EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52022PC0144

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011

COM/2022/144 final

Brussel, 30.3.2022

COM(2022) 144 final

2022/0094(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011

(Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2022) 167 final} - {SWD(2022) 87 final} - {SWD(2022) 88 final} - {SWD(2022) 89 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

In Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad (de “bouwproductenverordening”) worden geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten vastgesteld 1 . De bouwproductenverordening waarborgt de soepele werking van de eengemaakte markt en het vrije verkeer van bouwproducten in de EU. Dit gebeurt door middel van geharmoniseerde technische specificaties, die voorzien in een gemeenschappelijke technische taal voor het testen en communiceren van de prestaties van bouwproducten (bv. materiaalgedrag bij brand, thermische geleiding of geluidsisolatie). Het gebruik van normen is verplicht wanneer deze in het Publicatieblad van de Europese Unie (PBEU) worden vermeld. Bouwproducten die onder dergelijke normen vallen, moeten voorzien zijn van de CE-markering die aangeeft dat zij in overeenstemming zijn met de aangegeven prestaties. Dergelijke producten kunnen dan vrij binnen de eengemaakte markt circuleren. De EU-lidstaten mogen geen extra merken, certificaten of tests vereisen. In de bouwproductenverordening worden geen productvereisten vastgesteld. De EU-lidstaten zijn verantwoordelijk voor de veiligheids-, milieu- en energievereisten die gelden voor gebouwen en civieltechnische werken.

In het uitvoeringsverslag 2016 van de Commissie over de bouwproductenverordening 2 zijn bepaalde tekortkomingen in de uitvoering ervan vastgesteld, alsook een aanzienlijk aantal uitdagingen, in verband met onder meer normalisatie, vereenvoudiging voor micro-ondernemingen, markttoezicht en handhaving, die nader moeten worden onderzocht en besproken. Uit de evaluatie van de bouwproductenverordening 3 , de adviezen van het Refit-platform en de feedback van de lidstaten en belanghebbenden is duidelijk gebleken dat het kader tekortkomingen vertoont, waardoor de werking van de eengemaakte markt voor bouwproducten wordt belemmerd en de doelstellingen van de bouwproductenverordening dus niet worden verwezenlijkt.

In de mededeling van november 2016 over schone energie voor alle Europeanen 4 werd benadrukt dat het groei- en werkgelegenheidspotentieel moet worden ontsloten door de nog steeds versnipperde eengemaakte markt voor bouwproducten beter te laten functioneren. In de mededeling over de Europese Green Deal 5 , het actieplan voor de circulaire economie 6 en de mededeling over de renovatiegolf 7 werd gewezen op de rol van de bouwproductenverordening als onderdeel van de inspanningen voor energie- en hulpbronnenefficiënte gebouwen en renovaties, bij de aanpak van de duurzaamheid van bouwproducten. In het voorstel voor een herziene richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen 8 werd gewezen op het belang van de emissies van broeikasgassen gedurende de levenscyclus van gebouwen en bouwmaterialen voor de berekening van het aardopwarmingsvermogen van nieuwe gebouwen vanaf 2030. In de mededelingen over de EU-bosstrategie 9 en de duurzame koolstofcyclus 10 werd, in het kader van de herziening van de bouwproductenverordening, de ontwikkeling aangekondigd van een robuuste en transparante standaardmethode voor kwantificering van de klimaatvoordelen van bouwproducten en van koolstofafvang en gebruik. Ook hebben zowel het Europees Parlement als de Raad opgeroepen tot maatregelen om de circulariteit van bouwproducten te bevorderen, belemmeringen op de eengemaakte markt voor bouwproducten aan te pakken en bij te dragen tot de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan voor de circulaire economie 11 .

De twee algemene doelstellingen van de herziening van de bouwproductenverordening zijn daarom 1) een goed functionerende eengemaakte markt voor bouwproducten te verwezenlijken en 2) bij te dragen tot de doelstellingen van de groene en digitale transitie, met name de moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie.

Dit is een initiatief in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit), aangezien het voorstel in overeenstemming is met de doelstellingen van het Refit-programma, te weten het eenvoudiger, gerichter en gemakkelijker na te leven maken van de EU-wetgeving 12 .

Dit voorstel heeft tot doel de volgende problemen aan te pakken:

Probleem 1: Eengemaakte markt voor bouwproducten niet verwezenlijkt.

Het normalisatieproces dat de kern van de bouwproductenverordening vormt, presteert ondermaats. In de afgelopen jaren konden door de Europese normalisatieorganisaties (ENO’s) ontwikkelde ontwerpen van geharmoniseerde normen zelden in het Publicatieblad (PBEU) worden vermeld, voornamelijk vanwege juridische tekortkomingen. Het hierdoor ontstane gebrek aan actuele geharmoniseerde normen voor bouwproducten is een belangrijke factor die de goede werking van de eengemaakte markt ondermijnt, handelsbelemmeringen opwerpt en extra kosten en administratieve lasten voor de marktdeelnemers creëert. Omdat het proces geen gelijke tred kan houden met de ontwikkelingen binnen de sector, betekenen de verouderde geharmoniseerde normen ook dat deze normen niet altijd relevant zijn voor de markt. Bovendien kan door de huidige situatie niet aan de regelgevingsbehoeften van de lidstaten worden voldaan. Vanwege deze tekortkomingen passen de lidstaten nationale merken, certificeringen en goedkeuringen toe. Dit is in strijd met de bouwproductenverordening en niet in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. Door de ondermaatse prestaties van de conventionele normalisatieroute, is de werklast op de alternatieve route voor verkrijging van de CE-markering via de Europese beoordelingsdocumenten (EBD’s) bovendien steeds verder toegenomen. Deze toename in werklast heeft ertoe geleid dat de Commissie meer tijd nodig heeft om beoordelingen uit te voeren. Verder bestaat het risico dat het systeem hierdoor zelfs wordt verlamd.

Probleem 2: Uitdagingen bij de uitvoering op nationaal niveau.

Deze problemen vergroten verder de complexiteit van het wetgevingskader en dragen ertoe bij dat de markttoezichtactiviteiten van de lidstaten sterk verschillen (in kwaliteit en effectiviteit). Ineffectiviteit bij het markttoezicht en de handhaving in het algemeen beperken het vertrouwen in het wetgevingskader en ontmoedigen bedrijven derhalve aan de wetgeving te voldoen.

In het uitvoeringsverslag werden de nadelen in verband met de werking van de aangemelde instanties gesignaleerd, waaruit blijkt dat de relevante bepalingen van de bouwproductenverordening baat zouden hebben bij meer nauwkeurigheid, bijvoorbeeld wat betreft de vereisten die aan deze instanties worden gesteld (artikel 43 van de bouwproductenverordening), de operationele verplichtingen van deze instanties (artikel 52) en de coördinatie van deze instanties (artikel 55).

Probleem 3: Complexiteit van het wetgevingskader/vereenvoudiging niet verwezenlijkt.

Geharmoniseerde technische specificaties voorzien in een gemeenschappelijke technische taal voor het testen en communiceren van de prestaties van bouwproducten (bv. materiaalgedrag bij brand, thermische geleiding of geluidsisolatie). De CE-markering op grond van de bouwproductenverordening is gekoppeld aan de beoordeling van de prestaties van een bouwproduct, en niet aan de conformiteit ervan met de productvereisten, aangezien deze niet in de bouwproductenverordening zijn vastgesteld. Aangezien dit een vrij uitzonderlijke situatie is in vergelijking met andere wetgeving binnen het nieuwe wetgevingskader (NWK), wordt de betekenis van de CE-markering vaak verkeerd begrepen en onjuist geïnterpreteerd.

Andere bepalingen van de bouwproductenverordening zijn onvoldoende duidelijk of creëren overlappingen, hetzij binnen het kader zelf (bv. de overlapping tussen de informatie die vereist is voor de prestatieverklaring en voor de CE-markering), hetzij tussen de bouwproductenverordening en andere EU-wetgeving (potentieel parallelle routes naar de CE-markering voor sommige bouwproducten in het kader van de bouwproductenverordening en de richtlijn inzake ecologisch ontwerp 13 ). Bovendien is de toepassing van de voornamelijk op kmo’s 14 gerichte vereenvoudigingsbepalingen van de bouwproductenverordening beperkt gebleven, als gevolg van een gebrek aan bekendheid en duidelijkheid van de bepalingen. De kleinste bedrijven dragen de grootste administratieve last. Overlappingen en inconsistenties leiden tot inefficiënties.

Bovendien zijn er geen specifieke bepalingen over de verstrekking van informatie in digitaal formaat. Dit zal met name een uitdaging worden, aangezien betrouwbare productinformatie, vanaf de productie tot aan de installatie in het gebouw en de uiteindelijke sloop, nodig zal zijn in het kader van de “digital building logbooks” 15 , “level(s)” 16 of andere instrumenten voor beoordeling van en rapportage over de duurzaamheidsprestaties van gebouwen.

Probleem 4: De bouwproductenverordening is ongeschikt voor het verwezenlijken van bredere beleidsprioriteiten, zoals de groene en digitale transitie en de productveiligheid.

De beschikbare geharmoniseerde beoordelingsmethoden voor de prestaties van bouwproducten bestrijken slechts enkele elementen die verband houden met de milieueffecten, zoals verontreiniging, maar zijn niet vastgesteld met het oog op het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Verder biedt de bouwproductenverordening geen mogelijkheden om milieutechnische, functionele en veiligheidstechnische vereisten voor bouwproducten vast te stellen, wat een belemmering vormt voor de aanpak van problemen die niet op prestaties zijn gebaseerd. Om koolstofarme en koolstofvastleggende bouwproducten en de vraag hiernaar te stimuleren, is echter coherente en transparante informatie over de klimaat-, milieu- en duurzaamheidsprestaties van bouwproducten nodig, evenals de mogelijkheid om inherente productkenmerken, zoals duurzaamheid of repareerbaarheid, te regelen. Door de circulariteit van bouwproducten te verbeteren zal ook de veerkracht van de EU met betrekking tot de toegang tot bouwmaterialen worden versterkt 17 . Bovendien is er onvoldoende digitale informatie over bouwproducten beschikbaar om aan de doelstellingen van circulariteit en duurzaamheid te voldoen en om de informatie te verstrekken die nodig is voor andere gerelateerde wetgeving (bv. de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen of de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten).

De mogelijkheden van de sector op consistente en geharmoniseerde wijze de prestaties van de eigen producten aan te geven en de producten op basis van de klimaat-, milieu- en duurzaamheidsprestaties te differentiëren, worden door de bouwproductenverordening aanzienlijk beperkt. Daarnaast beperkt de verordening de mogelijkheden van de lidstaten om nationale vereisten voor gebouwen vast te stellen of criteria inzake duurzaamheidsdoelstellingen in overheidsopdrachten op te nemen, zonder de werking van de eengemaakte markt in gevaar te brengen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het initiatief is in overeenstemming met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, aangezien het bijdraagt aan de doelstellingen van de groene transitie van de Europese Green Deal (met name de renovatiegolf) en het actieplan voor de circulaire economie. Het bevordert een groenere productie, evenals hergebruik, herproductie en recycling van bouwproducten. Het zorgt voor aanpassing aan de klimaatverandering. Het ondersteunt de herziening van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen door informatie te verstrekken over de milieuprestaties van bouwproducten en vergemakkelijkt zo de berekening van de energieprestaties van gebouwen, hun aardopwarmingsvermogen en de koolstofverwijderingen door koolstofopslag.

In het actieplan voor de circulaire economie is het initiatief voor duurzame producten (Sustainable Products Initiative, SPI) aangekondigd, dat tot doel heeft producten geschikt te maken voor een klimaatneutrale, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie, met name in combinatie met de vaststelling van de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Wanneer productspecifieke EU-wetgeving, zoals dit voorstel, regels stelt met betrekking tot de milieu- en klimaatduurzaamheidsaspecten van producten, moet de verdere ontwikkeling van het beleid en de wetgeving bij het specifieke instrument blijven, met dezelfde striktheid als de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Dit draagt bij tot een betere samenhang van EU-voorschriften voor specifieke producten en vermijdt administratieve lasten voor marktdeelnemers die anders zouden moeten voldoen aan vereisten die in verschillende EU-wetgevingen zouden zijn vastgelegd.

Gezien de sterke onderlinge verbanden tussen de milieuprestaties en structurele prestaties van bouwproducten, met inbegrip van de gezondheids- en veiligheidsaspecten, worden in dit voorstel daarom duurzaamheidsvereisten voor bouwproducten vastgesteld. Specifieke omstandigheden kunnen echter een gerichte interventie op bouwproducten in het kader van de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten rechtvaardigen. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn voor energiegerelateerde bouwproducten die reeds onder de bestaande richtlijn inzake ecologisch ontwerp vallen, zoals kachels voor vaste brandstoffen.

De mededeling “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” 18 van maart 2020 bevat een plan voor de EU-industrie om het voortouw te nemen bij de groene en digitale transitie, hierbij voortbouwend op de kracht van haar tradities, bedrijven en burgers om het concurrentievermogen te vergroten. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, is een op het industriële ecosysteem gebaseerde aanpak vastgesteld om de behoeften beter op elkaar af te stemmen en de belangrijkste spelers binnen elke waardeketen te ondersteunen. In de mededeling ter actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020 19 wordt de bouw aangemerkt als een van de prioritaire ecosystemen die worden geconfronteerd met de belangrijkste uitdagingen bij de verwezenlijking van de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen en de omarming van de digitale transformatie, en waarvan hun concurrentievermogen afhankelijk is. De Commissie heeft, in samenwerking met de industrie, belanghebbenden en lidstaten, als onderdeel van de geactualiseerde industriestrategie, een transitietraject voor het ecosysteem van de bouwsector ontwikkeld. Als onderdeel van deze werkzaamheden heeft de Commissie op 15 december 2021 een werkdocument van de diensten van de Commissie 20 gepubliceerd waarin scenario’s worden voorgesteld om de bouw groener, digitaler en veerkrachtiger te maken. Een faciliterend en regelgevend kader dat klaar is voor de toekomst, en investeringen en vertrouwen bevordert, is essentieel voor de veerkracht van het ecosysteem en een voorwaarde voor de dubbele transitie.

In de kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa 21 werd de belangrijke rol van de kmo’s bij de aandrijving van de groene transitie benadrukt en herhaald dat de kmo’s moeten worden uitgerust met instrumenten om de milieurisico’s te begrijpen en te beperken, ook in de bouwsector.

In de mededeling van de Commissie “Een EU-strategie voor normalisatie: Mondiale normalisatie ter ondersteuning van een veerkrachtige, groene en digitale eengemaakte markt in de EU” 22 werd de bouw aangemerkt als een van de meest relevante gebieden waarop geharmoniseerde normen het concurrentievermogen zouden kunnen verbeteren en de marktbelemmeringen zouden kunnen verminderen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) omdat de verordening voornamelijk beoogt belemmeringen voor het verkeer van bouwproducten binnen de eengemaakte markt weg te nemen.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Zonder een EU-verordening kunnen de tekortkomingen van de bouwproductenverordening niet door nationale wetgeving worden verholpen, aangezien de lidstaten niet bevoegd zijn om het kader van de bouwproductenverordening te wijzigen of om de tekortkomingen ervan door middel van nationale maatregelen te corrigeren. Bij gebrek aan de nodige normalisatie op EU-niveau, worden de milieu- en veiligheidsprestaties van bouwproducten momenteel op nationaal niveau op verschillende manieren aangepakt, wat leidt tot verschillen in de vereisten waaraan marktdeelnemers moeten voldoen. Het is daarom gerechtvaardigd en noodzakelijk dat de EU actie onderneemt. Alleen op EU-niveau kunnen de voorwaarden worden vastgesteld waarmee het vrije verkeer van bouwproducten wordt gewaarborgd en tegelijkertijd voor een gelijk speelveld wordt gezorgd en duurzaamheidsdoelstellingen worden nagestreefd.

Wat betreft de toegevoegde waarde van maatregelen op EU-niveau zal het voorstel bijdragen tot de verbetering van de algemene werking van de eengemaakte markt voor bouwproducten door zowel de rechtszekerheid als de voorspelbaarheid te vergroten, het gelijke speelveld voor het ecosysteem van de bouw te verbeteren en de aspecten van de klimaat- en milieuprestaties evenals de circulariteit van bouwproducten aan te pakken, welke zaken alleen op EU-niveau kunnen worden aangepakt.

Evenredigheid

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel omdat het niet verder gaat dan wat nodig is om een goed functionerende eengemaakte markt voor bouwproducten tot stand te brengen en evenredig is gelet op de verwezenlijking van het beoogde doel.

Het voorstel is erop gericht de vastgestelde tekortkomingen van de bouwproductenverordening en de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan voor de circulaire economie aan te pakken, hierbij voortbouwend op de kernbeginselen van de bouwproductenverordening (met inbegrip van de geharmoniseerde normen die door de Europese normalisatieorganisaties zijn ontwikkeld). De basiswerking van het kader van de bouwproductenverordening, met name het normalisatieproces, moet worden aangepakt en verbeterd om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Sommige nieuwe maatregelen, zoals productvereisten of Commissie-besluiten met technische specificaties, zullen alleen worden toegepast wanneer dat nodig is voor specifieke producten.

Met het voorstel worden alle vastgestelde problemen op de meest doeltreffende en efficiënte manier aangepakt. In het voorstel wordt een toekomstbestendig en uitgebreid regelgevingskader voorgesteld, en worden uitwijkoplossingen en nieuwe regelgevingsinstrumenten geïntegreerd die kunnen worden geactiveerd als dit voor een specifieke productcategorie of -groep nodig is op basis van een gedetailleerde analyse. Gezien de grote verscheidenheid aan bouwproducten kunnen de doelstellingen van het voorstel alleen met deze aanpak daadwerkelijk worden nagestreefd zonder onnodige lasten voor de marktdeelnemers te creëren.

Keuze van het instrument

Het voorstel heeft de vorm van een verordening tot intrekking van de bouwproductenverordening die momenteel van kracht is. Het zorgt voor een gemeenschappelijke toepassing van de voorgestelde wetgeving in de hele EU.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

In 2016 publiceerde de Commissie een ondersteunende studie voor de geschiktheidscontrole van de bouwsector 23 . In de studie werd de samenhang beoordeeld van geselecteerde EU-maatregelen die op de bouwsector van toepassing zijn en werd gekeken naar de juridische overlappingen tussen de bouwproductenverordening en de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009) en de richtlijn energie-etikettering. Verder bevestigde de studie de inconsistenties in de definities, het ontbreken van kruisverwijzingen en de overlappingen tussen de drie wetgevingsteksten.

In 2019 publiceerde de Commissie de evaluatie 24 van de bouwproductenverordening. De overkoepelende problemen die tijdens deze evaluatie werden vastgesteld, waren, in volgorde van belangrijkheid, i) een ondermaats presterend normalisatiesysteem als kern van de bouwproductenverordening, ii) een ondoeltreffend en (van de ene lidstaat tot de andere) sterk uiteenlopend markttoezicht en iii) minder vereenvoudiging door de bouwproductenverordening dan was verwacht.

In het voorstel is met de conclusies van beide documenten rekening gehouden.

Raadpleging van belanghebbenden

Tijdens de voorbereiding van het voorstel zijn diverse belanghebbenden geraadpleegd: lidstaten, Europese technische instanties en organisaties, nationale autoriteiten, bedrijven/fabrikanten, importeurs en distributeurs, consumentenorganisaties, markttoezichtautoriteiten, Europese/internationale organisaties (brancheorganisaties), aangemelde instanties, werknemers-/beroepsverenigingen en anderen, zoals particulieren en andere ngo’s.

In lijn met de EU-richtsnoeren voor betere regelgeving hebben meerdere raadplegingsactiviteiten plaatsgevonden. In de onderstaande punten met opsommingstekens wordt hiervan een korte beschrijving gegeven.

·Horizontale online-enquête (enquête over horizontale kwesties) 25

De horizontale enquête was gericht op een aantal geselecteerde deskundigen en had tot doel na te gaan hoe de verschillende horizontale kwesties die tijdens de evaluatie van de bouwproductenverordening aan het licht waren gekomen, het beste kunnen worden aangepakt om input te verzamelen waarmee de beleidsopties verder kunnen worden verfijnd.

·In maart en september 2020 vonden twee speciale vergaderingen met deskundigen uit de lidstaten plaats over de herziening van de bouwproductenverordening.

Het doel van deze vergaderingen was om het proces en de “Refined indicative options paper” 26 te bespreken, alsmede de standpunten van de lidstaten over de volgende onderwerpen te verzamelen: reikwijdte en verhouding tot andere EU-wetgeving, geharmoniseerd gebied, nationaal recht en informatiebehoeften, bijlage I (fundamentele vereisten voor bouwwerken) en milieuvereisten.

·Bedrijfsenquête 27

Het doel van de bedrijfsenquête was om na te gaan hoe de “verfijnde indicatieve beleidsopties” naar verwachting van invloed zouden zijn op de ondernemingen in de Europese bouwproductensector. De enquête was gericht op marktdeelnemers uit de sector.

·Openbare raadpleging 28

Uit de openbare raadpleging is gebleken dat alle groepen belanghebbenden een intrekking van de bouwproductenverordening (beleidsoptie E) sterk afwezen. In de meeste groepen belanghebbenden waren de grootste groepen voorstander van handhaving van de huidige bouwproductenverordening (d.w.z. beleidsoptie A met het basisscenario). Een aanzienlijk deel van de groepen belanghebbenden gaf de voorkeur aan herziening van de bouwproductenverordening (d.w.z. beleidsoptie B, C of D) 29 .

Hoewel de marktdeelnemers in grote lijnen voorstander van de huidige bouwproductenverordening waren, werd in het kader van de bedrijfsenquête gewezen op problemen die moesten worden aangepakt en die een herziening vereisten. Deze hadden voornamelijk betrekking op het normalisatieproces.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de effecten van de verschillende opties werd ondersteund door een specifieke overeenkomst met betrekking tot verlening van technische bijstand 30 .

Tijdens de studie werden beschikbare gegevens verzameld en aangevuld om de beleidsopties te analyseren en hun mogelijke effecten te beoordelen. De beleidsopties werden voornamelijk aan de hand van de resultaten van de enquête en de openbare raadpleging onderzocht om de voorkeuren in kaart te brengen en de effecten ervan te beoordelen.

Via relevante verslagen, studies en vergaderingen met vertegenwoordigers van de lidstaten, ondernemersorganisaties, bedrijven, technische organen en testinstanties werd bovendien aanvullende expertise vastgesteld.

Effectbeoordeling

De Commissie heeft met betrekking tot de herziening van de bouwproductenverordening een effectbeoordeling uitgevoerd. Nadat de opmerkingen in het eerste negatieve advies van 26 juli 2021 van de Raad voor regelgevingstoetsing in aanmerking waren genomen, is op 26 januari 2022 een positief advies met voorbehoud over de effectbeoordeling afgegeven. De adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing, de definitieve effectbeoordeling en de samenvatting ervan worden samen met dit voorstel gepubliceerd.

Tijdens de effectbeoordeling werden vijf beleidsopties voor aanpak van de problemen met de bouwproductenverordening onderzocht en vergeleken:

Optie A — Basisscenario (geen herziening)

Het basisscenario hield in dat de verordening niet zou worden herzien, maar dat de uitvoering ervan via richtsnoeren en andere zachte wetgevingsmaatregelen zou worden verbeterd. Het basisscenario betekende derhalve een voortzetting van het geharmoniseerde systeem en de uitvoering ervan.

Optie B — Bouwproductenverordening repareren

Optie B was erop gericht de kwesties die tijdens de evaluatie naar voren waren gekomen, met de volgende acties aan te pakken:

·Voor de uitdagingen van het geharmoniseerde technische systeem introduceert optie B een bevoegdheid voor de Commissie om op een “uitwijkoplossing” te vertrouwen indien het normalisatiesysteem niet tijdig in normen van een toereikende kwaliteit voorziet.

·Het voortbestaan van nationale vereisten en merken zal worden gemitigeerd door een duidelijk afbakening van het gebied dat op EU-niveau wordt gereguleerd.

·Invoering van een geharmoniseerd kader voor beoordeling en bekendmaking van de milieuprestaties van bouwproducten.

·Invoering van een digitale structuur die compatibel is met het digitale productpaspoort.

·Bevordering van het hergebruik van bouwproducten.

·Verbetering van het markttoezicht door de handhavingsbevoegdheden te versterken, de activiteiten van de diverse markttoezichtautoriteiten op elkaar af te stemmen en eventueel een minimumaantal controles en minimumniveau van personele middelen voor het markttoezicht op bouwproducten te vereisen.

·Verbetering van de gemeenschappelijke besluitvorming van alle autoriteiten en aangemelde instanties.

·Beperking van overlappingen met andere EU-wetgeving door collisieregels in te voeren en voor coherentie te zorgen.

·Invoering van een specifieke markering voor bouwproducten (Europees bouwproduct — ECP) om te verduidelijken dat de markering betrekking heeft op een prestatieverklaring en niet op conformiteit.

·Gerichte bepalingen en een bevoegdheid voor de lidstaten om bepaalde micro-ondernemingen onder voorwaarden vrij te stellen van de verplichtingen van de bouwproductenverordening.

Optie C — Bouwproductenverordening toespitsen

Deze optie bouwt voort op de onder optie B beschreven elementen. Bij optie C wordt echter het toepassingsgebied van de bouwproductenverordening beperkt tot bepaalde gebieden, afhankelijk van de volgende drie subopties die kunnen worden gecombineerd:

·Suboptie C1: geharmoniseerde normen en handelingen van de Commissie met technische specificaties zouden alleen beoordelingsmethoden voor berekening van de prestaties omvatten, zonder dat er prestatiedrempels, klassen of andere vereisten op EU-niveau moeten worden vastgesteld.

·Suboptie C2: het toepassingsgebied van de bouwproductenverordening zou uitsluitend gericht zijn op de kerngebieden, afhankelijk van de regelgevingsbehoeften van de lidstaten, de relevantie voor het milieu, de productveiligheid en de markt.

·Suboptie C3: de lidstaten zouden de mogelijkheid hebben een alternatief pad voor markttoegang te bieden op basis van nationale regelgeving en niet op basis van geharmoniseerde normen en handelingen van de Commissie met technische specificaties.

Optie D — Bouwproductenverordening verbeteren

Voortbouwend op optie B kunnen ook vereisten met betrekking tot de inherente kenmerken van producten worden ingevoerd om de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te beschermen. Dergelijke productspecifieke vereisten kunnen worden geformuleerd aan de hand van drie subopties/benaderingen (de subopties D1 en D2 kunnen worden gecombineerd):

·Suboptie D1: nieuw wetgevingskader voor productvereisten (gebaseerd op door de Europese normalisatieorganisaties ontwikkelde normalisatie);

·Suboptie D2: gemeenschappelijke technische specificaties (ontwikkeld door of onder toezicht van de Commissie);

·Suboptie D3: een mengvorm tussen subopties D1 en D2.

Optie E — Bouwproductenverordening intrekken

De bouwproductenverordening zou worden ingetrokken. De handel in bouwproducten zou vertrouwen op wederzijdse erkenning.

De gunstigste optie

Optie D bleek de voorkeursoptie te zijn omdat zij de weg effent voor verwezenlijking van de doelstellingen van de bouwproductenverordening en de belangrijkste tekortkomingen in het kader van deze verordening zo doeltreffend en coherent mogelijk aanpakt. Dit waarborgt het vrije verkeer van bouwproducten binnen de eengemaakte markt en beantwoordt volledig aan de ambities die uit de Europese Green Deal en het actieplan voor de circulaire economie voortvloeien. De voornaamste wijzigingen zijn 31 :

·Er wordt een duidelijkere definitie gegeven van het toepassingsgebied en er worden hergebruikte en 3D-geprinte bouwproducten en geprefabriceerde huizen in de verordening opgenomen.

·De Commissie krijgt een nieuwe bevoegdheid om 1technische specificaties vast te stellen via handelingen van de Commissie voor gevallen waarin het normalisatiesysteem niet tijdig in normen van toereikende kwaliteit voorziet; 2productvereisten vast te stellen.

·Er worden milieu-, functionele en veiligheidsproductvereisten voor bouwproducten ingevoerd.

·De optie zorgt voor invoering van een “geharmoniseerde zone”, een duidelijkere verdeling van de rollen van de lidstaten en een mechanisme voor het verzamelen van informatie teneinde proactief informatie uit te wisselen over de regelgevingsbehoeften of -maatregelen van de lidstaten en hieraan tegemoet te komen met inachtneming van de doelstellingen van de eengemaakte markt.

·Er wordt een nieuwe verplichting voor fabrikanten ingevoerd om naast een prestatieverklaring ook een conformiteitsverklaring (conformiteit met productvereisten) te verstrekken; daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om informatie langs elektronische weg te verstrekken.

·Er wordt een opsomming geboden van algemene duurzaamheidsvereisten (per productfamilie nader vast te stellen in handelingen van de Commissie/geharmoniseerde normen).

·Er worden vereenvoudigings- en vrijstellingsbepalingen voor micro-ondernemingen ingevoerd en verbeterd.

·De handhavingsbevoegdheden van de markttoezichtautoriteiten worden versterkt.

·De rol van de productcontactpunten voor de bouw ter ondersteuning van de marktdeelnemers wordt uitgebreid.

·Er wordt een nieuw systeem van de Commissie opgezet dat natuurlijke of rechtspersonen in staat stelt klachten of verslagen met betrekking tot mogelijke inbreuken op de verordening te delen.

·Er zal een afstemming plaatsvinden op de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten wat betreft het klimaat en de ecologische duurzaamheid, alsmede op het digitale productpaspoort.

Optie D voorzag in de vervanging van de CE-markering door een nieuw etiket (“Europees bouwproduct” of “ECP”-markering). Het risico was echter dat een dergelijke verandering de onzekerheid voor de marktdeelnemers eerder zou vergroten dan verkleinen, met name tijdens de overgangsperiode waarin twee markeringen nodig zouden zijn geweest. Daarom zal de CE-markering worden gehandhaafd en zullen de fabrikanten deze moeten aanbrengen op producten waarvoor zij een prestatieverklaring of conformiteitsverklaring hebben opgesteld.

Hoewel in de studie ter ondersteuning van de effectbeoordeling werd geconcludeerd dat optie D tot extra kosten voor de marktdeelnemers kan leiden, voornamelijk als gevolg van de invoering van een verklaring met informatie over de milieuprestaties, was er ook sprake van bepaalde verminderingen in verband met de gebruikte gegevens. Door de extra vereenvoudiging die optie D met zich meebrengt, kan deze in werkelijkheid tot een nettovermindering van de administratieve lasten met ongeveer 180 miljoen EUR leiden (zie bijlage III bij het effectbeoordelingsverslag).

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Het voorstel zal de nalevingskosten tot een minimum beperken door middel van een goed presterend normalisatieproces, duidelijkere bepalingen, stimulering van het hergebruik van producten, minder aanvullende nationale vereisten en het creëren van een gelijk speelveld voor alle fabrikanten, met name kmo’s, in alle lidstaten. Bovendien zullen de geplande werkverdeling en technische afstemming met de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten onnodige kosten voor bedrijven, met name voor kmo’s, voorkomen.

Om de administratieve lasten te verminderen wordt in het voorstel maximaal gebruikgemaakt van de digitaliseringsmogelijkheden, terwijl de bouwproductenverordening niet voorziet in het gebruik van digitale instrumenten. Alle informatie en documentatie die verband houden met het voorstel kan in digitale vorm worden verwerkt (bv. digitaal productpaspoort) en op duurzame wijze in een informatiesysteem worden opgeslagen, gedeeld en toegankelijk worden gemaakt. Dit zal tot meer transparantie in de toeleveringsketens leiden, en het mogelijk maken de gegevens van bouwproducten in bouwlogboeken op te slaan en te gebruiken voor berekeningen die door andere wetgeving worden vereist (bv. de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen). Dit zal ook het markttoezicht vergemakkelijken.

Verder zullen de administratieve lasten voor fabrikanten worden verminderd door de overlapping tussen de CE-markering en de prestatieverklaring weg te nemen. De lidstaten zullen de bevoegdheid krijgen om micro-ondernemingen die geen grensoverschrijdende handel drijven, van de verplichtingen vrij te stellen.

Met de invoering van een nieuwe bevoegdheid voor de Commissie om een minimumaantal door de markttoezichtautoriteiten uit te voeren controles in te voeren, beoogt het voorstel de ongelijke toepassing van de voorschriften van de bouwproductenverordening op de markt te verbeteren. Dit kan een grotere capaciteit bij de markttoezichtautoriteiten vergen, maar zal de lidstaten beter ondersteunen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheid om de veiligheid en duurzaamheid van bouwwerken te waarborgen.

Grondrechten

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de bescherming van de grondrechten.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Voor een doeltreffend beheer van het kader van de bouwproductenverordening vereist het voorstel extra middelen. De gevraagde verhoging van het benodigde personeel met 7 VTE 32 is evenredig met de doelstellingen. De diensten van de Commissie zullen de volgende hoofdactiviteiten uitvoeren:

·de bouwproductenverordening ontwikkelen en uitvoeren;

·secundaire wetgeving ontwikkelen (uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen);

·normalisatieverzoeken en handelingen van de Commissie ontwikkelen en beheren;

·geharmoniseerde technische specificaties beoordelen en publiceren;

·gemeenschappelijke technische specificaties ontwikkelen;

·contacten onderhouden met de Europese normalisatieorganisaties op het gebied van prenormalisatiewerkzaamheden en normalisatie;

·overleg plegen met belanghebbenden over technische kwesties;

·ondersteuning bieden aan autoriteiten van de lidstaten;

·Opleidingen bieden aan de autoriteiten van de lidstaten, aangemelde instanties en andere instanties;

·richtsnoeren verstrekken aan lidstaten en ondernemingen.

Deze activiteiten zijn van juridische, technische en administratieve aard en moeten worden uitgevoerd binnen (of in sommige gevallen onder toezicht van) de diensten van de Commissie. In dit verband zou het personeel dat belast is met het beheer van het huidige kader van de bouwproductenverordening moeten worden uitgebreid en worden ondersteund door andere diensten van de Commissie (d.w.z. het JRC) of door middel van uitbesteding. Met name voor de wetenschappelijke en technische ondersteuning bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen en bij de horizontale taken. De mate waarin met het voorstel aan de doelstellingen kan worden voldaan, hangt grotendeels af van de beschikbare middelen van de Commissie.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie zal toezicht houden op de uitvoering, toepassing en naleving van deze nieuwe bepalingen om de doeltreffendheid ervan te beoordelen. Het toezicht op en de evaluatie van het beleid naar aanleiding van het voorstel zouden zich toespitsen op de belangrijkste kwesties die bij de herziening moeten worden aangepakt: de werking van het normalisatieproces, de beschikbaarheid van milieu- en productveiligheidsinformatie, en de milieu- en productveiligheidsvereisten die in technische specificaties zijn opgenomen, en de effecten voor de werking van het markttoezicht.

Er wordt voorgesteld het voorstel niet eerder dan 8 jaar na de datum van toepassing te evalueren, zodat de resultaten en effecten van de nieuwe voorschriften vorm kunnen krijgen.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Aangezien het rechtsinstrument een verordening is die rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten, is er geen behoefte aan een toelichtend document.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I van de verordening omvat de volgende algemene bepalingen.

In artikel 1 wordt het onderwerp beschreven, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar de milieu-, klimaat- en veiligheidsprestaties van bouwproducten in verband met hun essentiële kenmerken, evenals naar de milieu-, klimaat-, functionele en veiligheidsproductvereisten.

In artikel 2 wordt het toepassingsgebied vastgesteld, waaronder bouwproducten, 3D-printgerelateerde producten en diensten, belangrijke onderdelen, onderdelen of materialen op verzoek van de fabrikant, kits of voorgemonteerde delen die onder geharmoniseerde technische specificaties of EBD’s vallen, geprefabriceerde eengezinswoningen. In bepaalde gevallen is de verordening ook van toepassing op gebruikte producten. In vergelijking met de bouwproductenverordening wordt het toepassingsgebied gewijzigd om overlappingen met bijvoorbeeld de drinkwaterrichtlijn 33 en de richtlijn inzake stedelijk afvalwater 34 te voorkomen.

In artikel 3 zijn de definities opgenomen.

In artikel 4 zijn de fundamentele werkvereisten en -modaliteiten voor vaststelling van de essentiële kenmerken (gebaseerd op prestaties, bv. gerecycleerde inhoud) van bouwproducten vastgesteld. Dit gebeurt op basis van de in bijlage I, deel A, vermelde fundamentele vereisten voor bouwwerken en zal, samen met beoordelingsmethoden, deel uitmaken van de normen die verplicht worden gesteld voor de toepassing van deze verordening. De Commissie is ook bevoegd gedelegeerde handelingen voor de vaststelling van drempelwaarden en prestatieklassen met betrekking tot de essentiële kenmerken vast te stellen. Daarnaast is de Commissie, in geval van vertragingen of tekortkomingen in het normalisatieproces, bevoegd gedelegeerde handelingen met technische specificaties vast te stellen. Voorts is de Commissie bevoegd om bijlage I, deel A, te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen in het licht van technische vooruitgang of om nieuwe risico’s en milieuaspecten te bestrijken.

Artikel 5 bepaalt dat alle producten die onder de verordening vallen, moeten voldoen aan de generieke, rechtstreeks toepasselijke vereisten en de respectieve vereisten voor de productfamilie of ‑categorie van bijlage I, deel D. Het verleent de Commissie ook de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de productvereisten overeenkomstig bijlage I, delen B, C en D, nader worden omschreven. Deze gedelegeerde handelingen kunnen verder worden aangevuld met vrijwillige geharmoniseerde normen die in het kader van een normalisatieverzoek worden ontwikkeld. Daarnaast is de Commissie ook bevoegd om bijlage I, delen B, C en D, door middel van gedelegeerde handelingen te wijzigen in het licht van technische vooruitgang of om nieuwe risico’s en milieuaspecten te bestrijken.

Artikel 6 verleent de Commissie de bevoegdheid om het toepasselijke beoordelings- en verificatiesysteem vast te stellen, met inbegrip van de aanvullende stappen die nodig zijn om gevallen van systematische non-conformiteit tegen te gaan.

In artikel 7 wordt de “geharmoniseerde zone” vastgesteld, tegenover de gebieden die onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen. Daarnaast wordt hierin een mechanisme opgezet voor de omgang met absoluut noodzakelijke regelgeving van de lidstaten op het gebied van gezondheid, veiligheid of bescherming van het milieu, met inbegrip van het klimaat.

Artikel 8 voorziet in een bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om dubbele beoordeling van producten op grond van deze verordening en andere Uniewetgeving te voorkomen.

In hoofdstuk II (artikelen 9 tot en met 18) worden de procedure, de verklaringen en de markering beschreven.

De artikelen 9 tot en met 12 bevatten de regeling voor de prestatieverklaring en de toepasselijke vrijstellingen daarvan (bijvoorbeeld voor micro-ondernemingen die geen grensoverschrijdende handel drijven, onder bepaalde voorwaarden: voor geherproduceerde producten of voor onderdelen van bouwwerken die zijn voorbereid voor hergebruik of herproductie).

De artikelen 13 en 14 bevatten voorschriften voor de conformiteitsverklaring (conformiteit met de productvereisten op grond van artikel 5). Om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, wordt de conformiteitsverklaring gecombineerd met de prestatieverklaring.

Op grond van artikel 15 kunnen een prestatieverklaring en een conformiteitsverklaring in elektronische vorm of via een permalink worden verstrekt. Zij worden verstrekt in de talen die worden voorgeschreven door de lidstaten waar de fabrikant het product op de markt wenst te brengen.

De artikelen 16 tot en met 18 bevatten de algemene beginselen en voorwaarden voor de CE-markering en voor het gebruik van andere markeringen.

In hoofdstuk III (artikelen 19 tot en met 33) worden de rechten en verplichtingen van marktdeelnemers vastgesteld. Het bevat algemene en gedetailleerde verplichtingen voor fabrikanten, met inbegrip van de wijze waarop de relevante geharmoniseerde technische specificaties (geharmoniseerde normen en gedelegeerde handelingen) moeten worden gebruikt om de prestaties van het product te beoordelen en hierover een verklaring af te geven.

Met name in artikel 22 worden de milieuverplichtingen van de fabrikanten vastgesteld, met inbegrip van de verplichting om de in bijlage I, deel A, punt 2, vermelde verplichte duurzaamheidskenmerken, het aardopwarmingsvermogen en de prestatiegebaseerde vereisten of het minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal aan te geven. Na de vaststelling van gedelegeerde handelingen voor een bepaalde productfamilie geldt voor de fabrikanten ook de verplichting om:

producten en hun verpakking zodanig te ontwerpen en te vervaardigen dat hun algehele milieu- en klimaatduurzaamheid aan de stand van de techniek voldoen.

de voorkeur te geven aan recycleerbare materialen en materialen die afkomstig zijn van recycling;

de verplichtingen inzake het minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal en andere grenswaarden voor ecologische duurzaamheid in geharmoniseerde technische specificaties in acht te nemen;

vroegtijdige veroudering van producten te voorkomen, betrouwbare onderdelen te gebruiken en producten zodanig te ontwerpen dat de duurzaamheid ervan niet lager is dan de gemiddelde duurzaamheid van producten in hun respectieve categorie;

producten zodanig te ontwerpen dat deze gemakkelijk kunnen worden gerepareerd, gerenoveerd en verbeterd.

In verdere artikelen worden de specifieke verplichtingen vastgesteld van gemachtigde vertegenwoordigers (artikel 23), importeurs (artikel 24) zoals de verplichting om ervoor te zorgen dat producten veilig blijven terwijl deze onder hun controle staan en om te controleren of de fabrikant zijn algemene verplichtingen is nagekomen, distributeurs (artikel 25), fulfilmentdienstverleners, makelaars, onlinemarktplaatsen, onlineverkopers en onlinewinkels (waardoor deze in een nalevingsgerichte architectuur worden geïntegreerd) (artikel 27) en aanbieders van 3D-printdiensten (artikel 28). Er worden derhalve bepalingen ingevoerd waardoor binnen het kader ook nieuwe bedrijfsmodellen kunnen worden aangepakt. In het hoofdstuk worden ook nieuwe specifieke verplichtingen ingevoerd voor marktdeelnemers die gebruikte producten verwijderen of voor hergebruik of herproductie verwerken (artikel 29) en verplichtingen voor dubbel gebruik en pseudoproducten (artikel 31). Verder bevat het hoofdstuk regels voor de onlineverkoop of verkoop op afstand van bouwproducten (artikel 32).

Hoofdstuk IV (artikelen 34 tot en met 42) bevat voorschriften inzake normen voor bouwproducten en Europese beoordelingsdocumenten (EBD’s). Het omvat een verplichte toepassing van alle prestatiegerelateerde vereisten en vrijwillige toepassing voor inherente productvereisten. Het stelt voorschriften vast voor de Europese beoordelingsdocumenten (EBD’s) en hun verband met de prestatieverklaring en conformiteitsverklaring (artikel 35), de ontwikkeling en vaststelling van EBD’s (artikel 36) en de bekendmaking ervan (artikel 38), de inhoudelijke vereisten voor de EBD’s (artikel 40) en voor de aanpak van de ongerechtvaardigde toename van EBD’s (artikel 36). Daarnaast bevat het voorschriften voor de beslechting van geschillen tussen technische beoordelingsinstanties (TBI’s) (artikel 39).

Hoofdstuk V (artikelen 43 tot en met 46) bevat vereisten voor de aanwijzing van autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de TBI’s en voorschriften voor de aanwijzing, controle en evaluatie van deze TBI’s. Het voorziet ook in bevoegdheden van de Commissie om de personele vereisten voor de TBI’s vast te stellen en de coördinerende taken van de TBI’s vast te stellen.

In hoofdstuk VI (artikelen 47 tot en met 63) wordt ingegaan op de rol van de aanmeldende autoriteiten (artikel 48) en de vereisten die op deze autoriteiten van toepassing zijn (artikel 49), met inbegrip van de belangrijkste operationele en informatieverplichtingen. Het bevat de vereisten voor de aangemelde instanties (artikel 50), hun operationele verplichtingen (artikel 60) en informatieverplichtingen (artikel 61) en bevat een opsomming van de verplichtingen van een aangemelde instantie ten aanzien van haar onderaannemers of dochterondernemingen (artikel 53). Daarnaast bevat het voorschriften voor het gebruik van andere faciliteiten dan het testlaboratorium van de aangemelde instantie (artikel 54). Er is voorzien in een procedure voor het geval lidstaten en de Commissie formeel bezwaar willen maken tegen de erkenning van geharmoniseerde normen (artikel 52).

In hoofdstuk VII (artikelen 64 tot en met 67) wordt voorzien in vereenvoudigde procedures. Om de administratieve lasten te verminderen, met name voor kmo’s en micro-ondernemingen, zijn in dit hoofdstuk vereenvoudigingsprocedures vastgesteld, waaronder artikel 64 inzake het gebruik van passende technische documentatie, artikel 65 op grond waarvan micro-ondernemingen gebruik kunnen maken van het mildere verificatiesysteem, artikel 66 ter beperking van de vereisten voor als maatwerk vervaardigde niet-seriematige producten die in een geïdentificeerd afzonderlijk bouwwerk worden geïnstalleerd, artikel 67 betreffende de erkenning van de beoordeling en verificatie van een andere aangemelde instantie.

Hoofdstuk VIII (artikelen 68 tot en met 76) bevat voorschriften inzake markttoezicht en vrijwaringsprocedures. In artikel 68 wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om een systeem op te zetten op grond waarvan elke natuurlijke of rechtspersoon klachten of verslagen over mogelijke gevallen van non-conformiteit met deze verordening kan delen.

In artikel 70 is bepaald hoe non-conformiteit moet worden aangepakt, terwijl in artikel 71 de vrijwaringsprocedure van de EU is opgenomen voor gevallen waarin de lidstaten rechtsgeldig naar dwingende redenen van gezondheid, veiligheid of milieubescherming kunnen verwijzen. Artikel 72 bevat voorschriften voor de aanpak van conforme producten die een risico vormen. In artikel 73 wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om een minimumaantal controles vast te stellen dat in het kader van het markttoezicht moet worden uitgevoerd, en om de minimale personele middelen vast te stellen die door de markttoezichtautoriteiten voor bouwproducten moeten worden ingezet. Artikel 74 voorziet in coördinatie van het markttoezicht en in een groep voor administratieve samenwerking (“ADCO”). Om de capaciteit van de markttoezichtautoriteiten te versterken, hebben de markttoezichtautoriteiten het recht om de kosten van inspecties en tests op de marktdeelnemers te verhalen (artikel 75). De markttoezichtautoriteiten moeten jaarlijks verslag uitbrengen aan de Commissie over hun activiteiten (artikel 76).

In hoofdstuk IX (artikelen 77 tot en met 81) worden de beginselen inzake informatie en administratieve samenwerking vastgesteld. Het hoofdstuk wordt ingevoerd om het systeem en de toepassing van de verordening te versterken teneinde uiteenlopende beslissingen en een daardoor optredend ongelijk speelveld te voorkomen.

In lijn met deze doelstellingen wordt op grond van artikel 77 een informatie- en communicatiesysteem ingesteld en in stand gehouden om voor een geharmoniseerde interpretatie en toepassing van deze verordening te zorgen.

