EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020PC0176

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 in verband met de geldigheid van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstel van bepaalde periodieke controles en opleidingen waarin de vervoerswetgeving voorziet

COM/2020/176 final

Brussel, 29.4.2020

COM(2020) 176 final

2020/0068(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 in verband met de geldigheid van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstel van bepaalde periodieke controles en opleidingen waarin de vervoerswetgeving voorziet

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het doel van deze ontwerpverordening is de vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen voor de vernieuwing en verlenging van de geldigheidsduur van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen en voor de opschorting van bepaalde periodieke controles en opleidingen op het gebied van het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en van maritieme beveiliging, als gevolg van de buitengewone omstandigheden die zijn ontstaan door de uitbraak van COVID-19.

De uitbraak van COVID-19 en de daarmee gepaard gaande volksgezondheidscrisis vormen een ongekende uitdaging voor de lidstaten en een zware last voor nationale overheden, EU-burgers en marktdeelnemers, met name in de vervoerssector. De COVID-19-crisis heeft geleid tot buitengewone omstandigheden die de gewone werking van vervoersondernemingen en bevoegde overheden in de lidstaten beïnvloeden wat betreft de administratieve formaliteiten in de verschillende vervoerssectoren. Die omstandigheden konden op het moment dat de desbetreffende EU-wetgeving werd vastgesteld, redelijkerwijze niet worden voorzien.

Door de overheidsmaatregelen die in het licht van de COVID-19-uitbraak moesten worden getroffen, kunnen vervoerders en andere betrokkenen in veel gevallen niet de nodige formaliteiten of procedures vervullen om te voldoen aan bepaalde voorschriften van het Unierecht met betrekking tot de vernieuwing, verlenging of blijvende geldigheid van certificaten, getuigschriften of vergunningen. Bovendien kunnen de bevoegde overheden van de lidstaten om dezelfde redenen misschien niet voldoen aan de verplichtingen van het EU-recht en waarborgen dat desbetreffende verzoeken van vervoerders vóór het verstrijken van de termijn worden behandeld.

Dat geldt onder meer voor rijbewijzen, technische controles van motorvoertuigen en aanhangwagens, communautaire vergunningen en bestuurdersattesten voor het wegvervoer, unieke veiligheidscertificaten of vergunningen voor het spoorwegvervoer, vaarbewijzen of havenveiligheidsbeoordelingen enz. Het is zeer waarschijnlijk dat certificaten, getuigschriften en vergunningen die volgens het Unierecht verlopen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, niet tijdig kunnen worden verlengd.

Om de goede werking van de interne markt en een hoog veiligheidsniveau van het vervoer te waarborgen, om rechtszekerheid te bieden en om marktverstoring te voorkomen, moeten tijdelijke bepalingen worden vastgesteld om de geldigheid te verlengen van certificaten, getuigschriften of vergunningen die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 verlopen, en te verzekeren dat die gedurende een redelijke periode geldig blijven tijdens en na de COVID-19-uitbraak.

Evenzo moeten de termijnen voor de desbetreffende formaliteiten worden verlengd en moet de geldigheid van vergunningen, certificaten en soortgelijke documenten dienovereenkomstig worden gehandhaafd. Indien nodig moeten alternatieve middelen worden toegestaan en verplicht om correcte controles te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld als de bestuurderskaart van een tachograaf verloopt en geen nieuwe kaart kan worden afgegeven.

Als de betrokken lidstaat maatregelen heeft getroffen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of in te dammen, is het bovendien mogelijk dat certificaten, getuigschriften of vergunningen nog altijd niet kunnen worden verlengd nadat een in deze verordening bepaalde termijn is verstreken. Als de Commissie na een verzoek van een lidstaat in een dergelijk geval oordeelt dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, machtigt zij die lidstaat om een verlenging van de desbetreffende periode of perioden toe te staan. Die verlenging moet worden beperkt tot de periode waarin het in die lidstaat waarschijnlijk nog altijd problematisch zal zijn om certificaten, getuigschriften of vergunningen te verlengen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De wetgeving waarop deze verordening betrekking heeft, bevat geen expliciete bepalingen waardoor de geldigheid van certificaten, getuigschriften of vergunningen kan worden verlengd in situaties zoals die welke door de COVID-19-crisis zijn ontstaan. Er moeten toepasselijke bepalingen worden vastgesteld die rekening houden met de gevolgen van de crisis en die burgers, marktdeelnemers en nationale overheden rechtszekerheid bieden.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De doeltreffende werking van de interne markt voor vervoer en aanverwante diensten hangt af van de continuïteit van de dienstverlening. Als ondernemingen door de negatieve gevolgen van de crisis niet aan de toepasselijke vereisten kunnen voldoen, kunnen hun werkzaamheden in het gedrang komen. Als werknemers niet beschikken over de nodige documenten om hun beroep wettelijk uit te oefenen, kan dat ook leiden tot een personeelstekort. De voorgestelde verordening biedt een oplossing voor dit ernstige probleem door rechtszekerheid te waarborgen en de uitoefening van beroepen in het vervoer mogelijk te maken.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel is gebaseerd op artikel 91 en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Volgens het subsidiariteitsbeginsel is een optreden van de Unie alleen toegestaan als de beoogde doelstellingen niet door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt. De problemen die tot dit voorstel hebben geleid, houden verband met de wetgeving van de Unie en kunnen alleen worden verholpen door bepalingen van wetgeving van de Unie, d.w.z. in de vorm van tijdelijke afwijkingen.

Evenredigheid

Dit optreden van de Unie is noodzakelijk om de mechanismen waarin de desbetreffende onderdelen van de wetgeving van de Unie voorzien goed te laten functioneren, rekening houdend met de omvang en de ernst van de COVID-19-uitbraak. De voorgestelde verordening bevat gerichte tijdelijke maatregelen die strikt gekoppeld zijn aan de uitbraak van COVID-19 en beperkt zijn tot wat nodig is om rechtszekerheid, veilig vervoer en de goede werking van de interne markt te waarborgen.

Keuze van het instrument

Dit voorstel heeft betrekking op specifieke bepalingen die de toepassing van verscheidene richtlijnen en verordeningen beïnvloeden. De bepalingen van de voorgestelde handeling moeten onmiddellijk en rechtstreeks toepasselijk zijn om vervoerders, andere betrokkenen en overheden van lidstaten onverwijld rechtszekerheid te bieden. De geldigheid van certificaten, getuigschriften en vergunningen en de termijnen voor periodieke controles, opleidingen of examens moeten daarom van rechtswege worden verlengd, zelfs als de desbetreffende aangelegenheden onder een richtlijn vallen. Deze wetgevingshandeling moet daarom de vorm aannemen van een rechtstreeks toepasselijke verordening die niet in nationale wetgeving hoeft te worden omgezet.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

Gezien de urgentie van de situatie zijn de belanghebbenden niet formeel geraadpleegd. Zowel de overheden van de lidstaten als belanghebbenden hebben de Commissie echter verzocht om passende maatregelen voor te stellen en verschillende van hen hebben hun bezorgdheid geuit over de versnippering die zou kunnen ontstaan als de Unie niet optreedt. In feite hebben verschillende lidstaten al nationale maatregelen goedgekeurd of aangekondigd om de geldigheid van certificaten en vergunningen te verlengen. Vervoersverenigingen hebben hun bezorgdheid geuit over die ongecoördineerde nationale initiatieven.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Zoals reeds is toegelicht, was het gezien de urgentie van de situatie niet mogelijk om expertise bijeen te brengen.

