EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 21.10.2022
COM(2022) 562 final
2022/0346(NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 van de Raad tot toekenning van tijdelijke steun uit hoofde van Verordening (EU) 2020/672 aan de Republiek Letland om het risico op werkloosheid in de noodtoestand als gevolg van de COVID-19-uitbraak te beperken
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
In Verordening (EU) 2020/672 van de Raad (“SURE-verordening”) is het rechtskader vastgesteld waarbinnen de Unie aan een lidstaat die een ernstige economische verstoring ondervindt of dreigt te ondervinden als gevolg van de COVID-19-uitbraak, financiële bijstand kan verlenen. Steun in het kader van SURE dient voor het financieren van hoofdzakelijk werktijdverkortingsregelingen of soortgelijke maatregelen ter bescherming van werknemers en zelfstandigen, en zodoende voor het verminderen van werkloosheid en inkomensverlies, alsook, in aanvulling daarop, voor de financiering van sommige maatregelen op gezondheidsgebied, met name op de werkplek.
Op 7 augustus 2020 heeft Letland de Unie om financiële bijstand verzocht en op 25 september 2020 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 financiële bijstand aan Letland toegekend als aanvulling op zijn nationale inspanningen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaal-economische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen.
Op 11 maart 2021 heeft Letland de Unie opnieuw om financiële bijstand op grond van de SURE-verordening verzocht. Naar aanleiding van dit verzoek is Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 van de Raad gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/677 van de Raad van 23 april 2021.
Op 6 oktober 2022 heeft Letland de Unie voor de derde maal om financiële bijstand op grond van de SURE-verordening verzocht.
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de SURE-verordening heeft de Commissie de Letse autoriteiten geraadpleegd om de plotse en sterke stijging te verifiëren van de werkelijke en geplande uitgaven die rechtstreeks verband houden met Letse arbeidsmarktmaatregelen en maatregelen op gezondheidsgebied als gevolg van de COVID-19-pandemie. Dit heeft met name betrekking op bestaande maatregelen als bedoeld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 van de Raad:
het toepassingsgebied van een bestaande regeling voor de compensatie van inactiviteit voor werknemers wordt op verschillende manieren verruimd: i) door een uitbreiding daarvan tot personen die werkzaam zijn in de schoonheidssector, ii) door personen voor steunverlening in aanmerking te nemen die vanaf 2021 hun fiscale behandeling hebben laten wijzigen, iii) door een verbetering van de voorwaarden voor octrooigerechtigden, en iv) door begunstigden te laten kiezen tussen twee kwalificatiecriteria voor de steunaanvraag. De regeling vergoedt tijdelijk werkloze werknemers of zelfstandigen met 50 % of 70 % van hun salaris of inkomen, afhankelijk van de belastingregeling waaronder zij werkzaam zijn. Het minimumniveau van de steun is vastgesteld op 500 EUR en het maximum op 1 000 EUR per werknemer per kalendermaand. De regeling is van toepassing op ondernemingen, gewone zelfstandigen en zelfstandigen die voor het systeem van de licentievergoeding hebben geopteerd, van wie de inkomsten uit economische activiteiten met ten minste 20 % zijn gedaald in vergelijking met het gemiddelde van de periode augustus-oktober 2020;
