilling opgenomen in de afvalrapportage van de lidstaten. Het is belangrijk om in de richtlijn te vermelden dat een deel van de voedselverspilling niet kan worden voorkomen (bv. fruitschillen, kippenbotten; dit afval is onvermijdelijk en kan niet worden voorkomen, maar kan natuurlijk worden gebruikt, bijvoorbeeld door het te composteren). Het is niet mogelijk dit te verminderen: het gaat hoe dan ook om afval. Voorgesteld wordt om zowel de uitgangswaarde als de reductiedoelstelling alleen voor vermijdbare voedselverspilling te bepalen.

Brussel, 25 oktober 2023.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Oliver RÖPKE


(1)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie (COM(2018) 28 final) en over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afgifte van scheepsafval, tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en Richtlijn 2010/65/EU (COM(2018) 33 final — 2018/0012 (COD)) (PB C 283 van 10.8.2018, blz. 61).

(11)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(11)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).


BIJLAGE

De volgende wijzigingsvoorstellen zijn tijdens de behandeling van het advies verworpen, hoewel er meer dan een kwart van de stemmen voor werd uitgebracht (art. 74, lid 3, rvo):

WIJZIGINGSVOORSTEL 2

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Paragraaf 3

Als volgt wijzigen

Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

Wat betreft de verplichting om bijdragen te betalen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zou het standpunt dat de bescherming van de belangen van micro-ondernemingen voorrang heeft op het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten worden heroverwogen. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als grondbeginsel veronderstelt dat de producent verantwoordelijk is voor de gehele levenscyclus van zijn product en moet sociale voorwaarden omvatten.

Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid als grondbeginsel veronderstelt dat de producent verantwoordelijk is voor de gehele levenscyclus van zijn product en moet sociale voorwaarden omvatten.

Motivering

De wijziging is bedoeld om consequent vast te houden aan het beginsel “denk eerst klein”, waarop het EESC in zijn adviezen herhaaldelijk heeft gewezen en waarmee de Europese Commissie in haar voorstel rekening heeft gehouden.

WIJZIGINGSVOORSTEL 3

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Paragraaf 23

Paragraaf schrappen

Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

Uniforme toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt

 

Motivering

De wijzigingsvoorstellen dienen te voorkomen dat Europese mkmo’s ten onrechte worden beschouwd als bedrijven die milieueisen en duurzame ontwikkeling aan hun laars lappen. Ook om de naleving te waarborgen van het eerder door het EESC geuite standpunt (mkmo’s mogen niet dezelfde lasten dragen als grote ondernemingen), zoals het EESC in diverse adviezen heeft bepleit, en om rekening te houden met het “steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen”.

WIJZIGINGSVOORSTEL 4

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Paragraaf 24

Paragraaf schrappen

Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

In de huidige formulering zou de voorgestelde wijziging 88 % van de fabrikanten niet tot duurzaamheid aanzetten, maar een financiële last opleggen aan de resterende 12 %, die bovendien niet alleen zouden betalen voor hun eigen producten, maar ook voor die van de 88 % van de fabrikanten die geen bijdrage betalen. Het voorstel is derhalve in strijd met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

 

Motivering

De wijzigingsvoorstellen dienen te voorkomen dat Europese mkmo’s ten onrechte worden beschouwd als bedrijven die milieueisen en duurzame ontwikkeling aan hun laars lappen. Ook om de naleving te waarborgen van het eerder door het EESC geuite standpunt (mkmo’s mogen niet dezelfde lasten dragen als grote ondernemingen), zoals het EESC in diverse adviezen heeft bepleit, en om rekening te houden met het “steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen”.

WIJZIGINGSVOORSTEL 5

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Paragraaf 25

Paragraaf schrappen

Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

De uitsluiting van micro-ondernemingen (bijv. kleermakers) van het toepassingsgebied kan aanleiding geven tot mededingingsbezwaren, die de sector naar de schaduweconomie kunnen duwen (herstructurering van ondernemingen).

 

Motivering

De wijzigingsvoorstellen dienen te voorkomen dat Europese mkmo’s ten onrechte worden beschouwd als bedrijven die milieueisen en duurzame ontwikkeling aan hun laars lappen. Ook om de naleving te waarborgen van het eerder door het EESC geuite standpunt (mkmo’s mogen niet dezelfde lasten dragen als grote ondernemingen), zoals het EESC in diverse adviezen heeft bepleit, en om rekening te houden met het “steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen”.

WIJZIGINGSVOORSTEL 6

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Paragraaf 26

Paragraaf schrappen

Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

Het risico bestaat dat in de toekomst voorstellen zullen worden gedaan, ook in het kader van andere regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, om mazen in de wetgeving te vinden die bepaalde producenten ten goede komen.

