Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52022BP1689

Resolutie (EU) 2022/1689 van het Europees Parlement van 4 mei 2022 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, afdeling II — Europese Raad en Raad

PB L 258 van 5.10.2022, pp. 30–37 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/res/2022/1689/oj

5.10.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 258/30


RESOLUTIE (EU) 2022/1689 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 4 mei 2022

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, afdeling II — Europese Raad en Raad

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, afdeling II — Europese Raad en Raad,

gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0067/2022),

A.

overwegende dat overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het Europees Parlement als enige verantwoordelijk is voor het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en dat de begroting van de Europese Raad en de Raad deel uitmaakt van de begroting van de Unie;

B.

overwegende dat de Europese Raad overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie geen wetgevingstaken mag uitvoeren;

C.

overwegende dat overeenkomstig artikel 317 van het VWEU de Commissie de begroting van de Unie uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en volgens het beginsel van goed financieel beheer, en overwegende dat overeenkomstig het toepasselijke kader de Commissie de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toekent die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;

D.

overwegende dat overeenkomstig artikel 235, lid 4, en artikel 240, lid 2, van het VWEU de Europese Raad en de Raad (hierna de “Raad”) worden bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad (hierna het “SGR”) en dat de secretaris-generaal geheel verantwoordelijk is voor het goede beheer van de op afdeling II van de begroting van de Unie opgevoerde kredieten;

E.

overwegende dat het Parlement in de loop van bijna twintig jaar de gevestigde en gerespecteerde praktijk heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie en overwegende dat de Commissie het ermee eens is dat het aan alle instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven wordt voortgezet;

F.

overwegende dat sinds 2009 het gebrek aan medewerking van de Raad tijdens de kwijtingsprocedure het Parlement heeft genoodzaakt het verlenen van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad te weigeren;

G.

overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

H.

overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie en ontvangers van middelen uit de algemene begroting van de Unie, transparant moeten zijn, een democratische verantwoordingsplicht moeten hebben tegenover de burgers van de Unie en onderworpen moeten zijn aan een democratische controle op de uitgave van overheidsmiddelen;

I.

overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van de belastingbetalers en het publiek bevestigt om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten;

J.

overwegende dat de Europese Ombudsman (hierna de “Ombudsman”) in haar aanbeveling in zaak OI/2/2017/TE heeft vastgesteld dat de werkwijzen van de Raad met betrekking tot transparantie in het wetgevingsproces neerkomen op wanbeheer en moeten worden gewijzigd om de burgers in staat te stellen het wetgevingsproces van de Unie te volgen;

1.

stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer geen significante tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij de Raad;

2.

onderstreept dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het begrotingsjaar 2020 met betrekking tot de administratieve uitgaven van de instellingen van de Unie, waaronder die van de Raad, geen materiële fouten vertonen;

3.

is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer geen specifieke problemen heeft vastgesteld met betrekking tot de regelmatigheid van de verrichtingen of na onderzoek van het toezichts- en controlesysteem van de Raad;

4.

is zich ervan bewust dat hoofdstuk 9 “Administratie” van het jaarverslag van de Rekenkamer betrekking heeft op uitgaven voor personele middelen, gebouwen, uitrusting, energieverbruik, communicatie en informatietechnologie en dat deze uitgaven volgens de Rekenkamer een laag risico vormen;

Budgettair en financieel beheer

5.

merkt op dat de Raad in 2020 beschikte over een algemene begroting van 590 633 000 EUR (vergeleken met 581 895 459 EUR in 2019); stelt vast dat de begroting ten opzichte van 2019 met 1,5 % is toegenomen, hetgeen de negatieve tendens van de jaarlijkse begrotingsstijging bevestigt (1,6 % in 2019, 2 % in 2018 en 3 % in 2017); merkt op dat het aandeel van de Raad onder rubriek 5 van het meerjarig financieel kader is gedaald van 6,3 % in 2015 tot 5,8 % in 2020; wijst op een hoog algemeen uitvoeringspercentage van 93,15 % (tegenover 92,3 % in 2019);

6.

begrijpt dat de begroting van de Raad voornamelijk van administratieve aard is en dat een groot deel ervan wordt gebruikt voor uitgaven met betrekking tot personeel, gebouwen (met inbegrip van meubilair en uitrusting) en diverse werkingskosten; herhaalt zijn oproep, die het reeds in eerdere resoluties over de begroting heeft gedaan, om te zorgen voor afzonderlijke begrotingen voor de Europese Raad en de Raad om zo de transparantie, verantwoordingsplicht en efficiëntie van de uitgaven voor beide instellingen te verbeteren;

