EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020PC0177

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2017/352, teneinde havenbeheerders of bevoegde instanties in staat te stellen flexibiliteit te bieden bij het innen van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur in het kader van de uitbraak van COVID-19

COM/2020/177 final

Brussel, 29.4.2020

COM(2020) 177 final

2020/0067(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/352, teneinde havenbeheerders of bevoegde instanties in staat te stellen flexibiliteit te bieden bij het innen van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur in het kader van de uitbraak van COVID-19

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Volgens artikel 13 van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens 1 (hierna “Verordening (EU) 2017/352”) moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er een heffing op het gebruik van haveninfrastructuur wordt geïnd.

De uitbraak van COVID-19 heeft ernstige gevolgen voor het zeevervoer en de financiële duurzaamheid van exploitanten. In deze uitzonderlijke omstandigheden kunnen scheepsexploitanten dan ook worden geholpen door opschorting of uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur te verlenen.

Volgens artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/352 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er een heffing op het gebruik van haveninfrastructuur wordt geïnd.

Volgens artikel 2, lid 9, van Verordening (EU) 2017/352 is een heffing op het gebruik van haveninfrastructuur “een heffing die wordt geïnd, en direct of indirect ten goede komt aan de havenbeheerder of de bevoegde instantie, voor het gebruik van infrastructuur, installaties en diensten, met inbegrip van de waterweg naar de betrokken haven, en voor de toegang tot de verwerking van passagiers en vracht, maar met uitsluiting van landpachttarieven en heffingen van gelijke werking”.

Heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur worden van de havengebruikers, d.w.z. eigenaars of exploitanten van schepen, geïnd door een havenbeheerder of bevoegde instantie.

Volgens artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2017/352 mogen heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur worden gedifferentieerd voor, onder andere, bepaalde categorieën gebruikers maar mag een havenbeheerder of bevoegde instantie geen enkele havengebruiker ontheffing, opschorting, vermindering of uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur verlenen.

De nieuwe overgangsbepaling zal de lidstaten de mogelijkheid bieden om havenbeheerders of bevoegde instanties toe te staan te beslissen of zij:

ontheffing (kwijtschelding, d.w.z. helemaal geen betaling vereisen); of

opschorting (de betaling voor een bepaalde periode bevriezen); of

vermindering (het bedrag verlagen); of

uitstel (de betaling op een later tijdstip vorderen) van betaling van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur verlenen.

Omdat het onzeker is hoelang het zeevervoer gevolgen zal ondervinden van de uitbraak van COVID-19 en om de sector voldoende flexibiliteit te bieden, is de nieuwe overgangsbepaling van toepassing op de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020.

In artikel 13, lid 5, van Verordening (EU) 2017/352 is het volgende bepaald: “De havenbeheerder of de bevoegde instantie zorgt ervoor dat gebruikers van haveninfrastructuur in kennis worden gesteld van wijzigingen in de aard of het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur en dit ten minste twee maanden vóór de dag waarop die wijzigingen van kracht worden.”

Van de vereiste kennisgevingstermijn van “ten minste twee maanden” moet in uitzonderlijke omstandigheden, zoals de huidige coronacrisis, worden afgezien. Daarom biedt de voorgestelde wijziging havenbeheerders of bevoegde instanties de mogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden af te wijken van de kennisgevingstermijn van “ten minste twee maanden” en zelf een kortere termijn vast te stellen.

Verenigbaarheid met de bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Verordening (EU) 2017/352 biedt de havens niet de mogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden, zoals de gevolgen van de uitbraak van COVID-19, heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur niet te innen of die heffingen op te schorten, te verminderen of uit te stellen. De verordening moet derhalve zodanig worden gewijzigd dat de gevolgen van de huidige crisis kunnen worden beperkt en dat de lidstaten, bevoegde instanties en personen rechtszekerheid wordt geboden.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De doeltreffende werking van het zeevervoer hangt af van de economische prestaties van scheepsexploitanten. De negatieve economische effecten van de uitbraak van COVID-19 zullen gevolgen hebben voor de financiële gezondheid van scheepsexploitanten en ernstige negatieve gevolgen voor het vervoerssysteem en de economie als geheel. Een wijziging van Verordening (EU) 2017/352 waardoor de lidstaten de havenbeheerders of bevoegde instanties de flexibiliteit kunnen bieden om te besluiten de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur niet te innen, op te schorten, te verminderen of uit te stellen, kan dit probleem helpen aanpakken. De lidstaten zullen moeten waarborgen dat de vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de staatssteunregels.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel is gebaseerd op artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Die bepaling maakt de vaststelling van alle passende bepalingen op het gebied van zeevervoer mogelijk en vormde reeds de grondslag voor de vaststelling van Verordening (EU) 2017/352.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende redenen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Volgens Verordening (EU) 2017/352 kunnen de lidstaten om redenen zoals de huidige situatie de havens niet toestaan om de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur niet te innen of om die op te schorten, te verminderen of uit te stellen. Dat kan alleen door een wijziging van de verordening mogelijk worden gemaakt.

Evenredigheid

Het voorstel is beperkt in de tijd en gaat niet verder dan wat nodig is om de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor de toepassing van Verordening (EU) 2017/352 te temperen. De voorgestelde maatregel is daarom evenredig.

Keuze van het instrument

Aangezien de rechtshandeling een wijziging van Verordening (EU) 2017/352 inhoudt, is het passende rechtsinstrument een verordening.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Het gaat om een dringende maatregel als gevolg van de plotselinge en niet te voorziene uitbraak van COVID-19. Daarom is deze maatregel niet relevant voor het programma voor gezonde regelgeving en wordt achteraf geen evaluatie uitgevoerd.