Effectbeoordeling

Gezien de urgentie van de situatie is er geen effectbeoordeling uitgevoerd. Dit voorstel wijzigt de beginselen en mechanismen van de desbetreffende wetgeving van de Unie niet en legt de betrokken partijen geen nieuwe verplichtingen op. Het is in de eerste plaats bedoeld om, gezien de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-pandemie, te zorgen voor een kortstondige verlenging van de geldigheidsduur van certificaten, getuigschriften en vergunningen en van bepaalde termijnen.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De maatregel omvat geen specifieke controle- of rapportageregelingen. Aangezien er onzekerheid blijft bestaan over de verdere ontwikkeling van COVID-19, met name mogelijke nieuwe besmettingsgolven en de herinvoering van lockdowns, en er rekening moet worden gehouden met de verschillende situatie in de lidstaten, moet de Commissie echter de bevoegdheid krijgen om op verzoek van een lidstaat toestemming te verlenen voor de verlenging van termijnen. De procedure aangaande het bepaalde in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 561/2006 1 is eenvoudig, zodat de nodige besluiten snel kunnen worden vastgesteld.

Artikelsgewijze toelichting

Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad 2 .

Om de veiligheid op de Europese wegen te garanderen zijn bij Richtlijn 2003/59/EG eisen vastgesteld inzake de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van professionele autobus- en vrachtwagenbestuurders. Doel van de richtlijn is geharmoniseerde minimale bekwaamheidsnormen vast te stellen voor de gehele Unie. Volgens de richtlijn moeten bestuurders een basisopleiding en vervolgens om de vijf jaar nascholing volgen. Door de COVID-19-uitbraak kunnen bestuurders die onderworpen zijn aan de opleidingsverplichting daar misschien niet aan voldoen of niet in staat zijn om de documenten te verlengen waaruit blijkt dat zij de verplichte nascholing hebben gevolgd. Daarom moet de geldigheid worden verlengd van getuigschriften van vakbekwaamheid, van de geharmoniseerde Uniecode “95” die op basis van dergelijke getuigschriften op rijbewijzen of kwalificatiekaarten bestuurder is aangebracht en van kwalificatiekaarten bestuurder die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 zouden verlopen. De geldigheidsduur van die documenten moet worden geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden en zij moeten dienovereenkomstig geldig blijven om de continuïteit van het wegvervoer te waarborgen.

Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (herschikking) 3 .

Richtlijn 2006/126/EG voorziet in de wederzijdse erkenning van rijbewijzen die door de lidstaten zijn afgegeven op basis van het Europees model van het rijbewijs. De richtlijn bevat een reeks minimumeisen voor die rijbewijzen teneinde de verkeersveiligheid op de weg te verbeteren, het vrije verkeer van burgers die zich binnen de Unie verplaatsen te vergemakkelijken en het risico op fraude te beperken. Daartoe zijn voor alle rijbewijscategorieën geharmoniseerde geldigheidstermijnen ingevoerd. Door de uitbraak van COVID-19 is het mogelijk dat de houders van een rijbewijs hun rijbewijs niet kunnen verlengen of inwisselen. Om de continuïteit van de mobiliteit over de weg te waarborgen, moeten rijbewijzen die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 verlopen, derhalve worden geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer 4 .

Naleving van de regels inzake rijtijden, arbeidstijden en rusttijden is essentieel voor de verkeersveiligheid en eerlijke concurrentie op de interne markt voor het wegvervoer. Tachografen en bestuurderskaarten registreren de nodige gegevens om de naleving van de regels te beoordelen. Overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) nr. 165/2014 (de “tachograafverordening”) moeten tachografen om de twee jaar door goedgekeurde werkplaatsen worden geïnspecteerd om de correcte werking, kalibratie en veiligheidskenmerken van het in het voertuig geïnstalleerde apparaat te beoordelen. Bestuurderskaarten zijn persoonlijk en worden door de nationale autoriteiten afgegeven voor een periode van vijf jaar. Als een bestuurderskaart verloopt, moet die overeenkomstig artikel 28 van de tachograafverordening met een nieuwe kaart worden verlengd. Bij beschadiging, defect, verlies of diefstal van de bestuurderskaart verzoekt de bestuurder overeenkomstig artikel 29 van de tachograafverordening de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats binnen zeven kalenderdagen om vervanging van de kaart. Die autoriteiten verstrekken binnen acht werkdagen na ontvangst van het gemotiveerde verzoek een vervangende kaart. De lidstaten hebben de Commissie laten weten dat zij problemen ondervinden om de periodieke inspecties van tachografen en de vernieuwing van bestuurderskaarten te laten plaatsvinden binnen de in de wetgeving van de Unie vastgestelde termijnen. Die problemen zijn te wijten aan de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de uitbraak van COVID-19. In dergelijke omstandigheden moeten de lidstaten gedurende een beperkte periode toestemming kunnen verlenen om voertuigen in het verkeer te houden die zijn uitgerust met tachografen die niet binnen de correcte termijn zijn geïnspecteerd.

Wat verlopen bestuurderskaarten betreft, moeten bestuurders die overeenkomstig artikel 28 van de tachograafverordening een nieuwe kaart hebben aangevraagd, in staat worden gesteld en worden verplicht om gebruik te maken van haalbare alternatieven om hun werkzaamheden te registreren totdat de desbetreffende autoriteiten een nieuwe bestuurderskaart hebben afgegeven. De in artikel 35, lid 2, van de tachograafverordening bedoelde procedure voor de vernieuwing van beschadigde, defecte, verloren of gestolen bestuurderskaarten moet van overeenkomstige toepassing zijn op bestuurders van wie de kaart is verlopen. Die aanpak waarborgt het juiste evenwicht tussen de noodzakelijke continuïteit van het vervoer en de verkeersveiligheid.

Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG 5 .

In Richtlijn 2014/45/EU zijn de geharmoniseerde minimumeisen voor periodieke technische controles vastgesteld. Die omvatten met name de frequentie van de controles en bijgevolg de geldigheid van de keuringsattesten. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak kunnen die controles misschien niet worden uitgevoerd. Het is daarom noodzakelijk dat de technische controles die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 moeten plaatsvinden, kunnen worden uitgevoerd op een latere datum, maar niet later dan zes maanden na de oorspronkelijke termijn, en dat de desbetreffende certificaten dienovereenkomstig geldig blijven.

Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad 6 .