7.

wijst erop dat de van 2019 naar 2020 overgedragen kredieten in totaal 52 543 491 EUR bedroegen (tegenover 56 599 584 EUR van 2018 naar 2019) en juicht toe dat 86,4 % van de kredieten (45 375 664 EUR) werd besteed, voornamelijk aan gebouwen, informaticasystemen, vertolking en technisch materieel;

8.

stelt vast dat er meer kredieten werden overgedragen van 2020 naar 2021 (12,6 % tegenover 9,8 % van 2019 naar 2020); herinnert de Raad eraan dat overdrachten uitzonderingen zijn op het beginsel van de eenjarigheid van de begroting van de Unie en erop kunnen wijzen dat de begroting te hoog wordt geraamd en verzoekt de Raad zich sterker in te spannen om te ruime begrotingsramingen te voorkomen;

9.

merkt op dat in 2020 de betalingen van de Raad 5,2 % van de begroting van de Unie bedroegen; stelt vast dat de gemiddelde betalingstermijn voor facturen aan het SGR in 2020 20 dagen bedroeg (tegenover 19 in 2019), terwijl de maximale betalingstermijn 30 kalenderdagen is, zoals is vastgelegd in Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad (1);

10.

stelt vast dat de uitvoering van de begroting voor 2020 werd beïnvloed door de COVID-19-pandemie; stelt vast dat de uitgaven voor de reiskosten van de delegaties en de kosten van vertolking daalden als gevolg van het kleinere aantal fysieke vergaderingen; merkt op dat deze onderbesteding op het niveau van de begroting werd gecompenseerd door hogere IT-uitgaven om zo de telewerkcapaciteit snel te ontwikkelen en de continuïteit van de werkzaamheden te garanderen; stelt vast dat deze uitgaven betrekking hadden op de daarvoor nodige aankoop van nieuwe software, externe ondersteuning en verstrekking van hardware om thuiswerken te faciliteren;

11.

stelt vast dat in 2020 de kredieten werden herverdeeld via 46 overschrijvingen op grond van artikel 29 van het Financieel Reglement; merkt op dat deze overschrijvingen bedoeld waren om de telewerkcapaciteit en videoconferentie-infrastructuur van de Raad te versterken, met inbegrip van de aankoop van extra IT-apparatuur, licenties en communicatiemiddelen; stelt vast dat de overschrijvingen in het algemeen plaatsvonden van de begrotingsonderdelen voor kosten van vertolking, schoonmaak en onderhoud, beveiliging en bewaking van de gebouwen, en diverse uitgaven voor interne vergaderingen, naar de begrotingsonderdelen voor installatiewerkzaamheden, aanschaf van hardware en software, en dienstverlening voor het toepassen en opzetten van informaticasystemen;

12.

merkt op dat de Rekenkamer in 2020 de openbareaanbestedingsprocedures die de Raad en drie andere EU-instellingen hadden georganiseerd voor de aanschaf van persoonlijke beschermingsmiddelen voor hun personeel en waarvan het bestek strenge minimumvereisten zoals Europese referentienormen voor kwaliteit bevatte, heeft onderzocht en hierover geen opmerkingen had; is zich ervan bewust dat in vier gevallen de geselecteerde inschrijver geen volledig bewijs van naleving van alle minimumkwaliteitseisen op het moment van gunning had overgelegd, hetgeen ertoe leidde dat de Raad laboratoriumtests organiseerde die aantoonden dat de persoonlijke beschermingsmiddelen inderdaad aan de eisen voldeden;

Intern beheer, prestaties, interne controle

13.

stelt vast dat de onverwachte uitbraak van de COVID-19-pandemie en de uitzonderlijke situatie als gevolg daarvan ervoor zorgden dat er onmiddellijk actie moest worden ondernomen en dat er organisatorische maatregelen moesten worden getroffen om de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen; stelt met tevredenheid vast dat de Raad tijdig en effectief op deze crisis heeft gereageerd en op verschillende gebieden gestructureerde maatregelen heeft getroffen om het personeel te beschermen en de continuïteit van de werkzaamheden te garanderen;

14.