(b)aan de regeling voor de compensatie van inactiviteit voor werknemers wordt een bestaande regeling voor de kinderbonus voor werknemers toegevoegd, waarmee extra steun wordt geboden aan werkloze werknemers die kinderen ten laste hebben. De bonus bedraagt 50 EUR per maand per kind;
(c)een bestaande regeling voor loonsubsidies verlengt de steunperiode tot en met 28 februari 2022, verruimt de subsidiabiliteit door de begunstigden tussen twee criteria voor steunaanvraag te laten kiezen, neemt het risico op overcompensatie weg, verduidelijkt de subsidiabiliteitsbeperkingen voor octrooigerechtigden en beperkt de mogelijkheden om van oktober 2021 tot februari 2022 voor steun in aanmerking te komen tot personen die houder zijn van een COVID-19-certificaat waaruit blijkt dat de houder tegen COVID-19 gevaccineerd is of de ziekte heeft gehad. De steun is beschikbaar voor werkgevers die geconfronteerd worden met een daling van de inkomsten uit een economische activiteit met ten minste 20 %. De regeling bedraagt 50 % van het gemiddelde brutomaandloon, met een maximum van 500 EUR per kalendermaand. De begunstigde werkgevers zijn verplicht het dienstverband van ondersteunde werknemers te handhaven en de loonsubsidie aan te vullen tot het volledige reguliere loon;
(d)een bestaande COVID-19-gerelateerde ziekte-uitkering wordt verlengd tot en met 28 februari 2022 en beperkt tot personen die houder zijn van een COVID-19-vaccinatie- of ziektecertificaat of die het advies hebben gekregen om de vaccinatie tegen COVID-19 uit te stellen. De overheid betaalt de volledige uitkering bij ziekteverlof voor mensen die niet konden werken omdat zij in zelfisolatie of zelfquarantaine moesten gaan, terwijl de ziekte-uitkering normaal gesproken wordt gedeeld met de werkgever;
(e)een bestaande maatregel waarbij ziekte-uitkeringen voor ouders en mantelzorgers worden verleend aan werknemers die niet op afstand kunnen werken en moeten zorgen voor kinderen van jonger dan 10 jaar of personen met een handicap, wanneer scholen en dagverblijven gesloten zijn als gevolg van de COVID-19-uitbraak. De uitkering bedraagt 60 % van het gemiddelde loon van de begunstigde in de voorgaande 12 maanden. De werkgever van de begunstigde moet verklaren dat deze niet op afstand kan werken en de school of gemeente moet bevestigen dat de school gesloten is of dat er geen dagopvang beschikbaar is;
(f)bestaande gezondheidsgerelateerde uitgaven voor persoonlijke beschermingsmiddelen en andere medische benodigdheden om de gezondheid en veiligheid van werknemers in de publieke sector, met name gezondheidswerkers, te waarborgen;
(g)een bestaande maatregel die voorziet in premies voor medisch personeel en werknemers die de COVID-19-crisis bestrijden, als beloning voor hun werk in omstandigheden met grotere risico’s en hogere werkdruk. Deze premies van 20 % tot 100 % van het maandsalaris bedragen meer dan de maximumpremies die voor werknemers in overheidsdienst toegestaan zijn.
Letland heeft de Commissie de nodige informatie verschaft.
Rekening houdende met het beschikbare bewijsmateriaal stelt de Commissie de Raad voor om een uitvoeringsbesluit vast te stellen waarbij op grond van de SURE-verordening ten behoeve van de bovengenoemde maatregelen financiële bijstand aan Letland wordt verleend.
De gezondheidsgerelateerde maatregelen belopen volgens het verzoek van Letland, op 6 oktober 2022, 70 921 236 EUR.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Dit voorstel is volledig verenigbaar met Verordening (EU) 2020/672 van de Raad, op grond waarvan het voorstel wordt gedaan.