Bij Verordening (EG) nr. 1071/2009 zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. Onder de huidige omstandigheden zullen waarschijnlijk meer vervoersondernemingen het risico lopen niet te voldoen aan het criterium van de financiële draagkracht, aangezien de verminderde activiteit en de lagere omzet kunnen leiden tot een verlaging van de eigen middelen. Exploitanten die anderszins structureel gezond zijn, dreigen daardoor hun exploitatievergunning te verliezen, wat het einde van hun vervoersactiviteiten zou betekenen. Als een vervoersonderneming niet langer aan de eis inzake financiële draagkracht voldoet, kan de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1071/2009 een termijn van ten hoogste zes maanden verlenen waarin de onderneming moet aantonen dat zij opnieuw permanent aan die eis zal voldoen. Gezien het huidige gebrek aan activiteiten en inkomsten lijkt die maximumtermijn echter te kort en moet hij voor evaluaties en besluiten tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 derhalve tot twaalf maanden worden verlengd.

Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg 7 .

Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 8 .

Professionele vervoerders die internationaal goederenvervoer over de weg en internationaal personenvervoer met touringcars en met autobussen aanbieden, moeten in het bezit zijn van een communautaire vergunning, onder de voorwaarden van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 voor het vervoer van goederen en van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1073/2009 voor het vervoer van personen.

De communautaire vergunning waarborgt dat de vervoersexploitanten in de Unie zijn gevestigd en voldoen aan de noodzakelijke vereisten voor het verlenen van internationale vervoersdiensten. In het geval van internationaal goederenvervoer moet de bestuurder, als hij onderdaan is van een derde land, bovendien in het bezit zijn van een bestuurdersattest in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 1072/2009. Dat bestuurdersattest stelt de lidstaten in staat om effectief te controleren of bestuurders uit derde landen op wettige wijze in dienst zijn bij of ter beschikking staan van de professionele vervoerder die verantwoordelijk is voor een bepaalde vervoersactiviteit.

Voor de verlening van geregelde diensten per autobus en touringcar is een vergunning vereist overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1073/2009. De procedure voor de verlenging ervan is mutatis mutandis aan dezelfde procedure onderworpen. De vergunning is afhankelijk van een aantal voorwaarden om te garanderen dat een bepaalde vervoerder geschikt is om een specifieke geregelde dienst te verlenen. De communautaire vergunning en de vergunning voor geregeld vervoer zijn aan elkaar gekoppeld in die zin dat voor de afgifte van een vergunning voor geregeld vervoer, de vervoerder in het bezit moet zijn van een communautaire vergunning. Communautaire vergunningen, bestuurdersattesten en vergunningen voor geregeld vervoer met een autobus of touringcar worden door de bevoegde instanties van de lidstaten op verzoek van de vervoerders afgegeven voor een verlengbare periode van ten hoogste tien jaar (communautaire vergunning) of vijf jaar (bestuurdersattest en vergunning voor geregeld vervoer). De verlenging wordt toegestaan als blijkt dat nog altijd aan de voorwaarden voor afgifte wordt voldaan. De lidstaten hebben de Commissie laten weten dat zij problemen ondervinden om die vergunningen en attesten te verlengen binnen de in de wetgeving van de Unie vastgestelde termijnen of om de nodige controles te verrichten alvorens ze te verlengen. Die problemen zijn te wijten aan de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de uitbraak van COVID-19. Anderzijds is het van essentieel belang dat de continuïteit van het vervoer wordt gewaarborgd. Daarom moet de geldigheid van de bovengenoemde communautaire vergunningen en attesten voor een beperkte periode worden verlengd.

Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor 9 .

Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) 10 .

Richtlijn 2004/49/EG en Richtlijn (EU) 2016/798 regelen de veiligheidscertificering en de veiligheidsvergunning in de Unie. Richtlijn 2004/49/EG wordt met ingang van 16 juni 2020 ingetrokken bij Richtlijn (EU) 2016/798. Tot die datum is zij nog steeds van toepassing op de lidstaten die de omzettingstermijn van Richtlijn (EU) 2016/798 hebben verlengd tot diezelfde datum, overeenkomstig artikel 33, lid 2, van de laatstgenoemde richtlijn.

Overeenkomstig artikel 10, lid 13, van Richtlijn (EU) 2016/798 moet een spoorwegonderneming in het bezit zijn van één enkel veiligheidscertificaat dat door hetzij het Spoorwegbureau van de Europese Unie, hetzij een nationale veiligheidsinstantie is afgegeven en dat met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar moet worden vernieuwd. Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/798 is de veiligheidsvergunning voor infrastructuurbeheerders vijf jaar geldig.

Overeenkomstig artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2004/49/EG moet een veiligheidscertificaat op verzoek van de spoorwegonderneming en met tussenpozen van maximaal vijf jaar worden vernieuwd. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2004/49/EG moet een veiligheidscertificaat op verzoek van de infrastructuurbeheerder en met tussenpozen van maximaal vijf jaar worden vernieuwd.

Door de uitzonderlijke situatie ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 ondervinden de nationale instanties, spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders problemen met betrekking tot de vernieuwing van (unieke) veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen of, met het oog op het verlopen van bestaande veiligheidsvergunningen, de afgifte van dergelijke vergunningen voor een volgende periode. De termijn voor de vernieuwing en de geldigheid van die documenten moet derhalve worden verlengd om te waarborgen dat de exploitatie van spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders niet wordt ondermijnd. Een verlenging met zes maanden zou moeten volstaan om de problemen op te lossen die nationale veiligheidsinstanties ondervinden bij inspecties ter plaatse en andere administratieve werkzaamheden.

Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen 11 .

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Richtlijn 2007/59/EG is een vergunning tien jaar geldig, onder voorbehoud van artikel 16, lid 1. Door de uitzonderlijke situatie ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 ondervinden de bevoegde instanties problemen om de vergunning volgens de gestelde voorwaarden te verlengen. De geldigheidsduur van de vergunningen die moeten worden verlengd binnen de periode waarin die verlenging niet haalbaar is, moet met zes maanden worden verlengd. Ook machinisten moeten zes maanden extra tijd krijgen om periodieke controles te ondergaan.

Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte 12 .

Volgens artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU kan de vergunningverlenende autoriteit in gevallen waarin de vergunning is geschorst of ingetrokken wegens niet-nakoming van de verplichtingen inzake financiële draagkracht, een tijdelijke vergunning verlenen voor de periode waarin de spoorwegonderneming wordt gereorganiseerd, op voorwaarde dat de veiligheid niet in gevaar komt. Een tijdelijke vergunning is echter maximaal zes maanden geldig. Door de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 ondervinden de autoriteiten ernstige problemen bij het nemen van besluiten over de afgifte van nieuwe vergunningen voor de periode na het verlopen van een tijdelijke vergunning. Daarom moet de geldigheidsduur van tijdelijke vergunningen die worden afgegeven of die verlopen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020, met zes maanden worden verlengd.

Volgens artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU moet de vergunningverlenende autoriteit binnen drie maanden besluiten over een aanvraag voor een vergunning. Om de genoemde redenen kunnen de vergunningverlenende autoriteiten echter niet tijdig handelen. Derhalve wordt voorgesteld die autoriteiten een verlenging met zes maanden toe te staan voor aanvragen die tussen 12 januari 2020 en 31 augustus 2020 worden ingediend.