In artikel 78 wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om een EU-database of -systeem voor bouwproducten op te zetten om de toegang tot productinformatie (met name prestatieverklaringen, conformiteitsverklaringen en gebruiksaanwijzingen) te vergemakkelijken. In artikel 79 worden de voorschriften inzake de productcontactpunten voor de bouw herzien om de marktdeelnemers een betere ondersteuning te bieden. In artikel 80 is bepaald dat de markttoezichtautoriteiten, de productcontactpunten voor de bouw, de aanwijzende autoriteiten, de TBI’s, de aanmeldende autoriteiten en de aangemelde instanties op de hoogte moeten blijven van de ontwikkelingen op hun werkterrein en opleidingen moeten krijgen over de gemeenschappelijke interpretatie en toepassing van de voorschriften. Deze opleiding moet ten minste eenmaal per jaar door de Commissie worden georganiseerd. In artikel 81 is bepaald dat de lidstaten gezamenlijk autoriteiten voor de uitvoering van hun verplichtingen uit hoofde van de verordening kunnen aanwijzen en middelen en verantwoordelijkheden kunnen delen.

In hoofdstuk X (artikel 82) zijn de voorwaarden vastgesteld voor samenwerking met niet-EU-landen, mede met het oog op het beperken van de negatieve gevolgen van non-conformiteit van in deze landen gevestigde marktdeelnemers op de eengemaakte markt.

Hoofdstuk XI (artikelen 83 en 84) heeft betrekking op stimulansen en groene overheidsopdrachten van de lidstaten. In artikel 83 wordt uiteengezet hoe de lidstaten het gebruik van duurzamere bouwproducten kunnen stimuleren. In artikel 84 wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om duurzaamheidsvereisten met betrekking tot groene overheidsopdrachten voor bouwproducten te ontwikkelen.

In hoofdstuk XII (artikel 85) wordt de Commissie de bevoegdheid verleend om te bepalen of een specifiek product een bouwproduct is.

In hoofdstuk XIII (artikel 86) wordt Verordening (EU) 2019/1020 zo gewijzigd dat Verordening (EU) 2019/1020 ook op bouwproducten van toepassing is.

In hoofdstuk XIV (artikelen 87 tot en met 94) zijn de slotbepalingen opgenomen. In artikel 87 zijn de voorwaarden neergelegd voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen in de verordening. In artikel 88 is de rol van het Permanent Comité voor de bouw vastgesteld. Op grond van artikel 90 stellen de lidstaten de regels vast die van toepassing zijn op de sancties voor inbreuken op de verordening. In artikel 91 wordt voorgeschreven dat de verordening niet eerder dan acht jaar na de datum van toepassing van de verordening moet worden geëvalueerd. Artikel 93 biedt overgangsbepalingen die de gefaseerde overdracht van alle geharmoniseerde normen van de bouwproductenverordening naar de nieuwe verordening mogelijk maken en zo voor een soepele en geleidelijke invoering voor de marktdeelnemers zorgen. In artikel 94 worden de datum van inwerkingtreding en de datum van toepassing van de verordening bepaald.

Net als de bouwproductenverordening gaat het dispositief van het voorstel vergezeld van een aantal bijlagen, namelijk:

Bijlage I betreffende de fundamentele vereisten voor bouwwerken (deel A), zoals in de bouwproductenverordening, en betreffende nieuwe elementen: prestatiegerelateerde productvereisten (deel B), inherente productvereisten, met name met betrekking tot veiligheid en milieu (deel C) en informatievereisten (deel D);

Bijlage II betreffende de inhoud van de prestatieverklaring en de conformiteitsverklaring;

Bijlage III betreffende de procedure voor vaststelling van een Europees beoordelingsdocument (EBD);

Bijlage IV betreffende de productgebieden en -vereisten voor technische beoordelingsinstanties (TBI’s);

Bijlage V betreffende de beoordelings- en verificatiesystemen;

Bijlage VI betreffende de essentiële kenmerken waarvoor geen verwijzing naar een relevante geharmoniseerde technische specificatie vereist is in het kader van de aanmelding van aangemelde instanties;

Bijlage VII betreffende de concordantietabel.

2022/0094 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité  ( 1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure  ( 2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld in het kader van de interne markt, teneinde de voorwaarden voor het in de handel brengen van bouwproducten te harmoniseren en belemmeringen voor de handel in bouwproducten tussen de lidstaten weg te nemen.

(2)Om een bouwproduct in de handel te kunnen brengen, moet de fabrikant een prestatieverklaring voor een dergelijk product opstellen. De fabrikant neemt de verantwoordelijkheid voor de conformiteit van het product met de aangegeven prestaties op zich. Er zijn bepaalde vrijstellingen van deze verplichting mogelijk.

(3)De ervaring met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 305/2011, de door de Commissie in 2019 uitgevoerde evaluatie en het verslag over de Europese Organisatie voor technische goedkeuringen hebben aangetoond dat het kader op verschillende punten ondermaats presteert, onder meer wat betreft de ontwikkeling van normen en het markttoezicht. Bovendien is uit de feedback die in de loop van de evaluatie is ontvangen, gebleken dat de overlappingen, tegenstrijdigheden en herhaalde vereisten, ook met betrekking tot andere Uniewetgeving, moeten worden beperkt om meer juridische duidelijkheid te verschaffen en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers te beperken. Het is daarom noodzakelijk specifiekere en gedetailleerdere wettelijke verplichtingen voor de marktdeelnemers vast te stellen, evenals nieuwe bepalingen, onder meer met betrekking tot de technische specificaties en het markttoezicht, om de rechtszekerheid te vergroten en uiteenlopende interpretaties te vermijden.

(4)Er moeten goed functionerende informatiestromen tot stand worden gebracht, onder meer via elektronische middelen, om ervoor te zorgen dat in de hele toeleveringsketen coherente en transparante informatie over de prestaties van bouwproducten beschikbaar is. Dit zal naar verwachting de transparantie vergroten en de efficiëntie wat betreft de informatieoverdracht verbeteren. Door te zorgen voor digitale toegang tot uitgebreide informatie over bouwproducten kan worden bijgedragen tot de digitalisering van de bouwsector in zijn geheel, en kan het kader geschikt worden gemaakt voor het digitale tijdperk. Toegang tot betrouwbare en duurzame informatie zou ook betekenen dat de marktdeelnemers en andere actoren niet bijdragen tot elkaars non-conformiteit.

(5)In de resolutie van 10 maart 2021 over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 305/2011 35 toonde het Europees Parlement zich ingenomen met de doelstelling van de Commissie om de bouwsector duurzamer te maken door de duurzaamheidsprestaties van bouwproducten aan te pakken in het kader van de herziening van Verordening (EU) nr. 305/2011, zoals was aangekondigd in het actieplan voor de circulaire economie. In de conclusies van de Raad van 28 november 2019 36 over de circulaire economie in de bouwsector werd er bij de Commissie op aangedrongen bij de herziening van Verordening (EU) nr. 305/2011 inzake bouwproducten de circulariteit van bouwproducten te bevorderen. In de mededeling van de Commissie “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” 37 werd benadrukt dat de duurzaamheid van bouwproducten moet worden aangepakt en werd erop gewezen dat een duurzamere gebouwde omgeving essentieel is voor de transitie van Europa naar klimaatneutraliteit. In de mededeling van de Commissie “Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa” 38 werd de bouw aangemerkt als een van de prioritaire ecosystemen die worden geconfronteerd met de zeer belangrijke uitdagingen om enerzijds de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen te verwezenlijken en anderzijds de digitale transformatie te omarmen, uitdagingen waarvan het concurrentievermogen van de bouwsector afhankelijk is. Het is daarom passend regels vast te stellen voor de verklaringen over de milieu- en duurzaamheidsprestaties van bouwproducten, met inbegrip van de mogelijkheid om relevante drempels en klassen vast te stellen.

(6)Ook in de EU-strategie inzake normalisatie van 2022 39 werd de bouw genoemd als een van de meest relevante gebieden waarop geharmoniseerde normen het concurrentievermogen zouden kunnen verbeteren en de marktbelemmeringen zouden kunnen verminderen.

(7)Om de milieudoelstellingen te verwezenlijken, met inbegrip van de strijd tegen de klimaatverandering, moeten nieuwe milieuverplichtingen worden vastgesteld en moet de basis worden gelegd voor de ontwikkeling en toepassing van een beoordelingsmethode voor de berekening van de ecologische duurzaamheid van bouwproducten. Om dezelfde reden is het noodzakelijk de kring van gereglementeerde marktdeelnemers uit te breiden, aangezien distributeurs, leveranciers en fabrikanten allemaal een rol spelen bij de berekening van de ecologische duurzaamheid in de bouwsector. Deze kring moet daarom in twee richtingen worden uitgebreid: downstream van de distributeurs tot de marktdeelnemers die het hergebruik en de herproductie van bouwproducten voorbereiden, en upstream van de fabrikant tot de leveranciers van tussenproducten en/of grondstoffen. Bovendien moeten bepaalde marktdeelnemers die een rol spelen bij de ontmanteling van gebruikte producten of andere delen van bouwwerken of bij de herproductie en het hergebruik ervan, bijdragen tot een veilige tweede levensduur van bouwproducten.

(8)Om de veiligheid en functionaliteit van de bouwproducten en, in het verlengde daarvan, van de bouwwerken te waarborgen, moet worden voorkomen dat producten die door hun fabrikanten niet voor gebruik als bouwproducten bestempeld zijn, desondanks als bouwproducten in de handel worden gebracht. Importeurs, distributeurs en andere downstream marktdeelnemers moeten er derhalve voor zorgen dat dergelijke pseudo-bouwproducten niet als bouwproducten worden verkocht. Bovendien mogen bepaalde dienstverleners, zoals fulfilmentdienstverleners of aanbieders van 3D-printdiensten, niet bijdragen tot de non-conformiteit van andere marktdeelnemers. Daarom moeten de relevante bepalingen ook van toepassing worden op deze diensten en hun aanbieders.

(9)Het is mogelijk dat verschillende marktdeelnemers datasets voor 3D-prints, 3D-printers of mallen en de daarin te gebruiken materialen aanbieden, waardoor geen van deze marktdeelnemers verantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid en juiste prestaties van het 3D-geprinte product. Om mogelijke veiligheidsrisico’s in dit verband te vermijden, moeten daarom bepalingen worden vastgesteld voor datasets voor 3D-prints, voor 3D-prints bestemde materialen en diensten die het 3D-printen van bouwproducten mogelijk maken, zodat de marktdeelnemers, door naleving van deze bepalingen, gezamenlijk een veiligheidsniveau bereiken dat vergelijkbaar is met het niveau voor gewone bouwproducten.

(10)Om de veiligheid en de bescherming van het milieu te waarborgen en een lacune in de regelgeving te dichten die anders aanwezig zou zijn, moet worden verduidelijkt dat voor bouwproducten die op de bouwplaats worden vervaardigd om onmiddellijk in de bouwwerken te worden opgenomen, dezelfde regels gelden als voor andere bouwproducten. Micro-ondernemingen produceren en installeren echter vaak individuele producten ter plaatse. Als deze micro-ondernemingen onder alle omstandigheden aan dezelfde regels als andere ondernemingen zouden worden onderworpen, zou dat onevenredig grote gevolgen voor deze micro-ondernemingen hebben. In specifieke situaties waarin de belangen van andere lidstaten niet worden geschaad, moeten lidstaten micro-ondernemingen daarom kunnen vrijstellen van de verplichting tot het opstellen van een prestatieverklaring.

(11)Het waarborgen van het vrije verkeer van kits of voorgemonteerde delen van bouwproducten op de interne markt zal met name tastbare voordelen opleveren voor burgers, consumenten en bedrijven. Omwille van de rechtszekerheid moet de samenstelling ervan echter nauwkeurig worden gedefinieerd in geharmoniseerde technische specificaties of Europese beoordelingsdocumenten.

(12)De totstandbrenging van een Uniemarkt voor kleine geprefabriceerde eengezinswoningen kan de prijs van woningen verlagen en positieve sociale en economische effecten hebben. Rechtvaardigheid voor de consument blijft een prioriteit, met name, maar niet uitsluitend, het zorgen voor betaalbaarheid van huisvesting in het kader van de groene transitie, in overeenstemming met het voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit 40 , met name de aanbevelingen 7, punten a) tot en met c). Er moeten daarom geharmoniseerde regels voor dergelijke kleine huizen worden vastgesteld. Kleine huizen zijn echter ook bouwwerken waarvoor de lidstaten bevoegd zijn. Aangezien het misschien niet mogelijk is om alle nationale vereisten voor kleine geprefabriceerde eengezinswoningen cumulatief in de toekomstige geharmoniseerde technische specificaties te integreren, moeten de lidstaten het recht hebben om af te zien van de toepassing van de regels die van toepassing worden op deze geprefabriceerde eengezinswoningen.

(13)De conformiteit van bouwproducten met de Uniewetgeving hangt vaak af van de conformiteit van de belangrijke onderdelen met die wetgeving. Omdat belangrijke onderdelen vaak in verschillende bouwproducten worden geïntegreerd, kan de bescherming van de veiligheid en het milieu, met inbegrip van het klimaat, echter beter worden bereikt wanneer de belangrijke onderdelen upstream worden beoordeeld, dat wil zeggen wanneer de prestaties en de conformiteit van belangrijke onderdelen vooraf worden beoordeeld en onafhankelijk van de beoordeling van het uiteindelijke bouwproduct waarin zij worden geïntegreerd. Evenzo wordt het markttoezicht efficiënter wanneer non-conforme belangrijke onderdelen kunnen worden geïdentificeerd en aangepakt. Daarom moeten er voorschriften worden vastgesteld die op belangrijke onderdelen van bouwproducten van toepassing zijn.

(14)Bouwproducten die reeds zijn beoordeeld en opnieuw worden gebruikt, hoeven niet te worden onderworpen aan de voorschriften die op nieuwe bouwproducten van toepassing zijn. Gebruikte bouwproducten die nog nooit eerder in de Unie in de handel zijn gebracht, moeten echter aan dezelfde regels worden onderworpen als nieuwe bouwproducten, aangezien dergelijke producten nooit zijn beoordeeld.

(15)Om ervoor te zorgen dat de veiligheid en functionaliteit van bouwproducten gewaarborgd zijn, moeten de regels die op nieuwe bouwproducten van toepassing zijn ook van toepassing zijn op gebruikte bouwproducten waarvan het beoogde gebruik, behalve voor decoratiedoeleinden, wordt gewijzigd, op gebruikte bouwproducten met een onduidelijk oorspronkelijk beoogd gebruik, op gebruikte bouwproducten die een belangrijk transformatief proces hebben ondergaan en op gebruikte bouwproducten waarvoor een marktdeelnemer aanvoert dat aan aanvullende kenmerken of productvereisten wordt voldaan.

(16)Het feit dat gebruikte bouwproducten in beginsel niet aan een nieuwe beoordeling hoeven te worden onderworpen, hoeft de marktdeelnemer er niet van te weerhouden die bouwproducten te laten beoordelen indien dat helpt om het gebruik van die gebruikte bouwproducten aantrekkelijker te maken door aan te tonen dat die bouwproducten nog steeds bepaalde kenmerken bezitten of aan de toepasselijke productvereisten voldoen.

(17)Bouwproducten die in de ultraperifere gebieden van de Europese Unie in de handel worden gebracht, worden vaak vanuit buurlanden ingevoerd en zijn daarom niet onderworpen aan de vereisten van het Unierecht. Het zou onevenredig duur zijn om die bouwproducten aan dergelijke vereisten te onderwerpen. Tegelijkertijd circuleren de in de ultraperifere gebieden vervaardigde bouwproducten nauwelijks in andere lidstaten. Daarom moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bouwproducten die in de ultraperifere gebieden van de Europese Unie in de handel worden gebracht of rechtstreeks worden geïnstalleerd, van deze vereisten vrij te stellen.

(18)Omwille van een maximale coherentie van de regelgeving moet deze verordening zoveel mogelijk voortbouwen op het horizontale wetgevingskader, in dit geval met name op Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad. De verordening volgt de recente trend in de productwetgeving om een uitwijkoplossing te ontwikkelen wanneer de Europese normalisatieorganisaties geen geharmoniseerde normen vaststellen die in het Publicatieblad kunnen worden vermeld. Aangezien er sinds eind 2019 geen geharmoniseerde normen voor bouwproducten in het Publicatieblad konden worden vermeld en sinds de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 305/2011 slechts een tiental, moeten de nieuwe reservebevoegdheden voor de Commissie nog verder worden uitgebreid zodat de totale output van technische specificaties kan worden geoptimaliseerd en de vertraging bij de aanpassing aan de technische vooruitgang kan worden ingehaald.

(19)Wanneer geharmoniseerde normen voorschriften bevatten voor de beoordeling van de prestaties met betrekking tot essentiële kenmerken die relevant zijn voor de bouwcodes van lidstaten, moeten deze geharmoniseerde normen verplicht worden gesteld voor de toepassing van deze verordening, aangezien alleen op grond van dergelijke normen producten tot het vrije verkeer kunnen worden toegelaten, terwijl zij waarborgen dat de lidstaten met het oog op hun specifieke nationale situatie om veiligheids- en milieukenmerken, met inbegrip van klimaatgerelateerde productkenmerken kunnen verzoeken. Wanneer deze beide doelstellingen samen worden nagestreefd, vereisen zij dat producten volgens één enkele beoordelingsmethode worden beoordeeld, vandaar dat de methode verplicht moet zijn. Er kunnen echter vrijwillige normen worden gebruikt om productvereisten, die voor de desbetreffende productfamilie of -categorie bij gedelegeerde handelingen zijn gespecificeerd, nog concreter te maken, volgens het pad van Besluit nr.768/2008 van het Europees Parlement en de Raad. In lijn met Besluit nr. 768/2008 moeten die normen kunnen voorzien in een vermoeden van conformiteit met de vereisten waarop zij betrekking hebben.

(20)Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan voor de circulaire economie en te zorgen voor veilige bouwproducten — veiligheid is tenslotte een van de doelstellingen die moeten worden nagestreefd in de wetgeving op basis van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) — zijn er inherente productvereisten met betrekking tot de veiligheid, functionaliteit en bescherming van het milieu, met inbegrip van het klimaat, noodzakelijk. Bij het vaststellen van deze vereisten moet de Commissie rekening houden met de potentiële bijdrage ervan tot de verwezenlijking van de klimaat-, milieu- en energie-efficiëntiedoelstellingen van de Unie. Deze vereisten hebben niet alleen betrekking op de prestaties van bouwproducten. In tegenstelling tot haar voorloper, Richtlijn 89/106/EG, voorziet Verordening (EU) nr. 305/2011 niet in de mogelijkheid om dergelijke inherente productvereisten vast te stellen. Bepaalde geharmoniseerde normen voor bouwproducten bevatten echter dergelijke inherente productvereisten die verband kunnen houden met het milieu, de veiligheid of eenvoudigweg de goede werking van het product. Deze normen tonen aan dat er een praktische behoefte bestaat aan dergelijke vereisten inzake veiligheid, milieu of eenvoudigweg de werking van producten. Als rechtsgrondslag van deze verordening legt artikel 114 VWEU ook het streven naar een hoog niveau van bescherming van het milieu, de gezondheid en de veiligheid van de mens op. Daarom moet deze verordening inherente productvereisten (her)invoeren of valideren. Hoewel deze vereisten door de wetgever moeten worden vastgesteld, moeten deze voor de meer dan 30 productfamilies, elk met verschillende categorieën, worden gespecificeerd. Daarom moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om handelingen vast te stellen waarin de vereisten voor de respectieve bouwproductfamilie of -categorie worden gespecificeerd.

(21)De productie en distributie van bouwproducten worden steeds complexer, wat leidt tot de opkomst van nieuwe gespecialiseerde marktdeelnemers, zoals fulfilmentdienstverleners. Duidelijkheidshalve moeten bepaalde generieke verplichtingen, onder meer inzake de samenwerking met de autoriteiten, van toepassing zijn op alle actoren in de toeleveringsketen, de vervaardiging, de distributie, de etikettering van eigen merken, de herverpakking of secundaire handel, de installatie, de verwijdering voor hergebruik of herproductie, en de herproductie zelf. Bovendien moeten leveranciers met het oog op de beoordeling van de ecologische duurzaamheid verplicht worden om met markttoezichtautoriteiten samen te werken. Om die redenen en om herhaling van verplichtingen te voorkomen, moet de term “marktdeelnemer” ruim worden gedefinieerd en al deze actoren omvatten, zodat algemene basisverplichtingen in één keer voor alle actoren kunnen worden vastgesteld.

(22)Om geharmoniseerde praktijken tussen de lidstaten te bevorderen, zelfs wanneer er geen consensus over deze praktijken kon worden bereikt, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om met betrekking tot een beperkt aantal kwesties uitvoeringshandelingen vast te stellen voor de uitvoering van deze verordening. De respectieve bevoegdheden hebben betrekking op de definities, de verplichtingen en rechten van marktdeelnemers en de verplichtingen en rechten van aangemelde instanties.

(23)Om de rechtszekerheid te verbeteren en de versnippering van de EU-markt voor bouwproducten als gevolg van het bestaan van nationale vereisten en merken te beperken, moet het gebied dat op EU-niveau wordt gereguleerd, de zogenaamde “geharmoniseerde zone”, duidelijk worden gedefinieerd en worden afgezet tegen de elementen die nog door de nationale regelgeving van de lidstaten worden gereguleerd.

(24)Om een evenwicht te vinden tussen het beperken van de versnippering van de markt en de legitieme belangen van de lidstaten bij het reguleren van bouwwerken, moet tegelijkertijd worden voorzien in een mechanisme om de behoeften van de lidstaten beter te integreren in de ontwikkeling van geharmoniseerde technische specificaties. Om dezelfde reden moet een mechanisme worden vastgesteld dat de lidstaten in staat stelt om op grond van dwingende redenen van gezondheid, veiligheid of milieubescherming aanvullende vereisten voor bouwproducten vast te stellen.

(25)Een circulaire economie, het belangrijkste element van het actieplan voor de circulaire economie, kan worden bevorderd door verplichte statiegeldregelingen en de verplichting om ongebruikte producten terug te nemen. Het moet lidstaten derhalve worden toegestaan dergelijke maatregelen te nemen.

(26)Om de juridische duidelijkheid te vergroten en de administratieve lasten voor de marktdeelnemers te verminderen, moet worden vermeden dat bouwproducten in het kader van verschillende Uniewetgeving aan meerdere beoordelingen worden onderworpen met betrekking tot hetzelfde aspect van de gezondheid, veiligheid of bescherming van het milieu, met inbegrip van het klimaat. Dit werd bevestigd door het Refit-platform, waarin de Commissie werd aanbevolen prioriteit te geven aan het aanpakken van overlappende en repetitieve vereisten. De Commissie moet dus kunnen bepalen onder welke voorwaarden de nakoming van verplichtingen uit hoofde van ander Unierecht ook aan bepaalde verplichtingen van deze verordening voldoet, indien anders hetzelfde aspect van gezondheid, veiligheid of bescherming van het milieu, met inbegrip van het klimaat, parallel zou worden beoordeeld in het kader van deze verordening en ander Unierecht.

(27)Om uiteenlopende praktijken van lidstaten en marktdeelnemers te voorkomen, moet bovendien aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om te bepalen of bepaalde bouwproducten onder de definitie van bouwproduct vallen.

(28)Met name in het geval van in werkplannen inzake ecologisch ontwerp opgenomen energiegerelateerde producten die ook bouwproducten zijn, en voor tussenproducten, met uitzondering van cement, zal bij de vaststelling van duurzaamheidsvereisten prioriteit worden gegeven aan de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Dit moet bijvoorbeeld het geval zijn voor verwarmingstoestellen, ketels, warmtepompen, water- en ruimteverwarmingstoestellen, ventilatoren, koel- en ventilatiesystemen en fotovoltaïsche producten, met uitzondering van in gebouwen geïntegreerde fotovoltaïsche panelen. Deze verordening kan waar nodig op complementaire wijze ingrijpen, voornamelijk met betrekking tot veiligheidsaspecten, waarbij ook rekening wordt gehouden met andere Uniewetgeving inzake producten zoals gastoestellen, laagspanning en machines. Voor andere producten kan, om onnodige lasten voor marktdeelnemers te vermijden, in de toekomst de noodzaak ontstaan om te bepalen onder welke voorwaarden door nakoming van verplichtingen uit hoofde van ander Unierecht ook aan bepaalde verplichtingen uit hoofde van deze verordening wordt voldaan. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om dergelijke voorwaarden vast te stellen.

(29)Om een stimulans voor naleving te creëren, moet de fabrikant van bouwproducten aansprakelijk zijn voor onjuiste prestatie- en conformiteitsverklaringen.

(30)Het toegenomen gebruik van geherproduceerde producten maakt deel uit van een verschuiving naar een meer circulaire economie en een verkleining van de ecologische en koolstofvoetafdruk van bouwproducten. Bovendien is de herproductiemarkt momenteel niet erg ontwikkeld en lopen de vereisten voor geherproduceerde producten sterk uiteen in de lidstaten. Om deze reden en om het subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om geherproduceerde producten vrij te stellen van de verplichting voor opstelling van een prestatieverklaring. Een dergelijke vrijstelling mag echter niet mogelijk zijn voor producten die niet geschikt zijn voor herproductie of waarbij de belangen van andere lidstaten op het spel staan.

(31)Om de toegang tot gemakkelijk beschikbare en uitgebreide informatie over bouwproducten te verbeteren en zo bij te dragen tot de veiligheid, functionaliteit en duurzaamheid ervan, moet ervoor worden gezorgd dat de prestatieverklaring alle informatie bevat die gebruikers en autoriteiten nodig hebben. Gezien het nut ervan voor de gebruikers, moeten fabrikanten in deze verklaringen ook aanvullende informatie kunnen opnemen, mits de prestatieverklaringen uniform en gemakkelijk leesbaar blijven en niet worden misbruikt als reclame.

(32)Om het hergebruik en de herproductie van bouwproducten en het gebruik van overtollige bouwproducten desondanks op grote schaal mogelijk te maken, moet voor deze bouwproducten een versoepelde procedure voor het opstellen van de prestatieverklaring worden vastgesteld. In het geval van overtollige bouwproducten, waarbij geen sprake is van wijziging door het gebruik, moet de vereenvoudigde procedure beperkt blijven tot de gevallen waarin de oorspronkelijke fabrikant weigert verantwoordelijkheid voor de overtollige bouwproducten op zich te nemen, aangezien het altijd de voorkeur verdient dat bouwproducten onder de verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke, bevoegde fabrikant blijven vallen wanneer deze niet zijn gewijzigd.

(33)Om de lasten voor marktdeelnemers, en met name fabrikanten, te verminderen, moeten marktdeelnemers die prestatie- en conformiteitsverklaringen afgeven, die verklaringen langs elektronische weg verstrekken, en de bevoegdheid krijgen om deze verklaringen te verstrekken per permalink naar een document dat niet kan worden gewijzigd of om in deze verklaringen permalinks op te nemen naar documenten die niet kunnen worden gewijzigd.

(34)Om de fabrikanten te laten aantonen dat de bouwproducten die van het vrije verkeer van goederen profiteren, aan de relevante vereisten van de Unie voldoen, moet ter aanvulling van de prestatieverklaring een conformiteitsverklaring worden vereist, waardoor het regelgevingssysteem voor bouwproducten dichter bij Verordening (EG) nr. 765/2008 wordt gebracht. Om de potentiële administratieve lasten tot een minimum te beperken, moeten de conformiteitsverklaring en de prestatieverklaring echter worden gecombineerd en via elektronische middelen worden verstrekt. De administratieve lasten voor kmo’s moeten verder tot een minimum worden beperkt door middel van gerichte vereenvoudigingsbepalingen, onder meer wat betreft het gebruik van passende technische documentatie ter vervanging van typekeuringen, de mogelijkheid voor micro-ondernemingen om gebruik te maken van het mildere verificatiesysteem en verlaging van de vereisten voor als maatwerk vervaardigde niet-seriematige producten die in een geïdentificeerd afzonderlijk bouwwerk worden geïnstalleerd. De lidstaten moeten verder micro-ondernemingen die geen grensoverschrijdende handel drijven, kunnen vrijstellen van de verplichting om een prestatieverklaring op te stellen.

(35)Omwille van de afstemming op andere productwetgeving en met inachtneming van de algemene beginselen van Verordening (EG) nr. 765/2008, moet de CE-markering worden aangebracht op bouwproducten waarvoor de fabrikant een prestatieverklaring of conformiteitsverklaring heeft opgesteld. De fabrikant neemt daardoor de verantwoordelijkheid op zich voor de conformiteit van het product met de aangegeven prestaties en toepasselijke productvereisten.

(36)Om de veiligheid, functionaliteit en duurzaamheid van bouwproducten, en zodoende ook die van bouwwerken te waarborgen, moeten alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de toeleverings- en distributieketen passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij uitsluitend bouwproducten in de handel brengen of op de markt aanbieden die aan de bindende voorschriften van de Unie voldoen. Voor een betere juridische duidelijkheid moeten de verplichtingen van de marktdeelnemers uitdrukkelijk worden vastgesteld.

(37)Fabrikanten van bouwproducten moeten het producttype nauwkeurig en ondubbelzinnig bepalen om te zorgen voor een nauwkeurige basis voor de beoordeling van de conformiteit van een dergelijk product met de vereisten van de Unie. Om te voorkomen dat de toepasselijke voorschriften worden omzeild, moet het fabrikanten tegelijkertijd worden verboden om telkens nieuwe productsoorten te creëren terwijl de producten in kwestie, gelet op de cruciale kenmerken ervan, identiek zijn.

(38)Om misleidende claims te voorkomen, moeten claims van fabrikanten van bouwproducten ofwel gebaseerd zijn op een beoordelingsmethode die in geharmoniseerde technische specificaties is opgenomen, ofwel, bij afwezigheid van een dergelijke beoordelingsmethode, gebaseerd zijn op methoden die de beste beschikbare technieken vertegenwoordigen, wanneer een dergelijke, door een geharmoniseerde technische specificatie geboden beoordelingsmethode niet bestaat.

(39)Door de fabrikant opgestelde technische documentatie over bouwproducten vergemakkelijkt de toetsing van die producten door de autoriteiten en aangemelde instanties aan de vereisten van de Unie. Voor een betere toegang tot uitgebreide informatie moet die technische documentatie een beoordeling van de ecologische duurzaamheid van het bouwproduct omvatten.

(40)Om transparantie voor gebruikers van bouwproducten te creëren en oneigenlijk gebruik van die producten te voorkomen, moeten bouwproducten en het beoogde gebruik ervan nauwkeurig door de fabrikant worden geïdentificeerd. Om dezelfde reden moet de fabrikant duidelijk maken of de bouwproducten alleen bestemd zijn voor professioneel gebruik of ook voor gebruik door consumenten. Om ervoor te zorgen dat bouwproducten op herkomst kunnen worden getraceerd, moeten de fabrikanten op het product worden vermeld of, wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de grootte of het oppervlak van het product, op de verpakking of, wanneer ook dat niet mogelijk is, in een begeleidend document.

(41)Om ervoor te zorgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan, moeten fabrikanten actief informatie zoeken, opslaan en evalueren en passende maatregelen nemen wanneer non-conformiteit of onderprestatie is bevestigd of wanneer er een risico bestaat.

(42)Om de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan voor de circulaire economie te optimaliseren, moeten de fabrikanten worden verplicht een eerlijk niveau van ecologische duurzaamheid te bereiken, zowel bij hun producten als bij de productie ervan. Deze verplichting vereist afwegingen tussen de verschillende milieuaspecten en tussen de milieu- en veiligheidsaspecten, terwijl zowel milieu- als veiligheidsaspecten betrekking kunnen hebben op het product als zodanig of op de bouwwerken. Om fabrikanten zekerheid te geven over hoe zij deze afwegingen dienen te maken, moeten in deze verordening duidelijke afwegingsregels worden vastgesteld.

(43)Omwille van de ecologische en functionele duurzaamheid van bouwproducten moeten fabrikanten ervoor zorgen dat producten gedurende zeer lange tijd kunnen worden gebruikt. Een dergelijk langdurig gebruik vereist een adequaat ontwerp, gebruik van betrouwbare onderdelen, repareerbaarheid van producten, beschikbaarheid van informatie over de reparatie en toegang tot vervangingsonderdelen.

(44) Om de circulariteit van bouwproducten te verbeteren, moeten fabrikanten, in overeenstemming met de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie, het hergebruik, de herproductie en de recycling van hun producten bevorderen. Het hergebruik, de herproductie en de recycling (en de voorbereiding hierop) vereisen een bepaald ontwerp, namelijk om de scheiding van componenten en materialen in een later stadium van recycling te vergemakkelijken en gemengde, gecombineerde of complexe materialen te vermijden. Aangezien de gebruikelijke gebruiksaanwijzing niet noodzakelijkerwijs de marktdeelnemers bereikt die verantwoordelijk zijn voor het hergebruik, de herproductie en de recycling (en de voorbereiding hierop), moet de in dit verband benodigde informatie in productdatabases of systemen en naast de gebruiksinstructies op de websites van de fabrikant beschikbaar worden gesteld.

(45)Om veilige, functionele en ecologisch duurzame bouwproducten te leveren, moeten uitgebreide duurzaamheids- en veiligheidsverplichtingen voor fabrikanten worden vastgesteld. Gezien het belang van deze verplichtingen en van het juiste evenwicht tussen functionaliteit, veiligheid en duurzaamheid, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om door middel van gedelegeerde handelingen de voorwaarden vast te stellen waaronder voor een specifieke productfamilie of categorie aan deze verplichtingen wordt voldaan of geacht wordt te zijn voldaan.

(46)Sommige bouwproducten worden afval, hoewel ze nooit zijn gebruikt. Om deze verspilling van hulpbronnen te voorkomen, moeten fabrikanten aanvaarden dat producten die na levering op een bouwplaats of aan de gebruiker niet zijn gebruikt en zich in een toestand bevinden die gelijkwaardig is aan die waarin zij in de handel zijn gebracht, rechtstreeks of via hun importeurs en distributeurs worden teruggenomen en gerestitueerd.

(47)Om geïnformeerde keuzes te kunnen maken, moeten gebruikers van bouwproducten voldoende worden geïnformeerd over de milieuprestaties van producten, de conformiteit ervan met de milieuvereisten en de mate waarin de fabrikant in dit verband aan zijn milieuverplichtingen voldoet. Daarom is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om specifieke etiketteringsvereisten vast te stellen waarbij gebruik kan worden gemaakt van de gemakkelijk te begrijpen etikettering volgens het stoplichtmodel.

(48)Aan bepaalde verplichtingen van de fabrikant, zoals het beoordelen van de ecologische duurzaamheid of het prefereren van recycleerbare materialen, kan in geval van gebruikte, geherproduceerde of overtollige producten nauwelijks worden voldaan. Marktdeelnemers die hergebruik mogelijk maken of herproducties uitvoeren, moeten dus van deze verplichtingen worden vrijgesteld, temeer daar hergebruik en herproductie gunstig zijn voor het milieu.

(49)De gemachtigde vertegenwoordigers zijn vaak de enige bereikbare personen in het geval van ingevoerde producten, terwijl fabrikanten hen vaak zeer beperkte taken toevertrouwen en niet alle benodigde informatie verstrekken om de fabrikanten effectief te kunnen vertegenwoordigen. Daarom moeten de rol en verantwoordelijkheden van gemachtigde vertegenwoordigers worden verduidelijkt en versterkt.

(50)Een marktdeelnemer die een product zodanig wijzigt dat de prestaties of veiligheid ervan in het gedrang kunnen komen, moet worden onderworpen aan de verplichtingen van de fabrikanten om te waarborgen dat de prestaties of veiligheid van het product nog steeds dezelfde zijn. Deze verplichting mag echter niet worden opgelegd aan een marktdeelnemer die producten herverpakt om deze in een andere lidstaat op de markt aan te bieden, omdat anders de secundaire handel en het vrije verkeer van producten zouden worden belemmerd en herverpakking in beginsel doorgaans geen afbreuk doet aan de prestaties en veiligheid van het bouwproduct. Met het oog op het behoud van de prestaties en de veiligheid van de producten moet de marktdeelnemer die de herverpakking uitvoert echter verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering van deze handelingen om ervoor te zorgen dat het product niet wordt beschadigd en de gebruikers nog steeds correct worden geïnformeerd in de taal die is vastgesteld door de lidstaat waar de producten worden aangeboden.

(51)Om de naleving door fabrikanten van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening te verbeteren, bij te dragen aan de aanpak van de vastgestelde tekortkomingen en het markttoezicht te verbeteren, moeten dienstverleners, onlinemarktplaatsen en tussenhandelaars worden gemachtigd en worden verzocht bepaalde gemakkelijk verifieerbare kenmerken van producten en hun fabrikanten te verifiëren, zoals de bepaling van het producttype en opstelling van een uitgebreide technische documentatie, en moeten zij er actief toe bijdragen dat alleen conforme producten de gebruikers bereiken.

(52)Om te voorkomen dat de verplichtingen uit hoofde van deze verordening met behulp van 3D-printen worden omzeild, moeten aanbieders van 3D-printdiensten bepaalde informatieverplichtingen hebben.

(53)Het veilige gebruik van gebruikte en geherproduceerde producten hangt vaak af van precieze informatie over het eerste gebruik ervan. Marktdeelnemers die gebruikte producten voor hergebruik of herproductie demonteren, moeten daarom verslagen maken over de plaats, omstandigheden en vermoedelijke gebruiksduur van het gedemonteerde product.

(54)De prestaties en veiligheid van producten hangen ook af van de toegepaste componenten en van de diensten die door ijkinstanties of andere dienstverleners bij het ontwerp en de fabricage ervan zijn verleend. Om deze redenen moeten voor leveranciers van componenten en dienstverleners die bij de vervaardiging van producten betrokken zijn, bepaalde verplichtingen worden vastgesteld. Wanneer een non-conformiteit of risico door een geleverde component of dienst van een bepaalde marktdeelnemer kan zijn veroorzaakt, moet de leverancier of dienstverlener zijn andere klanten die hetzelfde onderdeel of dezelfde dienst hebben ontvangen daarvan in kennis stellen, zodat ook voor andere producten de gevallen van non-conformiteit en risico’s effectief kunnen worden aangepakt.

(55)Bepaalde artikelen die voor de bouw worden gebruikt, hebben meerdere potentiële toepassingen. Hun fabrikanten moeten de vrijheid hebben om te beslissen of deze artikelen al dan niet bestemd zijn voor de bouw, ook om te voorkomen dat zij een prestatie- en conformiteitsbeoordeling moeten ondergaan terwijl dat niet noodzakelijk is. Als zij echter besluiten dat een bepaald artikel niet voor de bouw bestemd is, terwijl het daarvoor wel zou kunnen worden gebruikt (“pseudoproduct”), moeten de fabrikanten en andere marktdeelnemers ervoor zorgen dat het niet in bouwwerken wordt gebruikt. Anders zouden sommige producten in de bouw terechtkomen zonder dat aan de voorschriften van deze verordening is voldaan.

(56)Wanneer fabrikanten van artikelen die naar hun aard voor de bouw en voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt (“producten voor tweeledig gebruik”), het gebruik voor de bouw niet uitdrukkelijk uitsluiten, moeten zij om dezelfde reden voor alle producten van het desbetreffende type voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening.

(57)Om de toepasselijkheid van deze verordening op onlineverkopen en andere verkopen op afstand te verduidelijken, moet worden bepaald onder welke voorwaarden een bepaald product geacht wordt aan klanten in de Unie te worden aangeboden. Aangezien bij onlinehandel een grotere kans op non-conformiteit bestaat, moeten de lidstaten een bijzondere inspanning leveren en één gecentraliseerde markttoezichtautoriteit aanwijzen voor het opsporen van aanbiedingen voor verkoop op afstand die gericht zijn op klanten op hun grondgebied, zodat de verantwoordelijke markttoezichtautoriteiten passende maatregelen kunnen nemen. Aangezien voor de opsporing van dergelijke aanbiedingen de kennis van onderzoeksspecialisten of speciale software op basis van kunstmatige intelligentie vereist is, moet de opsporingstaak worden gecentraliseerd en aan één enkele markttoezichtautoriteit worden toevertrouwd.

(58)Digitale technologieën, die een aanzienlijk potentieel bieden om de administratieve lasten en kosten voor marktdeelnemers en overheidsinstanties te verminderen en tegelijkertijd innovatieve en nieuwe zakelijke kansen en modellen bevorderen, evolueren in snel tempo. De invoering van digitale technologieën zal ook aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de renovatiegolf, waaronder de energie-efficiëntie, levenscyclusbeoordelingen en monitoring, alsmede van het gebouwenbestand. Daarom moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om door middel van uitvoeringshandelingen verdere digitaliseringsmogelijkheden aan te grijpen.

(59)Omdat geharmoniseerde normen die voor bouwproducten zijn ontwikkeld (hierna: bouwproductnormen) meestal verplicht zijn om rechtszekerheid te bieden, moeten deze normen niet alleen in overeenstemming zijn met de desbetreffende normalisatieverzoeken en met deze verordening, maar ook met de algemene beginselen van het Unierecht.

(60)Om ervoor te zorgen dat de referenties van bouwproductnormen tijdig in het Publicatieblad van de Europese Unie worden vermeld, moet de Europese Commissie de bevoegdheid krijgen om gebrekkige normen met het oog op de rechtsgevolgen van deze verordening via gedelegeerde handelingen te beperken of terzijde te schuiven in plaats van te weigeren hun referenties in het Publicatieblad te vermelden.

(61)Voor de samenhang van het systeem moet deze verordening voortbouwen op het horizontale rechtskader voor normalisatie. Daarom moet Verordening (EU) nr. 1025/2012 voor zover mogelijk ook van toepassing zijn op normen die overeenkomstig deze verordening verplicht zijn gesteld. Verordening (EU) nr. 1025/2012 moet dus onder meer voorzien in een procedure voor bezwaren tegen geharmoniseerde normen voor bouwproducten wanneer die normen niet volledig voldoen aan de vereisten in het desbetreffende normalisatieverzoek of aan andere vereisten van deze verordening.

(62)Aangezien Europese beoordelingsdocumenten geen handelingen van algemene strekking zijn, maar de eerste stap van een tweestaps administratieve procedure die tot de CE-markering leidt, mogen deze documenten niet als geharmoniseerde technische specificaties worden aangemerkt. De basisbeginselen voor de opstelling van geharmoniseerde normen, zoals transparantie voor concurrenten, kunnen en moeten echter ook van toepassing zijn op Europese beoordelingsdocumenten. Bovendien moet in procedures voor prestatie- en conformiteitsbeoordelingen naar Europese beoordelingsdocumenten op dezelfde wijze worden verwezen als naar geharmoniseerde normen. Om deze reden en om lange herhalingen van bepalingen te voorkomen, moeten de belangrijkste regels inzake geharmoniseerde normen ook van toepassing zijn op Europese beoordelingsdocumenten. Om de concurrenten transparantie te bieden, moeten Europese beoordelingsdocumenten publiek toegankelijk worden gemaakt en moeten de referenties van alle Europese beoordelingsdocumenten in het Publicatieblad worden bekendgemaakt.

(63)Momenteel dreigt het toenemende aantal moeilijk van elkaar te onderscheiden Europese beoordelingsdocumenten, die vaak weinig toegevoegde waarde hebben in vergelijking met andere of bestaande geharmoniseerde normen, de bekendmaking ervan te vertragen. Om dit risico op een kosteneffectieve wijze aan te pakken, moeten bepaalde beginselen voor de ontwikkeling en goedkeuring van Europese beoordelingsdocumenten worden vastgesteld of concreter worden gemaakt. Bovendien moet de controle door de Commissie worden aangescherpt.

(64)De vereisten die van toepassing zijn op aanwijzende autoriteiten van technische beoordelingsinstanties (TBI’s) mogen niet achterblijven bij de vereisten die op aanmeldende instantie van toepassing zijn, gezien de overeenkomsten van hun respectieve rollen. Om dezelfde reden moeten TBI’s dezelfde mate van onafhankelijkheid en controle over de besluitvorming hebben als aangemelde instanties.

(65)Om op een noemenswaardig percentage van op onvolledige of foutieve beoordelingen gebaseerde aanmeldingen te kunnen reageren, met name wanneer juridische instanties zonder eigen interne technische vakbekwaamheid werden aangemeld, is het noodzakelijk de capaciteiten van de aanmeldende autoriteiten te versterken, met name door minimumvereisten vast te stellen; de vereisten voor aangemelde instanties nauwkeuriger te maken, met name wat betreft hun onafhankelijkheid, de delegatie aan andere juridische entiteiten en het eigen vermogen om te presteren; voldoende gekwalificeerd personeel bij aangemelde instanties te vereisen en de toereikendheid van het personeel te controleren, waarvoor het instrument van een kwalificatiematrix het efficiëntst is gebleken; te waarborgen en te verifiëren dat de aangemelde instantie daadwerkelijk controle heeft over het personeel, de toewijzing van externe deskundigen, procedures, criteria en besluitvorming, en niet over een onderaannemer, dochteronderneming of een ander bedrijf dat tot dezelfde familie van ondernemingen behoort; en de documentatie die instanties moeten verstrekken wanneer zij een aanvraag tot aanwijzing als aangemelde instantie indienen, uit te breiden om de aanmeldende autoriteiten een stevigere en verhoudingsgewijs redelijkere basis voor hun beslissingen te bieden.

(66)Om iets te doen aan een vaak gebrekkige praktijk van de accreditatie-instanties, moet ervoor worden gezorgd dat de accreditatie-instanties zich op deze verordening baseren en niet op de vaak afwijkende normen. Het is ook belangrijk ervoor te zorgen dat de accreditatie-instanties de bekwaamheid van de aanvragende instantie beoordelen en niet die van een groep ondernemingen, aangezien het de aanvragende instantie zelf is die de controle moet hebben over de toekomstige certificering.

(67)Om een gelijk speelveld te bereiken en rechtsonzekerheid te voorkomen, moeten de verplichtingen van aangemelde instanties duidelijker worden omschreven en expliciet worden gemaakt, zowel voor hun beoordelings- en verificatieactiviteiten als voor de aanverwante aspecten.

(68)Om te nauwe banden tussen het personeel van de aangemelde instanties en de fabrikanten te voorkomen, moeten de aangemelde instanties ervoor zorgen dat het personeel dat met de uitvoering van de verschillende conformiteitsbeoordelingstaken belast is, wordt gerouleerd.

(69)De autoriteiten van lidstaten kunnen vragen hebben die slechts door een bepaalde aangemelde instantie kunnen worden beantwoord. Aangemelde instanties moeten dus ook antwoorden op vragen die de autoriteiten uit andere lidstaten kunnen stellen.

(70)Om alle autoriteiten in staat te stellen gevallen van non-conformiteit door aangemelde instanties, fabrikanten en producten gemakkelijker te herkennen en een gelijk speelveld te waarborgen, moeten aangemelde instanties de bevoegdheid krijgen en, wanneer de non-conformiteit duidelijk kan worden aangetoond, zelfs verplicht worden om proactief informatie over de non-conformiteit aan de relevante markttoezichtautoriteiten of aanmeldende autoriteiten door te geven. Aangemelde instanties mogen de informatieverplichting echter niet overschrijden door onderzoek te doen naar andere marktdeelnemers dan hun eigen klanten of vakgenoten.

(71)Om een gelijk speelveld voor aangemelde instanties en fabrikanten te creëren, moet de coördinatie tussen de aangemelde instanties worden verbeterd. Aangezien slechts de helft van de huidige aangemelde instanties op eigen initiatief deelneemt aan de activiteiten van de reeds bestaande coördinatiegroep van aangemelde instanties, moet deelname daaraan derhalve verplicht worden gesteld.