Dit voorstel vormt een aanvulling op een ander wetgevingsinstrument van de Unie om steun te verlenen aan lidstaten in noodsituaties, namelijk Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie ("Verordening (EG) nr. 2012/2002"). Op 30 maart 2020 is Verordening (EU) 2020/461 van het Europees Parlement en de Raad vastgesteld; bij die verordening wordt het toepassingsgebied van het bovengenoemde instrument uitgebreid tot grote volksgezondheidscrises en wordt bepaald welke specifieke acties in aanmerking komen voor financiering.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het voorstel maakt deel uit van een reeks maatregelen die zijn genomen in respons op de huidige COVID-19-pandemie, zoals het corona-investeringsinitiatief, en vormt een aanvulling op andere instrumenten die de werkgelegenheid ondersteunen, zoals het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)/InvestEU. Aangezien dit instrument gebruik maakt van het opnemen en verstrekken van leningen om de lidstaten in dit specifieke geval van de COVID-19-uitbraak te ondersteunen, fungeert dit voorstel als tweede verdedigingslinie voor de financiering van regelingen voor werktijdverkorting en soortgelijke maatregelen, die banen en dus ook werknemers en zelfstandigen helpen te beschermen tegen het risico van werkloosheid.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag voor dit instrument is Verordening (EU) 2020/672 van de Raad.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Het voorstel komt er na een verzoek van een lidstaat en is een blijk van Europese solidariteit, doordat financiële bijstand van de Unie in de vorm van tijdelijke leningen wordt verstrekt aan een lidstaat die zwaar door de COVID-19-uitbraak wordt getroffen. Deze financiële bijstand vormt een tweede verdedigingslinie voor een overheid die wordt geconfronteerd met een tijdelijke toename van de overheidsuitgaven voor werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen om banen te beschermen, en dus ook om werknemers en zelfstandigen te beschermen tegen het risico op werkloosheid en inkomstenverlies.
Deze steun helpt de getroffen bevolking en draagt bij tot het beperken van de directe maatschappelijke en economische gevolgen van de COVID-19-crisis.
•Evenredigheid
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Het gaat niet verder dan wat nodig is om de met het instrument beoogde doelstellingen te verwezenlijken.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Raadpleging van belanghebbenden
Het voorstel moest dringend worden voorbereid zodat het tijdig kan worden aangenomen door de Raad. Daardoor kon geen raadpleging van de belanghebbenden worden uitgevoerd.
•Effectbeoordeling
Gezien de urgentie van het voorstel heeft geen effectbeoordeling plaatsgevonden.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De Commissie moet leningen op de financiële markten kunnen aangaan en deze vervolgens kunnen gebruiken om zelf leningen te verstrekken aan de lidstaten die financiële bijstand vragen in het kader van het SURE-instrument.
Naast de garanties van de lidstaten worden ook andere waarborgen in het systeem ingebouwd om de financiële soliditeit van de regeling te garanderen:
·een strikte en conservatieve benadering van financieel beheer;
·een leningenportefeuille die zodanig is opgebouwd dat het concentratierisico, het jaarlijkse risico en de buitensporige blootstelling aan risico’s van individuele lidstaten beperkt blijven en die er tegelijkertijd voor zorgt dat voldoende middelen kunnen worden toegekend aan de meest behoeftige lidstaten; alsmede
·de mogelijkheid om schulden door te rollen.
2022/0346 (NLE)
Voorstel voor een
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 van de Raad tot toekenning van tijdelijke steun uit hoofde van Verordening (EU) 2020/672 aan de Republiek Letland om het risico op werkloosheid in de noodtoestand als gevolg van de COVID-19-uitbraak te beperken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2020/672 van de Raad van 19 mei 2020 betreffende de instelling van een Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE) als gevolg van de COVID-19-uitbraak, en met name artikel 6, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Naar aanleiding van een verzoek van Letland van 7 september 2020 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 financiële bijstand aan Letland toegekend in de vorm van een lening van maximaal 192 700 000 EUR met een gemiddelde looptijd van ten hoogste 15 jaar, en met een beschikbaarheidsperiode van 18 maanden, als aanvulling op zijn nationale inspanningen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaaleconomische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen.
(2)De lening diende door Letland te worden gebruikt ter financiering van de werktijdverkortingsregelingen, soortgelijke en gezondheidsgerelateerde maatregelen als bedoeld in artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351.
(3)Naar aanleiding van een tweede verzoek van Letland van 11 maart 2021 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/677 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 Letland 112 500 000 EUR aan extra financiële bijstand toegekend door het maximale leningbedrag te verhogen tot 305 200 000 EUR met een gemiddelde looptijd van ten hoogste 15 jaar, en met een beschikbaarheidsperiode van 18 maanden, als aanvulling op zijn nationale inspanningen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaaleconomische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen.