Overeenkomstig Richtlijn 2012/34/EU kunnen de vergunningverlenende autoriteiten de vergunning van een spoorwegonderneming die niet aan de verplichtingen inzake financiële draagkracht voldoet, schorsen of intrekken. In dat geval kunnen de autoriteiten die spoorwegonderneming na de intrekking of schorsing van de vergunning een tijdelijke vergunning verlenen. Een tijdelijke vergunning is bedoeld om de spoorwegonderneming in staat te stellen haar activiteiten te herstructureren en voort te zetten, op voorwaarde dat de veiligheid niet in gevaar komt. De ervaring heeft echter geleerd dat dit voor de markt een zeer negatief signaal is over de overlevingskansen van een spoorwegonderneming, wat dan weer haar financiële problemen vergroot, met name wat de kasstroom betreft. Veel spoorwegondernemingen die vóór de crisis financieel stabiel waren, zullen waarschijnlijk terechtkomen in een situatie waarin hun vergunning wegens hun financiële situatie zou moeten worden geschorst of ingetrokken. Gezien de huidige crisis kan dit, met name in economisch en veiligheidsopzicht, ongegrond zijn. Bovendien hebben spoorwegondernemingen wellicht meer tijd nodig om weer financieel stabiel te worden in de periode na de indamming van COVID-19.

Daarom wordt voorgesteld de lidstaten tijdelijk toe te staan een bestaande vergunning ongewijzigd te laten, d.w.z. die niet in te trekken of te schorsen, noch een tijdelijke vergunning af te geven, op voorwaarde dat de veiligheid niet in gevaar komt. De lidstaten zouden de financiële draagkracht van de desbetreffende spoorwegondernemingen kunnen blijven controleren om passagiers tegen onnodige veiligheidsrisico’s te beschermen. Daardoor zouden spoorwegondernemingen niet aan onnodige beperkingen worden onderworpen en zouden zij betere perspectieven krijgen om er financieel weer bovenop te komen.

Richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden 13 .

Volgens artikel 6, lid 2, van Richtlijn 96/50/EG moeten houders van een vaarbewijs die de 65-jarige leeftijd hebben bereikt, binnen de drie daaropvolgende maanden en vervolgens ieder jaar een geneeskundig onderzoek ondergaan. Aangezien de toegang tot medische dienstverlening voor niet-spoedeisende onderzoeken beperkt is ten gevolge van de maatregelen in verband met COVID-19, is het mogelijk dat houders van een vaarbewijs geen medisch onderzoek kunnen ondergaan in de periode waarop die maatregelen betrekking hebben. Als de termijn voor een medisch onderzoek verstrijkt tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, moet die termijn derhalve met zes maanden worden verlengd.

Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG 14 .

De geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten is beperkt overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn (EU) 2016/1629. Bovendien voorziet artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 in de blijvende geldigheid van documenten die onder die richtlijn vallen en die door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn afgegeven uit hoofde van de eerder geldende Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad 15 .

Door de maatregelen ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 kan het voor de bevoegde instanties moeilijk en soms onmogelijk zijn om technische inspecties uit te voeren om de geldigheid van de desbetreffende certificaten te verlengen of, in het geval van de in artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde documenten, die te vervangen.

In het belang van de rechtszekerheid en om de desbetreffende binnenschepen te kunnen blijven exploiteren, is het derhalve aangewezen de geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten en van documenten die onder artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 vallen, en die anders tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 zouden vervallen, met zes maanden te verlengen.

Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten 16 .

Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens 17 .

Door de uitbraak van COVID-19 worden inspecties en onderzoeken op het gebied van maritieme veiligheid in deze periode bemoeilijkt, omdat daarbij de fysieke aanwezigheid van inspecteurs in de haven, in havenfaciliteiten en op schepen vereist is. Daardoor is het vaak niet haalbaar om de bij de Uniewetgeving inzake maritieme veiligheid vereiste certificaten, beoordelingen en plannen binnen de gestelde termijnen te verlengen. Een flexibele en pragmatische oplossing is de geldigheidsduur van die documenten met een redelijke periode te verlengen, zonder daarbij de veiligheid in gevaar te brengen. Dat geldt ook voor de frequentie van maritieme veiligheidsoefeningen, die tijdens de nationale lockdowns wellicht moeilijk uit te voeren zijn.

2020/0068 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 in verband met de geldigheid van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstel van bepaalde periodieke controles en opleidingen waarin de vervoerswetgeving voorziet

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91 en artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 18 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 19 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De uitbraak van COVID-19 en de daarmee gepaard gaande volksgezondheidscrisis vormen een ongekende uitdaging voor de lidstaten en een zware last voor de nationale autoriteiten, EU-burgers en marktdeelnemers, met name in de vervoerssector. De uitbraak van COVID-19 heeft geleid tot buitengewone omstandigheden, die een invloed hebben op de normale werkzaamheden van de bevoegde nationale autoriteiten en de activiteiten van vervoersondernemingen met betrekking tot administratieve formaliteiten die in verschillende vervoerssectoren moeten worden vervuld en die redelijkerwijs niet konden worden voorzien op het moment waarop de betrokken maatregelen werden genomen. Die omstandigheden hebben een grote impact op verschillende gebieden die onder de vervoerswetgeving van de Unie vallen.

(2)De kans bestaat dat vervoerders en andere betrokkenen niet in staat zullen zijn de op grond van het EU-recht vereiste formaliteiten of procedures na te leven voor de verlenging of vernieuwing van certificaten, getuigschriften of vergunningen, dan wel andere stappen te nemen die nodig zijn om de geldigheid daarvan te handhaven. De bevoegde overheden van de lidstaten zullen om dezelfde redenen misschien niet kunnen voldoen aan de verplichtingen van het EU-recht en kunnen waarborgen dat de door vervoerders ingediende aanvragen vóór het verstrijken van de geldende termijn worden behandeld. Daarom moeten maatregelen worden vastgesteld om die problemen weg te werken en zowel de rechtszekerheid als de goede werking van de betrokken handelingen te waarborgen. Daartoe moet in een aantal aanpassingen worden voorzien, met name met betrekking tot bepaalde termijnen, in combinatie met de mogelijkheid voor de Commissie om lidstaten die daarom verzoeken toe te staan bepaalde termijnen te verlengen.

(3)Bij Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad 20 zijn regels vastgesteld inzake de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen. De betrokken bestuurders moeten houder zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid en moeten door de registratie van die nascholing op hun rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder aantonen dat zij de vereiste nascholing hebben gevolgd. Gezien de moeilijkheden in deze door de uitbraak van COVID-19 veroorzaakte buitengewone omstandigheden om nascholing te volgen en om getuigschriften van vakbekwaamheid waarin de gevolgde nascholing is geregistreerd te verlengen, moet de geldigheidsduur van die getuigschriften met zes maanden worden verlengd om de continuïteit van het wegvervoer te waarborgen.