(72)De pogingen om in Verordening (EU) nr. 305/2011 vereenvoudigde procedures voor kleine en middelgrote ondernemingen vast te stellen en zo de lasten en kosten voor kmo’s en micro-ondernemingen te verminderen, zijn niet volledig doeltreffend gebleken en zijn vaak verkeerd begrepen of niet gebruikt vanwege het gebrek aan bewustzijn hierover of het gebrek aan duidelijkheid over de toepassing ervan. Om de vastgestelde tekortkomingen aan te pakken en tegelijkertijd voort te bouwen op de eerder vastgestelde regels, is het noodzakelijk de toepassing ervan te verduidelijken en te vergemakkelijken en zo de doelstelling om kmo’s te ondersteunen, te verwezenlijken en tegelijkertijd de prestaties, veiligheid en ecologische duurzaamheid van bouwproducten te waarborgen.

(73)De in artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 305/2011 bedoelde erkenning van testresultaten die door een andere fabrikant zijn verkregen, moet worden veralgemeend om de lasten voor de marktdeelnemers en met name de fabrikanten in het algemeen te verminderen. Een dergelijk erkenningsmechanisme is met name nodig om meerdere beoordelingen van de ecologische duurzaamheid van grondstoffen, halffabricaten en eindproducten te voorkomen.

(74)Om de rechtszekerheid in geval van veiligheids- of prestatieproblemen te waarborgen, mag een dergelijke erkenning alleen worden toegestaan indien zowel de twee betrokken marktdeelnemers als de twee betrokken aangemelde instanties zich ertoe verbinden samen te werken en wanneer de marktdeelnemer die de certificering verkrijgt, de technische controle over het product heeft.

(75)Uit de evaluatie van Verordening (EU) nr. 305/2011 is gebleken dat de op nationaal niveau uitgevoerde markttoezichtactiviteiten sterk in kwaliteit en doeltreffendheid variëren. Naast de in deze verordening vastgestelde maatregelen ter verbetering van het markttoezicht, moet de naleving van deze verordening door marktdeelnemers, instanties en producten worden vergemakkelijkt door ook derden erbij te betrekken, bijvoorbeeld door natuurlijke of rechtspersonen de mogelijkheid te bieden via een klachtenportaal informatie over mogelijke gevallen van non-conformiteit in te dienen.

(76)Om de vastgestelde tekortkomingen met betrekking tot het markttoezicht op grond van Verordening (EU) nr. 305/2011 aan te pakken, moet deze verordening de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie meer bevoegdheden geven om de autoriteiten in staat te stellen onder alle mogelijke problematische omstandigheden op te treden.

(77)De markttoezichtpraktijk heeft aangetoond dat er bij de beoordeling van producten op een bepaald moment een risico van non-conformiteit bestaat, maar dat er geen gevallen van non-conformiteit worden geconstateerd, terwijl op een later tijdstip het tegendeel moet worden vermeld. Bovendien zijn er situaties waarin er sprake is van een andere non-conformiteit dan een formele non-conformiteit waardoor er geen risico wordt gemeld. Om deze redenen moeten de lidstaten de bevoegdheid krijgen om op te treden in alle gevallen van vermoedelijke non-conformiteit of risico’s, terwijl bovendien de definitie van “producten die een risico meebrengen” moet worden uitgebreid tot producten die risico’s vormen voor het milieu. Het is noodzakelijk de lidstaten voldoende procedurele flexibiliteit te bieden om onderscheid te maken tussen gevallen van non-conformiteit met een hoge en lage prioriteit, terwijl alle lidstaten ook over minder belangrijke gevallen moeten worden geïnformeerd.

(78)Om een doeltreffende handhaving van de voorschriften te waarborgen en het markttoezicht in de lidstaten te versterken, alsook om te zorgen voor een afstemming op de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU een minimumaantal door de markttoezichtautoriteiten uit te voeren controles op specifieke productgroepen of -families of met betrekking tot specifieke vereisten op te leggen evenals vereisten inzake de minimaal beschikbare middelen vast te stellen.

(79)Om de gemiddeld geringe capaciteiten van de markttoezichtautoriteiten op het gebied van het markttoezicht te versterken en een verdere afstemming op de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten te verwezenlijken, moet bovendien worden voorzien in meer gedetailleerde ondersteuning op het gebied van de administratieve coördinatie en moet deze autoriteiten de bevoegdheid worden geboden de kosten van inspecties en tests op marktdeelnemers te verhalen.

(80)Om een stimulans te creëren voor het vergroten van de capaciteiten van de markttoezichtautoriteiten in termen van het daadwerkelijke markttoezicht en om te zorgen voor afstemming op de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, moeten de lidstaten verslag uitbrengen over hun markttoezichtactiviteiten met betrekking tot de producten die onder deze verordening vallen, met inbegrip van de opgelegde sancties.

(81)Om de marktdeelnemers beter van dienst te kunnen zijn, moeten de productcontactpunten voor de bouw doeltreffender worden en daarom meer middelen krijgen. Om het werk van de marktdeelnemers te vergemakkelijken, moeten de taken van de productcontactpunten voor de bouw nader worden verfijnd en worden uitgebreid tot de informatie over productgerelateerde bepalingen van deze verordening en de overeenkomstig deze verordening vastgestelde handelingen.

(82)Er moet een passend, efficiënt en kosteneffectief coördinatiemechanisme worden ingesteld om voor een consistente toepassing van de vastgestelde verplichtingen en vereisten te zorgen en het algemene systeem te versterken, mede rekening houdend met het feit dat er nieuwe interpretatievragen kunnen rijzen met betrekking tot de veiligheid en duurzaamheid van producten en bouwwerken. Aangezien uiteenlopende besluiten een ongelijk speelveld creëren, bijdragen tot een complexer wetgevingskader, belemmeringen voor het vrije verkeer binnen de interne markt opwerpen en voor extra administratieve lasten en kosten voor de marktdeelnemers zorgen, moeten dergelijke uiteenlopende besluiten door dat coördinatiemechanisme worden voorkomen.

(83)Daarom moet er in het bijzonder een Europees informatiesysteem worden opgezet om interpretatieve vragen te verzamelen, passende gemeenschappelijke oplossingen te vinden en de uitwisseling van informatie in dit verband te verbeteren. Om de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken, moet een dergelijk systeem op nationale systemen vertrouwen. Deze nationale systemen moeten ook gevallen van ongelijke toepassing van deze verordening identificeren, om ervoor te zorgen dat de uiteenlopende praktijken geen gangbare en permanente praktijk worden.

(84)De gecentraliseerde registratie van productinformatie vergroot de transparantie ten behoeve van de veiligheid van de producten en de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid, en vermindert daarnaast de administratieve lasten en kosten voor de marktdeelnemers. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 291 VWEU handelingen vast te stellen zodat zij een gecentraliseerde bouwproductendatabase of gecentraliseerd bouwproductensysteem van de Unie kan opzetten. Op dit moment is het niet mogelijk om de voor- en nadelen van de mogelijke oplossingen in te schatten. Daarom moet de Commissie de vrijheid krijgen om, naar gelang van het geval, een van deze trajecten te volgen.

(85)Om hun competentieniveau te verbeteren, hun besluitvorming te harmoniseren en een gelijk speelveld voor de marktdeelnemers te creëren, moeten opleidingen voor markttoezichtautoriteiten, productcontactpunten voor de bouw, aanwijzende autoriteiten, TBI’s, aanmeldende autoriteiten en aangemelde instanties worden georganiseerd. Dezelfde doelstellingen moeten ook worden nagestreefd door uitwisseling van personeel tussen de markttoezichtautoriteiten, aanmeldende autoriteiten en aangemelde instanties van twee of meer lidstaten.

(86)Lidstaten beschikken niet altijd over de technische vakbekwaamheid om cumulatief voor alle productsectoren aan alle verplichtingen te voldoen die krachtens de Uniewetgeving op hen rusten. Zij krijgen daarom informele steun van andere grotere lidstaten. Aangezien dergelijke steun in sommige gevallen onvermijdelijk is en in andere gevallen raadzaam is, moeten in deze verordening de basisregels voor dergelijke steun worden vastgesteld, namelijk ter verduidelijking van de verantwoordelijkheden. De lidstaten staan daarnaast voor uitdagingen door de toenemende technische complexiteit van producten en de wetgeving die cumulatief op alle aspecten en productsectoren van toepassing is, wat erop wijst dat door specialisatie en werkverdeling tussen de lidstaten betere resultaten mogelijk zijn. Deze verordening moet daarom zowel de specifieke situatie van de lidstaten weerspiegelen als de mogelijkheid bieden om de potentiële meerwaarde van specialisatie en werkverdeling tussen de lidstaten te onderzoeken.

(87)De bouwproductensector wordt langzaam maar zeker internationaler. Daarom doen zich situaties voor waarin non-conformiteit door buiten de Unie gevestigde marktdeelnemers moeten worden tegengegaan. Aangezien derde landen nauwelijks bereid zijn de handhaving van het Unierecht op hun grondgebied te ondersteunen wanneer de Unie niet in ruil daarvoor voorziet in de mogelijkheid om hen bij te staan, moet in deze verordening in een aantal bevoegdheden voor internationale samenwerking worden voorzien.

(88)Een bepaald aantal derde landen past de productwetgeving van de Unie toe of erkent ten minste de overeenkomstig deze wetgeving afgegeven certificaten, hetzij op basis van internationale overeenkomsten, hetzij unilateraal, welke grondslagen beide in het belang van de Unie zijn. Om deze derde landen te stimuleren deze praktijk voort te zetten en andere derde landen ertoe aan te zetten hetzelfde te doen, moeten derde landen die de productwetgeving van de Unie toepassen of overeenkomstig die wetgeving afgegeven certificaten erkennen, bepaalde aanvullende mogelijkheden worden geboden. Om deze reden moet het mogelijk zijn deze coöperatieve derde landen te ondersteunen door hen toe te staan deel te nemen aan bepaalde opleidingen en deel te nemen aan de bouwproductendatabase of het bouwproductensysteem van de EU, het informatiesysteem voor geharmoniseerde besluitvorming en de uitwisseling van informatie tussen autoriteiten. Om dezelfde reden moet het bovendien mogelijk zijn deze coöperatieve derde landen te informeren over non-conforme of risicovolle producten.

(89)Om het gebruik van duurzame bouwproducten te stimuleren, marktverstoringen te vermijden en in lijn te blijven met de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, moeten de door de lidstaten verstrekte stimulansen voor het gebruik van duurzame bouwproducten gericht zijn op de duurzaamste producten en worden ingebed in de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten.

(90)Om het gebruik van duurzame bouwproducten te bevorderen, marktverstoringen te vermijden en overeenstemming met de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten te waarborgen, moeten de praktijken van de lidstaten op het gebied van de overheidsopdrachten gericht zijn op de duurzaamste conforme producten. De in uitvoeringshandelingen vastgestelde vereisten die op overheidsopdrachten van toepassing zijn, moeten op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria worden vastgesteld.

(91)Overheidsopdrachten vertegenwoordigen 14 % van het bbp van de Unie. Om bij te dragen tot het doel van klimaatneutraliteit, de energie- en hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en over te gaan op een circulaire economie die de volksgezondheid en biodiversiteit beschermt, moeten aanbestedende diensten en entiteiten in voorkomend geval worden verplicht hun aanbestedingen af te stemmen op specifieke criteria of streefcijfers voor groene overheidsopdrachten, die in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen moeten worden vastgesteld. De criteria of doelstellingen die in gedelegeerde handelingen voor specifieke productgroepen zijn vastgesteld, moeten niet alleen worden nageleefd wanneer deze producten rechtstreeks worden aangeschaft in het kader van overheidsopdrachten voor leveringen, maar ook bij overheidsopdrachten voor werken of diensten wanneer die producten zullen worden gebruikt voor activiteiten die het onderwerp van die opdrachten vormen. In vergelijking met een vrijwillige aanpak zullen verplichte criteria of doelstellingen ervoor zorgen dat het hefboomeffect van de overheidsuitgaven ter stimulering van de vraag naar beter presterende producten wordt gemaximaliseerd. De criteria moeten transparant, objectief en niet-discriminerend zijn.

(92)Om rekening te houden met de technische vooruitgang en kennis van nieuwe wetenschappelijke bewijzen, voor een goede werking van de interne markt te zorgen, de toegang tot informatie te vergemakkelijken en voor een homogene toepassing van de regels te zorgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling en wijziging van productspecifieke technische bepalingen en voorschriften; de vaststelling van de toepasselijke beoordelings- en verificatiesystemen; de vaststelling van de voorwaarden waaronder verplichtingen op grond van ander Unierecht aan bepaalde verplichtingen van deze verordening voldoen; de wijziging van het model voor de prestatieverklaring en de conformiteitsverklaring; de vaststelling van aanvullende verplichtingen voor fabrikanten; de herziening en aanvulling van de procedureregels voor de ontwikkeling van Europese beoordelingsdocumenten; de vaststelling van de minimumvereisten voor markttoezichtautoriteiten; de oprichting van een bouwproductendatabase of systeem voor de Unie; de vaststelling van vereisten voor groene overheidsopdrachten en de vaststelling van minimumstraffen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, ook op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden gehouden overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 41 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(93)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend ten behoeve van de vaststelling van de middelen voor verzending van informatie; de verstrekking van nadere gegevens over de wijze waarop de verplichtingen en rechten van de marktdeelnemers moeten worden uitgevoerd; de vaststelling van de vorm van de Europese technische beoordeling; de vaststelling van de minimale middelen die de aangemelde instanties nodig hebben en de verlening van toegang aan autoriteiten van derde landen tot de informatiesystemen voor geharmoniseerde besluitvorming, tot de bouwproductendatabase of het bouwproductensysteem van de EU en tot opleidingen in het kader van deze verordening. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 42 .

(94)De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen, indien dit in naar behoren gemotiveerde gevallen in verband met de menselijke gezondheid en veiligheid of de bescherming van het milieu om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(95)Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad stelt regels vast voor een horizontaal kader voor markttoezicht en controle van producten die in de Unie in de handel komen. Om ervoor te zorgen dat onder deze verordening vallende producten die onder het vrije verkeer van goederen binnen de Unie vallen, voldoen aan vereisten die een hoog niveau van bescherming van algemene belangen bieden, zoals de bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid en de bescherming van het milieu, moet die verordening ook van toepassing zijn op producten die onder deze verordening vallen, voor zover er in deze verordening geen specifieke bepalingen met dezelfde doelstelling, dezelfde aard of hetzelfde effect aanwezig zijn. Verordening (EU) 2019/1020 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(96)Om de uitvoering van deze verordening efficiënter te maken en de lasten voor de marktdeelnemers te verminderen, moet het mogelijk zijn aanvragen en besluiten op papier of in een algemeen gebruikt elektronisch formaat in te dienen respectievelijk uit te vaardigen. Omwille van de rechtszekerheid mogen aanvragen en besluiten alleen geldig zijn indien de elektronische handtekening voldoet aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad en wanneer de ondertekenende persoon bevoegd is om de instantie of marktdeelnemer te vertegenwoordigen, overeenkomstig respectievelijk het recht van de lidstaten of het Unierecht.

(97)Om de lasten voor de marktdeelnemers verder te verlichten, moet het mogelijk zijn documentatie in een algemeen gebruikt elektronisch formaat te verstrekken en standaard op elektronische wijze aan informatievereisten te voldoen.

(98)Om voor een hoge mate van naleving van deze verordening te zorgen, moeten de lidstaten regels vaststellen inzake de sancties die bij non-conformiteit van toepassing zijn en ervoor zorgen dat die regels worden gehandhaafd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn. Om deze doelstellingen en geharmoniseerde sancties te waarborgen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen minimumsancties vast te stellen door middel van handelingen die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(99)Omwille van de rechtszekerheid moet worden gespecificeerd of en hoelang de aanwijzing van productcontactpunten voor de bouw, TBI’s of aangemelde instanties alsook geharmoniseerde normen, Europese beoordelingsdocumenten, Europese technische beoordelingen en certificaten van aangemelde instanties of overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 vastgestelde of afgegeven testverslagen de rechtsgevolgen uit hoofde van deze verordening behouden. De respectieve overgangsperioden moeten lang genoeg zijn om knelpunten met betrekking tot de aanwijzing van aangemelde instanties en TBI’s, alsook de vaststelling of afgifte van Europese beoordelingsdocumenten, Europese technische beoordelingen en certificaten of testverslagen van aangemelde instanties te voorkomen.

(100)Omwille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt hoelang producten die op basis van Europese beoordelingsdocumenten op grond van Verordening (EU) nr. 305/2011 in de handel zijn gebracht, in de distributieketen mogen blijven en dus verder op de markt mogen worden aangeboden. In overeenstemming met de praktijk in het kader van andere productwetgeving wordt vijf jaar na het verstrijken van de Europese technische beoordeling op basis waarvan zij in de handel zijn gebracht, een passende periode geacht. Op deze wijze zullen alle producten die aan gebruikers worden verkocht zes jaar na de inwerkingtreding van een krachtens deze verordening vastgestelde geharmoniseerde technische specificatie aan die geharmoniseerde technische specificatie en deze verordening voldoen.

(101)Zowel de essentiële kenmerken van bouwproducten als de beoordelingsmethoden ervan kunnen alleen worden bepaald aan de hand van geharmoniseerde technische specificaties die voor de verschillende productgroepen en -families moeten worden ontwikkeld. Bijgevolg mogen de voor de marktdeelnemers geldende vereisten en verplichtingen met betrekking tot een bepaalde productgroep of -familie pas verplicht van toepassing zijn vanaf zes maanden na de inwerkingtreding van de geharmoniseerde technische specificatie voor de desbetreffende productgroep of familie.

(102)Om een soepele invoering van toekomstige geharmoniseerde technische specificaties te vergemakkelijken en om rekening te houden met de tijd die nodig is voor het opstellen van de prestatie- of conformiteitsverklaring, moet het marktdeelnemers worden toegestaan te kiezen voor de vrijwillige toepassing van deze verordening vanaf de inwerkingtreding van deze geharmoniseerde technische specificaties.

(103)Er moet worden vermeden dat marktdeelnemers de toepassing van deze verordening permanent kunnen omzeilen door de krachtens Verordening (EU) nr. 305/2011 vastgestelde geharmoniseerde technische specificaties toe te passen. Daarom moet de Commissie de ter ondersteuning van Verordening (EU) nr. 305/2011 bekendgemaakte verwijzingen naar geharmoniseerde normen en EBD’s die op een bepaalde productgroep of -familie betrekking hebben, uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van de krachtens deze verordening vastgestelde geharmoniseerde technische specificatie voor die respectieve productgroep of -familie uit het Publicatieblad schrappen.

(104)Om de milieubeoordeling van bouwproducten volledig te bestrijken en op passende wijze rekening te houden met de productvereisten die zelfs in huidige geharmoniseerde technische specificaties aanwezig zijn, moet een uitgebreidere bijlage I worden opgesteld, met inbegrip van een gedetailleerde lijst van essentiële kenmerken in verband met de levenscyclusbeoordeling en een volledig kader voor de productvereisten. Bij die gelegenheid moeten overlappingen tussen de fundamentele vereisten voor bouwwerken worden weggenomen en verduidelijkingen worden aangebracht.

(105)Om een minimale controle-intensiteit bij de beoordeling en verificatie van fabrikanten door aangemelde instanties te bereiken en een gelijk speelveld te creëren voor zowel fabrikanten als aangemelde instanties, moet bijlage V betreffende de beoordelings- en verificatiesystemen de taken van fabrikanten en aangemelde instanties in het kader van verschillende mogelijke beoordelings- en verificatiesystemen nauwkeuriger en uitgebreider vaststellen. Bovendien moet in die bijlage worden bepaald welke beoordelingen en verificaties moeten worden uitgevoerd om de ecologische duurzaamheid van producten te verifiëren, in termen van productprestaties en productvereisten.

(106)De doelstellingen van deze verordening, te weten het vrije verkeer van bouwproducten op de interne markt, de bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid, en de bescherming van het milieu, kunnen door de lidstaten niet voldoende worden verwezenlijkt, aangezien de lidstaten geneigd zijn zeer uiteenlopende vereisten voor bouwproducten vast te stellen, met een ongelijk niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid alsook het milieu. Deze doelstellingen kunnen door de vaststelling van een geharmoniseerd beoordelingskader voor de prestaties van bouwproducten en bepaalde productvereisten voor de bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid alsook het milieu beter op Unieniveau worden verwezenlijkt. De Unie kan derhalve maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt geharmoniseerde regels vast voor het op de markt aanbieden en de directe installatie van bouwproducten, ongeacht of dit in het kader van een dienst plaatsvindt, door de vaststelling van:

a)voorschriften voor de wijze waarop de milieuprestaties, met inbegrip van klimaatprestaties, en veiligheidsprestaties van bouwproducten met betrekking tot hun essentiële kenmerken worden uitgedrukt;

b)milieu-, met inbegrip van klimaat, functionele en veiligheidsproductvereisten voor bouwproducten.

Deze verordening stelt ook verplichtingen vast voor marktdeelnemers die actief zijn op het gebied van bouwproducten of onderdelen daarvan of producten die als bouwproducten zouden kunnen worden beschouwd, hoewel zij door hun fabrikant niet voor gebruik als bouwproducten zijn bestempeld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.Deze verordening is van toepassing op voor de bouw bestemde producten en op:

a)in de handel gebrachte 3D-datasets voor het 3D-printen van onder deze verordening vallende bouwproducten en 3D-geprinte bouwproducten en mallen;

b)materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het 3D-printen van bouwproducten op of in de nabijheid van de bouwplaats of voor de vervaardiging met behulp van mallen op of in de nabijheid van de bouwplaats;

c)bouwproducten die op de bouwplaats worden vervaardigd om onmiddellijk in bouwwerken te worden verwerkt, zonder afzonderlijke commerciële acties voor het in de handel brengen ervan;

d)belangrijke onderdelen van producten die onder deze verordening vallen;

e)onderdelen of materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor onder deze verordening vallende producten, indien de fabrikant van die onderdelen of materialen daarom verzoekt;

f)kits of geassembleerde onderdelen, indien de samenstelling ervan is gespecificeerd in en deel uitmaakt van geharmoniseerde technische specificaties of Europese beoordelingsdocumenten (EBD’s);

g)geprefabriceerde eengezinswoningen met een vloeroppervlakte van minder dan 180 m² met één verdieping of met een vloeroppervlakte van minder dan 100 m² op twee verdiepingen.

De lidstaten kunnen besluiten deze verordening niet toe te passen op de in punt g) bedoelde huizen door de Commissie hiervan in kennis te stellen.

2.Deze verordening is ook van toepassing op gebruikte bouwproducten en gebruikte items als bedoeld in lid 1 in elk van de volgende gevallen:

a)de gebruikte bouwproducten of items worden uit derde landen ingevoerd zonder eerder in de Unie in de handel te zijn gebracht;

b)de marktdeelnemer heeft het beoogde gebruik van die gebruikte bouwproducten of items gewijzigd ten opzichte van het beoogde gebruik dat door de oorspronkelijke fabrikant aan die bouwproducten of items is toegewezen, anders dan een vermindering op het gebied van prestatie of beoogde toepassingen of om louter “decoratieve” doeleinden, waarbij deze laatste worden bepaald door het ontbreken van een structurele functie voor de bouwwerken;

c)de marktdeelnemer die de gebruikte bouwproducten of items op de markt aanbiedt, beweert dat zij beschikken over kenmerken of voldoen aan de productvereisten van bijlage I, die een aanvulling zijn op of verschillen van de kenmerken en eisen die krachtens deze verordening of Verordening (EU) nr. 305/2011 zijn opgegeven toen het gebruikte bouwproduct of item voor het eerst in de handel werd gebracht;

d)de gebruikte bouwproducten of items hebben een transformatief proces ondergaan dat verder gaat dan reparatie, reiniging en regelmatig onderhoud (“geherproduceerd product”);

e)de marktdeelnemer die de gebruikte bouwproducten of items op de markt aanbiedt, kiest voor de toepassing van deze verordening.

3.Deze verordening is niet van toepassing op:

a)liften als bedoeld in Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad 43 , roltrappen en onderdelen daarvan;

b)ketels, leidingen, tanks en toebehoren en andere producten die bestemd zijn om in contact te komen met water voor menselijke consumptie;

c)systemen voor de behandeling van afvalwater;

d)sanitair;

e)producten voor verkeerssignalering.

4.Deze verordening is ook van toepassing op 3D-printdiensten van bouwproducten en items die onder deze verordening vallen. 3D-printdiensten omvatten het verhuren van 3D-printmachines die zouden kunnen worden gebruikt voor bouwproducten en items die onder deze verordening vallen.

Deze verordening is eveneens van toepassing op diensten die verband houden met:

de vervaardiging en verhandeling van bouwproducten en/of items die onder deze verordening vallen, en

de verwijdering, de voorbereiding voor hergebruik, de herproductie en het hanteren van gebruikte bouwproducten of items die onder deze verordening vallen.

5.De lidstaten kunnen onder deze verordening vallende bouwproducten en items die in de handel worden gebracht of rechtstreeks worden geïnstalleerd in de ultraperifere gebieden van de Europese Unie in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vrijstellen van de toepassing van deze verordening. De lidstaten stellen de Europese Commissie en de andere lidstaten in kennis van de regelingen waarbij dergelijke vrijstellingen worden verleend. Zij zorgen ervoor dat vrijgestelde bouwproducten of items niet voorzien zijn van de CE-markering overeenkomstig artikel 16. Bouwproducten of items die op basis van een dergelijke vrijstelling in de handel worden gebracht of rechtstreeks worden geïnstalleerd, worden niet geacht in de Unie in de handel te zijn gebracht of rechtstreeks te zijn geïnstalleerd in de zin van deze verordening.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)“bouwproduct”: een gevormd of vormloos fysiek voorwerp, met inbegrip van de verpakking en gebruiksaanwijzing ervan, of een kit of assemblage waarin dergelijke voorwerpen worden gecombineerd, dat in de handel wordt gebracht of wordt geproduceerd om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen daarvan binnen de Unie, met uitzondering van voorwerpen die noodzakelijkerwijs eerst in een assemblage, kit of ander bouwproduct moeten worden geïntegreerd voordat zij blijvend in bouwwerken worden verwerkt;

2)“blijvend”: een duur van twee jaar of langer;

3)“product”: een bouwproduct of ander item dat overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 3, onder deze verordening valt;

4)“op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie, ongeacht of dit in het kader van het verlenen van een dienst plaatsvindt;

5)“rechtstreekse installatie”: de installatie van een product in een bouwwerk van een klant zonder het voorafgaand op de markt aan te bieden, of de installatie van een onder deze verordening vallende eengezinswoning, ongeacht of dit in het kader van het verlenen van een dienst plaatsvindt;

6)“prestaties”: de mate waarin een product bepaalde schaalbare essentiële kenmerken heeft;

7)“essentiële kenmerken”: de kenmerken van het product die betrekking hebben op de in deel A, punt 1, van bijlage I vermelde fundamentele eisen voor bouwwerken of die zijn opgenomen in deel A, punt 2, van bijlage I;

8)“productvereisten”: een drempelniveau of een ander kenmerk waaraan een product moet voldoen voordat het in de handel kan worden gebracht of rechtstreeks kan worden geïnstalleerd, met inbegrip van de eisen inzake etikettering en gebruiksaanwijzing of andere te verstrekken informatie;

9)“marktdeelnemer”: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur, de fulfilmentdienstverlener, de aanbieder van 3D-printdiensten, de fabrikant, de importeur of de distributeur van materialen die bestemd zijn voor het 3D-printen van producten, de onlineverkoper, de tussenhandelaar, de leverancier, de dienstverlener, de “own brand labeller” of een andere natuurlijke of rechtspersoon, anders dan autoriteiten, aangemelde instanties, technische beoordelingsinstanties en productcontactpunten voor de bouw, die onder deze verordening vallen met betrekking tot de vervaardiging, verwijdering voor hergebruik, herproductie of herverpakking van producten, of het op de markt aanbieden of rechtstreeks installeren van die producten overeenkomstig deze verordening, en marktdeelnemers als gedefinieerd in artikel 3, punt 13, van Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad 44 ;

10)“aanbieder van 3D-printdiensten”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit een van de volgende diensten aanbiedt: het verhuren of leasen van 3D-printers, het printen van datasets voor 3D-printen of de tussenhandel in een van deze diensten, ongeacht of het printmateriaal door die persoon wordt geleverd;

11)“materialen bestemd voor het 3D-printen van producten”: materiaal bestemd voor het 3D-printen van producten waarvoor de respectieve marktdeelnemers het gebruik als materiaal voor 3D-printen niet uitdrukkelijk en consequent hebben uitgesloten;

12)“fabrikant”: een fabrikant zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2019/1020;

13)3D-datasets”: een reeks numerieke gegevens die de vorm van een object beschrijven aan de hand van de buitenafmetingen en de holten ervan, teneinde 3D-printen van dat object mogelijk te maken;

14)“bouwwerken”: gebouwen en civieltechnische werken die zich zowel boven als in de grond of het water kunnen bevinden, met inbegrip van bruggen, tunnels, masten en andere voorzieningen voor het transport van elektriciteit, communicatiekabels, pijpleidingen, aquaducten, dammen, luchthavens, havens, waterwegen en installaties die de basis vormen voor spoorwegrails, maar met uitzondering van windmolens, olieplatforms of chemische fabrieken, industriële productie-installaties, landbouwbedrijven, installaties voor elektriciteitsopwekking en militaire installaties, hoewel de schuilplaatsen daarvan gebouwen kunnen zijn;

15)“gebouwen”: voorzieningen, met uitzondering van containers, die mensen, dieren of objecten onderdak bieden, en hetzij blijvend aan de grond zijn bevestigd, hetzij alleen met behulp van speciale uitrustingen kunnen worden vervoerd en die een vloeroppervlakte hebben van ten minste 20 m² op een of meer niveaus;

16)“niveau”: het resultaat van de prestatiebeoordeling van een product, met betrekking tot de essentiële kenmerken daarvan, uitgedrukt in een numerieke waarde;

17)“klasse”: een reeks niveaus voor de prestaties van een product, die wordt begrensd door een minimum- en een maximumprestatiewaarde;

18)“drempelniveau”: een verplicht minimum- of maximumprestatieniveau van een product met betrekking tot een bepaald essentieel kenmerk;

19)“in de handel brengen”: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product of het voor het eerst aanbieden van een gebruikt product wanneer aan een van de voorwaarden van artikel 2, lid 2, is voldaan, of van een geherproduceerd product;

20)“belangrijk onderdeel”: een onderdeel dat door de fabrikant van een product of een andere marktdeelnemer is bedoeld om te worden gebruikt als onderdeel of reserveonderdeel van een product en dat in geharmoniseerde technische specificaties is gespecificeerd als essentieel voor de karakterisering, veiligheid of prestaties van een product;

21)“kit”: een product dat door één fabrikant in de handel wordt gebracht als een set van ten minste twee afzonderlijke items, die op zichzelf geen product hoeven te zijn, en die bedoeld zijn om samen in het bouwwerk te worden verwerkt;

22)“assemblage”: een set van ten minste twee afzonderlijke items, waarvan er één een product is;

23)“Europees beoordelingsdocument”: een document dat door de organisatie van technische beoordelingsinstanties is vastgesteld met het oog op afgifte van Europese technische beoordelingen;

24)“gebruikt product”: een product dat geen afvalstof is zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad en dat ten minste eenmaal in een bouwwerk is geïnstalleerd, en dat:

a)geen proces heeft ondergaan dat verder gaat dan reparatie, reiniging of regelmatig onderhoud, zoals aangegeven door de oorspronkelijke fabrikant in zijn gebruiksaanwijzing of waarvan de noodzaak is erkend op grond van gemeenschappelijke civieltechnische kennis;

b)na verwijdering geen proces heeft ondergaan dat verder gaat dan reparatie, reiniging en regelmatig onderhoud of “voorbereiding voor hergebruik” in de zin van artikel 3, punt 16, van Richtlijn 2008/98/EG;

25)“beoogd gebruik”: het door de fabrikant beoogde gebruik, met inbegrip van de gebruiksvoorwaarden, zoals vastgesteld in de technische documentatie, op etiketten, in de gebruiksaanwijzing of in reclamemateriaal, waarbij toepassingen die slechts in één van deze middelen worden genoemd, al deel uitmaken van het “beoogde gebruik”;

26)“reparatie”: het proces waarbij een gebrekkig product in een toestand wordt teruggebracht waarin het aan het beoogde gebruik kan voldoen;

27)“onderhoud”: een handeling die wordt uitgevoerd om een product in een toestand te houden waarin het naar behoren kan functioneren;

28)“geherproduceerd product”: een product dat geen afvalstof is als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG, maar dat ten minste eenmaal in een bouwwerk is geïnstalleerd, en dat een transformatief proces heeft ondergaan dat verder gaat dan reparatie, reiniging en regelmatig onderhoud;

29)“risico”: een risico als gedefinieerd in artikel 3, punt 18, van Verordening (EU) 2019/1020;

30)“voorbereiding voor hergebruik”: het controleren, reinigen of repareren van verwijderde producten, waarbij producten of componenten van producten worden klaargemaakt zodat ze kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

31)“producttype”: het abstracte model van afzonderlijke producten, dat wordt bepaald door het beoogde gebruik en een reeks kenmerken die elke wijziging met betrekking tot de prestaties of de naleving van de in of in overeenstemming met deze verordening vastgestelde productvereisten uitsluiten, dat in een specifiek productieproces met behulp van een bepaalde combinatie van grondstoffen of componenten wordt geproduceerd, waarbij identieke producten van andere fabrikanten ook tot andere producttypen behoren;

32)“stand van de techniek”: een manier om een bepaald doel te bereiken die ofwel de meest doeltreffende en geavanceerde is, ofwel deze benadert en dus boven het gemiddelde van de te kiezen manieren ligt;

33)“recycling”: recycling als gedefinieerd in artikel 3, punt 17, van Richtlijn 2008/98/EG;

34)“fulfilmentdienstverlener”: een fulfilmentdienstverlener als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1020;

35)“productfamilie”: alle producttypen die behoren tot de in tabel 1 van bijlage IV vermelde productgebieden;

36)“productcategorie”: een subgroep van de producttypen van een bepaalde productfamilie die de producttypen omvat die een bepaald beoogd gebruik gemeen hebben, zoals gespecificeerd in geharmoniseerde technische specificaties of Europese beoordelingsdocumenten;

37)“productiecontrole in de fabriek”: de gedocumenteerde, permanente en interne productiecontrole in een fabriek met betrekking tot bepaalde parameters of kwaliteitsaspecten, die de specifieke kenmerken van een respectieve productfamilie of -groep en productieprocessen weerspiegelen, en die gericht is op de bestendigheid van de prestaties of de voortdurende conformiteit met de productvereisten, uitgevoerd overeenkomstig bijlage V;

38)“geharmoniseerde zone”: het gebied dat onder deze verordening, de geharmoniseerde technische specificaties en de op grond van deze verordening vastgestelde handelingen van algemene toepasselijkheid van de Commissie valt;

39)“Unierecht”: het VWEU en het VEU, algemene rechtsbeginselen, de in artikel 288, tweede, derde en vierde lid, VWEU bedoelde rechtshandelingen van algemene strekking, alsmede alle internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie en de lidstaten partij zijn;

40)“importeur”: een importeur als gedefinieerd in artikel 3, punt 9, van Verordening (EU) 2019/1020;

41)“distributeur”: een distributeur als gedefinieerd in artikel 3, punt 10, van Verordening (EU) 2019/1020;

42)“afzonderlijk vervaardigd”: door de specificaties van de klant is er sprake van een verschil in de productiemethode ten opzichte van alle andere producten die door de betrokken marktdeelnemer voor andere klanten worden vervaardigd;

43)“micro-onderneming”: een micro-onderneming als bedoeld in de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen;

44)“als maatwerk vervaardigd”: door de specificaties van de klant is er sprake van een verschil in afmetingen of materiaal ten opzichte van alle andere producten die door de betrokken marktdeelnemer voor andere klanten worden vervaardigd;

45)“permalink”: een internetlink naar een website die zowel wat inhoud als adres betreft stabiel is (“URL”);

46)“geharmoniseerde technische specificaties”: normen voor bouwproducten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 2, waarvan de referentienummers overeenkomstig artikel 34 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt en die daardoor verplicht zijn gesteld voor de toepassing van deze verordening, en overeenkomstig artikel 4, leden 3 en 4, artikel 5, lid 2, of artikel 22, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handelingen die technische voorschriften bevatten;

47)“norm voor bouwproducten”: een norm die door een Europese normalisatieorganisatie is vastgesteld op basis van een verzoek van de Commissie voor de toepassing van deze verordening waarvan de referentienummers overeenkomstig artikel 34 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt, ongeacht of het gebruik van een dergelijke norm verplicht is gesteld voor toepassing uit hoofde van deze verordening overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 34, lid 2, dan wel vrijwillig blijft overeenkomstig artikel 5, lid 2, artikel 22, lid 4, en artikel 34, lid 3;

48)“product voor tweeledig gebruik”: een product dat door de fabrikant bedoeld is om te worden gebruikt als product en als een item met een ander beoogd gebruik dat buiten het toepassingsgebied van deze verordening zou vallen indien het alleen dat andere beoogde gebruik had;

49)“Europese normalisatieorganisatie”: een Europese normalisatieorganisatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

50)“Europese technische beoordeling (ETB)”: de gedocumenteerde beoordeling van de prestaties van een product, met betrekking tot de essentiële kenmerken daarvan, overeenkomstig het desbetreffende Europese beoordelingsdocument;

51)“voltijdequivalent”: de arbeidscapaciteit van één persoon die voltijds werkt, zoals gedefinieerd door de betrokken lidstaat, of de arbeidscapaciteit van meerdere personen die deeltijds werken en samen datzelfde aantal uren per dag of week werken;

52)“niet-seriematig productieproces”: een proces dat niet hoofdzakelijk is geautomatiseerd of geproduceerd met behulp van assemblagelijntechnieken, noch meer dan 100 keer per jaar wordt herhaald door de betrokken marktdeelnemer of de marktdeelnemers die deel uitmaken van dezelfde groep ondernemingen, onder de gezamenlijke zeggenschap van een natuurlijke of rechtspersoon, of onder dezelfde organisatiestructuur;

53)“uit de handel nemen”: het uit de handel nemen als gedefinieerd in artikel 3, punt 23, van Verordening (EU) 2019/1020;

54)“terugroepen”: het terugroepen als gedefinieerd in artikel 3, punt 22, van Verordening (EU) 2019/1020;

55)“onlinemarktplaats”: een aanbieder van een dienst die als tussenpersoon optreedt, die gebruikmaakt van software, waaronder een website, een deel van een website of een applicatie, waarmee klanten overeenkomsten op afstand met marktdeelnemers kunnen sluiten voor de verkoop van producten;

56)“online interface”: online interface als gedefinieerd in artikel 3, punt 15, van Verordening (EU) 2019/1020;

57)“tussenhandelaar”: een natuurlijke of rechtspersoon die een bemiddelingsdienst verleent voor het in de handel brengen of de rechtstreekse installatie van producten;

58)“own brand labeller”: iedere andere natuurlijke of rechtspersoon dan de fabrikant die een product als eigen product wenst te verkopen en derhalve zijn naam, handelsmerk of etiket naast de verplichte opschriften van andere marktdeelnemers aanbrengt;

59)“leverancier”: een natuurlijke of rechtspersoon die grondstoffen of tussenproducten levert aan fabrikanten of aan andere personen die grondstoffen of tussenproducten aan fabrikanten leveren;

60)“dienstverlener”: een natuurlijke of rechtspersoon die een dienst verleent aan een fabrikant of een leverancier van een belangrijk onderdeel, op voorwaarde dat de dienst relevant is voor de vervaardiging van producten, met inbegrip van het ontwerp ervan;

61)“accreditatie”: accreditatie als gedefinieerd in artikel 2, lid 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

62)“markttoezichtautoriteit”: een autoriteit als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Verordening (EU) 2019/1020;

63)“levenscyclus”: de opeenvolgende en onderling gerelateerde fasen van de levensduur van een product, vanaf de aanschaf van de grondstof of de winning uit natuurlijke hulpbronnen, via de vervaardiging, verwijdering, mogelijk hergebruik, al dan niet met voorafgaande herproductie, tot de definitieve verwijdering;

64)“hergebruik”: elke handeling waarbij een product of onderdelen ervan, nadat zij het einde van hun eerste gebruik hebben bereikt, worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij zijn ontworpen;

65)“bevoegde autoriteit”: de overeenkomstig artikel 69, lid 1, aangewezen markttoezichtautoriteit;

66)“nationale bevoegde autoriteit”: de overeenkomstig artikel 69, lid 2, aangewezen markttoezichtautoriteit;

67)“aanmeldende autoriteit”: de enige overheidsinstantie die belast is met de aanwijzing van en het toezicht op aangemelde instanties, die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 48, tenzij in de desbetreffende bepaling anders is bepaald: alleen in de lidstaat waar de respectieve aangemelde instantie is gevestigd;

68)“aanwijzende autoriteit”: de enige overheidsinstantie die belast is met de aanwijzing van en het toezicht op technische beoordelingsinstanties, die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 43, tenzij in de desbetreffende bepaling anders is bepaald: alleen in de lidstaat waar de respectieve technische beoordelingsinstantie is gevestigd;

69)“autoriteit”: de Europese Commissie, haar agentschappen en elke aanmeldende autoriteit, aanwijzende autoriteit of markttoezichtautoriteit, tenzij anders bepaald in de desbetreffende bepaling: ongeacht in welke lidstaat zij gevestigd is;

70)“product dat een risico vormt”: een product dat, wanneer het tijdens de gehele levenscyclus ervan en zelfs wanneer het indirect tot stand is gekomen, een inherent negatief effect kan hebben op de gezondheid en veiligheid van personen, het milieu of het voldoen aan de fundamentele eisen voor bouwwerken wanneer het in die werken wordt verwerkt, in een mate die, rekening houdend met de stand van de techniek, verder gaat dan wat redelijk en aanvaardbaar wordt geacht in verhouding tot het beoogde gebruik ervan en onder normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden;

71)“product dat een ernstig risico vormt”: een product dat een ernstig risico vormt zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 20, van Verordening (EU) 2019/1020.

Artikel 4

Essentiële kenmerken van producten

1.De fundamentele eisen voor bouwwerken in deel A, punt 1, van bijlage I vormen de basis voor het opstellen van normalisatieverzoeken en geharmoniseerde technische specificaties.

2.De overeenkomstig lid 1 gespecificeerde of in deel A, punt 2, van bijlage I vermelde essentiële kenmerken en de methoden voor de beoordeling daarvan worden vastgelegd in normen die voor de toepassing van deze verordening verplicht worden gesteld. De essentiële kenmerken van producten worden vastgesteld in het licht van de fundamentele eisen voor bouwwerken, rekening houdend met de regelgevingsbehoeften van de lidstaten.

De Commissie kan normalisatieverzoeken indienen overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1025/2012, die de basisbeginselen en hoekstenen bevatten voor de vaststelling van deze essentiële kenmerken en de beoordelingsmethoden ervan.

De respectieve normalisatieverzoeken kunnen ook een verzoek aan de Europese normalisatieorganisatie omvatten om in de in het eerste lid bedoelde normen de vrijwillige of verplichte drempelniveaus en prestatieklassen met betrekking tot de essentiële kenmerken vast te stellen en te bepalen welke essentiële kenmerken door fabrikanten kunnen of moeten worden opgegeven. In dat geval stelt de Commissie in het normalisatieverzoek de basisbeginselen en hoekstenen vast voor de vaststelling van de drempelniveaus, klassen en verplichte kenmerken.

Alvorens de referentienummers daarvan overeenkomstig artikel 34 in het Publicatieblad bekend te maken, gaat de Commissie na of de basisbeginselen en hoekstenen en het Unierecht in de normen worden nageleefd.

3.In afwijking van lid 2 en om tegemoet te komen aan de regelgevingsbehoeften van de lidstaten en de doelstellingen van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie na te streven, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87, door voor bepaalde productfamilies en categorieën vrijwillige of verplichte essentiële kenmerken en beoordelingsmethoden vast te stellen in elk van de volgende gevallen:

a)de vaststelling van bepaalde normen als bedoeld in artikel 4, lid 2, eerste alinea, door de Europese normalisatieorganisaties wordt onnodig vertraagd, waarbij er sprake is van onnodige vertraging wanneer de Europese normalisatieorganisatie geen norm indient binnen de in het normalisatieverzoek vastgestelde termijn;

b)er is dringend behoefte aan de vaststelling van meer geharmoniseerde technische specificaties die niet in overeenstemming kunnen worden gebracht met de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen;

c)een of meer essentiële kenmerken die verwijzen naar de fundamentele werkvoorschriften van deel A, punt 1, van bijlage I of zijn opgenomen in deel A, punt 2, van bijlage I, vallen niet onder de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen waarvan de referentienummers reeds in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt;

d)de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen worden om andere redenen ontoereikend geacht om in de regelgevingsbehoeften van de lidstaten of de behoeften van de marktdeelnemers te voorzien;

e)de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen zijn niet in overeenstemming met de klimaat- en milieuwetgeving en ambitie van de Unie;

f)de referenties naar de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen kunnen niet in het Publicatieblad worden bekendgemaakt om de in artikel 34, lid 4, genoemde redenen of om andere juridische redenen;

g)de referenties naar de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen zijn uit het Publicatieblad geschrapt of zijn met een beperking bekendgemaakt.

4.Om tegemoet te komen aan de regelgevingsbehoeften van de lidstaten en de milieu-, veiligheids- en harmonisatiedoelstellingen van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie na te streven, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87, door voor bepaalde productfamilies en -categorieën het volgende vast te stellen:

a)drempelniveaus en prestatieklassen met betrekking tot de essentiële kenmerken en welke essentiële kenmerken door de fabrikanten mogen of moeten worden opgegeven;

b)voorwaarden waaronder een product wordt geacht te voldoen aan een bepaald drempelniveau of een bepaalde prestatieklasse zonder tests of verdere tests te verrichten.

5.De Commissie is bevoegd deel A van bijlage I door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 te wijzigen teneinde het aan de technische vooruitgang aan te passen en nieuwe risico’s en milieuaspecten te bestrijken.

Artikel 5

Productvereisten

1.Alle onder deze verordening vallende producten moeten voordat zij in de handel worden gebracht of rechtstreeks worden geïnstalleerd, voldoen aan de generieke, rechtstreeks toepasselijke productvereisten van deel D van bijlage I, en aan de productvereisten van de delen B en C van bijlage I, zoals gespecificeerd voor de respectieve productfamilie of categorie overeenkomstig lid 2. De productvereisten van de delen B en C van bijlage I zijn alleen van toepassing indien zij overeenkomstig lid 2 zijn gespecificeerd.

2.Teneinde de in de delen B, C en D van bijlage I vastgestelde productvereisten te specificeren, is de Commissie bevoegd deze verordening door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 aan te vullen door voor bepaalde productfamilies en -categorieën deze productvereisten te specificeren en de overeenkomstige beoordelingsmethoden vast te stellen. Zodra de Commissie deze productvereisten door middel van gedelegeerde handelingen heeft gespecificeerd, kan zij normalisatieverzoeken indienen met het oog op de uitwerking van vrijwillige geharmoniseerde normen die een vermoeden van conformiteit met deze in deze gedelegeerde handelingen gespecificeerde verplichte productvereisten vestigen.

3.De Commissie is bevoegd de delen B, C en D van bijlage I door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 te wijzigen teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen en met name nieuwe risico’s en milieuaspecten te bestrijken.

Artikel 6

Beoordelings- en verificatiesystemen en de productspecifieke modaliteiten ervan

1.Om een aanpak op maat toe te passen en de potentiële lasten voor fabrikanten tot een minimum te beperken en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu te waarborgen, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 door voor elke productfamilie of categorie het toepasselijke beoordelings- en verificatiesysteem vast te stellen uit de in bijlage V vermelde systemen. Zij kan ook verschillende beoordelings- en verificatiesystemen vaststellen voor dezelfde productfamilie of categorie wanneer onderscheid wordt gemaakt naar essentiële kenmerken of productvereisten.

