EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021DC0950

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Stand van de energie-unie 2021 – Bijdragen aan de Europese Green Deal en het herstel van de Unie (overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie)

COM/2021/950 final

Brussel, 26.10.2021

COM(2021) 950 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S






Stand van de energie-unie 2021 – Bijdragen aan de Europese Green Deal en het herstel van de Unie













(overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie)









{COM(2021) 952 final} - {COM(2021) 960 final} - {COM(2021) 961 final} - {COM(2021) 962 final} - {SWD(2021) 298 final} - {SWD(2021) 307 final} - {SWD(2021) 308 final}


1.Inleiding en accenten

Met het verslag over de stand van de energie-unie wordt elk jaar 1  de balans opgemaakt van de veranderingen en van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het energie- en klimaatbeleid van de Europese Unie (EU), onder meer met betrekking tot de vijf pijlers van de energie-unie, op weg naar klimaatneutraliteit in 2050.

Dit jaar is het eerste jaar van een decennium dat algemeen als beslissend wordt beschouwd voor de strijd tegen klimaatverandering, verlies van biodiversiteit en vervuiling, als gevolg van de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen. Dit jaar vormt ook een belangrijke overgang van de COVID-19-crisis naar een periode van economisch herstel, en luidt het begin in van de vastberaden uitvoering van de eerder uitgewerkte Europese Green Deal en de begeleidende strategieën.

In het verslag over de stand van de energie-unie van dit jaar wordt dus de balans opgemaakt van de intensieve werkzaamheden die de Commissie samen met de andere Europese instellingen, de lidstaten en haar internationale partners heeft verricht om als EU een antwoord te bieden op de dubbele uitdaging van een snel en duurzaam herstel van de effecten van de COVID-19-crisis en de klimaatverandering 2 . Investeren in de omvorming van het energiesysteem is een deel van de oplossing op weg naar klimaatneutraliteit en een antwoord op de gevolgen van de COVID-19-crisis. 

Het verslag van dit jaar wordt ook gepubliceerd tegen de achtergrond van een sterke stijging van de gas- en elektriciteitsprijzen in de Europese Unie en in vele andere gebieden in de wereld. Deze prijsstijgingen, die hoofdzakelijk te wijten zijn aan de stijgende vraag naar gas in de wereld naarmate het economisch herstel zich doorzet zonder dat daar een groter aanbod tegenover staat, zijn een bron van grote zorg voor burgers, bedrijven, de Europese instellingen en regeringen in de hele EU. Om de negatieve gevolgen voor huishoudens en bedrijven te helpen beperken en hen te ondersteunen, schetst de recente mededeling van de Commissie “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” 3 een toolbox met maatregelen op korte en langere termijn. Deze maatregelen zijn erop gericht een snelle, gecoördineerde aanpak mogelijk te maken om degenen die het meeste risico lopen te beschermen zonder de Europese interne energiemarkt te versnipperen of investeringen in de energiesector en de groene transitie in gevaar te brengen. Op de middellange termijn moet de voorgestelde beleidsrespons erop gericht zijn de EU efficiënter te maken wat het gebruik van energie betreft, minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en beter bestand tegen pieken in de energieprijzen, terwijl er tegelijk betaalbare en schone energie wordt geleverd aan de eindgebruikers. De bevindingen van dit verslag dragen bij tot de discussie over de wijze waarop de energie-unie hier het best toe kan bijdragen.

Ten slotte wordt het verslag ook gepubliceerd aan de vooravond van de 26e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 26) in Glasgow. Deze conferentie vindt plaats in een jaar waarin veel regio’s te lijden hadden onder extreme weersomstandigheden. De Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) 4 heeft gewezen op het toegenomen risico van dergelijke gebeurtenissen in de toekomst en heeft de klimaatverandering duidelijk toegeschreven aan menselijke activiteiten. Zoals blijkt uit de “World Energy Outlook 2021” 5 van het Internationaal Energieagentschap (IEA), vergt de bestrijding van de klimaatverandering dringende maatregelen in het lopende decennium en een grondige transformatie van de consumptie- en productiepatronen, met name de wijze waarop energie wordt geproduceerd, vervoerd en verbruikt 6 . In deze mededeling wordt de stand van zaken met betrekking tot deze transformatie geschetst en wordt aangegeven op welke gebieden in de toekomst actie moet worden ondernomen en meer inspanningen moeten worden geleverd. Onderling samenhangende begeleidende verslagen maken een diepere analyse mogelijk van het volgende:

-Energiesubsidies in de EU (bijlage bij deze mededeling);

-Voortgangsverslag 2021 over klimaatactie in de EU 7 ;

-Vooruitgang op het gebied van het concurrentievermogen van schone energietechnologieën 8 ;

-Verslag over brandstofkwaliteit 9 ; en

-Verslag over de werking van de koolstofmarkt (regeling voor de handel in emissierechten) 10 .

Belangrijkste bevindingen over de stand van de energie-unie

·In 2020 is de uitstoot van broeikasgassen (BKG) in de EU (met inbegrip van de internationale luchtvaart) met 31 % gedaald ten opzichte van 1990, als gevolg van het effect van de pandemie op het energieverbruik, maar ook door de aanhoudende trend van decarbonisatie.

·In 2020 hebben hernieuwbare energiebronnen voor het eerst fossiele brandstoffen ingehaald als de belangrijkste energiebron in de EU (in de EU komt 38 % van de energie uit elektriciteit, 37 % uit fossiele brandstoffen en 25 % uit kernenergie). Het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de totale energiemix van de EU zal naar verwachting ten minste 22 % hebben bereikt, hoewel sommige lidstaten het risico lopen hun nationale bindende streefcijfer niet te halen.

·Uit de meest recente beschikbare gegevens blijkt dat het primaire energieverbruik in de EU in 2019 met 1,9 % en het eindverbruik van energie met 0,6 % zijn gedaald ten opzichte van 2018.

·De netto-afhankelijkheid van de EU van ingevoerde energie bedroeg 60,6 % in 2019, vergeleken met 58,2 % in 2018 en 56 % in 2000 het hoogste niveau in de afgelopen 30 jaar.

·Hoewel de subsidies voor fossiele brandstoffen in 2020 licht zijn gedaald (van 56 miljard EUR in 2019 naar 52 miljard EUR), was dit te wijten aan het dalende verbruik ten gevolge van de COVID-19-gerelateerde beperkingen. Als de lidstaten geen maatregelen nemen, zullen de subsidies voor fossiele brandstoffen waarschijnlijk weer stijgen naarmate de economie aantrekt.

·Tot dusver hebben negen lidstaten steenkool afgebouwd, hebben 13 lidstaten nationale toezeggingen gedaan om dit tegen een bepaalde datum te doen, overwegen vier lidstaten mogelijke data voor afbouw en is slechts één lidstaat nog niet begonnen met nationale besprekingen over afbouw.

·De energieprijzen fluctueerden hevig door de economische recessie als gevolg van de COVID-19-crisis en begonnen zich vervolgens te herstellen. Als gevolg van de lagere brandstofprijzen, een matige vraag en een snelgroeiende productie van hernieuwbare energie, zijn de groothandelsprijzen voor energie in 2019 fors gedaald. In 2020 kwamen wijdverspreid negatieve elektriciteitsprijzen voor. Deze neerwaartse trend werd abrupt omgebogen: de groothandelsprijzen voor elektriciteit zijn op jaarbasis met 230 % gestegen, met een gematigder effect op de prijzen voor eindgebruikers tot september 2021 (gemiddeld stegen deze in de EU met 11 %) 11 . Dit was grotendeels toe te schrijven aan de stijgende gasprijzen, waarvan effect op de elektriciteitsprijs negen keer groter was dan het effect van de waargenomen stijging van de koolstofprijs in dezelfde periode 12 .

·Meer dan 98,6 % van het elektriciteitsverbruik in de EU is gekoppeld 13 . De op de aardgashubs verhandelde volumes stegen in 2019 tot een recordhoogte. Deze trend zette zich in 2020 voort.

·De overheidsuitgaven aan O&I in de lidstaten op het gebied van schone energie blijven lager dan in 2010, maar nationale en Europese herstelfinanciering die gericht is op O&I op het gebied van schone energie kan dit gedeeltelijk compenseren.

·Energiearmoede treft in 2019 tot 31 miljoen mensen in de EU 14 , met aanhoudende verschillen tussen de lidstaten en inkomensniveaus. Dit onderstreept hoe belangrijk het is de kwetsbaren te beschermen tegen de huidige prijspiek en te zorgen voor een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit.

·De meeste, zij het niet alle, trends zijn dus positief, maar blijven niettemin achter bij wat nodig is om de vereiste transformatie teweeg te brengen en de doelstellingen van de energie-unie te behalen. Een versnelling is niet alleen nodig om in 2050 een sociaal rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, maar ook om als verzekering te dienen tegen het soort prijsschokken waar de EU tegenwoordig mee te maken heeft.

·De goedkeuring van de Europese klimaatwet 15 en van het door de Commissie medio 2021 voorgestelde pakket “Werk maken van de Europese Green Deal 16 vormden twee belangrijke stappen in de richting van de invoering van een geloofwaardig kader om het bovenstaande te waarborgen.

·De herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten zullen naar verwachting een impuls van ten minste 177 miljard EUR geven aan klimaatgerelateerde investeringen 17 en de nodige hervormingen bevorderen om de klimaat- en energietransitie te ondersteunen.

2. Werk maken van de klimaatveranderingsdoelstellingen, herstel en veerkracht

2.1.Vooruitgang bij de uitvoering van de Europese Green Deal met de nadruk op energie- en klimaatbeleid

Nadat in voorafgaande jaren een alomvattende visie op de transitie naar klimaatneutraliteit en sectorale strategieën ter ondersteuning daarvan 18 werden uitgewerkt, werd in 2021 overgegaan tot het voorstellen en uitvoeren van de daaruit voortvloeiende initiatieven. Belangrijke momenten in dit verband waren de vaststelling van de klimaatwet in juni en de presentatie van het pakket “Werk maken van de Europese Green Deal” (het zogenoemde “Klaar voor 55”-pakket) in juli 2021.

Met de vaststelling van de Europese klimaatwet is een duidelijk bindend kader bepaald om in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, waarin de in het klimaatstreefplan voor 2030 19  gepresenteerde doelstelling van een vermindering van broeikasgasemissies van ten minste 55 % volledig is opgenomen en dat gestoeld is op de nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s) van de lidstaten 20 .

Ter ondersteuning van de in de klimaatwet uitgezette koers is in het baanbrekende pakket “Werk maken van de Europese Green Deal” een reeks onderling samenhangende voorstellen voor de hele economie gepresenteerd 21 die de ambitie voor 2030 verhogen, onder meer door nieuwe streefcijfers vast te stellen voor de vermindering van broeikasgasemissies en voor hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie (hoofdstukken 3.1 en 3.2) 22 . In dat verband heeft de Commissie voorgesteld het EU-streefcijfer voor 2030 voor hernieuwbare energie te verhogen van het huidige minimum van 32 % tot ten minste 40 % van het bruto-eindverbruik van energie in de EU, en tegelijk een volledig kader voor de uitrol van hernieuwbare energie op te zetten, dat alle sectoren van de economie bestrijkt. De Commissie heeft ook voorgesteld de energie-efficiëntiedoelstellingen op EU-niveau op te trekken en bindend te maken, zodat het eindverbruik van energie tegen 2030 in totaal met 36 % en het verbruik van primaire energie met 39 % zal zijn gedaald 23 .

De inspanningen om het tempo van de renovatie van gebouwen te verhogen, zoals voorzien in de renovatiegolf -strategie 24  , kregen een impuls door verschillende ontwikkelingen. Het herstelinstrument “NextGenerationEU” voorzag in extra financiële middelen voor de renovatie van gebouwen als instrument ter ondersteuning van het economisch herstel en ter verhoging van de energie- en hulpbronnenefficiëntie. Het voorstel tot herziening van de richtlijn energie-efficiëntie 25  is erop gericht de overheidssector een leidende rol te laten spelen door de invoering van een jaarlijkse renovatieverplichting van 3 % voor overheidsgebouwen. Het voorstel volgt ook het energie-efficiëntie-eerstbeginsel 26 en herziet de primaire-energiefactor 27 . De aanstaande herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen 28 zal ook een belangrijke rol spelen bij het geschikt maken van het EU-rechtskader voor de doelstellingen van de renovatiegolf, onder meer door een gefaseerde invoering van minimumnormen voor de energieprestatie. De resultaten van de eerste medeontwerpfase van het Nieuw Europees Bauhaus (NEB)-initiatief zijn ook gepresenteerd in een mededeling van 15 september 2021 29 , waarin ook de eerste elementen van steunkader voor de uitvoering in de volgende fase op tafel worden gelegd 30 . Het NEB-initiatief heeft tot doel de Europese Green Deal op een aantrekkelijke, innovatieve en mensgerichte manier tot leven te brengen. De kernwaarden van het initiatief zijn duurzaamheid (inclusief circulariteit), esthetiek en inclusiviteit.

Om de integratie van het energiesysteem voort te zetten, biedt het voorstel tot wijziging van de richtlijn inzake hernieuwbare energiebronnen 31 een stevige route naar elektrificatie op basis van hernieuwbare energiebronnen en helpt het bij de aanpak van sectoren die moeilijk koolstofvrij te maken zijn, onder meer door gebruik van hernieuwbare waterstof. Het introduceert het streefcijfer dat nodig is om de vermindering van broeikasgasemissies in 2030 te halen. Met een nieuw streefcijfer van 40 % hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie in 2030 reikt de Europese Unie de instrumenten aan om de fundamentele transformatie van haar energiesysteem te ondersteunen. Het voorstel faciliteert ook de integratie van elektrische voertuigen (EV’s) en batterijen in het energiesysteem, en ondersteunt de verdere uitrol en integratie van stadsverwarmingssystemen.

In de in 2020 vastgestelde strategie voor offshore hernieuwbare energie wordt de ambitie geformuleerd om in 2030 ten minste 60 GW aan offshore-windenergie en 1 GW aan oceaanenergie te produceren, teneinde in 2050 een capaciteit van 300 GW aan offshore windenergie en 40 GW aan oceaanenergie te bereiken 32 , zonder negatieve gevolgen voor het milieu en om de verschillende vormen van gebruik van de zee mogelijk te maken via maritieme ruimtelijke ordening 33 . Vooruitlopend op de daaruit voortvloeiende toenemende hoeveelheid elektriciteit die in alle Europese zeebekkens zal worden geproduceerd, wordt in de strategie een nieuwe aanpak van de netwerkinfrastructuur uiteengezet. Bij de uitvoering van de strategie voor offshore hernieuwbare energie wordt vooruitgang geboekt met de identificatie van knelpunten. De werkzaamheden zullen nu worden toegespitst op schaalvergroting, waarbij ervoor wordt gezorgd dat ontwikkelaars van hernieuwbare energie de juiste marktstimulansen krijgen om windparken op te zetten, en op het ondersteunen van baanbrekende innovatie in de sector, met oproepen via Horizon Europa om innovatief onderzoek op te zetten.

In overeenstemming met de waterstofdoelstelling 34 zoals die in de waterstofstrategie 35 is vastgelegd om in 2030 40 GW aan hernieuwbare waterstofelektrolysers te leveren, heeft de Commissie voorgesteld om in de richtlijn hernieuwbare energiebronnen bindende streefcijfers op te nemen voor het gebruik van hernieuwbare waterstof in vervoer en industrie. Volgens prognoses van de industrie zal het merendeel van deze projecten naar verwachting worden uitgevoerd met behulp van hernieuwbare elektriciteit, wat in 2030 binnen de EU zal resulteren in een geraamd volume van 6,7 Mt aan hernieuwbare waterstof en 2,3 Mt aan koolstofarme waterstof. De herstel- en veerkrachtplannen zullen, op basis van de 22 plannen die tot dusver zijn goedgekeurd, bijdragen tot een verhoging van de investeringen in hernieuwbare en koolstofarme waterstof met ongeveer 9,3 miljard EUR. Het ondersteunen en stimuleren van de productie en een groter gebruik van waterstof in het vervoer is een prioriteit die tot uiting komt in het nieuwe voorstel voor “ReFuelEU Aviation and FuelEU Maritime”.

De voorgestelde herziening van de verordening betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energienetwerken (TEN-E) 36 heeft tot doel de infrastructuurplanning verder te verbeteren en de vergunningsprocedures voor interconnectieprojecten te stroomlijnen, met name in de offshoresector. De voorgestelde herziening van de richtlijn hernieuwbare energiebronnen versterkt de grensoverschrijdende samenwerking en voorziet in instrumenten om de vergunningsprocedures te versnellen. In de komende maanden zullen extra werkzaamheden moeten worden verricht om de geplande projecten van de lidstaten te ondersteunen. De door de lidstaten ingediende herstel- en veerkrachtplannen omvatten hervormingen om investeringen in hernieuwbare energiebronnen en de bijbehorende netwerkinfrastructuur te faciliteren 37 .

Bovendien herhaalt de Commissie in haar actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2021 38 dat een beter inzicht moet worden verkregen in de uitdagingen en kansen voor de Europese industrie tijdens de transitie naar een klimaatneutrale economie, en hoe het EU-beleid dit proces kan ondersteunen.

De EU-begroting voor de periode 2021–2027 zal aanzienlijke steun verlenen om de Europese Green Deal en de energietransitie in de hele EU uit te voeren. Met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds zullen respectievelijk ten minste 30 % en 37 % van de beschikbare middelen uittrekken voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU. Het mechanisme voor een rechtvaardige transitie 39 (hoofdstuk 4.3) zal 100 % van zijn steun bestemmen voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU en zal de sociaaleconomische situatie verlichten in de regio’s die het zwaarst worden getroffen door de transitie naar klimaatneutraliteit. InvestEU richt zich voornamelijk op het ondersteunen van de groene transitie met zijn beleidsvenster voor duurzame infrastructuur van 9,9 miljard EUR. De Commissie heeft de lidstaten ook ondersteund bij de ontwikkeling en uitvoering van hervormingen met het oog op de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU in 2021 via meer dan 65 projecten voor technische ondersteuning 40 .

2.2.Steun voor herstel en veerkracht om de groene transitie te versnellen

Als centrale element van NextGenerationEU 41 ondersteunt de herstel- en veerkrachtfaciliteit 42 de tweeledige groene en digitale transitie. In dit verband kan de tijdige uitvoering van de nationale herstel- en veerkrachtplannen de lidstaten helpen de ambitieuzere doelstellingen voor 2030 te halen, overeenkomstig het pakket van de Europese Green Deal 43 .

De herstel- en veerkrachtfaciliteit verplicht de lidstaten ten minste 37 % van hun totale toewijzing te besteden aan maatregelen die bijdragen tot de klimaattransitie, en ten minste 20 % aan de digitale transitie, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de nationale herstel- en veerkrachtplannen consistent zijn met de NECP’s 44 . Om negatieve gevolgen voor klimaat- en milieudoelstellingen te voorkomen, moet alle uitgaven in overeenstemming zijn met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.