(4)Bij Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad 21 zijn regels betreffende het rijbewijs vastgesteld. Die richtlijn voorziet in de wederzijdse erkenning van rijbewijzen die door de lidstaten zijn afgegeven op basis van een EU-modelrijbewijs en bevat een aantal minimumeisen waaraan rijbewijzen moeten voldoen. Bestuurders van motorvoertuigen moeten in het bezit zijn van een geldig rijbewijs, dat moet worden verlengd of, in sommige gevallen, moet worden ingewisseld na het verstrijken van de administratieve geldigheidsduur. Gezien de problemen die de uitbraak van COVID-19 voor de verlenging van rijbewijzen heeft veroorzaakt, moet de geldigheidstermijn van bepaalde rijbewijzen na hun vervaldatum met zes maanden worden verlengd om de continuïteit van het wegverkeer te waarborgen.

(5)Bij Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad 22 zijn regels betreffende tachografen in het wegvervoer vastgesteld. De naleving van de in Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad 23 en Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad 24 vastgestelde regels inzake rij-, arbeids- en rusttijden is essentieel om eerlijke concurrentie en de verkeersveiligheid te waarborgen. Gelet op de noodzaak om de continuïteit van het wegvervoer te waarborgen ondanks de problemen die de uitbraak van COVID-19 voor de uitvoering van periodieke controles van tachografen heeft veroorzaakt, moeten de controles als bedoeld in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 165/2014 die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 hadden moeten plaatsvinden, nu worden uitgevoerd uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij overeenkomstig dat artikel hadden moeten plaatsvinden. Om dezelfde reden rechtvaardigen de moeilijkheden om in de buitengewone omstandigheden door de uitbraak van COVID-19 bestuurderskaarten te vernieuwen of te vervangen dat de autoriteiten daarvoor extra tijd krijgen en moeten chauffeurs tot zij een nieuwe kaart hebben ontvangen een haalbaar en verplicht alternatief krijgen voor het registreren van de nodige informatie over rij-, arbeids- en rusttijden.

(6)Bij Richtlijn 2014/45/EG van het Europees Parlement en de Raad 25 zijn regels vastgesteld betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens. Het verrichten van periodieke technische controles is een complexe taak die ervoor moet zorgen dat voertuigen tijdens het gebruik ervan aan bepaalde veiligheids- en milieunormen blijven voldoen. Gezien de moeilijkheden om periodieke technische controles te verrichten in de buitengewone omstandigheden door de uitbraak van COVID-19, moeten de controles die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 hadden moeten plaatsvinden, nu op een latere datum worden uitgevoerd, uiterlijk zes maanden na de oorspronkelijke termijn, en moeten de betrokken certificaten dienovereenkomstig geldig blijven.

(7)Bij Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad 26 zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld betreffende de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. De COVID-19-crisis heeft ernstige gevolgen voor de financiële toestand van de sector; sommige vervoersondernemingen voldoen niet langer aan de vereiste inzake financiële draagkracht. Gezien de verlaagde activiteit die de crisis met zich meebrengt, kan worden verwacht dat ondernemingen meer tijd dan normaal nodig zullen hebben om aan te tonen dat ze permanent aan deze eis voldoen. Daarom is het passend de in artikel 13, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1071/2009 vastgestelde maximale termijn voor beoordelingen en beslissingen die tussen 1 maart 2020 en 31 december 2020 worden genomen, te verlengen van zes tot twaalf maanden.

(8)Bij Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad 27 en Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad 28 zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de toegang tot, respectievelijk, de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten. Voor het internationale goederenvervoer over de weg en het internationaal personenvervoer met touringcars en autobussen is onder meer het bezit van een communautaire vergunning en, voor chauffeurs uit derde landen die goederenvervoer verrichten, een bestuurdersattest vereist. Voor het geregeld vervoer per bus en touringcar is ook een vergunning vereist. Die vergunningen en attesten kunnen worden verlengd na verificatie dat de desbetreffende voorwaarden nog steeds worden nageleefd. Gezien de problemen voor de verlenging van vergunningen als gevolg van de buitengewone omstandigheden door de uitbraak van COVID-19, moet de geldigheidsduur van bepaalde vergunningen na hun vervaldatum met zes maanden worden verlengd om de continuïteit van het wegverkeer te waarborgen.

(9)Bij Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad 29 zijn regels inzake de veiligheid op het spoor vastgesteld. Door de combinatie van de lockdownmaatregelen in combinatie met de extra werklast die gepaard gaat met het indijken van het COVID-19-virus, ondervinden de nationale autoriteiten, spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders moeilijkheden bij de toepassing van de artikelen 10 en 12 van die richtlijn voor de verlenging van unieke veiligheidscertificaten en, met het oog op het verstrijken van de geldigheidsduur van bestaande veiligheidsvergunningen, voor de afgifte van dergelijke vergunningen voor een volgende periode. De termijn voor de verlenging van unieke veiligheidscertificaten moet daarom met zes maanden worden verlengd en de bestaande unieke veiligheidscertificaten moeten dienovereenkomstig geldig blijven. Ook de geldigheid van veiligheidsvergunningen moet met zes maanden worden verlengd.

(10)Overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/798 hebben sommige lidstaten de termijn voor de omzetting van die richtlijn verlengd. De regels van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad 30 blijven in die lidstaten derhalve van toepassing. Daarom moeten ook de termijnen voor de verlenging van de krachtens de artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2004/49/EG afgegeven veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen worden verlengd en moet worden verduidelijkt dat die veiligheidscertificaten en -vergunningen dienovereenkomstig geldig blijven.

(11)Bij Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad 31 zijn regels vastgesteld inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Unie besturen. In artikel 14, lid 5, van die richtlijn is bepaald dat vergunningen van machinisten slechts tien jaar geldig blijven en onderworpen worden aan periodieke controles. Wegens de moeilijkheden voor de vernieuwing van dergelijke vergunningen die worden veroorzaakt door de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak, moet de geldigheidsduur van vergunningen die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 verstrijken, worden verlengd. Ook machinisten moeten zes maanden extra tijd krijgen om de vereiste periodieke controles te ondergaan.

(12)Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad 32 voorziet in de instelling van één Europese spoorwegruimte. Krachtens artikel 24, lid 3, van die richtlijn kunnen de nationale vergunningverlenende autoriteiten een vergunning schorsen of intrekken op grond van de niet-naleving van de vereiste inzake financiële draagkracht en, op voorwaarde dat de veiligheid gewaarborgd blijft, een tijdelijke vergunning afgeven in afwachting van de reorganisatie van de spoorwegonderneming. Door de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 ondervinden de autoriteiten ernstige problemen bij het nemen van besluiten over de afgifte van nieuwe vergunningen voor de periode na het verlopen van een tijdelijke vergunning. Daarom moet de geldigheidsduur van tijdelijke vergunningen die verlopen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020 met zes maanden worden verlengd.