stelt vast dat de Raad het aantal vergaderingen, de administratieve modernisering en de wetgevingswerkzaamheden gebruikt als kwantitatieve indicatoren voor het niveau van de activiteiten gedurende het jaar; stelt vast dat door de uitbraak van de COVID-19-pandemie het totale aantal vergaderingen in 2020 daalde met 54,1 % (4 148) ten opzichte van 2019; stelt vast dat het SGR in 2020 3 086 institutionele vergaderingen en vergaderingen met derde landen organiseerde (tegenover 3 983 in 2019), alsook 434 andere bijeenkomsten (tegenover 3 685 in 2019), en dat 39,2 % van de vergaderingen plaatsvond via videoconferentie of in hybride vorm;

15.

is ingenomen met de verbeteringen van de interne organisatie van het SGR, waarbij in het bijzonder rekening werd gehouden met de werkbeperkingen als gevolg van de COVID-19-pandemie, zoals de uitbreiding van de platformen en de verhoging van de bandbreedte voor telewerkactiviteiten en de installatie van geschikte videoconferentie-apparatuur in kleine vergaderzalen zodat hybride vergaderingen gemakkelijker kunnen plaatsvinden;

16.

stelt vast dat de Raad in 2020, ondanks de moeilijke werkomstandigheden als gevolg van de COVID-19-pandemie, zijn wetgevingswerkzaamheden heeft kunnen handhaven op hetzelfde niveau als in 2019 met 1 328 rechtshandelingen die in 2020 werden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, tegenover 1 326 in 2019;

17.

erkent dat er in de Raad een intern controlekader bestaat dat redelijke zekerheid biedt ten aanzien van het halen van doelstellingen; is zich ervan bewust dat het risicobeheer wordt verricht door registers bij te houden van de vastgestelde risico’s die vervolgens samen met de effecten van de getroffen mitigatiemaatregelen worden beoordeeld;

18.

is zich ervan bewust dat de interne controleur van de Raad een aantal controles heeft verricht in het kader van het driejarig, op een risicoanalyse gebaseerd strategisch plan van de Raad, maar geen aanbevelingen met hoge prioriteit heeft geformuleerd;

19.

herinnert eraan dat kernprestatie-indicatoren een algemeen erkend instrument zijn voor het meten van resultaten ten opzichte van doelstellingen; verzoekt de Raad om in zijn beheersverslagen een samenvatting op te nemen van zijn kernprestatie-indicatoren en de bijbehorende resultaten;

Personele middelen, gelijkheid en welzijn van het personeel

20.

stelt vast dat het aantal ambten in de personeelsformatie voor 2020 was vastgesteld op 3 029 (tegenover 3 033 in 2019), waarvan er op 31 december 20202 905 bezet waren; merkt op dat de bezettingsgraad ongeveer 96 % bedraagt;

21.

betreurt het gebrek aan informatie over de uitvoering van het genderactieplan van de Raad en van de maatregelen die zijn genomen om bij de Raad als werkplek gelijke kansen te garanderen voor personen met een handicap; verzoekt de Raad de begrotingsautoriteit informatie te verstrekken over het genderevenwicht, de geografische spreiding en de handicaps van zijn personeelsleden en over het geldende interne beleid ter zake;

22.

herinnert aan zijn resolutie van 17 december 2020 over het feit dat er een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid moet komen als een specifiek institutioneel forum dat ervoor moet zorgen dat gendergelijkheid beter wordt geïntegreerd in de strategieën van de Unie, dat alle verwante beleidsmaatregelen en vorderingen in de belangrijkste gendergelijkheidsdossiers worden gecoördineerd en dat de bescherming van vrouwenrechten en gendergelijkheid wordt geharmoniseerd; betreurt dat de Raad dit verzoek van het Parlement tot op heden heeft genegeerd;

23.

herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 286, lid 2, VWEU, de Raad de leden van de Rekenkamer benoemt na raadpleging van het Parlement en begrijpt de moeilijkheden bij het bereiken van een genderevenwicht, aangezien de bevoegdheid voor de benoeming van kandidaten uitsluitend bij de lidstaten ligt en elke lidstaat telkens slechts één kandidaat mag benoemen; acht het echter onaanvaardbaar dat de Rekenkamer sinds haar oprichting in 1977 slechts 16 vrouwelijke leden van de in totaal 112 leden heeft gehad (85,7 % mannen en 14,3 % vrouwen) en dat de Rekenkamer in 2020 18 mannelijke leden en slechts acht vrouwelijke leden had; verzoekt de Raad in zijn benoemingsbeslissingen rekening te houden met de gehele samenstelling van de Rekenkamer, met name waar het het genderevenwicht betreft, en dit probleem aan te pakken met concrete acties, zoals het voordragen van ten minste twee kandidaten per lidstaat, een vrouw en een man, aan het Parlement;