2.Om de toepassing van de eisen of verplichtingen van bijlage V te vergemakkelijken en te harmoniseren, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 door deze eisen en verplichtingen voor een bepaalde productfamilie of categorie te specificeren.

3.Om systematische gevallen van non-conformiteit door aangemelde instanties of fabrikanten tegen te gaan of met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, is de Commissie bevoegd deze verordening te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 door aanvullende beoordelings- of verificatiestappen in de systemen van bijlage V in te voeren.

Artikel 7

Geharmoniseerde zone en nationale maatregelen

1.De geharmoniseerde zone wordt geacht alomvattend te zijn en alle potentiële eisen voor andere producten dan die welke onder ander Unierecht vallen te bestrijken.

2.De lidstaten nemen de geharmoniseerde zone in acht in hun nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen en stellen geen aanvullende eisen vast voor de producten die onder de zone vallen. Zij passen met name het volgende toe:

a)er worden geen andere eisen inzake informatie, registratie of overige eisen worden vastgesteld naast die welke in de geharmoniseerde zone zijn vastgelegd;

b)er worden geen andere beoordelingen verplicht gesteld dan die welke in de geharmoniseerde zone zijn vastgesteld;

c)tenzij overeenkomstig artikel 5, lid 3, anders is bepaald, mogen het nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen de overeenkomstig artikel 5 gespecificeerde productvereisten of de overeenkomstig artikel 4, lid 4, vastgestelde drempelniveaus niet overlappen of verder dan deze reiken;

d)het nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen vereisen niet meer beoordelingen en verificaties dan die welke in bijlage V zijn vastgesteld en breiden het toepassingsgebied van de beoordelingen en verificaties van bijlage V niet uit;

e)het nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen zijn een herhaling van en schrijven niets meer of minder voor dan hetgeen is vereist volgens de overeenkomstig artikel 4, lid 4, vastgestelde drempelniveaus;

f)het nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen worden niet gebaseerd op andere klassen, subklassen of aanvullende klassen dan die welke overeenkomstig artikel 4, lid 4, zijn vastgesteld;

g)wanneer overeenkomstig artikel 4, lid 2, of artikel 5, lid 2, beoordelingsmethoden zijn vastgesteld, verwijzen het nationale recht, andere voorschriften of administratieve maatregelen, zowel voor bouwwerken als met betrekking tot de kenmerken van of eisen voor producten, niet naar andere beoordelingsmethoden, wijzigen zij deze beoordelingsmethoden niet noch vullen zij deze aan, of selecteren zij niet slechts een deel daarvan.

Dit lid is ook van toepassing op openbare aanbestedingen of rechtstreekse plaatsingen van opdrachten wanneer die openbare aanbestedingen of rechtstreekse plaatsingen worden uitgevoerd onder direct of indirect toezicht van overheidsinstanties of worden uitgevoerd onder verwijzing naar openbare bepalingen inzake openbare aanbestedingen of rechtstreekse plaatsing van opdrachten. Dit lid is ook van toepassing op subsidies of andere positieve stimulansen, met uitzondering van fiscale stimulansen. Geharmoniseerde technische specificaties kunnen de lidstaten echter toestaan of aanbevelen de besluiten inzake de plaatsing van overheidsopdrachten, van opdrachten of van subsidies of andere positieve stimulansen te koppelen aan andere subklassen of aanvullende klassen dan die welke overeenkomstig artikel 4, lid 4, zijn vastgesteld, indien deze nog steeds betrekking hebben op milieuprestaties die overeenkomstig deze geharmoniseerde technische specificaties worden beoordeeld.

3.De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de essentiële kenmerken die zij voor elke productfamilie of categorie vereisen, de respectieve productvereisten en de beoordelingsmethoden die zij toepassen. Zij verwijzen proactief naar deze essentiële kenmerken, eisen en beoordelingsmethoden in alle fora en tijdens alle gelegenheden die relevant zijn voor de opstelling van geharmoniseerde technische specificaties. Fora die geharmoniseerde technische specificaties opstellen, nemen nota van deze essentiële kenmerken, eisen en beoordelingsmethoden. De essentiële kenmerken worden voor zover mogelijk bestreken door geharmoniseerde technische specificaties.

4.Wanneer een lidstaat het om dwingende redenen van gezondheid, veiligheid of bescherming van het milieu, met inbegrip van het klimaat, noodzakelijk acht om voorschriften in zijn regelgeving vast te stellen of administratieve maatregelen te nemen in afwijking van lid 2, stelt hij de Commissie daarvan in kennis, waarbij hij de noodzaak van de vastgestelde procedurele verplichtingen motiveert en hij de regelgevingsbehoefte die hij beoogt aan te pakken toelicht en bewijs verstrekt voor zowel het bestaan van de regelgevingsbehoefte als het gebrek aan dekking door de geharmoniseerde zone en ander Unierecht. Daartoe maken de lidstaten in voorkomend geval gebruik van de kennisgevingsprocedure van Richtlijn (EU) 2015/1535.

5.De Commissie verleent door middel van uitvoeringshandelingen toestemming voor de nationale maatregel waarvan uit hoofde van lid 4 kennis is gegeven, wanneer:

a)zij vaststelt dat de regeling of administratieve maatregel naar behoren gerechtvaardigd lijkt in het licht van dwingende redenen van gezondheid, veiligheid of bescherming van het milieu als bedoeld in lid 4;

b)de regelgevingsbehoefte niet onder de geharmoniseerde zone of ander Unierecht valt;

c)de aangemelde regeling of administratieve maatregel geen marktdeelnemers uit andere lidstaten discrimineert;

d)de aangemelde regeling of administratieve maatregel in staat is in de desbetreffende regelgevingsbehoefte te voorzien;

e)de aangemelde regeling of administratieve maatregel geen onevenredige belemmering vormt voor de werking van de markt van de Unie, en

f)de Commissie niet in een aan de lidstaten gerichte intentieverklaring haar voornemen heeft kenbaar gemaakt om binnen een jaar na de datum van kennisgeving overeenkomstig lid 4 de geharmoniseerde technische specificatie in het Publicatieblad bekend te maken of aan te halen of een handeling van algemene toepasselijkheid vast te stellen waarin de desbetreffende behoefte wordt gedekt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Om naar behoren gemotiveerde redenen van urgentie in verband met de menselijke gezondheid en veiligheid of de bescherming van het milieu moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen overeenkomstig de in artikel 88, lid 3, bedoelde procedure.

6.De lidstaten registreren al hun nationale regelgeving en administratieve maatregelen die direct of indirect van invloed zijn op de bruikbaarheid van producten op hun grondgebied, in de digitale toegangspoort.

7.Deze verordening belet de lidstaten niet om verplichte statiegeldregelingen in te voeren, fabrikanten te verplichten gebruikte of niet-gebruikte producten rechtstreeks of via hun importeurs en distributeurs terug te nemen en verplichtingen vast te stellen met betrekking tot de inzameling en verwerking van afvalproducten, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)de eigenaar van het product kan de fabrikant, de importeur of de distributeur als ontvanger kan kiezen, en is verantwoordelijk voor het vervoer naar de distributeur, importeur of fabrikant;

b)marktdeelnemers in andere lidstaten worden niet anderszins direct of indirect gediscrimineerd.

8.De lidstaten kunnen de vernietiging van overeenkomstig artikel 22, lid 2, punt j), en artikel 26 teruggenomen producten verbieden of de vernietiging van deze producten afhankelijk stellen van de voorwaarde dat zij vooraf op een nationaal tussenhandelplatform voor niet-commercieel gebruik van producten beschikbaar worden gesteld.

Artikel 8

Verband met ander Unierecht

Om dubbele beoordeling van producten te voorkomen, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van overeenkomstig artikel 87 vastgestelde gedelegeerde handelingen door de voorwaarden vast te stellen waaronder de nakoming van verplichtingen uit hoofde van ander Unierecht ook aan bepaalde verplichtingen uit hoofde van deze verordening voldoet, indien anders hetzelfde aspect van gezondheid, veiligheid of milieubescherming gelijktijdig zowel zou worden beoordeeld in het kader van deze verordening als van ander Unierecht.

HOOFDSTUK II

PROCEDURE, VERKLARINGEN EN MARKERINGEN

Artikel 9

Prestatieverklaring

1.Wanneer een product onder een overeenkomstig artikel 4, leden 2 of 3, vastgestelde geharmoniseerde technische specificatie valt, wordt de fabrikant onderworpen aan het toepasselijke beoordelings- en controlesysteem van bijlage V en stelt hij een prestatieverklaring op voordat een dergelijk product in de handel wordt gebracht. Een fabrikant van een product dat niet onder een geharmoniseerde technische specificatie valt, kan een prestatieverklaring afgeven overeenkomstig het desbetreffende Europese beoordelingsdocument en de Europese technische beoordeling.

2.Wanneer een product onder een geharmoniseerde technische specificatie valt, mag informatie over de prestaties ervan met betrekking tot de essentiële kenmerken die in de toepasselijke geharmoniseerde technische specificatie zijn vastgesteld, alleen elders dan in de prestatieverklaring worden verstrekt indien deze tegelijkertijd in de prestatieverklaring wordt verstrekt. Deze verplichting geldt niet voor situaties waarin overeenkomstig artikel 10 geen prestatieverklaring is opgesteld.

3.Door de prestatieverklaring op te stellen, neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid op zich voor de conformiteit van het product met de aangegeven prestaties en wordt hij aansprakelijk overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, ook wanneer hij niet nalatig heeft gehandeld. Zonder objectieve aanwijzingen voor het tegendeel gaan de lidstaten ervan uit dat de door de fabrikant opgestelde prestatieverklaring nauwkeurig en betrouwbaar is.

Artikel 10

Vrijstellingen van het opstellen van een prestatieverklaring

1.In afwijking van artikel 9, lid 1, mag een fabrikant bij het in de handel brengen van een product dat onder een geharmoniseerde technische specificatie valt, afzien van de opstelling van een prestatieverklaring wanneer een van de volgende situaties van toepassing is:

a)het product is, anders dan door 3D-printen of reeds bestaande mallen, afzonderlijk of als maatwerk vervaardigd in een niet-seriematig productieproces in verband met een specifieke bestelling en is in één enkel geïdentificeerd bouwwerk geïnstalleerd door een fabrikant die ook verantwoordelijk is voor de veilige verwerking van het product in het bouwwerk, overeenkomstig de toepasselijke nationale regels en onder het toezicht van diegenen die conform die regels als verantwoordelijken voor de veilige uitvoering van de werken zijn aangewezen;

b)het bouwproduct is anders dan door 3D-printen of reeds bestaande mallen op de bouwplaats vervaardigd in een niet-seriematig productieproces om in de betrokken bouwwerken te worden verwerkt, overeenkomstig de toepasselijke nationale regels en onder de verantwoordelijkheid van diegenen die conform die regels als verantwoordelijken voor de veilige uitvoering van de werken zijn aangewezen, of

c)het product is vervaardigd op een uitsluitend voor monumentenzorg geschikte manier in een niet-seriematig productieproces voor de deugdelijke renovatie van bouwwerken die als onderdeel van een geklasseerd gebied of vanwege hun bijzondere architecturale of historische waarde, officieel beschermd zijn.

2.Een lidstaat kan geherproduceerde producten die zijn gebaseerd op producten die na herproductie veilig blijven, vrijstellen van de toepassing van artikel 9, lid 1, mits hij ervoor zorgt dat het product niet buiten het grondgebied van die lidstaat in het verkeer wordt gebracht.

3.Een lidstaat kan andere onderdelen van bouwwerken dan producten die worden voorbereid op hergebruik of zijn geherproduceerd, vrijstellen van de toepassing van artikel 9, lid 1, mits hij ervoor zorgt dat het onderdeel niet buiten het grondgebied van die lidstaat in het verkeer wordt gebracht.

4.Een lidstaat kan producten vrijstellen van de toepassing van artikel 9, lid 1, wanneer alle volgende punten van toepassing zijn:

a)de fabrikant is een micro-onderneming die geen deel uitmaakt van een familie van ondernemingen of andere commerciële organisatie, met inbegrip van netwerken, die de activiteiten van de fabrikant kan bepalen of organiseren;

b)de fabrikant gebruikt uitsluitend of hoofdzakelijk onderdelen of materialen die algemeen bekend staan om hun bestendige kenmerken of producten die vrijwillig onder deze verordening vallen en waarbij in alle gevallen de kenmerken van het product wezenlijk afhankelijk zijn van de kenmerken van deze onderdelen of materialen;

c)het product wordt niet buiten het grondgebied van die lidstaat in het verkeer gebracht.

Artikel 11

Inhoud van de prestatieverklaring

1.In de prestatieverklaring worden de prestaties van producten geformuleerd met betrekking tot hun essentiële kenmerken overeenkomstig de relevante geharmoniseerde technische specificaties of het Europees beoordelingsdocument.

2.De prestatieverklaring wordt opgesteld volgens het model in bijlage II zonder het deel dat betrekking op conformiteit heeft. De prestatieverklaring heeft ten minste betrekking op de prestaties met betrekking tot de in deel A, punt 2, van bijlage I vermelde verplichte essentiële kenmerken, de essentiële kenmerken die krachtens geharmoniseerde technische specificaties of overeenkomstig artikel 4, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen verplicht zijn, en de in artikel 22, lid 1, bedoelde beoordeling van de milieuduurzaamheid.

3.De Commissie is bevoegd het model in bijlage II te wijzigen door middel van gedelegeerde handelingen die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 87, teneinde het opnemen van verdere informatie mogelijk te maken om marktdeelnemers in staat te stellen in nieuwe informatiebehoeften te voorzien.

4.De informatie als bedoeld in artikel 31 of in voorkomend geval, in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad 45 , wordt samen met de prestatieverklaring verstrekt.

Artikel 12

Gewijzigde prestatieverklaring voor gebruikte, geherproduceerde en overschotproducten

1.Indien voor een gebruikt product een prestatieverklaring, afgegeven door de oorspronkelijke fabrikant of een andere marktdeelnemer overeenkomstig deze verordening of Verordening (EU) nr. 305/2011, beschikbaar is, kan de nieuwe prestatieverklaring, in afwijking van artikel 11, lid 1, verwijzen naar de oorspronkelijke prestatieverklaring met betrekking tot de daarin opgegeven kenmerken indien:

a)het beoogde gebruik niet anders wordt gewijzigd dan door vermindering van de prestaties of van de beoogde toepassingen of om louter decoratieve doeleinden;

b)de levensduur van het oorspronkelijke product of de relevante duurzaamheidsprestaties gespecificeerd is in de oorspronkelijke prestatieverklaring of de geharmoniseerde technische specificatie waarop de oorspronkelijke prestatieverklaring was gebaseerd, of algemeen bekend is op basis van gemeenschappelijke civieltechnische kennis;

c)de tijd die is verstreken na de eerste integratie van het product in een bouwwerk, niet langer is dan de levensduur van het product of de relevante duurzaamheidsprestatie, indien deze korter is.

De marktdeelnemer voegt de oorspronkelijke prestatieverklaring bij de door hem afgegeven prestatieverklaring, waarbij deze laatste “prestatieverklaring voor gebruikt product” wordt genoemd.

2.Wanneer er voor een gebruikt product geen prestatieverklaring beschikbaar is die overeenkomstig deze verordening of Verordening (EU) nr. 305/2011 door de oorspronkelijke fabrikant of een andere marktdeelnemer is afgegeven, kan een marktdeelnemer een nieuwe prestatieverklaring afgeven zonder een volledige procedure overeenkomstig deze verordening te ondergaan indien hij het beoogde gebruik beperkt tot “decoratie”. Wanneer de marktdeelnemer van deze afwijking gebruik heeft gemaakt, wordt op de prestatieverklaring de vermelding “prestatieverklaring voor gebruikt product” aangebracht.

3.De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer:

a)er niet langer van kan worden uitgegaan dat de mechanische en chemische eigenschappen van het gebruikte product voldoende bestendig zijn voor het nieuwe beoogde gebruik;

b)de gezondheid en veiligheid van personen door de eigenschappen van het product in gevaar zouden komen;

c)het product belastingen heeft ondergaan die het ongeschikt maken voor het nieuwe beoogde gebruik, of

d)dergelijke belastingen tamelijk waarschijnlijk zijn volgens het protocol dat door de de-installateur overeenkomstig artikel 29 is opgesteld en de documentatie over de toestand van een bepaald gebouw (“gebouwenlogboek”).

De lidstaten stellen eisen op voor de-installateurs en de certificering die overeenkomstig de laatste zin moet worden verstrekt, met inbegrip van de definitie van belastingen die het product ongeschikt maken.

4.De leden 1 tot en met 3 zijn ook van toepassing op geherproduceerde producten indien het transformatieve proces, hoewel het verder gaat dan reparatie, reiniging, regelmatig onderhoud of voorbereiding voor hergebruik zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 16, van Richtlijn 2008/98/EG, na verwijdering ervan, de conformiteit van het product met deze verordening of de prestaties van het product met betrekking tot de relevante kenmerken niet in gevaar brengt, omdat vanwege hun ontwerp het transformatieve proces geen negatieve invloed kan hebben op de prestaties en de conformiteit of omdat het gebruikte vervangingsonderdeel wordt geacht even presterend en conform te zijn. Wanneer de marktdeelnemer van deze afwijking gebruik heeft gemaakt, wordt op de prestatieverklaring de vermelding “prestatieverklaring voor geherproduceerd product” aangebracht.

5.De leden 1 en 4 zijn niet van toepassing op:

a)producten die de gebruiker hebben bereikt of de distributieketen hebben verlaten, maar die nooit zijn geïnstalleerd en waarvoor de oorspronkelijke fabrikant niet langer de verantwoordelijkheid als voor een nieuw product op zich neemt (“overschotproducten”);

b)producten waarvoor de oorspronkelijke fabrikant heeft geweigerd zijn verantwoordelijkheid te bevestigen binnen een maand na ontvangst van het desbetreffende verzoek van de marktdeelnemer die het overschotproduct op de markt wil aanbieden.

Wanneer de marktdeelnemer van deze afwijking gebruik heeft gemaakt, wordt op de prestatieverklaring de vermelding “prestatieverklaring voor overschotproduct” aangebracht.

6.Artikel 21, lid 3, en artikel 22, lid 1, zijn alleen van toepassing op producten die onder de afwijkingen van de leden 1 tot en met 5 vallen wanneer de marktdeelnemer die deze producten op de markt aanbiedt, daarom verzoekt.

Artikel 21, lid 2, is niet van toepassing op producten die onder de afwijkingen van de leden 1 tot en met 5 vallen. De marktdeelnemers verstrekken echter de in deel D van bijlage I vermelde informatie.

7.Tenzij de marktdeelnemer voor de toepassing van geharmoniseerde technische specificaties kiest, worden de producten die onder de afwijkingen van de leden 1 tot en met 5 vallen, vrijgesteld van drempelniveaus, productvereisten en toepasselijke geharmoniseerde technische specificaties.

8.Door de prestatieverklaring af te geven, neemt de marktdeelnemer de verantwoordelijkheid op zich voor de conformiteit van het product met de aangegeven prestaties en wordt hij aansprakelijk overeenkomstig de EU-wetgeving en de nationale wetgeving inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid. Zonder objectieve aanwijzingen voor het tegendeel, gaan de lidstaten ervan uit dat de prestatieverklaring nauwkeurig en betrouwbaar is.

9.Dit artikel is niet van toepassing op gebruikte, geherproduceerde of overschotproducten die nooit in de Unie in de handel zijn gebracht of die nooit in de Unie zijn geïnstalleerd.

Artikel 13

Conformiteitsverklaring

1.Alvorens een product in de handel te brengen, moet de fabrikant die niet is vrijgesteld van de verplichting om een prestatieverklaring over te leggen:

a)controleren of het product overeenstemt met de productvereisten van de delen B en C van bijlage I, voor zover deze in gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 5, lid 2, zijn gespecificeerd, en aan de productvereisten van deel D van bijlage I;

b)worden onderworpen aan het respectieve beoordelings- en verificatiesysteem als beschreven in bijlage V, en

c)een conformiteitsverklaring opstellen.

2.De fabrikant kan besluiten een conformiteitsverklaring af te geven overeenkomstig lid 1, ook al is hij vrijgesteld van de verplichting om een prestatieverklaring te overleggen.

3.Door middel van de conformiteitsverklaring neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid op zich voor de conformiteit van het product met de productvereisten en wordt hij aansprakelijk overeenkomstig de nationale wetgeving inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, ook wanneer hij niet nalatig heeft gehandeld. In geval van non-conformiteit of het ontbreken van een conformiteitsverklaring mag het product niet op de markt worden aangeboden. Zonder objectieve aanwijzingen voor het tegendeel, gaan de lidstaten ervan uit dat de door de fabrikant opgestelde conformiteitsverklaring nauwkeurig en betrouwbaar is.

Artikel 14

Inhoud van de conformiteitsverklaring

1.In de conformiteitsverklaring wordt de conformiteit van een product met de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde productvereisten tot uitdrukking gebracht.

2.De fabrikant verenigt de conformiteitsverklaring met de prestatieverklaring in één enkele verklaring, die wordt voorzien van de vermelding “prestatie- en conformiteitsverklaring”, zoals beschreven in bijlage II.

3.Artikel 11, leden 2, 3 en 4, en artikel 12 zijn van toepassing op de conformiteitsverklaring.

4.De fabrikant voldoet aan de verplichtingen van dit artikel vanaf de eerste herziening van de prestatieverklaring door de fabrikant na de datum van toepassing van de geharmoniseerde technische specificatie voor de desbetreffende productfamilie of -categorie, maar niet later dan drie jaar na die datum.

Artikel 15

Overleggen van de prestatieverklaring en van de conformiteitsverklaring

1.De fabrikant verstrekt langs elektronische weg een kopie van de prestatieverklaring en van de conformiteitsverklaring van elk product dat op de markt wordt aangeboden.

Indien echter een partij van hetzelfde product aan een enkele gebruiker wordt geleverd, mag deze vergezeld gaan van één enkel exemplaar van de verklaringen.

2.Wanneer de verklaring langs elektronische weg wordt verstrekt, geeft de fabrikant die verklaring af in een algemeen leesbaar elektronisch formaat dat niet kan worden gewijzigd. Als alternatief mag de fabrikant een permalink gebruiken op voorwaarde dat de permalink en het document dat via de permalink toegankelijk is, niet kunnen worden gewijzigd. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 157/2014 46 van de Commissie is van toepassing uit hoofde van deze verordening.

De fabrikant verstrekt een papieren kopie van de verklaringen indien de ontvanger om een dergelijke papieren kopie verzoekt.

3.Verklaringen kunnen permalinks bevatten naar niet-wijzigbare verklaringen inzake milieuproducten of niet-wijzigbare documenten die de gevraagde informatie bevatten, indien deze documenten de volgorde en structuur van de verklaringen volgen of indien samen met de permalink een concordantietabel wordt verstrekt die de volgorde van de verklaringen koppelt aan de volgorde van deze documenten.

4.De fabrikant verstrekt de prestatieverklaring en de conformiteitsverklaring in de taal of talen zoals vereist door de lidstaten waar de fabrikant voornemens is het product op de markt aan te bieden. Een andere marktdeelnemer die een product in een andere lidstaat aanbiedt, zorgt ervoor dat er een vertaling van de prestatieverklaring en de conformiteitsverklaring beschikbaar is in de door die lidstaat vereiste talen, samen met het originele exemplaar, en voldoet aan de leden 1 en 2.

Artikel 16

Algemene beginselen en gebruik van de CE-markering

1.De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

2.De CE-markering wordt aangebracht op die producten waarvoor de fabrikant een prestatie- of conformiteitsverklaring overeenkomstig de artikelen 9 en 11 tot en met 14 heeft opgesteld. De CE-markering wordt aangebracht op belangrijke onderdelen. De CE-markering mag niet worden aangebracht op onderdelen die geen belangrijke onderdelen zijn.

3.Indien de fabrikant noch een prestatieverklaring, noch een conformiteitsverklaring heeft opgesteld, wordt de CE-markering niet aangebracht.

4.Door de CE-markering aan te brengen of aan te laten brengen, geeft de marktdeelnemer aan de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de conformiteit van het product met de aangegeven prestaties en de toepasselijke productvereisten van deze verordening of die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld. Door het aanbrengen van de CE-markering wordt de marktdeelnemer aansprakelijk voor de aangegeven prestaties en de naleving van deze eisen overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

5.De CE-markering is de enige markering die de prestaties van het product met betrekking tot de beoordeelde essentiële kenmerken en de conformiteit van het product met deze verordening bevestigt.

De lidstaten voeren in hun nationale maatregelen geen verwijzingen in, of schrappen deze, naar merktekens die de conformiteit bevestigen met de eisen of aangegeven prestaties met betrekking tot de essentiële kenmerken die onder de geharmoniseerde zone vallen.

6.De lidstaten mogen, op hun grondgebied of onder hun verantwoordelijkheid, het op de markt aanbieden of het gebruik van producten met de CE-markering niet verbieden of belemmeren wanneer de aangegeven prestaties overeenstemmen met de voorschriften voor dat gebruik in die lidstaat.

De lidstaten mogen, op hun grondgebied of onder hun verantwoordelijkheid, het op de markt aanbieden of het gebruik van producten met de CE-markering niet verbieden of belemmeren wanneer het product voldoet aan de in of door middel van deze verordening vastgestelde productvereisten, tenzij in de desbetreffende geharmoniseerde technische specificatie is bepaald dat de respectieve eisen slechts minimumeisen zijn.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van producten met de CE-markering niet wordt belemmerd door regels of voorwaarden die zijn opgelegd door overheidsorganen of particuliere instellingen die als overheidsbedrijf of op grond van een monopoliepositie of overheidsmandaat als overheidsorgaan optreden.

Artikel 17

Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering

1.De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het product of op een etiket daarvan aangebracht. Indien dit door de aard van het product niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking of in de begeleidende documenten.

2.De CE-markering wordt gevolgd door:

a)de laatste twee cijfers van het jaar waarin zij voor het eerst werd aangebracht;

b)de naam en het geregistreerde adres van de fabrikant of het identificatiemerk aan de hand waarvan de naam en het adres van de fabrikant zich gemakkelijk en eenduidig laten identificeren;

c)de naam en het geregistreerde adres van de gemachtigde of het identificatiemerk aan de hand waarvan de naam en het adres van de gemachtigde zich gemakkelijk en eenduidig laten identificeren, wanneer de fabrikant geen vestigingsadres in de Unie heeft of wanneer de fabrikant ervoor kiest een gemachtigde te hebben;

d)de unieke identificatiecode van het producttype, de permalink naar de registratie(s) van de producten van de fabrikant in databanken van de Unie en de precieze locatie daarin waar het product te vinden is;

e)in voorkomend geval de permalink naar de eigen productpresentatiewebsite van de fabrikant;

f)het referentienummer van de prestatieverklaring, en

g)het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien van toepassing.

De in de punten d) tot en met f) vermelde items mogen worden vervangen door een permalink voor de gecombineerde prestatie- en conformiteitsverklaring (elektronische CE-markering).

3.De CE-markering wordt aangebracht voordat het product in de handel wordt gebracht of rechtstreeks wordt geïnstalleerd in een bouwwerk. Zij kan worden gevolgd door een pictogram of een ander teken dat een bijzonder risico of gebruik aanduidt.

Artikel 18

Andere markeringen

Andere markeringen dan de CE-markering, met inbegrip van particuliere merktekens, mogen alleen op een product worden aangebracht indien zij geen betrekking hebben op of niet verwijzen naar geharmoniseerde technische specificaties, productvereisten of essentiële kenmerken of beoordelingsmethoden die in de geharmoniseerde zone zijn opgenomen.

Op een product mag geen andere markering worden aangebracht dan de markering waarin het Unierecht voorziet binnen een afstand die kleiner is dan twee maal de lengte van de CE-markering, gemeten vanaf een willekeurig punt van de CE-markering en de andere in het Unierecht vastgestelde markering.

Op de prestatieverklaring of de conformiteitsverklaring mag geen andere markering dan de CE-markering worden aangebracht.

HOOFDSTUK III

VERPLICHTINGEN EN RECHTEN VAN MARKTDEELNEMERS

Artikel 19

Verplichtingen van alle marktdeelnemers

1.Een marktdeelnemer neemt alle nodige maatregelen om te zorgen voor de voortdurende naleving, met inbegrip van producten, van deze verordening. Wanneer de niet-naleving door de marktdeelnemer of non-conformiteit van een product is vastgesteld en een markttoezichtautoriteit overeenkomstig artikel 70, lid 1, om corrigerende maatregelen heeft verzocht, dient de marktdeelnemer bij die autoriteit voortgangsverslagen in totdat die autoriteit besluit dat de corrigerende maatregel kan worden beëindigd.

2.Wanneer uiteenlopende verklaringen van niet-naleving door een marktdeelnemer of non-conformiteit van een product en verzoeken om corrigerende maatregelen zijn afgegeven door autoriteiten van verschillende lidstaten, neemt een marktdeelnemer gedifferentieerde maatregelen, afhankelijk van waar de producten bestemd zijn om op de markt te worden aangeboden of rechtstreeks te worden geïnstalleerd. Wanneer dit niet mogelijk is of wanneer een door een lidstaat opgelegde strengere maatregel de door een andere lidstaat opgelegde minder strenge maatregel omvat, is de strengere maatregel van toepassing. Indien deze regels niet tot een duidelijk resultaat leiden, trachten de betrokken lidstaten en de Commissie en, op hun verzoek, andere lidstaten een gemeenschappelijke oplossing te vinden en stellen zij zo nodig een uitvoeringshandeling vast overeenkomstig artikel 33.

3.Op verzoek van een autoriteit deelt een marktdeelnemer elke marktdeelnemer of andere actor aan die autoriteit mee:

a)die aan de marktdeelnemer een product, met inbegrip van onderdelen of vervangingsonderdelen van producten, of diensten heeft geleverd die van belang zijn voor een product, en de omvang van die levering;

b)aan wie de marktdeelnemer een product, met inbegrip van onderdelen of vervangingsonderdelen van producten, of diensten heeft geleverd die van belang zijn voor een product, en de omvang van die levering;

c)die betrokken is bij financiële en andere zekerheidsdiensten die verband houden met het beschikbaar stellen of rechtstreeks installeren van producten.

Bij het bekendmaken van de in de eerste alinea bedoelde actoren stelt een marktdeelnemer de autoriteit in kennis van alle hiermee verband houdende gegevens, met inbegrip van:

i)adressen van de in de eerste alinea bedoelde actoren;

ii)contactgegevens van deze actoren;

iii)e-mailadressen, websites en socialemediaprofielen van deze actoren;

iv)    belasting- en bedrijfsregistratienummers van deze actoren;

v)bankrekeningen van deze actoren, en

vi)    namen, adressen, contactgegevens van natuurlijke of rechtspersonen die voor deze actoren optreden.

4.Een marktdeelnemer moet alle in dit hoofdstuk bedoelde documentatie en informatie aan de autoriteiten kunnen overleggen gedurende een periode van tien jaar nadat hij voor het laatst in het bezit is geweest van of te maken heeft gehad met het product in kwestie, tenzij deze permanent beschikbaar zijn via de overeenkomstig artikel 78 opgezette productenregistratiedatabanken of -systemen. De marktdeelnemer legt de documentatie en informatie binnen tien dagen na ontvangst van een verzoek van de desbetreffende autoriteit over.

5.Een marktdeelnemer verstrekt alle gevraagde gegevens aan de overeenkomstig artikel 78 opgezette databanken of systemen binnen twee maanden nadat de beschikbaarheid van die databank of dat systeem in een publicatie van het Publicatieblad is bekendgemaakt, en draagt de daarmee verbonden registratievergoedingen. Hij controleert ten minste elk half jaar de juistheid van de verstrekte gegevens.

Een marktdeelnemer registreert zich in zijn respectieve nationale systeem dat overeenkomstig artikel 77, lid 5, is opgezet.

Een marktdeelnemer stelt aan consumenten en gebruikers communicatiekanalen ter beschikking, met inbegrip van telefoonnummers, e‑mailadressen of specifieke rubrieken van zijn website en socialemediapagina, waarmee deze ongevallen, andere incidenten of veiligheidsproblemen die zij met het product hebben ondervonden, kunnen melden.

6.Een marktdeelnemer kan de autoriteiten in kennis stellen van eventuele inbreuken op deze verordening waarvan hij kennis neemt. Wanneer deze marktdeelnemer van mening is dat non-conforme producten een risico vormen voor de veiligheid van de mens of het milieu, stelt hij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar hij het product op de markt heeft aangeboden hiervan onmiddellijk in kennis, waarbij hij met name de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig omschrijft.

7.Een marktdeelnemer die moet worden gecertificeerd door een aangemelde instantie of diensten of onderdelen levert aan fabrikanten, verleent aangemelde instanties toegang tot zijn documentatie en tot zijn bedrijfsruimten voor zover dit nodig is voor de activiteiten van de aangemelde instanties. Hij verstrekt juiste informatie voor aangemelde instanties en corrigeert eventuele onjuiste informatie. Bovendien stelt deze marktdeelnemer de aangemelde instantie binnen één maand in kennis van alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de naleving van deze verordening.

Artikel 20

Procedurele rechten van marktdeelnemers

1.Alle definitieve of voorlopige maatregelen, besluiten of bevelen die krachtens deze verordening door autoriteiten worden genomen of uitgevaardigd ten aanzien van een marktdeelnemer en de natuurlijke of rechtspersonen die namens hem handelen, worden nauwkeurig gemotiveerd.

2.Dergelijke maatregelen, besluiten en bevelen worden onverwijld ter kennis gebracht van de desbetreffende marktdeelnemer en de natuurlijke of rechtspersonen die namens hem handelen, die tegelijkertijd wordt ingelicht over de rechtsmiddelen die hem volgens het recht van de betrokken lidstaat ter beschikking staan en over de termijnen die hij daarbij in acht moet nemen.

3.Voordat een maatregel, besluit of bevel als bedoeld in lid 1 wordt genomen of uitgevaardigd, krijgt de betrokken marktdeelnemer de gelegenheid binnen een passende termijn van ten minste tien werkdagen te worden gehoord, tenzij de maatregel, het besluit of het bevel urgent is vanwege voorschriften inzake gezondheid of veiligheid of andere redenen ten aanzien van de algemene belangen die door deze verordening worden bestreken.

4.Als de maatregel, het besluit of het bevel wordt genomen of uitgevaardigd zonder dat de marktdeelnemer in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, krijgt de marktdeelnemer die gelegenheid zo spoedig mogelijk daarna en kan de maatregel, het besluit of het bevel onverwijld worden heroverwogen door de markttoezichtautoriteit.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat tegen elke onder dit artikel vallende maatregel bij een bevoegde rechtbank beroep kan worden ingesteld, al dan niet voorafgegaan door een administratieve beroepsprocedure. Die rechtbank is ook bevoegd om te beslissen over de schorsende werking van het beroep of over de door de rechtbank op te leggen voorlopige maatregelen in het licht van zowel het algemeen belang als de belangen van de marktdeelnemer.

Artikel 21

Verplichtingen van fabrikanten

1.De fabrikant bepaalt het producttype, met inachtneming van de grenzen die daarvoor door de definitie in artikel 3, punt 31, zijn vastgesteld. Het producttype wordt verwerkt overeenkomstig het in bijlage V beschreven toepasselijke beoordelings- en controlesysteem. De fabrikant stelt een prestatieverklaring en een conformiteitsverklaring op overeenkomstig de artikelen 9, en 11 tot en met 15 en brengt de CE-markering aan overeenkomstig de artikelen 16 en 17.

2.De fabrikant onthoudt zich van elke verklaring inzake de kenmerken van een product die niet is gebaseerd op:

a)de in een geharmoniseerde technische specificatie opgenomen beoordelingsmethode, indien het desbetreffende kenmerk daaronder valt, of

b)indien een dergelijke beoordelingsmethode niet bestaat, een beoordelingsmethode die de meest doeltreffende en geavanceerde methode is om tot een nauwkeurige beoordeling te komen.

3.De fabrikant stelt, als basis voor de in lid 1 bedoelde verklaringen, technische documentatie op waarin het beoogde gebruik wordt beschreven, met inbegrip van de precieze gebruiksvoorwaarden en alle elementen die nodig zijn om de prestaties en conformiteit aan te tonen.

Die technische documentatie bevat de verplichte of facultatieve berekening van milieuduurzaamheid, met inbegrip van klimaatduurzaamheid, die wordt beoordeeld overeenkomstig de krachtens deze verordening vastgestelde geharmoniseerde technische specificaties of de krachtens deze verordening vastgestelde handelingen van de Commissie.

De tweede alinea is niet van toepassing op gebruikte, geherproduceerde of overschotproducten, tenzij de marktdeelnemer, die krachtens artikel 26 aan de verplichtingen van dit artikel moet voldoen, voor de toepassing van deze verordening voor nieuwe producten kiest.

4.De fabrikant zorgt ervoor dat er procedures worden ingesteld om de voor serieproductie aangegeven prestaties en conformiteit te handhaven. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in het productieproces, in het ontwerp van het product of in de kenmerken ervan, en met veranderingen in de geharmoniseerde technische specificaties waarnaar in de prestatie- of conformiteitsverklaring van het product wordt verwezen of op grond waarvan de prestaties of conformiteit ervan worden geverifieerd en, indien deze de prestaties of conformiteit van het product beïnvloeden, geven zij aanleiding tot een nieuwe beoordeling overeenkomstig de desbetreffende beoordelingsprocedure.

Indien dit voor de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en bestendigheid van de aangegeven prestaties van een product passend wordt geacht, voert de fabrikant steekproeven uit op in de handel gebrachte of op de markt aangeboden producten, en houdt hij zo nodig een register bij van klachten, non-conforme producten en teruggeroepen producten, waarbij hij de importeurs en distributeurs op de hoogte houdt van een dergelijk toezicht.

De in de eerste alinea bedoelde procedures, de in de tweede alinea bedoelde steekproeven en de toepassing van het toepasselijke systeem van bijlage V worden beschreven in de in lid 3 bedoelde technische documentatie.

5.De fabrikant zorgt ervoor dat op zijn product een fabrieksspecifiek typenummer en een partij- of serienummer worden aangebracht. Indien dit onmogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking, op een aangebracht merkteken of, in laatste instantie, in een bij het product gevoegd document vermeld.

De fabrikant vermeldt op dezelfde wijze als beschreven in de eerste alinea op het product “Alleen voor professioneel gebruik” indien het niet bestemd is voor consumenten of andere niet-professionele gebruikers. Producten die niet zijn voorzien van de vermelding “Alleen voor professioneel gebruik” worden geacht ook bestemd te zijn voor niet-professionele gebruikers en consumenten in de zin van deze verordening en Verordening (EU) ... [verordening inzake algemene productveiligheid].

De fabrikant toont de klanten, voordat hij door een verkoopovereenkomst gebonden is, op zichtbare wijze de informatie die krachtens deze verordening of de geharmoniseerde technische specificaties moet worden vermeld, ook in het geval van verkoop op afstand.

6.Bij het op de markt aanbieden van een product in een bepaalde lidstaat zorgt de fabrikant ervoor dat het product vergezeld gaat van de in de geharmoniseerde technische specificaties en in deel D van bijlage I vermelde informatie in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal of, bij ontstentenis daarvan, in een taal die de gebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het formaat en de wijze van toezending van de door de fabrikant overeenkomstig de eerste alinea te verstrekken informatie bepalen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

7.De fabrikant uploadt de gegevens van de prestatieverklaring, de conformiteitsverklaring, de in lid 6 bedoelde informatie en de technische documentatie in de overeenkomstig artikel 78 opgezette EU-productendatabanken of -systemen.

8.De fabrikant die redenen heeft om aan te nemen dat een door hem in de handel gebracht product niet aan de eisen van deze verordening of de overeenkomstig deze verordening vastgestelde eisen voldoet, neemt onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Wanneer het probleem verband houdt met een geleverd onderdeel of een extern verleende dienst, stelt de fabrikant de leverancier of dienstverlener en de nationale bevoegde autoriteit van de fabrikant daarvan in kennis; laatstgenoemde geeft de desbetreffende informatie door aan de nationale bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de leverancier of dienstverlener en stelt passende maatregelen voor.

9.Indien het product een risico vormt of waarschijnlijk een risico vormt, stelt de fabrikant de gemachtigde, de importeurs, distributeurs, fulfilmentdienstverleners en onlinemarktplaatsen die bij de distributie betrokken zijn, alsmede de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar de fabrikant of — voor zover hem bekend — andere marktdeelnemers het product op de markt hebben aangeboden, binnen twee werkdagen daarvan in kennis. De fabrikant verstrekt daartoe alle nuttige details en specificeert met name het type non-conformiteit, de frequentie van de ongevallen of incidenten en de genomen of aanbevolen corrigerende maatregelen. In geval van risico’s die worden veroorzaakt door producten die al in handen zijn van de eindgebruiker of de consument, waarschuwt de fabrikant ook de media en informeert hij hen over passende maatregelen om de risico’s weg te nemen of, indien dit niet mogelijk is, te beperken. In geval van een “ernstig risico” in de zin van artikel 3, punt 71, moet de fabrikant het product op eigen kosten uit de handel nemen en terugroepen.

10.De fabrikant is aansprakelijk voor inbreuken op dit artikel en op artikel 19 overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

Artikel 22

Aanvullende milieuverplichtingen van fabrikanten

1.Voor de in deel A, punt 2, van bijlage I gespecificeerde productkenmerken beoordeelt de fabrikant de milieukenmerken van het product overeenkomstig geharmoniseerde technische specificaties of op grond van deze verordening vastgestelde handelingen van de Commissie en gebruikt hij, zodra deze beschikbaar is, de meest recente softwareversie, die kosteloos beschikbaar is op de website van de Europese Commissie. Dit is echter niet van toepassing op gebruikte, geherproduceerde of overschotproducten, tenzij de marktdeelnemer, die krachtens artikel 26 aan de verplichtingen van dit artikel is onderworpen, voor de toepassing van deze verordening kiest alsof het om nieuwe producten gaat.

2.Tenzij de productveiligheid of de veiligheid van bouwwerken daardoor negatief wordt beïnvloed, heeft de fabrikant de volgende verplichtingen:

a)producten en hun verpakking zodanig ontwerpen en vervaardigen dat hun algehele milieuduurzaamheid, met inbegrip van klimaatduurzaamheid, het niveau van de stand van de techniek bereikt, tenzij een lager niveau:

i)evenredig is in vergelijking met de daardoor teweeggebrachte verbetering van de milieuduurzaamheid op het niveau van de bouwwerken, en

ii)noodzakelijk is om de milieuduurzaamheid op het niveau van de bouwwerken te verbeteren;

b)onder de voorwaarden van de punten a), i) en ii), de voorkeur geven aan recycleerbare materialen en materialen die afkomstig zijn van recycling;

c)de verplichtingen inzake het minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal en andere grenswaarden in acht nemen met betrekking tot milieuduurzaamheid, met inbegrip van klimaatduurzaamheid, die zijn opgenomen in geharmoniseerde technische specificaties;

d)vroegtijdige veroudering van producten voorkomen, betrouwbare onderdelen gebruiken en producten zodanig ontwerpen dat de duurzaamheid ervan niet lager is dan de gemiddelde duurzaamheid van producten in de respectieve categorie;

e)producten zodanig ontwerpen dat zij gemakkelijk kunnen worden gerepareerd, gerenoveerd en verbeterd, tenzij een dergelijk ontwerp leidt tot non-conformiteit met andere eisen van deze verordening of ander Unierecht, of het repareren, renoveren of verbeteren een risico met zich meebrengt voor de veiligheid van de mens of het milieu, in welk geval de fabrikant zich onthoudt van een ontwerp dat kan worden gerepareerd, gerenoveerd of verbeterd, en waarschuwingen afgeeft met betrekking tot reparaties overeenkomstig punt f);

f)in productdatabanken, gebruiksaanwijzingen en permalinks van zijn eigen websites, informatie beschikbaar stellen over de wijze waarop de producten moeten worden gerepareerd en alle aanvullende informatie die nodig is voor reparatie, met inbegrip van de desbetreffende waarschuwingen;

g)zelf of door specifieke aangewezen distributeurs of fabrikanten van reserveonderdelen met een redelijk korte leveringstermijn reserveonderdelen voor zijn producten op de markt aanbieden gedurende tien jaar nadat het laatste product van het desbetreffende type in de handel is gebracht of rechtstreeks is geïnstalleerd, en deze beschikbaarheid proactief bekendmaken;

h)producten zodanig ontwerpen dat hergebruik, herproductie en recycling worden vergemakkelijkt, namelijk door de scheiding van onderdelen en materialen in een later stadium van recycling te vergemakkelijken, en gecombineerde, gemengde of complexe materialen te vermijden, tenzij herproductie en recycling een risico vormen voor de menselijke veiligheid of het milieu. In dat geval onthoudt de fabrikant zich van een dergelijk ontwerp en waarschuwt hij met betrekking tot herproductie en recycling overeenkomstig het volgende punt;

i)in productdatabanken, gebruiksaanwijzingen en permalinks van zijn eigen websites, informatie beschikbaar stellen over de wijze waarop de producten moeten worden geherproduceerd of gerecycleerd en alle aanvullende informatie die nodig is voor herproductie of recycling, met inbegrip van de relevante waarschuwingen;

j)rechtstreeks of via zijn importeurs en distributeurs de eigendom aanvaarden van overschot- of onverkochte producten die zich in een toestand bevinden die gelijkwaardig is aan die waarin zij op de markt zijn gebracht.

Wanneer de verplichtingen van dit lid niet cumulatief kunnen worden nagekomen vanwege een conflict tussen verschillende verplichtingen, kiest de fabrikant de oplossing die de grootste en meest kosteneffectieve voordelen oplevert op het gebied van milieuduurzaamheid voor de producten en bouwwerken samen. Het beginsel “veiligheid voor alles”, dat zowel op het bouwproduct als op de bouwwerken van toepassing is, moet echter in alle gevallen worden nageleefd en omvat de bescherming van de gezondheid.

3.Lid 2, punten a) tot en met c), en j), zijn echter niet van toepassing op gebruikte, geherproduceerde of overschotproducten, tenzij de marktdeelnemer, die krachtens artikel 26 aan de verplichtingen van dit artikel moet voldoen, voor de toepassing van deze verordening kiest alsof het om nieuwe producten gaat.

4.Teneinde de in lid 2 vastgestelde verplichtingen te specificeren, is de Commissie bevoegd deze verordening door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 aan te vullen door voor bepaalde productfamilies en categorieën deze verplichtingen te specificeren. Bij wijze van alternatief kan de Commissie normalisatieverzoeken indienen met het oog op de opstelling van geharmoniseerde normen die voor een specifieke productfamilie of categorie een vermoeden van conformiteit met de verplichtingen van lid 2 vestigen. De verplichtingen van lid 2 zijn niet van toepassing voordat een dergelijke gedelegeerde handeling of geharmoniseerde norm van toepassing is geworden.

5.Om transparantie voor de gebruikers te waarborgen en duurzame producten te bevorderen is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van overeenkomstig artikel 87 vastgestelde gedelegeerde handelingen teneinde specifieke etiketteringsvoorschriften op het gebied van milieuduurzaamheid vast te stellen, met inbegrip van “etikettering volgens het stoplichtmodel” met betrekking tot de in lid 1 bedoelde milieuverplichtingen, de in deel C, punt 2, van bijlage I uiteengezette milieueisen die inherent zijn aan producten, en de overeenkomstig artikel 4, lid 4, punt a), vastgestelde milieuprestatieklassen.

