EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020PC0488

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat verdrag en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/510 van de Raad

COM/2020/488 final

Brussel, 7.9.2020

COM(2020) 488 final

2020/0243(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat verdrag en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/510 van de Raad


TOELICHTING

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (“het NEAFC-verdrag”) moet worden ingenomen in verband met de toetreding - op eigen titel tijdens de overgangsperiode - van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (“het Verenigd Koninkrijk”) tot dat verdrag.

1.Achtergrond van het voorstel

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Raad kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Europese Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie onderhandeld over een terugtrekkingsakkoord. Het terugtrekkingsakkoord 1 is op 1 februari 2020 in werking getreden nadat het op 17 oktober 2019 was goedgekeurd, samen met de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 127, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord voorziet in een overgangsperiode gedurende welke het recht van de Unie op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing blijft (“de overgangsperiode”). De overgangsperiode loopt af op 31 december 2020. Krachtens artikel 129, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord is het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode gebonden door de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale overeenkomsten die zijn gesloten door de Unie, door lidstaten die namens de Unie optreden, of door de Unie en haar lidstaten samen. In artikel 129, lid 3, van het terugtrekkingsakkoord is bepaald dat het Verenigd Koninkrijk zich overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tijdens de overgangsperiode moet onthouden van acties en initiatieven die de belangen van de Unie zouden kunnen schaden, met name in het kader van internationale organisaties, agentschappen, conferenties of fora waarbij het Verenigd Koninkrijk op eigen titel partij is.

De Unie heeft haar internationale partners ingelicht over de in het terugtrekkingsakkoord vastgestelde specifieke regelingen waarbij het Verenigd Koninkrijk gedurende een overgangsperiode als een lidstaat wordt behandeld voor de toepassing van de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten.

Het hoofddoel van het NEAFC-verdrag is “de instandhouding en het optimale gebruik van de visbestanden van het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan te bevorderen binnen een kader dat passend is voor de regeling met betrekking tot uitgebreide rechtsmacht van kuststaten op het gebied van visgronden, en dienovereenkomstig internationale samenwerking en internationaal overleg met betrekking tot de visbestanden te stimuleren”. Het NEAFC-verdrag is op 17 maart 1982 in werking getreden. Het Verenigd Koninkrijk is depositaris van het NEAFC-verdrag.

Het NEAFC-verdrag van 1982 verving het oorspronkelijke Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan van 1959 als gevolg van de terugtrekking van de lidstaten van de Europese Unie als afzonderlijke leden uit de NEAFC-organisatie van 1963 en de uitbreiding van de visserijgrenzen van de staten tot 200 mijl in 1977. Het NEAFC-verdrag van 1959 had op zijn beurt het Verdrag nopens het vaststellen van een maaswijdte van visnetten en van minimummaten op sommige vissoorten van 1946 vervangen.

Het NEAFC-verdrag van 1982 is gewijzigd in 2004 (om procedures voor de regeling van geschillen toe te voegen) en in 2006 (om het in overeenstemming te brengen met ontwikkelingen in het internationale recht en de internationale instrumenten). Niet alle verdragsluitende partijen hebben voor de wijzigingen van 2004 en 2006 het volledige ratificatieproces doorlopen. Met de Verklaring van Londen van 2006 zijn de partijen evenwel overeengekomen de wijzigingen op vrijwillige basis toe te passen tot de ratificatie is afgerond.

Voor de toepassing van het NEAFC-verdrag hebben de verdragsluitende partijen de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (“NEAFC”) opgericht. De NEAFC bezit rechtspersoonlijkheid en beschikt in haar betrekkingen met andere internationale organisaties en op het grondgebied van de verdragsluitende partijen over de rechtsbevoegdheid die nodig is voor de uitvoering van haar taken en de verwezenlijking van haar doelstellingen.

