EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021IP0452

Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2021 over de Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering van onderwijs, vaardigheden en competenties (2020/2243(INI))

PB C 205 van 20.5.2022, p. 17–25 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

20.5.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 205/17


P9_TA(2021)0452

De Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering

Resolutie van het Europees Parlement van 11 november 2021 over de Europese onderwijsruimte: een gedeelde holistische benadering van onderwijs, vaardigheden en competenties (2020/2243(INI))

(2022/C 205/02)

Het Europees Parlement,

gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

gezien artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

gezien het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten,

gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, en met name duurzameontwikkelingsdoelstelling 4 van de VN,

gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” (COM(2020)0625),

gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2020, getiteld “Actieplan Voor Digitaal Onderwijs 2021-2027 — Onderwijs en opleiding herbronnen voor het digitale tijdperk” (COM(2020)0624),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020, getiteld “Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht” (COM(2020)0274),

gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2018, getiteld “Bouwen aan een sterker Europa: de rol van het beleid inzake jongeren, onderwijs en cultuur” (COM(2018)0268),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 november 2017, getiteld “De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur” (COM(2017)0673),

gezien de resolutie van de Raad van 26 februari 2021 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021-2030) (1),

gezien de conclusies van de Raad van 17 mei 2021 over kansengelijkheid en inclusie in onderwijs en opleiding ter bevordering van onderwijssucces voor iedereen (2) en over het initiatief “Europese universiteiten” — Een brug slaan tussen hoger onderwijs, onderzoek, innovatie en samenleving: de weg effenen voor een nieuwe dimensie in het Europese hoger onderwijs (3),

gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (“ET 2020”) (4),

gezien de aanbevelingen van de Raad van 22 mei 2018 inzake de bevordering van gemeenschappelijke waarden, inclusief onderwijs en de Europese dimensie in lesgeven (5) en inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (6), van 26 november 2018 betreffende de bevordering van automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties van hoger onderwijs en hoger secundair onderwijs en opleiding en de resultaten van leerperioden in het buitenland (7), van 22 mei 2019 betreffende stelsels voor kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang (8) en inzake een alomvattende benadering van het onderwijzen en leren van talen (9), en van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (10),

gezien de Verklaring van Parijs van 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs,

gezien het verslag van Eurydice van 24 maart 2021, getiteld “Teachers in Europe: Careers, Development and Well-being”, en de respectievelijk in oktober 2020 en mei 2021 gepubliceerde studies van de beleidsondersteunende afdeling Structuur- en Cohesiebeleid van het directoraat-generaal Intern Beleid, getiteld “Towards a European Education — Critical Perspectives on Challenges Ahead” en “Education and Youth in Post-COVID-19 Europe — Crisis Effects and Policy Recommendations”,

gezien de in februari 2021 door de beleidsondersteunende afdeling Structuur- en Cohesiebeleid van het directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerde studie, getiteld “Making the European Education Area a Reality: State of Affairs, Challenges and Prospects”,

gezien de in mei 2018 door de beleidsondersteunende afdeling Structuur- en Cohesiebeleid van het directoraat-generaal Intern Beleid gepubliceerde studie, getiteld “European Identity”,

gezien zijn resolutie van 25 maart 2021 over de vormgeving van beleid inzake digitaal onderwijs (11),

gezien zijn resolutie van 11 december 2018 over onderwijs in het digitale tijdperk: uitdagingen, kansen en lessen voor de ontwikkeling van EU-beleid (12),

gezien zijn resolutie van 12 juni 2018 over de modernisering van het onderwijs in de EU (13),

gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s van 19 maart 2021, getiteld “De Europese onderwijsruimte tegen 2025 tot stand brengen” (14),

gezien artikel 57 van zijn Reglement,

gezien het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A9-0291/2021),

A.

overwegende dat iedereen recht heeft op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing;

B.

overwegende dat het Europees integratieproces, de eengemaakte markt en andere beleidsmaatregelen van de EU — zij het op gefragmenteerde wijze — hebben bijgedragen aan de natuurlijke ontwikkeling van een Europese onderwijsruimte, die historische wortels heeft in de Europese humanistische tradities, grondrechten en waarden;

C.

overwegende dat het uiteindelijke doel erin bestaat volgens een bottom-upbenadering een Europese onderwijsruimte tot stand te brengen met gemeenschappelijke Europese beleidsdoelstellingen die hoogwaardig, inclusief en toegankelijk onderwijs waarborgen, de uitwisseling van goede praktijken versterken en voorzien in een doeltreffend kader voor Europese mobiliteit, waarvoor bestaande belemmeringen moeten worden weggenomen, gebruik moet worden gemaakt van Europese instrumenten en beleidsontwikkelingen op nationaal en Europees niveau moeten worden ondersteund om ervoor te zorgen dat onderwijsstelsels geschikt zijn om de klimaatcrisis aan te pakken en het welslagen van de digitale en de groene transitie mogelijk te maken;

D.