(4)De aanvullende lening diende door Letland te worden gebruikt ter financiering van de werktijdverkortingsregelingen, soortgelijke en gezondheidsgerelateerde maatregelen als bedoeld in artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351.
(5)Door de COVID-19-uitbraak is een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking in Letland inactief geworden. Dit heeft geleid tot een toch nog plotse en sterke stijging van de overheidsuitgaven van Letland in verband met de in artikel 3, punten a), c), d), g), h), f) en i) van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 bedoelde maatregelen.
(6)De COVID-19-uitbraak en de buitengewone maatregelen die Letland in 2020, 2021 en 2022 heeft getroffen om die uitbraak en de sociaal-economische en gezondheidseffecten daarvan in te perken, hadden en hebben nog steeds een dramatisch effect op de overheidsfinanciën. In 2020 had Letland een overheidstekort van 4,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) en een schuld van 43,3 % van het bbp: tegen eind 2021 ging het om respectievelijk 7,3 % en 44,8 %. Volgens de voorjaarsprognose 2022 van de Commissie zou Letland tegen het einde van 2022 een overheidstekort van 7,2 % van het bbp en een schuld van 47,0 % van het bbp hebben. Volgens de tussentijdse zomerprognose 2022 van de Commissie zou het bbp van Letland in 2022 met 3,9 % toenemen.
(7)Op 6 oktober 2022 heeft Letland de Unie om 167 607 000 EUR aan verdere financiële bijstand verzocht als bijkomende aanvulling op zijn in 2020, 2021 en 2022 geleverde nationale inspanningen om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak en aan de sociaal-economische gevolgen daarvan voor werknemers en zelfstandigen. Met name heeft Letland regelingen voor werktijdverkorting en soortgelijke maatregelen als bedoeld in de overwegingen 8 tot en met 12 verder uitgebreid en/of gewijzigd.
(8)De regeling voor de compensatie van inactiviteit voor werknemers is van toepassing op ondernemingen, gewone zelfstandigen en zelfstandigen die voor het systeem van de licentievergoeding hebben geopteerd, van wie de inkomsten uit economische activiteiten met ten minste 20 % zijn gedaald in vergelijking met het gemiddelde van de periode augustus-oktober 2020. De regeling vergoedt tijdelijk werkloze werknemers of zelfstandigen met 50 % of 70 % van hun salaris of inkomen, afhankelijk van de belastingregeling waaronder zij werkzaam zijn. Het minimumniveau van de steun is vastgesteld op 500 EUR en het maximum op 1000 EUR per werknemer per kalendermaand.
De regeling is ingesteld bij Kabinetsverordening nr. 709 (aangenomen op 24 november 2020 en gewijzigd op 12 januari 2021, 19 januari 2021, 4 februari 2021 en 26 februari 2021) betreffende voorschriften inzake de toelage voor inactiviteit voor belastingbetalers voor de voortzetting van hun activiteiten in de context van de COVID-19-crisis.
De maatregel breidt de in artikel 3, punt a), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 bedoelde regeling uit tot personen die werkzaam zijn in de schoonheidssector, maakt het mogelijk personen die vanaf 2021 hun fiscale behandeling hebben laten wijzigen, in aanmerking te nemen voor steun en biedt de begunstigden de mogelijkheid om te kiezen tussen twee kwalificatiecriteria voor de steunaanvraag.