24.

stelt vast dat in het interne plan voor de preventie van psychosociale risico’s voor de periode 2020-2022 de nadruk wordt gelegd op het voorkomen van burn-outs en het bevorderen van goede werkrelaties; merkt op dat het plan volledig werd geïntegreerd in de COVID-19-respons van het SGR met enquêtes over psychosociale risico’s, specifieke informatiesessies en opleidingen en verschillende interventies door de sociale dienst; stelt met waardering vast dat het personeel, de teams en de managers uitgebreide ondersteuning hebben gekregen van de klinisch en organisatiepsychologen en de sociaal werkers, op wie in 2020 voornamelijk een beroep werd gedaan in verband met COVID-19;

25.

stelt vast dat in 2020 in totaal 385 personen (zowel personen die in dienst zijn als gepensioneerden) een beroep hebben gedaan op de sociale dienst, met in totaal 4 425 interventies, waarvan sommige naar aanleiding van stress als gevolg van de COVID-19-pandemie, en dat de interne psychologen in totaal 164 individuele verzoeken hebben behandeld; is ingenomen met het feit dat psychologen en sociaal werkers een integraal onderdeel zijn van het psychosociaal interventieplan in geval van een kritiek incident;

26.

stelt vast dat het stagebureau meer dan 10 000 stageaanvragen heeft verwerkt en 110 stagiairs heeft geselecteerd, onder wie enkele stagiairs met een handicap in het kader van het nieuwe programma voor positieve actie; roept de Raad nogmaals op ervoor te zorgen dat al zijn stagiairs fatsoenlijk worden betaald;

Ethisch kader en transparantie

27.

stelt vast dat er activiteiten werden georganiseerd om mensen bewust te maken van het ethisch gedrag dat van hen wordt verwacht; stelt vast dat de volgende ethische strategie eind 2020 in voorbereiding was en dat er volop werd gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuwe, op de gebruiker gerichte hub rond ethisch gedrag op het intranet van de Raad; betreurt echter geen informatie te hebben ontvangen over de gedragscode die van toepassing is op alle personeelsleden;

28.

is ingenomen met het politieke akkoord over het transparantieregister voor belangenvertegenwoordigers dat het Parlement, de Raad en de Commissie op 15 december 2020 hebben bereikt (2); betreurt echter de beperkingen die worden overwogen in artikel 5 van het besluit van het Europees Parlement van 27 april 2021 over de sluiting van een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over een verplicht transparantieregister (3), zoals het feit dat het transparantieregister alleen op basis van vrijwillige regelingen van toepassing is op de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten; acht het belangrijk dat alle permanente vertegenwoordigers daar tijdens en na afloop van hun voorzitterschap middels vrijwillige regelingen actief aan deelnemen; dringt er bij de Raad, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de lidstaten, op aan de bestaande ethische regels te harmoniseren, te verbeteren en te handhaven, met name als het gaat om belangenconflicten, draaideurconstructies en de transparantieregels met betrekking tot lobbying; uit zijn bezorgdheid over het feit dat wetgevingsdossiers steeds vaker worden doorverwezen naar de Europese Raad, die noch een wetgevende noch een uitvoerende functie heeft, niet hetzelfde transparantieregister als de Raad toepast en geen rekenschap aflegt;

29.

betreurt dat de lidstaten gebruikmaken van sponsoring door bedrijven om een deel van hun uitgaven in verband met hun voorzitterschap van de Raad te financieren; herhaalt zijn bezorgdheid over de reputatieschade die dergelijke praktijken hebben berokkend en in de toekomst nog kunnen berokkenen, aangezien daadwerkelijke of als zodanig gepercipieerde belangenconflicten schadelijk zijn voor de reputatie van de Raad en de Unie als geheel; herinnert aan de verzoekschriften die zijn ingediend door organisaties die actief zijn op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht, waarin zij de roulerende voorzitterschappen van de Raad verzoeken alle sponsoraanbiedingen te weigeren; betreurt dat de richtsnoeren voor sponsoring die in 2021 in de handleiding voor het voorzitterschap van de Raad zijn opgenomen, geen gemeenschappelijke, duidelijke, concrete en bindende regels bevatten; is zich ervan bewust dat de financiële middelen uit de nationale begrotingen aanzienlijk verschillen per lidstaat en dat elke lidstaat, ongeacht zijn omvang en begrotingsmiddelen, gelijke kansen moet hebben om een succesvol voorzitterschap van de Raad te organiseren en herhaalt daarom zijn oproep aan de Raad om de mogelijkheid te onderzoeken van een begroting voor het voorzitterschap van de Raad om de continuïteit en doeltreffendheid van het werkproces te garanderen;