overwegende dat onderwijs in brede zin moet worden opgevat als “een leven lang leren”, van kleuter- tot tertiair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding evenals niet-formeel en informeel onderwijs, en gericht op de verwerving van transversale vaardigheden die mensen helpen hun persoonlijke en beroepsmogelijkheden ten volle te ontwikkelen, volwaardig aan de samenleving deel te nemen en succesvol de overstap te maken naar de arbeidsmarkt;

E.

overwegende dat de uitdagingen waarvoor de EU en haar lidstaten vandaag de dag staan, waaronder een gebrekkig concurrentievermogen, de klimaatverandering, de digitale transformatie van de samenleving, verscheidene vormen van extremisme en populisme, desinformatie, de ondermijning van empirisch onderbouwd onderwijs en de verergering van bestaande ongelijkheden als gevolg van de COVID-19-pandemie, mogelijk passend en gecoördineerd Europees optreden vereisen;

F.

overwegende dat de pandemie negatieve gevolgen heeft gehad voor het onderwijs in zijn geheel, waarbij de bestaande verschillen op het gebied van onderwijsinfrastructuur, deskundigheid en toegang tot middelen binnen en tussen de lidstaten en tussen verschillende onderwijsniveaus en -soorten tijdens de COVID-19-pandemie nog duidelijker zijn geworden, voornamelijk als gevolg van grotere ongelijkheid, en onder meer door de gebrekkige toegang van mensen uit sociaaleconomisch kansarme milieus tot IT-infrastructuur, hetgeen een nadelige weerslag heeft gehad op de toegang tot onderwijs;

G.

overwegende dat contactonderwijs nog altijd van wezenlijk belang is voor de intellectuele en persoonlijke ontwikkeling van leerlingen;

H.

overwegende dat het Parlement de lidstaten heeft opgeroepen prioriteit te geven aan investeringen in onderwijs en opleiding, bijvoorbeeld door minstens 10 % van hun nationale begroting voor herstel en veerkracht toe te wijzen aan beleidsmaatregelen op dit gebied, en dat het Parlement om een aanzienlijk hogere begroting voor het Erasmus+-programma heeft verzocht, waarbij het de uitgaven voor onderwijs niet beschouwt als uitgaven, maar als een investering in onze gemeenschappelijke toekomst (15), teneinde een duurzamere, digitalere en sociaal samenhangendere samenleving tot stand te brengen; overwegende dat het Parlement ervoor heeft gepleit investeringen in onderwijs en opleiding tot een substantieel onderdeel te maken van NextGenerationEU-instrument van de Commissie;

I.

overwegende dat hoogwaardige investeringen in onderwijs een hoog rendement hebben, maar louter hogere uitgaven niet noodzakelijk de gewenste resultaten opleveren; overwegende dat het gemiddeld mondiaal particulier rendement in het onderwijs al tientallen jaren hoog en stabiel is (16);

J.

overwegende dat het beroep van leerkracht, dat momenteel een crisis doormaakt, beter moet worden erkend, dat gemotiveerde en bekwame leerkrachten moeten worden aangetrokken en dat meer nascholing moet worden aangeboden; overwegende dat het initieel onderwijs, de begeleiding, de arbeidsomstandigheden, het salaris, de beoordeling, de loopbaanontwikkeling en de bij- en nascholing van leerkrachten in de lidstaten aanzienlijk uiteenlopen; overwegende dat in 2018 slechts 40,9 % van de leerkrachten in de EU ten minste eenmaal voor beroepsdoeleinden naar het buitenland was geweest als leerling, leerkracht of beide (17);

K.

overwegende dat dankzij de langetermijninspanningen in het kader van het proces van Bologna en het gebruik ervan als referentie om te leren van de ervaringen die tijdens de tenuitvoerlegging van het proces zijn opgedaan, vooruitgang is geboekt bij de totstandbrenging van een Europese ruimte voor hoger onderwijs; overwegende dat de Europese universiteiten moeten worden bevorderd, aangezien zij bijdragen tot Europese excellentie en de geopolitieke rol van de EU;

L.

overwegende dat er sprake is van een gebrek aan erkenning van beroepsonderwijs en -opleiding als keuze- en kennistraject op gelijke voet met andere onderwijstrajecten; overwegende dat er ondanks de in het kader van het proces van Kopenhagen geboekte vorderingen nog altijd veel belemmeringen zijn die de mobiliteit van lerenden, waaronder de langetermijnmobiliteit van leerlingen, in de weg staan;

M.

overwegende dat de lidstaten de doelstellingen en benchmarks van het kader voor onderwijs en opleiding 2020 niet volledig hebben verwezenlijkt, en met name de doelstellingen inzake de bevordering van billijk en hoogwaardig onderwijs, het terugdringen van het percentage voortijdige verlaters van onderwijs en opleiding, en het terugdringen van het percentage vijftienjarigen dat slecht presteert op het gebied van lezen, wiskunde en wetenschap tot 15 %;

N.

overwegende dat gegevensverzameling en statistieken over onderwijs en opleiding van goede kwaliteit twee van de randvoorwaarden zijn die ons in staat stellen een beter inzicht te krijgen in de desbetreffende uitdagingen in de hele EU en in de verschillen binnen de EU, en deze verschillen aan te pakken;