(9) Aan de regeling voor de compensatie van inactiviteit voor werknemers wordt ook de kinderbonus voor werknemers, als bedoeld in artikel 3, punt c), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351, toegevoegd, waarvoor Letland extra steun vraagt. De bonus van 50 EUR per maand per kind biedt extra steun aan niet-actieve werknemers die recht hebben op een vermindering van de inkomstenbelasting voor personen ten laste. De steunmaatregel is verlengd bij Kabinetsbesluit nr. 706 van 1 december 2020 betreffende de toewijzing van financiële middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene uitgaven en bij Kabinetsbesluit nr. 15 van 11 januari 2021 betreffende de toewijzing van financiële middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene uitgaven. De maatregel kan worden beschouwd als vergelijkbaar met werktijdverkortingsregelingen als bedoeld in Verordening (EU) 2020/672, aangezien inkomenssteun wordt verstrekt aan werknemers en zelfstandigen om de kosten van kinderopvang tijdens de sluiting van scholen te helpen dekken, zodat ouders kunnen blijven werken en hun dienstverband niet in gevaar komt.
(10)De regeling voor loonsubsidies biedt steun aan werkgevers die geconfronteerd worden met een daling van de inkomsten uit een economische activiteit met ten minste 20 %. De regeling bedraagt 50 % van het gemiddelde brutomaandloon, met een maximum van 500 EUR per kalendermaand. De begunstigde werkgevers zijn verplicht het dienstverband van ondersteunde werknemers te handhaven en de loonsubsidie aan te vullen tot het volledige reguliere loon.
De regeling is ingesteld bij Kabinetsverordening nr. 675 betreffende regels inzake de verlening van steun aan belastingbetalers voor de voortzetting van hun activiteiten in de context van de COVID-19-crisis” (aangenomen op 10 november 2020 en gewijzigd op 12 januari 2021, 1 april 2021, 26 oktober 2021, 9 november 2021, 30 november 2021, 7 december 2021, 23 december 2021 en 11 januari 2022) en Kabinetsbesluit nr. 128 inzake de toewijzing van financiële middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene uitgaven.
De maatregel verlengt de steunperiode van de in artikel 3, punt d), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 bedoelde regeling voor loonsubsidies en verruimt de subsidiabiliteit door de begunstigden tussen twee criteria voor steunaanvraag te laten kiezen, neemt het risico op overcompensatie weg, verduidelijkt de subsidiabiliteitsbeperkingen voor octrooigerechtigden en beperkt de mogelijkheden om van oktober 2021 tot februari 2022 voor steun in aanmerking te komen tot personen die houder zijn van een COVID-19-certificaat waaruit blijkt dat de houder tegen COVID-19 gevaccineerd is of de ziekte heeft gehad.
(11)De regeling voor COVID-19-gerelateerde ziekte-uitkeringen voorziet in door de overheid betaalde volledige uitkeringen bij ziekteverlof voor mensen die niet konden werken omdat zij in zelfisolatie of zelfquarantaine moesten gaan, terwijl de ziekte-uitkering normaal gesproken wordt gedeeld met de werkgever.
De regeling is ingesteld bij de wijziging van de wet op de moederschaps- en ziektekostenverzekering (aangenomen op 20 maart 2020 en gewijzigd op 12 november 2020, 4 november 2021 en 13 januari 2022).
De maatregel voorziet in de verlenging van de steunperiode voor COVID-19-gerelateerde ziekte-uitkeringen als bedoeld in artikel 3, punt g), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 en beperkt het toepassingsgebied van de steun tot personen die houder zijn van een COVID-19-vaccinatie- of ziektecertificaat of die het advies hebben ontvangen om vaccinatie tegen COVID-19 uit te stellen, en specificeert in welke gevallen en onder welke voorwaarden werkgevers zonder overheidssteun moeten voorzien in betaald ziekteverlof voor de werknemer.