(13)Volgens artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU moet de vergunningverlenende autoriteit binnen drie maanden een besluit nemen over een aanvraag voor een vergunning. Wegens de moeilijkheden om in de buitengewone omstandigheden door de uitbraak van COVID-19 relevante beslissingen te nemen, moet die termijn met zes maanden worden verlengd.

(14)Spoorwegondernemingen die vóór de uitbraak van COVID-19 financieel stabiel waren, kampen met liquiditeitsproblemen die, zonder dat daartoe de structurele economische noodzaak bestaat, tot de schorsing of intrekking van hun vergunning en de eventuele vervanging daarvan door een tijdelijke vergunning zouden kunnen leiden. De afgifte van een tijdelijke vergunning overeenkomstig artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU kan aan de markt een negatief signaal geven over de overlevingskansen van spoorwegondernemingen, waardoor tijdelijke financiële problemen nog erger worden. Daarom moet worden bepaald dat de vergunning van deze spoorwegondernemingen, op basis van de beoordeling van de vergunningverlenende autoriteit en middels een besluit dat is genomen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020, niet mag worden geschorst of ingetrokken op voorwaarde dat de veiligheid gewaarborgd is en er een realistisch perspectief is op een bevredigend financieel herstel binnen een periode van zes maanden. Aan het einde van die periode van zes maanden moet de onderneming worden onderworpen aan de algemene voorschriften van artikel 24, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU.

(15)Bij Richtlijn 96/50/EG 33 van de Raad zijn de voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van vaarbewijzen voor het vervoer van goederen en personen over de binnenwateren in de Unie. Vanaf de leeftijd van 65 moeten houders van een vaarbewijs periodieke geneeskundige onderzoeken ondergaan. Gelet op de maatregelen die zijn genomen na de uitbraak van COVID-19, en met name de beperkte toegang tot medische diensten voor medische controles, bestaat de kans dat houders van een vaarbewijs tijdens de periode waarin die maatregelen van kracht zijn niet in staat zijn een geneeskundig onderzoek te ondergaan. Als de termijn voor een medisch onderzoek verstrijkt tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, moet die termijn derhalve met zes maanden worden verlengd.

(16)Bij Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad 34 zijn technische voorschriften voor binnenschepen vastgesteld. De geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten is beperkt bij artikel 10. Bovendien is in artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 bepaald dat documenten die onder deze richtlijn vallen en die vóór 6 oktober 2018 uit hoofde van de voorheen geldende Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 35 door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn afgegeven, geldig blijven tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt. Door de maatregelen ten gevolge van de uitbraak van COVID-19 kan het voor de bevoegde instanties moeilijk en soms onmogelijk zijn om technische inspecties uit te voeren om de geldigheid van de desbetreffende certificaten te verlengen of, in het geval van de in artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde documenten, die te vervangen. Om de desbetreffende binnenschepen te kunnen blijven exploiteren, is het derhalve aangewezen de geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten en van documenten die onder artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 vallen, en die anders tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 zouden vervallen, met zes maanden te verlengen.

(17)Bij Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad 36 zijn regels betreffende de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten vastgesteld. Bij Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad 37 zijn maatregelen vastgesteld om de veiligheid van havens ten aanzien van bedreigingen van beveiligingsincidenten te verhogen. Zij verzekert ook dat een verhoogde veiligheid in de haven de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen veiligheidsmaatregelen ten goede komt. Inspecties op het gebied van maritieme veiligheid en onderzoeken door de autoriteiten van de lidstaten, die nodig zijn om bepaalde documenten te verlengen en bijgevolg de in de Uniewetgeving inzake maritieme veiligheid vastgestelde termijnen in acht te nemen, worden door de huidige gezondheidscrisis bemoeilijkt. Daarom moeten de geldigheidsduur van de certificaten en de termijnen voor de door die wetgeving vereiste beoordelingen en plannen met een redelijke termijn worden verlengd om de lidstaten en de scheepvaartsector een flexibele en pragmatische oplossing te bieden en essentiële toeleveringsketens in stand te houden, zonder de veiligheid in het gedrang te brengen. Er moet ook flexibiliteit worden toegestaan voor veiligheidsoefeningen en -trainingen, die volgens de wetgeving op gezette tijden moeten worden uitgevoerd.

(18)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de verlenging van de in de EU-regelgeving vastgestelde termijnen voor de vernieuwing of verlenging van certificaten, getuigschriften of vergunningen, onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(19)Deze verordening moet bij hoogdringendheid worden aangenomen teneinde zo snel mogelijk een einde te maken aan de rechtsonzekerheid voor talrijke autoriteiten en exploitanten in verschillende sectoren, met name met betrekking tot termijnen die reeds zijn verstreken. Het is derhalve passend een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(20)Gezien de onvoorziene en plotselinge uitbraak van de COVID-19-pandemie en de voor de vaststelling van de desbetreffende maatregelen vereiste wetgevingsprocedures was het onmogelijk deze maatregelen tijdig vast te stellen. Daarom moeten de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn op de periode vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Gezien de aard van deze bepalingen mag die aanpak geen afbreuk doen aan het gewettigd vertrouwen van de belanghebbenden.

(21)Deze verordening moet met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening voorziet ten behoeve van het spoorvervoer, het wegvervoer, de binnenvaart en de maritieme beveiliging in specifieke en tijdelijke maatregelen in verband met de vernieuwing en verlenging van de geldigheidsduur van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen en het uitstel van bepaalde periodieke controles en opleidingen naar aanleiding van de buitengewone omstandigheden die zijn veroorzaakt door de uitbraak van COVID-19.

Artikel 2

Verlenging van de in Richtlijn 2003/59/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 8, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/59/EG, moeten de termijnen voor het voltooien van nascholing die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van telkens zes maanden. Getuigschriften van vakbekwaamheid blijven dienovereenkomstig geldig.

(2)De geldigheid van de geharmoniseerde Uniecode “95” als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG die door de bevoegde autoriteiten wordt aangebracht op het rijbewijs of op de in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/59/EG bedoelde kwalificatiekaart bestuurder op basis van de in lid 1 bedoelde getuigschriften van vakbekwaamheid, wordt geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden vanaf de op het individuele rijbewijs of de individuele kaart vermelde datum.



(3)De geldigheid van de in bijlage II bij Richtlijn 2003/59/EG bedoelde kwalificatiekaarten bestuurders die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, wordt geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden vanaf de op de individuele kaart vermelde vervaldatum.

(4)Lidstaten die van oordeel zijn dat het volgen van nascholing of de afgifte van een getuigschrift daarvan, het aanbrengen van de geharmoniseerde Uniecode “95” of de vernieuwing van de kwalificatiekaart bestuurder wellicht onmogelijk zal blijven tot na 31 augustus 2020 als gevolg van maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 vermelde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperioden en/of de periodes van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(5)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt om rekening te houden met de periode waarin het voltooien van de betreffende nascholing of de afgifte van een getuigschrift daarvan, het aanbrengen van de geharmoniseerde Uniecode “95” of de vernieuwing van kwalificatiekaarten bestuurder naar verwachting onmogelijk zal blijven.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 3

Verlenging van de in Richtlijn 2006/126/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 7 en bijlage I, punt 3, onder d), van Richtlijn 2006/126/EG, moet de geldigheid van rijbewijzen die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes telkens maanden vanaf de op het individuele rijbewijs vermelde datum.