O.

overwegende dat digitaal onderwijs en een toereikend niveau van digitale vaardigheden niet moeten worden beschouwd als een subgroep van of alternatief voor bestaande manieren van leren en lesgeven, maar als onderdeel van toekomstgericht onderwijs, en dat daarbij het belang van contactonderwijs moet worden beklemtoond; overwegende dat ruim meer dan een derde van de Europeanen (42 %) niet eens over digitale basisvaardigheden beschikt, en dat op dit gebied aanzienlijke verschillen bestaan binnen en tussen de lidstaten; overwegende dat de vaardighedenagenda ervoor moet zorgen dat 70 % van de 16- tot 74-jarigen tegen 2025 over digitale basisvaardigheden beschikt, wat neerkomt op een gemiddelde stijging van twee procentpunten per jaar, ten opzichte van een stijging van 0,75 procentpunt per jaar tussen 2015 en 2019;

P.

overwegende dat de Europese onderwijsruimte een belangrijke kans biedt voor meer internationale samenwerking;

De behoefte aan een Europese onderwijsruimte

1.

benadrukt dat hoogwaardig, betaalbaar en inclusief onderwijs dat voor iedereen levenslang toegankelijk is, belangrijk is en dat het initiatief betreffende de Europese onderwijsruimte lerenden in de EU meer en betere mogelijkheden moet bieden om waar dan ook te studeren, een opleiding te volgen, onderzoek te verrichten of te werken, de leermobiliteit moet vergroten, een permanente, zinvolle dialoog met de betrokken actoren moet vergemakkelijken en de totstandkoming moet stimuleren van een omgeving waarin vaardigheden, kwalificaties, diploma’s en graden in heel Europa worden erkend en gewaardeerd;

2.

onderstreept dat het rendement in het onderwijs nog altijd zeer hoog is en dat meer onderwijs en opleiding doorgaans sterk in verband staat met maatschappelijke en economische groei, meer gelijkheid en een betere levensstandaard voor iedereen, en, op individueel niveau, met meer persoonlijke en beroepskansen; vestigt daarom de aandacht op de onschatbare waarde van onderwijs, opleiding en leermogelijkheden, die voor iedereen toegankelijk moeten zijn, en benadrukt dat dit de allerbelangrijkste drijvende krachten zijn achter maatschappelijke vooruitgang en duurzame economische groei; is van mening dat de Europese onderwijsruimte een ongeëvenaarde rol kan en moet spelen bij de verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs in de hele EU;

3.

onderstreept de rol die de Europese onderwijsruimte speelt bij het mogelijk maken van meer en de betere doorstroming van lerenden, leerkrachten en kennis ter bevordering van een gevoel van Europese verbondenheid en maatschappelijk bewustzijn, waarbij de rechten en waarden worden gewaarborgd en billijke, gelijke kansen worden geboden; benadrukt dat Europa het potentieel heeft om een echte onderwijsmacht te worden door gebruik te maken van de rijkdom van de diversiteit in Europa en goede praktijken uit te wisselen om bestaande en toekomstige uitdagingen aan te pakken;

4.

is van mening dat onderwijs en cultuur van wezenlijk belang zijn voor het verwezenlijken van persoonlijke en maatschappelijke vooruitgang en persoonlijk en maatschappelijk welzijn, alsook voor het bevorderen van Europees burgerschap, het verbeteren van de sociale cohesie, het scheppen van werkgelegenheid en Europese economische en maatschappelijke welvaart — op eerlijke en duurzame wijze — en het waarborgen dat de EU een mondiaal concurrerende en veerkrachtige speler is die wordt gekenmerkt door meer ondernemerschap, opdat zij het voortouw kan nemen bij de groene en digitale transitie;

5.

pleit voor de benutting van de vele mogelijkheden voor “Europese meerwaarde” in het onderwijs, met name door middel van mobiliteit en de uitwisseling van beste praktijken, waarbij een bijzonder belangrijke rol is weggelegd voor het Erasmus+-programma en het programma “Europees Solidariteitskorps”;

6.

pleit voor een duidelijkere en sterkere geopolitieke dimensie van de Europese onderwijsruimte om de EU in staat te stellen haar onderwijsmacht strategisch aan te wenden met haar naaste buren en partners;

Een brug slaan tussen de benaderingen van instellingen en belanghebbenden

7.

merkt op dat de verscheidenheid aan visies op en benaderingen betreffende de Europese onderwijsruimte een gemeenschappelijke wens weerspiegelen om het Europees project een nieuwe impuls te geven; beschouwt onderwijs als een hoeksteen van de verwezenlijking van het Europees project, waarbij de rol van de EU onder meer gericht is op het ondersteunen en coördineren van de lidstaten bij het uitwisselen van goede praktijken, het aansporen tot de totstandbrenging van gemeenschappelijke normen en het dichten van bestaande lacunes, zonder daarbij af te doen aan de handhaving van lesinhoud en onderwijsmethoden als een nationale bevoegdheid; onderstreept dat er behoefte is aan meer samenwerking op het gebied van onderwijs, zowel in Europa als daarbuiten, om tot gemeenschappelijke benaderingen en oplossingen te komen;