(12)Met ziekte-uitkeringen voor ouders en mantelzorgers wordt steun verleend aan werknemers die niet op afstand kunnen werken en moeten zorgen voor kinderen jonger dan 10 jaar of personen met een handicap, terwijl de scholen en dagverblijven gesloten zijn als gevolg van de COVID-19-uitbraak. De maatregel kan worden beschouwd als vergelijkbaar met werktijdverkortingsregelingen als bedoeld in Verordening (EU) 2020/672, aangezien inkomenssteun wordt verstrekt aan ouders en mantelzorgers, en de werkgelegenheid wordt beschermd door te voorkomen dat ouders en mantelzorgers die voor kinderen of personen met een handicap moeten zorgen terwijl de scholen en dagopvang gesloten zijn, hun dienstverband moeten beëindigen. De ziekte-uitkeringen zijn geregeld bij de wijziging van de Wet op de moederschaps- en ziektekostenverzekering van 26 november 2020 en bij Kabinetsbesluit nr. 707 van 1 december 2020 inzake de toewijzing van financiële middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene uitgaven en Kabinetsbesluit nr. 13 van 11 januari 2021 inzake de toewijzing van financiële middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene uitgaven.
Letland verzoekt om extra steun voor deze bestaande maatregel, als bedoeld in artikel 3, punt h), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/677.
(13)Letland heeft ook een reeks gezondheidsgerelateerde maatregelen verder uitgebreid of gewijzigd om de COVID-19-crisis aan te pakken. Hierbij gaat het met name om de in de overwegingen 14 tot en met 15 beschreven maatregelen.
(14)Er is voorzien in gezondheidsgerelateerde uitgaven voor persoonlijke beschermingsmiddelen ten behoeve van werknemers in de publieke sector om een veilige werkomgeving te waarborgen voor personen die aan COVID-19-virusinfecties zijn blootgesteld.
De regeling is ingesteld bij Kabinetsverordening nr. 380 betreffende voorschriften inzake de middelen om te zorgen voor de nodige epidemiologische veiligheid voor instellingen die op de lijst van prioritaire instellingen en behoeften zijn opgenomen (aangenomen op 9 juni 2020).
Letland verzoekt om extra steun voor de bestaande maatregel als bedoeld in artikel 3, punt f), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351.
(15)Met premies voor medisch personeel en werknemers die de COVID-19-crisis bestrijden, van 20 % tot 100 % van het maandsalaris, wordt werk beloond dat verricht wordt in omstandigheden met grotere risico’s en hogere werkdruk, zoals bepaald in Kabinetsbesluiten nr. 136 van 27 maart 2020 en nr. 656 van 6 november 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen, Kabinetsbesluit nr. 743 van 8 december 2020 tot wijziging van Kabinetsbesluit nr. 655 van 6 november 2020 inzake het uitroepen van de noodtoestand en Kabinetsbesluit nr. 37 van 21 januari 2021 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen. Die premies komen bovenop de maximumpremie die is vastgesteld in de wet op de bezoldiging van ambtenaren en werknemers van de staat en de lokale overheden. De maatregel ondersteunt de werkgelegenheid door de gezondheid en veiligheid van werknemers en de continuïteit van essentiële openbare diensten te waarborgen. Letland verzoekt om extra steun voor de bestaande maatregel als bedoeld in artikel 3, punt i), van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351.
(16)Letland voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van Verordening (EU) 2020/672 om financiële bijstand te kunnen aanvragen. Letland heeft de Commissie het nodige bewijsmateriaal verschaft dat de werkelijke en geplande overheidsuitgaven sinds 1 februari 2020 met 508 124 069 EUR zijn gestegen als gevolg van de nationale maatregelen om de sociaal-economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak het hoofd te bieden. Dit is een plotse en sterke stijging omdat zij ook verband houdt met een verlenging van bestaande nationale maatregelen die rechtstreeks betrekking hebben op werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen waarmee een aanzienlijk deel van de ondernemingen en de beroepsbevolking in Letland wordt bestreken. Letland is voornemens 35 317 069 EUR met eigen middelen te financieren.
(17)De Commissie heeft, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2020/672, Letland geraadpleegd en heeft de plotse en sterke stijging geverifieerd van de werkelijke en geplande overheidsuitgaven die rechtstreeks verband houden met werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke maatregelen, en met de maatregelen op gezondheidsgebied in verband met de COVID-19-uitbraak, waarnaar wordt verwezen in het verzoek van 6 oktober 2022.