(2)Lidstaten die van oordeel zijn dat de verlenging van rijbewijzen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in lid 1 genoemde perioden te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(3)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 2 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de verlenging van het rijbewijs naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.



Artikel 4

Verlenging van de in Verordening (EU) nr. 165/2014 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 23 van Verordening (EU) nr. 165/2014 moeten de in lid 1 van dat artikel bedoelde regelmatige inspecties die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden plaatsvinden, worden uitgevoerd uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij overeenkomstig dat artikel moesten plaatsvinden.

(2)Onverminderd artikel 28 van Verordening (EU) nr. 165/2014 verstrekken de bevoegde autoriteiten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) overeenkomstig lid 1 van dat artikel een aanvraag voor de vernieuwing van zijn of haar bestuurderskaart indient, uiterlijk 2 maanden na de indiening van dat verzoek een nieuwe kaart. Totdat de bestuurder van de autoriteiten de nieuwe kaart ontvangt, is artikel 35, lid 2, van die verordening van overeenkomstige toepassing op de bestuurder.

(3)Onverminderd artikel 29, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014, verstrekken de bevoegde autoriteiten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) overeenkomstig lid 4 van dat artikel een aanvraag voor de vervanging van een bestuurderskaart indient, uiterlijk 2 maanden na het verzoek een vervangende kaart. Onverminderd artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) nr. 165/2014 mag de bestuurder blijven rijden tot hij of zij van de autoriteiten die de kaart afgeven een nieuwe kaart ontvangt, mits de bestuurder kan aantonen dat hij of zij de defecte of beschadigde kaart naar de bevoegde autoriteit heeft teruggezonden en een nieuwe kaart heeft aangevraagd.

(4)Lidstaten die van oordeel zijn dat regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zullen blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperioden en/of de termijnen. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(5)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 5

Verlenging van de in Richtlijn 2014/45/EU vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 5, lid 1, in samenhang met artikel 10, lid 1, en bijlage II, punt 8, van Richtlijn 2014/45/EU, moeten de termijnen voor technische controles die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) hadden moeten plaatsvinden, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(2)Onverminderd artikel 8 in samenhang met bijlage II, punt 8, van Richtlijn 2014/45/EU wordt de geldigheidsduur van controlecertificaten met een vervaldatum tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat het verrichten van technische controles of de afgifte van certificaten na die controles waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperioden en/of de termijnen. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin het verrichten van technische controles en de afgifte van certificaten na die controles naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 6

Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 1071/2009 vastgestelde termijnen

Wanneer uit een tussen 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 uitgevoerde controle blijkt dat een onderneming niet de op grond van artikel 3, lid 1, onder c), vereiste inzake financiële draagkracht bezit en onverminderd artikel 13, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1071/2009, bedraagt de door de bevoegde autoriteit voor de toepassing van artikel 13, lid 1, onder c), vastgestelde termijn maximaal twaalf maanden.

Artikel 7

Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 1072/2009 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 4, lid 2, van Verordening 1072/2009/EG, moet de geldigheid van communautaire vergunningen die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(2)Onverminderd artikel 5, lid 7, van Verordening 1072/2009/EG, moet de geldigheid van bestuurdersattesten die overeenkomstig die bepaling zouden verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode), geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de verlenging van communautaire vergunningen of bestuurdersattesten waarschijnlijk tot na de in de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in die leden genoemde perioden te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de verlenging van communautaire vergunningen of bestuurdersattesten naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 8

Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 1073/2009 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1073/2009, moet de geldigheid van communautaire vergunningen die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(2)Onverminderd artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 nemen de vergunningverlenende instanties binnen zes maanden na de indiening een beslissing over aanvragen die door vervoerders zijn ingediend tussen 12 december 2019 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode). Onverminderd artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waaraan overeenkomstig lid 1 van dat artikel instemming met de betreffende aanvraag wordt gevraagd, de vergunningverlenende instantie binnen drie maanden na de aanvraag in kennis van hun beslissing.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de verlenging van communautaire vergunningen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in dat lid genoemde perioden te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de verlenging van communautaire vergunningen naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.



Artikel 9

Verlenging van de in Richtlijn (EU) 2016/798 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 10, lid 13, van Richtlijn (EU) 2016/798 moeten de termijnen voor de vernieuwing van unieke veiligheidscertificaten die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden. De betreffende unieke veiligheidscertificaten blijven dienovereenkomstig geldig.

(2)Onverminderd artikel 12, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/798, moet de geldigheid van veiligheidsvergunningen die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de vernieuwing van overeenkomstig artikel 10, lid 8, van Richtlijn (EU) 2016/798 afgegeven unieke veiligheidscertificaten of de verlenging van de geldigheidsperiode van veiligheidsvergunningen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperioden en/of de periodes van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de vernieuwing van unieke veiligheidscertificaten of de verlenging van veiligheidsvergunningen naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 10

Verlenging van de in Richtlijn 2004/49/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2004/49/EG, moeten de termijnen voor de vernieuwing van veiligheidscertificaten die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden. De betreffende veiligheidscertificaten blijven dienovereenkomstig geldig.

(2)Onverminderd artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2004/49/EG moeten de termijnen voor de vernieuwing van veiligheidsvergunningen die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden. De betreffende veiligheidsvergunningen blijven dienovereenkomstig geldig.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de vernieuwing van veiligheidscertificaten of -vergunningen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijk verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de vernieuwing van veiligheidscertificaten of -vergunningen naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 11

Verlenging van de in Richtlijn 2007/59/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 14, lid 5, van Richtlijn 2007/59/EG, moet de geldigheid van vergunningen die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden vanaf de in die vergunningen vermelde vervaldatum.

(2)Onverminderd artikel 16 en de bijlagen II en VII van Richtlijn 2007/59/EG, moeten de termijnen voor het ondergaan van periodieke controles die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van telkens zes maanden. De in artikel 14 bedoelde vergunningen en de in artikel 15 van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde bevoegdheidsbewijzen blijven dienovereenkomstig geldig.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de vernieuwing van vergunningen of de organisatie van periodieke controles waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperioden en/of de periodes van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de vernieuwing van vergunningen of de organisatie van periodieke controles naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 12

Verlenging van de in Richtlijn 2012/34/EU vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EG, moet de geldigheid van tijdelijke vergunningen die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden vanaf de in die vergunningen vermelde vervaldatum.