8.

is te spreken over de inspanningen van de Commissie om een Europese onderwijsruimte te bevorderen, maar wijst niettemin op de behoefte aan een meer holistische benadering, waarvoor constructieve samenwerking tussen en coördinatie van de inspanningen van alle actoren nodig is, evenals een gevarieerde reeks belanghebbenden, onder meer uit de onderwijs- en opleidingsgemeenschap, ouderverenigingen, sociale partners, vakbonden, jongerenorganisaties, jeugdwerkers en het maatschappelijk middenveld; pleit voor een opener houding ten aanzien van nieuwe ideeën om ervoor te zorgen dat de Europese onderwijsruimte zich blijft ontwikkelen en als stimulans dient voor meer en sterkere partnerschappen, onder meer tussen de overheids- en de particuliere sector, alsook voor synergieën tussen belanghebbenden;

9.

is ingenomen met het antwoord van de Raad op de voorstellen van de Commissie, en met name met de nadruk die daarin wordt gelegd op het belang van beroepsonderwijs en -opleiding en van mogelijkheden voor een leven lang leren, die, zeker in de ultraperifere gebieden van de EU, voor iedereen betaalbaar en toegankelijk moeten zijn;

10.

is verheugd over de toezegging van de Commissie om de Europese onderwijsruimte uiterlijk in 2025 tot stand te brengen; waarschuwt dat het voorstel van de Commissie in wezen nog steeds een strategisch ontwerp is en geen concreet stappenplan met beleidsmaatregelen; stelt daarom voor duidelijke prioriteiten vast te stellen voor de middellange en de lange termijn met haalbare doelstellingen en termijnen voor de in te voeren maatregelen, waaronder duidelijk omschreven, tussentijdse doelen die de verschillende bouwstenen zullen vormen van een echte Europese onderwijsruimte zonder onnodige vertragingen, waarbij rekening wordt gehouden met de begrotingscapaciteiten van de lidstaten;

11.

stelt dat er dringend een gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie en een gemeenschappelijk stappenplan moeten worden uitgestippeld waarbij de instellingen van de EU, de lidstaten en alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van lokale en regionale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, worden betrokken, en waarin hun respectieve verantwoordelijkheden en kansen worden omschreven; dringt erop aan dat de Europese onderwijsruimte duidelijk en toegankelijk moet zijn en dat alle bestuurslagen erin moeten terugkomen;

Van visie naar realiteit: gemeenschappelijke strategische prioriteiten en EU-doelstellingen

12.

wijst erop dat de Europese beleidscoördinatie-instrumenten zouden kunnen worden ingezet om de gemeenschappelijke doelstellingen in het kader van de Europese onderwijsruimte te verwezenlijken, waaronder de open coördinatiemethode en het Europees Semester; wijst erop dat het Europees Semester wordt ingezet met het oog op de succesvolle tenuitvoerlegging van EU-beleid op het gebied van onderwijs, maar erkent evenwel dat het oorspronkelijk in het leven werd geroepen als instrument voor de coördinatie van economische beleidsmaatregelen in de EU, om de naleving van de begrotingsdiscipline door regeringen te waarborgen;

13.

roept alle instellingen en lidstaten van de EU op het eens te worden over een gezamenlijke visie op en gezamenlijke prioriteiten, doelstellingen en benchmarks met betrekking tot een Europese onderwijsruimte, en daarbij rekening te houden met de bestaande diversiteit in Europa;

14.

onderstreept dat het belangrijk is academische vrijheid en pedagogische autonomie tot stand te brengen als kernbeginselen van de Europese onderwijsruimte;

15.

pleit voor de benutting van synergieën tussen de Europese onderwijsruimte, de Europese onderzoeksruimte en de Europese ruimte voor hoger onderwijs, alsmede tussen de verschillende EU-programma’s; pleit voorts voor de verdere versterking van de programma’s Erasmus+, Horizon Europa, “Europees Solidariteitskorps”, Digitaal Europa en “Burgers, gelijkheid, rechten en waarden” ten behoeve van alle leerkrachten, werknemers in het onderwijs, onderwijsaanbieders, jeugdwerkers en lerenden;

16.

wijst erop dat inclusie in de Europese onderwijsruimte centraal moet staan en een voorwaarde moet zijn voor de verwezenlijking van hoogwaardig onderwijs voor iedereen; onderstreept dat niemand aan zijn lot mag worden overgelaten, dat iedere lerende talent heeft en dat onderlinge verschillen moeten worden gekoesterd en gewaardeerd; beklemtoont dat er enkel vooruitgang op het gebied van gemeenschappelijke doelstellingen kan worden geboekt door middel van een omvattendere benadering;

17.