30.

is zich bewust van de sleutelrol van de Raad bij voordrachts- en benoemingsprocedures voor de instellingen en organen van de Unie, met name voor de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de leden van de Rekenkamer en de leden van het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité; beveelt met klem aan de uitoefening van dit prerogatief te herzien, om de democratische participatie van belanghebbenden te waarborgen en versterken; betreurt dat de Raad meermaals heeft verzuimd de aanbevelingen van het Parlement in aanmerking te nemen in zijn raadgevende rol voor de benoeming van de leden van de Rekenkamer;

31.

herinnert zich dat de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 13/2019 “De ethische kaders van de gecontroleerde EU-instellingen: ruimte voor verbetering” verklaart dat ethisch gedrag “[bijdraagt] tot een beter financieel beheer en een sterker vertrouwen van het publiek, hetgeen onmisbaar is wil overheidsbeleid succes kunnen hebben” en met name dat “onethisch gedrag van personeel en leden van de instellingen en organen van de Europese Unie (EU) veel publieke aandacht [krijgt] en het vertrouwen in de EU [vermindert]”; roept de Raad daarom met klem op de aanbevelingen van het Parlement op te volgen en te weigeren kandidaten te benoemen die de geloofwaardigheid van de Unie mogelijk schade kunnen berokkenen, bijvoorbeeld als gevolg van ontoereikende vakbekwaamheid of vastgesteld onethisch gedrag;

32.

betuigt nogmaals zijn volledige steun voor de aanbevelingen van de Ombudsman met betrekking tot de transparantie van het wetgevingsproces van de Raad naar aanleiding van het strategisch onderzoek door de Ombudsman (zaak OI/2/2017/TE), met name om de standpunten van de lidstaten beter toegankelijk te maken en in een machineleesbaar formaat beschikbaar te stellen, zoals al in 2013 is vastgesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak op het gebied van de transparantie van en toegang tot documenten (4); is ervan overtuigd dat als de aanbevelingen van de Ombudsman in de praktijk worden gebracht, de burgers een grotere rol kunnen spelen in het wetgevingsproces en beter zullen begrijpen hoe de Europese wetgeving tot stand komt; is tevreden met de maatregelen die de Raad in juli 2020 heeft genomen om het wetgevingsproces transparanter te maken overeenkomstig de aanbevelingen van de Ombudsman, met inbegrip van de proactieve bekendmaking van de voortgangsverslagen over de onderhandelingen over de ontwerpen van wetgevingshandelingen en het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen met het Parlement; betreurt echter dat het besluitvormingsproces van de Raad nog verre van volledig transparant is; verzoekt de Raad alle nodige maatregelen te nemen om de aanbevelingen van de Ombudsman en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie uit te voeren;

33.

herhaalt zijn diepe bezorgdheid over de bevestigde belangenconflicten van vertegenwoordigers van de lidstaten die betrokken zijn bij besluitvormingsprocessen met betrekking tot het beleid en de begroting; herhaalt zijn eerdere nadrukkelijke verzoeken aan de Raad om ervoor te zorgen dat vertegenwoordigers van de lidstaten die rechtstreeks van subsidies van de Unie profiteren via de bedrijven die zij bezitten, niet deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over het beleid en de begroting ter zake; verzoekt de Raad het Parlement informatie te verstrekken over de nodige maatregelen die genomen zijn om belangenconflicten te voorkomen;

34.

deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer over het gebrek aan een gemeenschappelijk ethisch EU-kader dat van toepassing is op de werkzaamheden van de vertegenwoordigers van lidstaten in de Raad, zoals de Rekenkamer aanhaalt in Speciaal verslag nr. 13/2019; herinnert aan de verplichting van de Raad om belangenconflicten op hoog niveau en draaideurconstructies aan te pakken en te verhelpen en het verplichte karakter van de bestaande transparantieregels met betrekking tot lobbying uit te breiden;