Raadpleging van belanghebbenden

Gezien de urgentie zijn de belanghebbenden niet formeel geraadpleegd. Sommige instanties en havens van de lidstaten hebben echter al maatregelen aangekondigd die vergelijkbaar zijn met de geplande maatregelen.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Zoals reeds toegelicht, was er gezien de urgentie van de situatie geen tijd om expertise bijeen te brengen.

Effectbeoordeling

Gezien de urgentie van de situatie kon geen effectbeoordeling worden uitgevoerd.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De maatregel omvat geen specifieke controle- of rapportageregelingen. De lidstaten zal evenwel worden verzocht verslag uit te brengen over het gebruik van de maatregelen met het oog op de opstelling van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de werking en het effect van de verordening tegen 24 maart 2023, zoals vereist bij artikel 20 van Verordening (EU) 2017/352.

Artikelsgewijze toelichting

Aan artikel 21 van Verordening (EU) 2017/352 wordt een nieuw lid 3 toegevoegd. De nieuwe bepaling biedt de lidstaten de mogelijkheid om, niettegenstaande de bepalingen van artikel 13, lid 1, de havenbeheerders of bevoegde instanties toe te staan de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 niet te innen of om de betaling ervan op te schorten, te verminderen of uit te stellen. De ontheffing, de opschorting, de vermindering of het uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur moet op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden verleend aan alle havengebruikers die dergelijke heffingen betalen voor het gebruik van haveninfrastructuur. De nieuwe bepaling biedt havenbeheerders of bevoegde instanties ook de mogelijkheid om af te wijken van de in artikel 13, lid 5, van Verordening (EU) 2017/352 bedoelde kennisgevingstermijn van “ten minste twee maanden”.

2020/0067 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/352, teneinde havenbeheerders of bevoegde instanties in staat te stellen flexibiliteit te bieden bij het innen van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur in het kader van de uitbraak van COVID-19

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 2 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 3 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De uitbraak van COVID-19 heeft ernstige gevolgen voor het zeevervoer. De daaruit voortvloeiende ernstige gevolgen voor het zeevervoer en haveninfrastructuur zijn sinds 1 maart 2020 alomtegenwoordig en zullen zich waarschijnlijk ook in de rest van het jaar laten voelen. In deze uitzonderlijke omstandigheden kan een ontheffing, opschorting, vermindering of uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur derhalve bijdragen tot het in stand houden van de financiële activiteiten van scheepsexploitanten.

(2)Volgens artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad 4 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur worden geïnd door een havenbeheerder of bevoegde instantie. Op die heffingsplicht zijn geen uitzonderingen mogelijk, zelfs niet in uitzonderlijke omstandigheden.

(3)Gezien de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 is het wenselijk de lidstaten toe te staan de havenbeheerders of bevoegde instanties de mogelijkheid te bieden om de voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 verschuldigde heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur niet te innen of om de betaling op te schorten, te verminderen of uit te stellen. De ontheffing, de opschorting, de vermindering of het uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur moet op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden verleend aan alle havengebruikers die onderworpen zijn aan heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur.

(4)Gezien de urgentie is het ook wenselijk de havenbeheerders of de bevoegde instanties de mogelijkheid te bieden om af te wijken van de in artikel 13, lid 5, van Verordening (EU) 2017/352 bedoelde verplichting om de gebruikers van haveninfrastructuur ten minste twee maanden vóór die wijzigingen van kracht worden in kennis te stellen van eventuele wijzigingen in de aard of het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur.

(5)Aangezien de doelstelling van deze verordening de vaststelling vereist van een wijziging van Verordening (EU) 2017/352 en gezien de urgentie die door de uitbraak van COVID-19 is veroorzaakt, kan de Unie maatregelen vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(6)In het licht van de urgentie van de door de uitbraak van COVID-19 veroorzaakte uitzonderlijke omstandigheden zijn de voorgestelde maatregelen gerechtvaardigd en moeten ze snel worden vastgesteld om de financiële activiteiten van scheepsexploitanten in stand te houden; daarom is het aangewezen om een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(7)Door de niet te voorziene en plotselinge uitbraak van COVID-19 en de voor de vaststelling van de desbetreffende maatregelen vereiste wetgevingsprocedures was het onmogelijk om dergelijke maatregelen tijdig aan te nemen. Daarom moeten de bepalingen van deze verordening ook betrekking hebben op de heffingen die verschuldigd zijn voor de periode vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Gezien de aard van deze bepalingen mag een dergelijke aanpak niet leiden tot de schending van het gewettigd vertrouwen van de betrokken personen.

(8)Deze verordening moet met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan artikel 21 van Verordening (EU) 2017/352 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

“3. In afwijking van artikel 13, lid 1, mogen de lidstaten de havenbeheerder of de bevoegde instantie toestaan om de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur niet te innen, op te schorten of te verminderen, dan wel om de betaling van de voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 verschuldigde heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur uit te stellen. De ontheffing, de opschorting, de vermindering of het uitstel van betaling van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur moet op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden verleend aan alle havengebruikers die onderworpen zijn aan heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur.

De havenbeheerder of de bevoegde instantie zorgt ervoor dat de havengebruikers en de vertegenwoordigers of verenigingen van havengebruikers dienovereenkomstig in kennis worden gesteld. De in artikel 13, lid 5, bedoelde termijn van twee maanden is niet van toepassing.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB L 57 van 3.3.2017, blz. 1).
(2)    PB C van , blz. .
(3)    PB C van , blz. .
(4)    Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB L 57 van 3.3.2017, blz. 1).
Top