beklemtoont dat de lerende centraal moet worden gesteld in het leerproces; onderstreept dat er een op maat gesneden benadering moet worden gevolgd ten aanzien van kwetsbare groepen, waaronder mensen met om het even welke handicap of leerverschillen, zoals mensen met een autismespectrumstoornis of mensen met een groot potentieel, en dat een heleschoolbenadering in het kader van de Europese onderwijsruimte moet worden bevorderd; verzoekt de Commissie overleg te plegen met alle betrokken belanghebbenden, zoals studentenverenigingen, deskundigen op het gebied van pedagogische ondersteuning, zorgverleners aan lerenden met bijzondere behoeften, en anderen, met name wanneer het aankomt op de ontwikkeling van de Europese universiteiten en expertisecentra voor beroepsonderwijs en -opleiding;

18.

is zeer ingenomen met de doelstellingen van het nieuwe strategisch kader van de EU voor onderwijs en opleiding en een leven lang leren, waarover de Raad op 19 februari 2021 de resolutie over een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs heeft aangenomen, alsook met de vijf strategische prioriteiten die daarin worden vastgesteld, en met name de specifieke voorstellen om een leven lang leren en mobiliteit voor iedereen tot werkelijkheid te maken;

19.

beklemtoont dat de arbeidsomstandigheden moeten worden verbeterd en dat leerkrachten en onderwijzers naar behoren voor hun werk moeten worden beloond; verzoekt de lidstaten met klem in samenwerking met de Europese Commissie te investeren in het initieel onderwijs van leerkrachten en opleiders, met name door een Europese dimensie en grensoverschrijdende mobiliteit in hun leerplannen op te nemen, bekwaamheden en motivatie voor beroepen in het onderwijs te stimuleren, de erkenning te bevorderen van de waarde die onderwijzers aan de maatschappij toevoegen, en de pedagogische autonomie te versterken; wijst erop hoe belangrijk het is om personeel dat werkzaam is in voor- en vroegschools onderwijs en kinderopvang te professionaliseren, zodat het werk dat door dit personeel wordt verricht, dat onmisbaar is voor de opvoeding van kinderen, naar behoren wordt erkend en gewaardeerd;

20.

verzoekt de lidstaten met klem in alle leerfasen media- en informatiegeletterdheid, kritisch denken en een cultuur van verdraagzaamheid te bevorderen als kritiek instrument om de positie van verantwoordelijke Europese burgers te versterken door hen toe te rusten met de reeks vaardigheden die zij nodig hebben om de steeds groter wordende golf van desinformatie tegen te gaan en het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de 21e eeuw;

21.

pleit voor een gemeenschappelijk kader voor de ontwikkeling van digitale bekwaamheden; benadrukt dat er een gemeenschappelijk systeem van erkenning, validatie en certificering van digitale vaardigheden, kwalificaties en credentials nodig is om in heel Europa leemten op het gebied van digitale vaardigheden op te vullen en ervoor te zorgen dat alle lerenden, en met name kinderen, toegang hebben tot digitale basisuitrusting;

22.

onderstreept dat de digitalisering van universiteiten in de EU moet worden gewaarborgd en herhaalt zijn oproep om een online Europees universiteitsplatform tot stand te brengen; verzoekt de EU connectiviteit en digitale infrastructuur te erkennen als recht dat voortvloeit uit het grondrecht op onderwijs;

23.

is tevreden over de recente wijzigingen van het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa en verzoekt het Europees Uitvoerend Agentschap onderwijs en cultuur te onderzoeken hoe de zichtbaarheid van dit platform verder kan worden vergroot, hoe deze ontwikkeling kan worden voortgezet en hoe de impact van volwassenenonderwijs kan worden versterkt;

24.

staat achter het gebruik van kwantitatieve indicatoren en benchmarks, met inachtneming van de verschillen tussen en binnen de lidstaten, om de vorderingen van de lidstaten in verband met de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen continu te vergelijken en te monitoren en nadere beleidsmaatregelen te stimuleren; waarschuwt evenwel voor te ambitieuze streefcijfers voor de middellange termijn;

25.

onderstreept dat de nodige werkzaamheden met betrekking tot gegevensverzameling moeten worden opgevoerd en dat de kwaliteit ervan moet worden verbeterd, en dat bovendien de actieve monitoring van relevante indicatoren en benchmarks, zoals de in de Europese vaardighedenagenda vastgestelde doelstelling om ervoor te zorgen dat 50 % van de volwassen bevolking deelneemt aan leeractiviteiten, moet worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem ambitieuze streefdoelen te verwezenlijken, bijvoorbeeld voor het percentage zwak presterende leerlingen en voortijdige schoolverlaters, door de eerste benchmark te verlagen van de huidige 15 % naar 10 % en de tweede benchmark van de huidige 10 % naar 5 %;

26.

pleit voor nauwere samenwerking tussen de EU en andere organisaties en instellingen zoals Unesco en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, alsook voor een actief gebruik en actieve ondersteuning van bestaande en toekomstige onderzoeken en studies op het gebied van onderwijs, om de lidstaten te helpen doeltreffende beleidshervormingen in kaart te brengen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gemeenschappelijk en participerend onderwijsonderzoek te ontwikkelen met een goed omschreven mandaat en begroting binnen de bevoegdheden van de EU;

27.

verzoekt de lidstaten en de Commissie in het meerjarig financieel kader 2028-2034 te voorzien in de nodige financiering voor de oprichting, tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte en de vaststelling van een speciaal financieringsinstrument met het oog op de nadere ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte en de vergemakkelijking van de wederzijdse erkenning van kwalificaties; vraagt nogmaals dat ten minste 10 % van de financiering in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit wordt toegewezen voor onderwijs, waaronder digitaal onderwijs, en verzoekt de lidstaten hun overheidsuitgaven voor onderwijs aanzienlijk te verhogen tot boven het EU-gemiddelde (4,7 % van het bbp in 2019);

28.

spoort de Europese Commissie en de lidstaten aan in samenwerking en in overleg met alle belanghebbenden strategieën voor schadebeperking bij rampen vast te stellen voor het onderwijs, en vestigt de aandacht op het belang van een gezamenlijk Europees optreden in tijden van crisis, zoals tijdens de COVID-19-pandemie;

Sectorspecifieke maatregelen en overwegingen

29.

onderstreept hoe belangrijk het is om vreemde talen, en met name Engels, te leren; beklemtoont dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om de ontwikkeling van taalvaardigheden op alle onderwijsniveaus, en met name in het basis- en voortgezet onderwijs, te ondersteunen; wijst er bovendien op dat ze de meertaligheidsdoelstelling van de Raad van Europa moeten omarmen en de benchmark moeten verwezenlijken, d.w.z. dat alle leerlingen uiterlijk aan het einde van de onderbouw van de middelbare school over voldoende kennis beschikken van ten minste twee andere officiële talen van de EU en haar lidstaten;

30.

verzoekt de Commissie instrumenten te ontwikkelen waarmee de lidstaten de aanbeveling van de Raad inzake een alomvattende benadering van het onderwijzen en leren van talen ten uitvoer kunnen leggen, en de vorderingen te monitoren die in dit verband worden gemaakt; vraagt de lidstaten vergelijkbare gegevens over taalverwerving te verzamelen; verzoekt de Commissie financiering te verstrekken voor scholen die Europese taalvaardigheden aanleren, en met name de moedertalen van EU-burgers die in andere lidstaten wonen;

31.

beklemtoont dat onderzoek en innovatie in het onderwijs moeten worden bevorderd; benadrukt dat de Europese onderwijsruimte een belangrijke rol speelt bij de bevordering van het begrip omtrent en studies en onderzoek naar geavanceerde technologieën zoals artificiële intelligentie (AI) en robotica, om meer aandacht te vragen voor de daarmee gepaard gaande kansen en uitdagingen die zich in het onderwijs voordoen, onder meer met behulp van specifieke bachelorprogramma’s in alle lidstaten; is bezorgd dat de EU als geheel niet over voldoende gespecialiseerde bachelorprogramma’s op dit gebied beschikt;

32.

is ingenomen met het initiatief betreffende Europese expertisecentra voor beroepsonderwijs en -opleiding, dat de sector op Europees niveau voorziet van structuur; pleit voor de totstandbrenging van een Europese ruimte voor beroepsonderwijs en -opleiding als integraal onderdeel van de Europese onderwijsruimte; vraagt de Commissie en de lidstaten toe te werken naar een Europees statuut voor leerlingplaatsen; benadrukt dat enkele lidstaten maatregelen moeten nemen om de aantrekkelijkheid en het aanzien van hun stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding en duaal leren te verbeteren; beklemtoont dat stelsels van beroepsonderwijs en -opleiding nog sterker op lerenden gericht moeten zijn en nog beter op de veranderende werkomgeving moeten worden afgestemd; wijst eens te meer op het belang van de erkenning van beroepsonderwijs en -opleiding en verzoekt de lidstaten de desbetreffende aanbeveling van de Raad, alsmede de Europese vaardighedenagenda naar behoren en volledig ten uitvoer te leggen; onderstreept dat het belangrijk is om flexibele en modulaire leertrajecten uit te stippelen die lerenden in staat stellen verschillende leerervaringen en -mogelijkheden te combineren en daarop voort te bouwen;

33.

wijst op het belang van maatregelen van de Commissie en de lidstaten op het gebied van hoger onderwijs, zoals de versterking van het proces van Bologna en de internationale dimensie van de Europese onderwijsruimte en de bevordering van de Europese studentenkaart, onder meer door gebruik te maken van de synergieën tussen bestaande EU-programma’s;

34.

dringt erop aan dat de Europese onderwijsruimte een mijlpaal moet zijn in de erkenning van diploma’s en kwalificaties in de hele EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitbreiding van de automatische wederzijdse erkenning van leerresultaten en studietijdvakken in het buitenland te vergemakkelijken, ook in beroepsonderwijs en -opleiding en met behulp van microcredentials;

35.

vestigt de aandacht op de belangrijke rol van niet-formeel en informeel leren en vrijwilligerswerk en benadrukt dat de in het kader daarvan behaalde resultaten moeten worden erkend; verzoekt de Commissie en de lidstaten zachte vaardigheden in de hele EU te bevorderen;

36.

spoort de lidstaten ertoe aan de aanbeveling van de Raad van 2018 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren ten uitvoer te leggen om vooruitgang te bevorderen op de acht belangrijkste gebieden, waaronder mogelijkheden voor jonge lerenden om ten minste één praktijkervaring met ondernemen op te doen tijdens hun schoolopleiding en zodoende de erkenning van via niet-formeel en informeel leren verworven bekwaamheden te erkennen om de flexibiliteit van leertrajecten voor lerenden van alle leeftijden te verbeteren; pleit voor de totstandbrenging van een Europees kader voor burgerschaps- en maatschappelijke bekwaamheden waarin de voordelen van praktijken zoals mentorschap en toezicht op jongerenactiviteiten worden gewaardeerd, bevorderd en erkend;

37.

onderstreept dat leren op afstand na de COVID-19-pandemie voor veel lerenden deel is gaan uitmaken van de werkelijkheid; benadrukt dat leren op afstand in het basis- en voortgezet onderwijs een laatste redmiddel moet blijven en een aanvulling moet vormen op contactonderwijs, dat van essentieel belang is voor het aanleren van waardevolle sociale vaardigheden; onderstreept dat een moderne, gemengde leerbenadering die gericht is op leerlingen van schoolgaande leeftijd voornamelijk in de klas tot uitvoering moet worden gebracht, onder begeleiding van de leerkracht, die er om pedagogische redenen voor kan kiezen verschillende hulpmiddelen, zowel digitale (o.a. online) als niet-digitale hulpmiddelen, te combineren als onderdeel van leeropdrachten (18);

38.

verzoekt de lidstaten onderwijs in verband met klimaatverandering en de milieutransitie te stimuleren en de Europese Green Deal onder de aandacht te brengen;

39.

verzoekt de Commissie en de lidstaten de genderkloof in het onderwijs, waaronder in onderwijs en beroepen op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (“science, technology, engineering, arts and mathematics” — STEAM), te dichten, genderstereotypen en discriminatie tegen te gaan en pesten, cyberpesten en andere vormen van intimidatie, discriminatie en gewelddadig wangedrag uit te bannen om de culturele, etnische en genderdiversiteit te verbeteren door in heel Europa goede praktijken tot stand te brengen en uit te wisselen;

40.

is ingenomen met de inspanningen van het Portugese voorzitterschap van de Raad voor een onlineplatform ter bevordering van gegevensuitwisseling tussen de lidstaten over de uitdagingen in verband met de jeugdwerkloosheid als gevolg van de pandemie;

41.

wijst nogmaals op het belang van open onlinecursussen voor een groot publiek (“Massive Open Online Course” — MOOC’s) als noodzakelijk element om de bij- en omscholing van de beroepsbevolking op een interactieve en toegankelijke manier te bevorderen; is van mening dat de uitrol en ontwikkeling van MOOC’s in het kader van de Europese onderwijsruimte moet worden bevorderd en dat deze doelstellingen moeten worden opgenomen in de Europese benadering met betrekking tot microcredentials;

42.

merkt op dat er momenteel geen overeengekomen definitie bestaat van het begrip “microcredentials”; is daarom van mening dat er uniforme, EU-brede normen moeten worden vastgesteld om de wederzijdse erkenning van microcredentials door de lidstaten te bevorderen en ervoor te zorgen dat werkgevers kunnen vertrouwen op de waarde ervan;

Governancekader

43.

verzoekt de Commissie en de lidstaten uiterlijk eind 2022 een concreet strategisch kader voor de Europese onderwijsruimte 2030 vast te stellen met onder meer een alomvattend governance-, monitoring- en evaluatiemechanisme, in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 4 van de VN (“Verzeker gelijke toegang tot kwaliteitsvol onderwijs en bevorder levenslang leren voor iedereen”) en het eerste beginsel van de Europese pijler van sociale rechten; is ingenomen met het voorstel voor een stuurgroep voor de Europese onderwijsruimte, die de basis moet leggen voor een gestructureerd en systematisch governancekader; vestigt de aandacht op de belangrijke rol die de Conferentie over de toekomst van Europa speelt bij discussies over de toekomst van de uitdagingen waarvoor het onderwijs in Europa staat en de vorming van beleid op dit gebied;

44.

verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem toezeggingen te doen in verband met het soort deelname dat wordt verlangd van de lidstaten en andere bestuursniveaus, met inbegrip van lokale en regionale overheden en de instellingen van de EU, en doeltreffende, meerlagige bestuursregelingen uit te werken die stroken met het subsidiariteitsbeginsel en gericht zijn op totstandbrenging van Europese meerwaarde;

45.

vraagt om duidelijkheid over de mate van betrokkenheid die wordt verwacht van belanghebbenden, onderwijssectoren die tot dusver ondervertegenwoordigd waren en relevante actoren uit het maatschappelijk middenveld; beklemtoont dat alle relevante belanghebbenden uit alle leergebieden, waaronder jeugdwerkers, jongerenorganisaties, en ouderverenigingen, bij het governancekader moeten worden betrokken;