(2)Onverminderd artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU neemt de vergunningverlenende autoriteit met betrekking tot in de periode van 12 januari 2020 tot en met 31 augustus 2020 ingediende aanvragen een besluit uiterlijk negen maanden nadat alle relevante informatie, met name de in bijlage III bedoelde gegevens, is verstrekt.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de intrekking of schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen, na een eerdere intrekking, waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de lid 1 genoemde perioden te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de intrekking of schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen, na een eerdere intrekking, naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 13

Behandeling van vergunningen van spoorwegondernemingen overeenkomstig Richtlijn 2012/34/EU in geval van gebrek aan financiële draagkracht

Onverminderd artikel 24, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU kan een vergunningverlenende autoriteit die in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020 vaststelt dat een spoorwegonderneming niet langer aan de in artikel 20 van die richtlijn bedoelde eisen inzake financiële draagkracht voldoet, tijdens die periode besluiten de vergunning van die spoorwegonderneming niet te schorsen of in te trekken, op voorwaarde dat de veiligheid niet in gevaar is en dat er de volgende zes maanden een realistisch perspectief is op een bevredigend financieel herstel. Zij toetst de prestaties van de betrokken spoorwegonderneming aan het einde van die periode van zes maanden en beslist of de vergunning overeenkomstig artikel 24, lid 1, wordt geschorst of ingetrokken en of op grond van artikel 24, lid 3, van die richtlijn een tijdelijke vergunning moet worden verleend.

Artikel 14

Verlenging van de in Richtlijn 96/50/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 6, lid 2, van Richtlijn 96/50/EG moeten de termijnen voor het ondergaan van een geneeskundig onderzoek die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden. De betreffende vaarbewijzen blijven dienovereenkomstig geldig.

(2)Lidstaten die van oordeel zijn dat het ondergaan van geneeskundige onderzoeken waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(3)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 2 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin het ondergaan van geneeskundige onderzoeken naar verwachting onmogelijk zal zijn.

   De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 15

Verlenging van de in Richtlijn (EU) 2016/1629 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 10 van Richtlijn (EU) 2016/1629, moet de geldigheid van Uniebinnenvaartcertificaten die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(2)Onverminderd artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 wordt de geldigheid van documenten die onder die richtlijn vallen en vóór 6 oktober 2018 uit hoofde van Richtlijn 2006/87/EG door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn afgegeven, en die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht te zijn verlengd met een periode van zes maanden.

(3)Lidstaten die van oordeel zijn dat de vernieuwing van Uniebinnenvaartcertificaten waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(4)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin de vernieuwing van Uniebinnenvaartcertificaten naar verwachting onmogelijk zal zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 16

Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 725/2004 vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 moeten de termijnen voor de uitvoering van beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten die overeenkomstig die bepaling tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd tot 30 november 2020.

(2)Onverminderd bijlage III, deel B, punt 13.6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 moeten oefeningen, als die in 2020 niet binnen de in dat punt gespecificeerde tussentijd kunnen worden uitgevoerd, dat jaar ten minste tweemaal worden uitgevoerd met een tussentijd van ten hoogste zes maanden.

(3)Onverminderd bijlage III, deel B, punten 13.7 en 18.6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 wordt de termijn van 18 maanden voor de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen die overeenkomstig die bepalingen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, telkens geacht te zijn verlengd met zes maanden, doch uiterlijk tot 31 december 2020.

(4)Voor de toepassing van het voorschrift in bijlage III, deel B, punten 13.7 en 18.6, van Verordening (EG) nr. 725/2004, waarin bepaald is dat de verschillende soorten oefeningen minstens eenmaal per kalenderjaar moeten worden uitgevoerd, worden de oefeningen die in 2021 worden uitgevoerd gedurende de periode waarvoor overeenkomstig lid 5 machtiging is verleend, geacht te zijn uitgevoerd in 2020. Lidstaten die van oordeel zijn dat beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of het uitvoeren van de verschillende soorten oefeningen als bedoeld in bijlage III, deel B, punten 13.7 en 18.6, van Verordening (EG) nr. 725/2004, waarschijnlijk onmogelijk zullen blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 3 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode, de termijn, de periode van zes maanden, of op een combinatie daarvan. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(5)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 3 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen naar verwachting onmogelijk zullen zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 17

Verlenging van de in Richtlijn 2005/65/EG vastgestelde termijnen

(1)Onverminderd artikel 10 van Richtlijn 2005/65/EG, moeten de termijnen voor de evaluatie van havenveiligheidsbeoordelingen en havenveiligheidsplannen die overeenkomstig dat artikel tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zouden verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van telkens zes maanden, doch uiterlijk tot 30 november 2020.

(2)Onverminderd artikel 7, lid 7, en bijlage III van Richtlijn 2005/65/EG, moet de termijn van 18 maanden voor het voltooien van de opleiding die overeenkomstig die bijlage tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 (de referentieperiode) zou verstrijken, geacht worden te zijn verlengd met een periode van telkens zes maanden, doch uiterlijk tot 30 november 2020.



(3)Voor de toepassing van het voorschrift in bijlage III van Richtlijn 2005/65/EG, waarin bepaald is dat er minstens eenmaal per kalenderjaar veiligheidsopleidingsoefeningen moeten worden uitgevoerd, worden de oefeningen die in 2021 worden uitgevoerd gedurende de periode waarvoor overeenkomstig lid 4 machtiging is verleend, geacht te zijn uitgevoerd in 2020.

(4)Lidstaten die van oordeel zijn dat evaluaties van havenveiligheidsbeoordelingen en havenveiligheidsplannen of het voltooien van opleidingen waarschijnlijk onmogelijk zullen blijven door de maatregelen die zij hebben genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kunnen een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1 en 2 genoemde perioden desgevallend te verlengen. Dergelijke verzoeken kunnen betrekking hebben op de referentieperiode en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 15 juli 2020 bij de Commissie worden ingediend.

(5)Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt tot de periode waarin evaluaties van havenveiligheidsbeoordelingen en havenveiligheidsplannen of opleidingen naar verwachting onmogelijk zullen zijn.

De Commissie maakt haar besluit bekend in het Publicatieblad.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).
(2)    PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4.
(3)    PB L 403 van 30.12.2006, blz. 18.
(4)    PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1.
(5)    PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51.
(6)    PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51.
(7)    PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72.
(8)    PB L 300 van 14.11.2009, blz. 88.
(9)    PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102.
(10)    PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44.
(11)    PB L 315 van 3.12.2007, blz. 51.
(12)    PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32.
(13)    PB L 235 van 17.9.1996, blz. 31.
(14)    PB L 252 van 16.9.2016, blz. 118.
(15)    PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1.
(16)    PB L 129 van 29.4.2004, blz. 6.
(17)    PB L 310 van 25.11.2005, blz. 28.
(18)    PB C […] van […], blz. […].
(19)    PB C […] van […], blz. […].
(20)    Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4).
(21)    Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403 van 30.12.2006, blz. 18).
(22)    Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).
(23)    Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).
(24)    Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).
(25)    Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51).
(26)    Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).
(27)    Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72).
(28)    Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 88).
(29)    Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).
(30)    Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44).
(31)    Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 51).
(32)    Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).
(33)    Richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 31).
(34)    Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 118).
(35)    Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1).
(36)    Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PB L 129 van 29.4.2004, blz. 6).
(37)    Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende het verhogen van de veiligheid van havens (PB L 310 van 25.11.2005, blz. 28).
Top