Er zijn vijf verdragsluitende partijen, die allemaal kuststaten in het NEAFC-verdragsgebied zijn: de Europese Unie (EU), Denemarken (met betrekking tot de Faeröer en Groenland), IJsland, Noorwegen en de Russische Federatie. Vlaggenstaten met een reëel belang bij de visserijen in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan kunnen de status van samenwerkende niet-verdragsluitende partij krijgen, waardoor zij onder hun vlag varende vaartuigen kunnen machtigen om actief te zijn in het NEAFC-verdragsgebied voor zover zij ermee instemmen de NEAFC-maatregelen te handhaven. Momenteel zijn er zes samenwerkende niet-verdragsluitende partijen: de Bahama’s, Canada, Curaçao, Liberia, Panama en Nieuw-Zeeland.

De Europese Unie is partij bij het NEAFC-verdrag 2 omdat dat verdrag handelt over aangelegenheden die vallen binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid, waarvoor de Unie exclusief bevoegd is. De lidstaten vallen krachtens het recht van de Unie onder het NEAFC-verdrag.

De NEAFC is bevoegd om aanbevelingen vast te stellen voor beheersmaatregelen met betrekking tot de visserijen buiten de gebieden waarin de verdragsluitende partijen jurisdictie over de visserij uitoefenen (“het gereglementeerde gebied”) en voor gebieden waarin een verdragsluitende partij jurisdictie over de visserij uitoefent indien de betrokken verdragsluitende partij daarom verzoekt. Vastgestelde aanbevelingen worden bindend voor de verdragsluitende partijen, tenzij een verdragsluitende partij tijdig bezwaar maakt tegen de aanbeveling.

Volgens het NEAFC-verdrag kan elke staat (uitgezonderd een lidstaat van de Europese Unie) te allen tijde tot het verdrag toetreden, mits de toetredingsaanvraag van die staat de goedkeuring krijgt van driekwart van alle verdragsluitende partijen. De aanvraag wordt goedgekeurd als driekwart van de verdragsluitende partijen de depositaris binnen 90 dagen na de datum van kennisgeving heeft meegedeeld de aanvraag goed te keuren 3 . De depositaris stelt de om toetreding verzoekende staat en alle verdragsluitende partijen in kennis van de uitkomst van de aanvraag. De toetreding geschiedt door neerlegging van een toetredingsinstrument bij de depositaris en wordt van kracht op de datum van ontvangst van dat instrument.

Op 8 januari 2019 heeft het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend om toe te treden tot het NEAFC-verdrag als verdragsluitende partij. Op dezelfde dag stelde de depositaris de Europese Commissie daarvan in kennis.

Bij Besluit (EU) 2019/510 van de Raad 4 werd het standpunt van de Unie vastgesteld, dat inhield dat de aanvraag tot toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag werd goedgekeurd. Bij datzelfde besluit werd de Commissie gemachtigd om de depositaris van het NEAFC-verdrag alleen in kennis te stellen van het standpunt van de Unie indien het Verenigd Koninkrijk zich vóór het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn uit de Unie zou hebben teruggetrokken zonder terugtrekkingsakkoord.

De toetredingsaanvraag van het Verenigd Koninkrijk kreeg niet de vereiste goedkeuring van driekwart van alle verdragsluitende partijen: het quorum van driekwart van de verdragsluitende partijen dat de depositaris in kennis moest stellen van hun goedkeuring van de aanvraag, was niet gehaald.

Overeenkomstig artikel 129, lid 4, van het terugtrekkingsakkoord kan het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode onderhandelen over internationale overeenkomsten die het in eigen hoedanigheid heeft gesloten op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, alsook deze ondertekenen en bekrachtigen, mits deze overeenkomsten niet in werking treden of van toepassing zijn tijdens de overgangsperiode, tenzij de Unie daartoe machtiging geeft. Besluit (EU) 2020/135 van de Raad 5 bevat de voorwaarden en procedure voor het geven van dergelijke machtigingen.