 

Motivering

De wijzigingsvoorstellen dienen te voorkomen dat Europese mkmo’s ten onrechte worden beschouwd als bedrijven die milieueisen en duurzame ontwikkeling aan hun laars lappen. Ook om de naleving te waarborgen van het eerder door het EESC geuite standpunt (mkmo’s mogen niet dezelfde lasten dragen als grote ondernemingen), zoals het EESC in diverse adviezen heeft bepleit, en om rekening te houden met het “steunpakket voor kleine en middelgrote ondernemingen”.

WIJZIGINGSVOORSTEL 7

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Hoofdstuk III, wijzigingsvoorstel 1

Wijzigingsvoorstel 1 schrappen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die bepaalde textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan op zich nemen aan het einde van de levensduur en de levensduur verlengen door gebruikte textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel op de markt voor hergebruik aan te bieden. Voor de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de verplichtingen voor het beheer van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel rusten op producenten, met inbegrip van fabrikanten, importeurs of distributeurs die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (11), die producten onder hun eigen naam of handelsmerk voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.

Micro-ondernemingen en zelfstandige kleermakers die op maat gemaakte producten vervaardigen, moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, gezien hun beperkte rol op de textielmarkt, alsook ondernemingen die gebruikt(e) textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel of dergelijke producten die van gebruikte of afgedankte producten zijn afgeleid, binnen de Unie in de handel brengen, met het oog op de bevordering van hergebruik, onder meer door reparatie, renovatie en upcycling waarbij bepaalde functionele kenmerken van het oorspronkelijke product worden gewijzigd.


Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

In overeenstemming met het beginsel dat de vervuiler betaalt als neergelegd in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is het van essentieel belang dat producenten die bepaalde textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel in de Unie in de handel brengen de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan op zich nemen aan het einde van de levensduur en de levensduur verlengen door gebruikte textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel op de markt voor hergebruik aan te bieden. Voor de toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de verplichtingen voor het beheer van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel rusten op producenten, met inbegrip van fabrikanten, importeurs of distributeurs die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad  (11) , die producten onder hun eigen naam of handelsmerk voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aanbieden.

 

Motivering

De door de Commissie voorgestelde tekst moet ongewijzigd blijven.

WIJZIGINGSVOORSTEL 8

NAT/907 — Herziening van de EU-kaderrichtlijn afvalstoffen

Hoofdstuk III, wijzigingsvoorstel 2 en motivering van de wijzigingsvoorstellen 1 en 2

Wijzigingsvoorstel 2 en motivering van de wijzigingsvoorstellen 1 en 2 schrappen

Door de Europese Commissie voorgestelde tekst

(2)

in artikel 3 worden de volgende punten ingevoegd:

“4 ter.

“producent van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater”: een fabrikant, importeur of distributeur, of een andere natuurlijke of rechtspersoon , met uitzondering van degenen die gebruikt textiel en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater en textiel, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater dat is of die zijn verkregen uit gebruikte of afgedankte producten of delen daarvan, op de markt brengen, ondernemingen waar minder dan tien personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet en het balanstotaal niet meer dan 2 miljoen EUR bedragen en zelfstandige kleermakers die op maat gemaakte producten vervaardigen, die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek , met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad*, hetzij: […]


Afdelingsadvies

Wijzigingsvoorstel

(2)

in artikel 3 worden de volgende punten ingevoegd:

“4 ter.

“producent van textielproducten, textielgerelateerde producten en schoeisel zoals genoemd in bijlage IV quater”: een fabrikant, importeur of distributeur, of een andere natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad*, hetzij: […]

Motivering van de wijzigingsvoorstellen 1 en 2

In verband met aanbeveling 2 In de huidige formulering zou de voorgestelde wijziging 88 % van de fabrikanten niet tot duurzaamheid aanzetten, maar een financiële last opleggen aan de resterende 12 %, die bovendien niet alleen zouden betalen voor hun eigen producten, maar ook voor die van de 88 % van de fabrikanten die geen bijdrage betalen. Het voorstel is derhalve in strijd met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De uitsluiting van micro-ondernemingen (bijv. kleermakers) van het toepassingsgebied kan aanleiding geven tot mededingingsbezwaren, die de sector naar de schaduweconomie kunnen duwen (herstructurering van ondernemingen).

Het risico bestaat dat in de toekomst voorstellen zullen worden gedaan, ook in het kader van andere regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, om mazen in de wetgeving te vinden die bepaalde producenten ten goede komen.

 

Motivering

De door de Commissie voorgestelde tekst moet ongewijzigd blijven.

Stemuitslag over de wijzigingsvoorstellen en bloc/

Vóór:

72

Tegen:

113

Onthoudingen:

11


(11)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(11)   Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/888/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top