(18)De maatregelen op gezondheidsgebied, als bedoeld in het verzoek van Letland van 6 oktober 2022 en in de overwegingen 14 en 15, komen neer op 70 921 236 EUR
(19)Daarom moet financiële bijstand worden verleend om Letland te helpen het hoofd te bieden aan de sociaal-economische gevolgen van de ernstige economische verstoring als gevolg van de COVID-19-uitbraak. De Commissie moet de besluiten inzake de looptijd, omvang en vrijgave van de tranches en deeltranches in nauwe samenwerking met de nationale autoriteiten nemen.
(20)Aangezien de in Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 vermelde beschikbaarheidsperiode is verstreken, is een nieuwe beschikbaarheidsperiode voor de extra financiële bijstand nodig. De bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 toegekende beschikbaarheidsperiode voor financiële bijstand van 18 maanden moet met 21 maanden worden verlengd en bijgevolg moet de totale beschikbaarheidsperiode 39 maanden bedragen vanaf de eerste dag nadat Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 van kracht is geworden.
(21)Letland en de Commissie moeten in de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2020/672 bedoelde leningsovereenkomst met dit besluit rekening houden.
(22)Dit besluit moet de uitkomst onverlet laten van eventuele procedures met betrekking tot verstoringen van de werking van de interne markt, met name uit hoofde van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag. Het doet geen afbreuk aan het vereiste dat de lidstaten, uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag, de Commissie op de hoogte brengen van voorgenomen steunmaatregelen.
(23)Letland moet de Commissie regelmatig informeren over de uitvoering van de geplande overheidsuitgaven, zodat de Commissie kan beoordelen in hoeverre Letland die uitgaven heeft uitgevoerd.
(24)Bij het nemen van het besluit om financiële bijstand te verlenen is rekening gehouden met de bestaande en verwachte behoeften van Letland en met verzoeken om financiële bijstand op grond van Verordening (EU) 2020/672 die reeds door andere lidstaten zijn ingediend of gepland, met toepassing van de beginselen inzake gelijke behandeling, solidariteit, evenredigheid en transparantie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1351 wordt als volgt gewijzigd:
1.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
“1. De Unie stelt Letland een lening van maximaal 472 807 000 EUR beschikbaar. De lening heeft een gemiddelde looptijd van ten hoogste 15 jaar.”.
b) lid 2 wordt vervangen door:
“2. De periode waarin de bij dit besluit verleende financiële bijstand beschikbaar is, bedraagt 39 maanden te rekenen vanaf de eerste dag nadat dit besluit van kracht is geworden.”
c) lid 4 wordt vervangen door:
"“4. De vrijgave van de eerste tranche hangt af van de inwerkingtreding van de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2020/672 bedoelde leningsovereenkomst. Eventuele verdere tranches worden vrijgegeven overeenkomstig de voorwaarden van die leningsovereenkomst of zijn, in voorkomend geval, onderworpen aan de inwerkingtreding van een addendum bij die overeenkomst of van een gewijzigde leningsovereenkomst die Letland en de Commissie ter vervanging van de oorspronkelijke leningsovereenkomst sluiten.”;
2.