Bij brief van 3 april 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Commissie in kennis gesteld van zijn voornemen om kenbaar te maken dat het ermee instemt zich tijdens de overgangsperiode in eigen hoedanigheid te laten binden door het NEAFC-verdrag. Uitvoeringsbesluit XXX van de Raad 6 machtigt het Verenigd Koninkrijk om kenbaar te maken dat het ermee instemt zich in eigen hoedanigheid te laten binden door het NEAFC-verdrag, omdat aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van Besluit (EU) 2020/135 van de Raad is voldaan.

2.Namens de Unie in te nemen standpunt

Het onderhavige besluit van de Raad moet de Commissie in staat stellen om vóór het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag namens de Unie goed te keuren.

Een van de hoofddoelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 7 , is er borg voor te staan dat de visserijactiviteiten uit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzaam zijn, dat ze worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid te realiseren en de visbestanden boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en dat ze bijdragen tot het aanbod van levensmiddelen.

Het is in het belang van de Unie dat het Verenigd Koninkrijk meewerkt aan het beheer van de visbestanden van gemeenschappelijk belang, met volledige inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 8 (“Unclos”), de Overeenkomst van de Verenigde Naties van 4 augustus 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden 9 (“UNFSA”) of enige andere internationale overeenkomst of norm in het internationale recht.

Op grond van de artikelen 56, 63 en 116 van het Unclos heeft het Verenigd Koninkrijk rechtmatige belangen bij de visserij in het NEAFC-verdragsgebied (de volle zee) en als kuststaat, in zoverre de wateren in de exclusieve economische zone van het Verenigd Koninkrijk vallen onder het NEAFC-verdragsgebied.

Krachtens artikel 63, lid 2, van het Unclos en artikel 8 van de UNFSA moeten, wanneer eenzelfde bestand of bestanden van verwante soorten in zowel de exclusieve economische zone als in een gebied buiten en grenzend aan die zone voorkomen, de kuststaat en de staten die in het aangrenzend gebied op die bestanden vissen, samenwerken om tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van die bestanden in het aangrenzende gebied. Deze samenwerking kan plaatsvinden in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) of, wanneer de ROVB’s niet bevoegd zijn voor het betrokken bestand, in het kader van ad-hocregelingen tussen de landen met een belang bij de desbetreffende visserij.

De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag zal het Verenigd Koninkrijk in staat stellen mee te werken aan de nodige visserijbeheersmaatregelen en te waarborgen dat het bestand (de bestanden) bij de visserijactiviteiten op een duurzame wijze wordt (worden) geëxploiteerd.

In het licht van de rechtmatige belangen van het Verenigd Koninkrijk bij de visserij in het NEAFC-verdragsgebied, de verplichting van het Verenigd Koninkrijk om mee te werken aan het nodige visserijbeheer en de noodzaak om het bindende karakter van de NEAFC-aanbevelingen bij de toetreding van het Verenigd Koninkrijk te verzekeren, beveelt de Commissie aan dat de aanvraag van het Verenigd Koninkrijk wordt aanvaard.

Voorgesteld wordt om de Commissie te machtigen de depositaris van het NEAFC-verdrag in kennis te stellen van het standpunt van de Unie dat zij vóór toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag is.

3.Rechtsgrondslag

3.1.Procedurele rechtsgrondslag

3.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat ook handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de regels van het internationaal recht. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die internationaalrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 10 .

3.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Elke staat kan te allen tijde tot het NEAFC-verdrag toetreden. De aanvraag wordt goedgekeurd als driekwart van de verdragsluitende partijen binnen 90 dagen na de datum waarop de depositaris kennis heeft gegeven van de ontvangst van de aanvraag, aan de depositaris heeft meegedeeld de aanvraag goed te keuren. De depositaris stelt de om toetreding verzoekende staat en alle verdragsluitende partijen in kennis van de uitkomst van de aanvraag.