Uit de analyse van de 22 herstel- en veerkrachtplannen die de Commissie vóór 5 oktober 2021 heeft goedgekeurd, 45 blijkt dat de lidstaten in kwestie van plan zijn verder te gaan dan de eis om ten minste 37 % van hun toewijzing uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan de klimaattransitie te besteden en in belangrijke mate hebben voortgebouwd op de “vlaggenschipinitiatieven” die de Commissie in verband met de groene transitie heeft voorgesteld 46 , met name de vlaggenschipinitiatieven “Versnellen”, “Renoveren” en “Opladen en bijtanken”.

De geplande gecombineerde klimaatgerelateerde investeringen bedragen ongeveer 177 miljard EUR 47 , wat neerkomt op 40 % van de in totaal 445 miljard EUR aan middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit die aan deze lidstaten zijn toegewezen. Bijna 76 miljard EUR wordt uitgetrokken voor investeringen en hervormingen in energie-efficiëntie en schone energie (afbeelding 1) 48 . Bijna alle lidstaten gebruiken de middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor investeringen in de renovatie van gebouwen en schoon vervoer, en veel lidstaten gebruiken ze voor investeringen in hernieuwbare energie.

De tot dusver goedgekeurde herstel- en veerkrachtplannen omvatten ook relevante hervormingen ter ondersteuning van de groene transitie, die zullen bijdragen tot het scheppen van een gunstig klimaat voor de klimaat- en energietransitie. Zo hebben de lidstaten in hun herstel- en veerkrachtplannen hervormingen voorgesteld om de energie-efficiëntie te verhogen door verouderde verwarmingsinstallaties geleidelijk af te bouwen of één-loketsystemen op te zetten voor de energierenovatie van gebouwen; hervormingen van de energiemarkten om de uitrol van hernieuwbare energie te faciliteren; en hervormingen om duurzame mobiliteit te stimuleren door de bevordering van intermodaliteit of fiscale stimulansen voor schone voertuigen.

Afbeelding 1: verdeling van klimaatgerelateerde investeringen in de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten.
Bron: voorlopige beoordeling van 22 door de Commissie goedgekeurde herstel- en veerkrachtplannen (tot 5 oktober 2021).

3. Energie-unie — essentieel voor een koolstofarme economie

3.1.Versnelling van decarbonisatie en herbruikbare energiebronnen

In 2020 bereikten de broeikasgasemissies 49 hun laagste niveau in 30 jaar, een daling met 31 % ten opzichte van 1990 en met 10 % ten opzichte van 2019. Wanneer rekening wordt gehouden met emissies en verwijderingen door landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw (LULUCF), resulteert dit in een nettovermindering van de broeikasgasemissies met 34 %. De belangrijkste aanjagers waren een lager energieverbruik als gevolg van de pandemie, maar ook aanhoudende trends van decarbonisatie, zoals de omschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie.

Zelfs vóór de COVID-19-crisis had de EU haar UNFCCC-doelstelling om de broeikasgasemissies in 2020 met 20 % te verminderen, ruimschoots gehaald. De prognoses die de lidstaten in 2021 hebben ingediend 50 , wijzen voor de EU op een vermindering van de netto-uitstoot van broeikasgassen met 34 % in 2030 met de bestaande maatregelen, en met 41 % met de aanvullende maatregelen, in vergelijking met de in de Europese Klimaatwet vastgelegde vermindering van de broeikasgasemissies met ten minste 55 %.

Uit het verslag over de koolstofmarkt 2021 blijkt dat de EU-regeling voor de emissiehandel (EU-ETS) er aanzienlijk toe heeft bijgedragen dat de EU haar emissiereductiedoelstelling voor 2020 heeft gehaald. Sinds de invoering van de EU-ETS in 2005 zijn de emissies in de sector elektriciteits- en warmteproductie en in de energie-intensieve industriële sectoren met ongeveer 43 % gedaald. De totale veilingopbrengsten van de EU-ETS tussen 2013 en 2020 bedragen meer dan 68 miljard EUR, waarvan een groot deel (75 %) wordt gebruikt voor klimaatactie. Om de milieu-integriteit van en de zekerheid over de EU-ETS te handhaven, heeft de Commissie een voorstel ingediend voor de herziening ervan, overeenkomstig de verhoogde emissiereductiedoelstelling voor 2030 van ten minste 55 % ten opzichte van 1990.

Stabiele en betrouwbare langetermijnstrategieën zijn essentieel voor een gecoördineerde en kosteneffectieve beweging in de richting van de langetermijndoelstelling die in de Overeenkomst van Parijs is vastgesteld. In oktober 2021 hadden 20 lidstaten 51 hun langetermijnstrategie bij de Commissie ingediend 52 . Daarvan verklaarden 13 53 duidelijk dat zij ernaar streven in 2050 of eerder 54 klimaatneutraal of koolstofneutraal te zijn 55 . De overige lidstaten streven ernaar in 2050 grotendeels klimaatneutraal te zijn 56 of verwachten een emissiereductie van 80 % tot 95 % ten opzichte van 1990. Aangezien de ontvangen nationale strategieën echter nog niet volstaan om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie collectief te verwezenlijken, worden de lidstaten aangespoord om te overwegen deze te actualiseren en waar mogelijk ambitieuzer te maken 57 .

Bovendien wordt snelle actie om de methaanemissies aan te pakken die voornamelijk afkomstig zijn van de landbouw, de energiesector en de afvalsector, duidelijk benadrukt in de strategie van de Commissie inzake methaan 58 en bevestigd door het IPCC in zijn laatste verslag over klimaatverandering 59 . Om de methaanemissies in de energiesector aan te pakken 60 , zal de Commissie, nog in 2021, een voorstel indienen om de methaanemissies te verminderen 61 .

Meer ambitie aan de dag leggen en meer werk maken van het koolstofarm maken van de economie betekent ook dat het bestaande streefcijfer voor 2020 inzake hernieuwbare energiebronnen moet worden gehaald 62 . De lidstaten moeten uiterlijk op 30 april 2022 63 gegevens verstrekken over de vraag of de doelstellingen voor 2020 inzake hernieuwbare energie zijn gehaald. Uit de meest recente beschikbare gegevens (2019, zie afbeelding 2) en bestaande externe analyses 64 blijkt dat de EU als geheel en de meeste lidstaten afzonderlijk op koers lagen om de streefcijfers te halen, mede dankzij de in de loop der jaren gedaalde prijzen voor belangrijke technologieën zoals wind- 65 en zonne-energie 66 . Sommige lidstaten, met name Frankrijk en Polen, lijken echter het risico te lopen hun nationale bindende streefcijfer niet te halen zonder gebruik te maken van bijvoorbeeld statistische overdrachten met lidstaten die een overschot aan hernieuwbare energie hebben in vergelijking met hun nationale streefcijfer. De Commissie heeft de lidstaten geholpen bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten en zal dit blijven doen.

Afbeelding 2: totaalaandeel energie uit hernieuwbare bronnen (percentage van het bruto-eindverbruik van energie, 2019). Bron: Eurostat

Er wordt ook gewerkt aan het EU-financieringsmechanisme voor hernieuwbare energie 67 , dat een extra mogelijkheid zou bieden om projecten op het gebied van hernieuwbare energie te ondersteunen en zo een groter gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de EU aan te moedigen.

De NECP-toezeggingen van de lidstaten komen overeen met een collectieve EU-capaciteit die groter is dan het huidige streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 (33,1–33,7 % boven het huidige streefcijfer van ten minste 32 % hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie in 2030). In de actualiseringen van de NECP’s krachtens de governanceverordening, die uiterlijk op 30 juni 2023 (ontwerp-actualiseringen) en 30 juni 2024 (definitieve actualiseringen) moeten worden ingediend, moeten het hogere streefcijfer en de ambitie voor 2030 tot uiting komen, in overeenstemming met de voorgestelde herziening van de richtlijn hernieuwbare energie. De Commissie zal richtsnoeren voor deze actualiseringen uitbrengen in overeenstemming met de gedane wetgevingsvoorstellen.

De totale investeringen in hernieuwbare energiebronnen zijn in de EU aanzienlijk gestegen naar 48,8 miljard EUR in 2020, ten opzicht van 32,9 miljard EUR in 2019 68 . Het beeld varieerde echter tussen de verschillende technologieën: de jaarlijkse extra capaciteit daalde van 8,4 GW naar 7,1 GW voor windenergie aan land, maar steeg van 1,5 GW naar 2,5 GW 69 voor windenergie op zee en van 16,3 GW naar 18,6 GW 70 voor zonne-energie. Om de innovatie en uitrol van hernieuwbare energiebronnen verder te ondersteunen, zal de Commissie in 2022 werken aan een EU-strategie voor zonne-energie. De werkzaamheden zullen zich toespitsen op de bestaande belemmeringen die de uitrol van de in 2030 en 2050 vereiste zonne-energiecapaciteit in de weg staan en op de voorwaarden die een dergelijke uitrol mogelijk zullen maken.

De Commissie steunt de invoering en uitrol van hernieuwbare waterstof, faciliteert de Europese Alliantie voor schone waterstof en ondersteunt de toepassing van hernieuwbare en koolstofarme waterstof via het innovatiefonds, de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming “Schone waterstof” en de lidstaten die het proces leiden inzake belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI’s).

De belangrijkste hernieuwbare energiebron blijft bio-energie, die ongeveer 60 % van alle hernieuwbare bronnen vertegenwoordigt. De huidige richtlijn hernieuwbare energie bevat duurzaamheidscriteria voor het gebruik van bio-energie. De Commissie heeft intensief met de lidstaten samengewerkt om de laatste hand te leggen aan de uitvoeringsbesluiten waarin de operationele richtsnoeren voor de lidstaten met betrekking tot de duurzaamheidscriteria voor de bosbouw worden vastgesteld. Daarnaast heeft de Commissie, in het kader van de voorspelde toename van hernieuwbare energiebronnen, een reeks maatregelen vastgesteld die erop gericht zijn bestaande mazen in de wet te dichten, duurzame kap te versterken en te zorgen voor de hoogste economische en ecologische toegevoegde waarde van houtachtige biomassa 71 .

3.2.Opschaling van de energie-efficiëntie 

Net als voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen zal de Commissie volgend jaar beoordelen of de doelstellingen voor 2020 inzake energie-efficiëntie zijn gehaald. In 2019 is het verbruik van primaire energie voor het tweede opeenvolgende jaar gedaald. Het verbruik lag 1,8 % lager dan in 2018, maar nog steeds 1,8 % boven het lineaire traject om het energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 te halen 72 . Het eindverbruik van energie is in 2019 voor het eerst in zes jaar gedaald, maar gezien de gecumuleerde achterstand was de jaarlijkse daling van 0,6 % in 2019 niet voldoende om het streefcijfer te halen: het werkelijke verbruik lag 2,3 % boven het lineaire traject naar de doelstelling voor 2020 73 .

De EU heeft haar primaire energie-intensiteit met meer dan 3 % verminderd ten opzichte van het voorgaande jaar. Aangezien de winter van 2019 warmer was dan die van 2018, was het weer een factor die het energieverbruik deed dalen, maar dat gold ook voor de overschakeling op hernieuwbare energiebronnen. De verbetering van de energie-intensiteit van het eindverbruik op jaarbasis bedroeg 2 %. In 2020 hebben de gevolgen van de COVID-19-crisis geleid tot een aanzienlijke daling van het energieverbruik, en volgens de eerste ramingen van het EMA is het verbruik laag genoeg gedaald om de streefcijfers voor zowel het primaire energieverbruik als het eindgebruik van energie te halen.

Wat de vooruitgang in de richting van de huidige streefcijfers voor 2030 betreft, lagen het primaire energieverbruik en het eindverbruik van energie in de EU 74 in 2019 respectievelijk 19,7 % en 16,3 % boven de streefniveaus voor 2030. Het tempo van de daling in 2019 in de richting van de streefcijfers voor 2030 was alleen bevredigend voor het primaire energieverbruik. Er zijn veel meer inspanningen nodig om het huidige streefcijfer voor het eindverbruik van energie te halen en de hogere ambitie te verwezenlijken die in de voorgestelde herziening van de richtlijn energie-efficiëntie is vastgesteld. Daartoe moeten de NECP’s worden geactualiseerd en naar behoren worden uitgevoerd, waarbij nieuwe maatregelen worden gepland om de collectieve ambitiekloof van de huidige NECP’s te overbruggen. De Commissie kan richtsnoeren uitbrengen voor deze actualiseringen.

Gebouwen zijn een gebied waar dergelijke maatregelen meer nodig zijn en een groter potentieel bieden. Zij zijn verantwoordelijk voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik in de EU 75  en voor 36 % van de energiegerelateerde broeikasgasemissies. Momenteel wordt ongeveer 75 % van het gebouwenbestand als energie-inefficiënt beschouwd 76 , zodat effectieve actie nodig is, waaronder de herziening van het desbetreffende regelgevingskader, met name de herziening van de richtlijn energie-efficiëntie en de in juli voorgestelde herziening van EU-regeling voor de emissiehandel 77  en het komende voorstel tot herziening van de richtlijn energieprestaties van gebouwen.

De prioriteit van energie-efficiënte renovatie van openbare en particuliere gebouwen komt ook positief tot uiting in de investeringen die zijn gepland in het kader van de 22 door de Commissie goedgekeurde herstel- en veerkrachtplannen. Volgens de analyse van de Commissie komt dit neer op een aandeel van 23 % van de totale uitgaven die bijdragen tot de klimaatdoelstellingen in deze plannen. Daarnaast moeten alle lidstaten langetermijnrenovatiestrategieën (LTRS) opstellen om de renovatie van hun nationale gebouwenbestand tot een zeer energie-efficiënt en koolstofarm gebouwenbestand in 2050 te ondersteunen. De Commissie zal alle LTRS’en eind 2021 beoordelen 78 .

De Europese energielabels hebben de consument geholpen energie-efficiëntere producten te kiezen en hebben fabrikanten aangemoedigd innovatie te bevorderen door energie-efficiëntere technologieën te gebruiken. Sinds maart 2021 gebruikt het systeem voor de beoordeling van energielabels alleen nog de classificaties A tot en met G, in plaats van de vroegere classificaties A+++ tot en met D. Voor vier productgroepen 79 is het vanaf 1 maart 2021 verplicht de aangepaste labels in te voeren, terwijl de nieuwe labels voor lampen en gloeilampen vanaf 1 september 2021 van toepassing zijn.

3.3.Verbetering van de energiezekerheid en -veiligheid

Zoals in de afgelopen maanden is gebleken, wordt de Europese economie door een blijvend grote afhankelijkheid van de invoer van fossiele brandstoffen blootgesteld aan mondiale prijsschommelingen. Om de veerkracht te verbeteren, moeten de energiezekerheid en -veiligheid worden verbeterd, terwijl fossiele brandstoffen geleidelijk moeten worden afgebouwd en meer gedecentraliseerde hernieuwbare energie moet worden geïntegreerd. De recente mededeling “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” schetst de belangrijkste stappen op middellange en lange termijn om dit te bereiken.

In 2021 werden twee grootschalige technische incidenten binnen één uur opgelost 80 , wat bewijst dat het Europese energiesysteem ondanks COVID-19 veerkrachtig is. Zij hebben ook aangetoond dat effectieve paraatheid voor mogelijke schokken een blijvende noodzaak is op het niveau van de lidstaten en de EU. Dit is bijzonder belangrijk, ook in het kader van de toegenomen nettoafhankelijkheid van ingevoerde energie, die in 2019 60,6 % bedroeg, het hoogste niveau van de afgelopen 30 jaar. Dit niveau is te verklaren door de combinatie van een lichte stijging van de vraag naar energie en een daling van de binnenlandse productie van fossiele brandstoffen en van een binnenlandse hernieuwbare capaciteit die nog steeds onvoldoende is.

De sectorale Europese coördinatiegroepen (voor elektriciteit, gas en olie) hebben in 2020 en 2021 een bijzonder belangrijke rol gespeeld bij het toezicht op de voorzieningszekerheid, bv. door de gevolgen van vertragingen bij het onderhoud van elektriciteitscentrales als gevolg van COVID-19-gerelateerde maatregelen aan te pakken en door mogelijke reacties op extreme weersomstandigheden te bespreken.

In de elektriciteitssector is de uitvoering van de verordening inzake risicoparaatheid 81 in de voorbereidende fase van een eerste reeks nationale risicoparaatheidsplannen. In deze plannen zullen de maatregelen van de lidstaten worden uiteengezet om potentiële elektriciteitscrises in onderlinge samenwerking te voorkomen, erop voorbereid te zijn en de gevolgen ervan te beperken, rekening houdend met de toenemende elektrificatie.

In het kader van de meest recente regels inzake de continuïteit van de gasvoorziening 82 hebben op twee na alle lidstaten nationale plannen opgesteld om onderbrekingen van de gasvoorziening te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken. De lidstaten hebben vooruitgang geboekt bij het sluiten van bilaterale solidariteitsregelingen om de grensoverschrijdende voorziening van kwetsbare afnemers in geval van een ernstige crisis veilig te stellen 83 . De Commissie heeft voor december 2021 een herziening gepland van de verordening gasleveringszekerheid, die de toegang tot opslagcapaciteit over de grenzen heen zou kunnen vergemakkelijken, ook voor hernieuwbare en koolstofarme gassen. Bovendien zullen de gasopslagniveaus en de goede werking van de gasmarkt ook in de aanloop naar het winterseizoen in het oog worden gehouden.

Voortdurende verbeteringen van de interconnectiviteit van elektriciteit en gas hebben ook de regionale samenwerking en de continuïteit van de voorziening op EU-, lidstaat- en regionaal niveau versterkt.

De EU is voorbereid op mogelijke tijdelijke onderbrekingen in de olievoorziening 84 .  Om de veilige exploitatie van de bestaande offshore olie- en -gasinstallaties van de EU te garanderen, hebben de Commissie en de lidstaten nauw samengewerkt om de externe noodplannen te actualiseren.

Recente incidenten, zoals de cyberaanval op de pijpleiding van Colonial Pipeline in mei 2021, hebben aangetoond wat het effect kan zijn op het energiesysteem van dreigingen voor en kwetsbaarheden van de cyberbeveiliging. De Commissie maakt intussen ook werk van een netcode 85 om de cyberbeveiliging van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen 86 te verzekeren. Zij is van plan de code eind 2022 vast te stellen.

In december 2020 heeft de Commissie, in het kader van de EU-strategie voor de veiligheidsunie 87 , twee nieuwe richtlijnen voorgesteld voor de veerkracht van kritieke entiteiten en de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen, om de veerkracht van de energiesector te verbeteren. Ook heeft zij het thematisch netwerk voor de bescherming van kritieke energie-infrastructuur, een forum voor regelmatige besprekingen tussen exploitanten en eigenaren van kritieke energie-infrastructuur, nieuw leven ingeblazen.

In een actualisering van de industriële strategie 88 in mei 2021 benadrukte de Commissie de noodzaak om de groene en digitale transitie te versnellen en tegelijk de veerkracht en de strategische capaciteiten van de EU te versterken. Industriële allianties zijn een belangrijk instrument om nauwere samenwerking en gezamenlijke actie tussen alle belanghebbende partners in sectoren van strategisch belang te vergemakkelijken. In oktober 2021 heeft de Commissie een onderzoek gepubliceerd 89 waarin potentiële knelpunten in de toeleveringsketens voor grondstoffen voor energietechnologieën in kaart worden gebracht die van cruciaal belang zijn voor de energiezekerheid en de transitie naar schone energie.