35.

herhaalt nadrukkelijk zijn verzoek aan de Raad om de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad in overeenstemming te brengen met die van het Parlement en de Commissie zodat er regels gelden voor de goedkeuring van activiteiten met betrekking tot de Uniewetgeving nadat de voorzitter van de Europese Raad zijn of haar functie neerlegt;

Digitalisering, cyberbeveiliging, gegevensbescherming

36.

stelt vast dat de definitieve begrotingskredieten die ter beschikking werden gesteld van het directoraat-generaal Digitale Diensten, aanzienlijk werden verhoogd bij de herziening halverwege en aan het einde van het jaar, meer bepaald met 10,6 miljoen EUR waardoor het totaalbedrag 54 675 000 EUR bedroeg, en voor 99,99 % werden besteed;

37.

herhaalt zijn oproep aan de Raad om gebruik te maken van opensourcetechnologieën om afhankelijkheid van aanbieders te voorkomen, de controle over zijn eigen technische systemen te behouden, sterkere waarborgen te bieden voor de privacy en de gegevensbescherming van de gebruiker en de veiligheid en transparantie voor het publiek te vergroten;

Gebouwen en veiligheid

38.

stelt vast dat het gebouwenbeleid van de Raad er sinds 2004 op gericht is om uiteindelijk alle activiteiten te laten plaatsvinden in Brussel, in gebouwen die de Raad in eigendom heeft en zich binnen een beperkte geografische zone bevinden; spoort de Raad aan zijn gebouwenstrategie aan te passen om rekening te houden met de werkregelingen die naar alle waarschijnlijkheid op lange termijn of voor altijd deel zullen uitmaken van de werkwijzen, met name met betrekking tot gedeelde of multifunctionele ruimten;

Milieu en duurzaamheid

39.

is ingenomen met de inspanningen van de Raad ter vermindering van zijn ecologische voetafdruk in al zijn gebouwen die sinds 2016 zijn geregistreerd in het kader van het Europees milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS); is ingenomen met de publicatie van een gedetailleerde milieuverklaring in oktober 2020 op basis van gegevens van 2019;

40.

stelt vast dat de Raad op 31 december 2020 in het bezit was van 3 469 groene energiecertificaten; is zich ervan bewust dat dergelijke certificaten worden toegekend door de regionale energiemarktregulator op basis van de energie die in 2020 werd geproduceerd door de zonnepanelen op de daken van de gebouwen van de Raad, en in 2021 op de open markt zullen worden verkocht overeenkomstig de gepaste verkoopprocedures;

41.

roept de Raad op om zich uitdrukkelijk te verbinden tot een “papierloze campagne” en een gestructureerde benadering te volgen om de mobiliteit van de personeelsleden duurzamer te maken; spoort de Raad aan om verslag uit te brengen over de duurzaamheid van het energiebeheer in de gebouwen, zodat er precieze maatregelen kunnen worden genomen om het energieverbruik te verkleinen;

Communicatie en meertaligheid

42.

stelt vast dat van 2019 tot 2020 het aantal gebruikers op de verschillende socialemediaplatforms is toegenomen, met ongeveer 443 000 volgers op Facebook (een stijging van 8 %), ongeveer 561 000 volgers op Twitter (een stijging van 22 %) en ongeveer 167 000 volgers op Instagram (een stijging van 37 %); stelt vast dat het aantal bezoeken van de website van de Raad met 39 % is toegenomen en in 2020 meer dan 16 miljoen bedroeg; moedigt de Raad aan aanwezig te zijn op opensourcesocialemedianetwerken om voor meer transparantie te zorgen en meer Unieburgers te bereiken;

43.

merkt op dat de Raad in het kader van zijn versterkte samenwerking met de lidstaten rond de COVID-19-communicatie heeft samengewerkt met de Europese Dienst voor extern optreden om het Communicators’ Portal tot stand te brengen, een beveiligd platform voor het delen van herbruikbare digitale inhoud met de lidstaten;

44.

is zich ervan bewust dat de Raad de eerste instelling van de Unie was die op zijn website een COVID-19-informatiehub creëerde om regelmatig en op begrijpelijke wijze uitleg te geven over de respons van de Unie in het algemeen en de Raad in het bijzonder, voornamelijk ten aanzien van de COVID-19-pandemie;

Interinstitutionele samenwerking

45.