De toetreding geschiedt door neerlegging van een toetredingsinstrument bij de depositaris en wordt van kracht op de datum van ontvangst van dat instrument. De depositaris stelt alle ondertekenaars en toetredende partijen in kennis van alle neergelegde bekrachtigings-, aanvaardings-, goedkeurings- of toetredingsinstrumenten en deelt de ondertekenaars mee op welke datum dit verdrag voor welke partijen in werking treedt.

Zodra de toetreding van het Verenigd Koninkrijk van kracht is, is deze bindend uit hoofde van het internationaal recht overeenkomstig artikel 24 van het NEAFC-verdrag en kan deze beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-regelgeving.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het NEAFC-verdrag. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

3.2.Materiële rechtsgrondslag

3.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de voorgenomen handeling verschillende doelstellingen heeft of uit verschillende componenten bestaat, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstellingen of componenten slechts ondergeschikt zijn, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

3.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43 VWEU.

3.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 43 VWEU in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

2020/0243 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat verdrag en tot intrekking van Besluit (EU) 2019/510 van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan 11 (“het NEAFC-verdrag”) werd goedgekeurd bij Besluit 81/608/EEG van de Raad 12 en is op 17 maart 1982 in werking getreden.

(2)Het NEAFC-verdrag is momenteel van toepassing op het Verenigd Koninkrijk omdat de Unie verdragsluitende partij bij dat verdrag is, terwijl artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag uitsluit dat lidstaten van de Unie ertoe toetreden.

(3)Op grond van artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag kan elke staat tot het NEAFC-verdrag toetreden, mits de toetredingsaanvraag van die staat binnen 90 dagen na de datum waarop de depositaris kennis heeft gegeven van de ontvangst van de aanvraag, de goedkeuring krijgt van driekwart van alle verdragsluitende partijen.

(4)Op 8 januari 2019 heeft het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend om toe te treden tot het NEAFC-verdrag als verdragsluitende partij. Op dezelfde dag stelde de depositaris de Europese Commissie daarvan in kennis.

(5)Op 25 maart stelde de Raad Besluit (EU) 2019/510 13 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het NEAFC-verdrag moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat verdrag vast. Dat besluit sprak zich uit vóór toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag en was bedoeld om te anticiperen op de situatie waarin het Verenigd Koninkrijk de Unie zonder terugtrekkingsakkoord zou verlaten. Bijgevolg machtigde Besluit (EU) 2019/510 de Commissie alleen om het standpunt van de Unie mee te delen ingeval er geen terugtrekkingsakkoord zou worden gesloten.

(6)Bovendien kreeg de toetredingsaanvraag van het Verenigd Koninkrijk niet de vereiste goedkeuring van driekwart van alle verdragsluitende partijen: het quorum van driekwart van de verdragsluitende partijen dat de depositaris in kennis moest stellen van hun goedkeuring van de aanvraag, was niet gehaald.

(7)Overeenkomstig artikel 129, lid 4, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie kan het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode onderhandelen over internationale overeenkomsten die het in eigen hoedanigheid heeft gesloten op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, alsook deze ondertekenen en bekrachtigen, mits deze overeenkomsten niet in werking treden of van toepassing zijn tijdens de overgangsperiode, tenzij de Unie daartoe machtiging geeft. Besluit (EU) 2020/135 van de Raad 14 bevat de voorwaarden en procedure voor het geven van dergelijke machtigingen.

(8)Bij brief van 3 april 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Commissie in kennis gesteld van zijn voornemen om kenbaar te maken dat het ermee instemt zich tijdens de overgangsperiode in eigen hoedanigheid te laten binden door het NEAFC-verdrag.

(9)Uitvoeringsbesluit (EU) XXX van de Raad 15 machtigt het Verenigd Koninkrijk om kenbaar te maken dat het ermee instemt zich in eigen hoedanigheid te laten binden door het NEAFC-verdrag, omdat aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van Besluit (EU) 2020/135 is voldaan.