6.De fabrikant brengt de stoplichtaanduiding aan zoals beschreven in de overeenkomstig lid 5 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 23

Verplichtingen van gemachtigden

1.Een fabrikant kan door middel van een schriftelijk mandaat een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon als enige gemachtigde aanwijzen. Een fabrikant die niet in de Unie is gevestigd, wijst één gemachtigde aan.

2.De gemachtigden betrachten de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de verplichtingen van deze verordening. Zij zijn aansprakelijk voor grove nalatigheid of bewuste inbreuk op dit artikel en op artikel 19 overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

3.De gemachtigde voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat. Het mandaat laat de gemachtigde toe ten minste de volgende taken te verrichten en geeft hem de volgende rechten:

a)de prestatieverklaring en de technische documentatie ter beschikking van de nationale markttoezichtautoriteiten houden;

b)de markttoezichtautoriteiten op hun met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om aan te tonen dat het product conform de prestatieverklaring is en aan andere toepasselijke voorschriften van deze verordening voldoet;

c)de overeenkomst beëindigen wanneer de fabrikant inbreuk maakt op deze verordening en de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar het product in de handel wordt gebracht en de nationale bevoegde autoriteit van zijn eigen vestigingsplaats daarvan in kennis stellen;

d)wanneer hij redenen heeft om aan te nemen dat een product in kwestie niet conform is of een risico vormt, de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de producten in de handel worden gebracht en de nationale bevoegde autoriteit van zijn eigen vestigingsplaats daarvan in kennis stellen, en

e)op verzoek van de markttoezichtautoriteiten medewerking verlenen aan eventueel genomen maatregelen

om de risico’s van producten die onder het mandaat van de gemachtigde vallen, te elimineren, of

om non-conformiteiten te verhelpen.

De opstelling van technische documentatie maakt geen deel uit van het mandaat van de gemachtigde, maar kan het voorwerp zijn van een afzonderlijke overeenkomst tussen de fabrikant en de gemachtigde.

4.De gemachtigde controleert of het product voldoet aan de voorschriften inzake markering, etikettering, gebruiksaanwijzing, prestatie- en conformiteitsverklaring. De gemachtigde controleert ook aan de hand van documentatie of de fabrikant aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 19, leden 4 tot en met 6, artikel 21, leden 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7, artikel 22, lid 1, en lid 2, punten f) en i), en artikel 27, lid 6, voldoet.

5.Wanneer een gemachtigde van mening is dat er sprake is van een in lid 4 bedoelde non-conformiteit, verzoekt hij de fabrikant de non-conformiteiten te verhelpen. De fabrikant onderbreekt het in de handel brengen van het product en verzoekt andere bij de distributie betrokken marktdeelnemers hun commerciële activiteiten stop te zetten totdat de gemachtigde de inbreuken als verholpen beschouwt. Wanneer de gevallen van non-conformiteit niet binnen een maand worden verholpen terwijl producten mogelijk nog op de markt worden aangeboden, mag de gemachtigde zijn overeenkomst met de fabrikant beëindigen en zal hij de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de producten in de handel worden gebracht en de nationale bevoegde autoriteit van zijn eigen vestigingsplaats daarvan in kennis stellen. Laatstgenoemde coördineert gezamenlijke acties van alle bevoegde autoriteiten, tenzij de nationale bevoegde autoriteiten overeenstemming bereiken over een andere nationale bevoegde autoriteit om deze te coördineren.

Artikel 24

Verplichtingen van importeurs

1.Importeurs mogen op de markt van de Unie alleen producten in de handel brengen die aan de voorschriften van deze verordening voldoen. Alvorens een product in de handel te brengen, controleert de importeur aan de hand van de documentatie of de fabrikant voldoet aan de verplichtingen van artikel 21, leden 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7, en artikel 22, lid 2, punten f) en i). De importeur is aansprakelijk voor inbreuken op dit artikel en op artikel 19 overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

2.De importeur controleert of het beoogde gebruik van het product door de fabrikant nauwkeurig en correct is bepaald, en zorgt ervoor dat het product vergezeld gaat van een duidelijke vermelding van de informatie die is bevat in geharmoniseerde technische specificaties en in deel D van bijlage I, in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die de gebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen. De importeur toont de klanten, voordat zij door een verkoopovereenkomst gebonden zijn, op zichtbare wijze de informatie die krachtens deze verordening of geharmoniseerde technische specificaties moet worden vermeld, ook in het geval van verkoop op afstand.

3.Gedurende de periode dat een product onder zijn verantwoordelijkheid valt, zorgt de importeur ervoor dat de opslag- en vervoersomstandigheden de conformiteit met de prestatieverklaring en de naleving van andere voorschriften van deze verordening niet in het gedrang brengen.

4.Na alle beschikbare productinformatie van de fabrikant en de de-installateur te hebben verzameld, onderzoekt de importeur in het bijzonder gebruikte en geherproduceerde producten, met name op schade of aanwijzingen van prestatieverlies of non-conformiteit en gewijzigde mechanische of chemische eigenschappen, en beoordeelt hij alle risico’s; wanneer dit nodig is om de veiligheid of de bescherming van het milieu te waarborgen, beperkt de importeur het beoogde gebruik of onthoudt hij zich van verkoop. Deze verplichting geldt ook voor gebruikte en geherproduceerde producten waarvoor de prestatieverklaring niet verplicht is.

5.Indien een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat het product niet conform de prestatieverklaring is of niet voldoet aan andere toepasselijke voorschriften van deze verordening, brengt de importeur het product niet in de handel zolang het niet in overeenstemming is met de bijgevoegde prestatieverklaring en aan andere toepasselijke voorschriften van deze verordening voldoet, of zolang de prestatieverklaring niet is gecorrigeerd. Wanneer het product een risico vertoont, brengt de importeur bovendien de fabrikant en de geografisch gezien verantwoordelijke nationale bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte.

6.De importeur vermeldt zijn naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam, vestigingsplaats, contactadres en, indien beschikbaar, elektronische communicatiemiddelen op het product, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document.

7.De importeur onderzoekt klachten en houdt zo nodig een register bij van klachten, non-conforme producten en uit de handel genomen of teruggeroepen producten, en houdt de fabrikanten en distributeurs op de hoogte van dat toezicht.

8.De importeur die aan eindgebruikers verkoopt, voldoet ook aan de verplichtingen die op distributeurs rusten.

Artikel 25

Verplichtingen van distributeurs

1.De distributeur die een product op de markt aanbiedt, betracht de nodige zorgvuldigheid in verband met de voorschriften van deze verordening. De importeur is aansprakelijk voor inbreuken op dit artikel en op artikel 19 overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

2.Wanneer een distributeur een product op de markt aanbiedt, voldoet hij aan de verplichtingen van importeurs overeenkomstig artikel 24, leden 1 tot en met 5, waarbij verwijzingen naar “in de handel brengen” moeten worden gelezen als “verder op de markt aanbieden”.

3.De distributeur zorgt ervoor dat er geen producten met de vermelding “alleen voor professioneel gebruik” worden verkocht aan consumenten of andere niet-professionele gebruikers. Deze producten worden in de gebouwen van de distributeur, online en op gedrukt reclamemateriaal uitsluitend voor professioneel gebruik aangeboden.

Artikel 26

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

1.Importeurs of distributeurs worden voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en moeten voldoen aan de verplichtingen van de fabrikant uit hoofde van de artikelen 21 en 22, wanneer:

a)er geen fabrikant in de zin van deze verordening bestaat;

b)zij een product als fabrikant onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengen;

c)zij een product zodanig wijzigen dat de conformiteit met de prestatie- en conformiteitsverklaring met de eisen van en overeenkomstig deze verordening in het gedrang kan komen;

d)zij een product op zodanige wijze behandelen dat de gevaren ervan worden gewijzigd of het hieruit voortvloeiende risiconiveau wordt verhoogd tijdens de levenscyclus;

e)zij een product op de markt aanbieden met een beoogd gebruik dat verschilt van het beoogde gebruik dat de fabrikant in de prestatie- en conformiteitsbeoordelingsprocedure heeft aangegeven, of

f)zij kenmerken vermelden die afwijken van de door de fabrikant opgegeven kenmerken.

2.Lid 1 is ook van toepassing op:

a)een importeur van gebruikte of geherproduceerde producten, tenzij het gebruikte of geherproduceerde product vóór het gebruik ervan in de Unie in de handel is gebracht;

b)een importeur of distributeur van gebruikte producten die één van de volgende handelingen verricht:

i)de gebruikte producten aan een proces van transformatie onderwerpen dat verder gaat dan reparatie, reiniging en regelmatig onderhoud nadat zij verwijderd zijn;

ii)ervoor kiezen de rol van fabrikant op zich te nemen.

3.Lid 1 is niet van toepassing wanneer de marktdeelnemer uitsluitend:

a)vertalingen van de door de fabrikant verstrekte informatie toevoegt;

b)de buitenverpakking vervangt van een reeds in de handel gebracht product, met inbegrip van het wijzigen van de grootte van de verpakking, indien het opnieuw verpakken zodanig plaatsvindt dat de oorspronkelijke toestand van het product daardoor niet kan worden beïnvloed en de overeenkomstig deze verordening te verstrekken informatie nog steeds correct wordt verstrekt.

4.Een marktdeelnemer die de in lid 3 vermelde activiteiten verricht, stelt de fabrikant of zijn gemachtigde daarvan in kennis, ongeacht of deze eigenaar is van de producten of diensten verleent. De marktdeelnemer verricht de herverpakking op dusdanige wijze dat de oorspronkelijke toestand van het product hierdoor niet kan worden beïnvloed en dat de overeenkomstig deze verordening te verstrekken informatie nog steeds correct wordt verstrekt. De marktdeelnemer betracht de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de verplichtingen van deze verordening. Hij is aansprakelijk voor inbreuken op deze verordening.

Artikel 27

Verplichting van fulfilmentdienstverleners, tussenhandelaren, onlinemarktplaatsen, onlineverkopers, onlinewinkels en onlinezoekmachines

1.Wanneer de fulfilmentdienstverlener of tussenhandelaar bijdraagt tot het op de markt aanbieden of de rechtstreekse installatie van een product, handelt hij met de nodige zorgvuldigheid in verband met de verplichtingen van deze verordening. De importeur is aansprakelijk voor inbreuken op dit artikel en op artikel 19 overeenkomstig het nationale recht inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

2.Een fulfilmentdienstverlener, onlineverkoper of tussenhandelaar:

a)toont de klanten, voordat zij door een verkoopovereenkomst gebonden zijn, op zichtbare wijze de informatie die krachtens deze verordening of de geharmoniseerde technische specificaties moet worden vermeld, ook in het geval van verkoop op afstand;

b)controleert of de fabrikant voldoet aan de verplichtingen in artikel 21, leden 1, 3 en 5 tot en met 7, en artikel 22, lid 2, punten f) en i);

c)voldoet aan de verplichtingen van artikel 24, lid 5, waarbij verwijzingen naar “in de handel brengen” moeten worden gelezen als “het ondersteunen bij het op de markt aanbieden”;

d)verwijdert elk aanbod van producten die niet conform zijn of waarschijnlijk risicovol zijn in de zin van artikel 21, lid 9, laatste zin, op eigen initiatief of, binnen twee werkdagen, op verzoek van de markttoezichtautoriteiten;

e)stelt de betrokken autoriteiten in kennis van de overeenkomstig de punten b), c) en d) genomen maatregelen;

f)verleent steun bij het uit de handel nemen of terugroepen van producten, ongeacht of dit door de autoriteiten, de fabrikant, de gemachtigde of de importeur op gang is gebracht. In samenwerking met de betrokken marktdeelnemer informeert de fulfilmentdienstverlener of tussenhandelaar de consumenten rechtstreeks over het uit de handel nemen of terugroepen van producten. Hij houdt de betrokken autoriteiten op de hoogte van alle genomen maatregelen.

3.Een onlinemarktplaats:

a)zet zijn online-interface op en organiseert deze op dusdanige wijze dat derde handelaren hun klanten alle in lid 2, punt a), bedoelde informatie kunnen verstrekken;

b)stelt een centraal contactpunt vast voor rechtstreekse communicatie met de autoriteiten van de lidstaten in verband met non-conforme, ondermaatse of onveilige producten. Dit contactpunt kan hetzelfde zijn als het contactpunt als bedoeld in [artikel 20, lid 1] van Verordening (EU) …/… [de verordening inzake algemene productveiligheid] of [artikel 10, lid 1] van Verordening (EU) …/… [de wet inzake digitale diensten];

c)geeft onverwijld en in elk geval binnen vijf werkdagen in de lidstaat waarin de onlinemarktplaats actief is een passend antwoord op kennisgevingen in verband met meldingen van ongevallen en andere incidenten met ontvangen producten overeenkomstig [artikel 14] van Verordening (EU) […/…] betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (wet inzake digitale diensten) en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG;

d)werkt samen om doeltreffende markttoezichtmaatregelen te waarborgen, onder meer door geen belemmeringen voor dergelijke maatregelen op te werpen;

e)stelt de markttoezichtautoriteiten in kennis van alle genomen maatregelen;

f)brengt een regelmatige en gestructureerde informatie-uitwisseling tot stand over aanbiedingen die op basis van dit artikel zijn verwijderd door onlinemarktplaatsen;

g)verleent toegang aan door markttoezichtautoriteiten geëxploiteerde online-instrumenten tot zijn interfaces om non-conforme producten op te sporen;

h)staat op verzoek van de markttoezichtautoriteiten, wanneer onlinemarktplaatsen of onlineverkopers technische belemmeringen hebben opgeworpen voor de extractie van gegevens van hun online-interfaces (datascraping) toe om dergelijke gegevens voor productconformiteitsdoeleinden te scrapen op basis van de identificatieparameters die de verzoekende markttoezichtautoriteiten hebben verstrekt.

4.Wat betreft de bevoegdheden die de lidstaten verlenen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2019/1020, verlenen de lidstaten hun markttoezichtautoriteiten voor alle producten die worden bestreken door deze verordening, de bevoegdheid om een onlinemarktplaats te bevelen specifieke illegale inhoud die verwijst naar een non-conform product, van zijn online-interface te verwijderen, de toegang hiertoe uit te schakelen of een expliciete waarschuwing voor eindgebruikers weer te geven als zij deze bezoeken. Dergelijke bevelen voldoen aan [artikel 8, lid 1] van Verordening (EU) …/… [de wet inzake digitale diensten].

5.Een onlinemarktplaats neemt de nodige maatregelen om de in lid 4 bedoelde bevelen te ontvangen en te verwerken overeenkomstig [artikel 8] van Verordening (EU) …/… [wet inzake digitale diensten].

6.De leden 1 en 2, lid 3, punten b) tot en met i), en de leden 4 en 5 zijn ook van toepassing op fabrikanten, importeurs, distributeurs of andere marktdeelnemers die producten online aanbieden zonder de betrokkenheid van een onlinemarktplaats (“onlinewinkels”).

7.Lid 3, punten d) tot en met h), is ook van toepassing op onlinezoekmachines.

8.Een fulfilmentdienstverlener zorgt ervoor dat de omstandigheden tijdens opslag, verpakking, adressering of verzending de conformiteit van de producten met de eisen van deze verordening niet in gevaar brengen.

Artikel 28

Verplichtingen van aanbieders van 3D-printdiensten en aanbieders van mallen, datasets voor 3D-printen en 3D-printmateriaal

1.Een aanbieder van 3D-printdiensten:

a)onthoudt zich van het in de handel brengen of het rechtstreeks installeren van producten voor klanten zonder de op fabrikanten rustende verplichtingen na te komen;

b)stelt zijn klanten ervan in kennis dat zij 3D-printdiensten alleen mogen gebruiken voor de vervaardiging van producten voor eigen gebruik, tenzij zij voldoen aan de op fabrikanten rustende verplichtingen;

c)stelt zijn klanten ervan in kennis dat de 3D-datasets en de te gebruiken materialen de procedures hebben ondergaan die van toepassing zijn op producten uit hoofde van deze verordening, en

d)stelt zijn klanten ervan in kennis dat zowel de door de fabrikant van de 3D-dataset verstrekte informatie als de door de fabrikant van het printmateriaal verstrekte informatie samenvallen en de bruikbaarheid van het materiaal voor dat type 3D-dataset en de betrokken 3D-printtechnologie bevestigen.

2.Aanbieders van mallen en 3D-datasets die bedoeld zijn om onder deze verordening vallende items te produceren, produceren tien van dergelijke items en stellen deze op verzoek ter beschikking van de aangemelde instantie, de technische beoordelingsinstantie en de autoriteiten. Aanbieders van mallen en 3D-datasets die bestemd zijn voor de productie van items die onder deze verordening vallen, beoordelen en documenteren de naleving van de voorschriften van deze verordening met betrekking tot de geproduceerde items.

3.Aanbieders van materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het 3D-printen van onder deze verordening vallende items op of in de nabijheid van de bouwplaats, produceren tien van dergelijke items voor elk beoogd gebruik en stellen deze op verzoek ter beschikking van de aangemelde instantie, de technische beoordelingsinstantie en de autoriteiten. Aanbieders van materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het 3D-printen van onder deze verordening vallende items op of in de nabijheid van de bouwplaats, beoordelen en documenteren de naleving van de voorschriften van deze verordening met betrekking tot de geproduceerde items.

Artikel 29

Verplichtingen van marktdeelnemers die gebruikte producten voor hergebruik of herproductie verwijderen of hiermee omgaan

1.Een marktdeelnemer die gebruikte producten voor hergebruik of herproductie verwijdert, stelt protocollen op over de plaats, de toestand en de vermoedelijke gebruiksduur van het verwijderde product en stelt deze samen met de producten ter beschikking, ongeacht of hij zijn activiteit voor eigen rekening of namens iemand anders uitoefent. De marktdeelnemer stelt de protocollen op verzoek ook ter beschikking van de autoriteiten, de latere gebruikers van deze producten en de eigenaren van de bouwwerken waarin zij opnieuw zijn geïnstalleerd.

2.Wanneer een marktdeelnemer voor eigen rekening of namens iemand anders verwijderde gebruikte producten verkoopt, hiervoor als tussenhandelaar optreedt of deze anderszins ter beschikking stelt, voldoet hij ook aan de verplichtingen van importeurs of distributeurs met betrekking tot gebruikte producten.

Artikel 30

Verplichtingen van leveranciers en dienstverleners die betrokken zijn bij de vervaardiging van producten

1.Leveranciers of dienstverleners die betrokken zijn bij de vervaardiging van producten:

a)verstrekken aan fabrikanten, aangemelde instanties en autoriteiten alle beschikbare informatie over de milieuduurzaamheid van de door hen geleverde onderdelen of diensten;

b)zorgen voor de juistheid van deze informatie, met name door deze verordening na te leven, en eventuele fouten te corrigeren door mededeling hiervan aan al hun klanten en, indien dit nuttig kan zijn, aan aangemelde instanties en autoriteiten;

c)staan hun klanten toe, bij ontstentenis van dergelijke informatie, die milieuduurzaamheid op eigen kosten te beoordelen en bieden ondersteuning bij die beoordeling, namelijk door toegang te verlenen tot alle documenten, met inbegrip van die van commerciële aard, die relevant zijn voor die beoordeling;

d)staan de aangemelde instanties toe de juistheid van de berekening van de milieuduurzaamheid te controleren en bieden ondersteuning bij die verificatie;

e)staan de aangemelde instanties toe de prestaties en de conformiteit van het geleverde onderdeel of de geleverde dienst te controleren en bieden ondersteuning bij die verificatie.

2.Wanneer een leverancier of dienstverlener overeenkomstig de laatste zin van artikel 21, lid 8, een kennisgeving heeft ontvangen, zendt hij deze informatie door aan zijn andere klanten die in de laatste vijf jaar onderdelen of diensten hebben ontvangen die identiek zijn aan de betrokken onderdelen of diensten. In geval van een ernstig risico in de zin van artikel 3, punt 71, of een risico dat onder de laatste zin van artikel 21, lid 9, valt, stelt de leverancier of dienstverlener ook de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar producten met dat onderdeel of die productiedienst op de markt zijn aangeboden of rechtstreeks zijn geïnstalleerd, daarvan in kennis; indien hij deze lidstaten niet kan identificeren, stelt hij alle nationale bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.

Artikel 31

Producten voor tweeledig gebruik en pseudoproducten

1.Een fabrikant van producten voor tweeledig gebruik moet voldoen aan de verplichtingen van deze verordening voor alle items van het desbetreffende type, tenzij daarop specifiek de vermelding “niet voor de bouw” is aangebracht.

2.Andere marktdeelnemers die met producten voor tweeledig gebruik te maken hebben, voldoen aan de verplichtingen die krachtens deze verordening op hen rusten. In hun commerciële overeenkomsten leggen zij hun klanten de verplichting op hetzelfde te doen en geen items te verkopen of te gebruiken waarop de vermelding “niet voor de bouw” is aangebracht.

3.Voor items die geschikt zijn voor de bouw maar waarvoor de fabrikant nooit een dergelijk gebruik heeft beoogd en die derhalve niet van een CE-markering zijn voorzien (“pseudoproducten”), moeten andere marktdeelnemers:

a)deze niet als voor de bouw bedoelde items kopen of verkopen zonder dat zij de in deze verordening beschreven procedures ondergaan die de fabrikanten moeten ondergaan;

b)er door middel van presentatie voor zorgen dat deze niet kunnen worden opgevat als bestemd voor de bouw, en

c)hun klanten een contractuele verplichting opleggen om hetzelfde te doen en deze artikelen niet voor de bouw te gebruiken.

Artikel 32

Onlineverkoop en andere verkoop op afstand

1.Online of via andere vormen van verkoop op afstand aangeboden producten worden als op de markt aangeboden beschouwd indien het aanbod op klanten in de Unie is gericht. Een verkoopaanbod wordt geacht op klanten in de Unie te zijn gericht indien de betrokken marktdeelnemer zijn activiteiten op enigerlei wijze op een lidstaat richt. Een aanbod wordt onder meer geacht gericht te zijn op klanten in de Unie wanneer:

a)de marktdeelnemer een officiële taal gebruikt van een lidstaat, tenzij verkoop aan de Unie op doeltreffende wijze uitdrukkelijk is uitgesloten;

b)de marktdeelnemer de valuta gebruikt van de lidstaten of een cryptovaluta die onder Verordening (EU) […] 47 valt, tenzij, in het laatste geval, verkoop aan de Unie op doeltreffende wijze uitdrukkelijk is uitgesloten;

c)de marktdeelnemer de gebruikte internetdomeinnaam in een van de lidstaten heeft geregistreerd of een internetdomein gebruikt dat naar de Unie of een van de lidstaten verwijst, of

d)de geografische gebieden waarvoor verzending beschikbaar is, een lidstaat omvatten.

2.De lidstaten wijzen één gecentraliseerde markttoezichtautoriteit aan die verantwoordelijk is voor het opsporen van producten van marktdeelnemers buiten de Unie die online en via andere methoden voor verkoop op afstand worden aangeboden aan klanten op hun grondgebied.

Artikel 33

Uitvoeringshandelingen betreffende de verplichtingen en rechten van marktdeelnemers

Wanneer dit noodzakelijk is om een geharmoniseerde toepassing van deze verordening te waarborgen en alleen voor zover nodig om te voorkomen dat uiteenlopende praktijken een ongelijk speelveld voor marktdeelnemers creëren, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere bepalingen over de wijze waarop de in dit hoofdstuk vervatte verplichtingen en rechten van marktdeelnemers moeten worden uitgevoerd.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK IV

NORMEN VOOR BOUWPRODUCTEN EN EUROPESE BEOORDELINGSDOCUMENTEN

Artikel 34

Normen voor bouwproducten

1.De normen voor bouwproducten worden vastgesteld door de Europese normalisatieorganisaties op basis van een normalisatieverzoek van de Commissie.

2.De overeenkomstig artikel 4, lid 2, ontwikkelde normen voor bouwproducten zijn voor de toepassing van deze verordening verplicht van toepassing vanaf zes maanden na de bekendmaking van hun referentienummer in het Publicatieblad overeenkomstig lid 4, maar kunnen vrijwillig worden toegepast op verzoek van de fabrikant vanaf de datum van die bekendmaking. Zij voorzien in de methoden en criteria om de prestaties van producten met betrekking tot hun essentiële kenmerken te beoordelen. De normen voorzien in voorkomend geval in minder belastende methoden dan de tests om de prestaties van de producten met betrekking tot hun essentiële kenmerken, klassen, drempelniveaus of productvereisten te beoordelen, zonder dat daarbij de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en bestendigheid van de testresultaten in het gedrang komen.

3.De overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede zin, of artikel 22, lid 4, derde zin, ontwikkelde normen voor bouwproducten zijn vrijwillig. Producten die conform zijn met overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde vrijwillige normen, of delen daarvan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de eisen van de delen B en C van bijlage I, zoals gespecificeerd voor de respectieve productfamilie of -categorie in geharmoniseerde technische specificaties die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, tweede zin, voor zover die eisen door dergelijke vrijwillige normen worden bestreken en dit toepassingsgebied nauwkeurig in de desbetreffende geharmoniseerde norm is vermeld. Fabrikanten die voldoen aan overeenkomstig artikel 22, lid 2, vastgestelde vrijwillige normen, of delen daarvan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht te voldoen aan de verplichtingen van artikel 22, lid 2, voor zover die verplichtingen door dergelijke normen worden bestreken en dit toepassingsgebied nauwkeurig in de desbetreffende norm is vermeld.

4.De Commissie beoordeelt de conformiteit van de door de Europese normalisatieorganisaties vastgestelde normen voor bouwproducten met de desbetreffende normalisatieverzoeken, met deze verordening en met ander Unierecht. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie de lijst bekend met de referentienummers van aanvaarde conforme normen voor bouwproducten die tegen een betaalbare prijs beschikbaar zijn gesteld, of maakt deze met beperkingen bekend. Wanneer een referentie naar een norm niet anderszins in het Publicatieblad kan worden bekendgemaakt, is de Commissie bevoegd deze verordening aan te vullen met overeenkomstig artikel 86 vastgestelde gedelegeerde handelingen om de respectieve normen te wijzigen met het oog op de rechtsgevolgen uit hoofde van deze verordening.

Artikel 35

Europees beoordelingsdocument

1.Artikel 4, leden 1 en 4, artikel 6, artikel 9 en de artikelen 11 tot en met 17 zijn van toepassing op Europese beoordelingsdocumenten. Wanneer de CE-markering wordt afgegeven op basis van een Europees beoordelingsdocument en een Europese technische beoordeling, wordt het Europese beoordelingsdocument vermeld in de prestatieverklaring en de conformiteitsverklaring.

2.Na een verzoek om een Europese technische beoordeling door een fabrikant of een groep fabrikanten of op initiatief van de Commissie kan door de organisatie van technische beoordelingsinstanties (TBI’s) in overleg met de Commissie een Europees beoordelingsdocument worden opgesteld en goedgekeurd voor producten die niet vallen onder:

a)een geharmoniseerde technische specificatie;

b)een geharmoniseerde technische specificatie die de komende twee jaar vanaf de datum van verificatie met de Commissie moet worden vastgesteld;

c)een ander Europees beoordelingsdocument dat reeds in het Publicatieblad is aangehaald of ter aanhaling daarin aan de Commissie is voorgelegd.

Het product wordt niet geacht onder de geharmoniseerde technische specificatie te vallen wanneer:

i)het beoogde gebruik van het product verschilt van het in het document vermelde beoogde gebruik;

ii)de gebruikte materialen niet identiek zijn aan de materialen die bedoeld zijn om op grond van het document te worden gebruikt, of

iii)de beoordelingsmethode van het document niet geschikt is voor dat product.

3.De organisatie van TBI’s en de Commissie kunnen verzoeken tot ontwikkeling van een Europees beoordelingsdocument bundelen of afwijzen. Tijdens de procedure ter vaststelling van het Europees beoordelingsdocument wordt artikel 36 in acht genomen en worden de regels van artikel 37 en bijlage III nageleefd.

4.De Commissie is bevoegd bijlage III te wijzigen door middel van een overeenkomstig artikel 87 vastgestelde gedelegeerde handeling om aanvullende procedureregels vast te stellen voor de ontwikkeling en vaststelling van een Europees beoordelingsdocument, wanneer dit nodig is om de goede werking van het systeem van Europese beoordelingsdocumenten te waarborgen.

Artikel 36

Beginselen voor de ontwikkeling en vaststelling van Europese beoordelingsdocumenten

1.De procedure voor de ontwikkeling en vaststelling van Europese beoordelingsdocumenten moet de volgende beginselen in acht nemen:

a)transparant zijn voor de lidstaten, de betrokken fabrikant en andere fabrikanten of belanghebbenden die om informatie verzoeken;

b)zo weinig mogelijk door intellectuele-eigendomsrechten beschermde informatie openbaar maken en het handelsgeheim en de vertrouwelijkheid beschermen;

c)passende verplichte termijnen opgeven teneinde onnodige vertragingen te voorkomen;

d)in elk stadium een adequate deelname van de lidstaten en de Commissie mogelijk maken;

e)voor de fabrikant kosteneffectief zijn, en

f)voldoende collegialiteit en coördinatie tussen de voor het betrokken product aangemelde TBI’s waarborgen.

Bij het afwegen van de in de punten a) en b) vastgestelde beginselen is het ten minste mogelijk de naam van het product bekend te maken in de fase van goedkeuring en mededeling van het werkprogramma, zoals uiteengezet in punt 3 van bijlage III, en de gedetailleerde inhoud van de in punt 7 van bijlage III opgenomen ontwerpen van Europees beoordelingsdocument.

2.De TBI’s dragen samen met de organisatie van TBI’s de volledige kosten voor de ontwikkeling en vaststelling van Europese beoordelingsdocumenten, tenzij deze op initiatief van de Commissie zijn gestart.

3.De TBI’s en de organisatie van TBI’s vermijden een wildgroei van Europese beoordelingsdocumenten wanneer er geen technische rechtvaardiging is om een onderscheid te maken tussen producten en geven daarom met name de voorkeur aan de uitbreiding van het toepassingsgebied van een bestaand Europees beoordelingsdocument.

4.De TBI’s en de organisatie van TBI’s onthouden zich van het ontwikkelen van Europese beoordelingsdocumenten wanneer er een grote kans bestaat op overlapping met geharmoniseerde technische specificaties of reeds bestaande Europese beoordelingsdocumenten, en trekken elkaar overlappende Europese beoordelingsdocumenten in.

Artikel 37

Verplichtingen van de TBI bij ontvangst van een verzoek tot Europese technische beoordeling

1.De TBI die een verzoek tot Europese technische beoordeling van een fabrikant, een groep fabrikanten of de vereniging van fabrikanten ontvangt, deelt de aanvrager mee of het product geheel of gedeeltelijk onder een geharmoniseerde technische specificatie of een Europees beoordelingsdocument valt:

a)indien het product volledig onder een geharmoniseerde technische specificatie valt, deelt de TBI de fabrikant, de groep fabrikanten of de vereniging van fabrikanten mee dat er overeenkomstig artikel 35, lid 2, geen Europese technische beoordeling kan worden verstrekt;

b)indien het product volledig onder een Europees beoordelingsdocument valt waarvan het referentienummer in het Publicatieblad is aangehaald, deelt de TBI de fabrikant, de groep fabrikanten of de vereniging van fabrikanten mee dat dit Europees beoordelingsdocument als basis voor de te verstrekken Europese technische beoordeling zal worden gebruikt;

c)wanneer het product niet onder een geharmoniseerde technische specificatie of een Europees beoordelingsdocument valt en wanneer een dergelijke geharmoniseerde technische specificatie de komende twee jaar niet zal worden vastgesteld, of wanneer een dergelijk of Europees beoordelingsdocument niet reeds in de ontwikkelingsprocedure van bijlage III verkeert, past de TBI de procedures toe van bijlage III of de procedures die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 35, lid 4.

2.In de in lid 1, punten b) en c), bedoelde gevallen, stelt de TBI de organisatie van TBI’s en de Commissie in kennis van de inhoud van het verzoek en van het referentienummer van de handeling van de Commissie waarmee het beoordelings- en verificatiesysteem is vastgesteld, dat de TBI voor dat product wil toepassen, of van het ontbreken van een dergelijk besluit van de Commissie.

3.Indien de Commissie van oordeel is dat er geen passende handeling van de Commissie tot vaststelling van het beoordelings- en verificatiesysteem voor het product bestaat, kan zij een dergelijke handeling vaststellen overeenkomstig artikel 6, lid 1.

Artikel 38

Bekendmaking van referentienummers

1.De Commissie beoordeelt de conformiteit van Europese beoordelingsdocumenten met geharmoniseerde technische specificaties, met deze verordening en met ander Unierecht. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie de lijst bekend met de referentienummers van aanvaarde Europese beoordelingsdocumenten, of maakt deze met beperkingen bekend. De Commissie maakt alle bijwerkingen van die lijst bekend.

2.Alleen Europese beoordelingsdocumenten waarnaar in die lijst wordt verwezen en die door de Commissie of door de organisatie van TBI’s in ten minste één taal van de Unie zijn bekendgemaakt, maken de afgifte mogelijk van Europese technische beoordelingen overeenkomstig artikel 42 en hebben rechtsgevolgen overeenkomstig artikel 42, lid 5, ook voor de fabrikant die om de opstelling van het Europese beoordelingsdocument heeft verzocht. Deze rechtsgevolgen van Europese beoordelingsdocumenten vervallen tien jaar nadat zij voor het eerst in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn aangehaald, tenzij zij in het laatste jaar voorafgaand aan de vervaldatum ervan zijn verlengd en de Commissie besluit de lijst te handhaven.

Artikel 39

Geschillenbeslechting bij gebrek aan overeenstemming tussen TBI’s

Indien de TBI’s binnen de gestelde termijnen niet tot overeenstemming zijn gekomen over het Europees beoordelingsdocument, legt de organisatie van TBI’s deze kwestie voor aan de Commissie om een passende oplossing te vinden, alsmede instructies te geven voor de manier waarop de organisatie haar werk dient te voltooien.

Artikel 40

Inhoud van het Europees beoordelingsdocument

1.Een Europees beoordelingsdocument bevat de volgende elementen:

a)een beschrijving van het bestreken product, en

b)de lijst met essentiële kenmerken die relevant zijn voor het beoogde gebruik van het product zoals neergelegd door de fabrikant en overeengekomen tussen de fabrikant en de organisatie van TBI’s, alsook de methoden en criteria voor de beoordeling van de prestaties van het product die verband houden met die essentiële kenmerken.

2.De voor de productiecontrole in de fabriek in acht te nemen beginselen worden opgenomen in het Europees beoordelingsdocument, rekening houdend met de omstandigheden van het productieproces van het betreffende product.

3.Wanneer de prestaties van een aantal essentiële kenmerken van het product op passende wijze kunnen worden beoordeeld met methoden en criteria die reeds in andere geharmoniseerde technische specificaties of Europese beoordelingsdocumenten zijn vastgesteld, worden die bestaande methoden en criteria opgenomen als onderdelen van het Europese beoordelingsdocument, tenzij er goede redenen zijn om van deze regel af te wijken.

Artikel 41

Formele bezwaren tegen Europese beoordelingsdocumenten

1.Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van de volgende gevallen:

a)wanneer de lidstaat van mening is dat een Europees beoordelingsdocument niet geheel voldoet aan de toepasselijke wettelijke voorschriften of de eisen waaraan moet worden voldaan in verband met de fundamentele eisen voor bouwwerken of productvereisten zoals neergelegd in bijlage I;

b)wanneer hij van mening is dat een Europees beoordelingsdocument aanleiding geeft tot grote bezorgdheid voor de menselijke gezondheid en veiligheid, de bescherming van het milieu of de consumentenbescherming;

c)wanneer hij van mening is dat een Europees beoordelingsdocument niet voldoet aan de vereisten van artikel 35, lid 2.

De betrokken lidstaat motiveert zijn standpunten. De Commissie raadpleegt de andere lidstaten over de door de betrokken lidstaat aan de orde gestelde kwesties.

2.Op basis van de standpunten van alle lidstaten besluit de Commissie of zij de referentienummers van de betrokken Europese beoordelingsdocumenten in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaakt, niet bekendmaakt, met beperkingen bekendmaakt, handhaaft, met beperkingen handhaaft of intrekt.

3.De Commissie brengt de organisatie van TBI’s op de hoogte van het in lid 2 bedoelde besluit en verzoekt zo nodig om herziening van het betrokken Europese beoordelingsdocument.

Artikel 42

Europese technische beoordeling

1.De Europese technische beoordeling wordt afgegeven door een TBI, nadat een fabrikant daarom heeft verzocht op basis van een overeenkomstig de procedures van artikel 37 en bijlage III opgesteld Europees beoordelingsdocument, waarvan het referentienummer overeenkomstig artikel 38 in het Publicatieblad van de Europese Unie is aangehaald.

Mits een Europees beoordelingsdocument beschikbaar is, kan een Europese technische beoordeling zelfs worden afgegeven wanneer er een normalisatieverzoek is ingediend. Een dergelijke afgifte is mogelijk totdat de norm voor bouwproducten wordt aangehaald in het Publicatieblad van de Unie.

2.De Europese technische beoordeling omvat de in niveaus of klassen of door middel van een beschrijving aan te geven prestatie van die essentiële kenmerken waarover de fabrikant en de TBI die het verzoek om een Europese technische beoordeling heeft ontvangen, het voor het aangegeven beoogde gebruik eens zijn, en de technische details die nodig zijn voor de uitvoering van het beoordelings- en verificatiesysteem.

3.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om het formaat van de Europese technische beoordeling vast te stellen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.Europese technische beoordelingen die zijn afgegeven op basis van een Europees beoordelingsdocument blijven geldig gedurende vijf jaar na de vervaldatum van het Europees beoordelingsdocument overeenkomstig artikel 38, lid 2.

5.Producten die onder een Europees beoordelingsdocument vallen waarvoor een Europese technische beoordeling is afgegeven, kunnen van een CE-markering worden voorzien en aldus dezelfde status krijgen als producten met CE-markering op basis van geharmoniseerde technische specificaties, mits de fabrikant voldoet aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. Wanneer deze verplichtingen betrekking hebben op geharmoniseerde technische specificaties, verwijst de fabrikant alleen naar het Europese beoordelingsdocument of, indien de geharmoniseerde technische specificaties ook relevant zijn, ook naar het Europese beoordelingsdocument.

HOOFDSTUK V

TECHNISCHE BEOORDELINGSINSTANTIES

Artikel 43

Aanwijzende autoriteiten

1.Lidstaten die technische beoordelingsinstanties wensen aan te wijzen, wijzen één enkele autoriteit aan die verantwoordelijk is voor technische beoordelingsinstanties (hierna: de “aanwijzende autoriteit”). De aanwijzende autoriteiten voldoen aan de eisen voor aanmeldende autoriteiten van artikel 48, lid 1, en artikel 49. De aanwijzende autoriteit komt niet in aanmerking voor aanwijzing overeenkomstig artikel 44, lid 1.

2.Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, zijn de bepalingen die van toepassing zijn op aanmeldende autoriteiten en op aanmeldingsprocedures ook van toepassing op aanwijzende autoriteiten en op aanwijzingsprocedures. De lidstaten mogen echter geen gebruikmaken van accreditatie.

Artikel 44

Aanwijzing van, toezicht op en beoordeling van TBI’s

1.De lidstaten kunnen op hun grondgebied technische beoordelingsinstanties (TBI’s) aanwijzen voor een of meer in tabel 1 van bijlage IV vermelde productgebieden. De Commissie is bevoegd deze tabel door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 te wijzigen om deze aan de technische vooruitgang aan te passen.

De lidstaten delen de Commissie de naam van de technische beoordelingsinstantie, haar adres en de in de eerste zin bedoelde productgebieden mee.

2.De Commissie publiceert langs elektronische weg de lijst van de TBI’s die voldoen aan de toepasselijke wettelijke eisen als bedoeld in artikel 45, leden 1 en 2, en vermeldt de productgebieden waarvoor zij zijn aangewezen en eventuele beperkingen zo nauwkeurig mogelijk.

De Commissie maakt alle bijwerkingen van die lijst bekend.

3.De overeenkomstig artikel 43 aangewezen aanwijzende autoriteiten houden toezicht op de activiteiten en de bekwaamheid van de in hun respectieve lidstaat aangewezen TBI’s en, indien nodig, hun dochterondernemingen en onderaannemers, en beoordelen deze in het licht van de respectieve eisen van dit hoofdstuk. De aanwijzende autoriteit geeft de TBI’s instructies wanneer er sprake is van een inbreuk op het recht of een tussen de lidstaten en de Commissie overeengekomen gangbare praktijk. In geval van herhaalde inbreuk op het recht kan zij de aanwijzing van de TBI intrekken.

De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van hun nationale procedures voor de aanwijzing van TBI’s en voor het toezicht op hun activiteiten en bekwaamheid, en van alle wijzigingen in die informatie.

4.De TBI’s stellen de betrokken lidstaat en de aangemelde instantie onverwijld en uiterlijk binnen 15 dagen in kennis van alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op hun conformiteit met de in dit hoofdstuk vastgestelde eisen of op hun vermogen om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen.

5.De Commissie kan onderzoeken of TBI’s voldoen aan de eisen van dit hoofdstuk en of de verantwoordelijke aanwijzende autoriteiten hun verplichtingen van toezicht nakomen. 

6.Op verzoek van de bevoegde aanwijzende autoriteit verstrekken de TBI’s alle relevante informatie en documenten die nodig zijn om de autoriteit, de Commissie en de lidstaten in staat te stellen de conformiteit te controleren.

7.Indien een TBI niet langer voldoet aan de eisen van deze verordening, trekt de lidstaat de aanwijzing van die instantie voor het betrokken productgebied in en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis. De artikelen 58 en 59 zijn hierop van toepassing.

Artikel 45

Eisen voor TBI’s

1.Een TBI is bevoegd tot en uitgerust voor het uitvoeren van de beoordeling in een productgebied waarvoor zij is aangewezen. Het personeel dat besluiten neemt en ten minste de helft van het technisch bevoegde personeel van de TBI is gevestigd in de aanwijzende lidstaat.

2.De TBI voldoet binnen het toepassingsgebied van haar bevoegdheden aan de eisen in tabel 2 van bijlage IV. Artikel 50, leden 1 tot en met 5, artikel 50, lid 6, punten a) en b), artikel 50, leden 7, 8 en 10, en artikel 51 zijn van toepassing.

3.Een TBI heeft haar organigram en de namen van de leden van haar interne besluitvormingsorganen voor het publiek beschikbaar gemaakt.

Indien een TBI niet langer voldoet aan de in de leden 1 en 2 bedoelde eisen, trekt de lidstaat de aanwijzing van die TBI voor het betrokken productgebied in en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 46

Coördinatie van TBI’s

1.De TBI’s richten een organisatie voor technische beoordeling op (“organisatie van TBI’s”) uit hoofde van deze verordening.

2.De organisatie van TBI’s voert minstens de volgende taken uit:

a)het potentieel voor nieuwe geharmoniseerde technische specificaties onderzoeken en de Commissie daarvan in kennis stellen;

b)de coördinatie van de TBI’s organiseren en de samenwerking met en raadpleging van andere belanghebbenden waarborgen, indien nodig;

c)ervoor zorgen dat de TBI’s onderling voorbeelden van goede praktijken uitwisselen om efficiënter te werken en de sector een betere dienstverlening te bieden;

d)Europese beoordelingsdocumenten ontwikkelen en vaststellen;

e)de toepassing van de in artikel 65, lid 2, en artikel 66, lid 1, beschreven procedureregels coördineren en de daarvoor benodigde steun verlenen;

f)de Commissie op de hoogte brengen van elke vraag in verband met de voorbereiding van Europese beoordelingsdocumenten en van alle aspecten in verband met de interpretatie van de in artikel 65, lid 2, en artikel 66, lid 1, beschreven procedureregels, en aan de Commissie, op basis van de opgedane ervaring, verbeteringen voorstellen;

g)opmerkingen over TBI’s die hun taken niet naar tevredenheid uitvoeren volgens de in artikel 65, lid 2, en artikel 66, lid 1, beschreven procedures, meedelen aan de Commissie en de lidstaat die de betrokken TBI heeft aangewezen;

h)jaarlijks aan de Commissie verslag uitbrengen over de uitvoering van de bovengenoemde taken, en met name over de geografische spreiding van de TBI’s, de toewijzing van taken voor de ontwikkeling van Europese beoordelingsdocumenten aan de TBI’s en de prestaties en de onafhankelijkheid van TBI’s, en

i)ervoor zorgen dat vastgestelde Europese beoordelingsdocumenten en verwijzingen naar Europese technische beoordelingen openbaar beschikbaar zijn in alle EU-talen.

De organisatie van TBI’s zal voor de uitvoering van deze taken een secretariaat opzetten.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de TBI’s met financiële en personele middelen bijdragen aan de organisatie van TBI’s. De waarde van de bijdrage van elke TBI mag niet minder bedragen dan 2 % van haar jaarlijkse begroting of omzet.

4.Het gewicht van de organisatie van TBI’s in het besluitvormingsproces mag niet afhankelijk zijn van de financiële bijdrage van de TBI’s, het aantal ontwikkelde Europese beoordelingsdocumenten of het aantal door hen afgegeven Europese technische beoordelingen.

5.De Commissie wordt uitgenodigd deel te nemen aan alle vergaderingen van de organisatie van TBI’s.

6.De Commissie kan de financiering van de organisatie van TBI’s, ongeacht of het om subsidies of openbare aanbestedingen gaat, afhankelijk stellen van de naleving van bepaalde organisatorische en prestatievereisten, ook met betrekking tot een eerlijke geografische spreiding van TBI’s.

HOOFDSTUK VI

AANMELDENDE AUTORITEITEN EN AANGEMELDE INSTANTIES

Artikel 47

Aanmelding

De instanties die bevoegd zijn om taken van derden uit te voeren bij de beoordeling en verificatie van de prestaties, de beoordeling van conformiteit en van de verificatie van milieuduurzaamheidsberekeningen in het kader van deze verordening (hierna “aangemelde instanties” genoemd), worden door de lidstaten bij de Commissie en de andere lidstaten aangemeld.

De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van hun nationale procedures voor de beoordeling en aanmelding van de instanties die moeten worden gemachtigd om deze taken uit te voeren. De Commissie maakt deze informatie voor het publiek beschikbaar.

Artikel 48

Aanmeldende autoriteiten

1.De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van de instanties die zullen worden gemachtigd om taken van derden uit te voeren bij het beoordelings- en verificatieproces voor de toepassing van deze verordening, en voor het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van hun naleving van de vereisten van artikel 50.

2.De lidstaten kunnen de beoordeling en het toezicht als bedoeld in lid 1 laten uitvoeren door hun nationale accreditatie-instanties overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 765/2008. De lidstaten geven hun nationale accreditatie-instantie instructies om alleen de precieze juridische instantie die accreditatie aanvraagt als basis voor de accreditatie te nemen en die instantie te beoordelen aan de hand van de relevante eisen en taken van deze verordening.

3.Indien de aanmeldende autoriteit de beoordeling, de aanmelding of het toezicht als bedoeld in lid 1 delegeert aan een instantie die geen overheidsinstantie is, is deze instantie een rechtspersoon en voldoet zij aan de eisen die zijn vastgesteld in artikel 49. Bovendien moet deze instantie maatregelen treffen om de aansprakelijkheid voor haar activiteiten te dekken.

4.De aanmeldende autoriteit is volledig aansprakelijk voor de door de in de leden 2 en 3 bedoelde instantie uitgevoerde taken.

5.De Commissie voorziet in de organisatie van de uitwisseling van ervaring tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het beleid inzake aanmelding en aanmeldende autoriteiten.