verzoekt de Raad volledig te voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgesteld in het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (5);

46.

is ervan overtuigd dat de Conferentie over de toekomst van Europa de burgers en maatschappelijke organisaties in de Unie de gelegenheid biedt om hun mening te geven en om voorstellen te bespreken ter bevordering van de transparantie en democratische verantwoordingsplicht met betrekking tot de begroting van de Unie, in het bijzonder voorstellen om de transparantie en leesbaarheid van de begroting van de Raad te verbeteren;

Stand van zaken in de kwijtingsprocedure

47.

wijst op zijn prerogatief om kwijting te verlenen overeenkomstig artikel 319 van het VWEU en de toepasselijke bepalingen in het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk de bevoegdheid om kwijting te verlenen teneinde transparantie te bieden en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;

48.

wijst op de gevestigde en gerespecteerde praktijk die het Parlement gedurende bijna twintig jaar heeft gehanteerd om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen en instanties van de Unie; herinnert eraan dat de Commissie heeft verklaard dat zij niet in staat is toezicht te houden op de uitvoering van de begroting door de andere instellingen van de Unie; benadrukt dat de Commissie meermaals te kennen heeft gegeven dat het aan elke instelling van de Unie verlenen van kwijting voor hun administratieve uitgaven rechtstreeks door het Parlement moet worden voortgezet;

49.

benadrukt dat de huidige situatie waarbij het Parlement alleen de verslagen van de Rekenkamer en van de Ombudsman, alsook de informatie op de website van de Raad, kan controleren, maar tijdens de jaarlijkse kwijtingsprocedure geen schriftelijke of mondelinge antwoorden krijgt van de Raad, doordat de Raad weigert om in het kader van de procedure voor de jaarlijkse kwijting samen te werken met het Parlement, het voor het Parlement onmogelijk maakt een geïnformeerd besluit te nemen over het verlenen van de kwijting;

50.

betreurt dat de Raad al meer dan tien jaar laat zien geen enkele politieke wil te hebben om in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure samen te werken met het Parlement, wat het voor het Parlement onmogelijk maakt een geïnformeerd besluit te nemen over het verlenen van de kwijting; benadrukt dat deze houding een blijvend negatief effect heeft op beide instellingen en op het vertrouwen van de burgers in de Unie als transparante organisatie, en het beheer van en de democratische controle op de begroting van de Unie in diskrediet brengt; betreurt ten zeerste dat de Raad al meer dan tien jaar blijft weigeren om loyaal samen te werken in het kader van de kwijtingsprocedure;

51.

benadrukt dat de huidige situatie weliswaar moet worden verbeterd door een betere samenwerking tussen de instellingen in het kader van de Verdragen, maar dat een herziening van de Verdragen de kwijtingsprocedure duidelijker en transparanter zou kunnen maken door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie afzonderlijk kwijting te verlenen;

52.

wijst erop dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van de belastingbetalers en het publiek ondersteunt om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten; eist daarom dat het prerogatief van het Parlement en zijn rol als verantwoordelijke voor het beginsel van democratische verantwoording volledig worden geëerbiedigd; verzoekt de Raad om de aanbevelingen te volgen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure heeft goedgekeurd;

53.

acht het onaanvaardbaar dat de COVID-19-pandemie en de uitzonderlijke situatie zijn aangegrepen als excuus om de interinstitutionele onderhandelingen over de kwijtingsprocedure niet te hervatten; blijft er desalniettemin van overtuigd dat een akkoord over dit onderwerp mogelijk is als de Raad de politieke wil toont om samen te werken; verzoekt de Raad daarom de onderhandelingen met het Parlement onverwijld te hervatten om binnen het huidige kader van de kwijtingsprocedure tot een oplossing te komen als hij de burgers van de Unie wil laten zien dat hij behoorlijke begrotingscontrole en transparantie serieus neemt, en de respectieve taken van het Parlement en de Raad in de kwijtingsprocedure daarbij te eerbiedigen.

 


(1)  Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 48 van 23.2.2011, blz. 1).

(2)  Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 20 mei 2021 over een verplicht transparantieregister (PB L 207 van 11.6.2021, blz. 1).

(3)   PB C 506 van 15.12.2021, blz. 127.

(4)  Arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2013 in zaak C-280/11 P, Raad van de Europese Unie tegen Access Info Europe, ECLI:EU:C:2013:671

(5)   PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.


Top