Wat de nucleaire sector betreft, werkt de Commissie nauw samen met de regelgevende instanties voor nucleaire veiligheid van de lidstaten 90 om de mogelijke gevolgen van de pandemie voor de veiligheid van kerncentrales in het oog te houden. De sector heeft door zijn gevestigde praktijk van risicobeoordeling en -beperking blijk gegeven van een goede robuustheid om dergelijke omstandigheden het hoofd te bieden. Er zijn geen negatieve gevolgen voor de veiligheid of betrouwbaarheid gemeld. Niettemin financiert de Commissie een onderzoek om na te gaan hoe de sector met de pandemie is omgegaan en hoe hij in dergelijke omstandigheden zijn veerkracht kan waarborgen.

Meer in het algemeen is, wat betreft de aanpak van potentiële risico’s in verband met extreme natuurrampen, zoals overstromingen of extreme weersomstandigheden, de robuustheid van de kerncentrales in de EU tegen externe gebeurtenissen herzien en versterkt in het kader van de stresstests die na Fukushima in samenwerking met de Commissie zijn uitgevoerd. Krachtens de richtlijn nucleaire veiligheid 91 zijn vergunninghouders, rekening houdend met de opgedane ervaring, verplicht periodieke veiligheidsbeoordelingen uit te voeren met het oog op de vaststelling van verdere verbeteringen van de veiligheid.

3.4. Versterking van de interne energiemarkt

3.4.1. Vooruitgang op de elektriciteits- en de gasmarkt

Hoewel wel werd verwacht dat de elektriciteitsprijzen zouden stijgen gezien de historische laagterecords van de groothandelsprijzen tijdens de pandemie en het aantrekken van de economie, heeft een combinatie van factoren de prijzen de afgelopen maanden tot ongekende hoogten opgedreven 92 . Dit had gevolgen voor bedrijven en consumenten, met name de kwetsbaren, in een tijd waarin veel mensen door inkomensverlies als gevolg van de pandemie kwetsbaar zijn geworden. Naast de hogere wereldwijde vraag naar gas als gevolg van het wereldwijde economische herstel, waren seizoensgebonden omstandigheden en, in veel mindere mate, de koolstofprijzen de belangrijkste drijvende krachten. Het effect van de stijging van de gasprijs voor de elektriciteitsprijs is negen keer zo groot als het effect van de stijging van de koolstofprijs 93 .

De meeste lidstaten worden getroffen door hoge gas- en elektriciteitsprijzen, maar in verschillende mate en op verschillende tijdstippen. De mate waarin groothandelsprijzen worden doorberekend in de detailhandelsprijzen verschilt ook per lidstaat, afhankelijk van de energiemix, de regelgeving en de structuur van de detailhandelsprijzen. Gemiddeld wordt ongeveer twee derde van de kleinhandelsprijs bepaald door transmissie- en distributiekosten, belastingen en heffingen; een derde door het groothandelsprijselement 94 . De snelheid waarmee de stijgingen van de groothandelsprijzen van gas zich vertalen in detailhandelsprijzen hangt ook af van de contractvoorwaarden (d.w.z. contractduur, vaste of variabele tarieven enz.)

In de recente mededeling “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” 95 schetst de Commissie hulp- en steunmaatregelen om ongewenste negatieve effecten van hogere energieprijzen op huishoudens en bedrijven, op het herstel, de eerlijkheid en de inclusiviteit ervan, en op het vertrouwen in de energietransitie aan te pakken.

 

Afbeelding 3: tariefcomponenten voor huishoudens in 2020 (in %). Bron: Eurostat.

In dit stadium zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat een alternatief marktkader dan de methode van marginale prijsstelling en de “pay as clear”-markt 96 lagere tarieven en betere stimulansen zou opleveren. In het licht van de recente volatiliteit heeft de Commissie het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) opgedragen de voor- en nadelen van de huidige opzet van de groothandelsmarkt voor elektriciteit te beoordelen, met inbegrip van het vermogen van die markt om situaties van extreme prijsvolatiliteit op de gasmarkten aan te pakken.

De in het afgelopen jaar genomen maatregelen hebben ook de werking van de interne energiemarkt verder verbeterd. De omzetting van de elektriciteitsrichtlijn 97 in nationale wetgeving voor 31 december 2020 heeft nieuwe kansen gecreëerd voor ondernemingen en consumenten om deel te nemen aan de elektriciteitsmarkten, bijvoorbeeld door hun vraag aan te passen om congestie op het net te helpen verlichten of vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen. Een dergelijke flexibiliteit aan de vraagzijde ontwikkelt zich op de Europese elektriciteitsmarkt, zij het in uiteenlopende mate. Flexibiliteit aan de vraagzijde verhoogt de flexibiliteit van het elektriciteitssysteem en draagt bij tot de kosteneffectiviteit van de elektriciteitsmarkten 98 .

Tegelijkertijd is er aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de harmonisatie van de nationale voorschriften inzake energiehandel en systeembeheer. Het meest tastbare voorbeeld is de EU-marktkoppeling, die alle lidstaten met elkaar verbindt en een gemeenschappelijk EU-handelsplatform voor elektriciteit creëert. Marktkoppeling maakt deel uit van een betaalbaar model voor de energietransitie, dat ervoor zorgt dat elektriciteit tegen de laagste kosten in de hele EU kan worden afgezet ten bate van de consument 99 . De grenzen tussen Polen, Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Hongarije zijn op 17 juni 2021 met succes opgenomen in de EU-brede koppeling. Het is de bedoeling dat in een volgende stap de laatste twee grenzen worden opgenomen in de koppeling van de eenvormige day-aheadmarkt (Roemenië–Bulgarije tegen eind oktober 2021 en Kroatië–Hongarije in maart 2022). De totale welvaartswinst van de uitbreiding van de SDAC tot alle binnengrenzen van de EU wordt geraamd op meer dan 115 miljoen EUR per jaar 100 .

Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van de eenvormige intradaykoppeling, met 22 lidstaten die vanaf 2019 gekoppeld zijn. De koppeling van Italië, Griekenland en Slowakije staat op het programma. De extra welvaartsvoordelen van een efficiënter gebruik van de intradayhandelscapaciteit in elektriciteit in heel Europa worden geraamd op meer dan 50 miljoen EUR per jaar. De voltooiing van de eenvormige intradaykoppeling is een prioriteit voor de verdere integratie van hernieuwbare energiebronnen, aangezien dit helpt om de verschillen in elektriciteitsprijzen tussen de regio’s te verkleinen.

De totstandbrenging van marktkoppeling in alle tijdskaders over de interne grenzen heen, inclusief bijna-realtime balancering, zou extra welvaartsvoordelen van meer dan 1,5 miljard EUR per jaar 101 opleveren en de behoefte aan back-upelektriciteitscentrales op fossiele brandstoffen verminderen, waardoor aanzienlijke broeikasgasemissies worden bespaard.

De volumes die op aardgashubs werden verhandeld, stegen in 2019 tot een historisch hoogtepunt. Deze trend heeft zich in 2020 voortgezet, waarbij de COVID-19-crisis de handelsactiviteit en de vraag naar gas verder heeft aangewakkerd 102 . Ondanks de dalende invoer van vloeibaar aardgas (LNG) 103 is de afname uit opslag in 2020 toegenomen. Hoewel de huidige gasopslagniveaus krap zijn, maar toereikend als er een winter komt die vergelijkbaar is met de vorige 104 , is opslag niet in alle EU-lidstaten beschikbaar en kan een meer geïntegreerde Europese aanpak de volatiliteit van de energietarieven helpen opvangen.

Een vertraagde of onvolledige tenuitvoerlegging van het bestaande acquis, met inbegrip van netwerkcodes, blijkt een belemmering te zijn voor verbeteringen op de groothandelsmarkt. De prijscorrelatie is hoog 105 tussen hubs in Noordwest-Europa en de Nederlandse Title Transfer Facility (TTF), die zich ontwikkelt tot een benchmark voor internationaal verhandeld LNG en waarin ongeveer driekwart van alle Europese gashandel is samengebracht. Het niveau van marktontwikkeling, liquiditeit en mededinging verschilt echter nog steeds in de EU. Er zijn gedurende het jaar prijsverschillen van 1 tot 3 EUR per megawattuur (MWh) of meer tussen de TTF en de noordoostelijke markten (Polen, Baltische staten en Finland) of het zuidwesten (Spanje, Italië).

3.4.2. Energie-infrastructuur voor meer decarbonisatie

Infrastructuur is essentieel om de energiemarkt goed en efficiënt te laten functioneren en meer hernieuwbare energiebronnen te integreren. De meeste lidstaten hebben het bij de governanceverordening vereiste interconnectiviteitsniveau van 15 % voor 2030, wat het vorige streefcijfer van 10 % voor 2020 verving, reeds behaald 106 . Projecten van gemeenschappelijk belang (PGB’s), belangrijke grensoverschrijdende infrastructuurprojecten die de energiesystemen van de EU-landen met elkaar verbinden, spelen een belangrijke rol bij het behalen van dit streefcijfer. Sinds het laatste verslag over de stand van de energie-unie is opdracht gegeven voor verscheidene PGB’s of zijn deze al voltooid 107 .

Tussen 2014 en 2020 is in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) meer dan 4,7 miljard EUR aan EU-financiering toegewezen aan werkzaamheden en ondersteunende onderzoeken in verband met PGB’s, wat een totale investering van 9,5 miljard EUR teweeg heeft gebracht. Twee derde van dat budget werd toegewezen aan projecten op het gebied van elektriciteit en slimme netwerken ter ondersteuning van de integratie van hernieuwbare energiebronnen in het elektriciteitssysteem 108 .

De vijfde lijst van PGB’s zal volgens de planning in november 2021 worden vastgesteld in het kader van de bestaande verordening betreffende de richtsnoeren voor de TEN-E 109 .

In december 2020 heeft de Commissie een herziening voorgesteld van de TEN-E-verordening, waarover momenteel wordt onderhandeld, om rekening te houden met de sleutelrol van energie-infrastructuur in de groene transitie. Een nieuwe aanpak van de infrastructuurplanning zal de rol van elektrificatie in de toekomstige energiemix ondersteunen, helpen de gassector koolstofvrij te maken door middel van hernieuwbare en koolstofarme gassen, waaronder waterstof, en een meer geïntegreerd energiesysteem ontwikkelen. Het voorstel sluit infrastructuur voor fossiele brandstoffen (inclusief aardgas) uit en introduceert verplichte duurzaamheidscriteria voor alle PGB’s. Het herziene kader zal tijdig in werking moeten treden vóór de selectieprocedure van de zesde EU-lijst van PGB’s.

De herziene verordening inzake de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen 110 voorziet in een nieuw venster voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie 111 , met inbegrip van nieuwe offshore drijvende windmolenparken om deze vector van hernieuwbare bronnen verder te onderzoeken. De eerste oproep tot het indienen van voorstellen voor voorbereidende haalbaarheidsstudies is op 22 september 2021 gepubliceerd voor een totaalbedrag van 1 miljoen EUR. De eerste oproep voor technische studies en werkzaamheden voor grensoverschrijdende projecten die op de speciale EU-lijst zijn geselecteerd, zal in het derde kwartaal van 2022 worden gepubliceerd voor een totaalbedrag van 100 miljoen EUR.

3.4.3. Afbouw van subsidies voor fossiele brandstoffen

De totale energiesubsidies in de EU bedroegen in 2019 176 miljard EUR. Zoals in de bijlage over energiesubsidies nader wordt toegelicht, blijkt uit recente gegevens dat ondanks de toezeggingen van de EU om de subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen, deze subsidies niet voldoende afnemen. In elf lidstaten zijn de subsidies voor fossiele brandstoffen sinds 2015 al verhoogd.

De subsidies voor fossiele brandstoffen, die ongeveer 30 % van de totale energiesubsidies uitmaken, zijn in 2020 licht gedaald naar 52 miljard EUR (ten opzichte van 56 miljard EUR in 2019), als gevolg van het lagere energieverbruik door de COVID-19-pandemie 112 . Aangezien het bbp en het energieverbruik in 2020 in een vergelijkbaar tempo zijn gedaald, is er, ondanks de internationale toezeggingen van de EU, geen duidelijke trend om de subsidies voor fossiele brandstoffen te verlagen. Naarmate de economie aantrekt en het verbruik van fossiele brandstoffen weer toeneemt, moet de EU haar inspanningen opvoeren om te voorkomen dat de subsidies weer op het niveau komen van vóór de pandemie.

De afbouw van het gebruik van steenkool in de elektriciteitsproductie is in veel lidstaten gestimuleerd door subsidies voor de sluiting van centrales.

Hernieuwbare energie ontving in totaal 78 miljard EUR aan subsidies, een stijging van 8 % sinds 2015 113 . De subsidies voor energie-efficiëntie zijn blijven stijgen, tot 16 miljard EUR in 2019 en 17 miljard EUR in 2020, een stijging met bijna 50 % sinds 2015.

Tegelijkertijd kan financiële steun aan kwetsbare huishoudens in bepaalde gevallen passend zijn. Met name in het kader van economisch herstel na de COVID-19-crisis kunnen specifieke sociale uitkeringen aan de meest kwetsbaren een geschikt middel zijn om hen op korte termijn te helpen hun energierekeningen te betalen of om verbeteringen van de energie-efficiëntie te ondersteunen, en tegelijk een doeltreffende marktwerking te waarborgen. De financiering van subsidies voor de productie van hernieuwbare energie uit andere overheidsinkomsten dan de elektriciteitsrekening kan in bepaalde lidstaten het voordeel hebben dat kwetsbare consumenten een aanzienlijk deel van hun energierekening niet hoeven te betalen.

Tegelijkertijd zal de EU-taxonomie 114  particuliere investeerders en overheidsfondsen helpen bij het identificeren van ecologisch duurzame economische activiteiten en het kanaliseren van meer financiering naar deze activiteiten, waardoor investeringen in de fossielebrandstoffencapaciteit en de bijbehorende subsidies worden verminderd.

De klimaatwet wijzigt de governanceverordening om te zorgen voor een uniformere verslaglegging in alle lidstaten over de afbouw van energiesubsidies, met name voor fossiele brandstoffen; de verslagleggingsregelingen moeten in 2022 worden vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling, die momenteel in voorbereiding is.

3.5.Onderzoek & innovatie en concurrentievermogen 

Terwijl het grootste deel van de vermindering van de CO-2-emissies tot 2030 afkomstig zal zijn van technologieën die nu al op de markt zijn, zal volgens de prognoses van het Internationaal Energieagentschap (IEA) bijna de helft van de in 2050 vereiste vermindering worden bereikt met technologieën die zich momenteel in de demonstratie- of prototypefase bevinden 115 . De EU neemt een goede positie in wat betreft haar wereldwijde marktaandeel in bepaalde segmenten van de waardeketen van schone energietechnologieën 116 , maar meer investeringen in O&I en verdere inspanningen op het gebied van technologieoverdracht zouden ervoor zorgen dat de EU de kansen grijpt die de energietransitie biedt om haar concurrentievermogen in de sector schone energie te versterken.

Uit het tweede voortgangsverslag over het concurrentievermogen 117 blijkt dat de EU in de voorhoede blijft wat betreft onderzoek op het gebied van schone energie. Op mondiaal niveau heeft zij een groter aandeel “groene” uitvindingen in technologieën om de klimaatverandering tegen te gaan dan andere grote economieën 118 .

Niettemin is het percentage overheidsinvesteringen in schone energietechnologieën die nodig zijn voor het koolstofarm maken van de economie in de EU het laagste van alle grote economieën 119 (0,027 % van het bbp in 2019). De overheidsuitgaven voor O&I op het gebied van schone energie in de lidstaten liggen nog steeds onder het niveau van 2010, maar nationale en EU-herstelfinanciering die gericht is op O&I op het gebied van schone energie kan dit gedeeltelijk compenseren. Bovendien zijn de uitgaven sinds 2016 gestegen, een teken van een gedeeltelijk herstel na de vorige economische crisis. Het langetermijneffect van COVID-19 op het innovatie-ecosysteem staat nog te bezien. In de particuliere sector in de EU daalden de totale uitgaven voor O&I op energiegebied met 7 %. Uit de mondiale overheidsuitgaven voor O&I op energiegebied bleek dat er in 2020 sprake was van een aanhoudende, zij het tragere groei. De uitgaven voor O&I op het gebied van hernieuwbare energie waren veerkrachtiger en bleven toenemen 120 .

De EU is wereldleider in de windsector, maar de concurrentie blijft hevig. In 2020 vertegenwoordigde de Europese offshore-windenergiemarkt 71 % (24,8 GW) van de wereldmarkt in termen van cumulatieve geïnstalleerde capaciteit. Het totale marktaandeel van de lidstaten bedraagt ongeveer 42 % (14,6 GW). De omvang van de thuismarkt is in dit verband van cruciaal belang. Op het gebied van zonnepanelen is het handelstekort van de EU in 2019 toegenomen tot meer dan 5,7 miljard EUR en de EU heeft een verhoudingsgewijs klein marktaandeel in de productie van zonnecellen en -panelen. De EU behoudt echter een leidende positie in andere delen van de waardeketen, waaronder onderzoek en ontwikkeling, met name op het gebied van productprestaties, duurzaamheid en circulariteit.

De EU bevindt zich op een kruispunt voor verschillende technologieën die een marktuitbreiding verwachten. De sectoren warmtepompen, hernieuwbare brandstoffen, slimme netwerken en hernieuwbare waterstof zijn goed geplaatst om te profiteren van de groeiende toekomstige vraag als gevolg van de beleidsgestuurde uitbreiding van de relevante markten. Tegelijkertijd maakt de Europese batterijenindustrie een inhaalweging door een combinatie van investeringen in de productie van batterijen, de toegenomen vraag naar elektrische voertuigen, de verschuiving van de auto-industrie in de EU en een focus op circulariteit om de grondstoffenproblematiek aan te pakken, mede ingegeven door de batterijenrichtlijn 121 .

4. Bredere voordelen in het perspectief van de Europese Green Deal

4.1. Duurzaamheid, economische groei en werkgelegenheid

4.1.1. Luchtkwaliteit en andere gevolgen voor het milieu

Het streven naar het verder koolstofvrij maken van de Europese economie heeft niet alleen positieve gevolgen voor het klimaat, maar ook voor andere milieuaspecten. De luchtverontreiniging wordt met name teruggedrongen door een grotere energie-efficiëntie, de vervanging van fossiele brandstoffen en de ontwikkeling van niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen (zoals wind- en zonne-energie) of de overschakeling op schonere vervoerswijzen die tot minder luchtverontreiniging leiden 122 . Dit zal ons helpen het streefcijfer te halen van het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te dringen 123 , namelijk om de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging (uitgedrukt in het aantal vroegtijdige sterfgevallen) in de EU in 2030 met meer dan 55 % te verminderen ten opzichte van 2005.

In 2019 124 was luchtverontreiniging nog steeds verantwoordelijk voor ongeveer 400 000 vroegtijdige sterfgevallen in de EU, waarbij regionale verschillen vaak het gevolg zijn van energieverbruikspatronen, zoals het gebruik van steenkool of biomassa voor de verwarming van woningen. Het gezondheidseffect van luchtverontreiniging volgt hetzelfde regionale patroon als dat van de blootstelling aan luchtverontreiniging door fijnstof, waarbij in 2018 in een aantal EU-lidstaten, voornamelijk Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Griekenland, Italië, Polen en Roemenië, de hoogste waarden voor blootstelling door de bevolking te zien waren 125 .

Potentiële wisselwerkingen tussen de transitie naar een koolstofvrij energiesysteem en de vermindering van luchtverontreiniging moeten worden onderzocht. Zo moet bijvoorbeeld een toename van het gebruik van bio-energie in apparaten zonder adequate emissiereductietechnologie worden vermeden. Het is belangrijk de ontwikkelingen op dit gebied te volgen nu de Wereldgezondheidsorganisatie in september 2021 bijgewerkte richtsnoeren voor de luchtkwaliteit heeft aangenomen, die als basis zullen dienen voor de komende herziening van de richtlijn luchtkwaliteit 126 .

Parallel daaraan wordt de uitrol van hernieuwbare energie ook gestuurd door de Europese milieuwetgeving, onder meer waar deze verder wordt ontwikkeld in het kader van de Europese Green Deal.

4.1.2. Werkgelegenheid en groei

De bruto toegevoegde waarde van de sector schone energie is sinds 2010 met gemiddeld 5 % per jaar gegroeid en bedroeg 133 miljard EUR in 2018 127 . De activiteiten op het gebied van energie-efficiëntie lieten in dezelfde periode een bijzonder sterke gemiddelde jaarlijkse groei van 9 % zien, terwijl die van de productie van hernieuwbare energie gemiddeld 2 % bedroeg. Beide zijn sterker gegroeid dan de rest van de economie.

De meest recente beschikbare gegevens dateren van vóór de COVID-19-crisis en wijzen erop dat de verminderde energie-intensiteit tekenen vertoonde van een ontkoppeling van de economische groei en het energieverbruik 128 . Het energieverbruik is echter niet in absolute termen gedaald 129 .

Uit de laatste beschikbare gegevens van vóór de COVID-19-crisis blijkt dat de directe werkgelegenheid in de sector schone energie in 2018 goed was voor 1,7 miljoen voltijdse banen 130 , met een gemiddelde jaarlijkse groei van 2 % 131 , het dubbele van het percentage in de algemene economie (1 %) in de periode 2010–2018.

De snelle opkomst van innovaties op het gebied van schone energie vereist omscholing en bijscholing op alle vaardigheidsniveaus om technologieën en oplossingen in de hele EU verder te ontwikkelen en uit te rollen. De vraag naar een breed scala van beroepscategorieën die relevant zijn voor de transitie naar schone energie zal naar verwachting toenemen in de periode tot 2030 132 . Het Europees pact voor vaardigheden 133 ondersteunt dit proces door partnerschappen aan te gaan met industriële ecosystemen zoals de bouw en energie-intensieve industrieën.

Verwacht wordt dat hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie in de toekomst voor nieuwe banen in de EU zullen zorgen in verband met de energietransitie. Wind- en zonne-energie (de installatie en productie van panelen) zijn belangrijke aanjagers voor werkgelegenheid. Verwacht wordt dat de windenergiesector tot 2050 meer dan 420 000 nieuwe voltijdse banen zal opleveren en de zonne-energiesector tot 140 000 voltijdse banen 134 , 135 .

Aan de vraagzijde worden groene banen voornamelijk gecreëerd in de bouwsector, vooral met betrekking tot de renovatie van gebouwen, waar naar schatting 13 tot 28 banen per miljoen geïnvesteerde euro in de EU worden gecreëerd 136 . Bepaalde maatregelen in de nationale herstel- en veerkrachtplannen, zoals prioriteit geven aan renovatie om de energie- en hulpbronnenprestaties van gebouwen te verbeteren, zijn een goed voorbeeld van correlaties tussen economische stimulans en de transitie naar schone energie. Renovatiewerkzaamheden zijn arbeidsintensief, scheppen banen en genereren investeringen, zijn vaak verankerd in lokale toeleveringsketens, genereren vraag naar zeer energie- en hulpbronnenefficiënte apparatuur, en voegen op lange termijn waarde toe aan eigendommen 137 . Het banenverlies zal zich naar verwachting vooral voordoen in de steenkoolindustrie, de machinebouw en de sector conventionele transportmiddelen.

Vooruitblikkend zullen de verhoogde klimaat- en energiedoelstellingen leiden tot nieuwe investeringsbehoeften. In de komende tien jaar zal gemiddeld 390 miljard EUR per jaar extra moeten worden geïnvesteerd in vergelijking met de gemiddelde jaarlijkse investeringsbedragen van de afgelopen tien jaar. Meer bepaald betekent de verwezenlijking van de verhoogde klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 een toename met ongeveer 100 miljard EUR per jaar ten opzichte van de geraamde investeringsbehoeften voor de uitvoering van de NECP’s 138 .

4.2.Prioriteit voor de keuze van de consument

Proactieve consumenten en betrokken prosumenten zullen een sleutelrol spelen bij de transitie naar een op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd en meer geïntegreerd energiesysteem. Dergelijke prosumenten zijn beter beschermd tegen prijsschommelingen. Tegelijkertijd zal steun voor kwetsbare consumenten en ondernemingen belangrijk blijven in een situatie met hoge energieprijzen en potentiële kwetsbaarheden in de periode na de COVID-19-crisis.

Het voor december 2021 geplande pakket voor het koolstofarm maken van de waterstof- en gasmarkten zal betrekking hebben op de voorzieningen voor consumenten, ook voor gasmarkten. Om consumenten in staat te stellen actief aan de markt deel te nemen, zal de Commissie zich ook concentreren op de tenuitvoerlegging van bestaande wetgeving die de keuzevrijheid van de consument en actieve participatie bevordert. Zo weerspiegelen de richtlijn hernieuwbare energie en de elektriciteitsrichtlijn het groeiende belang van zelfverbruikers van hernieuwbare energie (prosumenten) en actieve consumenten. Dit juridisch kader opent de mogelijkheid tot samenwerking tussen distributienetbeheerders en gemeenschappen voor hernieuwbare energie en energiegemeenschappen van burgers. Om de rol van de consument verder te versterken, analyseert 139 de Commissie de mogelijkheden voor de invoering van een groen label voor de hele EU, teneinde het gebruik van hernieuwbare energie uit nieuwe installaties te bevorderen 140 .

Momenteel zijn ten minste 2 miljoen mensen in de EU betrokken bij meer dan 7700 energiegemeenschappen 141 . Energiegemeenschappen hebben tot 7 % van de nationaal geïnstalleerde capaciteit bijgedragen, met een geschatte totale hernieuwbare capaciteit van ten minste 6,3 GW. Volgens een voorzichtige raming hebben zij in totaal ten minste 2,6 miljard EUR 142 geïnvesteerd. In het najaar van 2021 zal de Commissie een register van energiegemeenschappen en een advieshub voor energiegemeenschappen op het platteland opzetten om de ontwikkeling van energiegemeenschappen voor burgers en voor hernieuwbare energie verder te vergemakkelijken.  

Oplossingen voor slimme energienetwerken, met name functionele slimme meters en naadloze op elkaar aansluitende gegevensstromen met passende gegevensbescherming, zijn essentieel om consumenten een sterkere rol te laten spelen. De Commissie werkt aan transparante en niet-discriminerende regels voor de toegang tot gegevens en aan een actieplan voor de digitalisering van energie.

4.3.Bescherming van de kwetsbaarsten

Energiearmoede blijft de sociale inclusie ondermijnen, alsook het vermogen van mensen om actief deel te nemen aan en te profiteren van de transitie naar groene energie. Dit wordt ook erkend in de Europese pijler van sociale rechten 143 , die energiediensten rekent tot de essentiële diensten waartoe iedereen toegang moet hebben, waarin wordt opgeroepen tot steunmaatregelen voor degenen die in nood verkeren. In 2019 werden 31 miljoen mensen in de Europese Unie getroffen door energiearmoede, waaronder een aanzienlijk deel van de huishoudens met een laag inkomen, maar ook van de huishoudens met een middeninkomen, met aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten. Om deze situatie te bestrijden, is het pakket “Werk maken van de Europese Green Deal” ontworpen om de potentiële verdelingseffecten en negatieve sociale effecten van de omvorming van het energiesysteem te verminderen.

Bovendien zijn de steunmaatregelen die zijn voorgesteld in de recente mededeling “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” een weerspiegeling van het feit dat de energiearmen en de huishoudens met een laag of gemiddeld inkomen het meest worden getroffen door de huidige prijsstijgingen, omdat zij een aanzienlijk groter deel van hun inkomen aan energie kwijt zijn.

In het kader van de hogere energietarieven zal de Commissie blijven nagaan hoe de EU-wetgeving inzake energiearmoede in de lidstaten zal worden toegepast en hoe energiearmoede zich ontwikkelt. Voortbouwend op de aanbevelingen inzake energiearmoede 144  van vorig jaar zal de Commissie oproepen tot nauwere samenwerking met de relevante bevoegde autoriteiten door de oprichting van een coördinatiegroep voor energiearmoede en kwetsbare consumenten. Dit zal de lidstaten in staat stellen beste praktijken uit te wisselen en gecoördineerde inspanningen te leveren, zodat elke analyse op basis van indicatoren op EU- of nationaal niveau kan worden aangevuld met bijpassend EU-beleid, zoals energie-efficiëntie en de renovatiegolf. Het initiatief voor betaalbare huisvesting, een belangrijk onderdeel van de “renovatiegolf”-strategie, heeft tot doel in de komende jaren 100 wijken in de hele EU nieuw leven in te blazen als “gidsprojecten”. De start van deze renovatieprojecten staat gepland voor het vierde kwartaal van 2021. De Commissie heeft ook een advieshub voor energiearmoede opgericht, met als doel het centrum van ervaring en deskundigheid op het gebied van energiearmoede in Europa te worden. Er wordt begonnen met het bieden van directe steun aan 80 individuele gemeenten bij het opschalen en op grote schaal verspreiden van specifieke oplossingen om op lokaal niveau een einde te maken aan energiearmoede.

Tegelijkertijd erkent de elektriciteitsrichtlijn het belang van de nationale stelsels van sociale zekerheid, die goed geplaatst zijn om steun te kanaliseren naar degenen die het meest worden getroffen door energiearmoede en stijgende tarieven. De lidstaten kunnen specifieke betalingen richten op degenen die het meeste risico lopen, om hen op korte termijn te helpen hun rekeningen te betalen. Een dergelijke maatregel kan ook worden aangevuld met maatregelen om afsluiting te voorkomen. Het is echter belangrijk dat dergelijke noodmaatregelen niet worden gezien als een alternatief voor het aanpakken van problemen zoals slecht geïsoleerde woningen of inefficiënte apparaten.

De Europese Green Deal legt de nadruk op het ondersteunen van regio’s, sectoren en individuen die rechtstreeks worden getroffen door de transitie naar schone energie, om een rechtvaardige transitie te waarborgen. De transitie heeft ook grote gevolgen voor regio’s die sterk afhankelijk zijn van koolstofintensieve sectoren, zoals de staal-, cement- of chemische industrie, die grote veranderingen zullen ondergaan. Daartoe werd het mechanisme voor een rechtvaardige transitie (het “JTM”) opgezet. Het omvat het Fonds voor een rechtvaardige transitie (het “JTF”), dat 19,2 miljard EUR 145 zal investeren in de gebieden die de meest negatieve sociaaleconomische gevolgen van de transitie ondervinden. De lidstaten werken nu aan hun territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, die toegang zullen geven tot de drie pijlers van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie.

Daarnaast heeft de Commissie het platform voor een rechtvaardige transitie opgezet om alle belanghebbenden te helpen bij de toegang tot en het gebruik van de middelen van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie. Dit platform bouwt voort op en breidt de steun uit voor het EU-initiatief voor steenkoolregio’s in transitie, dat steenkoolregio’s in twaalf lidstaten helpt koolstofarme transitiestrategieën te formuleren en mogelijke negatieve sociaaleconomische gevolgen aan te pakken 146 , 147 . Naar verwachting kunnen in de periode tot 2030 tot 315 000 banen worden gecreëerd door de toepassing van technologieën voor schone energieproductie; tegen 2050 kan dat aantal stijgen tot 460 000 banen; het scheppen van werkgelegenheid in verscheidene steenkoolregio’s langs het transitiepad 148 .

4.4.Aanpak van administratieve en investeringsbelemmeringen 

Als we de klimaatdoelstellingen van de EU willen halen, hebben we een geschikt kader nodig om de enorme investeringen die daarmee gepaard gaan, te bevorderen 149 . Al te ingewikkelde en langdurige administratieve vergunningsprocedures vormen een belangrijke belemmering voor de transitie naar een koolstofarm energiesysteem, met name voor de uitrol en integratie van hernieuwbare energiebronnen. Tot de belemmeringen behoren complexe structuren, een gebrek aan juridische samenhang en ontoereikende beleids- en regelgevingskaders en richtsnoeren.

Bij de richtlijn hernieuwbare energie van 2018 150 zijn bepalingen ingevoerd over de organisatie en de maximumduur van de vergunningverleningsprocedures, die betrekking hebben op alle relevante vergunningen voor de bouw, de capaciteitsverhoging en de exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie en voor de netaansluiting ervan. Ook moeten de lidstaten één enkel contactpunt opzetten om aanvragers door de hele administratieve procedure te leiden. De Commissie volgt de omzetting van de desbetreffende bepalingen van de richtlijn op de voet en gaat na of verdere maatregelen nodig zijn. Daartoe is in het in juli 2021 ingediende voorstel van de Commissie tot wijziging van de richtlijn hernieuwbare energie een herzieningsclausule opgenomen voor artikelen die betrekking hebben op administratieve procedures. De lidstaten wordt ook gevraagd een kader tot stand te brengen dat de resterende niet-financiële belemmeringen voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie aanpakt, zoals onvoldoende digitale en personele middelen bij de autoriteiten om een groeiend aantal vergunningsaanvragen te verwerken. Om de lidstaten te helpen administratieve en investeringsbelemmeringen aan te pakken, zal de Commissie in 2022 richtsnoeren publiceren over het stroomlijnen van de vergunnings- en administratieve procedures voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen, op basis van de analyse van bestaande belemmeringen en beste praktijken in de lidstaten.

5. De externe dimensie, klimaat- en energiediplomatie

De EU blijft het voorbeeld geven bij het streven naar klimaatneutraliteit in 2050. Terwijl zij haar eigen ambitieniveau verhoogt en specifieke maatregelen neemt in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, speelt zij ook een actieve rol op internationale fora. De EU en haar lidstaten leveren een aanzienlijke bijdrage aan de collectieve doelstelling van de ontwikkelde landen om 100 miljard dollar per jaar uit te trekken ter ondersteuning van klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden. Het nieuwe financieringsinstrument “Europa in de wereld” (79,5 miljard EUR voor de periode 2021–2027) zal ervoor zorgen dat ten minste 30 % van de financiering klimaatactie ondersteunt.

Al sinds begin 2021 neemt de EU het voortouw in de discussie over de energietransitie, ook op multilaterale fora zoals de VN-dialoog op hoog niveau. De EU werkt nauw samen met de G7 en de G20 om in 2050 de broeikasgasemissie tot nul terug te hebben gebracht en de internationale financiering voor de onverminderde productie en subsidiëring van steenkoolenergie af te bouwen. Bovendien zet de EU zich actief in voor een belangrijk resultaat, ook tijdens COP 26. Steeds meer partners komen met ambitieuzere plannen inzake energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en met doelstellingen voor koolstofarme of koolstofvrije economieën.

De EU, de Verenigde Staten en andere deelnemende landen zijn in september 2021 overeengekomen een collectieve doelstelling te bepalen om de methaanemissies in 2030 met ten minste 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2020. Het doel strekt zich uit over de hele economie en omvat methaanemissies van de energieproductie uit fossiele brandstoffen, namelijk de emissies vrijkomen bij de winning en het transport van olie en gas, bij landbouw en uit afval. De Global Methane Pledge (“wereldwijde methaanbelofte”) wordt gelanceerd tijdens de klimaatconferentie in Glasgow in november 151 . Bovendien steunt de Commissie het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) bij de oprichting van een onafhankelijke internationale waarnemingspost voor methaanemissies (IMEO) om te werken aan het gebrek aan mondiale gegevens en de transparantie op dit gebied, onder meer door een financiële bijdrage te leveren.

De bilaterale en regionale energiesamenwerking van de EU met internationale partners blijft gericht op een systematische ondersteuning van de transitie naar emissiearme en klimaatbestendige economieën en op het waarborgen van energiezekerheid en concurrentievermogen. De heropleving van de samenwerking tussen de EU en de VS op energiegebied en de groene alliantie EU-Japan van mei 2021 zijn voorbeelden van deze aanpak. Evenzo geeft zij prioriteit aan samenwerking op het gebied van schone energie met India (het partnerschap EU-India voor schone energie en klimaat) en China (het platform EU-China voor energiesamenwerking).

De EU heeft haar doelstellingen voor regionale samenwerking voor het meerjarig financieel kader voor de periode 2021–2027 met de naburige regio’s in het oosten, het zuiden en de westelijke Balkan uiteengezet en opgeroepen tot nieuwe gezamenlijke acties om de duurzame energiezekerheid te versterken, collectief de transitie naar een groene energie te versnellen en investeringen in schone energie te bevorderen.

De Commissie werkt intensief aan de vaststelling van het energie- en klimaatkader voor 2030, met inbegrip van de relevante doelstellingen voor 2030 voor de negen verdragsluitende partijen van de energiegemeenschap die geen lid zijn van de EU, en aan de vaststelling van een routekaart voor decarbonisatie die deze verdragsluitende partijen zal ondersteunen op weg naar klimaatneutraliteit halverwege de eeuw. Bovendien wordt er gewerkt aan de modernisering van het Verdrag inzake het Energiehandvest (“het EHV”) 152 . 

De EU-lidstaten hebben een nieuwe agenda voor het Middellandse Zeegebied goedgekeurd, die gebaseerd is op een hernieuwd partnerschap met de zuidelijke buurlanden. In juni 2021 hebben alle 42 lidstaten van de Unie voor het Middellandse Zeegebied een verklaring goedgekeurd waarin zij benadrukken zich in te zullen blijven zetten voor het uitstippelen van een route voor de transitie naar schone energie en het intensiveren van de regionale samenwerking op energiegebied.

Met de ontwikkelingslanden, met name die in Afrika bezuiden de Sahara, wordt in het kader van de samenwerking voorrang gegeven aan de toegang tot betaalbare, betrouwbare en duurzame energiebronnen en aan het stimuleren van investeringen door de particuliere sector. De EU steunt het initiatief van de Afrikaanse Unie om een Afrikaanse interne elektriciteitsmarkt (AfSEM) tot stand te brengen die een productieve transformatie mogelijk maakt en de economische ontwikkeling stimuleert, banen schept, armoede bestrijdt en de welvaart bevordert.

Het waarborgen van de nucleaire veiligheid buiten haar grenzen is ook een belangrijk aandachtspunt voor de Commissie geweest. Aan het eind van de zomer hebben technische deskundigen van de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (ENSREG) en de Commissie een intercollegiale toetsing afgerond van de uitvoering van het actieplan van Belarus voor de stresstest inzake nucleaire veiligheid. De ENSREG en de technische deskundigen van de Commissie zijn ook begonnen met de voorbereidingen voor een collegiale toetsing van de stresstest van Turkije, die gepland staat voor medio 2022. Bovendien heeft de EU aangetoond dat zij zich blijft inzetten voor de uitvoering van bijlage III bij het gezamenlijke alomvattende actieplan (JCPOA) betreffende civiele nucleaire samenwerking met Iran.

Met het oog op een wereldwijde energietransitie, waarbij de continuïteit van de energievoorziening en schone technologieën worden gewaarborgd, is de Commissie beginnen nadenken over een Europese strategie inzake externe betrokkenheid op energiegebied, die in 2022 moet worden vastgesteld. Om de energie- en klimaatdiplomatie van de EU af te stemmen op de Europese Green Deal hebben de Europese ministers van Buitenlandse Zaken de conclusies van de Raad over dit onderwerp vastgesteld 153 . De werkzaamheden van de Commissie zijn gericht op nieuwe mogelijkheden voor de invoering van een schoon energiesysteem en op de bevordering van energie-efficiëntie en veilige en duurzame technologieën, terwijl er geleidelijk wordt overgestapt van het gebruik van fossiele brandstoffen op groene energieoplossingen en een rechtvaardige transitie wordt bevorderd. Handelsbeleid en energiediplomatie zullen hand in hand moeten gaan om onverstoorde handel en investeringen in te voeren wat betreft:

I.de grondstoffen die nodig zijn voor de energietransitie in de EU;

II.de energiegoederen die nodig zijn voor de energietransitie; en

III.de technologieën waarvan zowel de EU als onze handelspartners afhankelijk zijn voor de transitie naar klimaatneutrale economieën.

6. Conclusie

Uit deze inventarisatie van de stand van de energie-unie in 2021 blijkt dat de uitvoering van het energie- en klimaatbeleid van de EU bijdraagt tot de totstandbrenging van de Europese Green Deal en tot het herstel van de gevolgen van de COVID-19-crisis. Op basis van deze analyse en van de mededeling “De stijgende energieprijzen aanpakken: een toolbox met initiatieven en steunmaatregelen” zou de Commissie de volgende zes gebieden voor verdere actie belichten.

De Commissie zal de ontwikkeling van de energieprijzen blijven volgen om ervoor te zorgen dat haar reactie op de huidige stijging van de energieprijzen evenredig blijft en gericht is op degenen die het hardst worden getroffen. 

De Commissie zal blijven werken aan de invoering van een wetgevingskader dat is afgestemd op onze aangescherpte klimaat- en energiedoelstellingen. Het gaat onder meer om de herziening van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen en initiatieven op het gebied van waterstof, het koolstofvrij maken van de gasmarkt en methaan, die later dit jaar moeten worden vastgesteld. De Commissie roept het Europees Parlement, de Raad en de raadgevende comités op vooruitgang te boeken bij de vaststelling van dit voorstel, samen met het pakket van juli, en benadrukt dat het belangrijk is de ambitie, integriteit en consistentie ervan te behouden.

Verdere publieke en private investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, met name in wind- en zonne-energie, opslag en gedecentraliseerde elektriciteitsproductie, zijn van cruciaal belang voor de transitie, om de veerkracht te vergroten en hernieuwde stijgingen van de elektriciteitsprijzen af te zwakken. De Commissie is van plan om in 2022 een EU-strategie voor zonne-energie vast te stellen, waarin de bestaande belemmeringen en de voorwaarden voor de uitrol van de tegen 2030 en 2050 vereiste zonne-energiecapaciteit aan bod komen.

De belemmeringen voor investeringen in de transitie moeten worden aangepakt, willen de bedrijven een leidende rol spelen en de EU en haar lidstaten investeringen aantrekken. Met name gestroomlijnde vergunningsprocedures zorgen voor de nodige voorspelbaarheid voor investeerders in de energiesector en daarbuiten. Het afbouwen van knelpunten in het netwerk en het snel wegnemen van belemmeringen voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen, terwijl tegelijkertijd de maatschappelijke acceptatie van hernieuwbare energie wordt gestimuleerd, kunnen de transitie verder versnellen. De Commissie is van plan om in 2022 de lidstaten richtsnoeren te geven voor gestroomlijnde administratieve en vergunningsprocedures voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen.

Er moet een einde komen aan de subsidies voor fossiele brandstoffen. Als er minder wordt uitgegeven aan subsidies voor fossiele brandstoffen en aan vervuilingsgerelateerde ziekten, zullen de nationale begrotingen meer ruimte hebben voor investeringen in innovatieve technologieën, in groene vaardigheden en in het verminderen van de mogelijke verdelingseffecten van de transitie. De Commissie is voornemens in 2022 een uitvoeringshandeling aan te nemen over de NCEP-voortgangsrapportage; dit moet bijdragen tot een meer uniforme rapportage over het afbouwen van energiesubsidies, met name voor fossiele brandstoffen.

Energiearmoede zal specifieke aandacht blijven vergen, met name in een situatie waarin hogere energietarieven huishoudens met lage en lagere middeninkomens treffen omdat zij een groter deel van hun inkomen kwijt zijn aan energie. De Commissie werkt samen met de lidstaten en de energieregulatoren om kwetsbare consumenten zo goed mogelijk te beschermen en zal regels voorstellen om de energieprestaties van het Europese gebouwenbestand te verbeteren. De Commissie ziet nauwlettend toe op de uitvoering van de bestaande wetgeving om de mondigheid en de bescherming van alle Europese consumenten te waarborgen, met speciale aandacht voor de meest kwetsbaren. Consumenten moeten actief kunnen deelnemen aan de energiemarkt en profiteren van een hoge mate van bescherming en mondigheid.

Nu het aandeel van de EU in de wereldwijde broeikasgasemissies tot 8 % is gedaald, is internationale samenwerking (in het kader van het UNFCCC, de VN-dialoog op hoog niveau over energie, de G20 en de energiegemeenschap) onontbeerlijk om doeltreffende klimaatmaatregelen te kunnen nemen en het volledige potentieel voor vermindering van broeikasgasemissies te kunnen benutten. Dit vereist een EU-strategie voor externe betrokkenheid op energiegebied, waar de Commissie momenteel aan werkt.

De dialoog met het Europees Parlement, de Raad, internationale partners en publieke en private belanghebbenden blijft van cruciaal belang, ook in 2021. Bij de voorbereidingen voor COP 26 in Glasgow wordt in deze dialoog de nadruk gelegd op de belangrijke bijdrage die het energiesysteem kan leveren aan het koolstofarm maken van de economie, zoals geschetst in deze mededeling en het voortgangsverslag over klimaatactie. Parallel aan de wetgevingswerkzaamheden betreffende de voorstellen van het eerste deel van het pakken “Werk maken van de Europese Green Deal” van juli 2021, moeten er tussen belanghebbenden uitwisselingen over uitdagingen plaatsvinden, waaronder administratieve belemmeringen, de mondigheid van de consument en de uitvoering van gerelateerde energiewetgeving.

(1)    Overeenkomstig artikel 35 van de governanceverordening, d.w.z. Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1), hierna “de governanceverordening” genoemd.
(2)    Volgens de Eurobarometer-enquête van juli 2021 beschouwen de Europese burgers de klimaatverandering als het grootste probleem waar de wereld mee te kampen heeft. Meer dan negen op de tien respondenten vinden de klimaatverandering een ernstig probleem (93 %), en bijna acht op de tien (78 %) zelfs een zeer ernstig probleem.
(3)    COM(2021) 660.
(4)    https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/
(5)    https://www.iea.org/reports/world-energy-outlook-2021
(6)    Het IEA heeft echter ook aangetoond dat ongeveer de helft van de oplossingen voor de transformatie op weg naar klimaatneutraliteit al beschikbaar zijn en dat de andere zich in een proef- of ontwikkelingsfase bevinden. (https://iea.blob.core.windows.net/assets/beceb956-0dcf-4d73-89fe-1310e3046d68/NetZeroby2050-ARoadmapfortheGlobalEnergySector_CORR.pdf.)
(7)    COM(2021) 960.
(8)    COM(2021) 952.
(9)    COM(2021) 961.
(10)    COM(2021) 962.
(11)    Dit varieert per lidstaat en is afhankelijk van de regelgeving en de opbouw van de prijzen voor eindgebruikers en de energiemix.
(12)    Bron: COM(2021) 660.
(13)    De term “marktkoppeling” verwijst naar het streven om een onderling gekoppelde (Europese) markt voor elektriciteit te vormen. Marktkoppeling is bedoeld om regelzones en marktgebieden aan elkaar te koppelen teneinde de verschillende systemen voor de handel in elektriciteit te harmoniseren en met name de prijsverschillen te verkleinen.
(14)    Het is een neerwaartse trend, aangezien energiearmoede in 2018 34 miljoen mensen trof.
(15)    Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(16)    COM(2021) 550 final, COM(2021) 551 final, COM(2021) 552 final, COM(2021) 563 final, COM(2021) 554 final, COM(2021) 555 final, COM(2021) 556 final, COM(2021) 557 final, COM(2021) 558 final, COM(2021) 563 final, COM(2021) 568 final, COM(2021) 567 final, COM(2021) 571 final. Als onderdeel van dat pakket zullen later dit jaar verdere wetgevingsvoorstellen worden vastgesteld.
(17)    De gerapporteerde uitgaven voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn ramingen die door de Commissie zijn verwerkt op basis van de informatie over het monitoren van de klimaatuitgaven die is gepubliceerd als onderdeel van de analyses van de Commissie van de herstel- en veerkrachtplannen. De gegevens in het verslag hebben betrekking op de 22 nationale herstel- en veerkrachtplannen die op 5 oktober door de Commissie waren beoordeeld en goedgekeurd, en zullen veranderen naarmate meer plannen worden beoordeeld.
(18)    Waaronder COM(2020) 299, COM(2020) 301, COM(2020) 741 en COM(2020) 662.
(19)    COM(2020) 562 final.
(20)    COM(2020) 564 final, SWD(2020) 900 tot en met 926.
(21)    Energie, industrie, vervoer, gebouwen, landbouw, bosbouw en andere sectoren.
(22)    Aan te vullen met de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen en initiatieven op het gebied van waterstof, het koolstofvrij maken van de gasmarkt en methaan.
(23)    Voor het monitoren van de voortgang op weg naar het Europese energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 worden indicatoren uit de energiebalansen van Eurostat gebruikt, overeenkomstig de methode die tot 2018 werd gebruikt (FEC 2020–2030 en PEC 2020–2030).
(24)    COM(2020) 662 final.
(25)    COM(2021) 558 final.
(26)    Het energie-efficiëntie-eerstbeginsel houdt in dat bij het uitstippelen van het energiebeleid en het nemen van relevante investeringsbeslissingen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met kostenefficiënte maatregelen voor energie-efficiëntie. Het is een verreikend leidend beginsel dat een aanvulling moet vormen op andere EU-doelstellingen, met name duurzaamheid, klimaatneutraliteit en groene groei.
(27)    Primaire-energiefactoren (PEF) zijn numerieke coëfficiënten die worden bepaald als de omgekeerde waarde van de verhouding tussen één eenheid van aan het gebouw geleverde energie en eenheden van primaire energie die daarvoor is verbruikt.
(28)    Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
(29)    COM(2021) 573 final. Hierbij werd het mogelijk gemaakt de eerste elementen van een steunkader vast te stellen, bestaande uit een eerste pakket van gerichte acties op korte termijn ter waarde van ongeveer 85 miljoen EUR voor 2021/2022. Veel andere EU-programma’s, waarin hiervoor nog geen budget is uitgetrokken, hebben het Nieuw Europees Bauhaus geïntegreerd, soms zelfs prioritair.
(30)     https://europa.eu/new-european-bauhaus/index_nl
(31)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(32)    Op basis van gegevens uit 2020 beschikt de EU over 14,6 GW aan geïnstalleerde offshore-windcapaciteit (JRC, op basis van gegevens van de GWEC, 2021). De huidige nationale streefcijfers, zoals uitgedrukt in de NECP’s, wijzen erop dat het streefcijfer voor offshore-windenergie in 2030 kan worden overschreden en dat de verwachte capaciteit voor offshore-windenergie in 2030 84 GW zal bedragen. In het nationale energie- en klimaatplan (NECP) van Malta worden noch offshore-, noch onshore-windenergie vermeld als een levensvatbare hernieuwbare technologie die bijdraagt tot de doelstellingen van Malta inzake hernieuwbare energie voor de EU-doelstelling voor 2030, ondanks het onbenutte potentieel.
(33)    Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke ordening (MRO) bevat een reeks minimumeisen voor het planningsproces en de plannen, waaronder eisen inzake raadpleging van belanghebbenden en grensoverschrijdend overleg. De lidstaten moesten hun plannen uiterlijk op 31 maart 2021 hebben vastgesteld en uiterlijk op 31 juni 2021 aan de Commissie hebben doen toekomen. De Commissie beoordeelt de verenigbaarheid van de plannen met de verplichtingen van de MRO-richtlijn, met inbegrip van de wijze waarop zij milieubescherming combineren met andere doelstellingen, zoals die in de NECP’s zijn vastgesteld. De beoordeling heeft ook betrekking op de rol en het effect van de MRO-richtlijn in een bredere maritieme beleidscontext, met name de kerndoelstellingen van de Europese Green Deal met betrekking tot biodiversiteit en offshore hernieuwbare energie. Uiterlijk in maart 2022 zal de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de uitvoering van de MRO-richtlijn.
(34)    COM(2020) 301 final.
(35)    COM(2020) 301 final.
(36)    COM(2020) 824 final.
(37)    Griekenland stelt bijvoorbeeld nieuwe speciale ruimtelijkeordeningsbepalingen vast voor hernieuwbare energiebronnen, industrie, toerisme en landbouw.
(38)    COM(2021) 350 final.
(39)    Het mechanisme voor een rechtvaardige transitie omvat het Fonds voor een rechtvaardige transitie, de regeling voor een rechtvaardige transitie in het kader van InvestEU en een leningsfaciliteit voor de overheidssector. In totaal zal het mechanisme voor een rechtvaardige transitie minstens 150 miljard EUR aan publieke en particuliere investeringen mobiliseren (2021–2027).
(40)    Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).
(41)      Het herstelinstrument NextGenerationEU (NGEU) is samen met de meerjarenbegroting voor de periode 2021–2027 het grootste stimuleringspakket dat ooit in Europa is gefinancierd, met een totale steun van 2,018 biljoen EUR in lopende prijzen (in totaal meer dan 1,8 biljoen EUR in prijzen van 2018) om te helpen bij de wederopbouw van een Europa na de COVID-19-crisis. In prijzen van 2018 en over een periode van zeven jaar bedraagt de EU-begroting 1 074 miljard EUR en die van NextGenerationEU 750 miljard EUR.
(42)      Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021).
(43)    De Commissie heeft reeds 52,4 miljard EUR aan voorfinanciering uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit uitgekeerd aan Oostenrijk, België, Kroatië, Cyprus, Tsjechië, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Portugal, Slovenië, Slowakije en Spanje; dat komt overeen met 13 % van de subsidie- en (in voorkomend geval) leningcomponent van de financiële toewijzing van die lidstaten, behalve voor Duitsland, waarvoor dit overeenkomt met 9 %.
(44)    Overeenkomstig artikel 3 van de governanceverordening stelt elke lidstaat de Commissie om de tien jaar in kennis van een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan.
(45)    AT, BE, CY, CZ, DE, DK, EE, EL, ES, FI, FR, HR, IE, IT, LT, LU, LV, MT, PT, RO, SI, SK.
(46)    Jaarlijkse strategie voor duurzame groei voor 2021 (COM(2020) 575 final), 17 september 2020, deel IV.
(47)    De in het verslag weergegeven uitgaven voor de herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn ramingen die door de Commissie zijn verwerkt op basis van de informatie over het monitoren van de klimaatuitgaven die is gepubliceerd als onderdeel van de analyses van de Commissie van de herstel- en veerkrachtplannen. De gegevens in het verslag hebben betrekking op de 22 nationale herstel- en veerkrachtplannen die op 5 oktober 2021 door de Commissie waren beoordeeld en goedgekeurd, en het bedrag zal evolueren naarmate meer plannen worden beoordeeld. Zie: https://ec.europa.eu/info/business-economy-euro/recovery-coronavirus/recovery-and-resilience-facility/recovery-and-resilience-plans-assessments_en .  
(48)

     Energie-efficiëntiemaatregelen hebben betrekking op energie-efficiëntieprojecten in kmo’s of grote ondernemingen, energierenovaties in particuliere gebouwen en openbare infrastructuur en de bouw van gebouwen. Maatregelen op het gebied van schone energie hebben met name betrekking op de productie van duurzame energie, energienetwerken en infrastructuur. 

(49)    In het afzonderlijke voortgangsverslag inzake klimaatactie, dat overeenkomstig artikel 29 samen met de stand van de energie-unie wordt gepubliceerd, worden klimaatgerelateerde aspecten meer in detail behandeld. 
(50)    Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) 2018/1999 brengen de lidstaten om de twee jaar verslag uit over hun nationale prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen.
(51)    België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Letland, Litouwen, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden. Litouwen en Hongarije hebben respectievelijk in juli en september 2021 een bijgewerkte versie van hun oorspronkelijke strategieën ingediend. In juli 2021 heeft de Luxemburgse regering een ontwerp van nationale langetermijnstrategie vastgesteld. Voorafgaand aan de definitieve vaststelling zal een openbare raadpleging worden gehouden.
(52)    Overeenkomstig artikel 15 van de governanceverordening.
(53)    Denemarken, Spanje, Frankrijk, Italië, Letland, Litouwen, Hongarije, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden.
(54)    Zoals in het geval van Finland, tegen 2035, en Zweden, tegen 2045.
(55)

     Hoewel neutraliteit per definitie inhoudt dat resterende emissies worden gecompenseerd door verwijderingen, hebben niet alle lidstaten het respectieve aandeel van emissiereducties en verwijderingen opgegeven en verschilt het ambitieniveau voor feitelijke reducties per lidstaat.

(56) De Duitse langetermijnstrategie, zoals die in januari 2020 aan de Commissie is voorgelegd, weerspiegelt echter de doelstelling van het in november 2016 vastgestelde Klimaatactieplan 2050. Volgens de klimaatveranderingswet, zoals gewijzigd in juli 2021, streeft Duitsland nu naar klimaatneutraliteit tegen 2045.
(57)    Zie de technische informatie bij het voortgangsverslag over klimaatactie voor meer gedetailleerde informatie.
(58)    COM(2020) 663 final.
(59)    In het IPCC-verslag van augustus 2021 wordt methaan aangewezen als verantwoordelijk voor bijna een derde van de totale opwarming van de aarde. Volgens het rapport vertegenwoordigen methaanlekken van boorlocaties, steenkoolmijnen en pijpleidingen voor fossiele brandstoffen 36 % van de totale emissies. In het verslag wordt erop gewezen dat de methaanemissies tegen een redelijke prijs in 2030 bijna zou kunnen worden gehalveerd, waarbij wordt onderstreept dat de uitstoot van fossiele brandstoffen met 60 % kan worden teruggedrongen.
(60)    Methaan heeft een veel kortere atmosferische levensduur dan CO2 (ongeveer 12 jaar in vergelijking met eeuwen voor CO2), maar het is een veel krachtiger broeikasgas. De EU gebruikt een periode van 100 jaar om broeikasgassen te meten en te beoordelen, maar over een periode van 20 jaar heeft methaan een 84 keer krachtiger effect op de opwarming van de aarde dan CO2, zoals blijkt uit tabel 8.7 van de bijdrage van werkgroep I aan het vijfde beoordelingsverslag van het IPCC (2013).     https://www.ipcc.ch/site/assets/uploads/2018/02/WG1AR5_Chapter08_FINAL.pdf
(61)    Het wetgevingsvoorstel van de Commissie, dat tegen het einde van het jaar moet worden vastgesteld, heeft tot doel de methaanemissies te meten, er verslag over uit te brengen en te controleren, grenzen te stellen aan het ontluchten en affakkelen van methaan, en eisen op te leggen voor het opsporen van lekken en het herstellen ervan.
(62)    Wat het algemene EU-streefcijfer voor 2020 (20,6 %) betreft, had de EU in 2019 al een aandeel van 19,7 % hernieuwbare energiebronnen in de verbruikte energie bereikt; dit omvat 34,1 % voor elektriciteitsproductie (uitgesplitst naar: waterkracht 35 %, windenergie 35 %, zonne-energie 13 %, vaste biobrandstoffen 8 %, en alle andere hernieuwbare energiebronnen 9 %), 22,1 % voor verwarming en koeling (biomassa is goed voor ongeveer 75 % van de verwarming en koeling) en 8,9 % voor de vervoerssector. 14 lidstaten zaten boven hun bindende nationale streefcijfers voor 2020 en 7 zaten er nog relatief ver onder. Zie ook: https://ec.europa.eu/eurostat/web/energy/data/shares Krachtens Richtlijn 2009/28/EG moesten de lidstaten bindende streefcijfers halen om het aandeel van hernieuwbare energie in hun energieverbruik in 2020 te verhogen. De nationale streefcijfers samen zouden de Europese Unie als geheel in staat stellen het streefcijfer voor 2020 van 20,6 % hernieuwbare energie te halen (het streefcijfer wijkt af van 20 % voor de EU en het VK na de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie).
(63)    Uiterlijk op 30 april 2022 overeenkomstig de governanceverordening (EU) 2018/1999.
(64)    Volgens een verslag over technische bijstand (Technical assistance in realisation of the 5th report on progress of renewable energy in the EU final update report. Tasks 1 and 2: https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/bcfbe724-27e2-11ec-bd8e-01aa75ed71a1/language-en) kan in 2020 met de huidige beleidsinitiatieven inzake hernieuwbare energie een aandeel hernieuwbare energie van 22,4–22,6 % worden verwacht. Met name Frankrijk en Polen lopen het risico hun nationale streefcijfer niet te halen. Vroege ramingen van het Europees Milieuagentschap (EMA), die weliswaar gebaseerd zijn op een andere methodologie, bevestigen eveneens dat de EU als geheel haar streefcijfer waarschijnlijk zal halen. De Commissie heeft de lidstaten geholpen bij het sluiten van overeenkomsten inzake statistische overdracht tussen landen met een overschot aan hernieuwbare energiebronnen en landen die het risico lopen hun streefcijfer niet te halen.
(65)    Offshore-windenergie: daling van 100–180 EUR per MWh in 2010 naar de huidige waarden van 67–140 EUR per MWh; inshore-windenergie: daling van 55–105 EUR per MWh in 2010 naar 34–74 EUR per MWh in 2019. Bron: Beiter P., Cooperman A., Lantz E., Stehly T., Shields M., Wiser R., Telsnig T., Kitzing L., Berkhout V., Kikuchi Y. (2021) Wind power costs driven by innovation and experience with further reductions on the horizon, WIREs Energy Environ. 2021; e398. https://doi.org/10.1002/wene.398 .
(66)    De kosten van zonnepanelen zijn de afgelopen jaren drastisch gedaald. Uit een analyse van de algemene ontwikkeling van de prijs per paneel ten opzichte van de cumulatieve productie blijkt een prijsdaling van 25 % voor elke verdubbeling van de cumulatieve productie. In de periode 2011–2020 is een prijsdaling van 85 % opgetekend.
(67)     https://ec.europa.eu/energy/topics/renewable-energy/eu-renewable-energy-financing-mechanism_en  
(68)    BNEF (2021), database “Energy Transition Investment”.
(69)    IRENA, Renewable Capacity Statistics 2021.
(70)    https://www.irena.org/publications/2021/March/Renewable-Capacity-Statistics-2021
(71)    Verdere gedelegeerde handelingen zullen bijdragen tot de invoering van duurzame hernieuwbare brandstoffen, met inbegrip van methodologieën voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong uit aan het net onttrokken elektriciteit en voor het meten van de broeikasgasemissies van dergelijke brandstoffen.
(72)    In de EU plus het Verenigd Koninkrijk (VK).
(73)    In de EU plus het VK.
(74)    De streefcijfers voor 2030 gelden voor de EU zonder het VK.
(75)    Voor bewoning bestemde gebouwen vertegenwoordigen bijna 65 % van dit cijfer.
(76)     https://ec.europa.eu/energy/topics/energy-efficiency/energy-efficient-buildings/renovation-wave_nl
(77)    COM(2021) 551 final.
(78)    Een grondige voorlopige beoordeling van de eerste 13 strategieën is gepubliceerd op 31 maart 2021.
(79)    Koelkasten, vaatwassers, wasmachines en televisies.
(80)    Op 8 januari 2021 heeft zich een incident voorgedaan in de hoogspanningselektriciteitsnetwerken van het synchrone gebied van continentaal Europa. Het continentale net, dat de elektriciteitstransportnetten van de landen van continentaal Europa met elkaar verbindt, werd hierdoor getroffen en kwam in twee zones uiteen te liggen (waarbij een zone in het zuidoosten van Europa tijdelijk gescheiden van de rest van continentaal Europa opereerde). Het tweede incident was de uitval van een Frans-Spaanse interconnectie op 24 juli 2021, die het Iberische schiereiland en een klein deel van het Franse transmissienet trof. Beide incidenten konden binnen een uur worden opgelost. Onderzoeken achteraf zijn gaande.
(81)    Verordening (EU) 2019/941 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 inzake risicoparaatheid in de elektriciteitssector.
(82)    Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010.
(83)     https://ec.europa.eu/energy/topics/energy-security/secure-gas-supplies_en  
(84)    Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden.
(85)    Netwerkcodes zijn een reeks regels die zijn opgesteld door het Europese netwerk van transmissiesysteembeheerders (TSB’s) voor elektriciteit (ENTSO-E), op advies van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), om de harmonisatie, integratie en efficiëntie van de Europese elektriciteitsmarkt te faciliteren.
(86)    In overeenstemming met de Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.
(87)    COM(2020) 605.
(88)     COM (2021) 350 final.
(89)    Study on the resilience of critical supply chains for energy security and clean energy transition during and after the COVID-19 crisis (Onderzoek naar de veerkracht van kritieke toeleveringsketens voor energiezekerheid en de transitie naar schone energie tijdens en na de COVID-19-crisis), ISBN 978-92-76-38453-3.
(90)    Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid, www.ensreg.eu
(91)    Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad.
(92)    In september lagen de gemiddelde groothandelsprijzen voor elektriciteit boven de 125 EUR per MWh, de gasprijzen net onder de 65 EUR per MWh en de EU-ETS-emissierechten boven de 60 EUR per tCO2.
(93)    Bron: COM(2021) 660.
(94)    Deze verhouding is voor huishoudens (afbeelding 3) en de industrie enigszins verschillend naar gelang van de omvang van het verbruik.
(95)    COM(2021) 660.
(96)    Deze houden in dat iedereen op groothandelsniveau dezelfde prijs ontvangt voor elektriciteit.
(97)    Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU.
(98)     https://smarten.eu/wp-content/uploads/2019/11/EU_Market_Monitor_2019_short_final.pdf
(99)    De eenvormige day-aheadkoppeling wijst één dag vóór de levering van elektriciteit schaarse grensoverschrijdende transmissiecapaciteit op de meest efficiënte manier toe door groothandelsmarkten voor elektriciteit uit verschillende regio’s te koppelen via een gemeenschappelijk prijskoppelingsalgoritme om elektriciteitsprijzen in heel Europa te berekenen en veilingen impliciet toe te wijzen op basis van grensoverschrijdende capaciteit.
(100)    ACER, Market Monitoring report, 2019.
(101)    ACER, Market Monitoring report, 2019.
(102)    De op de Europese hubs verhandelde gasvolumes stegen in het vierde kwartaal van 2020 op jaarbasis met 21 % (plus 3 439 TWh), na de tijdelijke daling in het kwartaal ervoor.
(103)    De LNG-invoer in de EU daalde in het vierde kwartaal van 2020 op jaarbasis met 27 % als gevolg van de stijgende premies op de Aziatische groothandelsgasmarkt voor Europa, waardoor transporten naar de Aziatische markten werden verlegd.
(104)    De huidige gasopslagniveaus in de EU liggen 75 % onder het gemiddelde van de afgelopen 10 jaar van 90 %. Vanaf 3 oktober 2021. 
(105)    Minder dan 1 EUR/MWh gedurende 90 % van de handelsdagen in 2019 (ACER, Market Monitoring report, 2020, hoofdstuk over groothandelsmarkten voor gas, blz. 43)
(106)    De overeengekomen grensoverschrijdende capaciteitsverhouding stemt overeen met de invoercapaciteit ten opzichte van de geïnstalleerde opwekkingscapaciteit voor de lidstaten. Er zij op gewezen dat het interconnectiestreefcijfer van 15 % voor 2030 in de governanceverordening is aangevuld met een aantal urgentie-indicatoren. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van de aanzienlijke toename van de geïnstalleerde capaciteit in de EU (voornamelijk ten gevolge van nieuwe variabele capaciteit aan wind- en zonne-energie met veel lagere belastingsfactoren in vergelijking met andere productiebronnen), terwijl de nieuwe interconnectiecapaciteit niet in dezelfde mate is toegenomen. Bijgevolg moet bij de analyse van de mate van interconnectiviteit niet alleen rekening worden gehouden met het interconnectiestreefcijfer van 15 %, maar ook met urgentie-indicatoren om maatregelen te nemen op basis van prijsverschillen op de groothandelsmarkt, de nominale transmissiecapaciteit van interconnectoren in verhouding tot 1) de piekbelasting en 2) de geïnstalleerde productiecapaciteit voor hernieuwbare energie. De verordening stelt ook dat elke nieuwe interconnector wordt onderworpen aan een sociaaleconomische en ecologische kosten-batenanalyse en alleen wordt uitgevoerd indien de potentiële voordelen opwegen tegen de kosten.
(107)    Bijvoorbeeld een elektrische verbinding tussen Estland en Letland (PGB-nummer 4.2.1). Op 25 augustus 2021 is een nieuwe elektriciteitsverbinding tussen Estland en Letland in gebruik genomen. Dit is de derde elektriciteitsverbinding tussen beide landen en een volgende stap in de synchronisatie van de Oostzee met het continentale Europese netwerk. Hetzelfde geldt voor de PGB’s in Estland (PGB-nummer 4.2.2), in Letland (PGB-nummer 4.2.3) en in Litouwen (PGB-nummer 4.8.17). Voor gas is opdracht gegeven voor PGB’s in Kroatië (PGB-nummer 6.5.1), Griekenland, Italië en Albanië (PGB-nummer 7.1.3).
(108)    Een voorbeeld is de “Celtic Interconnector” tussen Ierland en Frankrijk, die in 2019 een CEF-subsidie van 530 miljoen EUR ontving. Het wordt de eerste rechtstreekse elektriciteitsverbinding tussen Ierland en het Europese vasteland en ondersteunt het behalen van het nieuwe streefcijfer van Ierland van ten minste 70 % hernieuwbare elektriciteit in 2030.
(109)    Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).
(110)    Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (PB L 249 van 14.7.2021, blz. 38).
(111)    In de energiesector (met een totale begroting van 5,84 miljard EUR) beoogt het programma bij te dragen tot de verdere integratie van de Europese energiemarkt, de interoperabiliteit van de energienetwerken over de grenzen en sectoren heen te verbeteren, het koolstofarm maken van de economie te faciliteren en de energievoorziening veilig te stellen. Er zal ook financiering beschikbaar zijn voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van de productie van hernieuwbare energie.
(112)    Aangezien het bbp en het energieverbruik in 2020 voor bijna hetzelfde bedrag daalden (ongeveer 7 %), werden in 2020 in hetzelfde tempo subsidies verstrekt als in 2019 (alleen het volume van de activiteit was lager). Er is derhalve geen duidelijke trend tot verlaging van het niveau van de subsidies, ondanks de internationale toezeggingen van de EU.
(113)    Voornamelijk subsidiëring van zonne-energie (29 miljard EUR), windenergie (21 miljard EUR) en biomassa (17 miljard EUR).
(114)    De EU-taxonomie is een classificatiesysteem, gebaseerd op de taxonomieverordening (Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 tot vaststelling van een kader ter bevordering van duurzaam beleggen, en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088).
(115)    IEA, Net Zero by 2050. A Roadmap for the Global Energy Sections. Flagship Report, mei 2021 .
(116)    De EU is bijvoorbeeld een wereldleider in verschillende delen van de waardeketen van zonnepanelen: onderzoek en ontwikkeling, productie van polysilicium, apparatuur en machines voor productie van zonnepanelen (bron: BNEF, Solar PV Trade and Manufacturing, A Deep Dive, 2021). De EU heeft een aanzienlijk marktaandeel in de windenergie, maar de Europese “original equipment manufacturers” (OEM’s) zijn in 2020 voor het eerst ingehaald door Chinese OEM’s (wanneer de top-10 van OEM’s in termen van marktaandeel worden geanalyseerd. Bron: GWEC, Global Offshore Wind Report 2020, 2020). Ook wanneer we kijken naar “hoofdzakelijk verwarmende warmtepompen” zijn de EU-lidstaten de grootste exporteurs, gevolgd door Azië (bron: UN-COMTRADE 841861 ‘heat pumps, excluding air conditioning machines of heading 8415’). In de afgelopen vijf jaar is de groei van de EU-markt voor “hoofdzakelijk verwarmende warmtepompen” echter voor een groot aandeel overgenomen door de invoer uit Azië, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 21 % in de periode van 2015 tot 2020. Meer investeringen in O&I en verdere inspanningen op het gebied van technologieoverdracht zouden ervoor zorgen dat de EU de kansen weet te grijpen die de energietransitie biedt om haar concurrentievermogen in de sector schone energie te versterken. In de sector zonnepanelen bijvoorbeeld worden de vervaardiging en het ontwerp van zonnecellen en -panelen steeds complexer, waardoor verdere investeringen nodig zijn om aan de top te blijven.
(117)  COM(2021) 952.
(118)    De EU staat bijvoorbeeld op de eerste plaats wat betreft het indienen van octrooien met een hoge waarde op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie. De EU staat op de derde plaats bij slimme systemen. (Bron: JRC SETIS https://setis.ec.europa.eu/publications/setis-reseach-and-innovation-data_en )
(119)    Prioriteiten van de energie-unie op het gebied van O&I (gebaseerd op COM(2015) 80): hernieuwbare energiebronnen, slimme systemen, efficiënte systemen, duurzaam vervoer, koolstofafvang, -gebruik en -opslag (CCUS) en nucleaire veiligheid.
(120)    IEA, World Energy Investment, 2021.
(121)    Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG.
(122)    Sinds 2005 heeft de toenemende vervanging van vervuilende fossiele brandstoffen door hernieuwbare energiebronnen in de hele EU geleid tot een daling van de totale uitstoot van zwaveldioxide (SO2) met 6 % en in 2017 een daling van de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) met 1 %. Het leidde echter ook tot een toename van de PM2,5-emissies in de hele EU met 13 % en een toename van de VOS-emissies met 4 %, als gevolg van de toename van het gebruik van biomassa (EEA, 2019): https://www.eea.europa.eu/themes/energy/renewable-energy/renewable-energy-in-europe-key
(123)  COM(2021) 400 final.
(124)    Meest recente gegevens.
(125)    Eurostat, regionaal jaarboek, editie 2021, blz. 187.
(126)    https://ec.europa.eu/environment/air/quality/revision_of_the_aaq_directives.htm
(127)    Gebaseerd op ‘env_ac_egss2’ van Eurostat – jaar waarvoor de meest recente gegevens beschikbaar zijn.
(128)    Bron: ESTAT, nrg_ind_ei, Energie-intensiteit van het bbp in kettingindexcijfers (2010), kilogram aardolie-equivalent (KGOE) per duizend euro.
(129)    In de periode 2005–2019 zijn zowel de primaire energie-intensiteit als de energie-intensiteit van het eindverbruik in de industrie blijven dalen met een gemiddeld jaarlijks percentage van ongeveer 2 %. In dezelfde periode is ook de broeikasgasintensiteit gestaag gedaald, onder meer dankzij het toenemende aandeel van hernieuwbare energie in het energieverbruik.
(130)    2018 is het laatste beschikbare jaar als gevolg van de statistische vertraging van de Eurostat-gegevens over de milieugoederen- en -dienstensector. De verplichte gegevensrapportage aan het eind van jaar n heeft betrekking op de referentieperiode n-2 tot en met n-4. De vrijwillige gegevensrapportage heeft betrekking op vroege schattingen voor het referentiejaar n-1 en de periode vóór 2014. De beschikbaarheid van gegevens die vrijwillig in verslagen zijn opgenomen, verschilt aanzienlijk per land. Voorlopige ramingen voor de EU-27 als geheel worden elk jaar (n) door Eurostat samengesteld en hebben betrekking op de periode van het jaar 2000 tot het jaar n-2.
(131)    Gebaseerd op ‘env_ac_egss1’ van Eurostat. Volgens ramingen van IRENA leveren investeringen in schone energie bijna drie keer meer banen op dan investeringen in fossiele brandstoffen.
(132)  Prognoses van Cedefop over vaardigheden: trends en uitdagingen tot 2030 (2018).
(133)    Europese Commissie, Pact voor vaardigheden — alle partners mobiliseren om te investeren in vaardigheden (2020). 
(134)    Dit is volgens het scenario EUCO 32-32,5, dat gebaseerd is op een energie-efficiëntiestreefcijfer van 32,5 % en een streefcijfer voor hernieuwbare energie van 32 % in 2030. De klimaatdoelstelling is nu naar boven bijgesteld tot ten minste 55 % in 2030 en er zijn voorstellen gedaan voor hogere ambities voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie.
(135) Afgeleid met behulp van EurObserv’ER ( https://www.eurobserv-er.org/category/all-annual-overview-barometers/ ) en Kapetaki, Z., Ruiz, P. et al., Clean energy technologies in coal regions: Opportunities for jobs and growth: Deployment potential and impacts, Kapetaki, Z. (red.), EUR 29895 EN, Publicatiebureau van de EU, Luxemburg, 2020, ISBN 978-92-76-12330-9, doi:10.2760/063496, JRC117938.
(136) BPIE (2020). Building Renovation – A kick-starter for the EU Recovery. https://www.renovate-europe.eu/wp-content/uploads/2020/06/BPIE-Research-Layout_FINALPDF_08.06.pdf , met gebruik van gegevens van C40 (2019). The Multiple Benefits of Deep Retrofits — A toolkit for Cities. https://www.c40knowledgehub.org/s/article/The-Multiple-Benefits-of-Deep-Retrofits-A-toolkit-for-cities?language=en_US  
(137) IRENA (2020), Global Renewables Outlook: Energy Transformation 2050 (uitgave: 2020), International Renewable Energy Agency, Abu Dhabi; Global Renewables Outlook: Energy Transformation 2050 – Summary (irena.org).
(138)  SWD(2021) 621 final.
(139)   https://op.europa.eu/s/pp0f  
(140)     Zie artikel 19, lid 13, van de richtlijn hernieuwbare energie.
(141)   Schwanitz , V. J., Wierling, A., Zeiss, J. P., von Beck, C., Koren, I. K., Marcroft, T., Dufner, S. (22 augustus 2021). The contribution of collective prosumers to the energy transition in Europe - Preliminary estimates at European and country-level from the COMETS inventory (De bijdrage van collectieve prosumenten aan de energietransitie in Europa – Voorlopige ramingen op Europees en nationaal niveau op basis van de COMETS-inventarisatie).
(142)    Zie vorige voetnoot.
(143)    Beginsel 20. Het actieplan van de Europese pijler van sociale rechten bevat ook initiatieven voor 2022 om ervoor te zorgen dat niemand achterblijft die zullen bijdragen tot de aanpak van energiearmoede, zoals een voorstel voor een aanbeveling van de Raad over het minimuminkomen, richtsnoeren voor verdelingseffectbeoordelingen vooraf en een verslag over toegang tot essentiële diensten. Daarnaast heeft SDG-doelstelling 7 ook betrekking op de toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen.
(144)  SWD(2020) 960 final.
(145)    In lopende prijzen.
(146)    De Europese Commissie (2018). 5. Structural Support Action for Coal and Carbon Intensive Regions https://ec.europa.eu/clima/sites/clima/files/docs/pages/initiative_5_support_en_1.pdf
(147) SWD(2020) 176 final, punt 6.5.1.
(148) 2020-JRC-clean_energy_technologies_in_coal_regions_online.pdf  Kapetaki, Z., Ruiz, P. et al. (2020). Clean energy technologies in coal regions: Opportunities for jobs and growth. Deployment potential and impacts. JRC, blz. 5.
(149)    Als wordt uitgegaan van het hogere streefcijfer voor hernieuwbare energiebronnen van 40 % in plaats van 32 % in 2030, zou de EU meer dan 420 GW en tot wel 480 GW aan gecombineerde onshore- en offshore-windkrachtcapaciteit nodig hebben, tegenover de huidige 180 GW geïnstalleerde windcapaciteit. Voor fotovoltaïsche zonne-energie zou de capaciteit meer dan 380 GW moeten bedragen en tot 420 GW moeten oplopen ten opzichte van de huidige 140 GW. Een dergelijke toename zou ook de elektriciteit leveren die nodig is voor de productie van hernieuwbare waterstof om de subdoelstellingen voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO’s) te halen. Als gevolg daarvan zou de uitrol van hernieuwbare energiebronnen aanzienlijk moeten toenemen ten opzichte van het huidige geplande niveau.
(150)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, artikelen 16 en 17.
(151)    Met de huidige internationale toezeggingen nemen nu 9 van de 20 landen die het meeste methaan ter wereld uitstoten deel aan de Global Methane Pledge, wat neerkomt op ongeveer 30 % van de wereldwijde methaanemissies en 60 % van de wereldeconomie. Daarnaast hebben meer dan 20 filantropische organisaties een gezamenlijk bedrag van meer dan 200 miljoen dollar toegezegd om de uitvoering van de Global Methane Pledge te ondersteunen.
(152)    De belangrijkste doelstellingen van het voorstel van de EU voor de modernisering van het EHV zijn het actualiseren van de normen voor investeringsbescherming om ervoor te zorgen dat het EHV de klimaatactie en energietransitie van de EU faciliteert, in overeenstemming met de Europese Green Deal en de Overeenkomst van Parijs.
(153)    https://www.consilium.europa.eu/media/48057/st05263-en21.pdf
Top

Brussel, 26.10.2021

COM(2021) 950 final

BIJLAGE

bij het

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Verslag over de stand van de energie-unie 2021 overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie - Bijdragen aan de Europese Green Deal en het herstel van de Unie

{COM(2021) 952 final} - {COM(2021) 960 final} - {COM(2021) 961 final} - {COM(2021) 962 final} - {SWD(2021) 298 final} - {SWD(2021) 307 final} - {SWD(2021) 308 final}


Bijlage bij het verslag over de stand van de energie-unie over energiesubsidies in de EU

1.Inleiding

In 2020 heeft de Europese Commissie haar eerste jaarverslag gepubliceerd over het toezicht op de vooruitgang van de lidstaten bij de afbouw van subsidies voor energie, meer bepaald subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU 1 , zoals vereist bij de verordening inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie 2 .

Het verslag was gebaseerd op 1) gegevens die rechtstreeks uit bronnen van de lidstaten waren verzameld en 2) de informatie in de nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s), en bracht belangrijke lacunes aan het licht in de gegevensrapportage in de door de lidstaten ingediende NECP’s. Hieruit blijkt dat de verslaggevingspraktijken van de lidstaten moeten worden verbeterd.

De onlangs aangenomen Europese klimaatwet 3 bekrachtigt de doelstelling van Europa om in 2050 klimaatneutraal te zijn, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Er zijn aanhoudende inspanningen nodig om te zorgen voor een sociaal rechtvaardige afbouw van milieuschadelijke energiesubsidies, met name voor fossiele brandstoffen, die onverenigbaar zijn met die doelstelling. Bovendien hebben de G7-leiders, met inbegrip van de EU, toegezegd 4  zo spoedig mogelijk een einde te zullen maken aan nieuwe rechtstreekse overheidssteun voor internationale koolstofintensieve energie uit fossiele brandstoffen, en hebben zij de bestaande toezeggingen om inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen af te schaffen, opnieuw bevestigd.

De klimaatwet wijzigt 5 artikel 17 van de governanceverordening en bepaalt dat “de Commissie [...] uitvoeringshandelingen 6 vast[stelt] waarin de structuur, het formaat, de technische details en het proces [...], met inbegrip van een methode voor de rapportage over de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen”. Dit moet leiden tot meer uniforme verslaggevingspraktijken in alle lidstaten, waardoor de meeste bestaande gegevenslacunes worden weggewerkt.

Het voorstel voor de herziening van de energiebelastingrichtlijn 7 ondersteunt de afbouw van achterhaalde vrijstellingen en stimulansen voor het gebruik van fossiele brandstoffen, en zal schonere brandstoffen bevorderen en zo de verwezenlijking van de ambitieuze EU-doelstellingen inzake de vermindering van de broeikasgasemissies ondersteunen.

De voortdurende inspanningen met betrekking tot de EU-taxonomieverordening 8 en initiatieven met groene obligaties moeten investeerders op middellange termijn helpen groene economische activiteiten te identificeren en meer middelen naar deze activiteiten te kanaliseren. De Commissie past het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” toe op verschillende EU-fondsen. EU-financiering (bv. uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, in het kader van het cohesiebeleid) wordt alleen beschikbaar gesteld voor maatregelen die geen ernstige afbreuk doen aan het milieu.

Voor de lidstaten kan de EU-taxonomie in de toekomst een potentiële impact hebben op subsidies, door hen instrumenten aan te reiken om duurzame activiteiten te identificeren en zo het nationale beleid te faciliteren om zich op groene activiteiten te richten en groene investeringen tegen lagere kosten op te schalen, waarbij fossiele brandstoffen en andere minder milieuvriendelijke activiteiten worden afgebouwd.

9 10 11 Ter voorbereiding van deze nieuwe uitgave (de “tweede”) van het jaarverslag over subsidies heeft de Commissie een onderzoek uitgevoerd om gegevens van de lidstaten te verzamelen en eerdere datasets uit te breiden met de resultaten van 2019 en 2020. Er zij op gewezen dat de gegevens voor 2020 nog niet volledig waren toen de Commissie de laatste hand legde aan haar onderzoek naar subsidies (juli 2021), en gezien de aanzienlijke ramingen moeten de cijfers voor 2020 in het huidige verslag met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Sommige lidstaten waren niet in staat dezelfde informatie of informatie van dezelfde kwaliteit te verstrekken als in voorgaande jaren en verwijzen daarbij naar een gebrek aan middelen om datasets en verslagen voor 2020 op te stellen, mede als gevolg van de COVID-19-crisis.

De resultaten van dit onderzoek bevestigen dat de EU en haar lidstaten meer moeten doen om de subsidies voor fossiele brandstoffen te verlagen om in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Tussen 2015 en 2019 stegen de energiesubsidies in de EU met 8 %. De subsidies voor hernieuwbare energiebronnen stegen eveneens met 8 %, terwijl de subsidies voor energie-efficiëntie met bijna de helft stegen, wat een gunstige ontwikkeling was met het oog op de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake de transitie naar groene energie. Op langere termijn, naarmate de technologiekosten dalen, waardoor marktgestuurde energie-investeringen mogelijk worden, en op voorwaarde dat we onze klimaatdoelstellingen halen, kunnen ook de subsidies voor hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie worden verlaagd.

De subsidies voor fossiele brandstoffen zijn verder gestegen (tussen 2015 en 2019 met 4 %), maar sommige landen, zoals Letland, Litouwen, Zweden, Griekenland en Ierland, zijn erin geslaagd de subsidies voor fossiele brandstoffen te verlagen. In de EU zijn de subsidies voor aardolieproducten, in sectoren zoals vervoer en landbouw, in deze periode blijven stijgen, terwijl de subsidies voor steenkool en bruinkool zijn gedaald, grotendeels omdat vaste brandstoffen aan belang inboeten bij de elektriciteitsproductie.

In 2020 daalden de subsidies voor fossiele brandstoffen meetbaar ten opzichte van 2019, voornamelijk door een lager brandstofverbruik in het vervoer, met name in de luchtvaart, gezien de aanzienlijke reisbeperkingen en lockdowns in de EU. Zoals uit de beschikbare gegevens blijkt, daalden de subsidies voor hernieuwbare energiebronnen in 2020 licht. Tegelijkertijd stegen de subsidies in de vorm van compensaties voor kernenergie, als gevolg van nieuwe subsidie-instrumenten voor de sluiting en ontmanteling van nucleaire installaties (voornamelijk in Duitsland en Frankrijk) aanzienlijk. De subsidies voor energie-efficiëntiemaatregelen zullen in 2020 verder stijgen.

Verwacht wordt evenwel dat het verbruik van fossiele brandstoffen weer zal toenemen naarmate de economie zich herstelt. De EU zal dus haar inspanningen moeten opvoeren om te voorkomen dat de subsidies terugkeren tot het niveau van vóór de pandemie. Herstelprogramma’s moeten aan deze doelstelling bijdragen door grotendeels de nadruk te leggen op het vergroenen van de economie.

2.    Energiesubsidies en subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU

2.1. Energiesubsidies in de EU

Subsidies worden in dit verslag gedefinieerd volgens de door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vastgestelde methodologie 12 , die in het nieuwe ondersteunende onderzoek van de Commissie 13 en in het vorige verslag (2020) over energiesubsidies is gebruikt.

Energiesubsidies kunnen vanuit verschillende invalshoeken worden geanalyseerd, bijvoorbeeld naar de functie die wordt bevorderd (productie, verbruik/vraag of energie-efficiëntie), naar brandstoftype (fossiele brandstoffen, hernieuwbare energiebronnen, kernenergie), naar economische sector (energiesector, vervoer, industrie, landbouw 14 , woningen enz.) of naar het soort instrument dat wordt gebruikt om subsidies uit te keren (belastingverlagingen, subsidies, prijs- of inkomenssteun).

Wat de ontwikkeling van de energiesubsidies in de EU betreft, bedroeg de totale financiële steun in 2019 176 miljard EUR, een stijging met 8 % sinds 2015. De subsidies voor energie-efficiëntiemaatregelen stegen in deze periode veel sneller, namelijk met 43 % (+ 5 miljard EUR), terwijl de subsidies voor energieproductie met slechts 4 % (+ 3 miljard EUR) stegen, voornamelijk als gevolg van nog steeds stijgende subsidies voor de productie van hernieuwbare energie.

In 2020 bleef het totale bedrag aan energiesubsidies in de EU nagenoeg stabiel (177 miljard EUR). De subsidies voor energie-efficiëntiemaatregelen bleven echter stijgen ten opzichte van 2019 (met 5 %), terwijl de subsidies in verband met de energiebehoefte 15 met 4 % daalden, voornamelijk als gevolg van het lagere energieverbruik na de door COVID-19 veroorzaakte lockdowns en andere beperkingen. Anderzijds steeg het geraamde bedrag van de subsidies voor de herstructurering van de industrie naar 4,5 miljard EUR in 2020 (tegenover 1,8 miljard EUR in 2019), als gevolg van de toenemende financiële steun voor de ontmanteling van faciliteiten voor elektriciteitsproductie.

Afbeelding 1 — EU-energiesubsidies naar doeleinde

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU. In het geval van de gegevens voor 2020 geven de gearceerde gestapelde staven aan dat deze gegevens gebaseerd zijn op ramingen, en elke categorie zo moet worden uitgelegd dat de uniform gekleurde staaf (feitelijke gegevens) en de gearceerde staaf (ramingen) worden opgeteld om deze waarde met eerdere jaren te vergelijken.

In verhouding tot het bbp waren de energiesubsidies van de lidstaten in 2019 nog steeds sterk uiteenlopend, van 2,7 % van het bbp in Letland tot slechts 0,3 % in Luxemburg. In de EU bedroeg de energiesubsidie in 2019 gemiddeld 1,2 %. In 2015 lag dit aandeel iets hoger, namelijk op 1,3 %.

Uit de analyse blijkt ook dat verschillende landen subsidies gebruiken om verschillende beleidslijnen en maatregelen te ondersteunen, die een verschillend effect hebben op de EU-doelstellingen inzake de transitie naar groene energie. Letland besteedde in 2019 bijna 2 % van het bbp aan subsidies voor energie-efficiëntiemaatregelen. Duitsland besteedde ongeveer 0,9 % van zijn bbp aan subsidies voor hernieuwbare energiebronnen en Bulgarije, Griekenland, Italië, Tsjechië en Spanje besteedden elk 0,8 % van het bbp aan subsidies voor hernieuwbare energiebronnen.

Tegelijkertijd zijn andere landen nog steeds geneigd meer uit te geven aan fossiele brandstoffen dan aan maatregelen die een groene transitie stimuleren. Hongarije en Bulgarije besteedden meer dan 1 % van het bbp aan subsidies voor fossiele brandstoffen, en in Griekenland en België lag dit aandeel dicht bij 1 %, wat ontmoedigend is vanuit het oogpunt van de groene transitie.

Afbeelding 2 — Subsidies voor verschillende energiebronnen, als percentage van het bbp en in miljard euro in 2019

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU. Met “elektriciteit” wordt algemene niet-technologiespecifieke steun voor elektriciteit bedoeld, terwijl “alle energieën” verwijst naar maatregelen die niet aan één enkele technologie kunnen worden toegewezen (of steun voor meervoudige technologie).

Meer dan 40 % van de totale energiesubsidies werd de afgelopen jaren toegekend aan hernieuwbare energiebronnen. De subsidies voor hernieuwbare energiebronnen stegen in 2019 met 6 miljard EUR (+ 8 %) ten opzichte van 2015, en daalden in 2020 slechts licht. Anderzijds stegen de subsidies voor fossiele brandstoffen in dezelfde periode met 2 miljard EUR (+ 4 %), terwijl wordt geraamd dat deze in 2020 met 4 miljard EUR (- 7 %) zijn gedaald ten opzichte van 2019, als gevolg van een lager verbruik van fossiele brandstoffen, voornamelijk in de vervoerssector.

De subsidies voor elektriciteit bleven tussen 2015 en 2019 stabiel, terwijl de subsidies voor “alle energieën” (meerdere energiebronnen of maatregelen die niet rechtstreeks aan energieproducten kunnen worden toegewezen) in dezelfde periode meetbaar stegen (met 5 miljard EUR of 25 %), en in 2020 nog verder toenamen.

De subsidies voor kernenergie waren stabiel in de periode 2015–2019, op een niveau tussen 2 % en 4 % van de totale energiesubsidies. In 2020 werd 2,7 miljard EUR extra uitbetaald naarmate nieuwe instrumenten voor de compensatie van vervroegde sluiting en ontmanteling van nucleaire installaties, voornamelijk in Duitsland en Frankrijk, in werking zijn getreden. In de komende jaren zullen de compensaties voor de vervroegde sluiting van nucleaire installaties en faciliteiten die met steenkool en bruinkool energie produceren naar verwachting een steeds grotere impact hebben op het totale bedrag van de energiesubsidies in de EU.

Afbeelding 3 — EU-energiesubsidies naar brandstoftype

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU. “Alle energieën” verwijst naar subsidies die niet rechtstreeks aan energiedragers of brandstoffen kunnen worden toegeschreven (bv. energie-efficiëntiemaatregelen, stimulansen voor energiebehoefte of energieverbruik, ongeacht de energiedrager, investeringssubsidies en bepaalde O&O-uitgaven).

Bijna 60 % van de energiesubsidies konden in 2019 en 2020 rechtstreeks aan de energiesector worden gekoppeld. In dezelfde periode bedroeg het aandeel van de industrie en het vervoer beide meer dan 10 %, terwijl het aandeel van de sector gezinshuishoudens en de landbouw lager was, respectievelijk 8 % en 4 %. Tussen 2015 en 2019 stegen de subsidies het sterkst in de energie- en de vervoerssector (met 4 miljard EUR in beide sectoren, wat neerkomt op een stijging met respectievelijk 4 % en 27 %).

In 2020 stegen de subsidies in de energiesector verder, terwijl deze in de vervoerssector daalden (- 20 %) ten opzichte van 2019, voornamelijk in de luchtvaartsector (- 3,3 miljard EUR), als gevolg van het lagere brandstofverbruik door de met de pandemie verband houdende lockdowns en reisbeperkingen.

Afbeelding 4 — EU-energiesubsidies naar economische sector

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU.

Meer dan 92 % van de totale subsidies voor hernieuwbare energiebronnen in de EU (72 miljard EUR in 2019) ging naar de energiesector, terwijl het aandeel van andere sectoren, zoals de industrie (4 %) en het vervoer (1 %), veel kleiner was. Ongeveer 36–37 % van het totaal aan subsidies voor hernieuwbare energie kon in 2019 en 2020 worden gekoppeld aan zonne-energie, terwijl het aandeel van windenergie binnen het totaal aan subsidies voor hernieuwbare energiebronnen ongeveer 27 % bedroeg en het aandeel van biomassa ongeveer 22 %.

De belangrijkste subsidie-instrumenten voor hernieuwbare energiebronnen in de EU-lidstaten waren de teruglevertarieven (goed voor 53 miljard EUR in 2019). Zij weerspiegelen de subsidies die voortvloeien uit langetermijncontracten die meestal meer dan tien jaar geleden zijn gesloten, aangezien in recente contracten geen teruglevertarieven meer worden toegepast, behalve voor sommige kleine producenten. Terugleverpremies en hernieuwbare quota met handelscertificaten vertegenwoordigden lagere bedragen (respectievelijk 8 miljard EUR en 6 miljard EUR in 2019). Ook belastinginstrumenten (voornamelijk in de vorm van belastingverlagingen en -vrijstellingen) droegen voor ongeveer 6 miljard EUR bij aan het totale bedrag aan subsidies voor hernieuwbare energiebronnen.

De subsidies voor energie-efficiëntie in de EU laten sinds 2015–2016 een stijgende trend zien en worden voor 2020 geraamd op 17 miljard EUR, een stijging met bijna 50 % ten opzichte van 2015. Wat de subsidie-instrumenten voor energie-efficiëntie betreft, hadden subsidies in de afgelopen jaren een aandeel van iets minder dan 40 %, terwijl belastinguitgaven ongeveer een kwart uitmaakten en zachte leningen en energie-efficiëntieverplichtingen binnen de subsidies voor energie-efficiëntie een aandeel van respectievelijk 21 % en 16 % bedroegen. Ongeveer de helft van de subsidies voor energie-efficiëntie kon niet rechtstreeks in verband worden gebracht met een economische sector in het onderzoek van de Commissie (de zogenaamde “sectoroverschrijdende subsidies”), terwijl 27 % werd verleend in de sector gezinshuishoudens en 11 % in de energiesector.

Verhoging van de subsidies voor energie-efficiëntie zou ook hebben bijgedragen tot de dalende energie-intensiteit van de EU-economie. Het bbp van de EU-27 steeg tussen 2015 en 2019 met 14,5 %, terwijl in dezelfde periode het eindverbruik van beschikbare energie steeg met 3,4 %, wat betekent dat de energie-intensiteit van de EU-economie met 10% daalde. Een verdere verschuiving van subsidies ter stimulering van het energieverbruik naar subsidies voor energie-efficiëntiemaatregelen zou bijdragen tot de aanhoudende dalende trend van de energie-intensiteit van de EU-economie.

Afbeelding 5 Subsidies voor energie-efficiëntie in de EU

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU.

Wat de andere sectoren betreft, ontving de sector gezinshuishoudens ongeveer 8 % van de totale energiesubsidies binnen alle economische sectoren, waarbij het grootste deel van de subsidies niet rechtstreeks toe te schrijven was aan energiedragers (bv. energie-efficiëntie) en steun aan het elektriciteitsverbruik 16 .

Prijsregulering, zowel aan de consumenten- als aan de producentenzijde, speelde nog steeds een belangrijke rol op de Europese energiemarkten, hoewel de subsidies voor deze maatregelen de laatste jaren een dalende trend lieten zien. De consumentenprijsgaranties (bv. in de vorm van sociale tarieven) bedroegen in 2019 2,1 miljard EUR en kwamen vooral ten goede aan de sector gezinshuishoudens. Producentenprijsgaranties (bv. koopovereenkomsten, brandstofkostengaranties enz.) waren vooral kenmerkend voor de energiesector en bedroegen 3,6 miljard EUR in 2019.

De subsidies voor capaciteitsbetaling bleven de afgelopen jaren in hoge mate stabiel en bedroegen 2,1 miljard EUR in 2019.

De subsidies voor waterstof namen de afgelopen jaren aanzienlijk toe, van 195 miljoen EUR in 2015 naar 350 miljoen EUR in 2019. Het ging hier hoofdzakelijk om O&O-uitgaven, maar in 2019 namen sommige EU-lidstaten ook afzonderlijke maatregelen in de vorm van subsidies voor de ontwikkeling van infrastructuur voor waterstoftankstations en steun voor brandstofcellen. Net als de Commissie in 2020 heeft gedaan, stellen steeds meer lidstaten hun waterstofstrategie vast en voorzien zij voor het komende decennium in aanzienlijke capaciteiten voor elektrolyse, infrastructuur voor waterstofbrandstof en de ontwikkeling van en marktondersteuningsprogramma’s voor andere waterstofgerelateerde activa, zodat verwacht wordt dat de subsidies voor de ontwikkeling van waterstof de komende jaren zullen blijven toenemen.

2.

2.2Subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU

Tussen 2015 en 2019 steeg het totale bedrag aan subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU met 4 %. Er was een meetbare daling in 2020, aangezien de subsidies voor fossiele brandstoffen daalden tot 52 miljard EUR 17 , voornamelijk als gevolg van lagere vervoersactiviteiten 18 .

Wat de verschillende sectoren van de economie betreft, namen de subsidies voor fossiele brandstoffen in de energiesector tussen 2015 en 2019 met 1,8 miljard EUR af (- 10 %), voornamelijk als gevolg van de afnemende subsidies voor steenkool en bruinkool (dalend verbruik bij de elektriciteitsproductie), een positieve ontwikkeling met het oog op de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de EU. In 2020 daalden de subsidies voor fossiele brandstoffen in de energiesector verder.

Daartegenover staat dat de subsidies voor fossiele brandstoffen in de vervoerssector in dezelfde periode met 3,4 miljard EUR (+ 25 %) stegen, als gevolg van toenemende subsidies voor aardolieproducten. In 2020 daalden de subsidies in de vervoerssector, en met name in de luchtvaart, meetbaar.

De subsidies voor fossiele brandstoffen stegen ook in de landbouw (+ 0,6 miljard EUR of 10 % tussen 2015 en 2019), en de sector ontving overwegend subsidies in de vorm van steun voor het verbruik van aardolieproducten. De subsidies voor fossiele brandstoffen stegen in dezelfde periode met 0,3 miljard EUR (+ 13 %) voor huishoudens, voornamelijk in de vorm van subsidies voor het verbruik van stookolie en aardgas.

De subsidies voor fossiele brandstoffen in de industrie, die voornamelijk worden verstrekt in de vorm van belastingverlagingen en -vrijstellingen voor energiegebruik, daalden daarentegen tussen 2015 en 2019 met 0,5 miljard EUR (- 4 %), aangezien de daling van de subsidies voor steenkool groter was dan de stijging van de subsidies voor gas.

Afbeelding 6 Subsidies voor fossiele brandstoffen in verschillende sectoren in de EU

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU.

De subsidies voor aardolieproducten, die meer dan de helft van de totale subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU vertegenwoordigden, stegen tussen 2015 en 2019 met 4,4 miljard EUR (+ 18 %). Deze stijging kan vooral worden toegeschreven aan de vervoerssector en, in mindere mate, aan de landbouw. De aardoliesubsidies stegen met 2,5 miljard EUR (+ 40 %) in Frankrijk en met 0,6 miljard EUR (+ 19 %) in België, terwijl zij in Zweden met 0,4 miljard EUR (- 24 %) daalden. In 2020 lieten de subsidies voor aardolieproducten een meetbare daling zien (ongeveer 13 %) ten opzichte van 2019, als gevolg van de daling van het brandstofverbruik door de pandemiegerelateerde beperkingen van de vervoers- en reisactiviteiten.

De subsidies voor steenkool en bruinkool daalden in de EU tussen 2015 en 2019 gestaag, voornamelijk als gevolg van het afnemende gebruik van vaste brandstoffen bij de elektriciteitsproductie. De subsidies voor steenkool daalden in deze periode met 1,8 miljard EUR (- 20 %). De twee grootste dalingen van de subsidies voor vaste brandstoffen in deze periode konden worden waargenomen in Duitsland (- 1,3 miljard EUR, 27 %) en Spanje (- 0,5 miljard EUR, 61 %). Door de stijgende prijzen van de Europese emissierechten in de afgelopen jaren zijn vaste brandstoffen steeds minder concurrerend geworden voor de elektriciteitsproductie. In de toekomst zouden de subsidies voor de steenkoolsector echter tijdelijk kunnen toenemen, aangezien in verschillende lidstaten compensatieregelingen voor de sluiting van krachtcentrales zijn gepland.

De subsidies voor aardgas stegen tussen 2015 en 2019 met 0,8 miljard EUR (+ 10 %) en vertegenwoordigden ongeveer 16 % van de subsidies voor fossiele brandstoffen, iets meer dan het aandeel van steenkool en bruinkool (13 %). Zowel in Duitsland als in Frankrijk stegen de aardgassubsidies in deze periode met 0,5 miljard EUR, terwijl de subsidiewijzigingen in de andere landen een gemengd beeld lieten zien. Ondanks de toenemende rol van aardgas in de elektriciteitsproductie in de EU in 2020, namen de subsidies in dat jaar niet toe, waarschijnlijk als gevolg van de lage groothandelsprijzen voor gas, waardoor de brandstofkosten in deze periode daalden.

Ongeveer driekwart van de totale subsidies voor fossiele brandstoffen werd in 2019 in de EU verstrekt in de vorm van belastinguitgaven (belastingverlagingen, vrijstellingen). Inkomens- en prijssteun (bv. prijsgaranties, capaciteitsbetalingen, teruglevertarieven en premies enz.) was goed voor ongeveer 20 %, terwijl het aandeel van de rechtstreekse betalingen (bv. subsidies) 5 % bedroeg.

Het belang van de subsidies voor fossiele brandstoffen, afgezet tegen de omvang van de economie, verschilt aanzienlijk tussen de EU-lidstaten. In 2019 gaf Hongarije het meest uit aan subsidies voor fossiele brandstoffen (1,2 % van het bbp), terwijl Malta slechts 0,01 % uitgaf. In de EU bedroegen de subsidies voor fossiele brandstoffen gemiddeld 0,4 % van het bbp, wat vergelijkbaar is met het aandeel in 2015.

Hongarije gaf het meest uit aan de subsidiëring van aardolie en aardolieproducten, namelijk 1 % van het bbp in 2019, terwijl Cyprus en België 0,7 % en Griekenland 0,6 % van hun respectieve bbp aan aardoliesubsidies besteedden. Bulgarije besteedde 0,9 % van het bbp aan algemene ondersteuning van de behoefte in de vorm van accijnsverlagingen. Polen en Slowakije besteedden 0,2 % van het bbp aan de subsidiëring van steenkool, terwijl Portugal en Letland in 2019 eenzelfde aandeel aan aardgassubsidies besteedden.

Afbeelding 7 — Subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU-lidstaten, als percentage van het bbp en in miljard euro in 2019

Bron: Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU.

3.Het effect op de markt van de COVID-19-pandemie op energiesubsidies en herstelprogramma’s van de EU-lidstaten

Vanaf maart 2020 werden maatregelen opgelegd die resulteerden in wijdverspreide lockdowns en beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de EU-landen en elders in de wereld, en werd de vraag naar energieproducten aanzienlijk beïnvloed, wat leidde tot een onmiddellijke daling van het verbruik en tot markttarieven die tot een meerjarig dieptepunt daalden.

Zoals in het onderzoek van de Commissie wordt geraamd, daalden de subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU in 2020 met 7 % ten opzichte van 2019, voornamelijk als gevolg van het dalende brandstofverbruik. De subsidies voor belastinguitgaven, die een betere benadering geven van het effect van de marktontwikkelingen op de vraag naar energie, daalden in 2020 met 9 % op jaarbasis. Een aanzienlijk deel (ongeveer 60 %) van deze daling van de subsidies voor belastinguitgaven kan in verband worden gebracht met de daling van het kerosineverbruik in de luchtvaart. In het onderzoek van de Commissie wordt, weliswaar op basis van beperkte gegevens, geraamd dat het teruglevertarief en de premiesubsidie voor hernieuwbare energie in 2020 met 4 % zullen zijn gedaald 19 , grotendeels ten gevolge van de lage groothandelsprijzen voor elektriciteit, zelfs indien de productie van hernieuwbare energie in 2020 zou blijven toenemen.

Aangezien de daling van de subsidies voor fossiele brandstoffen in 2020 naar verwachting grotendeels zal worden veroorzaakt door de verandering in het brandstofverbruik, zou het economisch herstel in de daaropvolgende jaren kunnen bijdragen tot het bereiken van de klimaatdoelstellingen van de EU. De herstel- en veerkrachtfaciliteit 20 , die in februari 2021 in werking is getreden, heeft tot doel de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te verminderen en de Europese economieën en samenlevingen duurzamer en veerkrachtiger te maken en beter voor te bereiden op de uitdagingen en kansen van de groene en digitale transitie. Om in aanmerking te komen voor steun uit de faciliteit hebben de meeste lidstaten hun herstel- en veerkrachtplannen bij de Europese Commissie ingediend. Investeringen die de transitie naar groene energie vergemakkelijken, zoals maatregelen ter ondersteuning van de productie en het gebruik van hernieuwbare energie, de inzet van technologieën voor energieopslag, de bevordering van hernieuwbare warmte en energiegemeenschappen, energie-efficiëntiemaatregelen enz., zijn belangrijke onderdelen van de plannen.

4.Conclusies

Sinds de vaststelling van het verslag over de stand van de energie-unie van 2020 zijn verscheidene wetgevingsmaatregelen genomen, waaronder de vaststelling van de Europese klimaatwet, waarbij de governanceverordening is gewijzigd, en de vaststelling van de nieuwe taxonomieverordening, die beide gevolgen hebben voor de energiemarkt en de subsidies. Wijziging van de governanceverordening en meer gedetailleerde specificatie van de verslagleggingsvoorschriften inzake subsidies en de afbouw ervan zullen ertoe leiden dat de lacunes in de gegevens worden aangevuld en een duidelijker beeld wordt verkregen van de situatie in de lidstaten. De doeltreffendheid van de nieuwe wetgeving kan de volgende keer dat gegevens over subsidies wordt verzamelen worden gemeten.

Verwacht wordt dat de huidige inspanningen rond de EU-strategie voor duurzame financiering en de EU-taxonomie op middellange termijn ook zullen helpen om investeringen om te buigen in de richting van duurzame energie, door instrumenten aan te reiken om ecologisch duurzame economische activiteiten te identificeren en de uitvoering te faciliteren van initiatieven om groene investeringen tegen lagere kosten op te schalen.

Parallel met het economisch herstel zouden de subsidies voor fossiele brandstoffen, die in 2020 zijn gedaald, bij een toenemend verbruik in de komende jaren weer kunnen aantrekken. Verwacht wordt dat de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten, door de transitie naar groene energie te bevorderen, zullen leiden tot een vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen op de lange termijn.

De gedetailleerde resultaten van het onderzoek van de Commissie naar subsidies zullen eveneens worden gepubliceerd om een volledig beeld van de situatie te geven.

(1)    Artikel 35, punt n, van Verordening 2018/1999/EU inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, hierna “de governanceverordening” genoemd.
(2)   https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1602743359876&uri=COM%3A2020%3A950%3AFIN#document3 , hierna: “het verslag van de Commissie 2020 over subsidies”.
(3)    https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32021R1119&from=EN%20Recital%2029
(4)   https://www.g7uk.org/wp-content/uploads/2021/06/Carbis-Bay-G7-Summit-Communique-PDF-430KB-25-pages-3-1.pdf  
(5)    Artikel 13, lid 7, punt b), van de Europese klimaatwet.
(6)    Er is al met de voorbereidende werkzaamheden voor de uitvoeringswet begonnen en het is de bedoeling dat de uitvoeringswet eind 2022 wordt vastgesteld.
(7)    https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52021PC0563&from=EN
(8)    Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198/13 van 22.6.2020), https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32020R0852&from=EN
(9)    Onderzoek naar energiesubsidies en andere overheidsinterventies in de EU, hierna: “het onderzoek van de Commissie”.
(10)    Als gevolg van de herbeoordeling van de subsidie-inventarisatie voor de voorgaande jaren en de wijziging van de monetaire basis (“uitgedrukt in euro’s 2020” in het huidige verslag) kunnen de totaalbedragen in de grafieken van dit verslag verschillen van die in het laatste verslag over energiesubsidies dat in 2020 is gepubliceerd.
(11)    Voor sommige subsidieposten werden, indien deze voor 2020 niet beschikbaar was, de gegevens voor 2019 als raming voor 2020 genomen. In de meeste gevallen wordt in dit verslag verwezen naar de gegevens van 2020, maar als alleen de gegevens van 2019 robuust genoeg zijn voor de analyse, worden deze als de laatst beschikbare gegevens genomen.
(12) World Trade Organisation (WTO), Agreement on Subsidies and Countervailing Measures (Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen), https://www.wto.org/english/tratop_e/scm_e/scm_e.htm  
(13)    Zie het onderzoek van de Commissie voor meer informatie over de methodologie voor energiesubsidies.
(14)    In het huidige verslag worden ook subsidies voor de visserij meegenomen.
(15)    Subsidies in verband met de energiebehoefte stimuleren het energieverbruik in diverse economische sectoren, bijvoorbeeld via belastingverlagingen of -teruggaven voor energieverbruik, gereguleerde prijzen in bepaalde sectoren, rechtstreekse betalingen ter verlichting van de lasten van de consument als gevolg van energiekosten. Sommige subsidies in verband met de energiebehoefte hebben maatschappelijke implicaties die verder gaan dan zuiver economische overwegingen en een sterke maatschappelijke dimensie hebben, waarmee bij beleidsbeslissingen ook rekening moet worden gehouden.
(16)    Hoofdzakelijk in de vorm van btw-verlagingen. Speciale vormen van financiële steun voor kwetsbare huishoudens moeten met zorg worden doorgevoerd, waarbij verder moet worden gekeken dan strikt energiemarktgerelateerde overwegingen.
(17)    Om een consistente methodologie te volgen voor alle lidstaten, energiedragers, sectoren en subsidie-instrumenten, zijn sommige posten die in andere bronnen als subsidie worden beschouwd, in het onderzoek van de Commissie niet meegeteld in de totale aantallen. Veel lidstaten passen bijvoorbeeld verschillende accijnstarieven toe voor benzine en diesel, waar de daaruit voortvloeiende subsidies aanzienlijk kunnen zijn. Ook de internationale luchtvaart en het zeevervoer buiten de EU zijn niet meegenomen.
(18)  Aangezien zowel het bbp als het energieverbruik in 2020 met ongeveer 7 % daalden, vertegenwoordigde het bedrag aan subsidies in 2020 dezelfde intensiteit ten opzichte van het energieverbruik als in 2019. Er is dus geen duidelijke trend tot verlaging van het subsidieniveau, ondanks de internationale toezeggingen van de EU.
(19)    Deze analyse was gebaseerd op slechts een beperkt aantal lidstaten waarvoor gegevens beschikbaar waren. De teruglevertarieven en premiesubsidies stegen in de landen waar de groothandelstarieven voor elektriciteit het sterkst daalden, terwijl deze subsidies in andere landen daalden, waarschijnlijk als gevolg van het aflopen van oude subsidiecontracten voor de aankoop van elektriciteit, aangezien nieuwe contracten minder subsidies inhouden of volledig op de markt gebaseerd zijn.
(20)   https://ec.europa.eu/info/business-economy-euro/recovery-coronavirus/recovery-and-resilience-facility_en  
Top