Artikel 49

Eisen voor aanmeldende autoriteiten

1.De aanmeldende autoriteit is zodanig opgericht dat zich geen belangenconflicten met aangemelde instanties voordoen.

2.De aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn.

3.De aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd dat elk besluit in verband met de aanmelding van een instantie waaraan toestemming moet worden verleend om taken van derden uit te voeren bij het beoordelings- en verificatieproces, genomen wordt door bekwame personen die niet de beoordeling hebben verricht.

4.De aanmeldende autoriteit biedt geen activiteiten aan of verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door aangemelde instanties en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie.

5.De aanmeldende autoriteit waarborgt de vertrouwelijkheid van de verkregen informatie. Zij wisselt echter op verzoek informatie over aangemelde instanties uit met de Commissie, met aanmeldende autoriteiten van andere lidstaten en met andere relevante nationale autoriteiten.

6.De aanmeldende autoriteit beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden en toereikende financiering om haar taken naar behoren uit te voeren. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin een minimumaantal voltijdequivalenten wordt vastgelegd dat toereikend wordt geacht voor een passend toezicht op de aangemelde instanties, in voorkomend geval met betrekking tot specifieke conformiteitsbeoordelingstaken. Wanneer het toezicht wordt uitgeoefend door een nationale accreditatie-instantie of een in artikel 48, lid 3, bedoelde instantie, geldt dit minimumaantal voor die instantie.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 50

Eisen in verband met aangemelde instanties

1.Om te kunnen worden aangemeld, moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties voldoen aan de eisen van de leden 2 tot en met 11.

2.Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is naar nationaal recht opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid.

3.Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is onafhankelijk van de door haar beoordeelde organisaties of producten.

Zij is onafhankelijk van alle zakelijke banden met organisaties die een belang hebben in de producten die zij beoordeelt, fabrikanten, hun handelspartners of investeerders met aandelen, alsmede met andere aangemelde instanties en hun ondernemersorganisaties, moedermaatschappijen of dochterondernemingen. Dit sluit niet uit dat de aangemelde instantie beoordelings- en verificatieactiviteiten voor concurrerende fabrikanten kan verrichten.

Een instantie die lid is van een ondernemersorganisatie en/of een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, levering, assemblage, het gebruik of het onderhoud van de door hen beoordeelde producten, kan als een dergelijke onafhankelijke instantie worden beschouwd op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten aangetoond worden.

4.Een aangemelde instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van taken van derden bij het beoordelings- en verificatieproces, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, importeur, distributeur, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van de producten die zij beoordelen, noch de vertegenwoordiger van een van deze partijen. Dit belet echter niet het gebruik van beoordeelde producten die nodig zijn voor de activiteiten van de aangemelde instantie of van de producten voor persoonlijke doeleinden.

Een aangemelde instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van taken van derden bij het beoordelings- en verificatieproces, zijn niet rechtstreeks betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van deze producten, noch vertegenwoordigen zij de partijen die deze activiteiten verrichten. Zij oefenen geen activiteiten uit die de onafhankelijkheid van hun oordeel en hun integriteit met betrekking tot de activiteiten waarvoor zij zijn aangemeld, in het gedrang kunnen brengen, en zij verlenen geen adviesdiensten.

Een aangemelde instantie zorgt ervoor dat de activiteiten van haar moeder- of zusterondernemingen, dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit en onpartijdigheid van haar beoordelings- en/of verificatieactiviteiten.

De vaststelling van en het toezicht op interne procedures, algemeen beleid, gedragscodes of andere interne voorschriften, de toewijzing van personeel aan specifieke taken en de conformiteitsbeoordelingsbesluiten mogen niet aan een onderaannemer of een dochteronderneming worden gedelegeerd.

5.Een aangemelde instantie en haar personeel voeren de taken van derden bij het beoordelings- en verificatieproces uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun beoordelings- en/of verificatieactiviteiten kunnen beïnvloeden, inzonderheid van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.Een aangemelde instantie is in staat alle taken van derden bij het beoordelings- en verificatieproces te verrichten die haar overeenkomstig bijlage V zijn toegewezen en waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of deze taken door de aangemelde instantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

Te allen tijde beschikt de aangemelde instantie voor elk beoordelings- en verificatiesysteem en voor elke soort of categorie producten, essentiële kenmerken en taken waarvoor zij is aangemeld, over:

a)het benodigde personeel met technische kennis en voldoende passende ervaring om de taken van derden bij het beoordelings- en verificatieproces te verrichten. Het personeel dat verantwoordelijk is voor het nemen van beoordelingsbesluiten, is krachtens het nationale recht van de aanmeldende lidstaat in dienst van de aangemelde instantie, heeft geen andere potentieel strijdige loyaliteitsverplichting of potentieel belangenconflict, en heeft de deskundigheid om de beoordelingen van ander personeel, externe deskundigen of onderaannemers te verifiëren. Het aantal personeelsleden is toereikend om de bedrijfscontinuïteit en een consistente aanpak van conformiteitsbeoordelingen te waarborgen;

b)de nodige beschrijving van de procedures die voor het beoordelingsproces worden gevolgd, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot herhaling van deze procedures worden gewaarborgd. Deze omvat een kwalificatiematrix waarin het betreffende personeel, de respectieve status en de taken hiervan binnen de conformiteitsbeoordelingsinstantie worden gekoppeld aan de conformiteitsbeoordelingstaken waarvoor de instantie wenst te worden aangemeld;

c)een passend beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangemelde instantie verricht en andere activiteiten;

d)de nodige procedures voor de uitoefening van haar taken die naar behoren rekening houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Een aangemelde instantie beschikt over de nodige middelen om de technische en administratieve taken in verband met de activiteiten waarvoor zij wenst te worden aangemeld, op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle vereiste apparatuur en faciliteiten.

7.Het personeel dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de instantie wenst te worden aangemeld, beschikt over:

a)een gedegen technische en beroepsopleiding, die alle taken bestrijkt van derden bij het beoordelings- en verificatieproces, in het gebied waarvoor de instantie is aangemeld;

b)een bevredigende kennis van de eisen inzake de beoordelingen en verificaties die het verricht en voldoende bevoegdheden om deze activiteiten uit te voeren;

c)voldoende kennis van en inzicht in de toepasselijke geharmoniseerde technische specificaties en de toepasselijke bepalingen van de verordening;

d)de vereiste bekwaamheid voor het opstellen van certificaten, dossiers en rapporten die aantonen dat de beoordelingen en verificaties zijn uitgevoerd.

8.De onpartijdigheid van de instantie, haar hoogste leidinggevenden en haar beoordelingspersoneel moet worden gewaarborgd.

De vergoeding van de hoogste leidinggevenden van de instantie en het beoordelingspersoneel hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.

9.Een aangemelde instantie sluit een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de lidstaat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de verrichte beoordeling en/of verificatie.

10.Het personeel van de aangemelde instantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennis neemt bij de uitoefening van de in bijlage V vermelde taken, behalve ten opzichte van de bevoegde overheidsinstanties van de lidstaat waar de activiteiten plaatsvinden. Eigendomsrechten worden beschermd.

11.Een aangemelde instantie zorgt ervoor dat haar beoordelingspersoneel op de hoogte is van de desbetreffende normalisatieactiviteiten en neemt deel aan, en zorgt ervoor dat haar beoordelingspersoneel op de hoogte is van, de activiteiten van de coördinatiegroep van aangemelde instanties die uit hoofde van deze verordening is opgericht, en past de door die groep genomen administratieve besluiten en geproduceerde documenten toe als algemene richtsnoeren.

Artikel 51

Vermoeden van conformiteit

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie die moet worden gemachtigd om taken van derden uit te voeren binnen het beoordelings- en verificatieproces, die aantoont dat zij voldoet aan de criteria van de toepasselijke geharmoniseerde normen — of delen ervan — waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt geacht aan de eisen van artikel 50 te voldoen, voor zover de toepasselijke geharmoniseerde normen deze eisen bestrijken.

Artikel 52

Formeel bezwaar

Wanneer een lidstaat of de Commissie formeel bezwaar heeft tegen de geharmoniseerde normen als bedoeld in artikel 51, zijn de bepalingen van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van toepassing.

Artikel 53

Dochterondernemingen en onderaannemers van aangemelde instanties

1.Indien een aangemelde instantie specifieke taken in verband met de taken van derden binnen het beoordelings- en verificatieproces uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming voldoet aan de eisen van artikel 50 en brengt zij de aanmeldende autoriteit daarvan op de hoogte.

2.De aangemelde instantie neemt de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd. De betrokken aangemelde instanties stellen procedures vast voor de permanente monitoring van de bekwaamheid, activiteiten en prestaties van hun onderaannemers of dochterondernemingen, rekening houdend met de in artikel 50, lid 6, punt b), bedoelde kwalificatiematrix.

3.Activiteiten mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.

4.De aangemelde instantie houdt alle ter zake dienende documenten over de beoordeling van en het toezicht op de kwalificaties van iedere onderaannemer of dochteronderneming en over de door dergelijke partijen uit hoofde van bijlage V uitgevoerde taken ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.

Artikel 54

Gebruik van faciliteiten buiten het testlaboratorium van de aangemelde instantie

1.Indien dat om technische, economische of logistieke redenen verantwoord is, kunnen aangemelde instanties op verzoek van de fabrikant besluiten de in bijlage V bedoelde tests voor de beoordelings- en verificatiesystemen 1+, 1 en 3 uit te voeren of onder hun toezicht te laten uitvoeren, hetzij in de productie-installaties met gebruikmaking van de testapparatuur van het interne laboratorium van de fabrikant, hetzij, met zijn voorafgaande toestemming, in een extern laboratorium met gebruikmaking van de testapparatuur van dat laboratorium.

Aangemelde instanties die deze tests uitvoeren, worden specifiek aangewezen als bevoegd om buiten hun eigen testfaciliteiten te werken en voldoen in dat verband aan de voorschriften van artikel 50.

2.Alvorens de tests als bedoeld in lid 1 uit te voeren, gaan de aangemelde instanties na of aan de voorschriften van de testmethode is voldaan en beoordelen zij:

a)of de testapparatuur een passend ijksysteem heeft en of de traceerbaarheid van de metingen gewaarborgd is, en

b)of de kwaliteit van de testresultaten gewaarborgd is.

De aangemelde instanties zijn volledig verantwoordelijk voor de tests in hun geheel, met inbegrip van de nauwkeurigheid en traceerbaarheid van de ijking en metingen, en voor de betrouwbaarheid van de testresultaten.

Artikel 55

Verzoek om aanmelding

1.Om te worden gemachtigd voor het uitvoeren van taken van derden binnen het beoordelings- en verificatieproces, dient een instantie een verzoek om aanmelding in bij de aanmeldende autoriteit van de lidstaat waar zij is gevestigd.

2.Het verzoek gaat vergezeld van een beschrijving van de te verrichten activiteiten, van de beoordelings- en/of verificatieprocessen waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn, de kwalificatiematrix als bedoeld in artikel 50, lid 6, punt b), en, in voorkomend geval, van een accreditatiecertificaat dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie in de zin van Verordening (EG) nr. 765/2008, waarin wordt verklaard dat de instantie voldoet aan de eisen van artikel 50. Het accreditatiecertificaat heeft alleen betrekking op de specifieke conformiteitsbeoordelingsinstantie die om aanmelding verzoekt en houdt geen rekening met de capaciteiten of het personeel van moeder- of zusterondernemingen. Het is, behalve op de relevante geharmoniseerde normen, gebaseerd op de specifieke eisen en beoordelingstaken.

3.Indien de betrokken instantie geen accreditatiecertificaat kan overleggen, verstrekt zij de aanmeldende autoriteit alle bewijsstukken die nodig zijn om haar conformiteit met de eisen van artikel 50 te verifiëren, te erkennen en daar regelmatig toezicht op te houden.

Artikel 56

Aanmeldingsprocedure

1.Aanmeldende autoriteiten mogen uitsluitend instanties aanmelden die voldoen aan de eisen van artikel 50.

2.Zij verrichten de aanmelding bij de Commissie en de andere lidstaten met name door middel van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.

Voor de in bijlage VI genoemde gevallen waarvoor het passende elektronische instrument niet beschikbaar is, wordt bij wijze van uitzondering een papieren versie van de aanmelding aanvaard.

3.De aanmelding bevat de volledige gegevens over de uit te voeren functies, de verwijzing naar de relevante geharmoniseerde technische specificatie en, voor de toepassing van het in bijlage V beschreven systeem, de essentiële kenmerken waarvoor de instantie bekwaam is.

Verwijzing naar de relevante geharmoniseerde technische specificatie is echter niet vereist in de in bijlage VI beschreven gevallen.

4.Indien een aanmelding niet gebaseerd is op een accreditatiecertificaat als bedoeld in artikel 55, lid 2, verschaft de aanmeldende autoriteit de Commissie en de andere lidstaten alle bewijsstukken waaruit de bekwaamheid van de instantie blijkt, evenals de regeling die waarborgt dat deze instantie regelmatig wordt gemonitord en zal blijven voldoen aan de eisen van artikel 50.

5.Een aanmelding wordt alleen geldig als de Commissie of de andere lidstaten geen bezwaren hebben ingediend binnen twee weken na een aanmelding indien een accreditatiecertificaat wordt gebruikt, of binnen twee maanden na een aanmelding zonder accreditatiecertificaat.

De aanmelding wordt geldig op de dag nadat de instantie door de Commissie is opgenomen in de in artikel 57, lid 2, bedoelde lijst van aangemelde instanties. De Commissie neemt een instantie niet in de lijst op als zij weet of te weten komt dat de betrokken instantie niet aan de eisen van artikel 50 voldoet.

6.De betrokken instantie mag de activiteiten van een aangemelde instantie pas verrichten vanaf het moment dat de aanmelding geldig is. Alleen een dergelijke instantie wordt voor de toepassing van deze verordening als aangemelde instantie beschouwd.

7.De Commissie en de andere lidstaten worden in kennis gesteld van alle ter zake dienende latere wijzigingen in de aanmelding.

Artikel 57

Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties

1.De Commissie kent aan elke aangemelde instantie een identificatienummer toe.

Zij kent per instantie slechts één nummer toe, ook als de instantie uit hoofde van diverse handelingen van de Unie is aangemeld.

2.De Commissie maakt de lijst van de krachtens deze verordening aangemelde instanties openbaar, met vermelding van de toegekende identificatienummers en de activiteiten waarvoor zij zijn aangemeld; zij maakt daarvoor met name gebruik van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.

De Commissie zorgt voor de bijwerking van deze lijst.

Artikel 58

Wijziging van de aanmelding

1.Indien een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet meer aan de eisen van artikel 50 voldoet of haar verplichtingen niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, geschorst of ingetrokken afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan die eisen of het niet nakomen van die verplichting.

2.Indien de aanmelding wordt ingetrokken, beperkt of geschorst, of de aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de betrokken aanmeldende lidstaat het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 59

Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

1.De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de voor haar toepasselijke eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt.

2.De aanmeldende lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of over het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken instantie.

3.De Commissie zorgt ervoor dat alle tijdens haar onderzoek ontvangen gevoelige informatie vertrouwelijk wordt behandeld.

Artikel 60

Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

1.Tot de taken van de aangemelde instanties behoren, overeenkomstig bijlage V:

a)de prestaties en conformiteit van producten beoordelen;

b)de conformiteit van producten en de fabrikant verifiëren;

c)de bestendigheid van de prestaties van producten verifiëren;

d)de door de fabrikant uitgevoerde berekeningen van milieuduurzaamheid verifiëren.

Deze taken worden hierna “beoordelingen en verificaties” genoemd.

2.Beoordelingen en verificaties worden met inachtneming van transparantie naar de fabrikant toe en op evenredige wijze uitgevoerd, waarbij voorkomen wordt de marktdeelnemers onnodig te belasten. De aangemelde instanties houden bij de uitoefening van hun activiteiten naar behoren rekening met de omvang van de onderneming, de sector waarin de onderneming actief is, haar structuur, de relatieve technologische complexiteit van de producten en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Daarbij nemen de aangemelde instanties desalniettemin de door deze verordening voor het product vereiste striktheid in acht en houden zij rekening met de rol die het product speelt om aan de fundamentele eisen voor bouwwerken te voldoen.

3.Indien een aangemelde instantie bij de initiële inspectie van de productie-installatie en van de productiecontrole in de fabriek vaststelt dat de fabrikant de prestatiebestendigheid en conformiteit van het vervaardigde product niet garandeert, verlangt zij van de fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt en geeft zij geen certificaat af.

4.Indien een aangemelde instantie bij het toezicht op de verificatie van de conformiteit en prestatiebestendigheid van het vervaardigde product vaststelt dat een product niet meer dezelfde prestaties heeft als het producttype, verlangt zij van de fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt; zo nodig schorst zij het certificaat of trekt zij het in.

5.Indien er geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, worden de certificaten door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

6.Bij het nemen van beoordelingsbesluiten, onder meer wanneer zij beslissen of het nodig is een certificaat of goedkeuringsbesluit te schorsen of in te trekken in het licht van mogelijke gevallen van non-conformiteit, passen de aangemelde instanties duidelijke en vooraf vastgestelde criteria toe.

7.Aangemelde instanties zorgen voor roulatie tussen het personeel dat verschillende beoordelingstaken uitvoert.

Artikel 61

Informatieverplichting van aangemelde instanties

1.Aangemelde instanties brengen de aanmeldende instantie op de hoogte van:

a)elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten;

b)alle omstandigheden die van invloed zijn op het toepassingsgebied en de voorwaarden voor hun aanmelding;

c)verzoeken om informatie over uitgevoerde beoordelings- of verificatieactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten hebben ontvangen, en

d)op verzoek, de binnen het toepassingsgebied van hun aanmelding uitgevoerde taken van derden overeenkomstig de systemen voor de beoordeling en verificatie, en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

2.Aangemelde instanties verstrekken de andere krachtens deze verordening aangemelde instanties die soortgelijke taken van derden uitvoeren overeenkomstig de beoordelings- en verificatiesystemen en voor producten die onder dezelfde geharmoniseerde technische specificatie vallen de nodige informatie over negatieve en op verzoek ook over positieve resultaten van deze beoordelingen en/of verificaties, waarin zij met name eventuele weigeringen, beperkingen, schorsingen of intrekkingen van certificaten of testverslagen melden. Op verzoek van andere aangemelde instanties of een autoriteit bevestigt een aangemelde instantie de status van de door haar afgegeven certificaten of testverslagen.

3.Indien de Commissie of de markttoezichtautoriteit van een lidstaat bij een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde aangemelde instantie een verzoek indient in verband met een door die aangemelde instantie verrichte beoordeling, stuurt zij een kopie van dat verzoek aan de aangemelde instantie van die andere lidstaat. De betrokken aangemelde instantie reageert onverwijld, en uiterlijk binnen 15 dagen, op het verzoek. De aanmeldende autoriteit zorgt ervoor dat dergelijke verzoeken door de aangemelde instantie worden opgelost, tenzij er een gegronde reden is om dit niet te doen.

4.4.Aangemelde instanties delen met de betrokken markttoezichtautoriteit of aanmeldende autoriteit naar behoren bewijs van het volgende:

a)een andere aangemelde instantie voldoet niet aan de eisen van artikel 50 of aan haar verplichtingen;

b)een in de handel gebracht product voldoet niet aan deze verordening;

c)een in de handel gebracht product brengt door zijn fysieke toestand waarschijnlijk een ernstig risico met zich mee.

Artikel 62

Uitvoeringshandelingen betreffende de verplichtingen en rechten van aangemelde instanties

Indien dit noodzakelijk is om een geharmoniseerde toepassing van deze verordening te waarborgen en alleen voor zover nodig om te voorkomen dat uiteenlopende praktijken tot een ongelijke behandeling leiden en een ongelijk speelveld voor marktdeelnemers creëren, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere bepalingen over de wijze waarop de in de artikelen 60 en 61 vervatte verplichtingen van aangemelde instanties moeten worden uitgevoerd. 

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 63

Coördinatie van aangemelde instanties

De Commissie zorgt ervoor dat tussen de uit hoofde van artikel 47 aangemelde instanties passende coördinatie en samenwerking tot stand komt en dat een en ander in de vorm van een groep van aangemelde instanties naar behoren functioneert. De coördinatie en samenwerking binnen de in lid 1 bedoelde groepen is erop gericht de geharmoniseerde toepassing van deze verordening te waarborgen.

Aangemelde instanties nemen rechtstreeks of via aangewezen vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van die groep.

Aangemelde instanties hanteren de door die groep opgestelde administratieve besluiten en documenten als algemene richtsnoeren.

HOOFDSTUK VII

VEREENVOUDIGDE PROCEDURES

Artikel 64

Gebruik van geëigende technische documentatie

1.Een fabrikant mag het typeonderzoek vervangen door geëigende technische documentatie waaruit blijkt dat:

a)voor een of meer essentiële kenmerken van het product dat de fabrikant in de handel brengt, dat product geacht wordt een bepaald prestatieniveau of een bepaalde prestatieklasse te halen zonder tests of berekening of zonder verdere tests of berekening, overeenkomstig de voorwaarden die in de betrokken geharmoniseerde technische specificatie of in een handeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

b)het product dat onder een geharmoniseerde technische specificatie valt en dat de fabrikant in de handel brengt, een samenstel is van items die de fabrikant naar behoren samenvoegt volgens nauwkeurige instructies, met inbegrip van compatibiliteitscriteria in geval van afzonderlijke items, van de leverancier van dat samenstel of een component ervan, die dat samenstel of item al overeenkomstig de relevante geharmoniseerde technische specificatie op een of meer essentiële kenmerken heeft getest. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan en de fabrikant met name heeft geverifieerd of aan de precieze compatibiliteitscriteria van de leverancier is voldaan, heeft de fabrikant het recht te verklaren dat de prestaties overeenkomen met alle of een deel van de testresultaten voor het hem verstrekte samenstel of item.

2.Als het in lid 1 bedoelde product behoort tot een productfamilie of -categorie waarvoor het toepasselijke beoordelings- en verificatiesysteem het systeem 1+ of 1 van bijlage V is, wordt de correcte nakoming van de verplichtingen van lid 1, naast de in bijlage V bevatte taken, door een aangemelde instantie of TBI geverifieerd en gecertificeerd.

Artikel 65

Gebruik van vereenvoudigde procedures door micro-ondernemingen

1.Micro-ondernemingen die producten vervaardigen die onder een geharmoniseerde technische specificatie vallen, mogen producten waarvoor systeem 3 geldt, behandelen overeenkomstig de bepalingen voor systeem 4. Wanneer een fabrikant deze vereenvoudigde procedure toepast, toont hij met specifieke technische documentatie aan dat het product voldoet aan de toepasselijke eisen door middel van een specifieke technische documentatie.

2.De naleving van de eisen van dit artikel wordt beoordeeld en bevestigd door een TBI of een aangemelde instantie.

Als maatwerk vervaardigde niet-seriematige producten

1.In verband met producten die onder een geharmoniseerde technische specificatie vallen en die afzonderlijk of als maatwerk worden vervaardigd in een niet-seriematig productieproces in antwoord op een specifieke bestelling en in één enkel geïdentificeerd bouwwerk worden geïnstalleerd door fabrikanten die ook verantwoordelijk zijn voor de veilige verwerking van die producten in bouwwerken, kan de fabrikant de in bijlage V bedoelde prestatiebeoordeling van het toepasselijke systeem vervangen door specifieke technische documentatie waaruit blijkt dat het product aan de toepasselijke eisen voldoet, waarbij hij gelijkwaardige gegevens verstrekt aan die welke vereist zijn door deze verordening en de toepasselijke geharmoniseerde technische specificaties. Er is sprake van gelijkwaardigheid wanneer alle benodigde gegevens en eisen die van toepassing zijn op het specifieke bouwwerk en de toekomstige ontmanteling ervan, met inbegrip van hergebruik, herproductie en recycling van de geïnstalleerde producten, worden verstrekt of vervuld op basis van methoden volgens de stand van de techniek.

2.Naast de in bijlage V vermelde taken beoordeelt en certificeert een aangemelde instantie of TBI of de in lid 1 bedoelde verplichtingen correct zijn nagekomen.

Artikel 67

Erkenning van de beoordeling en verificatie door een andere aangemelde instantie

1.Een aangemelde instantie (hierna “erkennende aangemelde instantie” genoemd) kan afzien van de beoordeling en verificatie van een bepaald item dat overeenkomstig deze verordening moet worden beoordeeld of geverifieerd, en de beoordeling en verificatie die door een andere aangemelde instantie voor dezelfde marktdeelnemer is uitgevoerd, erkennen indien:

a)het item correct is beoordeeld en geverifieerd door de andere aangemelde instantie, waarvan — hoewel weerlegbaar — kan worden uitgegaan wanneer het desbetreffende verslag geen informatie bevat die op een fout wijst;

b)er een overeenkomst tussen de twee aangemelde instanties bestaat die hen verplicht alle informatie over de beoordeling en verificatie en hun respectieve certificaten en verslagen te delen;

c)de beoordeelde of geverifieerde marktdeelnemer ermee instemt alle relevante gegevens en documenten te delen met de erkennende aangemelde instantie;

d)de geldigheid van het certificaat beperkt is tot de geldigheid van het door de andere aangemelde instantie afgegeven certificaat.

Dit lid is ook van toepassing op testverslagen die niet worden gevolgd door een certificering en op beoordelingen van de berekening van de milieuduurzaamheid die zijn uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) ... [Verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten].

2.Wanneer de aangemelde instantie een beoordeling of verificatie wenst te erkennen die door een andere aangemelde instantie is uitgevoerd met betrekking tot een marktdeelnemer waarvoor alleen de andere aangemelde instantie verantwoordelijk is (“andere marktdeelnemer”), en mits daarnaast tussen de twee marktdeelnemers een overeenkomst bestaat die de vrije uitwisseling van alle informatie tussen hen en de aangemelde instanties waarborgt met het oog op de naleving van deze verordening, is de erkenning alleen mogelijk met betrekking tot het volgende:

a)de verificatie van de berekening van de milieuduurzaamheid van de andere marktdeelnemer, namelijk de leverancier of dienstverlener, en zijn respectieve geleverde goederen of diensten, of

b)componenten, waarbij deze componenten niet het volledige product vormen.

Dit lid is ook van toepassing op beoordelingen van berekeningen van de milieuduurzaamheid die zijn uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) ... [Verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten].

HOOFDSTUK VIII

MARKTTOEZICHT- EN VRIJWARINGSPROCEDURES

Artikel 68

Klachtenportaal

1.De Commissie zet een systeem op dat alle natuurlijke of rechtspersonen in staat stelt klachten of meldingen met betrekking tot mogelijke gevallen van non-conformiteit met deze verordening te delen.

2.Wanneer de Commissie een klacht of een melding relevant en onderbouwd acht, wijst zij deze toe aan een markttoezichtautoriteit voor een follow-up met de betrokken natuurlijke of rechtspersoon overeenkomstig artikel 11, lid 7, punt a), van Verordening (EU) 2019/1020.

Artikel 69

Bevoegde autoriteiten

1.De lidstaten wijzen onder hun markttoezichtautoriteiten een of meer “bevoegde autoriteiten” aan die beschikken over de specifieke kennis die nodig is om producten zowel technisch als juridisch te beoordelen.

2.De lidstaten wijzen onder hun bevoegde autoriteiten de “nationaal bevoegde autoriteit” aan, die het contactpunt is voor contacten met andere lidstaten.

Artikel 70

Procedures voor gevallen van non-conformiteit

1.Indien een markttoezichtautoriteit van een lidstaat voldoende redenen heeft om aan te nemen dat bepaalde producten die onder een norm voor bouwproducten vallen of waarvoor een Europese technische beoordeling is verstrekt, niet conform zijn of de fabrikant niet aan de eisen voldoet, voert zij een beoordeling uit van de betrokken producten en fabrikant in het licht van de in deze verordening vastgestelde respectieve eisen. De desbetreffende marktdeelnemers werken zo nodig samen met de markttoezichtautoriteiten.

Wanneer de markttoezichtautoriteit bij die beoordeling vaststelt dat de producten of de fabrikant ervan niet aan de eisen en verplichtingen van deze verordening voldoen, verlangt zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemers dat zij passende en evenredige corrigerende maatregelen nemen om de producten of zichzelf met deze eisen en verplichtingen conform te maken of de producten allemaal binnen een redelijke termijn en evenredig met de aard en mate van de non-conformiteit uit de handel te nemen of terug te roepen. De corrigerende maatregelen die de marktdeelnemers moeten nemen, kunnen de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1020 vermelde maatregelen omvatten.

De markttoezichtautoriteit stelt de eventueel betrokken aangemelde instanties daarvan op de hoogte.

2.Indien de markttoezichtautoriteit van mening is dat de non-conformiteit niet tot het nationale grondgebied van de autoriteit beperkt is, brengt zij de Commissie en de andere lidstaten via de nationaal bevoegde autoriteit op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemers heeft verlangd.

3.De marktdeelnemers nemen alle passende corrigerende maatregelen met betrekking tot alle producten die deze marktdeelnemers in de Unie op de markt hebben aangeboden.

4.Wanneer de betrokken marktdeelnemers niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen nemen of wanneer de non-conformiteit aanhoudt, neemt de markttoezichtautoriteit alle passende voorlopige of definitieve maatregelen om het op de markt aanbieden van de producten te verbieden of te beperken, dan wel deze producten uit de handel te nemen of terug te roepen.

De marktoezichtautoriteit stelt het publiek en, via de nationaal bevoegde autoriteiten, de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van die maatregelen.

5.De in de laatste zin van lid 4 bedoelde informatie omvat alle beschikbare details, met name de gegevens die nodig zijn om de non-conforme producten te identificeren en om de oorsprong van de producten, de aard van de beweerde non-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de desbetreffende marktdeelnemer worden aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)de producten halen de aangegeven prestatie niet en/of voldoen niet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften met betrekking tot de naleving van de fundamentele eisen voor bouwwerken;

b)de fabrikant komt zijn verplichtingen niet na;

c)er zijn tekortkomingen in de geharmoniseerde technische specificaties of in een Europees beoordelingsdocument.

6.De andere lidstaten dan die welke de procedure in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken over de non-conformiteit van de producten, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.Indien een lidstaat of de Commissie, binnen twee maanden na de ontvangst van de in lid 4 bedoelde informatie, geen bezwaar maakt tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat jegens het betrokken product, wordt deze maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.

8.De andere lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het betrokken product of de betrokken fabrikant onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van de producten op hun markt.

Artikel 71

Vrijwaringsprocedure van de Unie

1.Indien na voltooiing van de procedure in artikel 70, lid 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met het recht van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemers en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie door middel van een vastgestelde uitvoeringshandeling of de maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 1, bedoelde raadplegingsprocedure.

De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemers daar onmiddellijk van op de hoogte.

2.Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om het non-conforme product uit de handel te nemen, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in.

3.Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de non-conformiteit van het product wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de normen voor bouwproducten als bedoeld in artikel 70, lid 5, punt c), past de Commissie de procedure van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 toe.

Artikel 72

Conforme producten die toch een risico vormen

1.Indien een markttoezichtautoriteit van een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 70, lid 1, vaststelt dat bepaalde producten conform deze verordening toch een risico voor de naleving van de fundamentele eisen voor bouwwerken, voor de gezondheid of veiligheid van personen, voor het milieu of voor andere aspecten van de bescherming van het algemeen belang vormen, verlangt deze markttoezichtautoriteit van de betrokken marktdeelnemers dat zij alle passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de producten dat risico niet meer vormen wanneer deze in de handel worden gebracht, of om de producten binnen een door de markttoezichtautoriteit vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle door hem genomen corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken producten die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden.

3.De markttoezichtautoriteit stelt via de nationaal bevoegde autoriteit de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Die informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het product te identificeren en om de oorsprong en de toeleveringsketen van het product, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.De Commissie treedt onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemers en beoordeelt de nationale maatregelen die zijn genomen. Aan de hand van die beoordeling besluit de Commissie bij uitvoeringshandeling of de maatregel al dan niet gerechtvaardigd is, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor.

5.Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 88, lid 1, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

6.De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemers daar onmiddellijk van op de hoogte.

Artikel 73

Minimumeisen met betrekking tot controles en personele middelen

1.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 87 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van het minimumaantal controles dat door de markttoezichtautoriteiten van elke lidstaat moet worden uitgevoerd op specifieke producten die onder geharmoniseerde technische specificaties vallen of met betrekking tot specifieke eisen die in dergelijke maatregelen zijn vastgesteld, om ervoor te zorgen dat controles worden uitgevoerd op een schaal die toereikend is om de doeltreffende handhaving van deze verordening te waarborgen. In de gedelegeerde handelingen kunnen in voorkomend geval de aard van de vereiste controles en de te gebruiken methoden worden gespecificeerd.

2.De Commissie is ook bevoegd om overeenkomstig artikel 87 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het minimum aan personele middelen vast te leggen dat de lidstaten moeten inzetten voor het markttoezicht op onder deze verordening vallende producten.

Artikel 74

Coördinatie en ondersteuning van markttoezicht

1.Voor de toepassing van deze verordening komt de krachtens artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1020 opgerichte administratievesamenwerkingsgroep (ADCO) regelmatig bijeen en zo nodig op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie of van twee of meer deelnemende markttoezichtautoriteiten.

In het kader van de uitvoering van haar in artikel 32 van Verordening (EU) 2019/1020 vastgestelde taken verleent de ADCO ondersteuning bij de uitvoering van deze verordening, met name door gemeenschappelijke prioriteiten voor markttoezicht vast te stellen.

2.Op basis van de prioriteiten die in overleg met de ADCO zijn vastgesteld, zal de Commissie:

a)gezamenlijke markttoezicht- en testprojecten organiseren op gebieden van gemeenschappelijk belang;

b)gezamenlijke investeringen in markttoezichtcapaciteiten organiseren, met inbegrip van apparatuur en IT-instrumenten;

c)gemeenschappelijke opleidingen organiseren voor het personeel van markttoezichtautoriteiten, aanmeldende autoriteiten en aangemelde instanties, onder meer over de juiste interpretatie en toepassing van deze verordening en over methoden en technieken die relevant zijn voor de toepassing of verificatie van de naleving ervan;

d)richtsnoeren uitwerken voor de toepassing en handhaving van de eisen en verplichtingen die zijn vastgesteld in de in artikel 4, leden 3 en 4, en artikel 5, leden 2 en 3, bedoelde gedelegeerde handelingen en in de in artikel 22, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen, met inbegrip van gemeenschappelijke praktijken en methoden voor doeltreffend markttoezicht.

De Unie financiert in voorkomend geval de in de punten a), b) en c) bedoelde acties.

3.De Commissie verleent technische en logistieke ondersteuning om ervoor te zorgen dat de ADCO haar in artikel 32 van Verordening (EU) 2019/1020 en dit artikel vastgestelde taken vervult.

Artikel 75

Terugvordering van de kosten

Markttoezichtautoriteiten hebben het recht om van marktdeelnemers die een non-conform product bezitten of van de fabrikant de kosten van documenteninspectie en fysieke producttests terug te vorderen.

Artikel 76

Verslaglegging en benchmarking

1.De markttoezichtautoriteiten voeren in het in artikel 34 van Verordening (EU) 2019/1020 bedoelde informatie- en communicatiesysteem informatie in over de aard en de ernst van sancties die in verband met non-conformiteit met deze verordening worden opgelegd.

2.De Commissie stelt om de twee jaar op uiterlijk 30 juni een verslag op op basis van de informatie die de markttoezichtautoriteiten hebben ingevoerd in het in artikel 34 van Verordening (EU) 2019/1020 bedoelde informatie- en communicatiesysteem. Het eerste van deze verslagen wordt gepubliceerd door [PB: gelieve datum toe te voegen: twee jaar na de datum van toepassing van deze verordening].

Het verslag moet het volgende bevatten:

a)informatie over de aard van en het aantal controles die de markttoezichtautoriteiten tijdens de twee voorgaande kalenderjaren overeenkomstig artikel 34, leden 4 en 5, van Verordening (EU) 2019/1020 hebben verricht;

b)informatie over de vastgestelde non-conformiteitsniveaus en over de aard en de ernst van de sancties die voor de twee voorgaande kalenderjaren zijn opgelegd met betrekking tot producten die onder de krachtens de artikelen 4, 5, 6 en 22 van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen vallen;

c)indicatieve benchmarks voor markttoezichtautoriteiten met betrekking tot de frequentie van de controles en de aard en de ernst van de opgelegde sancties.

3.De Commissie publiceert het in lid 2 van dit artikel bedoelde verslag in het in artikel 34 van Verordening (EU) 2019/1020 bedoelde informatie- en communicatiesysteem en maakt een samenvatting van het verslag openbaar.

HOOFDSTUK IX

TOEZICHT EN ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 77

Informatiesystemen voor geharmoniseerde besluitvorming

1.De Commissie zorgt voor het opzetten en onderhouden van een informatie- en communicatiesysteem voor de gestructureerde verzameling, verwerking en opslag van informatie over kwesties met betrekking tot de interpretatie of toepassing van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels, teneinde de geharmoniseerde toepassing van die regels te waarborgen.

Naast de Commissie en de lidstaten hebben markttoezichtautoriteiten, de krachtens artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen verbindingsbureaus, de krachtens artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen autoriteiten, de aanmeldende autoriteiten, aangemelde instanties en productcontactpunten voor de bouw toegang tot het informatie- en communicatiesysteem. De Commissie kan bij uitvoeringsbesluit toegang verlenen aan autoriteiten van derde landen die deze verordening vrijwillig toepassen of die regelgevende systemen voor bouwproducten hebben die vergelijkbaar zijn met deze verordening.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 88, lid 1, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.De in lid 1 genoemde instanties kunnen het informatie- en communicatiesysteem gebruiken om kwesties of problemen aan de orde te stellen in verband met de interpretatie of toepassing van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels, met inbegrip van hun verband met andere bepalingen van het Unierecht. Zij stellen dergelijke kwesties of problemen aan de orde wanneer er redelijke twijfel bestaat over de wijze waarop die regels in een bepaalde situatie moeten worden toegepast of uitgelegd.

3.Voor de toepassing van lid 2 wordt aangenomen dat er redelijke twijfel bestaat wanneer de in lid 1 genoemde instanties:

a)op de hoogte zijn of worden gebracht van de toepassing of interpretatie van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels door een andere instantie op een wijze die afwijkt van hun eigen praktijk;

b)op de hoogte zijn of worden gebracht van kwesties of problemen die via het informatie- en communicatiesysteem aan de orde worden gesteld in verband met de situatie waarmee zij worden geconfronteerd of met hun eigen praktijk;

c)geconfronteerd worden met een situatie waarin de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels niet voorzien wanneer zij voor het eerst worden bekendgemaakt of waarnaar in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt verwezen, met name, maar niet beperkt tot situaties die het gevolg zijn van de opkomst van nieuwe producten of bedrijfsmodellen;

d)de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels moeten toepassen op een situatie waarop ook andere bepalingen van het Unierecht van toepassing zijn en op het daaruit voortvloeiende vraagstuk.

4.Wanneer de bevoegde instantie een kwestie of probleem opwerpt, voert zij in het informatie- en communicatiesysteem informatie in over:

a)elk besluit dat met betrekking tot de aan de orde gestelde kwesties of problemen is genomen;

b)de veronderstelde redenering/grondgedachte achter de gevolgde aanpak;

c)elke andere aanpak die zij heeft vastgesteld en de bijbehorende redenering/grondgedachte.

5.De lidstaten zetten een nationaal informatiesysteem op of maken een nationale e-maillijst aan om hun autoriteiten, de op hun grondgebied actieve marktdeelnemers, TBI’s en aangemelde instanties met vestigingsplaats op hun grondgebied en, op verzoek, ook andere TBI’s en aangemelde instanties, te informeren over alle aangelegenheden die van belang zijn voor de juiste interpretatie of toepassing van de in of krachtens deze verordening vastgestelde regels. Daarbij houden zij rekening met de informatie die beschikbaar is in het in lid 1 bedoelde informatie- en communicatiesysteem.

6.Autoriteiten, marktdeelnemers, TBI’s en aangemelde instanties die in de respectieve lidstaat gevestigd zijn, registreren zich in dat systeem of die e-maillijsten en nemen alle via deze kanalen doorgegeven informatie in aanmerking.

7.Het nationale informatiesysteem of de nationale emaillijst kan namens de nationaal bevoegde autoriteit klachten ontvangen van natuurlijke of rechtspersonen, met inbegrip van TBI’s en aangemelde instanties, over de ongelijke toepassing van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels. Wanneer dit passend wordt geacht, zendt de nationaal bevoegde autoriteit deze klachten door aan haar collega’s in de andere lidstaten en aan de Commissie.

8.De lidstaten en de Commissie kunnen kunstmatige intelligentie aanwenden om uiteenlopende besluitvormingspraktijken op te sporen.

Artikel 78

EU-databank of -systeem voor bouwproducten

1.De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87, door het opzetten van databanken of systemen van de Unie voor bouwproducten die zoveel mogelijk voortbouwen op het bij Verordening (EU) … ingestelde digitale productpaspoort. [Verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten].

2.Marktdeelnemers hebben toegang tot alle in die databank of dat systeem opgeslagen informatie die specifiek betrekking op hen heeft. Zij kunnen verzoeken om correctie van onjuiste informatie.

3.De Commissie kan bij uitvoeringshandelingen toegang verlenen tot deze databank of dit systeem aan bepaalde autoriteiten van derde landen die deze verordening vrijwillig toepassen of die regelgevende systemen voor bouwproducten hebben die vergelijkbaar zijn met deze verordening, mits deze landen:

a)de vertrouwelijkheid waarborgen;

b)partners zijn van een mechanisme voor rechtmatige doorgifte van persoonsgegevens dat in overeenstemming is met Verordening (EU) 2016/679 48 ;

c)zich ertoe verbinden zich actief in te zetten door feiten mee te delen die aanleiding kunnen geven tot actie van markttoezichtautoriteiten, en

d)zich ertoe verbinden om op te treden tegen marktdeelnemers die vanaf hun grondgebied inbreuk maken op deze verordening.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 88, lid 1, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 79

Productcontactpunten voor de bouw

1.De lidstaten ondersteunen marktdeelnemers via productcontactpunten voor de bouw. De lidstaten wijzen op hun grondgebied ten minste één productcontactpunt voor de bouw aan en handhaven dat contactpunt, en zorgen ervoor dat hun productcontactpunten voor de bouw over voldoende bevoegdheden en toereikende middelen beschikken om hun taken naar behoren uit te voeren en in elk geval over ten minste één voltijdequivalent per lidstaat en één extra voltijdequivalent per 10 miljoen inwoners. Zij zorgen ervoor dat productcontactpunten voor de bouw hun diensten verlenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1724 49 en dat zij samenwerken met de bij artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2019/515 ingestelde contactpunten voor wederzijdse erkenning 50 .

2.Productcontactpunten voor de bouw verstrekken op verzoek van een marktdeelnemer of een markttoezichtautoriteit van een andere lidstaat alle nuttige informatie over producten, zoals:

a)elektronische kopieën van of online toegang tot de nationale technische voorschriften en nationale administratieve procedures die van toepassing zijn op producten op het grondgebied waar de productcontactpunten voor de bouw zijn gevestigd;

b)informatie over de vraag of voor deze producten krachtens de nationale wetgeving een voorafgaande machtiging vereist is;

c)regels die van toepassing zijn op de verwerking, assemblage of installatie van producten.

De productcontactpunten voor de bouw verstrekken ook informatie over productgerelateerde bepalingen van deze verordening en van de overeenkomstig deze verordening vastgestelde handelingen.

3.De productcontactpunten voor de bouw beantwoorden alle uit hoofde van lid 3 bedoelde verzoeken binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek.

4.De productcontactpunten voor de bouw mogen geen vergoeding in rekening brengen voor het verstrekken van de in lid 3 bedoelde informatie.

5.De productcontactpunten voor de bouw zijn in staat hun taken op zodanige wijze uit te oefenen dat belangenconflicten worden voorkomen, met name waar het gaat om de procedures ter verkrijging van de CE-markering.

6.De leden 1 tot en met 6 zijn ook van toepassing op producten die nog niet onder geharmoniseerde technische specificaties vallen.

7.De Commissie zal een lijst van de nationale productcontactpunten voor de bouw bekendmaken en actualiseren.

Artikel 80

Opleidingen en uitwisseling van personeelsleden

1.Markttoezichtautoriteiten, productcontactpunten voor de bouw, aanwijzende autoriteiten, TBI’s, aanmeldende autoriteiten en aangemelde instanties zorgen ervoor dat hun personeel:

a)op de hoogte blijft van de ontwikkelingen op het betrokken bevoegdheidsterrein en ontvangt daartoe periodiek bijscholing, en

b)regelmatig opleidingen volgt over de geharmoniseerde interpretatie en toepassing van de bij of krachtens deze verordening vastgestelde regels.

2.De Commissie organiseert op gezette tijden en ten minste eenmaal per jaar gezamenlijke opleidingsevenementen voor het personeel van markttoezichtautoriteiten, aanmeldende autoriteiten en aangemelde instanties. De Commissie organiseert deze opleidingsevenementen in samenwerking met de lidstaten.

De opleidingsevenementen staan open voor deelname van het personeel van de krachtens artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen autoriteiten, de uit hoofde van artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen verbindingsbureaus en, in voorkomend geval, van andere autoriteiten van de lidstaten die betrokken zijn bij de uitvoering of handhaving van deze verordening. De Commissie kan bij overeenkomstig uitvoeringsbesluit toegang verlenen aan derde landen die deze verordening vrijwillig toepassen of die regelgevende systemen voor bouwproducten hebben die vergelijkbaar zijn met deze verordening.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 88, lid 1, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

3.De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten programma’s organiseren voor de uitwisseling van personeel tussen de markttoezichtautoriteiten, de aanmeldende autoriteiten en de aangemelde instanties van twee of meer lidstaten.

Artikel 81

Gedeelde rollen en gezamenlijke besluitvorming

1.Om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening met betrekking tot markttoezicht, aanwijzing van en toezicht op TBI’s, aangemelde instanties en productcontactpunten voor de bouw, kunnen de lidstaten:

a)een instantie of autoriteit aanwijzen die in samenwerking met een andere lidstaat of andere lidstaten wordt opgericht met het oog op gezamenlijke aanwijzing;

b)een instantie of autoriteit aanwijzen die reeds voor hetzelfde doel door een andere lidstaat is aangewezen, in samenwerking met die lidstaat;

De betrokken lidstaten zorgen er samen voor dat de gemeenschappelijke instanties of autoriteiten aan alle relevante eisen voldoen. Zij zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor hen, terwijl besluiten die ten aanzien van natuurlijke of rechtspersonen in een bepaalde lidstaat worden genomen, uitsluitend aan die lidstaat kunnen worden toegerekend.

2.De autoriteiten van de verschillende lidstaten kunnen, onverminderd hun individuele verplichtingen uit hoofde van deze verordening of andere wetgevingshandelingen, middelen en verantwoordelijkheden delen om de geharmoniseerde toepassing of doeltreffende handhaving van deze verordening te waarborgen.

Daartoe kunnen zij eveneens:

a)gezamenlijke besluiten nemen, met name met betrekking tot gezamenlijke grensoverschrijdende activiteiten of marktdeelnemers die actief zijn op het grondgebied van de betrokken lidstaten;

b)gemeenschappelijke projecten vaststellen, zoals gezamenlijke markttoezicht- of testprojecten;

c)middelen bundelen voor specifieke doeleinden, zoals het opbouwen van testcapaciteit of toezicht op internet;

d)de uitvoering van taken delegeren aan een vergelijkbare autoriteit van een andere lidstaat, waarbij zij formeel verantwoordelijk blijft voor de beslissingen van die autoriteit;

e)een taak van de ene lidstaat naar de andere overdragen, mits deze overdracht duidelijk aan alle betrokkenen wordt meegedeeld.