(10)Op grond van de artikelen 56, 63 en 116 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (“Unclos”) 16 heeft het Verenigd Koninkrijk als kuststaat rechtmatige belangen bij de visserij in het NEAFC-verdragsgebied (de volle zee), in zoverre de wateren in de exclusieve economische zone van het Verenigd Koninkrijk vallen onder het NEAFC-verdragsgebied.

(11)Om niet-duurzame visserij te voorkomen, is het in het belang van de Unie dat het Verenigd Koninkrijk meewerkt aan het beheer van de visbestanden van gemeenschappelijk belang, met volledige inachtneming van de bepalingen van het Unclos, de Overeenkomst van de Verenigde Naties van 4 augustus 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (“UNFSA”) 17 of enige andere internationale overeenkomst of norm in het internationale recht.

(12)Krachtens artikel 63, lid 2, van het Unclos en artikel 8 van de UNFSA moeten, wanneer eenzelfde bestand of bestanden van verwante soorten in zowel de exclusieve economische zone als in een gebied buiten en grenzend aan die zone voorkomen, de kuststaat en de staten die in het aangrenzend gebied op die bestanden vissen, samenwerken om tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van die bestanden in het aangrenzende gebied. Een dergelijke samenwerking kan tot stand worden gebracht in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer. De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag zal het Verenigd Koninkrijk in staat stellen mee te werken aan de nodige visserijbeheersmaatregelen en te waarborgen dat het betrokken bestand (de betrokken bestanden) bij de visserijactiviteiten op een duurzame wijze wordt (worden) geëxploiteerd.

(13)Door nog vóór het verstrijken van de overgangsperiode toe te treden, kan het Verenigd Koninkrijk volledig uitvoering geven aan de Unclos-verplichtingen inzake instandhoudings- en beheersmaatregelen die van kracht worden wanneer de overgangsperiode is afgelopen en het Unierecht niet meer voor het Verenigd Koninkrijk geldt. Het is bijgevolg in het belang van de Unie om de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot het NEAFC-verdrag goed te keuren vóór het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn.

(14)Duidelijkheidshalve en omwille van de rechtszekerheid moet Besluit (EU) 2019/510 worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (“het NEAFC-verdrag”), houdt in dat de aanvraag tot toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag wordt goedgekeurd.

2.De Commissie wordt gemachtigd om de depositaris van het NEAFC-verdrag vóór het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn in kennis te stellen van het standpunt van de Unie.

Artikel 2

Besluit (EU) 2019/510 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, PB C 384I van 12.11.2019, blz. 1.
(2)    PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21.
(3)    Voor de op 8 januari 2019 ingediende aanvraag van het Verenigd Koninkrijk verstrijkt de termijn van 90 dagen op 8 april 2019.
(4)    Besluit (EU) 2019/510 van de Raad van 25 maart 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat Verdrag, PB L 85 van 27.3.2019, blz. 22.
(5)    Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1.
(6)    (PB L xxx van xxx, blz. xxx).
(7)    PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(8)    Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3.
(9)    Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden - Verklaring over de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap - Interpreterende verklaringen, PB L 189 van 3.7.1998, blz. 17.
(10)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(11)    PB L 227 van 12.8.1981, blz. 22.
(12)    Besluit 81/608/EEG van de Raad van 13 juli 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21).
(13)    Besluit (EU) 2019/510 van de Raad van 25 maart 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat Verdrag (PB L 85 van 27.3.2019, blz. 22).
(14)    Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).
(15)    Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/XXX van de Raad van [datum] betreffende de machtiging van het Verenigd Koninkrijk om kenbaar te maken dat het ermee instemt zich, in eigen hoedanigheid, te laten binden door bepaalde internationale overeenkomsten die tijdens de overgangsperiode in werking treden of moeten worden toegepast op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Unie (PB L xxx van xxx, blz. xxx).
(16)    PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3.
(17)    PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14.
Top