EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020PC0369

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 33.02.03.01 – Vennootschapsrecht)

COM/2020/369 final

Brussel, 13.8.2020

COM(2020) 369 final

2020/0172(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Begrotingsonderdeel 33.02.03.01 – Vennootschapsrecht)

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Met het oog op de nodige rechtszekerheid en homogeniteit van de interne markt dient het Gemengd Comité van de EER alle relevante EU-wetgeving zo spoedig mogelijk na de vaststelling ervan in de EER-overeenkomst op te nemen en het voor de EER-/EVA-staten mogelijk te maken aan voor de EER relevante EU-acties of -programma’s deel te nemen.

Het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER in de bijlage bij het voorstel voor een besluit van de Raad betreft een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende “samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden”. Dit is noodzakelijk om de EER-/EVA-staten in staat te stellen deel te nemen aan de programma’s en acties van de Unie die worden gefinancierd uit begrotingsonderdelen van de algemene begroting van de Europese Unie. In het onderhavige geval heeft deze wijziging tot doel de EER-/EVA-staten (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) in staat te stellen deel te nemen aan de EU-acties betreffende begrotingsonderdeel 33 02 03 01 “Vennootschapsrecht”, die in de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 zijn opgenomen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité in de bijlage is volledig verenigbaar met de doelstelling van de EER-overeenkomst om een voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met gelijke concurrentievoorwaarden, en de naleving van dezelfde regels, om een homogene Europese Economische Ruimte tot stand te brengen. 

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het besluit van het Gemengd Comité is ook verenigbaar met andere beleidsterreinen van de Unie, met name via de doelstelling om de homogeniteit van de interne markt van de EU te beschermen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 114, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU. Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad 1 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de EER-overeenkomst stelt de Raad met betrekking tot dit soort besluiten op voorstel van de Commissie het standpunt van de Unie vast.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

De doelstelling van dit voorstel, namelijk te zorgen voor de homogeniteit van de interne markt, kan onvoldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt en kan derhalve, gezien de gevolgen van de maatregelen, beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt.

Evenredigheid

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaat dit voorstel niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling - te zorgen voor de homogeniteit van de interne markt - te verwezenlijken.

Keuze van het instrument

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst is voor een besluit van het Gemengd Comité van de EER gekozen. Het Gemengd Comité van de EER ziet toe op de doeltreffende uitvoering en werking van de EER-overeenkomst. Het neemt besluiten in de gevallen waarin de EER-overeenkomst voorziet.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De EER-/EVA-staten dragen financieel bij aan begrotingsonderdeel 33 02 03 01 “Vennootschapsrecht” van de begroting van de Unie. Het exacte bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst zodra dit ontwerpbesluit is goedgekeurd.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Overeenkomstig het begrotingsbeleid van de EU kan slechts worden deelgenomen aan een EU-activiteit nadat de desbetreffende financiële bijdrage is betaald. Overeenkomstig Protocol 32 bij de EER-overeenkomst wordt de jaarlijkse financiële bijdrage van de EER-/EVA-staten evenwel uiterlijk op 31 augustus van elk jaar ter beschikking gesteld, naar aanleiding van de door de Europese Commissie opgestelde afroeping van de bedragen die uiterlijk op 15 augustus door de EER-/EVA-staten dient te zijn ontvangen.

Om de periode tussen januari en augustus te overbruggen is het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité derhalve vanaf januari met terugwerkende kracht van toepassing. Aldus wordt de in de EER-overeenkomst vervatte continuïteit van de samenwerking gedurende het volledige kalenderjaar gegarandeerd.

De terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de betrokken personen en neemt het beginsel van het gewettigd vertrouwen in acht.

2020/0172 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(Begrotingsonderdeel 33.02.03.01 – Vennootschapsrecht)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 2 , en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 3 (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten in uit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde EU-acties met betrekking tot het vennootschapsrecht.

(5)Protocol 31 moet derhalve worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2020 mogelijk te maken.

(6)Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient te worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(2)    PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(3)    PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
Top

Brussel, 13.8.2020

COM(2020) 369 final

BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden







(Begrotingsonderdeel 33.02.03.01 – Vennootschapsrecht)


BIJLAGE

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. […]

van […]

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten in uit de algemene begroting van de Unie gefinancierde EU-acties met betrekking tot het vennootschapsrecht.

(2)Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2020 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 7, lid 13, van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst worden de woorden “en 2019” vervangen door de woorden “, 2019 en 2020”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.



Gedaan te Brussel,

   Voor het Gemengd Comité van de EER

   De voorzitter

   

   

   De secretarissen

   van het Gemengd Comité van de EER

Top