Artikel 3 wordt vervangen door:
“Artikel 3
Letland mag de volgende maatregelen financieren:
(a)de regeling voor de compensatie van inactiviteit voor werknemers, waarin wordt voorzien door Kabinetsverordening nr. 179 (aangenomen op 31 maart 2020) betreffende voorschriften inzake de toelage voor inactiviteit voor zelfstandigen die worden getroffen door de verspreiding van COVID-19 en Kabinetsverordening nr. 165 (aangenomen op 26 maart 2020) betreffende voorschriften inzake de werkgevers die worden getroffen door de door COVID-19 veroorzaakte crisis en die in aanmerking komen voor de toelage voor inactiviteit en de betaling van achterstallige belasting in termijnen of uitstel daarvan met maximaal drie jaar, zoals verlengd en laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingen van Kabinetsverordening nr. 709 betreffende voorschriften inzake de toelage voor inactiviteit voor belastingbetalers voor de voortzetting van hun activiteiten in de context van de COVID-19-crisis, op 19 januari 2021, 4 februari 2021 en 26 februari 2021;
(b)de inactiviteitstoelage, waarin wordt voorzien door Kabinetsverordening nr. 236 (aangenomen op 23 april 2020) betreffende voorschriften inzake de toelage voor inactiviteit voor werknemers en zelfstandigen die worden getroffen door de verspreiding van COVID-19;
(c)de kinderbonus voor werknemers, waarin wordt voorzien door Kabinetsbesluit nr. 178 van 16 april 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen, zoals verlengd;
(d)de regeling voor loonsubsidies voor de toerisme- en de exportsector, waarin wordt voorzien door het informatief verslag over maatregelen om de COVID-19-crisis aan te pakken en over het economisch herstel, zoals verlengd en laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingen van Kabinetsbesluit nr. 675 betreffende regels inzake de verlening van steun aan belastingbetalers voor de voortzetting van hun activiteiten in de context van de COVID-19-crisis, op 1 april 2021, 26 oktober 2021, 9 november 2021, 30 november 2021, 7 december 2021, 23 december 2021 en 11 januari 2022;
(e)de loonondersteunende betalingen voor medisch personeel en werknemers in de culturele sector, waarin wordt voorzien door respectievelijk de wet inzake maatregelen voor de preventie en bestrijding van bedreigingen voor de staat en de gevolgen daarvan in verband met de verspreiding van COVID-19, de wet inzake de bestrijding van de gevolgen van de verspreiding van besmettingen met COVID-19, respectievelijk Kabinetsbesluit nr. 303 van 3 juni 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen;
(f)de gezondheidsgerelateerde uitgaven voor persoonlijke beschermingsmiddelen, waarin wordt voorzien door Kabinetsbesluiten nr. 79 van 3 maart 2020, nr. 118 van 20 maart 2020 en nr. 220 van 27 april 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen, Kabinetsverordening nr. 380 van 9 juni 2020 betreffende voorschriften inzake de middelen om te zorgen voor de nodige epidemiologische veiligheid voor instellingen die op de lijst van prioritaire instellingen en behoeften zijn opgenomen;
(g)COVID-19-gerelateerde ziekte-uitkeringen, zoals bedoeld in de wijziging van de wet op de moederschaps- en ziektekostenverzekering (aangenomen op 20 maart 2020), zoals verlengd en laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingen van de wet op de moederschaps- en ziektekostenverzekering van 4 november 2021 en 13 januari 2022;
(h)ziekte-uitkeringen voor ouders en verzorgers, als bepaald in de wijziging van de wet betreffende moederschaps- en ziektekostenverzekering (afdelingen 48 en 49 van de overgangsbepalingen), aangenomen op 26 november 2020, en Kabinetsbesluit nr. 707 van 1 december 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen en Kabinetsbesluit nr. 13 van 11 januari 2021 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen;
(i)premies voor medisch personeel en werknemers die de COVID-19-crisis bestrijden, zoals bepaald in Kabinetsbesluit nr. 136 van 27 maart 2020 aangenomen op 27 maart 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen, Kabinetsbesluit nr. 656 aangenomen op 6 november 2020 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen, Kabinetsbesluit nr. 743 van 8 december 2020, de wijziging van Kabinetsbesluit nr. 655 van 6 november 2020 inzake het uitroepen van de noodtoestand en Kabinetsbesluit nr. 37 van 21 januari 2021 inzake de toewijzing van middelen uit het staatsbegrotingsprogramma betreffende het fonds voor onvoorziene gebeurtenissen.”;
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Republiek Letland.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter