EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021DC0952

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen van schone-energietechnologieën

COM/2021/952 final

Brussel, 26.10.2021

COM(2021) 952 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen van schone-energietechnologieën

{COM(2021) 950 final} - {SWD(2021) 307 final}


Inhoud

1.Inleiding

2.Algemeen concurrentievermogen van de EU-sector voor schone energie

2.1Achtergrond: recente ontwikkelingen, COVID-19-impact, herstel, menselijk kapitaal en toegevoegde waarde

2.1Trends op het gebied van onderzoek en innovatie

2.2Het financieringslandschap voor schone technologieën in de EU

3.Focus op belangrijke schone energietechnologieën en -oplossingen

3.1Offshore- en onshore-windenergie

3.2Fotovoltaïsche zonne-energie (PV)20

3.3Warmtepompen voor toepassingen in gebouwen23

3.4Batterijen25

3.5Productie van hernieuwbare waterstof door elektrolyse28

3.6Slimme netwerken (automatisering van distributienetten, slimme meters, thuissystemen voor energiebeheer en slimme laadpalen voor elektrische voertuigen)31

3.7Hernieuwbare brandstoffen voor luchtvaart en scheepvaart33

4.Conclusies36

1.Inleiding  

De Europese Green Deal is het overkoepelende kader voor het EU-beleid inzake schone energie. Het is een nieuwe groeistrategie die erop gericht is van Europa het eerste klimaatneutrale continent ter wereld te maken, op een eerlijke, hulpbronnenefficiënte, kosteneffectieve en concurrerende manier. Om de klimaatdoelstellingen van de Europese Green Deal in de praktijk te brengen, is in de Europese klimaatwet 1 de politieke prioriteit vastgelegd om tegen 2050 klimaatneutraal te worden en de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990.

Deze beleidscontext wordt aangevuld met de vrijmaking van nooit geziene financiële middelen op EU-niveau, die zowel een nieuwe EU-begroting 2 als het in 2020 overeengekomen pakket voor herstel en veerkracht van NextGenerationEU omvatten 3 . Deze zullen zich vertalen in hoge bijdragen om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken, met een vastgelegde 30 % van de totale klimaatuitgaven. Aanzienlijk versterkt is met name het EU-programma voor onderzoek en innovatie Horizon Europa 4 , evenals andere financieringsprogramma’s zoals het innovatiefonds of LIFE, waarbij de rol van onderzoek en innovatie bij het verwezenlijken van die doelstellingen volledig wordt erkend.

Voorts heeft de Europese Commissie in juli 2021 een omvattend pakket gepresenteerd om de Europese Green Deal te verwezenlijken, waarin wordt voorgesteld de bestaande instrumenten te herzien en nieuwe instrumenten 5 voor te stellen om de EU te helpen haar klimaatdoelstellingen tegen 2030 te bereiken. Dit pakket is een van de meest omvattende reeks voorstellen op het gebied van klimaat en energie die de Commissie ooit heeft ingediend. Het zal onder meer bijdragen tot de ontwikkeling van het systeem voor schone energie in het komende decennium door innovatie en investeringen te stimuleren en een nieuwe marktvraag in de EU te creëren, en tegelijkertijd te zorgen voor een sociaal rechtvaardige transitie, waarbij het mondiale leiderschap van de EU in de strijd tegen de klimaatcrisis wordt versterkt.

Technologische vooruitgang in schonere energiesystemen 6 is van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstelling van de EU tegen 2050, zoals benadrukt in de “effectbeoordeling van het klimaatdoelstellingsplan 2030” 7 . Het Internationaal Energieagentschap (IEA) voorspelt dat, hoewel de meeste reducties van de CO2-uitstoot in 2030 afkomstig zullen zijn van technologieën die nu al op de markt zijn, bijna de helft van de reducties die tegen 2050 nodig zijn, afkomstig zal zijn van technologieën die zich momenteel in de demonstratie- of prototypefase bevinden 8 . Dit tweede jaarlijkse verslag over het concurrentievermogen 9 geeft een overzicht van de huidige en verwachte stand van zaken van de verschillende technologieën op het gebied van schone energie en verschaft inzicht in de manier waarop schone energie bijdraagt aan het klimaatneutraal maken van de EU tegen 2050, met inachtneming van de groene eed van de Europese Green Deal om “geen schade te berokkenen” (“do no harm”). Wat de verschillende aspecten van het concurrentievermogen betreft, worden in dit verslag de sterke punten, uitdagingen en aandachtspunten voor het EU-systeem voor schone energie in kaart gebracht. Het toont met name aan dat trends in zowel de bruto toegevoegde waarde als de werkgelegenheid in schone energie — met uitzondering van verschillen binnen de sector — sterker zijn dan die van de EU-economie als geheel, terwijl de publieke O&I-investeringen in schone energie de afgelopen vijf jaar wel zijn gestegen, maar nog niet het niveau van 2010 hebben bereikt. Het Europese innovatie-ecosysteem neemt een leidende positie in op het gebied van hoogwaardige octrooien en bij de ondersteuning van de aanloopfase van start-ups op het gebied van klimaattechnologie. Wat opschaling betreft, liggen we echter ver achter bij andere geografische regio’s. Vanuit technologisch oogpunt behoudt de EU een sterke positie in de windindustrie, maar kan zij zich op kruispunten bevinden in meerdere andere sectoren, waaronder zonne-energie, hernieuwbare waterstof, warmtepompen of hernieuwbare brandstoffen.

In dit verslag wordt het concurrentievermogen van het EU-systeem voor schone energie beoordeeld overeenkomstig artikel 35, lid 1, punt m), van de Verordening inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, als onderdeel van het verslag over de stand van de energie-unie. Aangezien concurrentievermogen een complex en veelzijdig concept is dat niet door één enkele indicator kan worden gedefinieerd 10 , wordt in dit verslag een reeks algemeen aanvaarde indicatoren 11 voorgesteld die het gehele energiesysteem (opwekking, transmissie en verbruik) bestrijken en op drie niveaus (technologie, waardeketen en mondiale markt) worden geanalyseerd. De ondersteunende gegevens voor elke indicator zijn opgenomen in het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie.

2.Algemeen concurrentievermogen van de EU-sector voor schone energie 

2.1Achtergrond: recente ontwikkelingen, COVID-19-impact, herstel, menselijk kapitaal en toegevoegde waarde

2.1.1Recente ontwikkelingen

Net als talrijke andere regio's in de wereld wordt de Europese Unie op dit moment geconfronteerd met een scherpe stijging van de energieprijzen. De prijsstijging wordt voornamelijk veroorzaakt door de toegenomen wereldwijde vraag naar energie, en met name naar gas, die op haar beurt het gevolg is van het herstel van de COVID-19-crisis. De historisch hoge prijzen die in de afgelopen maanden zijn waargenomen 12 , zijn het resultaat van een combinatie van factoren die in de eerste plaats worden bepaald door een wereldwijde vraag naar gas, met als gevolg een stijging van de elektriciteitsprijzen. Bovendien stegen de elektriciteitsprijzen ook als gevolg van de seizoensgebonden weersomstandigheden (lage waterstanden en weinig wind deze zomer). Hierdoor is de productie van hernieuwbare energie in Europa gedaald. Ook de Europese koolstofprijs is in 2021 sterk gestegen 13 , zij het veel minder dan de gasprijs. Het effect van de stijging van de gasprijs op de elektriciteitsprijs is negen keer groter dan het effect van de stijging van de koolstofprijs 14 .

Sinds de tweede helft van 2020 hebben deze factoren zich in de meeste grote economieën ter wereld vertaald in de stijging van de groothandels- en de detailhandelsprijzen voor elektriciteit. De hoge elektriciteitsprijzen werden op de groothandelsmarkten van alle EU-lidstaten genoteerd, hoewel sommige lidstaten harder zijn getroffen, met name afhankelijk van het aandeel van fossiele brandstoffen voor het opwekken van elektriciteit. De snelheid waarmee de stijging van de groothandelsprijzen voor gas zich vertaalt in detailhandelsprijzen hangt ook af van de voorwaarden van de retailcontracten (d.w.z. contractduur, vaste of variabele prijzen enz.). De Europese Commissie maakt zich zorgen over de negatieve gevolgen van de prijsstijging voor huishoudens en bedrijven. Na naar de lidstaten en het Europees Parlement te hebben geluisterd, heeft de Commissie een mededeling gepresenteerd om passende maatregelen vast te stellen en te ondersteunen om de gevolgen van tijdelijke stijgingen van de energieprijzen te verzachten en de weerbaarheid tegen toekomstige schokken verder te versterken 15 .

De stijging van de groothandelsprijzen voor elektriciteit kan een teken zijn van het verbeterde concurrentievermogen van hernieuwbare energiebronnen. Dit kan een stimulans zijn voor meer investeringen in de sector die, gezien hun lagere productie-/exploitatiekosten, hun uitsluiting van koolstofbeprijzing en de verwachte dalende kapitaalkosten, op lange termijn zullen bijdragen tot een verlaging van de elektriciteitsprijzen. De huidige prijsstijging in de Europese energiesector toont ook aan dat de EU minder afhankelijk moet worden van ingevoerde fossiele brandstoffen. Wat de toekomst betreft, zullen de nieuwe klimaat- en energiedoelstellingen nieuwe investeringsbehoeften doen ontstaan. In de komende tien jaar zal jaarlijks voor 390 miljard EUR aan extra investeringen nodig zijn in vergelijking met de jaarlijkse investeringen van de afgelopen tien jaar 16 . Er is een aanzienlijk snellere uitrol nodig om het huidige streefcijfer van 32 % hernieuwbare energie voor 2030 te halen, en het tempo zal nog moeten worden opgevoerd gezet om de onlangs voorgestelde doelstelling van 40 % van het juli-pakket voor de verwezenlijking van de Europese Green Deal te halen. Aangezien trage vergunningstrajecten een grote belemmering vormen voor de overgang naar een koolstofvrije economie, waardoor de uitrol van en investeringen in infrastructuur en technologieën voor schone energie met vele jaren worden vertraagd, zal de Commissie in 2022 richtsnoeren uitbrengen over het versnellen van de vergunningsprocedures voor hernieuwbare energie en zal zij nauw blijven samenwerken met de nationale overheden om goede praktijken vast te stellen en uit te wisselen. De vergunningsprocedures moeten dringend worden vereenvoudigd en gestroomlijnd om een gemeenschappelijke markt voor hernieuwbare energie tot stand te brengen die een efficiënte en kosteneffectieve uitrol en zekerheid voor investeerders vergemakkelijkt, ook in het licht van de enorme investeringen die nodig zijn.

Een geïntegreerde en goed functionerende EU-energiemarkt zou de meest kosteneffectieve manier zijn om te zorgen voor een veilige en betaalbare energievoorziening voor alle soorten afnemers. Op die manier worden de prijzen onder controle gehouden door concurrentie te creëren en consumenten in staat te stellen energieleveranciers te kiezen. In de mededeling over de energieprijzen 17 worden maatregelen op korte termijn voorgesteld, zoals noodinkomenssteun van de lidstaten aan huishoudens, staatssteun voor ondernemingen en gerichte belastingverlagingen. Op middellange termijn stelt de Commissie onder meer voor investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te ondersteunen en mogelijke maatregelen inzake energieopslag en aankoop van gasreserves te onderzoeken. Hoewel er nog geen duidelijk bewijs is dat een alternatief marktkader leidt tot lagere prijzen en betere stimulansen, heeft de Commissie het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) ook opdracht gegeven om de voor- en nadelen van de huidige opzet van de elektriciteitsmarkt te beoordelen en uiterlijk in april 2022 aanbevelingen voor te stellen.

Daartoe streeft de EU ernaar de interconnectoren tussen de lidstaten verder te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat de capaciteit van interconnectoren zo veel mogelijk beschikbaar is voor de handel. Zij houdt toezicht op de uitvoering van het bestaande acquis (bv. netcodes) en voorgestelde aanvullende instrumenten om te zorgen voor liquide markten, zoals bijvoorbeeld de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie, met inbegrip van de verdere bevordering van overeenkomsten voor de aankoop van elektriciteit door bedrijven, en het voorstel voor de herziening van de richtlijn energie-efficiëntie, waardoor energie-efficiëntie centraal staat in onze economie.

2.1.2Impact van COVID-19 en herstel

Hoewel het beleidskader van de Europese Green Deal de vraag naar schone energietechnologieën zal stimuleren, worden het aanbod, de ontwikkeling en het concurrentievermogen ervan zeker op de proef gesteld door de COVID-19-pandemie. De uitvoering van het energie- en klimaatbeleid hangt af van de beschikbaarheid van hernieuwbare technologieën, waardeketens zonder verstoring, het behoud van het concurrentievermogen van bedrijven en hun geschoolde arbeidskrachten. Enerzijds dreigen de economische gevolgen van een pandemie een grote rem te zetten op het concurrentievermogen van schone energietechnologieën. Anderzijds biedt het economisch herstelbeleid ook de mogelijkheid om de investeringen in de sector schone energie te heroriënteren en te verhogen, dankzij de NextGenerationEU-faciliteit.

Hernieuwbare energiebronnen zijn wereldwijd minder getroffen door de COVID-19-pandemie dan andere energiebronnen 18 . Alleen biobrandstoffen voor het vervoer werden zwaarder getroffen door een daling van het verbruik als gevolg van een combinatie van minder reizen en lage olieprijzen 19 . Door de dalende kapitaalkosten kon wereldwijd een ongekend aantal zonne- en windenergiecentrales worden geïnstalleerd 20 . Hoewel de elektriciteitsproductie uit steenkool, aardgas en kernenergie afnam, haalden hernieuwbare energiebronnen voor het eerst fossiele brandstoffen in als de belangrijkste energiebron van de EU voor het jaar 2020 (hernieuwbare energiebronnen waren goed voor 38 % van de elektriciteit in de EU, tegenover 37 % fossiele brandstoffen en 25 % kernenergie) 21 .

Om te herstellen van de COVID-19-pandemie is de verordening inzake de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility — RRF) een van de eersten in haar soort voor de EU als een op prestaties gebaseerd programma dat door de Commissie is voorgesteld als onderdeel van het NextGenerationEU-pakket. Er is financiering beschikbaar voor de lidstaten op basis van hun alomvattende herstel- en veerkrachtplannen (RRP) en deze wordt vrijgemaakt door het bereiken van meetbare mijlpalen en streefdoelen. De lidstaten moeten ten minste 37 % van hun totale toewijzing in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit toewijzen aan de klimaattransitie in hun RRP, en maatregelen opnemen die in overeenstemming zijn met de relevante landspecifieke uitdagingen en prioriteiten die zijn vastgesteld in het kader van het Europees Semester en de nationale energie- en klimaatplannen.

Uit de analyse van de 22 22 RRP’s die de Commissie op 5 oktober 2021 23 heeft goedgekeurd, blijkt dat 177 miljard EUR is toegewezen aan klimaatgerelateerde investeringen, ofwel 40 % van de totale toewijzing van deze lidstaten (subsidies en leningen). Ongeveer 43 % van dit bedrag (76 miljard EUR) is bestemd voor energie-efficiëntie (27,9 %) en hernieuwbare energie en netwerken (14,8 %) 24 , terwijl ongeveer 62 miljard EUR bestemd is voor duurzame mobiliteit (35 %).

Onderzoek en innovatie vertegenwoordigden ook een belangrijk aandeel, aangezien de lidstaten in hun herstel- en veerkrachtplannen bijna 12,3 miljard EUR hebben toegewezen aan O&I-investeringen voor de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en de circulaire economie 25 .

2.1.3Menselijk kapitaal en toegevoegde waarde

Hoewel het nog te vroeg is om te zeggen welke invloed de pandemie en de herstelfinanciering hebben gehad op het menselijk kapitaal, blijkt uit de meest recente gegevens van Eurostat dat schone energie kort vóór de pandemie beter presteerde dan de economie als geheel. In 2018 bedroeg de directe werkgelegenheid in schone energie 26 1,7 miljoen, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 2 %, terwijl de werkgelegenheid in de totale economie jaarlijks met gemiddeld 1 % toenam. Terwijl de jaarlijkse gemiddelde groei van de werkgelegenheid in “energie-efficiëntie en -beheersystemen” sinds 2010 gemiddeld 6 % bedroeg, daalde de directe werkgelegenheid in “hernieuwbare energie” en “elektrische mobiliteit” met 3 % (2010-2018). Dit is het gevolg van de geringere groei van hernieuwbare energie in sommige lidstaten; in Duitsland bijvoorbeeld is het aantal banen het sterkst afgenomen omdat complexe vergunningsregels en blootstelling aan juridische uitdagingen een belemmering vormen voor nieuwe installaties (zie ook deel 3.1). Bovendien hebben technologische en productiviteitsverbeteringen de arbeidsintensiteit doen dalen, met name op volwassen markten (bv. windenergie, zonne-energie). Het aantal banen neemt toe bij andere toepassingen van schone energie, zoals slimme meters, slimme netwerken, opslag en andere producten en activiteiten in verband met energie-efficiëntie en -beheer.

Figuur 1 — Werkgelegenheid in schone energiesystemen vs. groei van de totale economie in de EU-27 2010-2018 en verandering van de werkgelegenheid in de schone energiesystemen in de periode 2014-2018 per lidstaat

Bron: JRC op basis van Eurostat ‘ env_ac_egss1 27

Evenzo heeft de bruto toegevoegde waarde van de schone energiesystemen vóór de pandemie, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 5 % 28 , sinds 2010 beter gepresteerd dan de economie als geheel (groei van 3 %). Schone energie vertegenwoordigde 1 % (133 miljard EUR) van de totale toegevoegde waarde in de EU in 2018; dat is meer dan het dubbele in vergelijking met de sector voor de winning en productie van fossiele brandstoffen (59 miljard EUR) 29 . Binnen het systeem voor schone energie is de bruto toegevoegde waarde in “Hernieuwbare energie” (60 miljard EUR) jaarlijks met gemiddeld 2 % gestegen, terwijl “Energie-efficiëntie en -beheersystemen” (67 miljard EUR) in dezelfde periode met 9 % is toegenomen. De bruto toegevoegde waarde in “Elektrische mobiliteit” is met 7 miljard EUR per jaar met minder dan 1 % gestegen.

“Hernieuwbare energie” heeft in 2018 gemiddeld 104 000 EUR aan bruto toegevoegde waarde per werknemer gecreëerd, met een gemiddelde jaarlijkse groei 30 van 5 % sinds 2010. Dit is 60 % meer dan in de rest van de economie (64 000 EUR aan bruto toegevoegde waarde per werknemer). De toegevoegde waarde per werknemer in “Energie-efficiëntie en -beheer” bedraagt 64 000 EUR en in “Elektrische mobiliteit” 74 000 EUR, jaarlijks met respectievelijk 3 % en 7 % gestegen in de periode 2015-2018, sneller dan de rest van de economie met 2 %.

Gezien de algehele veerkracht van de sector schone energie tijdens de pandemie, de sterke prestaties van menselijk kapitaal op het gebied van schone energie in de tijd voorafgaand aan de pandemie en de 177 miljard EUR aan klimaatgerelateerde investeringen die de lidstaten in hun nationale RRP's hebben gepland, is er ruimte voor voorzichtig optimisme dat schone energie een motor zal blijven voor werkgelegenheid en groei naarmate de EU-economie zich herstelt van de pandemie.

2.1.4Vaardigheden

De transformatie van het energiesysteem vereist omscholing en bijscholing op alle vaardigheidsniveaus om schone energietechnologieën en -oplossingen in verschillende sectoren in te voeren en verder te ontwikkelen. De vraag naar een breed scala van beroepscategorieën die relevant zijn voor de overgang naar schone energie zal naar verwachting toenemen tot 2030, met inbegrip van mijnbouw (d.w.z. voor kritieke grondstoffen), of bouwnijverheid, fabricage, vervoer, bouw en aanverwante sectoren, alsmede wetenschap en techniek 31 . Dankzij de renovatiegolf voor Europa zouden tegen 2030 alleen al in de bouwsector in de EU nog eens 160 000 banen kunnen worden gecreëerd 32 .

Om de opmars van nieuwe vaardigheden die essentieel zijn voor de groene transitie van de EU te ondersteunen, heeft de EU in 2020 het pact voor vaardigheden 33 gelanceerd, waarin partnerschappen met industriële ecosystemen zoals de bouwnijverheid en energie-intensieve industrieën worden opgezet door middel van rondetafelgesprekken.

In het geval van offshore hernieuwbare energie is de overdracht van vaardigheden ook mogelijk vanuit de offshore olie- en gassector en de militaire sector (bv. tijdens de exploratie van potentiële projectlocaties)  34 .

In 2019 maakten vrouwen gemiddeld 32 % van de beroepsbevolking uit in de sector hernieuwbare energie 35 . Genderongelijkheid zowel in de energiesector als in de onderzoeks- en innovatieactiviteiten op energiegebied, houden nauw — maar niet uitsluitend — verband met de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het hoger onderwijs in bepaalde deelgebieden van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM-vakken). In de EU zijn vrouwen oververtegenwoordigd in het tertiair onderwijs (54 % op alle niveaus van het tertiair onderwijs en op alle gebieden); bij minder dan 11 % van de toepassingen en meer dan 15 % voor technologieën ter beperking van de klimaatverandering (CCMT) zijn vrouwen betrokken. Toch worden deelgebieden die zeer relevant zijn voor de energiesector nog steeds sterk gedomineerd door mannen, aangezien in 2019 in het hoger onderwijs minder dan een derde van de studenten in technische wetenschappen en bouwkunde en minder dan een vijfde van de ICT-studenten vrouw was 36 .

2.1Trends op het gebied van onderzoek en innovatie  

Onderzoek en innovatie spelen een sleutelrol bij het vormgeven van de concurrerende industrieën van de toekomst. Na de economische crisis van 2008 liepen de O&I-overheidsuitgaven voor de prioriteiten van de energie-unie 37 , 38 gedurende een vijftal jaar terug, en pas na 2016 waren er weer tekenen van herstel te zien ( Figu ur 2 ). Sindsdien hebben de EU-lidstaten gemiddeld 3,5 miljard EUR per jaar geïnvesteerd, maar de uitgaven liggen nog steeds lager dan tien jaar geleden. Op mondiaal niveau sluit de trend aan bij de gestegen investeringen in energie in het algemeen — en schone energie in het bijzonder 39 . Deze trend houdt echter geen gelijke tred met de stijging van het bbp of de O&I-uitgaven in andere sectoren. Gemeten als percentage van het bbp is het investeringspercentage van de EU (0,027 %) momenteel het laagste van alle grote wereldeconomieën, net onder de VS, hoewel de niveaus voor iedereen lijken te dalen of stabiel te zijn ( Figu u r 3 ).

Figuur 2 — Overheidsuitgaven (links) en totale (rechts) uitgaven voor O&I-financiering van de O&I-prioriteiten van de energie-unie in de EU 40 .

Bron JRC 41 op basis van IEA 42 en eigen werkzaamheden.

Hoewel de langetermijneffecten van de pandemie op de O&I-uitgaven voor hernieuwbare energie onduidelijk blijven, wijzen vroege trends op algemene veerkracht. De wereldwijde overheidsuitgaven voor O&I op het gebied van energie werden voortgezet, maar de groei vertraagde in 2020 43 . De particuliere investeringen in de EU daalden in 2020 met 7 % in de totale O&I-uitgaven op energiegebied. De O&I-uitgaven voor hernieuwbare energie waren echter veerkrachtiger en bleven groeien 44 .

Om de investeringen in onderzoek en innovatie de afgelopen jaren op peil te houden, zijn de EU-onderzoeksfondsen jaarlijks gestegen en hebben zij gemiddeld 1,5 miljard EUR bijgedragen. In combinatie met een geraamd gemiddelde van 20 miljard EUR aan particuliere uitgaven 45 bedraagt de gemiddelde totale jaarlijkse investering in de O&I-prioriteiten van de energie-unie de afgelopen jaren (2014-2018) ongeveer 25 miljard EUR 46 . Het grootste O&I-programma ter wereld, “Horizon Europa”, het innovatiefonds en de financiering in het kader van het cohesiebeleid en het “LIFE-programma”, zijn voor het herstel van cruciaal belang en stimuleren nu en in de toekomst onderzoek en ontwikkeling op klimaat- en milieugebied en de marktintroductie.

Figuur 3 — Publieke (links) en private (rechts) O&I-financiering van de O&I-prioriteiten van de energie-unie als percentage van het bbp in de grote economieën

Bron JRC 47 op basis van IEA 48 , MI 49 , eigen werkzaamheden.

In 2019 waren de totale overheidsinvesteringen in de O&I-prioriteiten van de energie-unie in alle EU-lidstaten nog steeds 5 % lager dan in 2010, maar waren ze met 2 % gestegen ten opzichte van 2015. Ongeveer een kwart van de lidstaten heeft de totale uitgaven over de periode van 10 jaar voortdurend verhoogd, waarbij een vergelijkbaar aantal een daling laat zien. Voor de rest valt de trend samen met het totaal van de EU of is er geen informatie over O&I-uitgaven beschikbaar 50 . Hoewel er duidelijk behoefte is aan een betere monitoring van investeringen in onderzoek en innovatie, is er ook sprake van een grotere dynamiek en betrokkenheid van de lidstaten met het oog op de verslaglegging waarin de verordening inzake de governance van de energie-unie in 2023 voorziet. Dit gaat verder dan overheidsinvesteringen in onderzoek en innovatie en is ook gericht op meer inspanningen op nationaal niveau om particuliere investeringen in onderzoek en innovatie te monitoren. Het strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) is het belangrijkste Europese instrument om het beleid en de financiering voor onderzoek en ontwikkeling van schone energietechnologieën op EU- en nationaal niveau op elkaar af te stemmen en particuliere investeringen aan te trekken.

Particuliere investeringen in de O&I-prioriteiten van de energie-unie in de EU worden geraamd op 0,18 % van het bbp ( Figuur 3 ), hoger dan de VS, maar lager dan andere grote concurrerende economieën (Japan, Korea, China). Dit komt neer op 12 % van de bedrijfsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, wat meer is dan de geraamde 6 % voor de VS, maar ongeveer de helft van het percentage dat werd waargenomen voor de grote Aziatische economieën.

De (sinds 2012) dalende 51 trend van octrooien op het gebied van schone energietechnologieën 52 lijkt te keren: het aantal jaarlijkse aanvragen in de EU en wereldwijd keert terug naar het niveau van tien jaar geleden. De EU heeft een groter aandeel “groene” uitvindingen op het gebied van technologieën ter beperking van de klimaatverandering in de totale octrooiaanvragen in vergelijking met andere grote economieën (en het mondiale gemiddelde), wat wijst op een grotere focus en specialisatie van uitvindersactiviteiten op dit gebied. Wat betreft hoogwaardige uitvindingen staat de EU op de tweede plaats, na Japan, 53 , en dat komt voornamelijk door de voorsprong van Japan op het gebied van vervoerstechnologieën; de EU neemt echter het voortouw op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie ( Figu u r 4 ). De afgelopen vijf jaar is nog steeds een kwart van de 100 grootste bedrijven met hoogwaardige octrooien op het gebied van schone energie in de EU gevestigd. Er is echter (wereldwijd) steeds meer ongerustheid over de impact van door de overheid of subsidies ondersteunde technologie, gesloten markten en verschillende regels en beleidsmaatregelen op het gebied van intellectuele bescherming voor innovatie en concurrentievermogen in de sector; vooral China speelt hierin een belangrijke rol. Ondanks deze bezorgdheid heeft meer dan een kwart van de uitvindingen op het gebied van schone energie die de afgelopen 5 jaar internationaal door EU-aanvragers zijn beschermd, zich ook op de Chinese markt gericht. Afgezien van de allianties die in Europa zijn opgebouwd als gevolg van de geografische nabijheid en de samenwerkingsprogramma’s van de EU, werken bedrijven in de EU meestal samen met Amerikaanse tegenhangers 54 . De EU-lidstaten genereren 33 % van de co-uitvindingen via banden binnen de EU, 29 % met de VS en slechts 6 % met China.

Figuur 4 — Positie van de EU in hoogwaardige octrooien in de O&I-prioriteiten van de energie-unie (2005-2018)


Bron JRC 55  op basis van het Europees Octrooibureau Patstat

2.2Het financieringslandschap voor schone technologieën in de EU

De rol van risicokapitaal

Samen met de invoering van rijpere opwekkingstechnologieën (bv. fotovoltaïsche zonne-energie en windenergie) zullen de ontwikkeling en opschaling van nieuwe technologieën (zoals energieopslag op lange en korte termijn, productie en gebruik van hernieuwbare waterstof in sectoren met moeilijk te beperken uitstoot, koolstofafvang en -opslag), en met name de zogenaamde “climate tech” 56 , een cruciale rol spelen om tegen 2050 koolstofneutraliteit te bereiken.

Sinds de Klimaatconferentie van Parijs in 2015 heeft klimaattechnologie een belangrijke impuls gekregen en wordt zij zeer aantrekkelijk voor risicokapitaalinvesteringen, die een voortrekkersrol spelen op het gebied van innovatie. Aangezien klimaattechnologie lange doorlooptijden vergt om marktrijp te worden en er gedurende de hele financieringscyclus van startende ondernemingen een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal voor nodig is, evenals hoge investeringen in onderzoek en innovatie 57 , zijn overheidsmaatregelen van cruciaal belang om het risico te beperken dat aan de ontwikkeling is verbonden en om de nieuwe technologieën op grote schaal in te voeren teneinde de participatie van de particuliere sector verder te stimuleren.

Wereldwijd bleek klimaattechnologie ook in de COVID-19-crisis veerkrachtig te zijn 58 en aantrekkelijk te blijven voor risicokapitaalinvesteringen, ondanks een neerwaartse algemene investeringsdynamiek en de overheveling van aanzienlijke durfkapitaalfinanciering naar pandemiegerelateerde sectoren zoals de farmaceutische sector en de gezondheidszorg 59 .

Op het gebied van klimaattechnologie bedroeg de wereldwijde risicokapitaalfinanciering in 2020 14 miljard EUR 60 , een stijging van meer dan 1250 % sinds 2010. Risicokapitaalinvesteringen in in de EU gevestigde start-ups en scale-ups op het gebied van klimaattechnologie waren de afgelopen 5 jaar 11 keer hoger dan tussen 2009 en 2014, en bedroegen in 2020 ongeveer 2,2 miljard EUR.

In 2020 ontvingen EU-ondernemingen 16 % van de mondiale risicokapitaalfinanciering op het gebied van klimaattechnologie (tegenover slechts 8 % van de totale risicokapitaalfinanciering op alle gebieden) 61 . Tegelijkertijd was 2020 het eerste jaar waarin de aanloopinvesteringen in start-ups in de EU hoger waren dan die in de VS en China ( Figu u r 5 ).

Figuur 5 — Risicokapitaalinvesteringen in start-ups en scale-ups

Bron: Uitwerking van het JRC op basis van PitchBook-gegevens.

In de EU gevestigde start-ups op het gebied van klimaattechnologie lopen achter op hun tegenhangers qua schaalvergroting en de totale investeringen in die ondernemingen liggen nog steeds ver achter op de VS (43 %). De afgelopen 5 jaar profiteerden zij van slechts 6,9 % van alle latere investeringen in start-ups op het gebied van klimaattechnologie, waarmee zij ver achter de VS (44 %) en China (40 %) bleven 62 .

Tussen 2013 en 2019 was de energiesector goed voor 8,2 % van de wereldwijde risicokapitaalinvesteringen in klimaattechnologie 63 . Europa (EU en VK) investeert een groter percentage risicokapitaal in energieoplossingen (23,5 %) in vergelijking met de VS (9,4 %) en China (minder dan 1 %), met name in de ontwikkeling van kerntechnologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie (voornamelijk fotovoltaïsche cellen) en energieopslag (batterijen) om de uitbreiding ervan te ondersteunen 64 .

Belemmeringen en kansen in het risicokapitaal-ecosysteem

Zowel de algemene dynamiek van de financiering van klimaattechnologie door risicokapitaal in de EU als de aantrekkingskracht van risicokapitaalinvesteerders voor energiebedrijven in de EU houden verband met het aantal overkoepelende beleidsdoelstellingen op het gebied van klimaat en energie die op het niveau van de EU en de lidstaten zijn vastgesteld, samen met instrumenten ter ondersteuning van klimaattechnologie (bv. dakfondsen, subsidies en financiële instrumenten, mede-investering in eigen vermogen en vreemd vermogen, onderzoek en ontwikkeling).

In de EU gevestigde scale-ups op het gebied van klimaattechnologie worden in vergelijking met de VS en China nog steeds afgeremd door structurele belemmeringen zoals de versnippering van de EU-markt en de regelgeving, die de groei belemmert en leidt tot een verschillend groeiproces van risicokapitaal-ecosystemen. De moeilijkheid om sterke onderzoeksprestaties in de EU om te zetten in innovatie, de behoefte aan een duidelijk traject voor aanloop- en groei-investeringen, de noodzaak om internationale partnerschappen en grensoverschrijdende fondsen te ontwikkelen, en het gebrek aan kapitaal tegen geduldige voorwaarden zijn enkele van de belangrijkste uitdagingen die moeten worden aangepakt.

Daartoe is Horizon Europa, pijler III “Innovatief Europa”, gericht op het ondersteunen van de ontwikkeling van disruptieve en marktcreërende innovaties via de Europese Innovatieraad (EIC), als one-stop shop om innovatoren te helpen markten te creëren, particuliere financiering aan te trekken en hun bedrijven op te schalen. Horizon Europa ondersteunt ook het initiatief Europese innovatie-ecosystemen en het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT). Zo heeft EIT InnoEnergy een portefeuille van meer dan 250 innovatieve start-ups en scale-ups om tegen het einde van het decennium 1,1 gigaton CO2-equivalent te besparen — wat overeenkomt met een derde van de doelstelling van Europa om de koolstofemissies tegen 2030 te verminderen — en 9,1 miljard EUR aan jaarlijkse energiekosten 65 ). Het InvestEU-programma en het cohesiebeleid ondersteunen ook de toegang tot en de beschikbaarheid van financiering, in de eerste plaats voor kmo’s, maar ook voor midcaps en andere ondernemingen. Bovendien ondersteunen de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) op doeltreffende wijze de “deep tech”-ontwikkeling die Europa nodig heeft om zijn duurzaamheidsdoelstellingen te verwezenlijken.

Bovendien ondersteunen aanvullende financieringsprogramma’s, zoals het innovatiefonds, het moderniseringsfonds en het sociaal klimaatfonds de energietransitie door middel van inkomsten uit klimaatgerelateerd beleid.

Om de opschalingskloof tussen de EU en andere grote economieën te dichten, moeten ook particuliere investeerders worden aangetrokken om actiever deel te nemen aan de Europese risicokapitaalmarkt en aan de financiering van startende bedrijven op het gebied van climate tech en deep climate tech 66 . Het proefproject van 100 miljoen EUR dat door de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank (EIB) en Breakthrough Energy Ventures Europe (BEV-E) is opgezet, maakt het bijvoorbeeld mogelijk om institutionele (risicoaverse) investeringsbenaderingen te combineren met een (minder risicoaverse) investeringsbenadering met risicokapitaal 67 . De EIB heeft een rol gespeeld bij het aantrekken van particuliere investeringen in Northvolt — het Zweedse bedrijf voor groene batterijen dat in 2016 is opgericht — dat de eerste Europese batterijinstallatie op commerciële schaal in Zweden bouwt en in juni 2020 1,4 miljard EUR aan financiering heeft opgehaald. EIT InnoEnergy ondersteunde het bedrijf om een consortium van investeerders samen te stellen en toegang te krijgen tot EIB-financiering: de lening van 350 miljoen EUR van de EIB gaat vergezeld van 886 miljoen EUR van particuliere investeerders.

De EU-taxonomie voor duurzame activiteiten biedt een kader om duurzame beleggingen te faciliteren en ecologisch duurzame economische activiteiten te definiëren. Het pakket Europese industriestrategie van 2020, met inbegrip van de norm voor de nationale stimulering van start-ups de EU (EU Start-up Nations Standard) in het kader van de kmo-strategie, geeft aan dat de Commissie nieuwe initiatieven zal ontplooien om de omvang van risicokapitaalfondsen te vergroten, de particuliere investeringen te verhogen en de grensoverschrijdende expansie en opschaling van kmo’s te vergemakkelijken. De Europese strategie voor duurzame financiering van 2021 heeft tot doel de juiste instrumenten en stimulansen te bieden om toegang te krijgen tot transitiefinanciering, waarbij het belang van ondersteuning van kmo’s wordt benadrukt. Het initiatief voor digitale innovatie en schaalvergroting (Digital Inovation and Scale-up) is gericht op het beginstadium en de opschaling van innovatieve start-ups en deep tech-kmo’s in Midden-, Oost- en Zuidoost-Europa. Andere mechanismen om het gebruik en de opschaling van innovatieve oplossingen te vergroten, zijn de Connecting Europe Facility en de fondsen in het kader van het cohesiebeleid.

Door deze mechanismen op de juiste manier te stroomlijnen en gebruik te maken van synergieën tussen instrumenten kan een verdere bloei van startende klimaattechnologiebedrijven in de EU worden bereikt, waardoor de steun uit risicokapitaalfondsen in alle sectoren wordt versterkt en versneld, en zo de koppeling tussen technologische innovatie en uitvoering wordt versterkt.

3.Focus op belangrijke schone energietechnologieën en -oplossingen

In het volgende deel wordt het concurrentievermogen van geselecteerde technologieën beoordeeld die relevant zijn in het kader van het pakket wetgevingsvoorstellen dat de Europese Commissie in juli 2021 heeft goedgekeurd om de Europese Green Deal te verwezenlijken.

Dit verslag richt zich in de eerste plaats op wind- en zonne-energie, die naar verwachting tot 2030 een sterkere relatieve groei zullen laten zien. In de analyse wordt vervolgens gekeken naar technologieën voor de opslag van elektriciteit, zoals batterijen en hernieuwbare waterstof, gezien het cruciale belang ervan voor het vergroten van de algehele flexibiliteit van het energiesysteem en het optimaliseren van de marktintegratie van hernieuwbare elektriciteit. In het kader van de elektrificatie van onze samenlevingen onderzoekt de studie het concurrentievermogen van warmtepompen, omdat zij in belangrijke mate kunnen bijdragen tot het koolstofvrij maken van de bouwsector. In het verslag wordt ook ingegaan op de hernieuwbare brandstoffen die nodig zijn om het koolstofvrij maken van bepaalde vervoerswijzen te vergemakkelijken. Tot slot worden slimme netwerken geanalyseerd als een horizontale technologie die de combinatie van verschillende technologieën zal vergemakkelijken. Elke technologie wordt eerst beoordeeld aan de hand van de huidige situatie en vooruitzichten, vervolgens aan de hand van een analyse van de waardeketen ervan en ten slotte aan de hand van een analyse van de mondiale markt.

3.1Offshore- en onshore-windenergie 

Technologieanalyse

In 2020 heeft de EU 10,5 GW aan windenergiecapaciteit (zowel onshore als offshore) geïnstalleerd, waardoor haar cumulatieve windenergiecapaciteit op 178,7 GW kwam 68 . Alleen al offshore-windenergie is gestegen van 1,6 GW cumulatieve capaciteit in 2010 tot 14,6 GW in 2020 69 . Op basis van de in de nationale energie- en klimaatplannen opgenomen huidige nationale streefcijfers kan worden aangenomen dat de streefcijfers van hernieuwbare offshore-energie voor 2030 (ten minste 60 GW) kunnen worden behaald. Het merendeel van de tot 2030 ingezette offshore-windinstallaties zal zich in de Noordzee bevinden (47 GW), maar er kunnen aanzienlijke capaciteiten worden verwacht in andere zeebekkens, met name in de Oostzee (21,6 GW), de Atlantische Oceaan (11,1 GW), de Middellandse Zee (2,7 GW) en de Zwarte Zee (0,3 GW). De overgang naar nieuwe zeebekkens vereist verdere ontwikkeling van drijvende technologie en de ontwikkeling van haveninfrastructuur. Het opbouwen van het toekomstige offshore-net rond hybride projecten 70 , in gevallen waarin dat de kosten en het gebruik van de maritieme ruimte kan beperken, zal ook belangrijk zijn om de uitrol van offshore-windenergie te intensiveren.

Volgens de huidige prognoses over de toekomstige kosten van aan de bodem verankerde offshore-windinstallaties zullen de genormaliseerde elektriciteitskosten (levelised cost of electricity, LCoE) naar verwachting 30 tot 60 EUR per MWh bedragen in 2050 (vergelijkbaar met onshore-installaties) 71 .

Voor onshore-windenergie is sinds 2018 een verminderde jaarlijkse toename waargenomen door de matige inzet in Duitsland als gevolg van complexe vergunningsprocedures en mogelijke juridische geschillen. De leeftijdsopbouw van de onshore- en offshore-windvloot in de EU wijst erop dat capaciteitsverhoging in de komende jaren een cruciale rol zal spelen. Windturbines aan het einde van hun levensduur vervangen door nieuwe turbines, of de levensduur ervan verlengen door een aantal onderdelen te moderniseren, biedt een kans om de activa te moderniseren, de hulpbronnen op de beste windlocaties te gebruiken en sociale aanvaarding te verbeteren. Op die manier blijven bestaande turbinelocaties in gebruik en worden lokale banen en inkomsten voor de desbetreffende gemeenten behouden. De ontmanteling en vernieuwing van de huidige windenergie-installaties vormt echter een uitdaging op het gebied van hulpbronnenefficiëntie, grondstoffenvoorziening en afvalproductie, omdat veel onderdelen van de huidige windturbines nog niet kunnen worden hergebruikt of gerecycleerd. Voor de circulariteit van windmolens zijn nog steeds inspanningen op het gebied van O&I en de uitrol nodig. De keuze van eigenaars van windmolenparken tussen ontmanteling en de verschillende capaciteitsverhogende opties wordt beïnvloed door elektriciteitsprijzen, steunregelingen en vergunningsprocedures. Het huidige aandeel van de totale elektriciteitsproductie voor onshore-windenergie bedraagt 13,7 % (2020). In de scenario's van het klimaatplan 2030 wordt uitgegaan van een productie van 847 TWh onshore-wind in 2030 (aandeel van de totale elektriciteitsopwekking: 27,3 %), en 2 259 TWh in 2050 (aandeel: 32,9 %) 72 .

In de afgelopen tien jaar bedroegen de particuliere uitgaven voor O&I op het gebied van windenergie constant tussen 1,6 miljard EUR en 1,9 miljard EUR per jaar 73 . Dit was het tienvoudige van de overheidsuitgaven voor O&O in deze periode.

Met 57 % van het aandeel in de periode 2015-2017 is de EU wereldleider op het gebied van hoogwaardige octrooien voor windenergietechnologieën. Aandelen van andere grote economieën zijn onder meer de VS met 18 %, Japan met 11 %, China met 5 % en Korea met 1 %. 74 . Tussen 2015 en 2017 voerden Denemarken, Duitsland, de VS, Japan en China de lijst aan van landen met de meeste hoogwaardige octrooien. De meeste hoogwaardige octrooien zijn aangevraagd door grote fabrikanten van originele uitrusting (Original Equipment Manufacturer - OEM) in de EU, maar sinds 2012 is hun aandeel gedaald door de gestegen aanvraag van hoogwaardige octrooien door grote bedrijven uit de VS (bv. General Electric) en Japan (bv. Mitsubishi Heavy Industries, Hitachi). Onderzoeksorganisaties uit de EU die actief zijn op het gebied van windenergie behoren tot de koplopers op dit gebied. Wat de citatie-impact betreft, zijn 9 organisaties binnen de top 20 in de EU gevestigd.

Analyse van de waardeketen

De productie van windenergie is een strategische industrie voor Europa. In deze sector zijn naar schatting 240 000 tot 300 000 personen werkzaam 75 . De meeste Europese productiefaciliteiten bevinden zich in het land van het hoofdkantoor van de onderneming of in landen waar windenergie meer wordt uitgerold. 48 % van de actieve ondernemingen in de windenergiesector is gevestigd in de EU. 214 operationele productiefaciliteiten bevinden zich in de EU (26 % van alle mondiale faciliteiten) 76 . In 2018 heeft de waardeketen voor windenergie in de EU een omzet van 36 miljard EUR opgeleverd 77 .

De EU-windsector heeft laten zien in staat te zijn te innoveren. De EU neemt het voortouw in de delen van de waardeketen die zich bezighouden met detectie- en monitoringsystemen voor onshore-windturbines, met inbegrip van onderzoek en productie. Ook beschikt de windsector in de EU over een hoge productiecapaciteit wat betreft onderdelen met een hoge waarde voor de kosten van windturbines (masten, versnellingsbakken en wieken), alsook wat betreft onderdelen die voor synergieën met andere industriële sectoren zorgen (generatoren, energieomvormers en regelsystemen).

Er zijn echter nog inspanningen nodig om de circulariteit van de windenergiecomponenten te verbeteren. Ook is er onderzoek nodig naar de cumulatieve effecten van offshore-wind op de ecosystemen van oceanen.

Analyse van de mondiale markt

Van de 10 grootste fabrikanten van originele uitrusting (OEM's) in 2018 waren de Europese OEM's koploper met een marktaandeel van 43 %, gevolgd door de Chinese (32 %) en Noord-Amerikaanse (10 %) ondernemingen. De afgelopen jaren bekleedden de Europese OEM's in de windenergiesector een leidende positie. In 2020 werden ze voor het eerst ingehaald door de Chinese OEM's (EU: 28 %; China: 42 %) 78 , wat kan worden verklaard door een sterke toename van nieuwe installaties op de Chinese windmarkt als gevolg van de verschuiving van China van feed-in-tarieven naar een op aanbestedingen gebaseerde steunregeling.

De EU heeft al 20 jaar een positieve handelsbalans wat betreft aan windenergie gerelateerde apparatuur. Toch is er enige stagnatie in de groei van deze indicator 79 . Die stagnatie is deels een gevolg van het feit dat de EU het voortouw had genomen en andere economieën nu een inhaalslag maken, maar ook gedeeltelijk van het beleid van derde landen dat erop gericht was hun binnenlandse markt te beschermen of EU-bedrijven te dwingen de productiecapaciteit te lokaliseren (bv. door vereisten inzake lokale inhoud). Ter illustratie: de uitvoer van windgeneratoren naar China is sinds 2007 drastisch gedaald na de invoering van een ondersteunend beleidskader voor de Chinese binnenlandse industrie, en heeft zich niet hersteld. Daarentegen was 21 % van de Chinese uitvoer met betrekking tot windenergie in 2018 bestemd voor de EU-markt, wat neerkomt op iets minder dan 10 % van de EU-markt.

Sinds 2016 dalen de winstmarges vóór aftrek van rente en belastingen (EBIT) van OEM's in de EU als gevolg van de sterke concurrentie op het vlak van turbinebestellingen, met name in de periode 2017-2018, en de toegenomen materiaalkosten voor de belangrijkste turbinecomponenten. Hoewel 2020 wat installaties betreft een recordjaar was 80 , werden deze factoren nog versterkt door de impact van COVID-19, waardoor alle fabrikanten te maken kregen met logistieke problemen.

Veel van de kritieke grondstoffen voor windgeneratoren worden uit China ingevoerd 81 en worden meer in het algemeen beïnvloed door een concentratie van de stroomopwaartse toeleveringsketens. Potentiële toekomstige uitdagingen op het gebied van toeleveringen kunnen een risico vormen voor de windenergiesector in de EU. Er is ook sprake van milieuproblemen in verband met de composietwieken van installaties die het einde van hun levensduur bereiken, omdat deze moeilijk te recycleren zijn. In overeenstemming met het actieplan van de Commissie inzake kritieke grondstoffen uit 2020 82 zijn er acties opgestart om de levering van kritieke grondstoffen uit zowel primaire als secundaire bronnen te diversifiëren, de hulpbronnenefficiëntie en de circulariteit te verbeteren en wereldwijd verantwoorde winning te bevorderen. Circulariteit, met inbegrip van hergebruik, recycling en vervanging, zijn bovendien prioritaire innovatiegebieden om deze risico's te beperken en tegelijkertijd de algehele duurzaamheid van de sector te verbeteren, hetgeen is opgenomen in het werkprogramma 2021-2022 van Horizon Europa. De Europese windsector heeft zich er ook toe verbonden 100 % van de afgedankte wieken te hergebruiken, te recycleren of terug te winnen, en streeft naar de ontwikkeling van een routekaart voor het verder versnellen van de circulariteit van windturbinewieken 83 .

De EU heeft 42 % van de wereldwijde offshore-windmarkt op de markt gebracht, met een cumulatieve geïnstalleerde capaciteit van 14,6 GW in 2020. Naar verwachting zal Europa in de komende tien jaar zijn leidende positie wat betreft de jaarlijkse groei van offshore-windenergie handhaven. China, Azië-Pacific en Noord-Amerika zullen naar verwachting in de komende jaren echter een aanzienlijk marktaandeel (d.w.z. geïnstalleerde capaciteit) van het offshore-windsegment 84 ontwikkelen. Wat onshore-windenergie betreft, zal China de grootste markt blijven (gemiddeld jaarlijks marktaandeel van ongeveer 50 % in de periode 2020-2025), gevolgd door Europa (18 %), Noord-Amerika (14 %) en Azië (met uitzondering van China) (8 %).

De Europese offshore-industrie in havens (huidige geraamde productiecapaciteit van 6-8 GW/jaar) zal aanzienlijk moeten groeien om de jaarlijkse capaciteit te kunnen aanvullen tot naar schatting 16 GW om aan de vraag in de periode van 2030-2050 te voldoen 85 .

3.2 Fotovoltaïsche zonne-energie (PV) 

Technologieanalyse

Fotovoltaïsche zonne-energie ontpopt zich tot een zeer grote en innovatieve industrie, die met onverwachte snelheid groeit. Dit is het gecombineerde resultaat van een versnelde technologische ontwikkeling, het uitrolbeleid en de implementatie van grootschalige productiefaciliteiten met lage kosten, vooral in Azië. De technologie staat centraal in toekomstige klimaatneutrale elektriciteitsopwekkingssystemen.

Verwacht wordt dat wereldwijd meer dan 3,1 TW fotovoltaïsche capaciteit zal worden geïnstalleerd in 2030 en ongeveer 14 TW in 2050. De investeringen die in de periode 2020-2050 voor de extra zonne-energiecapaciteit nodig zijn, worden geraamd op ongeveer 4,2 biljoen USD 86 . In de EU zal tegen 2030 naar verwachting 0,4 TW aan fotovoltaïsche zonne-energie worden geïnstalleerd (naar schatting bijna 160 GW tegen 2021) en 1 TW tegen 2050 87 , 88 . Scenario’s van de bedrijfstak zelf voorspellen nog grotere penetratie 89 .

Wat de geïnstalleerde capaciteit betreft, komen de residentiële systemen, die vijf jaar geleden in de EU overheersten, nu op de tweede plaats (25,4 %), na het segment nutsbedrijven (30,5 %). Na de piekinvesteringen in 2011 zijn de totale overheidsinvesteringen van de EU in onderzoek naar en ontwikkeling en demonstratie van fotovoltaïsche energie gedaald en liggen zij nu onder het niveau van het begin van het decennium 90 .

Het afgelopen jaar is de EU gedaald van de tweede plaats in hoogwaardige uitvindingen (na Japan) naar de derde (na Japan en Korea) 91 . Als de huidige trend doorzet, zullen Chinese hoogwaardige uitvindingen binnenkort ook de EU overstijgen. Wat de levensvatbaarheid van de productie in de EU betreft, wordt met name het ontwerp van cellen en modules steeds complexer, waardoor verdere investeringen nodig zijn om voorop te blijven lopen.

Analyse van de waardeketen

De EU is wereldleider in verschillende delen van de fotovoltaïsche waardeketen: onderzoek en ontwikkeling, productie van polysilicium, apparatuur en machines voor de productie van PV 92 .

In de EU is een van de belangrijkste producenten van polysilicium gevestigd. Bovendien zijn EU-ondernemingen voornamelijk concurrerend in het downstreamgedeelte van de waardeketen, met leidende functies in de segmenten monitoring, controle en systeemevenwicht, met name in de productie van omvormers en zonnevolgers. Europese bedrijven hebben ook een leidende positie behouden in het operationele segment.

Anderzijds heeft de EU haar marktaandeel in de productie van zonnecellen en modules verloren. In het geval van een heropleving van een Europese productie van siliciumzonnecellen en -modules, die gezien het huidige aantal mogelijke projecten niet te onrealistisch lijkt, moet in de toeleveringsketen aandacht worden besteed aan de afhankelijkheid van bepaalde kritieke grondstoffen zoals boor, gallium, germanium en indium. Uit een recente studie 93 blijkt dat de EU de beste prestaties levert wat betreft de energie die wordt geproduceerd ten opzichte van de energie die wordt gebruikt voor de productie en het gebruik van fotovoltaïsche systemen, gevolgd door China en de VS. Evenzo heeft de EU ook de laagste koolstofintensiteit voor de door PV-systemen geproduceerde energie, gevolgd door de VS en vervolgens China. De EU heeft ook het hoogste energierendement op koolstof, terwijl China het slechtst presteert en de VS in het midden staan 94 . Deze laatste indicator weerspiegelt de koolstofintensiteit van de productiecyclus van de elektriciteit die in de productieprocessen wordt gebruikt.

In 2018 was de fotovoltaïsche energiesector in de EU goed voor 109 000 directe en indirecte arbeidsplaatsen, met een stijging van 42 % tussen 2015 en 2018 95 . De voorlopige resultaten van een recentere studie wijzen op ongeveer 123 000 directe en 164 000 indirecte voltijdse banen in de PV-sector in de EU in 2020, voor in totaal 287 000 banen 96 .

Vanuit het oogpunt van beroepsvaardigheden heeft de fotovoltaïsche sector een hoogopgeleide beroepsbevolking op het gebied van O&O, de productie van polysilicium en wafers en de productie van cellen en modules. EPC (engineering, inkoop en bouw), O&M (exploitatie en onderhoud), ontmanteling en recycling zijn ook veeleisende activiteiten in termen van vereiste vaardigheden.

Analyse van de mondiale markt

Met de toename van PV-installaties is het handelstekort voor de EU voor de invoer van zonnemodules sinds 2016 opnieuw beginnen te stijgen, na een daling tussen 2011 en 2016, als gevolg van de afnemende uitrol van PV-systemen. In 2019 is het gestegen tot meer dan 5,7 miljard EUR. Deze onevenwichtigheid weerspiegelt de omvang van de invoer, aangezien de uitvoer in de loop der jaren niet drastisch is veranderd. De invoer van fotovoltaïsche zonne-energie in de EU is sterk afhankelijk van Chinese en andere Aziatische ondernemingen 97 .

De productie van polysilicium, staven en wafers en de productie van zonnecellen en -modules vertegenwoordigen momenteel een mondiale waarde van ongeveer 57,8 miljard EUR. Het aandeel van de EU (12,8 %) bedraagt 7,4 miljard euro. Dit aandeel is grotendeels toe te schrijven aan de productie van polysilicium. Bijna alle groei van de productie van fotovoltaïsche cellen en modules heeft zich buiten de EU voorgedaan 98 . Nu de vraag op de markt in Europa en de rest van de wereld toeneemt en er nieuwe productietechnologieën opduiken, tonen de Europese fabrikanten opnieuw belangstelling voor het opzetten van productiecapaciteit binnen de EU op basis van de meest recente technologieën. In dat verband was de geactualiseerde Europese industriestrategie van de Europese Commissie 99  ingenomen met de inspanningen van het door de industrie geleide Europese zonne-energie-initiatief (European Solar Initiative) om de productie van fotovoltaïsche zonne-energie op te schalen. In de EU zijn al verschillende projecten gestart voor de productie van wafers, zonnecellen en -modules. De Europese Commissie zal in 2022 een mededeling over zonne-energie publiceren.

De rol van prosumenten en energiegemeenschappen

Het gebruik en de productie van hernieuwbare energie, zoals fotovoltaïsche zonne-energie, maar ook de energie-efficiëntie kunnen worden versterkt door energiegemeenschappen die consumenten in staat stellen een actieve rol te spelen op de energiemarkt. Momenteel nemen ten minste twee miljoen Europese burgers samen deel aan meer dan 8 400 energiegemeenschappen, die sinds 2000 ten minste 13 000 projecten hebben uitgevoerd 100 . De huidige totale capaciteit voor hernieuwbare energie die door energiegemeenschappen in Europa is geïnstalleerd, kan worden geschat op ten minste 6,3 GW en draagt doorgaans ongeveer 1-2 % bij aan de op nationaal niveau geïnstalleerde capaciteit; de hoogste bijdrage bedraagt in België maar liefst 7 %. Het leeuwendeel van de geïnstalleerde capaciteit wordt ingenomen door PV, gevolgd door onshore-windenergie. Een voorzichtige raming van de totale geïnvesteerde middelen bedraagt ten minste 2,6 miljard EUR 101 .

Vandaag zijn energiegemeenschappen georganiseerd in verschillende rechtsvormen. De activiteitengebieden, technologieportefeuilles, omvang en lidmaatschapsstructuur verschillen. Momenteel vergroten energiegemeenschappen het bewustzijn en de acceptatie van technologie, bevorderen zij energie-efficiëntie, produceren en distribueren zij hernieuwbare elektriciteit en warmte, verlenen zij diensten op het gebied van e-mobiliteit en verlenen zij energieadviesdiensten. Zij experimenteren innovatief met bedrijfsmodellen en zelfvoorzieningsconcepten ten behoeve van lokale gemeenschappen. De voortzetting en uitbreiding van energiegemeenschappen in Europa is afhankelijk van gunstige wetgeving en financiële stimulansen en van het concurrentievermogen van technologieën die toegankelijk zijn voor de burgers.

Hoewel de EU-beleidskaders de aanzet moeten geven tot de ontwikkeling van energiegemeenschappen in de hele EU 102 , ook over de grenzen heen, zal veel afhangen van de wijze waarop de lidstaten het faciliterende kader voor dit soort modellen zullen implementeren 103 . In het kader van de nationale energie- en klimaatplannen (NECP's) zijn de lidstaten al verplicht om verslag uit te brengen over hernieuwbare-energiegemeenschappen, maar slechts enkele lidstaten hebben in hun NECP’s kwantitatieve streefcijfers en concrete maatregelen voor de ontwikkeling van energiegemeenschappen opgenomen. Om de ontwikkeling van energiegemeenschappen in de zin van de EU-richtlijn te stimuleren, werkt de Commissie aan het opzetten van een databank met gegevens over energiegemeenschappen, die zal bijdragen tot de verspreiding van beste praktijken en technische bijstand zal verlenen voor de ontwikkeling van concrete initiatieven van energiegemeenschappen in de hele EU.

Net als voor energiegemeenschappen zal het EU-kader de toepassing van zelfverbruik (d.w.z. prosumenten) ondersteunen, met de verplichting individueel en collectief zelfverbruik mogelijk te maken en hen vrij te stellen van nettarieven. Ook hier zal veel afhangen van het ontwerp van het rechtskader, de toepasselijke netwerktarieven en -belastingen en de centrale informatiepunten om collectief zelfverbruik in appartementsgebouwen op meerdere niveaus te stimuleren — en daarbuiten, als de lidstaten daartoe besluiten. Wettelijke beperkingen en ongunstige belastingen kunnen ernstige belemmeringen vormen voor de toepassing van zelfverbruik.

3.3 Warmtepompen voor toepassingen in gebouwen

Technologieanalyse

Warmtepompen voor toepassingen in gebouwen 104 zijn goed ontwikkelde, in de handel verkrijgbare producten. Zij kunnen worden ingedeeld naar de bron waaruit zij hernieuwbare energie winnen (lucht, water of bodem), de warmteoverdrachtsvloeistof die zij gebruiken (lucht of water), het doel ervan (koeling of verwarming van een ruimte, waterverwarming voor huishoudelijk gebruik) en de beoogde marktsegmenten (residentiële, licht commerciële en warmtenetwerken).

De warmteproductie door warmtepompen is de afgelopen 5 jaar toegenomen met 11,5 % per jaar in de EU, tot 250 TWh in 2020 105 . Deze trend zal toenemen omdat elektrificatie van verwarming een belangrijke bijdrage zal leveren aan de weg naar klimaatneutraliteit in de bouwsector.

Warmtepompen zijn zeer efficiënt; hun typische seizoensgebonden prestatiecoëfficiënt van 3 betekent dat voor elke kWh verbruikte elektriciteit 3 kWh warmte wordt opgewekt 106 . Bijgevolg kan de werking van een warmtepomp voor de verwarming van gebouwen alleen kosteneffectief zijn in vergelijking met gasketels als de verhouding tussen de elektriciteits- en de gasprijs niet hoger is dan 3. Deze verhouding varieert sterk tussen de lidstaten, van 1,5 tot 5,5 107 , vaak als gevolg van hogere belastingen en heffingen op elektriciteit met betrekking tot fossiele brandstoffen en het gebrek aan internalisering van de externe kosten van broeikasgasemissies in de gas- en olieprijzen. Deze kwesties komen aan bod in het in juli 2021 gepresenteerde beleidspakket ter verwezenlijking van de Europese Green Deal, met name door de voorstellen tot wijziging van de energiebelastingrichtlijn en de invoering van een nieuw systeem voor emissiehandel voor de bouw- en de wegvervoersector.

De sector van de warmtepompen wordt gekenmerkt door een mondiale en concurrerende markt, waar innovatie van cruciaal belang is. De aanpassingen aan de veranderende klimaat- en milieuregelgeving en -strategieën van de EU concurreren met de verbetering van de prestaties en kosten van producten in de kleine, middelgrote of grote ondernemingen van de EU, waar de onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit beperkt is. Toch bieden zij de industrie kansen om innovatieve producten voor te stellen.

In de periode 2011-2021 behoort meer dan 37 % van de vaak geciteerde wetenschappelijke publicaties over warmtepomptechnologie tot de EU, gevolgd door China (23 %) en de VS (20 %). De EU is ook toonaangevend op het gebied van uitvindingen in “warmtepompen voornamelijk voor verwarmingstoepassingen in gebouwen”: in de periode 2015-2017 werd 42 % van de octrooien voor hoogwaardige uitvindingen aangevraagd in de EU, gevolgd door Japan (20 %), de VS (8 %), Zuid-Korea (7 %) en China (4 %) 108 .

Voortbouwend op deze kennis- en innovatiebasis beschikken de onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven in de EU over de capaciteit om innovaties voor te stellen. In de periode 2014-2020 waren warmtepompprojecten voor bouwtoepassingen goed voor een totale financiering van 146,8 miljoen EUR in het kader van Horizon 2020, het O&I-programma van de EU. Het grootste deel was bestemd voor de integratie van warmtepompen met andere hernieuwbare energiebronnen (60,9 %), vergeleken met de ontwikkeling van warmtepompen voor residentiële toepassingen (6,5 %) en voor stadsverwarmingstoepassingen (32,6 %).

Analyse van de waardeketen

Volgens EurObserv'ER 109 bedroeg de omzet van warmtepompen in de EU in 2018 26,6 miljard EUR, een stijging van 18 % ten opzichte van 2017. Tegelijkertijd steeg het aantal directe en indirecte arbeidsplaatsen in 2018 naar 222 400, een toename van 17 % ten opzichte van 2017. Deze gegevens omvatten alle soorten warmtepompen, met inbegrip van lucht/lucht-warmtepompen die uitsluitend worden gebruikt voor koeling of voor verwarming en koeling, die goed waren voor 86 % van de in 2019 verkochte eenheden.

Op het gebied van vaardigheden beschikt de warmtepompsector over goed opgeleide arbeidskrachten op het gebied van O&O, productie van componenten en warmtepompen, geologen en ingenieurs op het gebied van warmtetechniek, installateurs (inclusief boorders) en service & onderhoud.

Analyse van de mondiale markt

Azië en Amerika domineren de uitvoer op de residentiële airconditioningmarkt 110 van lucht/lucht-warmtepompen. Het onevenwicht is minder uitgesproken wanneer omkeerbare airconditioners in aanmerking worden genomen 111 : Aziatische landen nemen nog steeds het voortouw, gevolgd door Europese landen. Als we kijken naar “voornamelijk voor verwarming gebruikte warmtepompen” 112 , nemen de EU-landen het voortouw bij de uitvoer, gevolgd door Azië. In de afgelopen 5 jaar is de groei van de EU-markt van “voornamelijk voor verwarming gebruikte warmtepompen” echter teruggedrongen door de invoer uit Azië, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 21 % tussen 2015 en 2020. Daardoor is de handelsbalans verslechterd van een overschot van 249 miljoen EUR in 2015 tot een tekort van 40 miljoen EUR in 2020.   

Op basis van prognoses van de langetermijnstrategie van de EU 113 zal de verkoop van warmtepompen tot 2030 snel toenemen in de EU voor elektrificatie in de sector gebouwverwarming, gevolgd door een tragere penetratiegraad daarna. De snellere penetratie op de EU-markt van koplopers biedt de EU-industrie de kans om tot 2030 te groeien en concurrerende productie te ontwikkelen en vervolgens de aanhoudende wereldwijde groei aan te grijpen, zoals voorspeld door het IEA 114 .

De hoge kosten in Europa zijn deels toe te schrijven aan een hoge mate van versnippering en nationaal georiënteerde markten. In sommige gevallen verschillen de nationale wetgevingen, met name wat betreft de vereisten voor de goedkeuring van producten en de vergunningsvoorschriften. Betere marketing- en distributienetwerken in de EU en daarbuiten, en mogelijk meer samenwerking met partners met relevante bevoegdheden, zouden het concurrentievermogen van EU-bedrijven vergroten. Niettemin heeft de Commissie, in haar mededeling over de renovatiegolf 115 , aangekondigd het gebruik van warmtepompen verder te zullen bevorderen gezien de belangrijke rol van warmtepompen bij de integratie in het energiesysteem. De Commissie zal ook trachten de rol van warmtepompen in de flexibiliteit van de energiesystemen te vergroten, bijvoorbeeld door een netcode voor flexibiliteit aan de vraagzijde op te stellen. 

3.4Batterijen

Technologieanalyse

In dit verslag ligt de nadruk op de lithium-ionbatterijtechnologie omdat deze belangrijk is voor elektromobiliteit en bepalend is voor de vraag naar batterijen in verband met de overgang naar schone energie 116 . In het bredere energiesysteem zullen stationaire batterijen van cruciaal belang zijn als energieopslagmedium, waardoor een grote bijdrage kan worden geleverd aan de energie uit intermitterende hernieuwbare bronnen in de elektriciteitsmix. Bovendien biedt de interactie tussen elektrische voertuigen en het elektriciteitsnet een groot potentieel dat moet worden benut.

In 2020 werden elektrische voertuigen (EV’s) op basis van de totale eigendomskosten op meer dan 50 % van de totale Europese automobielmarkt concurrerend. De gemiddelde prijzen van lithium-ionbatterijen voor elektrische voertuigen zijn sinds 2010 in reële termen met 89 % gedaald tot 137 USD per kWh (115 EUR per kWh) in 2020. Tegen 2023 zullen de gemiddelde prijzen van accupakketten naar verwachting 101 USD per kWh bedragen en tegen 2027 zal de aankoopprijs van elektrische voertuigen naar verwachting lager zijn dan die van conventionele auto’s 117 .

De gemiddelde energiedichtheid van accu's van elektrische voertuigen neemt toe met 7 % per jaar 118 , terwijl de gemiddelde accucapaciteit voor elektrische lichte bedrijfsvoertuigen (alleen elektrisch en hybride) is gestegen van 37 kWh in 2018 tot 44 kWh in 2020, terwijl de batterij voor puur elektrische auto’s in de meeste landen binnen het bereik van 50-70 kWh ligt 119 . Auto’s worden steeds groter en die trend vormt een bedreiging voor de verbetering van de energie-efficiëntie en de beschikbaarheid van kritieke grondstoffen.

De uitrol van de batterijtechnologie in de EU heeft een historisch hoogtepunt bereikt: de verkoop van elektrische voertuigen bedroeg in 2020 10,5 % van de automarkt (een stijging van 3 % ten opzichte van 2019) 120 , maar er is een groot verschil binnen de EU, aangezien de verkoop van elektrische voertuigen varieert van 0,5 % in Cyprus tot 32 % in Zweden. Het aantal elektrische voertuigen op de weg in de EU is in de loop van 2020 verdubbeld tot meer dan twee miljoen, een equivalent van meer dan 60 GWh aan opslagcapaciteit. Tegen 2030 worden meer dan 50 miljoen elektrische voertuigen op de wegen in de EU verwacht 121 .

De opkomende markt voor stationaire batterijen in de EU groeide ongeveer tot 1,3 GWh in 2020, met een gecumuleerde geïnstalleerde capaciteit van ongeveer 4,3 GWh (meestal lithium-ionbatterijen) 122 . Door zelfverbruik te bevorderen, bestrijkt Duitsland twee derde van de Europese markt voor residentiële opslag van batterijen (2,3 GWh) 123 . Tegen 2030 kunnen stationaire batterijen bijna evenveel opslaan als nu pompaccumulatie van waterkracht, gemeten in energiedoorvoer kunnen litium-ionbatterijen op efficiënte wijze opslag bieden gedurende maximaal 5 uur, terwijl opkomende technologieën, waaronder flowbatterijen, langere opslagtijden kunnen bieden.

Wat extra kosten betreft, liggen de systeemkosten van lithium-ionbatterijen voor toepassingen op netschaal tussen 300 en 400 EUR per kWh, terwijl de kosten van huisopslagsystemen ruwweg dubbel zo hoog zijn. Het terugschroeven van de systeemkosten van batterij-energie naar de helft van de huidige prijs is van cruciaal belang voor een grootschalige uitrol in heel Europa 124 .

Twee belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (Important Projects of Common European Interest - IPCEI) 125 van meerdere miljarden EUR waarbij 12 lidstaten en tientallen bedrijven en onderzoeksorganisaties betrokken zijn, laten duidelijk zien dat batterijen een prioritaire plaats innemen in de O&I-financiering. De EU heeft op haar beurt 925 miljoen EUR uitgetrokken voor het partnerschap voor batterijen in het kader van Horizon Europa voor de periode 2021-2027.

Analyse van de waardeketen

Ondanks de toenemende belangstelling voor mijnbouwprojecten in Europa, met name voor lithium en natuurlijk grafiet omdat deze mineralen van belang zijn voor batterijen, is er voor de voorziening van zowel primaire als secundaire grondstoffen voor batterijen een grote opschaling nodig om gelijke tred te houden met de stijgende vraag naar batterijmaterialen 126 . De EU is sterk afhankelijk van de internationale handel voor de levering van kobalt, lithium en grafiet en deze materialen staan op de EU-lijst van kritieke grondstoffen 127 . Hoewel de aanvoer van nikkel meer gediversifieerd is, is de EU afhankelijk van de invoer van materiaal met een hoge zuiverheidsgraad dat nodig is voor de productie van batterijen, met een aandeel van 56 %. Toekomstige anode- en kathodematerialen zoals silicium, titaan en niobium staan ook op de EU-lijst van kritieke grondstoffen 128 .

Afgezien van kobaltraffinage (tweede na China) bevindt de EU zich over het algemeen in een zwakke positie wat betreft het raffineren van materialen die verband houden met batterijen. Hoewel de EU sterke spelers op het gebied van kathodematerialen heeft, is zij nog steeds netto-importeur van kathodematerialen uit Azië. De productiecapaciteit voor batterijcellen zal naar verwachting 400 GWh benaderen en tegen 2025 grotendeels voldoen aan de binnenlandse vraag 129 .

Vanaf 2021 hadden EU-dochterondernemingen van buitenlandse, voornamelijk Koreaanse ondernemingen een productiecapaciteit van 44 GWh lithium-ionbatterijcellen 130 . Ondertussen zullen 10 ondernemingen met hoofdkantoor in de EU de komende jaren beginnen met de productie van lithium-ionbatterijcellen. Toonaangevende producenten in de wereld vestigen ook fabrieken in de EU. De productiecapaciteit van lithium-ionbatterijcellen groeit in de EU en bedraagt vanaf 2021 6 % van de mondiale capaciteit 131 , tegenover 3 % in 2018. De Europese producenten behouden een sterke positie op het gebied van nichetoepassingen van lithium-ion, maar blijven afhankelijk van Aziatische ondernemingen voor apparatuur voor de productie van batterijcellen 132 .

De EU speelt haar sterkste rol op het gebied van eindproducten. Alle autofabrikanten in de EU hebben de overstap naar e-mobiliteit omarmd, een ervan streeft er zelfs naar om 1 miljoen elektrische auto’s te verkopen in 2021. De EU heeft een aantal recyclingbedrijven, maar de beperkte capaciteit daarvan is beperkt. Momenteel worden batterijen aan het einde van hun levensduur meestal naar Azië gestuurd 133 . Zodra het ondersteunende kader van de nieuwe batterijverordening 134 tot stand is gekomen, kan Europa het voortouw nemen in de circulaire economie van batterijen — van ontginning van de grondstoffen tot recycling. Voor een groeiende waardeketen zijn meer inspanningen nodig op het gebied van onderwijs en opleiding, aangezien er tegen 2025 800 000 directe banen en in totaal 3 tot 4 miljoen banen zullen worden gecreëerd 135 . Daartoe heeft de EU de EBA250 Academy opgericht.

Analyse van de mondiale markt

China beschikt over 80 % van de wereldwijde capaciteit voor het raffineren van grondstoffen voor batterijen, 77 % van de productiecapaciteit voor cellen en 60 % van de productiecapaciteit voor batterijcomponenten 136 . Het handelstekort van de EU in lithium-ionbatterijen bedroeg 3,6 miljard EUR in 2018 en 4,2 miljard EUR in 2019. De meeste batterijcellen werden in 2020 nog steeds ingevoerd en alle toonaangevende batterijproducenten waren niet-Europees (waarvan er een aantal in de EU produceerde). In 2020 vertegenwoordigde de mondiale markt voor lithium-ionbatterijen een waarde van ongeveer 40 tot 47 miljard USD 137 . Met de lopende investeringsprojecten zal de EU tegen 2025 de op één na grootste batterijcelproducent ter wereld worden, achter China. 138

De EU had in 2020 slechts een klein handelstekort in elektrische auto’s, terwijl de uitvoer sneller groeide dan de invoer 139 . Tegelijkertijd breiden de automobielbedrijven uit de EU hun productiefaciliteiten uit in Azië en de VS en concurreren zij met de bedrijven aldaar. De EU heeft ook sterke spelers op de markt voor stationaire opslag: bv. onder meer wereldleiders op het gebied van grid-scale toepassingen en de residentiële opslagmarkt.

Wat de productie en uitrol van elektrische bussen betreft, is de EU ver achtergebleven bij China, dat al 60 % van zijn busvloot heeft geëlektrificeerd. In 2020 werden in de EU slechts 1 714 elektrische bussen verkocht 140 tegenover 61 000 in China 141 .

3.5Productie van hernieuwbare waterstof door elektrolyse

Technologieanalyse

Hernieuwbare waterstof die wordt verkregen door middel van waterelektrolyse (ook wel hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong genoemd) biedt het potentieel om sectoren die moeilijk te elektrificeren en te beperken zijn, zoals de industrie en het zwaar vervoer, koolstofvrij te maken, en kan bijdragen tot energiediensten zoals seizoensopslag. De belangrijkste technologische uitdaging omvat de energie-efficiëntieverliezen die gepaard gaan met de omzetting van hernieuwbare energie in waterstof, aangezien voor elke geproduceerde eenheid hernieuwbare waterstof 1,5 eenheid hernieuwbare elektriciteit nodig is. Dit vereist enorme hoeveelheden hernieuwbare energie, met name wind- en zonne-energie, en de kosten van hernieuwbare energie moeten omlaag om te kunnen concurreren met waterstof op basis van fossiele brandstoffen.

De industrie in de EU gebruikt momenteel ongeveer 7,7 miljoen ton waterstof per jaar 142 en deze wordt grotendeels geproduceerd uit fossiele brandstoffen. De waterstofproductie door waterelektrolyse wordt geraamd op minder dan 1 % van de totale productie 143 . De huidige doelstelling van de EU voor 2030 is 40 GW aan elektrolysers te installeren om maximaal 10 miljoen ton hernieuwbare waterstof per jaar te produceren 144 . Tegen 2050 lopen de prognoses voor elektrolysercapaciteit voor de Europese markt uiteen van 511 GW 145 tot 1 000 GW 146 .

Enkele kernprestatie-indicatoren (KPI’s) voor waterelektrolysers worden hieronder samengevat voor verschillende technologieën: alkalische elektrolyse (AEL), elektrolyse met een membraan van elektrolytisch polymeer (PEMEL), elektrolyse met een anionwisselend membraan (AEMEL) en vasteoxide-elektrolyse (SOEL). De elektrolyse met anionwisselende membranen is nog niet zo ver ontwikkeld als de andere technologieën (die nog in ontwikkeling zijn, maar beschikbaar zijn voor beperkt commercieel gebruik). Vasteoxide-elektrolyse wordt geleidelijk ingezet voor demonstratiedoeleinden. Alkalische elektrolyse en elektrolyse met een membraan van elektrolytisch polymeer zijn volledig commerciële technologieën.

Tabel 1 Belangrijkste prestatie-indicatoren voor de vier belangrijkste waterelektrolysetechnologieën in 2020 en gepland voor 2030. Afschaling van de stack wordt gedefinieerd als een procentueel efficiëntieverlies bij nominale capaciteit.

 

2020

2030

 

Alkalisch

PEMEL

AEMEL

SOEL

Alkalisch

PEMEL

AEMEL

SOEL

Karakteristieke temperatuur [°C]

70-90*

50-80*

40-60*

700-850*

-

-

-

-

Celdruk [bar]

<30*

<70*

<35*

<10*

-

-

-

-

Efficiëntie (systeem) [kWh/kgH2]

50

55

57 *

40

48

50

<50 *

37

Degradatie [%/1 000uur]

0,12

0,19

-

1,9

0,1

0,12

-

0,5

Kapitaalkostenbereik [EUR/kW — gebaseerd op productie van 100 MW]

600

900

-

2700

400

500

-

972

Bron: Addendum bij het meerjarenwerkplan 2014-2020, FCH JU, 2018 en voor parameters met “*”, opstelling DG ENERGY (Europese Commissie) op basis van Irena-gegevens uit het verslag „Green Hydrogen Cost Reduction”, 2020.

De Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof (FCH JU) heeft sinds 2008 ongeveer 150,5 miljoen EUR geïnvesteerd in de ontwikkeling van elektrolysertechnologieën (74,7 miljoen EUR voor onderzoeksacties en 75,9 miljoen EUR voor innovatieacties). De belangrijkste begunstigde landen waren Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk met respectievelijk ongeveer 31, 25 en 18 miljoen EUR. Met de Green Deal-oproep in het kader van Horizon 2020 is ongeveer 90 miljoen EUR beschikbaar gesteld voor drie projectconsortia om 100 MW elektrolysers te ontwikkelen en te exploiteren in reële omgevingen. Hoewel Japan al vele jaren consequent octrooieert op dit technische gebied, is het aantal uitvindingen in verband met elektrolysers in andere regio’s (met name China) de afgelopen jaren gestaag toegenomen. Voor elektrolysers beschikt Europa (met inbegrip van het VK) naar verhouding over grotere aantallen internationale octrooifamilies (octrooiaanvragen ingediend en gepubliceerd bij verschillende internationale octrooibureaus) dan andere toonaangevende economieën 147 .

Analyse van de waardeketen

Het is moeilijk om nauwkeurige informatie te hebben over waardeketens die verband houden met hernieuwbare en koolstofarme waterstof en over de voorspelde groei daarvan, maar de werkzaamheden van de Europese alliantie voor schone waterstof met meer dan 1 500 leden wijzen op een zeer dynamische en zich snel ontwikkelende sector. Tot op heden heeft de Europese alliantie voor schone waterstof al informatie verzameld over projecten voor ongeveer 60 GW elektrolysecapaciteit tegen 2030, waarvan de overgrote meerderheid moet worden gevoed door hernieuwbare elektriciteit.

De markt voor elektrolyse heeft een groot ontwikkelingspotentieel. Uit een overzicht van de fabrikanten van middelgrote tot grootschalige elektrolysesystemen, waarin alleen fabrikanten van commerciële systemen zijn opgenomen en geen rekening wordt gehouden met fabrikanten van elektrolysers op laboschaal, blijkt dat Europa een sterke internationale positie inneemt voor zowel alkalische als PEM-elektrolyse en een zeer sterke positie heeft voor SO-elektrolyse, terwijl de enige AEM-fabrikant ook in de EU is gevestigd 148 . De grootschalige inzet van deze elektrolysers zal onder meer afhangen van de beschikbaarheid van hernieuwbare en koolstofarme elektriciteit die nodig is voor de productie van hernieuwbare en koolstofarme waterstof, en van andere factoren zoals het verhogen van het aantal bedrijfsuren van elektrolysers en het verlagen van de elektriciteitsprijzen. 

Analyse van de mondiale markt

De EU heeft een technologische voorsprong op het gebied van elektrolyse en aanverwante technologieën, maar produceert tot dusver relatief weinig elektrolysers; er wordt echter verwacht dat de productie in de komende jaren aanzienlijk toenemen. Voor de productie van brandstofcellen, elektrolysers en waterstofopslagtechnologieën zijn ongeveer 30 grondstoffen nodig. Volgens de lijst van 2020 van voor de EU kritieke grondstoffen worden 13 van deze materialen van cruciaal belang geacht voor de economie van de EU (elektrolysers zijn niet in de beoordeling opgenomen) 149 . Vooral voor de PEM-elektrolyse is het gebruik vereist van edelmetaalkatalysatoren zoals iridium voor de anoden en platina voor de kathode, die beide hoofdzakelijk uit Zuid-Afrika afkomstig zijn; voor SO-elektrolyse zijn zeldzame aardmetalen nodig, die voornamelijk uit China komen.

3.6Slimme netwerken (automatisering van distributienetten, slimme meters, thuissystemen voor energiebeheer en slimme laadpalen voor elektrische voertuigen) 

Verwacht wordt dat de invoering van technologieën voor slimme netwerken dit decennium en daarna een robuuste trend zal blijven vertonen, in nauwe samenhang met elektrificatie, decentralisatie en de noodzaak van een grotere betrouwbaarheid en operationele efficiëntie van het net en meer investeringen om de verouderde netwerkinfrastructuur te moderniseren. Technologieën zoals slimme meters, automatisering of elektrificatie van mobiliteit zullen tot 2030 elk goed zijn voor ongeveer 8 % van de geraamde investeringen in elektriciteitsdistributienetten in de EU en het VK 150 . Algemeen wordt verwacht dat ook de markten voor aanverwante digitale diensten zullen blijven groeien. In dit deel worden vier gebieden van digitale technologieën en diensten geanalyseerd die van bijzonder belang zijn voor de ambities van de EU met betrekking tot gebouwen en mobiliteit, namelijk de automatisering van distributienetten, systemen voor het beheer van eigen energie (HEMS), slimme meters en slim opladen.

Technologieanalyse

Distributieautomatisering en slimme meters kunnen steunen op goed ontwikkelde, marktklare apparaten en software, waarvan de uitrol al tien jaar aan de gang is. Zo waren er eind 2020 bijna 150 miljoen slimme meters geïnstalleerd in de EU, Noorwegen, Zwitserland en het VK (een gemiddelde penetratiegraad van 49 %). Dit aantal zal naar verwachting toenemen tot bijna 215 miljoen in 2025 (penetratiegraad van 69 %) 151 , waarbij de technologie van de tweede golf meer gericht is op decentralisatie en dienstverlening aan consumenten.

Anderzijds zijn HEMS en slimme oplaadsystemen in een vroeg stadium in gebruik, waarbij nog veel veelbelovende onderzoeksprojecten in de EU en elders worden uitgevoerd om de stand van de technologie te verbeteren en deze vroege groei te beïnvloeden. Normalisatie, interoperabiliteit en cyberbeveiliging zijn over de hele linie gemeenschappelijke uitdagingen voor alle technologieën en dreigen de marktpenetratie in een vaak versnipperde markt te vertragen.

Analyse van de waardeketen

De waardeketen van de vier technologieën bestaat uit een combinatie van hardware-, software- en dienstenleveranciers. Dit draagt ertoe bij dat de waardeketens in de EU over veel spelers zijn versnipperd, met name op het gebied van HEMS en slim opladen. De distributieautomatiserings- en slimme meterwaardeketens zijn daarentegen meer geconcentreerd. Bij de automatisering van de distributie zijn sommige Europese bedrijven actief in de volledige waardeketen en zijn zij belangrijke mondiale spelers of marktleiders, terwijl slimme meterwaardeketens doorgaans door regionale spelers worden gedomineerd.

In totaal zijn meer dan 50 ondernemingen, vooral Europese, op de een of andere manier actief op de HEMS-markt 152 , waarvan sommige een sterke geschiedenis op het gebied van energie hebben. Recenter zijn aggregators en technologiebedrijven op deze markt verschenen, waarbij hun bedrijfsmodellen uitsluitend op HEMS zijn gericht en soms producten of diensten aanbieden aan grote ondernemingen, waarbij wordt voorkomen dat deze ondernemingen de gehele HEMS-productieketen bestrijken.

De drie belangrijkste inzichten met betrekking tot de toeleveringsketen van de oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen 153 zijn: (i) de toeleveringsketen van fabrikanten is hoofdzakelijk lokaal en/of regionaal, met name voor in de EU gevestigde leveranciers, (ii) de elektronische basisonderdelen worden aangekocht in Azië, en (iii) de markt en de waardeketen zijn nog niet volledig volgroeid aangezien de verkopers voornamelijk intern ontwikkelen, ontwerpen en produceren, met enige contractproductie. Maar aangezien de invoering van gedistribueerde energiebronnen (Distributed Energy Resources — DER) en elektrische voertuigen in de loop van dit decennium snel zal vorderen, zal de sector slimme oplaadsystemen zich ook consolideren als een groeiend deel van een multimiljardenmarkt voor oplaadsystemen voor elektrische voortuigen, met name in het deel van de trage oplaadsystemen dat groter zal zijn dan het snellaadsysteem volgens het IEA in zijn meest recente Global EV Outlook 154 .

Het is vermeldenswaard dat, gezien het toenemende belang van de software voor technologieën die verband houden met slimme netwerken, het bedrijfsmodel gedeeltelijk aansluit bij dat van de zuivere software-industrie en zich meer ontwikkelt in de richting van een dienstenmarkt, waarbij een groot deel van de inkomsten na de eerste invoering ontstaat 155 .                                

Analyse van de mondiale markt

Alle vier de markten groeien met ongeveer 10 % samengesteld jaarlijks groeipercentage (CAGR), de oplaadinfrastructuur met 26 % 156 . De distributieautomatisering, de grootste wereldmarkt van de vier met een geschatte waarde van 12,4 miljard USD in 2020, zal naar verwachting groeien met een CAGR van 7,4 % tot 17,7 miljard USD in 2025. De markt voor slimme meters werd in 2019 geraamd op 21,3 miljard USD en zal naar verwachting groeien tot 38 à 39 miljard USD in 2027 (voornamelijk als gevolg van de groei in Azië). De mondiale HEMS-markt zal naar verwachting groeien van bijna 4,4 miljard USD in 2019 tot meer dan 12 miljard USD in 2028, met een CAGR van 12,3 % (en van 12,1 % in de EU).

Ten slotte kunnen de oplaadinfrastructuur en -platforms voor elektrische voertuigen dit decennium in de EU een echte hausse doormaken, waarbij hun gecombineerde markten naar verwachting zullen groeien van 0,63 miljard EUR in 2020 tot 6,7 miljard EUR in 2030, met een CAGR van meer dan 26 %. De bloeiende markt voor elektrische voertuigen zal enorme kansen creëren voor de HEMS-markt, aangezien dit een van de belangrijkste oplaadsystemen voor thuis zal worden. De vroege regelgevingsdruk heeft een groeiende EU-markt voor slimme meters gecreëerd, die voornamelijk door producenten in de EU wordt beleverd, althans wat hardware betreft; de softwaremarkt voor slimme meters en beheerssystemen, zelfs in de EU, lijkt evenwichtiger te zijn, met de aanwezigheid van enkele sterke Amerikaanse actoren. Anderzijds zijn de Aziatische (en met name Chinese) markten in termen van verzonden eenheden enorm groot in vergelijking met de Europese 157 .

Met ambitieuze beleidsdoelstellingen (bv. de Europese Green Deal, integratie van energiesystemen enz.), een gunstig regelgevingsklimaat (bv. de elektriciteitsrichtlijn) en overheidsfinanciering (bv. Horizon Europa, het cohesiebeleid, het Europees innovatiefonds, de herstel- en veerkrachtfaciliteit) wil de EU het voortouw nemen bij de uitrol van slimme netwerken. Samen met het bestaan van gevestigde EU-bedrijven die netwerktechnologieën aanbieden, zal dit een ondersteuning zijn om Europese marktleiders en solide technologieproducenten in alle vier de technologische domeinen te hebben. Tegelijkertijd zullen Europese ondernemingen in de aanloop naar 2030 met zware concurrentie te maken krijgen aangezien de analyse van de mondiale markt duidt op sterke ontwikkelingen in de VS en in Azië-Pacific (China, Japan, Zuid-Korea).

3.7Hernieuwbare brandstoffen voor luchtvaart en scheepvaart

Technologieanalyse

Hernieuwbare brandstoffen, met inbegrip van geavanceerde biobrandstoffen 158 en hernieuwbare synthetische brandstoffen 159 , zijn de enige gecommercialiseerde oplossing om de lucht- en scheepvaartsector op korte termijn koolstofvrij te maken 160 . Hernieuwbare brandstoffen zullen naar verwachting 5 % (d.w.z. 2,3 Mtoe) uitmaken van het totale verbruik van vliegtuigbrandstof in de EU tegen 2030 en 63 % (d.w.z. 28 Mtoe) tegen 2050 161 . De aangekondigde totale jaarlijkse capaciteit van hernieuwbare vliegtuigbrandstof in de EU bedraagt ongeveer 1,7 miljoen ton tegen 2025, wat neerkomt op 0,05 % van de totale EU-vliegtuigbrandstof. Ter vergelijking: de geïnstalleerde capaciteit in de VS is tweemaal zo groot (3,6 miljoen ton) en bedraagt ongeveer 60 % van de mondiale capaciteit 162 . Het aandeel hernieuwbare scheepsbrandstof is vandaag de dag verwaarloosbaar, maar zal naar verwachting 8,6 % van de totale brandstofmix bereiken tegen 2030 en 88 % tegen 2050 163 .

De commercialisering en opschaling van hernieuwbare brandstoffen wordt belemmerd door hoge kapitaaluitgaven (CAPEX), die oplopen tot 500 miljoen EUR voor één installatie en tot 80 % van de totale productiekosten. Met name de productiekosten van hernieuwbare brandstoffen worden momenteel geraamd op 3 tot 6 maal de huidige marktprijs van conventionele brandstoffen 164 . De co-verwerking (of co-waterstofbehandeling in het geval van vliegtuigbrandstoffen) in bestaande raffinaderijen en andere industrieën neemt steeds grotere vormen aan en biedt een voordeel voor het verlagen van de kapitaalkosten.

De EU draagt aanzienlijk bij tot kostenvermindering van hernieuwbare brandstoffen door een sterke mondiale positie op het gebied van O&I-investeringen te behouden. De publieke O&I-financiering van de lidstaten voor biobrandstoffen 165 , met inbegrip van geavanceerde biobrandstoffen, is sinds 2008 constant gebleven op ongeveer 400 miljoen EUR per jaar. Bovendien is de EU-financiering voor hernieuwbare brandstoffen gestegen van 430 miljoen EUR voor de periode 2012-2016 tot 531 miljoen EUR in de periode 2017-2020. De specifieke toewijzing van middelen voor brandstoffen voor de luchtvaart en de zeescheepvaart is voor dezelfde periode gestegen van 84 miljoen EUR tot 229 miljoen EUR 166 .

De gegevens voor particuliere O&I-investeringen zijn beperkt, maar wijzen erop dat in China gevestigde ondernemingen gemiddeld de hoogste jaarlijkse investeringen (809 miljoen EUR) in hernieuwbare brandstoffen doen, gevolgd door ondernemingen in de EU (652 miljoen EUR) en in de VS (578 miljoen EUR) 167 . Het grootste deel van de ondernemingen die in onderzoek en innovatie investeren, is echter gevestigd in de EU, gevolgd door China en de VS.

Dankzij consistente investeringen behoort de EU mogelijk tot de wereldleiders op het gebied van innovatie. Er zijn echter aanwijzingen dat de EU achterblijft bij met name Amerikaanse bedrijven, die twee keer zoveel octrooien op vliegtuigbrandstoffen hebben als in de EU gevestigde ondernemingen, en een groter aantal toonaangevende innovatoren 168 . Japanse en in de EU gevestigde ondernemingen vertegenwoordigen elk een derde van alle octrooien in de maritieme sector, maar het bewijs is niet overtuigend omdat sommige technologieën die verder gaan dan hernieuwbare brandstoffen zijn opgenomen en de gegevens niet gedetailleerd genoeg zijn.

Analyse van de waardeketen

Over het algemeen zijn hernieuwbare brandstoffen in de lucht- en zeevaartsector niet alleen een strategisch element voor de overgang naar een klimaatneutrale economie, maar kunnen zij ook kansen bieden voor groei en werkgelegenheid. Het pakket ter uitvoering van de Europese Green Deal zal naar verwachting de vraag naar hernieuwbare brandstoffen voor de scheepvaart en de luchtvaart in de EU doen toenemen. Dit zou kunnen bijdragen tot een jaarlijkse groei van de toegevoegde waarde van enkele miljarden euro tegen 2030. Gezien de huidige productie van vloeibare biobrandstoffen van 16 Mtoe in de EU werk biedt aan bijna 230 000 mensen 169 , zou de toename van de binnenlandse productie tegen 2050 tot 270 000 extra banen kunnen opleveren 170 . De huidige werkgelegenheid voor biobrandstoffen wijst er ook op dat er al een sterke basis is voor de vaardigheden die nodig zijn voor de uitbreiding van de markt, maar voor een mogelijke verdubbeling tegen 2050 kan meer opleiding op het gebied van beroepsvaardigheden nodig zijn.

De waardeketens van de EU profiteren van uiteenlopende expertise op het gebied van verschillende productietrajecten en grondstoffen, alsook van synergieën van een toenemend aantal joint ventures tussen ondernemingen op het gebied van hernieuwbare brandstoffen, olie- en gasbedrijven en havens en luchthavens, waaruit blijkt dat zij voorbereid zijn op de uitbreiding van de markten voor hernieuwbare brandstoffen naar de luchtvaart en de scheepvaart.

Geavanceerde biobrandstoffen zijn voornamelijk gebaseerd op niet-recycleerbaar afval en residuen, een duurzamere optie met minder gevolgen voor landgebruik en biodiversiteit dan biobrandstoffen uit voedsel en voedergewassen. De keuze van grondstoffen voor biomassa kan gevolgen hebben voor de duurzaamheid, de productiekosten en potentiële knelpunten in de voorziening. Met name bij het opschalen van geavanceerde biobrandstoffen zal de maturiteit van alternatieve productietrajecten op basis van verschillende grondstoffen, met uitzondering van afvalstoffen, noodzakelijk zijn om knelpunten te vermijden.

Analyse van de mondiale markt

De markt voor hernieuwbare brandstoffen in de luchtvaart en de scheepvaart is momenteel zeer beperkt. Verwacht wordt dat nieuw beleid in het pakket ter uitvoering van de Europese Green Deal 171  de vraag sterk zal doen toenemen en deze markten binnen dit en de volgende decennia zal uitbreiden. De sterke mondiale marktpositie van de EU op het gebied van biobrandstoffen in het wegvervoer 172 en de concentratie van toonaangevende producenten van geavanceerde biobrandstoffen beloven een goede beginpositie om deze nieuwe markten te vullen. Met specifieke initiatieven 173 en twee keer de geïnstalleerde capaciteit van de EU 174 , en de Amerikaanse productie van duurzame vliegtuigbrandstof kunnen de VS echter ook op de EU-markten concurreren.

Omdat PtL (power-to-liquid) afhankelijk is van goedkope hernieuwbare elektriciteit, zou de productie van synthetische brandstoffen een grotere afhankelijkheid van het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) kunnen vereisen. Anderzijds bieden synergieën met bestaande brandstofproductie-installaties in de EU (integratie met raffinaderijen, hergebruik van productie en ondersteunende infrastructuur, beschikbaarheid van geschoolde werknemers, beschikbaarheid van CO2 voor afvang en hergebruik en andere factoren) het potentieel van economisch concurrerende productie van synthetische brandstoffen in de EU.

Belang van baanbrekende technologieën — Voorbeeld van zonnebrandstof

De behoefte aan alternatieven voor vloeibare fossiele brandstoffen stimuleert onderzoek en innovatie om kostenefficiënte hernieuwbare brandstoffen met een hoge energiedichtheid en ruime beschikbaarheid van grondstoffen te ontwikkelen. Hoewel geavanceerde biobrandstoffen en synthetische brandstoffen al ver ontwikkeld zijn en sommige zelfs op de markt komen, zijn zonnebrandstoffen nog steeds technologieën met een laag niveau van technologische paraatheid (TRL), en bevinden zij zich in de conceptuele of experimentele fase. Verdere investeringen tegen 2050 kunnen deze baanbrekende technologieën echter mogelijk maken, zodat kosteneffectieve brandstoffen met een hoge energiedichtheid breder beschikbaar zijn en tegelijkertijd de druk op grondstoffen en hulpbronnen wordt verminderd.

Om tegen 2050 een nettonuluitstoot te bereiken, zal het naast de snelle uitrol van beschikbare technologieën nodig zijn om nieuwe technologieën op de markt te brengen die vandaag de dag een laag TRL-gehalte hebben 175 . Evenzo was het in het verleden door middel van gerichte onderzoeks- en innovatieacties mogelijk om technologieën op de markt te brengen die dertig jaar geleden slechts een laag niveau van technologische paraatheid (TRL) hadden of zelfs maar concepten waren, zoals offshore-windenergie, hernieuwbare brandstoffen en lithium-ionbatterijen voor elektrische voertuigen.

De productie van zonnebrandstof omvat een aantal antropogene en biologisch ondersteunde processen om zonne-energie rechtstreeks om te zetten in brandstoffen, chemische producten en materialen uit zonlicht, lucht (bv. CO2 en stikstof) en water. Het omvat het gebruik van lichtenergie rechtstreeks afkomstig van zonlicht, vaak kunstmatige fotosynthese genoemd, en de warmte van zonlicht om thermische processen bij hoge temperatuur te sturen 176 .

Met name foto-elektrochemische (PEC) watersplitsing is een veelbelovend traject voor de productie van waterstof op basis van zonne-energie, daar dit het potentieel biedt voor een hoge omzettingsefficiëntie bij lage bedrijfstemperaturen met behulp van kosteneffectieve dunne films en/of halfgeleidermaterialen. Met geschaalde investeringen zou PEC tegen 2040 kostenconcurrerend kunnen worden met fossiele brandstoffen en de marktintroductie ervan 177 .

4.Conclusies

De doelstellingen van de Green Deal kunnen niet worden verwezenlijkt zonder aanzienlijk meer publiek en particulier onderzoek en innovatie op het gebied van schone energietechnologieën en meer inspanningen om van de ontwikkelingsfase over te schakelen naar de marktintroductie. Dit zal niet alleen de nieuwe oplossingen bieden die nodig zijn om tegen 2050 koolstofneutraliteit te bereiken en tegelijkertijd het verlies van biodiversiteit, vervuiling en uitputting van natuurlijke hulpbronnen aan te pakken, maar ook de groei en werkgelegenheid in de schone energiesector in de EU bevorderen.

Hoewel de particuliere sector zelf de hoofdverantwoordelijkheid voor investeringen zal moeten dragen, is het de taak van de EU om de juiste regelgevings- en financiële randvoorwaarden te scheppen. Dit omvat onder meer het stimuleren van de vraag door middel van een aantal maatregelen die zijn opgenomen in het wetgevingspakket Fit-for-55. Daarnaast bieden het Fonds voor herstel en veerkracht, InvestEU en de nieuwe generatie EU-programma’s in het kader van de EU-begroting 2021-2027 een sterke stimulans om een aantal van de uitdagingen aan te pakken, door het beschikbare kapitaal voor scale-ups te verhogen, marktbelemmeringen weg te nemen en beleidshervormingen aan te sturen. Terwijl de energiesector van de EU geleidelijk koolstofvrij wordt en schone energietechnologieën worden uitgerold, moet de nadruk worden gelegd op concurrentievermogen, banen en groei.

Uit dit verslag blijkt dat de EU het voortouw blijft nemen op het gebied van onderzoek naar schone energie. De dalende trend van octrooien op het gebied van schone energie lijkt te keren, waarbij het aantal jaarlijkse aanvragen, in de EU en wereldwijd, terugkeert naar het niveau van tien jaar geleden. Op mondiaal niveau heeft de EU een groter aandeel “groene” uitvindingen op het gebied van technologieën ter beperking van de klimaatverandering in vergelijking met andere grote economieën. Met een positieve handelsbalans en een aanzienlijk marktaandeel behoudt de EU een sterke positie in de windindustrie, maar kan zij zich in meerdere andere sectoren op een kruispunt bevinden. In de PV-industrie tonen de Europese fabrikanten opnieuw belangstelling voor investeringen in de EU op basis van de nieuwste technologieën. Ook maakt de batterijenindustrie in de EU een inhaalbeweging door een combinatie van investeringen in de productie van batterijen, een toegenomen vraag naar elektrische voertuigen in combinatie met de verschuiving van de auto-industrie in de EU, en de nadruk op recycling om het grondstoffenprobleem aan te pakken. De Europese warmtepomp, hernieuwbare brandstoffen, slimme netwerken en de sector van hernieuwbare waterstof zijn goed geplaatst om te profiteren van de groeiende toekomstige vraag op basis van beleidsgestuurde expansie van relevante markten. Hun concurrentiepositie zal afhangen van hun snelheid van penetratie/ontwikkeling, de inzet van geplande investeringen/markten die klaar zijn, van een gunstig rechtskader en van de ontwikkelingen in andere sectoren (zoals de luchtvaart en het zeevervoer). De invoering van schone energie vereist ook een gedegen beoordeling van de milieueffecten van de technologieën en mitigerende maatregelen.

Er zijn ook verdere inspanningen nodig om de kloof tussen innovatie en de markt te dichten. In de EU gevestigde startende bedrijven op het gebied van klimaattechnologie lopen achter op hun tegenhangers qua schaalvergroting, waardoor het voor de EU moeilijk wordt om de klimaat- en concurrentievoordelen van EU-innovatie te benutten en veelbelovende ondernemingen naar de VS of Azië over te brengen om voldoende schaalgrootte te bereiken. Ondanks het bestaan van veel nationale en lokale ecosystemen wordt de groei belemmerd door de versnippering van de natuurlijke markt van de EU en de regelgeving. Dit leidt tot een verschillende maturiteit van de risicokapitaal-ecosystemen, waardoor ondernemers worden geconfronteerd met uitdagingen bij het opschalen van baanbrekende technologieën. De invoering van technologieën wordt ook belemmerd door problemen aan de vraagzijde, zoals vergunningen, capaciteitsverhoging en andere structurele belemmeringen, alsook door marktverstoringen als gevolg van internationale subsidies waar Europese bedrijven actief zijn. Intensievere werkzaamheden met betrekking tot Europese normen voor digitalisering, betrouwbaarheid en duurzaamheid zijn ook van cruciaal belang om de invoering van innovatieve technologieën te ondersteunen.

Naast het bevorderen van onderzoek, innovatie en de marktintroductie van schone energieoplossingen moet de EU zorgen voor betrouwbare, duurzame en onverstoorde toegang tot grondstoffen. Hulpbronnenefficiëntie, circulariteit en duurzame binnenlandse grondstoffenvoorziening zijn van essentieel belang om knelpunten te voorkomen naarmate de vraag toeneemt. Dit vergt in veel gevallen meer onderzoek en innovatie. Voor het veiligstellen van verdere segmenten van de waardeketen binnen de EU zal het financieringslandschap voor innovatie moeten worden versterkt.

De recente stijging van de energieprijzen heeft duidelijk gemaakt dat Europa zijn energieafhankelijkheid moet verminderen. De Europese Green Deal en een toenemend aandeel in schone energie zullen de weg vooruit vormen. De Europese Commissie zal de voortgang in de sector schone energie blijven volgen en haar methodologie en gegevensverzameling verder ontwikkelen in samenwerking met de lidstaten 178 en belanghebbenden, met als doel beleidsbeslissingen te kunnen ondersteunen en Europa tegen 2050 concurrerend, hulpbronnenefficiënt en koolstofneutraal te maken.

(1)      Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021.
(2)      Het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027.
(3)      In prijzen van 2018 en over een periode van zeven jaar bedraagt de EU-begroting 1 074 miljard EUR en NextGenerationEU 750 miljard EUR.
(4)      95,5 miljard EUR in de periode 2021-2027, lopende prijzen.
(5)      De wetgevingsdossiers omvatten voorstellen tot herziening van de richtlijn hernieuwbare energie (RED), de richtlijn energie-efficiëntie (EED), de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn energiebelasting (ETD), de EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU-ETS), de herziening van het derde energiepakket voor gas, de verordening inzake de verdeling van de inspanningen (ESR), de richtlijn betreffende een infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (AFID), de verordening inzake landgebruik, bosbouw en landbouw, de CO2-emissienormen voor auto’s en bestelwagens, alsook voorstellen voor een nieuwe emissiehandel voor de wegvervoers- en de bouwsector, een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM), de initiatieven ReFuelEU Luchtvaart en FuelEU Zeevaart, en een voorstel voor de oprichting van een sociaal klimaatfonds.
(6)      In dit verslag bestrijkt het schone energiesysteem drie marktsegmenten: (1) hernieuwbare energie, met inbegrip van productie, installatie en opwekking; (2) energie-efficiëntie en -beheersystemen die technologieën en activiteiten omvatten zoals slimme meters, slimme netwerken, opslag en renovatie van gebouwen; en (3) Elektrische mobiliteit, waaronder onderdelen zoals batterijen en brandstofcellen die essentieel zijn voor elektrische voertuigen en oplaadinfrastructuur.
(7)      Effectbeoordeling bij de mededeling van de Commissie “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal”, SWD(2020) 176 final. 
(8)      IEA, Net Zero by 2050. A Roadmap for the Global Energy Sector. Flagship Report, mei 2021 .
(9)      Het eerste voortgangsverslag over het concurrentievermogen inzake schone energie was COM(2020) 953 final.
(10)      Gebaseerd op de conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 28 juli 2020.
(11)      De in deel 2 van het verslag beoordeelde indicatoren zijn primaire en eindenergie-intensiteit, aandeel van hernieuwbare energiebronnen, afhankelijkheid van invoer, industriële elektriciteits- en gasprijzen, omzet van de EU-sector (schone vs. fossiele brandstoffen) in vergelijking met de rest van de economie, bruto toegevoegde waarde van de productie van hernieuwbare energie, werkgelegenheid in de EU-sector in vergelijking met de rest van de wereld, met inbegrip van genderstatistieken, en verstoringen als gevolg van COVID-19. Tenzij anders vermeld, worden de indicatoren in deel 3 van het verslag voor elke technologie en in de EU beoordeeld. Deze omvatten de geïnstalleerde capaciteit (nu en in 2050), de kosten en/of levelised cost of energy (LCoE), publieke O&I-financiering, particuliere O&I-financiering, octrooiering en het niveau van wetenschappelijke publicaties. De analyse van de waardeketen wordt beoordeeld aan de hand van de omzet, de groei van de bruto toegevoegde waarde, het aantal EU-ondernemingen in de toeleveringsketen, de werkgelegenheid in het segment van de waardeketen, de energie-intensiteit en de arbeidsproductiviteit, en de Prodcom-lijst. Ten slotte wordt de mondiale marktanalyse beoordeeld aan de hand van handelsoverwegingen, mondiale marktleiders tegenover marktleiders in de EU, en hulpbronnenefficiëntie en -afhankelijkheid voor segmenten van de waardeketen die afhankelijk zijn van kritieke grondstoffen.
(12)      In september bereikten de gemiddelde groothandelsprijzen voor elektriciteit meer dan 125 EUR per MWh, bedroegen de gasprijzen bijna 65 EUR per MWh en bedroegen de EU-ETS-emissierechten meer dan 60 EUR per ton CO2.
(13)      Steenkool heeft nog steeds een aandeel van 14 % in de EU. 
(14)    Van januari 2021 tot september 2021 is de ETS-prijs gestegen met ongeveer 30 EUR/ton CO2, wat neerkomt op een kostenstijging van ongeveer 10 EUR/MWh voor elektriciteit uit gas (uitgaande van een rendement van 50 %) en ongeveer 25 EUR/MWh voor elektriciteit uit steenkool (uitgaande van een rendement van 40 %). Dit wordt duidelijk gecompenseerd door de stijging van de gasprijs van ongeveer 45 EUR/MWh in dezelfde periode, wat neerkomt op extra elektriciteitsproductiekosten van ongeveer EUR 90/MWh.
(15)      COM(2021) 660 De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen 
(16)      COM(2021) 557 final, tabel 7, MIX scenario, blz. 133.
(17)      COM (2021) 660 final, De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen 
(18)      IEA, World Energy Outlook, 2020.
(19)      IEA, Energy Technology Perspectives 2020, Special Report on Clean Energy Innovation, 2020.
(20)      BloombergNEF, EnergyTransition Investment Trends, Tracking global investment in the low-carbon energy transition, 2021.
(21)      Agora Energiewende and Ember, The European Power Sector in 2020: Up-to-Date Analysis on the Electricity Transition, 2021.
(22)      AT, BE, CY, CZ, DE, DK, EE, EL, ES, FI, FR, HR, IE, IT, LT, LU, LV, MT, PT, RO, SI, SK.
(23)      De voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) gerapporteerde uitgaven zijn ramingen die door de Commissie worden verwerkt op basis van de traceringsinformatie over klimaatgerelateerde uitgaven die is gepubliceerd als onderdeel van de analyses van de Commissie van de herstel- en veerkrachtplannen. De gerapporteerde gegevens hebben betrekking op de 22 nationale herstel- en veerkrachtplannen die tegen 05 oktober 2021 door de Commissie zijn beoordeeld en goedgekeurd, en het bedrag zal evolueren naarmate meer plannen worden beoordeeld.
(24)

Energie-efficiëntiemaatregelen omvatten energie-efficiëntieprojecten in kmo’s of grote ondernemingen, energierenovaties in particuliere gebouwen en openbare infrastructuur en de bouw van gebouwen. Maatregelen op het gebied van schone energie hebben met name betrekking op de productie van hernieuwbare energiebronnen, energienetwerken en infrastructuur en op waterstofgerelateerde investeringen.

(25)      Figuur op: Verdeling van klimaatgerelateerde investeringen in de RRP’s van de lidstaten. Bron: Eigen voorlopige beoordeling van 22 RRP’s die door de Commissie (uiterlijk op 5 oktober) zijn goedgekeurd, Staat van de energie-unie 2021, COM(2021) 950 final.
(26)      In vergelijking met vorig jaar is CEPA1 toegevoegd om het toepassingsgebied van de in het verslag behandelde technologieën beter weer te geven. De cijfers over werkgelegenheid, bruto toegevoegde waarde en arbeidsproductiviteit in het verslag zijn aldus gebaseerd op de EGSS-codes van Eurostat voor de volgende categorieën “CREMA13A”, “CREMA13B” en “CEPA1”. “CREMA13A” omvat de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van de productie van technologieën die nodig zijn om hernieuwbare energie te produceren (“Hernieuwbare energie” — in de grafiek). CREMA13B — Verwarming/energiebesparing en -beheer omvat warmtepompen, slimme meters, energetische renovatie, isolatiematerialen en delen van slimme netwerken (“Energie-efficiëntie en -beheer” — in de grafiek). CEPA1 — Bescherming van omgevingslucht en klimaat — omvat elektrische en hybride auto’s, bussen en andere schonere en efficiëntere voertuigen en oplaadinfrastructuur die essentieel is voor de werking van elektrische voertuigen. Hieronder vallen ook onderdelen zoals batterijen, brandstofcellen en elektrische aandrijflijnen die essentieel zijn voor elektrische voertuigen (“Elektrische mobiliteit” — in de grafiek).
(27)      Schone energiesystemen omvatten CREMA13A — Productie van energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder zowel de opwekking van hernieuwbare energie als de productie van technologieën die nodig zijn voor het opwekken van hernieuwbare energie (“Hernieuwbare energie” — in de grafiek); CREMA13B — Verwarming/energiebesparing en -beheer, met inbegrip van warmtepompen, slimme meters, slimme netwerken, energetische renovatie van gebouwen en opslag (“Energie-efficiëntie en -beheer” — in de grafiek); en CEPA1 — Bescherming van omgevingslucht en klimaat, met inbegrip van elektrische voertuigen en bijbehorende onderdelen en de essentiële infrastructuur die nodig is voor de werking van elektrische voertuigen (“Elektische mobiliteit” in de grafiek).
(28)      Eurostat ’env_ac_egss2’. Schone energiesystemen omvatten CREMA13A — Productie van energie uit hernieuwbare bronnen; daaronder vallen zowel de opwekking van hernieuwbare energie als de productie van technologieën die nodig zijn voor het opwekken van hernieuwbare energie (“Hernieuwbare energie”); CREMA13B — Verwarming/energiebesparing en -beheer, met inbegrip van warmtepompen, slimme meters, slimme netwerken, energetische renovatie van gebouwen en opslag (“Energie-efficiëntie en -beheer” — in de grafiek); en CEPA1 — Bescherming van omgevingslucht en klimaat, met inbegrip van elektrische voertuigen en bijbehorende onderdelen en de essentiële infrastructuur die nodig is voor de werking van elektrische voertuigen (“Elektrische mobiliteit” in de grafiek).
(29)      Gegevens over de winning en productie van fossiele brandstoffen zijn afkomstig uit de structurele bedrijfsstatistieken van Eurostat. De volgende codes worden in aanmerking genomen: B05 (winning van steenkool en bruinkool), B06 (winning van aardolie en aardgas), B07.21 (winning van uranium- en thoriumertsen), B08.92 (winning van turf), B09.1 (ondersteunende activiteiten voor de winning van aardolie en aardgas) en C19 (vervaardiging van cokes en geraffineerde aardolieproducten).
(30)      Samengesteld jaarlijks groeipercentage.
(31)      CEDEFOP, Skills forecast: trends and challenges to 2030 (Vaardighedenprognose: trends en uitdagingen tot 2030), 2018.
(32)

  Een renovatiegolf voor Europa - groenere gebouwen, meer banen, hogere levenskwaliteit, COM(2020) 662 final.

(33)      Europese Commissie, The Pact for Skills – mobilising all partners to invest in skills (Het pact voor vaardigheden — alle partners mobiliseren om in vaardigheden te investeren), 2020. 
(34) D2.1-MATES-Baseline-Report-on-Present-Skill-Gaps.pdf (projectmates.eu)
(35)      IRENA, Renewable Energy : A Gender Perspective, 2019.
(36)      JRC op basis van Eurostat [educ_uoe_enrt03].
(37)      Hernieuwbare energiebronnen, slimme systemen, efficiënte systemen, duurzaam vervoer, CCUS (koolstofafvang, -gebruik en -opslag) en nucleaire veiligheid, COM(2015) 80 final.
(38)      JRC SETIS https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en .
(39)       https://www.iea.org/reports/world-energy-investment-2020/rd-and-technology-innovation  
(40)      Cijfers van de O&I-overheidsuitgaven voor 2020 zijn slechts voor enkele lidstaten beschikbaar. Particuliere O&I-investeringen worden geschat aan de hand van octrooien als vervangende waarde, waardoor het langer duurt voordat de gegevens beschikbaar zijn; de gegevens voor 2018 zijn voorlopig.
(41)      JRC SETIS https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en  
(42)      Aangepast uit de 2021-editie van de IEA-gegevensbank voor OO&D-budgetten voor energietechnologie.
(43)      IEA, World Energy Investment, 2021.
(44)      IEA, World Energy Investment, 2021.
(45)      De ramingen van de particuliere investeringen zijn naar boven bijgesteld als gevolg van veranderingen in de classificatie en de onderliggende gegevens.
(46)      Het gestegen totaal ten opzichte van de cijfers van vorig jaar is toe te schrijven aan de herziening van de ramingen van de particuliere investeringen.
(47)      JRC SETIS https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en .  
(48)      Aangepast uit de 2021-editie van de IEA-gegevensbank voor OO&D-budgetten voor energietechnologie.
(49)      Mission Innovation Tracking Progress http://mission-innovation.net/our-work/tracking-progress/ .
(50)      Tot deze lidstaten behoren Bulgarije, Griekenland, Kroatië, Letland, Luxemburg en Slovenië.
(51)      Met uitzondering van China, waar de lokale aanvragen blijven toenemen, zonder dat er internationale bescherming wordt aangevraagd. (Zie ook: Are Patents Indicative of Chinese Innovation? https://chinapower.csis.org/patents ).
(52)      Koolstofarme energietechnologieën in het kader van de O&I-prioriteiten van de energie-unie. Dit is de algemene trend; er waren uitzonderingen voor bepaalde technologieën (bv. batterijen) die gedurende de hele periode bleven toenemen. Hetzelfde geldt voor brede “groene” octrooiactiviteiten op het gebied van technologieën ter beperking van klimaatverandering.
(53)      Hoogwaardige octrooifamilies (uitvindingen) zijn octrooiaanvragen die bij meer dan één bureau zijn ingediend, d.w.z. uitvindingen die in meer dan één land/markt worden beschermd.
(54)      JRC118983 Grassano, N., Hernández, H., Tübke, A., Amoroso, S., Dosso, M., Georgakaki, A. en Pasimeni, F.: Het EU-scorebord voor industriële investeringen in onderzoek en ontwikkeling in 2020.
(55)      JRC SETIS https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en  
(56)      Climate tech” omvat een brede reeks sectoren die de uitdaging van het koolstofvrij maken van de wereldeconomie aanpakken, met als doel vóór 2050 een netto nuluitstoot te bereiken. Dit omvat benaderingen van lage tot negatieve koolstofuitstoot om de belangrijkste sectorale emissiebronnen op het gebied van energie, gebouwde omgeving, mobiliteit, zware industrie en voedsel- en landgebruik te verminderen; en horizontale gebieden, zoals koolstofafvang en -opslag, of een beter koolstofbeheer, bijvoorbeeld door transparantie en boekhouding.
(57)      Vandaar de opkomende term “deep green” start-ups: geavanceerde technologieën die gericht zijn op het aanpakken van milieuproblemen (bv. groene batterijproductie, elektrische vliegtuigen). Deep green staat op het snijpunt tussen climate tech en deep tech, waarbij deep tech verwijst naar bedrijven die voortbouwen op wetenschappelijke ontdekkingen op het gebied van engineering, wiskunde, natuurkunde en geneeskunde. Gekenmerkt door lange onderzoeks- en ontwikkelingscycli en onbeproefde bedrijfsmodellen.
(58)      IEA, World Energy Investment 2020.
(59)      Bellucci, A., Borisov, A., Gucciardi, G. and Zazzaro, A., The reallocation effects of COVID-19: Evidence from Venture Capital investments around The World, EUR 30494 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2020, ISBN 978-92-76- 27082-9, doi:10.2760/985244, JRC122165.
(60)      Goed voor: i) tussen 4 en 6 % van de totale risicokapitaalfinanciering volgens de uitwerking van het JRC op basis van PitchBook-gegevens en ii) PwC-gegevens op basis van Dealroom-gegevens.
(61)      Uitwerking van het JRC op basis van Pitchbook-gegevens 2021.
(62)      Uitwerking van het JRC op basis van PitchBook-gegevens 2021.
(63)      Pwc, The State of Climate Tech 2020. The next frontier for venture capital, 2020.
(64)      Pwc, The State of Climate Tech 2020. The next frontier for venture capital, 2020.
(65)      EIT InnoEnergy, Impact Report 2020.
(66)      Deep tech start-ups bouwen voort op wetenschappelijke kennis en worden gekenmerkt door lange onderzoeks- en ontwikkelingscycli en onbeproefde bedrijfsmodellen. Deep climate tech start-ups zijn bedrijven die geavanceerde technologie gebruiken om milieuproblemen aan te pakken.
(67)       The European Commission, European Investment Bank and Breakthrough Energy Ventures establish a new EUR 100 million fund to support clean energy investments (eib.org)
(68)      JRC op basis van GWEC, 2021.
(69)      JRC op basis van GWEC, 2021.
(70)      Een zogenoemde hybride offshore-installatie heeft een dubbele functie, waarbij vervoer van offshore-windenergie naar de kust (voor verbruik) wordt gecombineerd met interconnectoren. Zie overweging 66 van Verordening (EU) 2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit, en COM(2020) 741 final, blz. 14.
(71)      Beiter P., Cooperman A., Lantz E., Stehly T., Shields M., Wiser R., Telsnig T., Kitzing L., Berkhout V., Kikuchi Y. (2021) Wind power costs driven by innovation and experience with further reductions on the horizon, WIREs Energy Environ. 2021.
(72)      EC CTP-MIX.
(73)      WindEurope, 2021.
(74)      JRC op basis van de Patstat-database van het Europees Octrooibureau.
(75)      WindEurope, 2021.
(76)      WindEurope, 2021.
(77)      JRC, in opdracht van DG GROW, Europees scorebord klimaatneutraal concurrentievermogen van de industrie (CIndECS) (ontwerp, 2021). IEA-codes: 32 Windenergie 
(78)      Bij de analyse van de top 10 OEM's in termen van marktaandeel. GWEC, Global Offshore Wind Report 2020, 2020.
(79)      JRC op basis van Eurostat (Comext).
(80)      Global Wind Energy Council, Global Wind Report, 2021.
(81)      Europese Commissie, Critical Raw Materials in strategic technologies and sectors – a foresight study (Kritieke grondstoffen in strategische technologieën en sectoren – een prognosestudie), 2020.
(82)      COM(2020) 474 final. Veerkracht op het gebied van kritieke grondstoffen: de weg naar een grotere voorzieningszekerheid en duurzaamheid uitstippelen.
(83)

De windindustrie pleit voor een Europees verbod op het storten van turbinewwieken | WindEurope .

(84)      GWEC, Global Offshore Wind Report 2020, 2020.
(85)      JRC Wind manufacturer database, 2021, en WindEurope, 2020.
(86)      EG-CTP-MIX.
(87)      IEA, WEO 2020 Sustainable Development Scenario.
(88)      Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (Irena), World Energy Transitions Outlook: 1,5°C Pathway, 2019. 
(89)

  https://www.solarpowereurope.org/wp-content/uploads/2020/04/SolarPower-Europe-LUT_100-percent-Renewable-Europe_mr.pdf?cf_id=11789

(90)      JRC 2021, op basis van gegevens van het IEA.
(91)      JRC 2021, gebaseerd op EOB Patstat.
(92)      BNEF, Solar PV Trade and Manufacturing, A Deep Dive, 2021.
(93)      F. Liu en J.C.J.M. van den Berg, Energy Policy 138 (2020) 111234.
(94)      F. Liu en J.C.J.M. van den Berg, Energy Policy 138 (2020) 111234.
(95)      JRC 2021, gebaseerd op gegevens van EurObserv'ER. 
(96)      Solar Power Europe, Solar PV job market study for the European Union, 2021.
(97)      Verslag van het GCO: EU energy technology trade - https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC107048
(98)      JRC PV Snapshot 2021.
(99)      Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa, COM (2021) 350 final.
(100)      Schwanitz, V. J., Wierling, A., Zeiss, J. P., von Beck, C., Koren, I. K., Marcroft, T., [...] Dufner, S. (22 augustus 2021). The contribution of collective prosumers to the energy transition in Europe - Preliminary estimates at European and country-level from the COMETS inventory. https://doi.org/10.31235/osf.io/2ymuh.
(101)      Ibidem.
(102) Onder meer door financiële steun beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld via het cohesiebeleid
(103)      Bestaande uit de richtlijn hernieuwbare energie II en de richtlijn betreffende de elektriciteitsmarkt. Beide richtlijnen stellen de voorwaarden vast voor de lidstaten om in hun nationale omzettingen opties op te nemen voor de grensoverschrijdende totstandbrenging van energiegemeenschappen.
(104)      Industriële warmtepompen vallen niet onder dit verslag.
(105)      Databank van de Europese warmtepompvereniging (European Heat Pump Association - EHPA).
(106)      Afhankelijk van de klimaatzone, de aard van de warmtebron en de temperatuur kan de coëfficiënt lager of hoger zijn.
(107)      Energieprijzen en -kosten in Europa, COM(2020) 951 final.
(108)      JRC, op basis van gegevens van EPO Patstat, CPC-codes: Y02B 10/40, 30/12, 30/13, 30/52.
(109)      EurObserv'ER, The state of Renewable energy in Europe, 2019.
(110)      UN-COMTRADE 8415 “klimaatregelingstoestellen”.
(111)      UN-COMTRADE 841581 “machines voor de regeling van het klimaat, voorzien van een klep voor het omkeren van “omkeerbare warmtepompen”.
(112)      UN-COMTRADE 841861 “warmtepompen, andere dan klimaatregelingstoestellen bedoeld bij post 8415”.
(113)

Diepgaande analyse ter ondersteuning van de langetermijnstrategie COM(2018) 773 final.

(114)      IEA, Netto-nuluitstoot tegen 2050, mei 2021.
(115)      Een renovatiegolf voor Europa — groenere gebouwen, meer banen, hogere levenskwaliteit, COM(2020) 662 final.
(116) Avicenne Energy, EU battery demand and supply (2019-2030) in a global context, 2021.
(117)      BloombergNEF, Electric Vehicle Outlook 2021, 2021.
(118)      BloombergNEF, Electric Vehicle Outlook 2021, 2021.
(119)      IEA, Global EV outlook 2020, 2021.
(120)      Transport and Environment, CO2 targets propel Europe to 1st place in e-mobility race, 2021.
(121)

Centraal MIX scenario van de Fit-for-55-voorstellen.

(122)      EASE, EMMES 5.0 market data and forecasts electrical energy storage, 2021.
(123)      Solar Power Europe, European market outlook for residential battery storage 2020-2024, 2020.
(124)      Batteries Europe, WG on stationary integration, 2021.
(125)      IP/21/226: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/IP_21_226 .  
(126)      Aperio Intelligence Ltd. — in opdracht van Eurobattery Minerals, Critical materials and e-mobility, 2021.
(127)      Europese Commissie, Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf https://ec.europa.eu/growth/sectors/raw-materials/specific-interest/critical_en  
(128)

Europese Commissie, Study on the resilience of critical supply chains for energy security and clean energy transition during and after the COVID-19 crisis (Studie over de veerkracht van kritieke toeleveringsketens voor energiezekerheid en de overgang naar schone energie tijdens en na de COVID-19-crisis), 8 oktober 2021.

(129)      IP/21/1142: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/speech_21_1142  
(130)      EBA 250.
(131)

EBA250; US Department of Energy, National blueprint for lithium batteries 2021-2030, 2021.

(132)      Decisive Market Insights, Lithium battery manufacturing equipment market report, 2021.
(133)      EBA250.
(134)      COM(2020) 798/3 final.
(135)      IP/21/1142: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/speech_21_1142  
(136)      Marian Willuhn, National lithium-ion battery supply chains ranked, PV Magazine, 16 september 2020.
(137)      Avicenne Energy, EU battery demand and supply (2019-2030) in a global context, 2021.
(138)      Fraunhofer ISI, Li-ion Battery cell production capacity to be built up, april 2021; Benchmark Minerals, Li-ion battery cell capacity by region, 2021.
(139)      Eurostat, 2021. Opgevraagde gegevens: https://ec.europa.eu/eurostat/web/products-eurostat-news/-/ddn-20210524-1  
(140)      ACEA, Medium and heavy busses (over 3.5t) new registrations by fuel type in the EU, 2020.
(141)       https://insideevs.com/news/481987/ev-buses-sales-2020-china-byd-yutong/
(142)      Waarnemingspost voor brandstofcellen: https://www.fchobservatory.eu/observatory/technology-and-market/hydrogen-demand  
(143)      Bovendien is naar schatting 2 %-4 % afkomstig van chloor-alkali-elektrolyse.
(144)      Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa, COM(2020) 301 final.
(145)      Een schone planeet voor iedereen. Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie, COM(2018) 773 final.
(146)      Kanellopoulos, K., Blanco Reano, H., The potential role of H2 production in a sustainable future power system — An analysis with METIS of a decarbonised system powered by renewables in 2050, EUR 29695 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2019, ISBN 978-92-76-00820-0, doi:10.2760/540707, JRC115958.
(147)      JRC op basis van Europees Octrooibureau, gegevens van het EOB Patstat, 2020 en https://iea.blob.core.windows.net/assets/b327e6b8-9e5e-451d-b6f4-cbba6b1d90d8/Patents_and_the_energy_transition.pdf  
(148)      A. Buttler, H. Splietho, Renewable and Sustainable Energy Reviews 82 (2018) 2440–2454 bijgewerkt met IRENA Green Hydrogen Cost Reduction, 2020.
(149)       CRMs_for_Strategic_Technologies_and_Sectors_in_the_EU_2020.pdf (europa.eu) .
(150)       Connecting the dots: Distribution grid investment to power the energy transition - Eurelectric – Powering People
(151)      ESMIG, op basis van cijfers uit het Berg Insight Report, juni 2020.
(152)      Delta-EE, Accelerating the Energy transition with Home Energy Management, New Energy Whitepaper, februari 2020.
(153)      Guidehouse Insights, Asset Study on Digital Technologies and Use Cases in the Energy Sector, 2020.
(154)      Internationaal Energieagentschap (IEA), Global EV Outlook 2021, Accelerating ambitions despite the pandemic, 2021.
(155)      Alexander Krug, Thomas Knoblinger, Florian Saeftel: Electric vehicle charging in Europe, Arthur D. Little Global, website publicatie, januari 2021, www.adlittle.com/en/insights/viewpoints/electric-vehicle-charging-europe
(156)      Guidehouse Insights, Asset Study on Digital Technologies and Use Cases in the Energy Sector, 2020.
(157)      Zie het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie voor nadere gegevens.
(158)      Brandstoffen die zijn afgeleid van in bijlage IX bij Richtlijn (EU) 2018/2001 opgenomen organisch materiaal. De huidige geïnstalleerde capaciteit van geavanceerde biobrandstoffen in de EU bedraagt 0,36 Mt/j, voornamelijk uit cellulose-ethanol, koolwaterstofbrandstoffen uit suikers en pyrolyse-olie. Nog eens 0,15 Mt/j is in aanbouw en er is nog eens 1,7 Mt/j gepland, waarvan ongeveer de helft afkomstig is van vergassing van biomassa. De elektriciteit-naar-gas- en vloeistofcapaciteit in de EU is momenteel zeer beperkt en bedraagt slechts 0,315 kiloton per jaar.
(159)      Brandstoffen op basis van hernieuwbare energie, overeenkomstig artikel 2, lid 36, van Richtlijn (EU) 2018/2001.
(160)      Irena (2021), Reaching Zero with Renewables: Biojet fuels, Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie.
(161)      Effectbeoordelingsverslag — SWD(2021) 633, blz. 38.
(162)      Gebaseerd op gegevens uit de interne database van Flightpath 2020.
(163)      Effectbeoordelingsverslag — SWD(2021) 635, blz. 53.
(164)      Afhankelijk van de kosten van kerosine voor straalmotoren en de grondstof die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare brandstoffen.
(165)      De na 2014 gerapporteerde gegevens hangen af van de wijze waarop de financiering wordt verdeeld tussen biobrandstoffen en andere bio-energietechnologieën en de verfijning ontbreekt om onderscheid te maken tussen conventionele en geavanceerde biobrandstoffen.
(166) Gegevens uit de database van door de EU gefinancierde onderzoeks- en innovatieprojecten van de Europese Commissie https://cordis.europa.eu/projects/en
(167)      JRC SETIS 2021.
(168)      Gegevens over onderzoek en innovatie van het JRC SETIS: https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en
(169)      Gegevens uit de Irena-databank voor banen: https://irena.org/Statistics/View-Data-by-Topic/Benefits/Renewable-Energy-Employment-by-Country
(170)      Op basis van de verwachte productie en werkgelegenheid in de sector van hernieuwbare brandstoffen in het effectbeoordelingsverslag — SWD(2021) 633 en het effectbeoordelingsverslag — SWD(2021) 635.
(171)      Met name: COM(2021) 562 final, COM(2021) 561 final en COM(2021) 557 final.
(172)      De EU is momenteel wereldleider op het gebied van de productie van conventionele biobrandstoffen met een nettohandelsbalans van ongeveer 4 miljoen EUR.
(173)      D.w.z. de in 2016 goedgekeurde federale strategie inzake alternatieve vliegtuigbrandstoffen en de lopende werkzaamheden met betrekking tot het initiatief inzake alternatieve brandstoffen voor de commerciële luchtvaart (CAAFI).
(174)      Inclusief geplande capaciteit tegen 2025. Gegevens verzameld uit de interne database van Flightpath 2020.
(175)      IEA, Net-zero by 2050- a roadmap for the global energy sector, 2021.
(176)      Mission Innovation, Innovation Challenge 5: Converting Sunlight into Solar Fuels and Chemicals Roadmap 2020–2050, 2021.
(177)      Artifical Photosynthesis: Potential and Reality, EUR 27987 EN.
(178)      Onder meer via de komende uitvoeringshandeling van de governance-verordening.
Top