46.

verzoekt de Commissie een platform voor de Europese onderwijsruimte op te zetten in de vorm van een interactieve, openbare toegangspoort ter ondersteuning van de lidstaten en belanghebbenden bij de uitwisseling van informatie, de bevordering van de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken; is van mening dat voldoende financiële middelen moeten worden vrijgemaakt voor dit platform en dat het in alle officiële talen van de EU beschikbaar moet zijn;

47.

beklemtoont dat Europese volkstellingen, gegevensverzameling, en onderzoek betreffende territoriale behoeften en onderwijspraktijken in de EU een kernprioriteit zijn voor de lidstaten en hun onderwijsstelsels;

Meer aandacht voor de Europese dimensie in het onderwijs

48.

wijst erop dat het belangrijk is om de Europese dimensie een plaats te geven in het onderwijs door een beter, uitgesproken Europees perspectief in de leerplannen en in de opleidingen van leerkrachten op te nemen, dat betrekking heeft op alle leerkrachten, opleiders en lerenden uit zowel formele als niet-formele organisaties en de sector beroepsonderwijs en -opleiding, onder meer met steun van Jean Monnetacties en “Teacher Academies”; stelt voor deze “Teacher Academies” om te dopen tot “Comenius Teacher Academies”; is voorstander van de totstandbrenging van een kader voor de vormgeving en ontwikkeling van gemeenschappelijke kwalificaties voor leerkrachten in alle lidstaten;

49.

beklemtoont dat lerenden uitgebreid moeten worden onderwezen in de Europese geschiedenis en het Europees materieel en immaterieel cultureel erfgoed, en wijst erop dat een kritisch Europees geheugen en historisch bewustzijn moeten worden bevorderd op basis van de fundamentele waarden die aan de EU ten grondslag liggen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de Raad van Europa samen te werken op het gebied van onderwijs in de hele EU over de Europese geschiedenis en het Europees cultureel erfgoed; benadrukt dat gerichte financiering en initiatieven nodig zijn om meer onderzoek naar de Europese geschiedenis mogelijk te maken en publieksgeschiedenis te bevorderen, met inachtneming van de complexe aard van de geschiedenis van ons continent;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten op alle onderwijsniveaus en -gebieden een gemeenschappelijk kader vast te stellen voor onderwijs over de EU; beklemtoont dat lerenden vertrouwd moeten worden gemaakt met het Europees integratieproces, de instellingen en beleidsmaatregelen van de EU, de rechten die voortvloeien uit het EU-burgerschap en de mogelijkheden om actief deel te nemen aan de democratische processen van de EU;

51.

verzoekt de Commissie en de lidstaten een alomvattende Europese strategie en een gemeenschappelijk kader voor burgerschapsvorming met een Europese dimensie vast te stellen, met inbegrip van onderwijs over Europese waarden, zoals menselijke waardigheid, democratie, de rechtsstaat, mensenrechten en gelijkheid, om aan te sporen tot de uitwisseling van goede praktijken en de ontwikkeling van gemeenschappelijk pedagogisch materiaal en gemeenschappelijke pedagogische benaderingen; vraagt de Commissie in dit verband na te gaan of er een taskforce voor burgerschapsvorming tot stand kan worden gebracht om deze taak te coördineren en de toegang tot onderwijs over Europees burgerschap te verbeteren, teneinde een Europese maatschappelijke cultuur en een gevoel van Europese verbondenheid te stimuleren, ter aanvulling van de lokale, regionale, nationale en mondiale dimensies;

o

o o

52.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB C 66 van 26.2.2021, blz. 1.

(2)  PB C 221 van 10.6.2021, blz. 3.

(3)  PB C 221 van 10.6.2021, blz. 14.

(4)  PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.

(5)  PB C 195 van 7.6.2018, blz. 1.

(6)  PB C 189 van 4.6.2018, blz. 1.

(7)  PB C 444 van 10.12.2018, blz. 1.

(8)  PB C 189 van 5.6.2019, blz. 4.

(9)  PB C 189 van 5.6.2019, blz. 15.

(10)  PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(11)  Aangenomen teksten, P9_TA(2021)0095.

(12)  PB C 388 van 13.11.2020, blz. 2.

(13)  PB C 28 van 27.1.2020, blz. 8.

(14)  PB C 175 van 7.5.2021, blz. 6.

(15)  Resolutie van het Europees Parlement van 25 maart 2021 over de vormgeving van beleid inzake digitaal onderwijs.

(16)  Psacharopoulos, G., Patrinos, H. A., Returns to Investment in Education: A Decennial Review of the Global Literature, World Bank Group, april 2018.

(17)  Verslag van Eurydice van 24 maart 2021, getiteld “Teachers in Europe: Careers, Development and Well-being”.

(18)  Zie het voorstel van de Commissie van 5 augustus 2021 voor een aanbeveling van de Raad over blended leren voor hoogwaardig en inclusief basis- en middelbaar onderwijs (COM(2021)0455).


Top