De betrokken lidstaten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de overeenkomstig dit lid genomen maatregelen.

HOOFDSTUK X

INTERNATIONALE SAMENWERKING

Artikel 82

Internationale samenwerking

1.De Commissie kan wat betreft het toepassingsgebied van deze verordening onder meer via de uitwisseling van informatie samenwerken met derde landen of internationale organisaties, zoals door:

a)handhavingsactiviteiten en -maatregelen in verband met de veiligheid en de bescherming van het milieu, met inbegrip van markttoezicht;

b)uitwisseling van gegevens van marktdeelnemers;

c)beoordelingsmethoden en productbeproeving;

d)gecoördineerde terugroepacties voor producten, verzoeken om corrigerende maatregelen en andere vergelijkbare acties;

e)wetenschappelijke, technische en regelgevingskwesties die gericht zijn op het verbeteren van de productveiligheid of de bescherming van het milieu;

f)nieuwe kwesties die van groot belang zijn op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid;

g)met normalisatie verband houdende activiteiten;

h)uitwisseling van ambtenaren.

2.De Commissie kan derde landen of internationale organisaties bepaalde informatie uit de productdatabank of het systeem zoals bedoeld in artikel 78, uit het in artikel 77 bedoelde systeem en uit de overeenkomstig deze verordening tussen autoriteiten uitgewisselde informatie verstrekken en relevante informatie ontvangen over producten en over preventieve, beperkende en corrigerende maatregelen die door deze derde landen of internationale organisaties zijn genomen. Waar relevant deelt de Commissie dergelijke informatie met nationale autoriteiten.

3.De informatie-uitwisseling als bedoeld in lid 2 kan gebeuren in de vorm van:

a)een niet-systematische uitwisseling in naar behoren gerechtvaardigde en specifieke gevallen;

b)een systematische uitwisseling op basis van een administratieve regeling waarin het type informatie dat moet worden uitgewisseld en de voorwaarden voor de uitwisseling zijn vastgesteld.

4.Kandidaat-lidstaten en derde landen kunnen volledig deelnemen aan het in artikel 78 bedoelde databanksysteem, aan het in artikel 77 bedoelde systeem en aan de informatie-uitwisseling tussen de autoriteiten als bedoeld in artikel 80, op voorwaarde dat hun wetgeving in overeenstemming is met deze verordening of dat zij door aangemelde instanties afgegeven certificaten of Europese technische beoordelingen overeenkomstig deze verordening erkennen. Voor een dergelijke deelname gelden dezelfde verplichtingen als voor de EU-lidstaten uit hoofde van deze verordening, met inbegrip van verplichtingen tot kennisgeving en follow-up. De volledige deelname aan de databank of het systeem zoals bedoeld in artikel 78 en het systeem zoals bedoeld in artikel 77 is gebaseerd op overeenkomsten tussen de Europese Unie en die landen.

5.Wanneer overeenkomsten met derde landen wederzijdse ondersteuning op het gebied van handhaving mogelijk maken, kunnen de lidstaten, na raadpleging van de Commissie, de in hoofdstuk VIII vastgestelde bevoegdheden ook gebruiken voor maatregelen tegen marktdeelnemers die onrechtmatig handelen in of ten aanzien van derde landen, op voorwaarde dat de derde landen de in artikel 2 VEU bedoelde fundamentele waarden, waaronder de rechtsstaat, eerbiedigen. De lidstaten kunnen derde landen via de Commissie verzoeken de overeenkomstig hoofdstuk VIII vastgestelde maatregelen te handhaven. Er vindt geen samenwerking uit hoofde van dit lid plaats wanneer er geen sprake is van feitelijke wederkerigheid of wanneer de Commissie andere punten van zorg aan de orde stelt, met name met betrekking tot de wettelijke voorwaarden van dit artikel of de vertrouwelijkheid van gegevens.

6.Elke informatie-uitwisseling op grond van dit artikel vindt, voor zover deze betrekking heeft op persoonsgegevens, plaats in overeenstemming met de EU-regels inzake gegevensbescherming. Indien de Commissie ten aanzien van het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie geen adequaatheidsbesluit overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) 2016/679 heeft vastgesteld, worden persoonsgegevens uitgesloten van de informatie-uitwisseling. Wanneer een adequaatheidsbesluit voor het derde land of de internationale organisatie is vastgesteld, kan de informatie-uitwisseling met dat derde land of die internationale organisatie persoonsgegevens bevatten die binnen het toepassingsgebied van het adequaatheidsbesluit vallen en alleen voor zover die uitwisseling noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

7.De informatie die op grond van dit artikel wordt uitgewisseld, wordt uitsluitend gebruikt voor de bescherming van de gezondheid, het milieu of de veiligheid en met inachtneming van de geheimhoudingsregels.

HOOFDSTUK XI

STIMULANSEN EN OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 83

Stimulansen van de lidstaten

1.Wanneer de lidstaten stimulansen bieden voor een productcategorie die onder een gedelegeerde handeling tot vaststelling van prestatieklassen overeenkomstig artikel 4, lid 4, punt a), of een “etikettering volgens het stoplichtmodel” overeenkomstig artikel 22, lid 5, valt, zijn die stimulansen gericht op de twee meest bevolkte energie-efficiëntieklassen/kleurcodes, of op hogere klassen/betere kleurcodes.

Wanneer in een gedelegeerde handeling prestatieklassen met betrekking tot meer dan één duurzaamheidsparameter worden gedefinieerd, wordt daarin aangegeven met betrekking tot welke parameter dit artikel moet worden uitgevoerd.

2.Indien geen gedelegeerde handeling uit hoofde van artikel 4, lid 4, wordt vastgesteld, kan de Commissie in de op grond van artikel 4, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen specificeren op welke prestatieniveaus met betrekking tot productparameters de stimulansen van de lidstaten betrekking hebben.

Daarbij houdt de Commissie rekening met de volgende criteria:

a)de relatieve betaalbaarheid van de producten, afhankelijk van het prestatieniveau ervan;

b)de noodzaak om te zorgen voor voldoende vraag naar ecologisch duurzamere producten.

Artikel 84

Groene overheidsopdrachten

1.De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 87 door duurzaamheidsvereisten vast te stellen voor overheidsopdrachten, met inbegrip van de uitvoering, monitoring en verslaglegging van die vereisten door de lidstaten.

2.De overeenkomstig lid 1 vastgestelde vereisten voor overheidsopdrachten die worden geplaatst door aanbestedende diensten, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2014/25/EU, of door aanbestedende instanties zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU, kunnen de vorm aannemen van verplichte technische specificaties, selectiecriteria, gunningscriteria, contractuele uitvoeringsvoorwaarden of doelstellingen, naargelang het geval.

3.Bij het vaststellen van vereisten overeenkomstig lid 1 voor overheidsopdrachten houdt de Commissie rekening met de volgende criteria:

a)de waarde en omvang van overheidsopdrachten die zijn gegund voor die productfamilie of -categorie of voor de diensten of werken waarbij de productfamilie of -categorie wordt gebruikt;

b)de noodzaak om te zorgen voor voldoende vraag naar ecologisch duurzamere producten;

c)de economische haalbaarheid voor aanbestedende diensten of aanbestedende instanties om ecologisch duurzamere producten te kopen, zonder dat dit buitensporige kosten met zich meebrengt.

HOOFDSTUK XII

REGELGEVINGSSTATUS VAN PRODUCTEN

Artikel 85

Regelgevingsstatus van producten

Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen bepalen of een specifiek item of een specifieke categorie items al dan niet onder de definitie van “bouwproduct” valt of een in artikel 2, lid 1, bedoeld item vormt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 88, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK XIII

WIJZIGINGEN

Artikel 86

Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/1020

Verordening (EU) 2019/1020 wordt als volgt gewijzigd:

1)Aan artikel 4, lid 5, wordt de volgende tekst toegevoegd: “[(EU) 2020/… (* 51 )]”.

2)In bijlage I wordt het volgende punt 72 toegevoegd aan de lijst van harmonisatiewetgeving van de Unie:

“72. Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011 (Voor het Publicatiebureau: gelieve de PB-gegevens in te vullen)”.

HOOFDSTUK XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 87

Gedelegeerde handelingen

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in artikel 4, leden 3, 4 en 5, artikel 5, leden 2 en 3, artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 8, artikel 11, lid 3, artikel 22, leden 4 en 5, artikel 35, lid 4, artikel 44, lid 1, artikel 73, leden 1 en 2, artikel 78, lid 1, artikel 84, lid 1, en artikel 90, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar vanaf … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 52 .

4.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4, leden 3, 4 en 5, artikel 5, leden 2 en 3, artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 8, artikel 11, lid 3, artikel 22, leden 4 en 5, artikel 35, lid 4, artikel 44, lid 1, artikel 73, leden 1 en 2, artikel 78, lid 1, artikel 84, lid 1, en artikel 90, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een overeenkomstig artikel 4, leden 3, 4 en 5, artikel 5, leden 2 en 3, artikel 6, leden 1, 2 en 3, artikel 8, artikel 11, lid 3, artikel 22, leden 4 en 5, artikel 35, lid 4, artikel 44, lid 1, artikel 73, leden 1 en 2, artikel 78, lid 1, artikel 84, lid 1, en artikel 90, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 88

Comité

1.De Commissie wordt bijgestaan door het comité voor bouwproducten. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing (raadplegingsprocedure).

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing (onderzoeksprocedure).

3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan van toepassing (urgente onderzoeksprocedure).

Artikel 89

Elektronische aanvragen, besluiten, documentatie en informatie

1.Alle aanvragen van of aan aangemelde instanties of TBI’s en besluiten van deze instanties of autoriteiten die overeenkomstig deze verordening worden genomen, kunnen op papier of in een algemeen gebruikt elektronisch formaat worden ingediend, mits de handtekening in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 910/2014 en de ondertekenaar is belast met de vertegenwoordiging van de instantie of de marktdeelnemer, overeenkomstig respectievelijk het recht van de lidstaten of het Unierecht.

2.Alle op grond van artikel 19, lid 7, artikel 21, lid 3, de artikelen 64 tot en met en 66 en bijlage V vereiste documentatie kan op papier of in een algemeen gebruikt elektronisch formaat worden verstrekt en op dusdanige wijze dat downloads via links die niet kunnen worden gewijzigd (permalinks) mogelijk zijn.

Aan alle informatieverplichtingen op grond van artikel 7, leden 3, 4 en 6, artikel 19, leden 1, 3 en 5, artikel 20, leden 2 en 3, artikel 21, leden 6 tot en met 9, artikel 22, lid 2, punten f) en i), artikel 23, lid 5, artikel 24, lid 6, artikel 25, lid 2, artikel 26, lid 4, artikel 27, lid 2, de artikelen 28 tot en met 39, artikel 41, lid 3, artikel 44, leden 3, 4, 6 en 7, artikel 45, lid 3, artikel 46, lid 2, artikel 47, artikel 49, lid 5, artikel 50, lid 11, artikel 53, lid 1, artikel 58, lid 1, artikel 59, lid 2, artikel 61, artikel 70, leden 1, 2, 4 en 6, artikel 71, lid 2, artikel 72, leden 1, 3 en 5, artikel 76, artikel 77, artikel 78, lid 3, artikel 79, leden 2 en 3, artikel 80, lid 2, artikel 82, leden 1 tot en met 3, 6 en 7, en artikel 91, kan langs elektronische weg worden voldaan. De overeenkomstig deel D van bijlage I te verstrekken informatie en de geharmoniseerde technische specificaties waarin deze wordt gespecificeerd, moeten echter op papier worden verstrekt voor producten die niet zijn voorzien van de vermelding “niet voor consumenten” of “alleen voor professioneel gebruik”. Bovendien kunnen consumenten verzoeken om andere informatie die op papier moet worden verstrekt.

Artikel 90

Sancties

1.De lidstaten stellen regels vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op non-conformiteit met deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze regels worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [datum invoegen — drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] in kennis van die regels en maatregelen en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen daarvan.

2.De lidstaten stellen met name regels vast inzake sancties voor de volgende gevallen van non-conformiteit van marktdeelnemers:

a)het in de handel brengen of op de markt aanbieden van een product dat niet van CE-markering is voorzien, terwijl een CE-markering verplicht is;

b)het aanbrengen van de CE-markering in strijd met artikel 17, lid 1, of zonder de juiste informatie die samen met de CE-markering overeenkomstig artikel 17, lid 2, moet worden verstrekt;

c)het aanbrengen van de CE-markering zonder voorafgaande afgifte van een prestatieverklaring;

d)het afgeven van een prestatieverklaring of conformiteitsverklaring waarbij niet aan de voorwaarden is voldaan;

e)de prestatieverklaring of de conformiteitsverklaring is onvolledig of onjuist;

f)de technische documentatie ontbreekt of is onvolledig of onjuist;

g)de overeenkomstig deel D van bijlage I te verstrekken informatie en degeharmoniseerde technische specificaties ontbreken, zijn onvolledig of onjuist;

h)de in artikel 21, lid 4, artikel 22, lid 2, punten f) en i), of artikel 21, lid 7, en artikel 24 bedoelde informatie ontbreekt, is onvolledig of onjuist;

i)er is niet voldaan aan een ander administratief voorschrift van de artikelen 21, 22 of 24;

j)de aan aangemelde instanties, TBI’s of autoriteiten te verstrekken informatie is niet verstrekt of is onjuist;

k)er worden geen maatregelen genomen die vereist zijn in geval van non-conformiteit of risico, en die verplicht zijn overeenkomstig artikel 21, leden 8 en 9, artikel 23, lid 3, punten d) en e), artikel 24, lid 5, artikel 25, lid 2, in samenhang met artikel 24, lid 5, artikel 27, lid 2, punt c), in samenhang met artikel 24, lid 5, en artikel 27, lid 2, punten d), e) en g);

l)de krachtens de artikelen 23 tot en met 27 op de marktdeelnemers rustende verplichtingen inzake product- en documentatiecontrole worden niet nagekomen, en

m)3D-printdiensten worden verleend in strijd met artikel 28.

3.De lidstaten stellen ook regels vast inzake sancties voor de volgende gevallen van niet-naleving door TBI’s en aangemelde instanties:

a)het afgeven van certificaten, testverslagen of Europese technische beoordelingen terwijl niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan;

b)het niet intrekken van certificaten, testverslagen of Europese technische beoordelingen wanneer de intrekking verplicht is;

c)de aan aangemelde instanties, TBI’s of autoriteiten te verstrekken informatie is niet verstrekt, is onvolledig of onjuist, en

d)de instructies van de autoriteiten worden niet opgevolgd.

4.De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door middel van een overeenkomstig artikel 87 vastgestelde gedelegeerde handeling teneinde evenredige minimumsancties vast te stellen die gericht zijn op alle marktdeelnemers, TBI’s en aangemelde instanties die direct of indirect betrokken zijn bij inbreuken op de verplichtingen van deze verordening.

Artikel 91

Evaluatie

Op zijn vroegst acht jaar na de datum van toepassing van deze verordening voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening en van de bijdrage ervan aan de werking van de interne markt en de verbetering van de milieuduurzaamheid van producten en bouwwerken en de gebouwde omgeving. De Commissie legt een verslag over haar belangrijkste bevindingen voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dit verslag.

Indien nodig gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze verordening.

Artikel 92

Intrekking

Verordening (EU) nr. 305/2011 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2045.

Verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 305/2011 gelden als verwijzingen naar deze verordening overeenkomstig de in bijlage VII opgenomen concordantietabel.

Artikel 93

Afwijkingen en overgangsbepalingen

1.Uit hoofde van Verordening (EU) nr. 305/2011 aangewezen productcontactpunten voor de bouw worden ook geacht te zijn aangewezen uit hoofde van deze verordening.

2.Uit hoofde van Verordening (EU) nr. 305/2011 aangewezen TBI’s en aangemelde instanties worden ook geacht te zijn aangewezen uit hoofde van deze verordening. Zij worden echter opnieuw beoordeeld en aangewezen door de aanwijzende lidstaten in overeenstemming met hun periodieke herbeoordelingscyclus en uiterlijk [vijf jaar na de inwerkingtreding]. De bezwaarprocedure van artikel 56, lid 5, die overeenkomstig artikel 43, lid 2, ook van toepassing is op TBI’s, is van toepassing.

3.De in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde normen blijven krachtens deze verordening geldig:

a)

b)

c)[in te voegen tijdens de onderhandelingen van de wetgevers].

4.Europese beoordelingsdocumenten die vóór [één jaar na de inwerkingtreding] zijn afgegeven, blijven geldig tot [drie jaar na de inwerkingtreding], tenzij zij om andere redenen zijn vervallen. Producten die op basis daarvan in de handel worden gebracht, mogen gedurende nog eens vijf jaar op de markt worden aangeboden.

5.Certificaten of testverslagen en Europese technische beoordelingen van aangemelde instanties die op grond van Verordening (EU) nr. 305/2011 zijn afgegeven, blijven vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomstig artikel 4, lid 2, vastgestelde geharmoniseerde technische specificaties voor de desbetreffende productfamilie of -categorie geldig, tenzij deze documenten om andere redenen zijn vervallen. Producten die op basis van deze documenten in de handel worden gebracht, mogen gedurende nog eens vijf jaar op de markt worden aangeboden.

6.De in de hoofdstukken I tot en met III vastgestelde eisen en verplichtingen voor marktdeelnemers met betrekking tot een bepaalde productgroep of -familie zijn van toepassing vanaf één jaar na de inwerkingtreding van de geharmoniseerde technische specificatie voor die productgroep of -familie. Marktdeelnemers kunnen kiezen voor de vrijwillige toepassing van deze verordening vanaf de inwerkingtreding van die geharmoniseerde technische specificaties door de procedure te volgen die tot een prestatie- of conformiteitsverklaring leidt.

7.Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van een geharmoniseerde technische specificatie voor een bepaalde productgroep of -familie schrapt de Commissie de referentienummers van geharmoniseerde normen en EBD’s die voor de respectieve productgroep of -familie zijn vastgesteld, uit het Publicatieblad.

Artikel 94

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van [één maand na de inwerkingtreding].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De Voorzitter    De Voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) 

Eengemaakte markt voor bouwproducten.

Het voorstel draagt bij tot de volgende kernprioriteiten van de Europese Commissie: de Green Deal, een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk, een economie die werkt voor de mensen, een sterker Europa in de wereld.

1.3.Het voorstel/initiatief betreft: 

een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 53  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie 

1.4.Doelstelling(en)

1.4.1.Algemene doelstelling(en)

De twee algemene doelstellingen van de herziening zijn:

1. een goede werking van de eengemaakte markt voor bouwproducten tot stand brengen, en die

2. het kader geschikt maken om bij te dragen aan de doelstellingen van de groene en digitale transitie, met name de moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie.

1.4.2.Specifieke doelstelling(en)

Specifieke doelstellingen zijn:

·het systeem voor technische harmonisatie deblokkeren;

·het verminderen van nationale handelsbelemmeringen voor producten die onder de bouwproductenverordening vallen;

·de handhaving en het markttoezicht verbeteren;

·voor meer duidelijkheid (uitgebreidere definities, minder overlappingen, collisieregels met andere wetgeving) en vereenvoudiging zorgen;

·de administratieve lasten verminderen, onder meer door vereenvoudiging en digitalisering;

·veilige bouwproducten waarborgen;

·bijdragen tot het verminderen van de algehele klimaat- en milieueffecten van bouwproducten, onder meer door de toepassing van digitale instrumenten (digitaal productpaspoort).

1.4.3.Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

De herziening van de bouwproductenverordening heeft tot doel de eengemaakte markt voor bouwproducten te herstellen en te verbeteren. Zij zal een gelijk speelveld tot stand brengen voor alle producenten, met name kmo’s in alle lidstaten. Fabrikanten zullen meer verplichtingen moeten nakomen om hun producten op de markt te brengen, maar zullen tegelijkertijd meer zakelijke kansen hebben. Bovendien zullen de lidstaten de bevoegdheid krijgen om bepaalde micro-ondernemingen vrij te stellen van de bouwproductenverordening. De geplande werkverdeling en de technische afstemming op de verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten zullen onnodige lasten voor bedrijven, kmo’s en micro-ondernemingen voorkomen. Een beter functionerende eengemaakte markt zal de productiekosten en dus de prijzen verlagen en bouwondernemingen toegang geven tot een ruimere keuze aan producten. In het algemeen zullen fabrikanten en het ecosysteem van de bouw baat hebben bij de herziening.

1.4.4.Prestatie-indicatoren

Het uitgangspunt voor indicatoren op het gebied van normalisatie is het aantal aanvaardbare technische documenten die als geharmoniseerde normen in het PBEU moeten worden vermeld op het totale aantal geharmoniseerde normen dat ter bekendmaking aan de Commissie wordt voorgelegd. Deze indicator maakt het mogelijk het percentage bekendmakingen te berekenen en de redenen voor het niet bekendmaken of het inhouden van bekendmakingen beter te monitoren en te identificeren, indien deze nog bestaan. Bovendien is de gemiddelde duur van het proces van afgifte van een normalisatieverzoek van de Commissie tot de verstrekking van ontwerpnormen door het CEN belangrijk, aangezien aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of een van de door de belanghebbenden bij het normalisatieproces vastgestelde problemen, namelijk de lengte van het normalisatieproces, is opgelost/verbeterd. Deze indicator moet een onderscheid maken tussen nieuw ontwikkelde harmonisatienormen en gewijzigde en gecorrigeerde harmonisatienormen, die over het algemeen minder tijd zouden moeten vergen indien de normen regelmatig binnen het CEN worden geëvalueerd en waar nodig worden gewijzigd.

Een andere outputindicator is de beschikbaarheid van milieu-informatie, evenals de hoeveelheid milieu- en productveiligheidsvereisten die in de technische specificaties is opgenomen. Het aantal hiervan zal in de loop van de tijd toenemen, waardoor bouwproducten en bouwwerken veiliger en duurzamer worden. Het aantal technische specificaties met milieu-informatie en -vereisten (of productfamilies waarop deze betrekking hebben) en het relatieve belang ervan op het gebied van milieu zijn parameters die bijdragen tot de beoordeling van de mate waarin de milieuoverwegingen als gevolg van dit voorstel zijn toegenomen.

Bij het meten van verbeteringen in het markttoezicht zal de Commissie de lidstaten raadplegen. Een succesvolle uitvoering zou eerst moeten leiden tot het opsporen van meer non-conforme bouwproducten en vervolgens tot een vermindering van dit aantal. Een indicator voor het toezicht zou het niveau van vertrouwen onder marktdeelnemers kunnen zijn, waarvoor een evaluatie na vier tot vijf jaar informatie zou kunnen opleveren via raadplegingen van belanghebbenden.

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

1) Een einde maken aan de discrepantie tussen de door de Commissie toegepaste juridische criteria en het vermogen van de normalisatie-instellingen om de gevraagde output te leveren. Een alternatief bieden wanneer het normalisatieproces niet tot stand komt. De onvolledigheid van de harmonisatie verhelpen.

2) Het verminderen van nationale handelsbelemmeringen voor producten die onder de bouwproductenverordening vallen. De handhaving en het markttoezicht verbeteren. Zorgen voor de duidelijkheid van de bepalingen en met name voor vereenvoudigingsbepalingen.

3) De toepassing van digitale instrumenten opnemen. Verwijzing naar duurzaamheidsprestaties opnemen. De veiligheid van bouwproducten waarborgen. Producten opnemen die niet onder het huidige toepassingsgebied van de wetgeving inzake productveiligheid vallen, zoals 3D-geprinte producten.

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.

Redenen voor maatregelen op Europees niveau (ex ante)

Met de bouwproductenverordening is de eengemaakte markt voor bouwproducten niet tot stand gebracht. Op nationaal niveau verhinderen onvoldoende markttoezicht en handhaving dat de voordelen in de vorm van openstelling van de markten en een gelijk speelveld voor concurrenten volledig gestalte krijgen. Bovendien zijn sommige bepalingen van de bouwproductenverordening onvoldoende duidelijk of leiden zij tot overlappingen, hetzij binnen het kader van de bouwproductenverordening zelf, hetzij tussen de bouwproductenverordening en andere EU-wetgeving. Daarnaast is het voor de bouwproductenverordening onmogelijk om bredere beleidsprioriteiten te verwezenlijken, met name de groene en de digitale transitie.

Verwachte gegenereerde toegevoegde waarde van de Unie (ex post)

Dit voorstel zal naar verwachting de algemene werking van de eengemaakte markt voor bouwproducten verbeteren, met name door de huidige problemen in verband met het normalisatiesysteem aan te pakken en verdere handelsbelemmeringen weg te nemen, zoals dubbele toepassing of overlapping van regelgeving op EU- of nationaal/regionaal niveau. Dit zou op zijn beurt de rechtszekerheid en voorspelbaarheid vergroten en het gelijke speelveld voor de bouwsector verbeteren. Het vertrouwen in het hele systeem zou worden verbeterd dankzij een meer gestroomlijnd markttoezicht in de hele EU. Tot slot heeft dit voorstel betrekking op de klimaat- en milieuprestaties en circulariteit van bouwproducten, die alleen kunnen worden aangepakt op EU-niveau, waar de gemeenschappelijke technische taal wordt ontwikkeld.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

De ervaring met de bouwproductenverordening heeft de volgende lessen opgeleverd:

1) Er is behoefte aan consistentie tussen de toegepaste juridische criteria en het vermogen van de normalisatie-instellingen om de gevraagde output te leveren.

2) Er is behoefte aan een alternatief wanneer het normalisatieproces niet tot stand komt.

3) De duidelijkheid van de bepalingen van de verordening moeten worden gewaarborgd.

4) De verordening moet bredere beleidsprioriteiten kunnen verwezenlijken.

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Het voorstel is verenigbaar met het huidige meerjarige financiële kader.

Het voorstel bevat geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten op de eengemaakte markt. Vanwege de complexiteit ervan kunnen sommige activiteiten in theorie worden gedelegeerd aan een extern agentschap, maar dit wordt momenteel niet gepland.

Wat mogelijke synergieën betreft, schept het voorstel synergieën, met name met andere initiatieven, waaronder de verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

N.v.t.

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

beperkte geldigheidsduur

   van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ.

   financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte geldigheidsduur

Uitvoering met een opstartperiode vanaf 2024 (vaststelling en bekendmaking van het voorstel waarschijnlijk niet vóór 2025, maar een aanlooptijd van één jaar voor de belangrijkste uitvoerings- en gedelegeerde handelingen is een minimum), gevolgd door volledige uitvoering in 2025 of later, afhankelijk van het tijdstip van vaststelling.

1.7.Geplande beheersvorm(en) 54  

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

 door de uitvoerende agentschappen.

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

 derde landen of de door hen aangewezen organen;

 internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

 de EIB en het Europees Investeringsfonds;

 de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

 publiekrechtelijke organen;

 privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

 privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

 personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder “Opmerkingen”.

Opmerkingen

n.v.t.

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen 

Vermeld frequentie en voorwaarden.

De verordening kan periodiek worden geëvalueerd. De Commissie zal niet eerder dan acht jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe bouwproductenverordening een verslag indienen over de uitvoering ervan, zodat de resultaten en effecten van de herziening tot stand kunnen komen.

Een dergelijk evaluatieverslag moet met name een beoordeling bevatten van de doeltreffendheid van de herziene wetgeving — met bijzondere aandacht voor de kwesties die onder de in punt 1.4.4 genoemde indicatoren vallen, alsook van de efficiëntie, relevantie, samenhang en meerwaarde van de EU ervan.

Daarnaast kan de Commissie verschillende monitoringacties uitvoeren.

2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en) 

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Het voorstel regelt alleen het verhandelen van bouwproducten, onder meer door bepaalde milieukenmerken op te nemen om overeen te stemmen met de verordening betreffende ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Het gaat dus om een klassiek soort productwetgeving. Klassieke productwetgeving wordt meestal door de Commissie zelf uitgevoerd, aangezien de vele juridische stappen en kwesties moeilijk kunnen worden uitbesteed aan entiteiten die niet over een uitstekende kennis van de desbetreffende wetgeving beschikken. Voor bepaalde aspecten kan het echter noodzakelijk of op zijn minst nuttig zijn om gebruik te maken van dienstverleners die via openbare aanbestedingen worden geselecteerd. Dit kan met name het geval zijn voor informatiesystemen die nodig zijn voor de uitvoering.

De gebruikelijke mechanismen van één enkele controle van de Commissie, met inbegrip van die welke van toepassing zijn op openbare aanbestedingen, moeten van toepassing zijn en zullen volstaan. Er is geen reden voor afwijkende, bijzondere uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategieën.

Het voorstel zal echter leiden tot een toename van de benodigde personele middelen. Het voorstel maakt het mogelijk de belangrijkste tekortkomingen in het kader van de bouwproductenverordening aan te pakken, bv. normalisatie, en stelt de milieu- en productveiligheidsvereisten vast, onafhankelijk van de prestaties die verband houden met bouwwerken. Ook zou het de doelstellingen die voortvloeien uit de nieuwe industriestrategie, de normalisatiestrategie, de Europese Green Deal, het actieplan voor de circulaire economie en andere daarmee samenhangende initiatieven in de context van bouwproducten doeltreffend aanpakken. Deze nieuwe aspecten vereisen ook een coherentiemechanisme voor de grensoverschrijdende toepassing van de nieuwe verplichtingen uit hoofde van deze verordening, evenals een informatie- en communicatiesysteem voor de verzameling, verwerking en opslag van informatie.

Om de nieuwe taken aan te kunnen, moeten de diensten van de Commissie over voldoende middelen beschikken. De uitvoering van de verordening vereist naar schatting in totaal 15 VTE.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken

Om het inherente risico op belangenconflicten met betrekking tot aangemelde instanties te beperken, worden eisen voor aanmeldende autoriteiten vastgesteld.

De Commissie zal het risico van non-conformiteit met de verordening monitoren via het meldingssysteem dat zij zal ontwikkelen (portaal voor waarschuwingen over non-conformiteit).

Er bestaat een duidelijke behoefte aan een efficiënt en effectief beheer van de begroting waarbij fraude en verspilling moeten worden voorkomen. Het controlesysteem moet echter een juist evenwicht vinden tussen het bereiken van een aanvaardbaar foutenpercentage en de vereiste last van de controle.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting). 

N.v.t.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

De vastgestelde fraudebestrijdingsmaatregelen staan in artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 en houden het navolgende in:

1. Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van toepassing.

2. Het Agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt onverwijld de dienovereenkomstige voorschriften vast, die op alle personeelsleden van het Agentschap van toepassing zijn.

3. In de financieringsbesluiten en de uitvoeringsovereenkomsten en -instrumenten die uit die besluiten voortvloeien, wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Rekenkamer en OLAF, indien nodig, tot controle ter plaatse kunnen overgaan bij de begunstigden van de middelen van het agentschap en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen.

Overeenkomstig deze bepaling heeft de raad van bestuur van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht op 28 juni 2012 een besluit vastgesteld over de voorwaarden voor interne onderzoeken in verband met het voorkomen van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad.

De strategie voor fraudepreventie en -opsporing van DG GROW zal van toepassing zijn.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgave

Bijdrage



Rubriek 1

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

GK/NGK 55

van EVA-landen 56

van kandidaat-lidstaten 57

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement

1

03.010101 — Ondersteunende uitgaven voor het programma voor de eengemaakte markt

NGK

JA

NEE6

NEE6

NEE

1

03.020101 — Werking en ontwikkeling van de interne markt voor goederen en diensten

GK

JA

NEE 58

NEE6

NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel
kader

1

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

DG: GROW

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Post
2027

TOTAAL

□ Beleidskredieten

03.020101

Vastleggingen

(1a)

0,860

0,860

0,860

0,860

3,440

Betalingen

(2a)

0,258

0,688

0,860

0,860

0,774

5,160

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 59  

Begrotingsonderdeel 03.010101

(3)

0

0

0

0

0

0

TOTAAL kredieten
voor DG GROW

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,860

0,860

0,860

0,860

3,440

Betalingen

=2a+2b

+3

0,258

0,688

0,860

0,860

0,774

3,440





TOTAAL beleidskredieten

Vastleggingen

(4)

0,860

0,860

0,860

0,860

3,440

Betalingen

(5)

0,258

0,688

0,860

0,860

0,774

3,440

□ TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0

0

0

0

0

0

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 1
van het meerjarig financieel kader

Vastleggingen

=4+6

0,860

0,860

0,860

0,860

3,440

Betalingen

=5+6

0,258

0,688

0,860

0,860

0,774

3,440





Rubriek van het meerjarig financieel
kader

7

“Administratieve uitgaven”

Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de “administratieve begrotingsgegevens”, die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum (bijlage V bij de interne voorschriften), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Jaar
2028

Jaar
2029

Post
2029

TOTAAL

DG: GROW

□ Personele middelen

1,099 

 1,099

1,099 

0,942 

0,942 

0,628 

5,809 

□ Andere administratieve uitgaven

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

1,020

TOTAAL DG GROW

Kredieten

1,269 

 1,269

1,269

1,112 

1,112 

0,798 

6,829

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

1,269 

 1,269

1,269 

1,112 

1,112 

0,798 

6,829 

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Jaar
2028

Jaar
2029

Post
2029

TOTAAL

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEKEN 1 tot en met 7
van het meerjarig financieel kader
 

Vastleggingen

2,109

2,109

2,109

1,952

1,952

1,638

11,989

Betalingen

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met beleidskredieten 

Het wetgevingsvoorstel heeft tot doel de werking van de eengemaakte markt voor bouwproducten te verbeteren door het systeem voor technische harmonisatie aan te pakken, de handhaving en het markttoezicht te verbeteren, de bepalingen voor kmo’s te vereenvoudigen en de juridische duidelijkheid van het kader in zijn geheel te vergroten. Het heeft ook tot doel de veiligheid van bouwproducten te verbeteren en bij te dragen tot het verminderen van de algehele klimaat- en milieueffecten van bouwproducten.

Als zodanig kunnen de resultaten van het initiatief niet worden gelijkgesteld met producten of diensten; er kunnen hiervoor dus geen kostenramingen worden verstrekt.

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Jaar
2028

Jaar
2029

Post
2029

TOTAAL

RUBRIEK 7van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

1,099 

 1,099

1,099 

0,942 

0,942 

0,628 

5,809 

Andere administratieve uitgaven

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

1,020

Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

1,269 

1,269

1,269 

1,112 

1,112 

0,798 

6,829 

Buiten RUBRIEK 7 60
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

Andere uitgaven
van administratieve aard

0

0

0

0

0

0

Subtotaal
buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

0

0

0

0

0

0

TOTAAL

1,269

 1,269

1,269 

1,112 

1,112 

0,798 

6,829 

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Geraamde personeelsbehoeften

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Jaar
2028

Jaar
2029

Jaar
2029

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

7

7

7

6

6

4

20 01 02 03 (delegaties)

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)

 Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE) 61

20 02 01 (AC, END, INT van de “totale financiële middelen”)

20 02 03 (AC, AL, END, INT en JPD in de delegaties)

XX 01 xx jj zz 62

- zetel

- delegaties

01 01 01 02 (AC, END, INT — onderzoek onder contract)

01 01 01 12 (AC, END, SNE — eigen onderzoek)

Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)

TOTAAL

7

7

7

6

6

4

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

oHet voortouw nemen met betrekking tot het acquis inzake de bouwproductenverordening, coördinatie met CEN en EOTA, contacten onderhouden met adviseurs op het gebied geharmoniseerde normen en de bouwproductenverordening, ontwikkeling van gedelegeerde handelingen inzake klassen en drempels en systemen voor de beoordeling en verificatie van prestatiebestendigheid. 

oErvoor zorgen dat de 600 geharmoniseerde normen (en bijkomstige rechtshandelingen) die in het kader van de vorige bouwproductenrichtlijn en -verordening zijn ontwikkeld, door het CEN worden herzien en opnieuw worden goedgekeurd en door de Commissie opnieuw worden beoordeeld met het oog op een eventuele bekendmaking in het PBEU binnen vijf jaar.

oOntwikkeling en bekendmaking van nieuwe normen.

oVerwerking van nieuwe EBD’s.

oHet definiëren van aanvullende productvereisten en duurzaamheidsaspecten van bouwproducten die in het kader van het voorstel in de relevante normen moeten worden opgenomen, zal leiden tot extra werklast bij de voorbereiding van de desbetreffende handelingen van de Commissie (sectorale eenheid met steun van het JRC), alsook tot complexere normalisatieverzoeken, waarop normen moeten worden ontwikkeld en beoordeeld.

oOntwikkeling van technische specificaties door de Commissie wanneer de desbetreffende geharmoniseerde normen niet door de ENO’s worden geleverd.

oHet opzetten en onderhouden van de databank of het systeem van de bouwproductenverordening.

oBehandeling van klachten via het portaal voor waarschuwingen van non-conformiteit.

oCoördinatie van aangemelde instanties.

oHet analyseren van nationale bepalingen gericht op non-conforme producten.

oUitvoering van de EU-vrijwaringsprocedure.

oVaststelling van gedelegeerde handelingen met betrekking tot het minimumaantal door de markttoezichtautoriteiten uit te voeren controles.

oHet opstellen van jaarverslagen op basis van gedetailleerde statistische gegevens over de door hun markttoezichtautoriteiten uitgevoerde controles.

oVerzameling en ontwikkeling van interpretatieregels.

oHet verstrekken van opleiding aan markttoezichtautoriteiten, productcontactpunten voor de bouw, aangemelde instanties en andere relevante autoriteiten.

oOndersteuning van internationale samenwerking (uitwisseling van informatie over handhaving, gegevens van marktdeelnemers, normalisatieactiviteiten, regelgevingskwesties, beoordelings- en testmethoden).

oHet organiseren van informatie-uitwisseling tussen de lidstaten over stimulansen om duurzame producten bij aanbestedingen te promoten, het bekendmaken van de resultaten van dergelijke uitwisselingen en van richtsnoeren om een zo breed mogelijk gebruik van dergelijke stimulansen te bevorderen.

oBeheer van projecten, technisch secretariaat, gedelegeerde regelgeving in verband met brandveiligheid.

oBriefings voorbereiden.

oAlgemene coördinatie.

Extern personeel

3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader

Het voorstel/initiatief:

kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK).

Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. Verstrek een Excel-tabel in het geval van een omvangrijke herprogrammeringsexercitie.

   hiervoor moet een beroep worden gedaan op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen, de desbetreffende bedragen en de voorgestelde instrumenten.

   hiervoor is een herziening van het MFK nodig.

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

3.2.5.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
N 63

Jaar
N+1

Jaar
N+2

Year
N+3

zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor overige ontvangsten

geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 64

Jaar
N

Jaar
N+1

Jaar
N+2

Jaar
N+3

zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel ………….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

[…]

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

[…]



BIJLAGE
bij het FINANCIEEL MEMORANDUM

Benaming van het voorstel/initiatief:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011

Deze bijlage moet het financieel memorandum vergezellen wanneer met de dienstenoverkoepelende raadpleging wordt begonnen.

De gegevens in tabelvorm worden gebruikt als bron voor de in het financieel memorandum opgenomen tabellen. Zij zijn voor strikt intern gebruik binnen de Commissie.

1.Kosten van nodig geachte personele middelen

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

RUBRIEK 7

van het meerjarig financieel kader

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar 2028

Jaar 2029

TOTAAL

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 – Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie

AD

 7

1,099

7

1,099

7

1,099

6

0,942

6

0,942

4

0,628

 

5,809

AST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20 01 02 03 – EU-delegaties

AD

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Extern personeel 65

20 02 01 en 20 02 02 – Extern personeel – Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie

AC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

END

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 03 – Extern personeel – EU-delegaties

AC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

END

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JPD

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere HR-begrotingsonderdelen (geef aan welke)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Subtotaal HR — RUBRIEK 7

 

 7

1,099

7

1,099

7

1,099

6

0,942

6

0,942

4

0,628

 

5,809

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Buiten RUBRIEK 7

van het meerjarig financieel kader

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar 2028

Jaar 2029

TOTAAL

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

VTE

Kredieten

Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

01 01 01 01 Onderzoek onder contract 66

01 01 01 11 Eigen onderzoek

Anders (licht toe)

AD

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AST

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Extern personeel 67

Extern personeel uit beleidskredieten (vroegere “BA” -onderdelen).

- zetel

AC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

END

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- in EU-delegaties

AC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

END

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JPD

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

01 01 01 02 Onderzoek onder contract

01 01 01 12 Eigen onderzoek

Anders (licht toe) 68

AC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

END

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere HR-begrotingsonderdelen (geef aan welke)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Subtotaal HR — Buiten RUBRIEK 7

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal HR (alle rubrieken van het MFK)

 7

1,099

7

1,099

7

1,099

6

0,942

6

0,942

4

0,628

5,809

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

2.Kosten van andere administratieve uitgaven

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

RUBRIEK 7

van het meerjarig financieel kader

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar 2028

Jaar 2029

TOTAAL

Op de zetel of op het grondgebied van de EU:

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 06 01 — Dienstreizen en representatie

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 06 02 — Conferenties en vergaderingen

 0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

 

1,020

20 02 06 03 — Comités 69

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 06 04 — Studies en adviezen

 

 

 

 

 

 

 

 

20 04 — Uitgaven die verband houden met informatie- en communicatietechnologie 70  

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere niet HR-begrotingsonderdelen (geef waar nodig aan welke)

 

 

 

 

 

 

 

 

In EU-delegaties

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 07 01 — Dienstreizen, conferenties en representatie

 

 

 

 

 

 

 

 

20 02 07 02 — Bijscholing van personeel

 

 

 

 

 

 

 

 

20 03 05 — Infrastructuur en logistiek

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere niet HR-begrotingsonderdelen (geef waar nodig aan welke)

 

 

 

 

 

 

 

 

Subtotaal Andere — RUBRIEK 7

van het meerjarig financieel kader

 0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

 

1,020

De benodigde administratieve kredieten zullen worden gefinancierd uit de kredieten die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de bestaande budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Buiten RUBRIEK 7 

van het meerjarig financieel kader

Jaar N 71

Jaar N+1

Jaar N+2

Jaar N+3

Jaar N+4

Jaar N+5

Jaar N+7

Totaal

Uitgaven voor technische en administratieve bijstand (exclusief extern personeel) uit beleidskredieten (vroegere “BA”-onderdelen):

 

 

 

 

 

 

 

 

- zetel

 

 

 

 

 

 

 

 

- in EU-delegaties

 

 

 

 

 

 

 

 

Overige beheersuitgaven voor onderzoek

 

 

 

 

 

 

 

 

IT-uitgavenbeleid inzake operationele programma’s 72  

IT-bedrijfsuitgaven inzake operationele programma’s 73

Andere niet HR-begrotingsonderdelen (geef waar nodig aan welke)

 

 

 

 

 

 

 

 

Subtotaal Andere — Buiten RUBRIEK 7

van het meerjarig financieel kader

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale andere administratieve uitgaven (alle MFK-rubrieken)



3.Totale administratieve kosten (alle MFK-rubrieken)

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Samenvatting

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar 2028

Jaar 2029

Totaal

Rubriek 7 — Personele middelen

1,099 

 1,099

1,099 

0,942 

0,942 

0,628 

5,809 

Rubriek 7 — Andere administratieve uitgaven

 0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

0,170

 1,020

Subtotaal rubriek 7

1,269 

 1,269

1,269 

1,112 

1,112 

0,798 

6,829 

Buiten rubriek 7 — Personele middelen

 

 

 

 

 

 

 

Buiten rubriek 7 — Andere administratieve uitgaven

 

 

 

 

 

 

 

Subtotaal andere rubrieken

 

 

 

 

 

 

 

1.TOTAAL

2.RUBRIEK 7 en buiten RUBRIEK 7

1,269 

 1,269

1,269 

1,112 

1,112 

0,798 

6,829 

De benodigde administratieve kredieten zullen worden gefinancierd uit de kredieten die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de bestaande budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

4.Voor kostenramingen gebruikte berekeningsmethoden

4.1.Personele middelen

In dit deel wordt de berekeningsmethode toegelicht die is gebruikt om de benodigde personele middelen te ramen (veronderstelde werklast, bijzondere taken (Sysper 2-taakprofielen, personeelscategorieën en overeenkomstige gemiddelde kosten)

RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

NB: De gemiddelde kosten van elke personeelscategorie op het hoofdkantoor zijn te vinden op BudgWeb:

https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/pre/legalbasis/Pages/pre-040-020_preparation.aspx

Ambtenaren en tijdelijk personeel

·Met de herziening wordt het toepassingsgebied van de bouwproductenverordening uitgebreid, zowel wat betreft de bestreken producten als de vereisten (bv. milieu-, duurzaamheids- en veiligheidsvereisten). Er zullen meer geharmoniseerde normen komen, die complexer zullen zijn. Daarom zal de beoordeling van de geharmoniseerde normen dezelfde middelen vereisen als de Europese beoordelingsdocumenten (EBD’s), d.w.z. 2,5 werkdagen per geharmoniseerde norm.

·Aangezien in de vijf jaar na de inwerkingtreding ongeveer 600 geharmoniseerde normen moeten worden herzien, kan ervan worden uitgegaan dat elk jaar 120 normen moeten worden beoordeeld, d.w.z. 2,5 werkdagen per 1 beoordeling, wat neerkomt op 300 werkdagen.

·Gelijktijdig zal worden gewerkt aan het acquis met betrekking tot de bouwproductenverordening en de ontwikkeling van nieuwe normalisatieverzoeken of uitvoeringshandelingen. Het acquis vereist 1 VTE, wat neerkomt op 220 werkdagen.

·Rekening houdend met 5 rechtshandelingen per jaar (nieuwe normalisatieverzoeken, gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen) en ongeveer 30 dagen ontwikkelingstijd per handeling komt dit neer op 150 werkdagen (met inbegrip van de ondersteuning van een advocaat waarbij de gebruikelijke 0,2 VTE aanzienlijk wordt overschreden).

·De EOTA-route (EBD’s) is beperkt tot producten die niet door geharmoniseerde normen worden bestreken. Er zijn geen nieuwe vereisten ingevoerd voor de EBD’s, zodat voor maximaal 30 EBD’s per jaar kan worden uitgegaan van dezelfde beoordelingstijd als op dit moment (2,5 werkdagen). Dit komt neer op 75 werkdagen.

·De nieuwe bouwproductenverordening bevat een reeks aanvullende bepalingen om technisch personeel in dienst te nemen op basis van 0,5 VTE, dus ongeveer 110 werkdagen;

300+220+150+75+110 = 855 werkdagen; rekening houdend met de eerder geraamde middelen waarbij 0,66 VTE aan ingenieurs is bestemd voor technische harmonisatie 855/(220*0,666) = 5 VTE ingenieurs (naar beneden afgerond als gevolg van een mogelijke herschikking van taken binnen het huidige team).

Wat juridische en administratieve ondersteuning betreft, hebben we, gezien de inzet van 0,2 VTE voor elke activiteit van een ingenieur en ongeveer 1 VTE-advocaat voor de 5 rechtshandelingen per jaar, een minimum van 1 VTE-advocaat + 1 AST nodig om alle procedures te coördineren.

Dit komt dus neer op een totaal van 7 VTE.

Extern personeel

Buiten RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

Alleen uit de begroting voor onderzoek gefinancierde posten 

Extern personeel

4.2.Andere administratieve uitgaven

Verstrek gegevens over de voor elk begrotingsonderdeel gebruikte berekeningsmethode

en meer in het bijzonder over de achterliggende aannamen (bv. aantal vergaderingen per jaar, gemiddelde kosten enz.)

RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

Het aantal vergaderingen na de inwerkingtreding van het voorstel zou moeten overeenkomen met de pre-COVID-situatie in het kader van de bouwproductenverordening, d.w.z.:

-Adviesgroep voor de bouwproductenverordening: 2 vergaderingen per jaar (gemiddeld 54 deelnemers, gemiddelde kosten 450 EUR per deelnemer), circa 48 600 EUR

-Permanent Comité voor de bouw: 2 vergaderingen per jaar (gemiddeld 54 deelnemers, gemiddelde kosten 450 EUR per deelnemer), circa 48 600 EUR

-Stuurgroep voor het acquis bouwproductenverordening: 3 vergaderingen per jaar (gemiddeld 54 deelnemers, gemiddelde kosten 450 EUR per deelnemer), circa 73 000 EUR

TOTAAL: 170 000 EUR

Buiten RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(1)    Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
(2)    Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad, COM(2016445 final.
(3)    Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2019)1770 — Evaluatie van Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad.
(4)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank, Schone energie voor alle Europeanen, COM(2016860.
(5)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, De Europese Green Deal, COM(2019640.
(6)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een nieuw actieplan voor de circulaire economie.
(7)    COM(2020662 final.
(8)    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking), COM(2021802 final.
(9)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Nieuwe EU-bosstrategie voor 2030, COM(2021572 final.
(10)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Duurzame koolstofcycli, COM(2021800 final.
(11)    Uitvoering van Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten (de bouwproductenverordening), 2020/2028(INI) en https://www.consilium.europa.eu/media/41508/st14523-en19.pdf
(12)    Om de vereenvoudiging en vermindering van onnodige regelgevingskosten aan te tonen en tegelijkertijd de onderliggende beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, is in de effectbeoordeling een tabel opgenomen waarin de kostenbesparingen van de voorkeursoptie van het Refit-programma worden geïllustreerd. Bovendien wordt het nieuwe “one in, one out”-beginsel toegepast, waardoor het Refit-programma wordt versterkt.
(13)    Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor vaststelling van de eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten.
(14)    D.w.z. artikel 5 (afwijkingen van de opstelling van een prestatieverklaring), artikel 36 (bedoeld ter voorkoming van onnodige herhaling van tests), artikel 37 (vereenvoudigde procedures voor micro-ondernemingen) en artikel 38 (vereenvoudigde procedures voor afzonderlijk of als maatwerk in een niet-seriematig productieproces vervaardigde producten).
(15)    Een “digital building logbook” is een dynamisch instrument voor het registreren, raadplegen, verrijken en in specifieke categorieën indelen van uiteenlopende gegevens, informatie en documenten. Het vormt een registratie van belangrijke gebeurtenissen en wijzigingen tijdens de levenscyclus van een gebouw, zoals verandering van eigendom, exploitatie of gebruik, onderhoud, renovatie en andere ingrepen. Definition of the digital building logbook — Bureau voor publicaties van de Europese Unie (europa.eu) .
(16)    Level(s) is een door de Europese Commissie ontwikkeld en op circulariteit gebaseerd hulpmiddel voor beoordeling van en rapportage over de duurzaamheidsprestaties van gebouwen: Level(s) (europa.eu)
(17)    [placeholder: 2nd in-depth review]
(18)    COM(2020102 final, “The 2020 Industrial Policy package” bevat ook een specifieke strategie voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s; COM(2020103 final) en specifieke maatregelen voor aanpak van de belemmeringen voor een goed werkende eengemaakte markt en betere handhaving van de gezamenlijk overeengekomen regels, COM(202093 final en COM(202094 final.
(19)    COM(2021350 final, Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa.
(20)    SWD(2021419 final, https://ec.europa.eu/docsroom/documents/47996
(21)    COM(2020103 final.
(22)    COM(202231 final.
(23)    Economisti Associati, Milieu & CEPS (2016). Supporting study for the Fitness Check on the construction sector: EU internal market and energy efficiency legislation.
(24)    Evaluatie van Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad, SWD(2019)1770.
(25)

   Copenhagen Economics (CE), Danish Technological Institute (DTI) en Office for Economic Policy and Regional Development Ltd. (EPRD) (2021). Supporting study for the impact assessment of the CPR Review, Annex VI: Results of the horizontal survey (Inception report). De enquête werd gehouden tussen 11 oktober 2019 en 31 oktober 2019.

(26)    Refined indicative options paper (2020), https://ec.europa.eu/docsroom/documents/40762
(27)

   Copenhagen Economics (CE), Danish Technological Institute (DTI) en Office for Economic Policy and Regional Development Ltd. (EPRD) (2021). Supporting study for the impact assessment of the CPR Review, Annex VII: Results of the Company Survey (Second Progress Report). De enquête werd gehouden tussen 10 augustus 2020 en 25 oktober 2020.

(28)

   Copenhagen Economics (CE), Danish Technological Institute (DTI) en Office for Economic Policy and Regional Development Ltd. (EPRD) (2021). Supporting study for the impact assessment of the CPR Review, Annex VIII: Results of the open public consultation survey (First Findings Report). De enquête werd gehouden tussen 4 september 2020 en 25 december 2020.

(29)

   Copenhagen Economics (CE), Danish Technological Institute (DTI) en Office for Economic Policy and Regional Development Ltd. (EPRD) (2021), blz. 68.

(30)    “Supporting study for the Impact Assessment for the CPR review”, contract nr. 575/PP/2016/FC, onder leiding van Civic Consulting GmbH.
(31)    Zie de gedetailleerde toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel voor meer informatie.
(32)    Zie bijgaand financieel memorandum bij het besluit.
(33)    Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, EUR-Lex — 32020L2184 — NL — EUR-Lex (europa.eu).
(34)    Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, EUR-Lex — 31991L0271 — NL — EUR-Lex (europa.eu).
(35)    Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2021 over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 305/2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten (de bouwproductenverordening) (2020/2028(INI))
(36)    Circulaire economie in de bouwsector — Conclusies van de Raad, aangenomen op 28 november 2019, 14653/19
(37)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een nieuwe industriestrategie voor Europa, COM(2020102 final.
(38)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa, COM(2021350 final.
(39)    Mededeling van de Commissie van 2 februari 2022 aan het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Een EU-strategie voor normalisatie — Mondiale normen vaststellen ter ondersteuning van een veerkrachtige, groene en digitale eengemaakte markt van de EU, COM(202231 final.
(40)    Voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit, COM(2021801 final 2021/0421 (NLE).
(41)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(42)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(43)    Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 251).
(44)    Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).
(45)    Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(46)

   Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 157/2014 van de Commissie van 30 oktober 2013 betreffende de voorwaarden voor het beschikbaar stellen van prestatieverklaringen van bouwproducten op een website; PB L 52 van 21.2.2014, blz. 1.

(47)    Toekomstige verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor cryptoactiva en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937, zie COM(2020593 final.
(48)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(49)    Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1).
(50)    Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 1).
(51)    *[Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten, tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011 (Voor het Publicatiebureau: gelieve de PB-gegevens in te vullen)]”.
(52)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(53)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(54)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/man/budgmanag/Pages/budgmanag.aspx  
(55)    GK = gesplitste kredieten / NGK = niet-gesplitste kredieten.
(56)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(57)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, aspirant-kandidaten van de Westelijke Balkan.
(58)    Lopende discussie over de mogelijke deelname van kandidaat-lidstaten en derde landen aan dit begrotingsonderdeel
(59)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(60)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(61)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Junior Professionals in Delegations (jonge deskundige in delegaties).
(62)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere “BA”-onderdelen).
(63)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren.
(64)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
(65)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Junior Professionals in Delegations (jonge deskundige in delegaties).
(66)    Betrokken begrotingsonderdeel kiezen, of een ander aanduiden, indien nodig; indien het om meer begrotingsonderdelen gaat, moet het personeel per betrokken begrotingsonderdeel worden uitgesplitst.
(67)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT = Intérimaire (uitzendkracht); JPD = Junior Professionals in Delegations (jonge deskundige in delegaties).
(68)    Betrokken begrotingsonderdeel kiezen, of een ander aanduiden, indien nodig; indien het om meer begrotingsonderdelen gaat, moet het personeel per betrokken begrotingsonderdeel worden uitgesplitst.
(69)    Specificeer het soort comité en de groep waartoe het behoort.
(70)    Hiervoor is advies van DG DIGIT — IT Investments Team vereist (zie de Guidelines on Financing of IT, C(20206126 final van 10.9.2020, blz. 7)
(71)    Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen. Vervang “N” door het verwachte eerste jaar van uitvoering (bijvoorbeeld: 2021). Hetzelfde voor de volgende jaren
(72)    Hiervoor is advies van DG DIGIT — IT Investments Team vereist (zie de Guidelines on Financing of IT, C(20206126 final van 10.9.2020, blz. 7)
(73)    Dit omvat lokale administratieve systemen en bijdragen aan de cofinanciering van IT-bedrijfssystemen (zie de Guidelines on Financing of IT, C(20206126 final van 10.9.2020)
Top

Brussel, 30.3.2022

COM(2022) 144 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad


tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn (EU) nr. 305/2011

{SEC(2022) 167 final} - {SWD(2022) 87 final} - {SWD(2022) 88 final} - {SWD(2022) 89 final}


BIJLAGE I
Voorschriften

DEEL A: Fundamentele eisen voor bouwwerken en essentiële kenmerken waarop deze betrekking moeten hebben

1.Fundamentele eisen voor bouwwerken

De volgende lijst van fundamentele eisen voor bouwwerken dient als basis voor de identificatie van de essentiële kenmerken van producten en voor de opstelling van normalisatieverzoeken en geharmoniseerde technische specificaties.

Deze fundamentele eisen voor bouwwerken vormen geen verplichtingen die op de marktdeelnemers of de lidstaten rusten.

Bij de beoogde levensduur in verband met de fundamentele eisen voor bouwwerken moet rekening worden gehouden met de waarschijnlijke effecten van het veranderende klimaat.

1.1.Structurele integriteit van bouwwerken

Bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat alle relevante belastingen en combinaties ervan op een veilige manier worden ondersteund en naar de grond worden overgebracht zonder dat dit leidt tot verbuigingen of vervormingen van enig deel van de bouwwerken of verplaatsing van de grond waardoor de duurzaamheid, structurele weerstand, bruikbaarheid en robuustheid van de bouwwerken worden aangetast.

De constructie en structurele elementen van bouwwerken moeten zodanig worden ontworpen, vervaardigd, gebouwd, onderhouden en gesloopt dat zij aan de volgende eisen voldoen:

a)zij moeten gedurende hun beoogde levensduur duurzaam zijn (duurzaamheidseis);

b)zij moeten alle acties en invloeden die zich tijdens de bouw, het gebruik en de sloop kunnen voordoen, met een gepaste mate van betrouwbaarheid en op kosteneffectieve wijze kunnen doorstaan (eis inzake structurele weerstand). Zij mogen niet:

i)    instorten,

ii)    in ontoelaatbare mate vervormen,

iii)    schade toebrengen aan andere delen van de bouwwerken, inrichtingen of installaties als gevolg van een aanzienlijke vervorming van de dragende constructie;

c)zij moeten gedurende de beoogde levensduur met een gepaste mate van betrouwbaarheid en op economische wijze binnen hun gespecificeerde bruikbaarheidseisen blijven (eis inzake bruikbaarheid);

d)zij moeten hun integriteit bij ongewenste voorvallen, zoals aardbevingen, explosies, brand, effecten of gevolgen van menselijke fouten, naar behoren en in een onevenredige mate ten opzichte van de oorspronkelijke oorzaak in stand houden (robuustheidsvereiste).

1.2.Brandveiligheid van bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat brand op gepaste wijze wordt voorkomen. In geval van brand moet de brand worden waargenomen en moet onverwijld een alarm of waarschuwingssignaal worden geactiveerd. De brand en rook moeten worden ingeperkt en onder controle blijven, en de gebruikers en bewoners van de bouwwerken moeten tegen brand en rook worden beschermd. Er worden passende regelingen getroffen om voor alle aanwezigen voor een veilige ontsnapping en evacuatie van de bouwwerken te zorgen.

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd, gebruikt en onderhouden dat zij in geval van brand aan de volgende eisen voldoen:

a)het draagvermogen van de bouwwerken moet gedurende een bepaalde tijd behouden blijven;

b)de toegang van de reddings- en hulpdiensten moet gewaarborgd zijn en er moeten passende middelen zijn om hun werk te vergemakkelijken;

c)de ontwikkeling en verspreiding van vuur en rook moeten onder controle blijven en worden ingeperkt;

d)de verspreiding van de brand naar belendende bouwwerken moet beperkt blijven;

e)de veiligheid van de reddings- en hulpdiensten moet in acht zijn genomen.

1.3.Bescherming van arbeidskrachten, consumenten en bewoners tegen nadelige gevolgen voor de hygiëne en gezondheid in verband met de bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat zij gedurende hun hele levenscyclus geen acute of chronische bedreiging vormen voor de gezondheid en veiligheid van arbeidskrachten, gebruikers, bewoners of omwonenden als gevolg van:

a)de emissie van gevaarlijke stoffen, vluchtige organische stoffen of gevaarlijke deeltjes in de binnenlucht;

b)de emissie van gevaarlijke straling in de binnenomgeving;

c)gevaarlijke stoffen die in het drinkwater terechtkomen of het drinkwater op enige wijze nadelig beïnvloeden;

d)binnendringing van vocht naar de binnenomgeving van het gebouw;

e)gebrekkige afvoer van afvalwater, emissie van rookgassen of gebrekkige verwijdering van vaste of vloeibare afvalstoffen naar de binnenomgeving.

1.4.Bescherming van arbeidskrachten, consumenten, gebruikers en bewoners tegen lichamelijk letsel door bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat zij gedurende hun hele levenscyclus geen onaanvaardbaar risico op ongevallen of schade tijdens het gebruik of bedrijf opleveren door onder meer uitglijden, vallen, stoten, brandwonden, elektrocutie en letsel door vallende of brekende onderdelen als gevolg van externe factoren zoals extreme weersomstandigheden of explosie.

1.5.Weerstand tegen de doorgifte van geluid en akoestische eigenschappen van bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat zij gedurende hun hele levenscyclus een redelijke bescherming bieden tegen ongunstige geluidsbelasting door lucht of materialen afkomstig van andere delen van hetzelfde bouwwerk of van bronnen buiten de constructie. Deze bescherming zorgt ervoor dat:

a)het geluid geen onmiddellijke of chronische risico’s voor de menselijke gezondheid oplevert;

b)gebruikers, bewoners en omwonenden onder bevredigende omstandigheden kunnen slapen, rusten en hun normale activiteiten kunnen uitoefenen.

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt en onderhouden dat zij voldoende geluidsabsorptie en -reflectie bieden wanneer deze akoestische eigenschappen vereist zijn.

1.6.Energie-efficiëntie en thermische prestaties van bouwwerken

De bouwwerken en hun verwarmings-, koelings-, verlichtings- en ventilatie-installaties moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd en onderhouden dat de hoeveelheid energie die zij gedurende hun hele levenscyclus nodig hebben, laag is, rekening houdend met:

a)het vastgestelde streefcijfer voor bijna-energieneutrale gebouwen en energieneutrale gebouwen in de Unie;

b)de omstandigheden van het buitenklimaat;

c)de omstandigheden van het binnenklimaat.

1.7.Gevaarlijke emissies naar de buitenomgeving van bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat zij gedurende hun hele levenscyclus geen bedreiging vormen voor de buitenomgeving als gevolg van:

a)de vrijkoming van gevaarlijke stoffen of straling in grondwater, zeewater, oppervlaktewater of in de bodem;

b)een gebrekkige afvoer van afvalwater, emissie van rookgassen of een onjuiste verwijdering van vaste of vloeibare afvalstoffen naar de buitenomgeving;

c)schade aan het gebouw, waaronder schade door verontreinigende stoffen die via water bij de funderingen van het gebouw terechtkomen;

d)de netto uitstoot van broeikasgasemissies in de atmosfeer.

1.8.Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen van bouwwerken

De bouwwerken en alle delen ervan moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd, gebruikt, onderhouden en gesloopt dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen gedurende hun hele levenscyclus duurzaam is en ervoor zorgt dat:

a)er grondstoffen en secundaire materialen met een hoge ecologische duurzaamheid en dus met een geringe ecologische voetafdruk worden gebruikt;

b)de totale hoeveelheid ingezette grondstoffen tot een minimum wordt beperkt;

c)de totale hoeveelheid ingebedde energie tot een minimum wordt beperkt;

d)het totale gebruik van drinkwater en bruin water tot een minimum wordt beperkt;

e)de bouwwerken en de materialen en delen ervan na de sloop worden hergebruikt of gerecycleerd.

2.Essentiële kenmerken waarop de eisen betrekking moeten hebben

Geharmoniseerde technische specificaties hebben voor zover mogelijk betrekking op de volgende essentiële kenmerken voor de levenscyclusbeoordeling:

a)gevolgen voor klimaatverandering (verplicht);

b)aantasting ozonlaag;

c)verzuringspotentieel;

d)eutrofiëring zoet water;

e)eutrofiëring zeewater;

f)eutrofiëring land;

g)fotochemische ozon;

h)abiotische uitputting — mineralen, metalen;

i)abiotische uitputting — fossiele brandstoffen;

j)watergebruik;

k)vaste deeltjes;

l)ioniserende straling, menselijke gezondheid;

m)ecotoxiciteit zoet water;

n)toxiciteit voor de mens, kanker;

o)toxiciteit voor de mens, niet kanker;

p)effecten in verband met landgebruik.

De geharmoniseerde technische specificaties geven aan dat voor het essentiële kenmerk van de gevolgen voor de klimaatverandering als bedoeld onder punt a) de fabrikant verplicht is om overeenkomstig artikel 11, lid 2, en artikel 22, lid 1, de prestaties van het product te vermelden.

De geharmoniseerde technische specificaties hebben voor zover mogelijk ook betrekking op de essentiële kenmerken van het vermogen om koolstof tijdelijk te binden en van andere manieren om koolstof te verwijderen.

DEEL B: Eisen ter waarborging van de goede werking en prestaties van producten

1.De producten moeten zodanig worden ontworpen en vervaardigd dat:

a)zij goed aan hun beoogde doel voldoen;

b)de naleving van de aangegeven prestatie niet in het gedrang komt;

c)de naleving van de milieu- en veiligheidseisen uit deel C niet in het gedrang komt;

d)zij goed werken tijdens het gebruik.

2.De producteisen uit punt 1 worden gespecificeerd in geharmoniseerde technische specificaties, waar nodig onder meer door specificatie van:

a)het gebruik van specifieke materialen die ook in termen van hun chemische samenstelling kunnen worden gespecificeerd;

b)specifieke afmetingen en vormen van producten of hun componenten;

c)het gebruik van bepaalde componenten die ook in termen van materialen, afmetingen en vormen kunnen worden gespecificeerd;

d)het gebruik van bepaalde accessoires en hiervoor geldende eisen;

e)een specifieke wijze van installatie;

f)een specifieke wijze van onderhoud;

g)periodieke controles.

3.Wanneer deze producteisen noodzakelijk zijn om de prestaties met betrekking tot een bepaald essentieel kenmerk of de naleving van een bepaalde veiligheids- of milieueis van producten te waarborgen, wordt dit gespecificeerd in de geharmoniseerde technische specificaties.

DEEL C: Inherente producteisen

1.Inherente veiligheidseisen van het product

Veiligheid heeft betrekking op professionals (arbeidskrachten) en leken (consumenten, gebruikers, bewoners) terwijl zij het product vervoeren, installeren, onderhouden, gebruiken of ontmantelen, of terwijl zij het product voor het einde van de levenscyclus of voor hergebruik of recycling behandelen.

1.1.Producten moeten zodanig worden ontworpen, vervaardigd en verpakt dat de volgende inherente veiligheidsrisico’s van het product worden aangepakt overeenkomstig de stand van de techniek:

a)chemische risico’s als gevolg van lekkage of uitspoeling;

b)het risico van onevenwichtig samengestelde stoffen die leiden tot een gebrekkige, veiligheidsrelevante werking van producten;

c)mechanische risico’s;

d)mechanische gebreken;

e)fysieke gebreken;

f)risico van elektrische storingen;

g)risico’s in verband met stroomuitval;

h)risico’s in verband met onbedoelde op-/ontlading van elektriciteit;

i)risico’s in verband met softwarestoringen;

j)risico’s van softwaremanipulatie;

k)risico’s van incompatibiliteit van stoffen of materialen;

l)risico’s in verband met incompatibiliteit van verschillende items, waarvan er ten minste één een product is;

m)risico om niet te presteren zoals beoogd, terwijl de prestaties relevant zijn voor de veiligheid;

n)risico van verkeerd begrepen gebruiksinstructies op een gebied dat van invloed is op gezondheid en veiligheid;

o)risico van niet-beoogde onjuiste installatie of niet-beoogd onjuist gebruik;

p)risico van beoogd onjuist gebruik.

1.2.In geharmoniseerde technische specificaties worden, waar nodig, deze inherente veiligheidseisen van het product gespecificeerd, welke eisen betrekking kunnen hebben op, maar in wezen onafhankelijk zijn van de fase van de installatie van het product in bouwwerken.

Bij de vaststelling van de inherente veiligheidseisen van het product hebben geharmoniseerde technische specificaties ten minste betrekking op de volgende elementen:

a)de bepaling van de stand van de techniek op het gebied van de mogelijke risicobeperking met betrekking tot de desbetreffende productcategorie, met inbegrip van het risico van incompatibiliteit van verschillende items, waarvan er ten minste één een product is;

b)het bieden van technische oplossingen die veiligheidsgerelateerde risico’s vermijden;

c)wanneer risicovermijding niet mogelijk is, worden de risico’s beperkt, gemitigeerd en aangepakt door middel van waarschuwingen op het product, op de verpakking en in de gebruiksinstructies;

Bij de bepaling van de inherente veiligheidseisen van het product kunnen geharmoniseerde technische specificaties deze eisen differentiëren aan de hand van prestatieklassen.

2.Inherente milieueisen voor producten

De term milieu houdt verband met de winning en vervaardiging van de materialen, de vervaardiging van het product, het onderhoud ervan, het vermogen ervan om zo lang mogelijk deel te blijven uitmaken van de circulaire economie en het einde van de levenscyclus van het product.

2.1.Producten moeten zodanig worden ontworpen, vervaardigd en verpakt dat de volgende inherente milieuaspecten van het product worden aangepakt overeenkomstig de stand van de techniek:

a)de duurzaamheid in termen van de verwachte gemiddelde levensduur, de verwachte minimale levensduur onder zeer slechte, maar nog steeds realistische omstandigheden, en in termen van de eisen met betrekking tot de minimale levensduur moet zo veel mogelijk worden verhoogd;

b)de broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus moeten tot een minimum worden beperkt;

c)het gehalte aan gerecycleerd materiaal moet zo veel mogelijk worden verhoogd wanneer dat zonder veiligheidsverlies of zonder een groter negatief milieueffect mogelijk is;

d)selectie van veilige, milieuvriendelijke stoffen;

e)energieverbruik en energie-efficiëntie;

f)efficiënt gebruik van hulpbronnen;

g)identificatie van welk product of welke delen ervan in welke hoeveelheid na de verwijdering kunnen worden hergebruikt (herbruikbaarheid);

h)uitbreidbaarheid;

i)repareerbaarheid gedurende de beoogde levensduur;

j)mogelijkheid van onderhoud en renovatie gedurende de verwachte levensduur;

k)recycleerbaarheid en reviseerbaarheid;

l)vermogen van verschillende materialen of stoffen om te worden gescheiden en teruggewonnen tijdens ontmantelings- of recyclingprocedures.

2.2.In geharmoniseerde technische specificaties worden, waar nodig, deze inherente milieueisen van het product gespecificeerd, welke eisen betrekking kunnen hebben op, maar in wezen onafhankelijk zijn van de fase van de installatie van het product in bouwwerken.

Bij de specificatie van de inherente milieueisen van het product hebben geharmoniseerde technische specificaties ten minste betrekking op de volgende elementen:

a)de eventuele bepaling van de stand van de techniek bij de aanpak van de milieuaspecten met betrekking tot de desbetreffende productcategorie, met inbegrip van het minimumgehalte aan gerecycleerd materiaal;

b)technische oplossingen die negatieve milieueffecten en -risico’s, met inbegrip van de productie van afvalmaterialen voorkomen;

c)wanneer voorkoming niet mogelijk is, moeten de negatieve effecten en risico’s worden beperkt, gemitigeerd en aangepakt door middel van waarschuwingen op het product, op de verpakking en in de gebruiksinstructies.

Bij de bepaling van de inherente milieueisen van het product kunnen geharmoniseerde technische specificaties deze eisen differentiëren aan de hand van prestatieklassen.

DEEL D: Productinformatievoorschriften

1.Producten gaan vergezeld van de volgende informatie:

1.1.Identificatie van het product: een eenduidig typenummer op basis van de vaststelling van het producttype op grond van artikel 3, punt 31.

1.2.Productomschrijving:

a)beoogd gebruik;

b)beoogde gebruikers;

c)voorwaarden voor het gebruik;

d)geraamde gemiddelde en minimale levensduur voor beoogd gebruik (duurzaamheid);

e)nominale afmetingen (tekeningen);

f)belangrijkste toegepaste materialen;

g)belangrijke onderdelen.

1.3.Voorschriften voor vervoer, installatie, onderhoud, deconstructie en sloop:

a)Veiligheid tijdens vervoer, installatie, onderhoud, deconstructie en sloop:

i)potentiële risico’s van het product en elk redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik ervan;

ii)instructies voor de assemblage, installatie en aansluiting, inclusief tekeningen, diagrammen en, in voorkomend geval, de wijze van bevestiging aan andere producten en delen van bouwwerken;

iii)instructies voor veilige bediening en veilig onderhoud, met inbegrip van beschermingsmaatregelen die tijdens deze handelingen moeten worden genomen;

iv)    indien nodig, instructies voor de opleiding van installateurs of gebruikers;

v)informatie over wat er moet worden gedaan in geval van gebreken of ongevallen;

b)Compatibiliteit en integratie in systemen of kits:

i)compatibiliteit met andere materialen of producten, ongeacht of deze onder deze verordening vallen;

ii)elektrische en elektromagnetische compatibiliteit;

iii)compatibiliteit van de software;

iv)    integratie in systemen of kits;

c)Onderhoudsbehoeften met het oog op het behoud van de prestaties van het product gedurende de levensduur ervan:

i)beschrijving van de afstellings- en onderhoudswerkzaamheden die de gebruikers moeten verrichten alsook de in acht te nemen voorkomingsmaatregelen;

ii)het type en de frequentie van de inspecties en onderhoudswerkzaamheden die om veiligheidsredenen vereist zijn en, waar nodig, de onderdelen die aan slijtage onderhevig zijn en de criteria voor de vervanging;

iii)informatie over wat er moet worden gedaan in geval van gebreken of ongevallen;

d)Veiligheid tijdens het gebruik:

i)instructies inzake de door de gebruiker te nemen beschermende maatregelen, waaronder, in voorkomend geval, de te voorziene persoonlijke-beschermingsuitrusting;

ii)instructies voor een veilig gebruik van het product, met inbegrip van de beschermingsmaatregelen die bij het gebruik ervan moeten worden genomen;

iii)informatie over wat er moet worden gedaan in geval van gebreken of ongevallen tijdens het gebruik;

e)Opleiding en andere eisen waaraan noodzakelijkerwijs moet worden voldaan voor een veilig gebruik;

f)Risicobeperkingsmogelijkheden die verder gaan dan de punten 1.2 tot en met 1.3.

1.4.Contactgegevens van de producent of vertegenwoordiger:

a)adres/website/telefoonnummer/e-mailadres;

b)indien mogelijk moeten specifieke contactgegevens worden verstrekt voor:

i)informatie over installatie, onderhoud, gebruik, deconstructie en sloop,

ii)informatie over risico’s,

iii) informatie in geval van gebreken;

1.5.Contactgegevens van de relevante autoriteiten in geval van risicovolle of gebrekkige producten.

1.6.Voorschriften of aanbevelingen voor reparatie, deconstructie, hergebruik, revisie, recycling of een veilige stort.

Productinformatie over deze items moet, zowel kwantitatief als kwalitatief, volstaan om weloverwogen aankoopbeslissingen te nemen, zoals de benodigde hoeveelheid, de installatie, het gebruik, het onderhoud, de demontage, het hergebruik en de recycling van het product. De informatie bevat alle tekeningen, diagrammen, beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om deze te begrijpen.

2.In geharmoniseerde technische specificaties kan worden gespecificeerd dat bepaalde vereiste productinformatie niet relevant is voor een bepaalde productcategorie.

3.In geharmoniseerde technische specificaties worden, in voorkomend geval, de in punt 1 bedoelde productinformatievoorschriften gespecificeerd die zowel betrekking kunnen hebben op het product zelf als op de installatie ervan in bouwwerken. Daarbij wordt rekening gehouden met de behoeften van de ontwerpers, bouwautoriteiten, bouwprofessionals, autoriteiten voor bouwtoezicht, consumenten en andere gebruikers, bewoners, gebouwbeheerders en onderhoudsprofessionals.

Bij de specificatie van de productinformatievoorschriften zullen de geharmoniseerde technische specificaties ten minste de volgende elementen regelen:

a)de veiligheids- en milieuaspecten die relevant zijn voor de desbetreffende productcategorie;

b)de locatie waar de desbetreffende informatie moet worden verstrekt om de grootst mogelijke kans te hebben dat de informatie niet over het hoofd wordt gezien. Indien mogelijk worden verschillende van de volgende locaties geselecteerd: op het product, op het etiket, op de verpakking, op de buitenste (verkoop)verpakking, in de gebruiksinstructies op papier, in elektronische gebruiksinstructies, op de website van de fabrikant of in de productendatabase die overeenkomstig artikel 78 is opgezet;

c)in gevallen waarin informatie op de website van de fabrikant of in de productendatabase kan of moet worden verstrekt, vereisen de geharmoniseerde technische specificaties dat er een link op het product, op de verpakking en op de buitenste (verkoop)verpakking wordt aangebracht;

4.De geharmoniseerde technische specificaties kunnen fabrikanten toestaan om bepaalde informatie te verstrekken die relevant is voor lidstaten, gebruikers of bewoners, op voorwaarde dat:

a)de regelgeving van de desbetreffende lidstaten verenigbaar is met het Unierecht,

b)duidelijk wordt gemaakt dat de desbetreffende informatie-items die op grond van de geharmoniseerde technische specificaties zijn toegestaan, geen betrekking hebben op het Unierecht en niet verplicht zijn.

BIJLAGE II
Prestatieverklaring en conformiteitsverklaring
1  

Naam van de fabrikant

Verklaring nr. ... 2

Versie nr. … 3

Datum van de versie …

1.Productomschrijving

a)unieke identificatiecode van het producttype en de desbetreffende reeksen partijnummers en serienummers, indien deze reeds voor het desbetreffende producttype zijn vastgesteld;

b)productcategorie zoals gedefinieerd in de geharmoniseerde technische specificaties of de Europese beoordelingsdocumenten;

c)het beoogde gebruik van het product, dat noodzakelijkerwijs onder het beoogde gebruik valt waarvoor de toepasselijke geharmoniseerde technische specificatie of het Europees beoordelingsdocument is ontwikkeld, met facultatieve aanvullende informatie over de beoogde gebruikers of de voorwaarden voor veilig en goed gebruik;

d)afmetingen van het product;

e)belangrijkste toegepaste materialen of stoffen;

f)informatie die in overeenstemming met Verordening (EG) 1907/2006 moet worden verstrekt;

g)belangrijke onderdelen van het product;

h)verwachte gemiddelde en minimale levensduur van het product bij het beoogde gebruik (duurzaamheid);

i)eventuele varianten en hun beschrijvingen;

j)informatie die onder bijlage I, deel D, valt.

2.Permalinks met betrekking tot het volgende:

a)de productregistratie(s) van de fabrikant in EU-databases en de precieze locatie daarin waar het product te vinden is, evenals de eigen productpresentatiewebsite van de fabrikant;

b)vrijwillige of verplicht te gebruiken productregistratiedatabases of -websites, en de precieze locatie daarin waar het product te vinden is;

c)gebruiksinstructies overeenkomstig bijlage I, deel D, punt 1.3.

3.Fabrikant:

a)naam;

b)handelsnaam;

c)bedrijfszetel;

d)postadres;

e)telefoonnummer;

f)e-mailadres;

g)website;

h)contactgegevens op sociale media;

i)indien beschikbaar, specifieke contactgegevens voor verstrekking van informatie over installatie, onderhoud, gebruik, deconstructie, risicobeheersing en de afhandeling van productgebreken.

4.Gemachtigde:

a)naam;

b)handelsnaam;

c)bedrijfszetel;

d)postadres;

e)telefoonnummer;

f)e-mailadres;

g)website;

h)contactgegevens op sociale media;

i)indien beschikbaar, specifieke contactgegevens voor informatie over installatie, onderhoud, gebruik, deconstructie, risicobeheersing en afhandeling van productgebreken.

5.Aangemelde instanties:

a)naam;

b)handelsnaam;

c)bedrijfszetel;

d)postadres;

e)telefoonnummer;

f)e-mailadres;

g)website;

h)contactgegevens op sociale media.

6.Technische beoordelingsinstantie:

a)naam;

b)handelsnaam;

c)bedrijfszetel;

d)postadres;

e)telefoonnummer;

f)e-mailadres;

g)website;

h)contactgegevens op sociale media.

7.Toegepaste systemen voor beoordeling en verificatie

8.Toegepaste geharmoniseerde technische specificaties:

(referentienummer en datum van afgifte)

9.Toegepast Europees beoordelingsdocument:

   (referentienummer en datum van afgifte)

10.Afgegeven Europese technische beoordeling:

   (Technische beoordelingsinstantie, referentienummer en datum van afgifte)

11.Aangegeven prestaties en duurzaamheidskenmerken:

a)de lijst van essentiële kenmerken, zoals vastgesteld in de geharmoniseerde technische specificatie of het Europees beoordelingsdocument voor de desbetreffende productcategorie waarvoor een prestatie is aangegeven.

b)de prestaties van het product, aan de hand van berekende waarden, niveaus of klassen, of in een beschrijving. De desbetreffende waarden, niveaus of klassen worden in de prestatieverklaring zelf overgenomen en kunnen dus niet uitsluitend door middel van verwijzingen naar andere documenten worden opgenomen. De prestatie wat het structureel gedrag van een product betreft, mag echter worden uitgedrukt door te verwijzen naar bijgevoegde productdocumenten of berekeningen voor het structureel ontwerp.

c)de overeenkomstig artikel 22, lid 1, berekende gegevens over de ecologische duurzaamheid, met name wanneer deze onder de in bijlage I, deel A, punt 2, vermelde essentiële kenmerken vallen, indien de desbetreffende voorschriften voor de productcategorie van toepassing zijn geworden op het moment van het in de handel brengen of de directe installatie.

12.Het hierboven aangegeven product voldoet aan de volgende voorschriften van bijlage I, delen B en C, zoals vastgesteld bij 4 :

13.Verklaringen:

a)de prestaties van het hierboven aangegeven product zijn conform de onder punt 11 aangegeven prestaties;

b)de duurzaamheidsgegevens van het hierboven aangegeven product zijn correct berekend op basis van de voorschriften voor de productcategorie die daarop van toepassing zijn;

c)het hierboven aangegeven product voldoet aan de in punt 12 vermelde eisen.

Ondertekend voor en namens de fabrikant door:

[naam, functie 5 ]

Te [plaats]

op [datum van afgifte]

[handtekening]

BIJLAGE III
Procedure voor de vaststelling van een Europees beoordelingsdocument

1.Verzoek om een Europese technische beoordeling

a)Indien een fabrikant een TBI een verzoek om een Europese technische beoordeling van een product voorlegt, legt hij, nadat de fabrikant en de TBI (hierna de “verantwoordelijke TBI” genoemd) een overeenkomst inzake bescherming van het beroepsgeheim en de vertrouwelijkheid hebben ondertekend, tenzij de fabrikant anderszins besluit, de verantwoordelijke TBI een technisch dossier voor met een beschrijving van het product, het gebruik ervan zoals beoogd door de fabrikant, en details over de productiecontrole in de fabriek die hij voornemens is uit te voeren.

b)Wanneer een groep fabrikanten of een organisatie van fabrikanten (hierna de “groep” genoemd) een verzoek om een Europese technische beoordeling indient, richt zij het verzoek tot de organisatie van TBI’s, die de groep een TBI zal voorstellen om als verantwoordelijke TBI op te treden. De groep kan de voorgestelde TBI aanvaarden of de organisatie van TBI’s verzoeken een alternatieve TBI voor te stellen. Zodra de groep de door de organisatie van TBI’s voorgestelde verantwoordelijke TBI heeft aanvaard, zullen de leden van de groep, tenzij de groep anderszins beslist, met deze TBI een overeenkomst inzake handelsgeheim en vertrouwelijkheid ondertekenen, en dient de groep bij de verantwoordelijke TBI een technisch dossier in waarin het product wordt beschreven, het door de groep beoogde gebruik alsmede details over de productiecontrole van de fabriek die de leden van de groep beogen te gebruiken.

c)Indien er geen verzoek om een Europese technische beoordeling wordt ingediend, zal de Commissie, wanneer zij met de ontwikkeling van een Europees beoordelingsdocument start, aan de organisatie van TBI’s een technisch dossier verstrekken met een beschrijving van het product, het gebruik ervan en details over de productiecontrole in de fabriek die van toepassing wordt. De Commissie selecteert, na raadpleging van de organisatie van TBI’s, de TBI die als verantwoordelijke TBI moet optreden.

2.Overeenkomst

Voor producten als bedoeld in artikel 37, lid 1, punt c), wordt binnen een maand na de ontvangst van het technische dossier, in de in punt 1, punt a) en b), bedoelde gevallen, een overeenkomst tussen respectievelijk de fabrikant of groep en de verantwoordelijke TBI gesloten voor de opstelling van de Europese technische beoordeling, die het werkprogramma voor de opstelling van het Europees beoordelingsdocument aangeeft, waaronder:

a)de organisatie van de werkzaamheden in de organisatie van TBI’s,

b)de samenstelling van de werkgroep die moet worden opgericht binnen de organisatie van TBI’s en voor het betrokken productgebied wordt aangewezen, en

c)de coördinatie van TBI’s.

In het in punt 1, punt c), bedoelde geval dient de verantwoordelijke TBI bij de Commissie het werkprogramma in voor de opstelling van het Europees beoordelingsdocument met dezelfde inhoud en binnen dezelfde termijn. Daarna heeft de Commissie 30 werkdagen om haar opmerkingen daarover aan de verantwoordelijke TBI mee te delen, en past de verantwoordelijke technische beoordelingsinstantie het werkprogramma dienovereenkomstig aan.

3.Werkprogramma

Nadat de overeenkomst met de fabrikant of de groep is gesloten, brengt de organisatie van TBI’s de Commissie op de hoogte van het werkprogramma voor de opstelling van het Europees beoordelingsdocument en van de uitvoeringstermijnen daarvoor, met vermelding van het beoordelingsprogramma. De mededeling geschiedt binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek om een Europese technische beoordeling.

4.Het concept Europees beoordelingsdocument

De organisatie van TBI’s legt de laatste hand aan een concept van het Europees beoordelingsdocument via de werkgroep die door de verantwoordelijke TBI wordt gecoördineerd, en deelt dat concept aan de betrokken partijen mee binnen zes maanden nadat de Commissie van de in de in punt 1, onder a) en b), bedoelde gevallen op de hoogte is gebracht van het werkprogramma of nadat de Commissie in het in punt 1, onder c), bedoelde geval haar opmerkingen over het werkprogramma aan de verantwoordelijke TBI heeft meegedeeld.

5.Deelname van de Commissie

Een vertegenwoordiger van de Commissie mag als waarnemer aan de uitvoering van alle onderdelen van het werkprogramma deelnemen. De Commissie kan de organisatie van TBI’s te allen tijde verzoeken de ontwikkeling van een bepaald Europees beoordelingsdocument stop te zetten of te wijzigen, met inbegrip van het samenvoegen of splitsen ervan.

6.Raadpleging van de lidstaten

In het in punt 1, onder c), bedoelde geval stelt de Commissie de lidstaten in kennis van de ontwikkeling van het Europees beoordelingsdocument nadat het werkprogramma is afgerond. In voorkomend geval kunnen de lidstaten desgevraagd deelnemen aan de uitvoering ervan.

7.Verlenging en vertraging

Elke vertraging ten opzichte van de in de punten 1 tot en met 4 vastgestelde termijnen wordt door de werkgroep aan de organisatie van TBI’s en de Commissie meegedeeld.

Indien een verlenging van de termijnen voor de ontwikkeling van het Europees beoordelingsdocument kan worden gerechtvaardigd, met name omdat de Commissie geen besluit heeft genomen over het van toepassing zijnde beoordelings- en verificatiesysteem voor het product of omdat een nieuwe testmethode moet worden ontwikkeld, stelt de Commissie de termijn van de verlenging vast.

8.Wijzigingen en vaststelling van een Europees beoordelingsdocument

8.1.In de in punt 1, onder a) en b), bedoelde gevallen deelt de verantwoordelijke TBI het concept Europees beoordelingsdocument mee aan respectievelijk de fabrikant of de groep, die vervolgens 15 werkdagen de tijd heeft om erop te reageren. Daarna gaat de organisatie van TBI’s als volgt te werk:

a)indien van toepassing, deelt zij de fabrikant of de groep mee op welke wijze met hun reacties rekening is gehouden;

b)stelt zij het concept Europees beoordelingsdocument vast;

c)zendt zij de Commissie daarvan een afschrift toe.

8.2.In het in punt 1, onder c), bedoelde geval zal de verantwoordelijke TBI:

a)het concept Europees beoordelingsdocument vaststellen;

b)de Commissie daarvan een afschrift toezenden.

Als de Commissie de organisatie van TBI’s binnen dertig werkdagen na de ontvangst van dat exemplaar haar opmerkingen over het concept Europees beoordelingsdocument meedeelt, wijzigt de organisatie van TBI’s, na in de gelegenheid te zijn gesteld opmerkingen te maken, het concept dienovereenkomstig en zendt die organisatie een afschrift van het vastgestelde Europees beoordelingsdocument in de onder punt 1, onder a) en b), bedoelde gevallen aan de fabrikant of de groep en in alle gevallen aan de Commissie.

9.Definitief bekend te maken Europees beoordelingsdocument

De organisatie van TBI’s stelt het definitieve Europees beoordelingsdocument vast en zendt een afschrift daarvan, samen met een vertaling van de titel van het Europees beoordelingsdocument in alle officiële talen van de Unie, ter bekendmaking van de referentie van dit document in het Publicatieblad van de Europese Unie aan de Commissie. De organisatie van TBI’s zal het Europees beoordelingsdocument publiceren.



BIJLAGE IV
Productgebieden en eisen voor TBI’s

Tabel 1 — Productgebieden

GEBIEDSCODE

PRODUCTGEBIED

1

GEPREFABRICEERDE NORMALE/LICHTE/AUTOCLAAFGEHARDE CELBETONNEN PRODUCTEN

2

DEUREN, RAMEN, LUIKEN, POORTEN EN BIJBEHOREND HANG- EN SLUITWERK

3

MEMBRANEN, WAARONDER IN VLOEIBARE TOEPASSINGEN EN KITS (WATER- EN/OF DAMPREMMEND)

4

PRODUCTEN VOOR THERMISCHE ISOLATIE

SAMENGESTELDE ISOLATIEKITS/-SYSTEMEN

5

DRAGENDE OPLEGGINGEN

CONSTRUCTIEVE PENVERBINDINGEN

6

SCHOORSTENEN, ROOKKANALEN EN SPECIFIEKE PRODUCTEN

7

GIPSPRODUCTEN

8

GEOTEXTIEL, GEOMEMBRAMEN EN AANVERWANTE PRODUCTEN

9

VLIESGEVELS/BEKLEDING/VERLIJMDE BEGLAZINGSSYSTEMEN

10

VASTE BRANDBESTRIJDINGSSYSTEMEN (BRANDALARM- EN DETECTIESYSTEMEN, VASTE BRANDBESTRIJDINGSSYSTEMEN, BRANDBEVEILIGINGS- EN ANTIROOKSYSTEMEN EN EXPLOSIEBEVEILIGINGSPRODUCTEN)

11

HOUTPRODUCTEN VOOR DE BOUW EN TOEBEHOREN

12

PLATEN EN ELEMENTEN OP HOUTBASIS

13

CEMENT, BOUWKALK EN ANDERE HYDRAULISCHE BINDMIDDELEN

14

WAPENINGSSTAAL EN VOORSPANSTAAL VOOR BETON (EN TOEBEHOREN)

VOORSPANSYSTEMEN

15

METSELWERK EN BIJBEHORENDE PRODUCTEN

METSELWERKELEMENTEN, MORTEL EN BIJBEHORENDE PRODUCTEN

16

RIOLERINGSPRODUCTEN

17

VLOERAFWERKINGEN

18

METAALCONSTRUCTIEPRODUCTEN EN HULPPRODUCTEN

19

IN- EN UITWENDIGE AFWERKINGEN VOOR WANDEN EN PLAFONDS KITS VOOR SCHEIDINGSWANDEN

20

DAKBEDEKKINGEN, DAKLICHTEN, DAKRAMEN EN TOEBEHOREN

KITS VOOR DAKEN

21

PRODUCTEN VOOR DE WEGENBOUW

22

TOESLAGMATERIALEN

23

BOUWLIJM

24

PRODUCTEN VOOR BETON, MORTEL EN INJECTIESPECIE

25

VOORZIENINGEN VOOR RUIMTEVERWARMING

26

BUIZEN, RESERVOIRS EN TOEBEHOREN DIE NIET IN CONTACT KOMEN MET VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER

27

VLAKGLAS, GEPROFILEERD GLAS EN GLASBLOKKEN

28

STROOM-, BESTURINGS- EN COMMUNICATIEKABELS

29

VOEGMIDDELEN

30

BEVESTIGINGEN

31

BOUWKITS, BOUWEENHEDEN, GEPREFABRICEERDE ELEMENTEN

32

PRODUCTEN MET BRANDVERTRAGENDE, BRANDWERENDE EN TEGEN BRAND AFDICHTENDE EIGENSCHAPPEN

BRANDVERTRAGENDE PRODUCTEN

33

BOUWPRODUCTEN DIE NIET TOT DE BOVENGENOEMDE PRODUCTGEBIEDEN BEHOREN

Tabel 2 — Eisen voor TBI’s

TBI’s moeten in staat zijn de volgende taken en eisen te vervullen:

Competentie

Beschrijving van de prestaties

Voorschrift

1.

Risicoanalyse

De potentiële risico’s en voordelen van het gebruik van innovatieve producten identificeren zonder te beschikken over gedegen/geconsolideerde technische informatie over de prestaties ervan wanneer ze in bouwwerken worden gebruikt.

Er wordt een TBI naar nationaal recht opgericht, die rechtspersoonlijkheid heeft. Zij moet onafhankelijk zijn van de belanghebbenden en van alle bijzondere belangen.

Een TBI moet beschikken over personeel met:

a)

objectiviteit en een gedegen technisch oordeel;

b)

grondige kennis van de in de lidstaat waarin zij is aangewezen geldende regelgeving en andere voorschriften op de productgebieden waarvoor de instantie is aangewezen;

c)

algemeen inzicht in de bouwpraktijken en grondige technische kennis op de productgebieden waarvoor de instantie is aangewezen;

d)

grondige kennis van de specifieke risico’s en de technische aspecten van het bouwproces;

e)

f)

grondige kennis van de bestaande geharmoniseerde normen en testmethoden op de productgebieden waarvoor de instantie is aangewezen;

grondige kennis van deze verordening;

g)

passende taalvaardigheid.

De vergoeding van het personeel van de TBI hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.